Wijzigingsgeschiedenis
Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
58 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 443 más
2025-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 471 más
2025-02-26
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 469 más
2025-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 465 más
2024-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 462 más
2023-05-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 451 más
2023-05-20
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 4 y 613 más
2023-04-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 454 más
2023-01-01
Regeling voertuigen
2022-07-01
Regeling voertuigen — arts. 45, 45
2022-06-22
Regeling voertuigen
2022-01-01
Regeling voertuigen
2021-10-29
Regeling voertuigen
2021-01-21
Regeling voertuigen
2021-01-05
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 407 más
2021-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 575 más
2020-12-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 441 más
2020-10-15
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 1016 más
2020-09-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 12, 12 y 839 más
2020-08-30
Regeling voertuigen — arts. 1, 1
2020-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 448 más
2018-05-20
Regeling voertuigen — arts. 3, 96, 89 y 172 más
2018-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 498 más
2018-03-31
Regeling voertuigen
2018-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 521 más
2017-10-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 515 más
2017-05-07
Regeling voertuigen — art. 2
2017-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 501 más
2017-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2
2016-03-02
Regeling voertuigen — art. 2
2016-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 532 más
2015-01-01
Regeling voertuigen — arts. 115, 117, 118 y 90 más
2014-10-31
Regeling voertuigen
2014-09-03
Regeling voertuigen
2014-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 4 y 486 más
2014-03-20
Regeling voertuigen
2014-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 2 y 528 más
2013-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 524 más
2013-01-10
Regeling voertuigen
2013-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 3, 15 y 265 más
2012-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 528 más
2012-10-01
Regeling voertuigen
2012-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 310 más
2012-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 525 más
2011-04-09
Regeling voertuigen — art. 2
2011-04-01
Regeling voertuigen — arts. 5, 6, 100 y 485 más
2011-03-29
Regeling voertuigen — arts. 2, 10
2011-02-24
Regeling voertuigen — art. 2
2011-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 1, 11 y 420 más
2010-09-28
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 542 más
2010-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 468 más
2010-06-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 489 más
2010-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 491 más
2009-12-16
Regeling voertuigen — art. 3
2009-11-24
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 503 más
2009-08-21
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 2 y 743 más
2009-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 1267 más
Wijzigingen op 2009-05-01
@@ -12535,10378 +12535,3 @@
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.18.36c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.18.36d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### E. Wagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 4.1. Algemeen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 1
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Artikel 1
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
### Artikel 5
### Artikel 7
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 15. **Toegangen; nooddeuren**
### Artikel 18. **Nooduitgangen in het dak; Afmetingen**
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 23. **Noodramen; toegang**
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 27. **Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 34. **Handgrepen bij treden**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 39. **Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen**
### **Individuele toelating zelfbalancerende bromfietsen**
In deze annex wordt verstaan onder:
### Artikel 7
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
### Artikel 9
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 10
### Artikel 12
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 13
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### Artikel 2
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 12
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 13
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 16
### Artikel 19
Op de retroreflector moet:
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### A. **Proef waterpenetratie**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### H. **Proef sterkte bevestiging**
### **Annex 3, behorende bij bijlage VB**
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
### Artikel 4. **Doorgangen**
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### Restantvoorraden
### Artikel 2
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
## Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### Artikel 1
De volgende gegevens in het kentekenregister moeten overeenkomen met de gegevens op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I voor zover op deel IA of deel I vermeld:
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
### Artikel 4
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 15
### Artikel 16
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 19
### Artikel 22
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 25
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24, 25 en 26 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Afdeling 1. **Constructiesnelheid**
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### § 1. **Personenauto’s**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 2. **Motorfietsen**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 3. **Bromfietsen**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Titel 7. **Reminrichting**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2. **Remschijf**
Remslangen mogen:
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 88. **Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem**
aahw = remvertraging aanhangwagen;
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
Aanvangssnelheid 40 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
### Titel 8. **Carrosserie**
### Artikel 93
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 95
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 98
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Afdeling 3. **Afscherming**
### Artikel 107
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 112
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 118
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 120
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
### Artikel 122
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Artikel 126
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Artikel 130
De markering van in de lengte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
De markering van in de breedte uitstekende lading moet bestaan uit:
### Artikel 133
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 137
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### Artikel 143
### Artikel 144
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 149
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### Artikel 150
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### **Annex 3, behorend bij de artikelen 17 tot en met 19**
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Behalve bovenstaande symbolen en het E en/of e teken gevolgd door de aanduiding van het land dat de goedkeuring heeft toegekend, bevat het goedkeuringsmerk ook een goedkeuringsnummer (de eerste twee cijfers geven de ‘series of amendments’ aan).
Verdere verklaring aantal symbolen:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Titel 1. **Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Artikel 1
In deze annex:
### Artikel 2. **Algemeen**
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
### Artikel 1.31
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Artikel 1.32
### Artikel 1.33
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Artikel 1.35
### Artikel 1.38
### Artikel 1.39
### Artikel 1.40
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.44
### Artikel 1.46
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
### § 2.2.3. **Tankbanden**
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.53
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### Artikel 1.57
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.64
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
### Artikel 1.69
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.74
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.76
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.80
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 1
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.2.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. | |
##### Artikel 5.3.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten. | |
| 3. | Krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. | |
##### Artikel 5.3a.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. | |
##### Artikel 5.5.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten. | |
| 3. | Krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. | |
##### Artikel 5.6.72
In afwijking van [artikel 5.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&artikel=5.6.0&z=2010-01-01&g=2010-01-01) moet een zelfbalancerende bromfiets voldoen aan deze paragraaf en wordt deze beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
##### Artikel 5.6.73
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen en goed leesbaar is. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.74
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.75
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 1,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt het voertuig gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.6.76
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) voor zelfbalancerende bromfietsen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.77
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Alle onderdelen van de elektrische aandrijving van zelfbalancerende bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.78
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De accu van zelfbalancerende bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van zelfbalancerende bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
##### Artikel 5.6.79
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De snelheid van zelfbalancerende bromfietsen moet op eenvoudige en doeltreffende wijze regelbaar zijn. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.80
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De as van zelfbalancerende bromfietsen moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mag geen breuken of scheuren vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De as mag niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De as mag niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De as mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.81
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wiellagers van zelfbalancerende bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.82
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van zelfbalancerende bromfietsen mogen geen breuken, scheuren ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | |
##### Artikel 5.6.83
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen van zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
##### Artikel 5.6.84
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Van zelfbalancerende bromfietsen: a. moet de stuurinrichting dan wel het besturingssysteem deugdelijk zijn; b. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.85
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een goedwerkend remsysteem. | Lid 1 en 2: visuele controle en een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Het voertuig mag als gevolg van het remmen of van een snelheidsvermindering geen zijwaartse beweging maken. | |
##### Artikel 5.6.86
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een remsysteem waarvan de remvertraging ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. | Bij twijfel controle door middel van een vertragingsproef, waarbij aan de hand van de afgelegde vertragingsafstand wordt bepaald of aan de vereiste vertraging wordt voldaan. Als de zelfbalancerende bromfiets op topsnelheid (maximum 20 km/h) binnen 3,86 m stilstaat, voldoet het. |
##### Artikel 5.6.87
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.88
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van zelfbalancerende bromfietsen mogen niet aanlopen. | |
##### Artikel 5.6.89
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. rode opvallende retroreflecterende lijnmarkering of één rode retroreflector, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van minimaal 0,15 m en maximaal 0,90 m; b. witte of gele opvallende retroreflecterende markering of één of twee ambergele zijretroreflectoren, aangebracht aan de buitenzijde van de wielen. | Visuele controle, bij twijfel meten. |
##### Artikel 5.6.90
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Een zelfbalancerende bromfiets mag zijn voorzien van: a. één of twee lichten aan de voorzijde; b. één of twee achterlichten; c. één of twee remlichten; d. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; e. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.91
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het licht aan de voorzijde mag niet anders dan wit of geel stralen. | Lid 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | Richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
##### Artikel 5.6.92
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Zelfbalancerende bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
##### Artikel 5.6.93
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.89&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.6.90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.90&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.94
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Indien de zelfbalancerende bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.95
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn dan wel bel in werking wordt gesteld. |
| 2. | Zelfbalancerende bromfietsen mogen, onverminderd het in [artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de zelfbalancerende bromfiets te voorkomen. | |
| 3. | Met de in deze afdeling vastgestelde normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige normen of technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte. | |
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.12.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen voeren zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers of tekens. | |
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.13.57a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens. | |
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### E. Wagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 4.1. Algemeen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
### Artikel 25. **Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 28. **Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 35. **Bagageruimten**
### Artikel 38. **Ventilatie en verwarmingsinrichtingen**
In deze annex wordt verstaan onder:
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### Artikel 6
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 8
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 11
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 9
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 54. **Remschijf**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### § 3. **Platenremtestbank**
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
### Artikel 80. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een twee-plaatsremtestbank**
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 84. **Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem**
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
Aanvangssnelheid 25 km/h:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
Aanvangssnelheid 40 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 93
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Afdeling 3. **Afscherming**
### Titel 9. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 120
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
### Artikel 127a
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
De markering van in de breedte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
### Artikel 142
### Artikel 144
### Artikel 146
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
### **Annex 4, behorend bij artikel 50**
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
### Artikel 1.29
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.46
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.75
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
### Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.79
### Artikel 1.80
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 1
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.2.79
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
##### Artikel 5.14.29
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.16.59
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen en massa’s
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### E. Wagens
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.2. Technische eisen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
In deze annex wordt verstaan onder:
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### H. **Proef sterkte bevestiging**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 88. **Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem**
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
Aanvangssnelheid 40 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
### Artikel 93
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Afdeling 3. **Afscherming**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
De markering van in de breedte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### Artikel 144
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### **Annex 4, behorend bij artikel 50**
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Artikel 2. **Algemeen**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.69
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.76
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.80
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 1
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
2 Voor de cabine.
3 Voor het overige deel.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 3 van deze bijlage.
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### **Annex 3, behorende bij bijlage IV**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
### Artikel 1
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
### Artikel 84. **Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem**
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 129
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
De lengtemarkering moet bestaan uit:
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 136
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### § 6. **Wijze van keuren**
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Achterlichten van aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.73
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.79
### Artikel 1.80
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 1
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.2a
In deze regeling wordt verstaan onder:
- **EN ISO/IEC 17025:** Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria (General requirements for the competence of testing and calibration laboratories);
- **ISO/IEC 15408-1:** Informatie technologie – beveiligingstechnieken – evaluatiecriteria voor informatie technologie beveiliging – deel 1: introductie en algemeen model (Information technology – Security techniques – Evaluation criteria for IT security – Part 1: Introduction and general model);
- **ISO/IEC 15417:2007:** Informatietechnologie – Automatische identificatie en data capture-technieken – Code 128a streepjescode symbologie specificatie;
- **NEN-EN 50436-1:** Alcoholsloten – Beproevingsmethoden en prestatie-eisen – Deel 1: apparaten voor gebruik in programma's voor overtreders van de alcoholverkeerswet, december 2005.
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
##### Artikel 1.5. (eisen technische dienst)
Een aanwijzing als technische dienst op grond van [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, indien:
- a. de hoofdvestiging van de aanvrager zich binnen Nederland bevindt of binnen een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
- b. de aanvrager door een bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025, of een aanvraag daartoe heeft ingediend bij die accreditatie-instelling;
- c. het accreditatiecertificaat is afgegeven door een van de in onderdeel b bedoelde accreditatie-instellingen;
- d. het accreditatiecertificaat geldig is voor meetmiddelen voor ademalcoholgehalte.
##### Artikel 1.6. (procedure aanwijzing)
1. De aanvraag tot aanwijzing als technische dienst op grond van [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Op de aanwijzing tot technische dienst als bedoeld in het eerste lid is bijlage V, Aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
3. Van de aanwijzing van een technische dienst als bedoeld in het eerste lid wordt door de Dienst Wegverkeer mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 1.7. (toezicht)
1. Nadat een aanwijzing als technische dienst is verleend, wordt door de Dienst Wegverkeer periodiek door middel van een controlebeoordeling onderzocht of de technische dienst nog voldoet aan de aan die dienst gestelde eisen.
2. De in het eerste lid bedoelde periodieke controle vindt tenminste eenmaal per drie jaar plaats, indien het een technische dienst betreft die is geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 door een bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die accreditatie geldig is voor meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
3. De in het eerste lid bedoelde periodieke controle vindt tenminste eenmaal per jaar plaats indien het een technische dienst betreft die een aanvraag heeft ingediend tot accreditatie overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 bij een bij de het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en het verzoek tot accreditatie zich mede uitstrekt tot meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
4. Op de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde periodieke controles is bijlage V, Aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 1.8. (schorsing aanwijzing)
1. De aanwijzing kan worden geschorst indien niet meer wordt voldaan aan de in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) genoemde eisen.
2. Bij schorsing van een aanwijzing kan worden bepaald dat indien niet binnen een termijn van ten hoogste twaalf weken wordt aangetoond dat weer aan de eisen wordt voldaan, alsnog intrekking van de aanwijzing volgt.
##### Artikel 1.9. (intrekking aanwijzing)
De aanwijzing wordt door de Dienst Wegverkeer ingetrokken indien:
- a. de betrokken technische dienst daarom verzoekt;
- b. de betrokken technische dienst niet meer voldoet aan de in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen eisen;
- c. de accreditatie van de betrokken technische dienst is ingetrokken of de aanvraag tot accreditatie is afgewezen door de bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
##### Artikel 1.10
De [artikelen 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.8&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28) laten onverlet de bevoegdheid tot schorsing of intrekking van de aanwijzing in andere gevallen als omschreven in deze paragraaf.
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg en typegoedkeuring van alcoholsloten
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken, voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede alcoholsloten
### Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal gebruiksdoel
### Afdeling 6. Goedkeuring taxi
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
#### § 1. Aanvraag en toezicht EG-typegoedkeuring en VN/ECE typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
##### Artikel 3.23a
1. De aanvraag van een nationale typegoedkeuring voor een alcoholslot en de daarbij behorende uitleesapparatuur of een aanvraag voor een goedkeuring voor een productieproces van een alcoholslot wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Bij de aanvraag worden een of meerdere verklaringen gevoegd, afgegeven door de Dienst Wegverkeer of een door de Dienst Wegverkeer aangewezen technische dienst, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bij deze regeling.
3. Bij de aanvraag wordt een document overgelegd, waaruit blijkt dat de eisen uit artikel 5, tweede lid, van [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), bij deze regeling zijn getoetst door een laboratorium dat door een bij het Common Criteria Recognition Agreement aangesloten accreditatie-instelling is geaccrediteerdvoor het uitvoeren van common criteria evaluaties.
##### Artikel 3.23b
De Dienst Wegverkeer houdt op door deze dienst te bepalen wijze toezicht op de nationale typegoedkeuring van alcoholsloten en de daarbij behorende uitleesapparatuur, alsmede op de goedkeuring van de productieprocessen van deze alcoholsloten en bijbehorende uitleesapparatuur.
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
##### Artikel 3.25a
Een typegoedkeuring voor het alcoholslot verliest zijn geldigheid indien:
- a. een wijziging in het alcoholslot of het productieproces van dat alcoholslot heeft plaatsgevonden, waardoor niet meer aan de voorwaarden voor een afgegeven typegoedkeuring wordt voldaan;
- b. een wijziging in het alcoholslot of in het productieproces van dat alcoholslot is aangebracht die in strijd is met de typegoedkeuring;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het alcoholslot of het productieproces niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
##### Artikel 8.4.89a
1. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:
- a. Het kalibratiegas moet zodanig zijn samengesteld dat daarmee de kalibratiecontrole van een alcoholslot op juiste wijze kan worden uitgevoerd. Behalve ten aanzien van het alcoholgehalte is de fabrikant vrij in de keuze van de samenstelling, mits de samenstelling geen invloed heeft op de juiste werking van het alcoholslot;
- b. het kalibratiegas moet een nominale alcoholconcentratie hebben van de door de fabrikant van het alcoholslot gespecificeerde concentratie, plus of min 10%;
- c. het kalibratiegas moet telkens worden bereid met een alcoholconcentratie met een onzekerheid van niet meer dan 3%.
2. Bij de productie van het in het eerste lid bedoelde kalibratiegas:
- a. is de fabrikant vrij in de keuze van de methode van vervaardiging, mits het kalibratiegas voldoet aan de voorschriften van dit artikel;
- b. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het onder de volgende omgevingscondities voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen:
- I. omgevingstemperaturen van 10 graad Celsius tot en met 33 graad Celsius;
- II. luchtdrukken van 970 hPa tot en met 1050 hPa;
- III. relatieve luchtvochtigheid van 5% tot en met 95%;
- c. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen gedurende ten minste 100 kalibraties of gedurende ten minste 200 dagen;
3. [Artikel 8.4.89, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2010-09-28&g=2010-09-28), is van overeenkomstige toepassing.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
3 Voor het overige deel.
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Ontheffingen worden alleen toegestaan als de fabrikant tot tevredenheid van de Dienst Wegverkeer aantoont dat het voertuig vanwege het speciale doeleinde niet aan alle voorschriften kan voldoen.
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Vervallen.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
In deze annex:
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.69
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.74
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 1
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van de Regeling voertuigen
### Hoofdstuk 1. **Algemene bepalingen**
##### Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in afwijking van punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **ademmonster:** monster dat bij hard uitblazen door de mond in de handset van het alcoholslot wordt genomen en door het alcoholslot wordt gemeten.
2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in aanvulling op punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **datageheugen:** registratie-eenheid als onderdeel van de vaste eenheid van het alcoholslot, waarin de in Annex 3 bij deze bijlage aangegeven aspecten met datum en tijd worden vastgelegd;
- **erkend installateur:** de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k);
- **erkende medewerker:** de medewerker, bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend), die bevoegd is tot het uitvoeren van de in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k) bedoelde werkzaamheden;
- **geldig ademmonster:** een ademmonster dat voldoet aan de in Annex 1, bij deze bijlage vastgestelde eis voor volume en de in NEN-EN 50436-1, vastgestelde eisen voor luchtstroom en uitademtijd;
- **handset:** het al dan niet draadloze deel van het alcoholslot dat wordt gebruikt voor het afnemen en analyseren van het ademmonster;
- **identificatiekenmerk:** het unieke identificatienummer van het alcoholslot dat is samengesteld uit het typegoedkeuringsnummer en het serienummer van het alcoholslot;
- **initieel ademmonster:** het in het kader van het alcoholslotprogramma in de handset afgegeven geldige ademmonster met het oog op het kunnen starten van het motorrijtuig;
- **fabrikant:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ontwerp, de constructie en de productie van het alcoholslot;
- **terugroeping voor onderhoud:** een door het alcoholslot gegenereerde herinnering verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet worden gekalibreerd;
- **uitleesapplicatie:** de applicatie die wordt gebruikt voor het kalibreren, justeren en uitlezen van het alcoholslot, alsmede voor het overbrengen van instellingen naar en voor het vastleggen van gegevens en waarnemingen in het alcoholslot, respectievelijk het overbrengen van gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister;
- **vaste eenheid:** het deel van het alcoholslot dat vast in het motorrijtuig wordt gemonteerd en zorg draagt voor het opslaan van gegevens en dat het starten van het motorrijtuig voorkomt indien er geen geldig ademmonster is afgegeven dat lager is dan de in Annex 1 bij deze bijlage gestelde limiet;
- **vroegtijdige terugroeping:** een door het alcoholslot gegenereerde extra terugroeping in de periode voordat de in Annex 1 vastgestelde uiterste termijn voor onderhoud is verstreken en niet verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd;
- **vrije herstartperiode:** periode gedurende welke geen ademmonster behoeft te worden afgegeven om het motorrijtuig te starten.
### Hoofdstuk 2. **Onderwerp en toepassingsbereik**
##### Artikel 2
1. Alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) voldoen aan de eisen uit NEN-EN 50436-1, voor zover in deze bijlage niet expliciet die eisen worden aangevuld of van die eisen wordt afgeweken.
2. In aanvulling op NEN-EN 50436-1 voldoen alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), aan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde aanvullende parameterinstellingen.
### Hoofdstuk 3. Eisen aan het alcoholslot
### § 1. **Algemene eisen**
##### Artikel 3
In aanvulling op punt 4.1 uit NEN-EN 50436-1 gelden de volgende eisen:
- 1. In het alcoholslot moeten de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde parameterinstellingen kunnen worden ingesteld op waardes die zijn gelegen tussen de in die Annex vastgestelde minimale en maximale waarden.
- 2. De maximale waarde waaronder het startmechanisme wordt gedeblokkeerd, wordt ingesteld op 90 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
- 3. Het alcoholslot waarborgt dat het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart indien:
- a. een geldig initieel ademmonster met een alcoholgehalte lager dan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde limiet wordt afgegeven én de motor van dat motorrijtuig binnen de in die Annex vastgestelde startperiode wordt gestart;
- b. de motor van het desbetreffende motorrijtuig na het uitschakelen van de motor binnen de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde periode van vrije herstart wordt gestart of gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 4 bedoelde overbruggingsfunctie.
- 4. In aanvulling op het derde lid, onderdeel a, wordt, indien er sprake is van een draadloze handset, uitsluitend een ademmonster gegeven als het contact van het motorrijtuig in de accessoire stand staat. Indien het contact is uitgeschakeld, is het afgeven van een ademmonster onmogelijk.
- 5. Alle instelbare functies en parameters kunnen alleen worden ingesteld door de in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend) bedoelde personen. Wijzigingen in de instellingen van de functies en de parameters worden in het datageheugen vastgelegd.
- 6. Voor zover het alcoholslot over andere, niet in Annex 1 genoemde, instelbare functies en parameters beschikt, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer daarvan in kennis, inclusief de door de fabrikant ingestelde waarde.
- 7. Het alcoholslot is voorzien van een scherm waarop in het Nederlands aanwijzingen aan de gebruiker worden gegeven. Andere talen zijn toegestaan als extra dienstverlening.
- 8. Als een initieel ademmonster niet geldig is, wordt dit op het in het zevende lid bedoelde scherm aangegeven, tezamen met de reden.
- 9. Indien het initiële ademmonster niet geldig is, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel ademmonster mogelijk. Er wordt geen limiet worden gesteld aan het aantal initiële ademmonsters.
- 10. Indien het initiële ademmonster wel geldig is, maar het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan de in Annex 1 bij bijlage XII vastgestelde limiet, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel blaasmonster mogelijk, ongeacht de hoogte van het gemeten alcoholgehalte. Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal initiële ademmonsters. Op het scherm wordt uitsluitend vermeld dat het gemeten ademalcoholgehalte te hoog is. De hoogte van het gemeten ademalcoholgehalte wordt niet vermeld.
- 11. Het alcoholslot beschikt over de mogelijkheid om de periode aan te geven waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd en het motorrijtuig moet zijn teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), en om deze periode aan de gebruiker door middel van een mededeling op het scherm kenbaar te maken. Vanaf een in Annex 1 bij deze bijlage vastgesteld aantal dagen voor het verstrijken van die periode wordt de gebruiker bij het starten van de motor goed waarneembaar geïnformeerd over het verstrijken van die datum. Het startmechanisme kan na een in genoemde Annex vastgesteld aantal dagen na het verstrijken van die periode niet meer door de gebruiker van het motorrijtuig worden gedeblokkeerd. Vanaf het verstrijken van die periode wordt tevens goed waarneembaar aangegeven na hoeveel dagen het startmechanisme niet meer kan worden gedeblokkeerd.
- 12. De handset en de vaste eenheid krijgen tijdens de productie een fabrikant-specifieke unieke identiteit. De identiteit van de handset en de vaste eenheid kunnen niet worden gewijzigd.
- 13. Tijdens installatie wordt één handset logisch gekoppeld aan de vaste eenheid.
### § 2. **Blokkeren en deblokkeren**
##### Artikel 4
In afwijking van punt 4.2 uit NEN-EN 50436-1 is uitsluitend voorzien in een overbruggingsfunctie bestemd voor onderhoud aan het motorrijtuig of het alcoholslot, waarmee het startmechanisme gedurende een in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde maximale periode kan worden gedeblokkeerd zonder dat een initieel ademmonster of een hertest behoeft te worden afgelegd. Het gebruik van deze overbruggingsfunctie is uitsluitend na invoer van een code mogelijk en wordt altijd geregistreerd in het datageheugen. De overbrugging moet op eenvoudige wijze voortijdig kunnen worden beëindigd.
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
##### Artikel 5
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1 registreert het datageheugen tenminste de waarnemingen en gebeurtenissen vastgesteld in Annex 2 bij deze bijlage, met de daarbij behorende verplichte velden.
2. Ten aanzien van het alcoholslot en de uitleesapplicatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongeautoriseerd kennisnemen, tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking en om te garanderen dat waarnemingen en gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid onweerlegbaar en integer worden geregistreerd in het alcoholslotregister, bedoeld in [artikel 129a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a).
3. Om aan het tweede lid te voldoen, wordt het alcoholslot alsmede de uitleesapplicatie beschermd door beveiligingsmaatregelen, zoals geformuleerd in het beschermingsprofiel Alcohol Interlock pp, v1.0.
##### Artikel 6
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1 wordt iedere waarneming of gebeurtenis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgelegd in een aparte verslagregel.
2. Een verslagregel bevat tenminste de volgende velden:
- a. datum en tijd in Centraal Europese Tijd, rekening houdend met de zomertijd. Indien een verslagregel betreffende een meting van het ademalcoholgehalte niet onmiddellijk wordt opgeslagen in het datageheugen, bevat de verslagregel ook de datum en tijd van opslag in het datageheugen;
- b. volgnummer, dat oplopend moet zijn;
- c. berichttype;
- d. berichtnummer;
- e. één of meer meetwaarden of veldwaarden, en waar relevant zowel de oude als de nieuwe waarden.
3. De in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde verplichte velden per gegevens record mogen worden gevolgd door niet-gestandaardiseerde aanvullende velden.
4. Zowel verslagregels ontstaan in de handset, als de verslagregels ontstaan in de vaste eenheid, worden opgeslagen in het datageheugen.
5. Het datageheugen heeft een geheugenruimte die voldoende ruimte biedt voor het vastleggen van tenminstealle verslagregels die het alcoholslot bij normaal gebruik genereert in de maximale periode gedurende welke het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, plus de duur van de waarschuwing na het verstrijken van dezer maximale periode, zoals deze zijn vastgesteld in Annex 1 bij bijlage XII.
##### Artikel 7
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1 kunnen de verslagregels uit het datageheugen alleen worden uitgelezen door een in [artikel 66 van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66) bedoelde persoon, met een door de fabrikant van het alcoholslot te leveren en door de RDW goedgekeurde uitleesapplicatie.
2. De uitlezing, bedoeld in het eerste lid vindt plaats met in achtneming van de eisen uit Annex 3 bij deze bijlage.
3. Het datageheugen genereert een beveiligd uitvoerbestand dat onverwijld aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden op de in [artikel 66ss van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66ss) aangegeven wijze overeenkomstig de structuurdefinitie zoals die overeenkomstig [artikel 66f, derde lid, van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66f) is vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
5. Het datageheugen wordt pas geschoond nadat van de Dienst Wegverkeer een bevestiging is ontvangen dat het uitvoerbestand op correcte wijze is geregistreerd in het in [artikel 129a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a) bedoelde alcoholslotregister.
### § 4. **Hertest**
##### Artikel 8
In afwijking van punt 4.7 van NEN-EN 50436-1 gelden voor de hertest de volgende eisen:
- a. het alcoholslot geeft na het deblokkeren van het startmechanisme door goed waarneembare auditieve signalen aan wanneer een hertest dient te worden uitgevoerd;
- b. de eerste keer na het deblokkeren van het startmechanisme vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval, na een instelbare wachtperiode;
- c. elke volgende keer vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval;
- d. het alcoholslot maakt het mogelijk dat de hertest binnen de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde tijdsinterval kan worden afgelegd;
- e. de duur van het auditieve signaal wordt ingesteld op de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde waarde. Zolang binnen de in onderdelen b of c bedoelde periode geen geldig ademmonster is afgegeven, worden herinneringen afgegeven met tussenpozen van minimaal drie minuten en maximaal vijf minuten;
- f. het is mogelijk de hertest uit te voeren zonder dat de aandacht van de bestuurder voor het verkeer hoeft af te nemen;
- g. indien de bestuurder geen gehoor geeft aan de oproep om een hertest, of indien bij een hertest uit het afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgelegde limiet, roept het alcoholslot de bestuurder op om het motorrijtuig zo snel mogelijk stop te zetten. Hiertoe geeft het alcoholslot goed waarneembare auditieve of visuele signalen af die aan blijven houden totdat de bestuurder de motor van zijn motorrijtuig heeft uitgezet.
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
##### Artikel 9
1. In aanvulling op punt 4.8 van NEN-EN 50436-1 geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. minder dan 10 % van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
- b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onrechtmatigheden of technische mankementen zijn;
- c. het alcoholslot na de laatste uitlezing tenminste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd.
2. In aanvulling op het eerste lid geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgelegde limiet;
- b. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;
- c. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgelegde limiet.
### § 6. **Manipulatie**
##### Artikel 10
1. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1 is de toegang tot het datageheugen, tot de middelen waarmee de parameters worden ingesteld en tot de mogelijkheden voor afstelling zodanig ontworpen dat onbevoegde of onbedoelde wijziging wordt voorkomen.
2. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1 is, om manipulatie tegen te gaan, het alcoholslot ingesteld op een blaas-zuigtechniek, waarbij het alcoholslot aansluitend aan de ontvangst van het ademmonster aan de deelnemer vraagt kortstondig aan het alcoholslot te zuigen.
### Hoofdstuk 4. **Etiketteren en markeren**
##### Artikel 11
In aanvulling op punt 5 van NEN-EN 50436-1 gelden de volgende eisen:
- 1. De volgende gegevens van het alcoholslot zijn duidelijk leesbaar aangebracht op een constructieplaat op de vaste eenheid:
- a. fabrikant;
- b. merk;
- c. type;
- d. serienummer van het desbetreffende onderdeel;
- e. typegoedkeuringsnummer van het type alcoholslot, zoals dat overeenkomstig de eisen van Annex 3 is samengesteld.
- 2. In aanvulling op het eerste lid zijn de in het eerste lid, onderdelen d en e, genoemde gegevens in barcode leesbaar. De barcode is samengesteld met in achtneming van Annex 3.
- 3. Het temperatuurbereik waarbinnen het alcoholslot kan worden gebruikt, is voor de gebruiker zichtbaar aangegeven, tenzij het bereik van de zichtbare onderdelen minimaal –45 °C tot en met +85 °C bedraagt.
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
##### Artikel 12
1. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1 moet elk alcoholslot zijn voorzien van een instructie voor de installatie in de Nederlandse taal die tenminste de volgende informatie bevat:
- a. de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het desbetreffende alcoholslot;
- b. het type van het alcoholslot;
- c. het Nederlandse typegoedkeuringsnummer.
2. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1 wordt aan de instructie voor installatie het volgende onderdeel toegevoegd:
Criteria voor plaatsing
Bij de opstelling van de montagehandleiding voor de handset wordt tenminste op de volgende punten ingegaan:
- a. de handset wordt geïnstalleerd op een manier die de goede werking en de veiligheid van het motorrijtuig niet in gevaar brengt;
- b. de plaatsing van de handset leidt in geval van een ongeval niet tot onnodig letsel;
- c. de handset wordt binnen handbereik van de chauffeur geplaatst;
- d. de handset is zodanig gemonteerd dat deze bij het op en neer bewegen van het motorrijtuig, of bij rijden over slechte wegen, of bij het maken van abrupte manoeuvres, niet kan losraken;
- e. de kabel van de handset is op zodanige wijze worden geleid dat hij niet kan interfereren met de veilige werking van het motorrijtuig;
- f. de montagematerialen zijn bestand tegende trillingen, schokken en temperaturen die in het motorrijtuig kunnen voorkomen;
- g. de montage van de handset belemmert geen andere voertuigfuncties;
- h. bij de plaatsing in het voertuig wordt rekening gehouden met de aanwezige airbags;
- i. indien in bij het installeren van de handset rekening moet worden gehouden met beperkingen ten aanzien van de installatie, wordt dit duidelijk en expliciet in de montagehandleiding vermeld;
- j. het alcoholslot onderbreekt na het installeren de spanning tussen contactslot of startknopen de startmotor;
- k. de installatieprocedure garandeert dat een alcoholslot alleen kan interveniëren in de auto wanneer deze wordt gestart. Een reeds draaiende motor wordt niet onderbroken;
- l. de plaats en wijze waarop na inbouw van het alcoholslot de verzegeling van dat alcoholslot moet worden aangebracht.
### Hoofdstuk 6. **Beproevingsprocedures en eisen**
### § 1. **Elektrische proeven**
##### Artikel 13
1. De punten 8.1.1 tot en met 8.1.4 van NEN-EN 50436-1 zijn van overeenkomstige toepassing op losse handsets indien een verbinding van dit apparaat met het stroomcircuit van het desbetreffende motorrijtuig is voorzien.
2. In aanvulling op het eerste lid geldt voor losse handsets dat in delen van het alcoholslot met geïntegreerde batterijen de batterijen gedurende 60 seconden worden geplaatst met omgekeerde polariteit, tenzij een verkeerde polarisatie technisch niet mogelijk is.
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
##### Artikel 14
In aanvulling op punt 8.3.1 van NEN-EN 50436-1 geldt voor losse handsets een omgevingstemperatuur van –20 °C tot +65 °C.
### § 3. **Omgevingsproeven**
##### Artikel 15
In aanvulling op punt 8.4.1 van NEN-EN 50436-1 worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot de omgevingstemperaturen van respectievelijk –5 °C, 0 °C en +65 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze respectievelijke omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot omgevingstemperatuur van –20 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eerste eis van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
##### Artikel 16
In aanvulling op punt 8.4.2 van NEN-EN 50436-1 worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van het alcoholslot de laagste omgevingstemperatuur heeft bereikt die door de fabrikant is gespecificeerd, zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, waarbij de omgevingstemperatuur echter niet hoger is dan –5 °C, met: wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 9V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 16V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 2. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van het alcoholslot een omgevingstemperatuur van 65 °C, heeft bereikt met wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 16V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 32V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 125% van de nominale accuspanning en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. bij een temperatuur van 5 °C onder de laagste omgevingstemperatuur die door de fabrikant is gespecificeerd zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, mag het slot niet gereed zijn voor het afnemen van een ademmonster.
##### Artikel 17
In afwijking van punt 8.4.4. van NEN-EN 50436-1 worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. bij een omgevingstemperatuur van 20 °C is het alcoholslot na inschakeling vanuit de stand van beperkt energieverbruik binnen één minuut gereed om een ademmonster af te nemen. In deze omgevingsomstandigheid voldoet het alcoholslot aan de eisen van functionele beproeving type 1 van punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van het alcoholslot nadat het alcoholslot in de stand van beperkt energieverbruik in een omgeving met een temperatuur van –5 °C is gebracht, met is het alcoholslot binnen 90 seconden na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. indien een alcoholslot is gespecificeerd voor een omgevingstemperatuur van –20 °C en op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van het alcoholslot in een omgeving met een temperatuur van –20 °C is gebracht, in de stand van beperkt energieverbruik, met : is het alcoholslot binnen drie minuten na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu volgens de accuspecificatie,
### § 4. **Manipulatie**
##### Artikel 18
In aanvulling op punt 8.8. van NEN-EN 50436-1 gelden de volgende eisen:
- 1. het alcoholslot deblokkeert het startmechanisme niet als:
- a. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk met een verstopte luchtuitlaat;
- b. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van het mondstuk totdat de minimale gasstroom is bereikt, waarna in omgekeerde richting wordt gezogen;
- c. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via het mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen;
- d. indien dit mogelijk is, driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via de ademuitgang van het mondstuk respectievelijk het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen.
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
##### Artikel 19
In afwijking van de laatste alinea van punt 8.13 van NEN-EN 50436-1 voldoet het alcoholslot gedurende de in Annex 1 aangegeven, of langer indien door de fabrikant een langere termijn is aangegeven als uiterste termijn waarbinnen het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, vermeerderd met de in Annex 1 vastgestelde duur van de waarschuwing nadat deze termijn is verstreken, onder normale omstandigheden aan de eisen van de functionele beproevingen type 1 en type 3 uit punt 7.5.
##### Artikel 20
In aanvulling op hoofdstuk 8 van NEN-EN 50436-1 wordt een eis toegevoegd, luidende:
Nadat een ademmonster is afgegeven, geeft het alcoholslot het dienovereenkomstige uitvoersignaal:
- a. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 10 seconden;
- b. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,250 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 15 seconden;
- c. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,350 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 20 seconden.
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-01-01&g=2011-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-01-01&g=2011-01-01)
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2011-01-01&g=2011-01-01)
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2011-01-01&g=2011-01-01)
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van deze bijlage van overeenkomstige toepassing.
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-01-01&g=2011-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
In deze annex:
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
De kleur en afmetingen moeten zijn:
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2011-01-01&g=2011-01-01), van de Regeling voertuigen
### Hoofdstuk 3. Eisen aan het alcoholslot
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
### § 6. **Manipulatie**
### § 1. **Elektrische proeven**
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.1Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2011-04-01&g=2011-04-01)
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
1 Krabbengang toegestaan.
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2011-04-01&g=2011-04-01)
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-01&g=2011-04-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-01&g=2011-04-01)
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2011-04-01&g=2011-04-01)
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2011-04-01&g=2011-04-01)
Vervallen.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
De lengtemarkering moet bestaan uit:
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-04-01&g=2011-04-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-04-01&g=2011-04-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2011-04-01&g=2011-04-01), van de Regeling voertuigen
### § 1. **Algemene eisen**
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
### § 4. **Manipulatie**
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
##### Artikel 3.24a
1. De aanvraag van een individuele goedkeuring voor voertuigen wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften en op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
3. De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorie L en T geschiedt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.2.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.3.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.3a.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
##### Artikel 5.4.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.5.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.6.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de Minister van Infrastructuur en Milieu op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
##### Artikel 5.6.96
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| | | |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
##### Artikel 5.6.97
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.93&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [5.6.94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.94&z=2012-01-01&g=2012-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.98
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Indien de aangewezen bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.99
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. | Visuele en auditieve controle, waarbij de bel dan wel hoorn in werking wordt gesteld. |
| | | |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen, onverminderd het in [artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets te voorkomen. | Visuele en auditieve controle. |
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.62
1. Op een afsleepas zijn de [artikelen 5.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=1&artikel=5.12.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [5.12.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [5.12.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=5&artikel=5.12.18&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [5.12.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=6&artikel=5.12.27&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [5.12.31, eerste tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2012-01-01&g=2012-01-01), [5.12.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.66&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [5.12.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.68&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Een afsleepas moet zijn voorzien van een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch toegestane maximummassa is aangegeven.
3. Aan de achterzijde van het door de afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 4.1. Algemeen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.74a
Onverminderd [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2012-01-01&g=2012-01-01), wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de platenremtestbank en zijn fundering.
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.75a
Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in de [artikelen 8.4.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.1&artikel=8.4.27&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [8.4.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.2&artikel=8.4.28&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en is voorzien van een arreteerinrichting.
##### Artikel 8.4.75b
1. De maximale fout in plus en in min, van de aangewezen statische remkracht bedraagt:
- a. bij een kracht die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. bij een kracht die groter is dan 2500 N: 4% van de werkelijke remkracht.
2. Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, als bedoeld in het tweede lid.
3. De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 8.2.3. Uitvoering
##### Artikel 8.4.75c
1. De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.
2. Indien een registratie-inrichting aanwezig is moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.
3. De aanwijzingen moeten:
- a. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- b. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn.
4. Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale fout geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de aflezing op eenvoudige wijze mogelijk is.
##### Artikel 8.4.75d
1. De platenremtestbank is op eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.
2. Het oppervlak van de meetplaten is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. De minimale lengte van de meetplaat bedraagt 1,35 m.
##### Artikel 8.4.75e
De resulterende meetwaarde is de maximale gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
##### Artikel 8.4.76
1. Typekeuringscertificaten die afgegeven zijn vóór 1 januari 2012 vervallen met ingang van 1 mei 2012.
2. Platenremtestbanken die op basis van vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik genomen zijn moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht waren op 31 december 2011.
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2012-01-01&g=2012-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2012-01-01&g=2012-01-01)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2012-01-01&g=2012-01-01)
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2012-01-01&g=2012-01-01)
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-01-01&g=2012-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-01-01&g=2012-01-01)
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2012-01-01&g=2012-01-01)
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-01-01&g=2012-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van de Regeling voertuigen
### § 1. **Algemene eisen**
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
### Hoofdstuk 6. **Beproevingsprocedures en eisen**
### § 1. **Elektrische proeven**
### § 3. **Omgevingsproeven**
### § 4. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in de lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-04-01&g=2012-04-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-04-01&g=2012-04-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2012-04-01&g=2012-04-01), van de Regeling voertuigen
### § 1. **Algemene eisen**
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
### § 1. **Elektrische proeven**
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.12.31a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.12.39a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 3. Reminrichting
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2012-12-31&g=2012-12-31)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2012-12-31&g=2012-12-31)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2012-12-31&g=2012-12-31)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-12-31&g=2012-12-31)
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2012-12-31&g=2012-12-31)
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2012-12-31&g=2012-12-31)
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-12-31&g=2012-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-12-31&g=2012-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.80
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2012-12-31&g=2012-12-31), van de Regeling voertuigen
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
### § 3. **Omgevingsproeven**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-01-01&g=2013-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 1
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), van de Regeling voertuigen
### Hoofdstuk 6. **Beproevingsprocedures en eisen**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.6.57a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de Minister van Infrastructuur en Milieu op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.7.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.7.57a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
##### Artikel 5.8.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.8.57a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.9.57a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
##### Artikel 5.10.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
##### Artikel 5.11.12a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.14.57a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
##### Artikel 5.15.57a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 2. Toerentellers
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-12-31&g=2013-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-12-31&g=2013-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-12-31&g=2013-12-31), van de Regeling voertuigen
### Hoofdstuk 3. Eisen aan het alcoholslot
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
### Hoofdstuk 4. **Etiketteren en markeren**
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
### § 4. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame wordt bepaald door het frame.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
##### Artikel 106a
1. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.
##### Artikel 106b
De opspatafscherming moet:
- a. zijn aangebracht achter de wielen van de vooras of voorassen en achter de wielen van de achterste achteras;
- b. reiken tot maximaal 30 cm boven het wegdek;
- c. minimaal de gehele breedte van het loopvlak van de band bedekken, en
- d. deugdelijk zijn bevestigd.
##### Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van de Regeling voertuigen
### Hoofdstuk 1. **Algemene bepalingen**
### § 3. **Omgevingsproeven**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2014-07-01&g=2014-07-01)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2014-07-01&g=2014-07-01)
Vervallen
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-07-01&g=2014-07-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-07-01&g=2014-07-01)
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2014-07-01&g=2014-07-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2014-07-01&g=2014-07-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2014-07-01&g=2014-07-01), van de Regeling voertuigen
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2016-01-01&g=2016-01-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2016-01-01&g=2016-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2016-01-01&g=2016-01-01)
Vervallen
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2016-01-01&g=2016-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2016-01-01&g=2016-01-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2016-01-01&g=2016-01-01)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2016-01-01&g=2016-01-01)
## Bijlage VII. , behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2016-01-01&g=2016-01-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2016-01-01&g=2016-01-01)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2016-01-01&g=2016-01-01)
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2016-01-01&g=2016-01-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2016-01-01&g=2016-01-01)
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.4.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-04-01&g=2017-04-01), van toepassing is. | – |
| 2. | Het extra dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-04-01&g=2017-04-01), van toepassing is. | – |
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.7.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-04-01&g=2017-04-01), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-04-01&g=2017-04-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7.61
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en retroreflector aan de achterzijde, bedoeld in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2017-04-01&g=2017-04-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
##### Artikel 5.8.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Onderdelen van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen met uitzondering van water geen overmatige vloeistoflekkage vertonen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.8.15
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid worden niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de landbouw- of bosbouwtrekker zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op dat installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het installatieplaatje, bedoeld in onderdeel a, zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het installatieplaatje is vermeld; en d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle. |
#### § 7. Stuurinrichting
##### Artikel 5.8.32
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.8.33
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwtrekkers met een drukluchtremsysteem die in gebruik zijn genomen na 31 december 2018, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
##### Artikel 5.8.34
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwtrekkers met een veerrem die in gebruik zijn genomen na 31 december 2018, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
##### Artikel 5.8.36
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.8.37
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een: a. tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar; b. hydraulisch remsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moeten aan de aansluitkop een druk bezitten met een grenswaarde van 100 tot 160 bar. | Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bij landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2018, moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goed werkende automatische afsluiters. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.8.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-04-01&g=2017-04-01), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-04-01&g=2017-04-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.8.61
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en retroreflector aan de achterzijde, bedoeld in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2017-04-01&g=2017-04-01), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.8.67
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van: a. 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen; b. 80 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 78,5 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
##### Artikel 5.8.68
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 25 mm, moet de pendiameter ten minste 23,0 mm bedragen; b. 32 mm, moet de pendiameter ten minste 30,0 mm bedragen; c. 36 mm, moet de pendiameter ten minste 34,0 mm bedragen; d. 38 mm, moet de pendiameter ten minste 36,0 mm bedragen; e. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; f. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46,0 mm bedragen; g. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog, wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | De koppelingen, bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed werken; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn; en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, scheuren of uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling, met inbegrip van de sluit- en borginrichting, niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift, voor zover mogelijk, buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel wordt meten, bijvoorbeeld met een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten, bijvoorbeeld met een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
##### Artikel 5.8.69
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen, en b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van onderdeel a, voor wat betreft de uiterste linker- en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak. | – |
| 3. | Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 4. | De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. | In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. Controle geschiedt met behulp van: a. een standaard pen van 2 inch die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat, waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 mm en ten hoogste 82,7 mm, dan wel b. een oplegger met een pen van 2 inch, daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. |
| 5. | De sluit- en borginrichting moet goed werken. | Visuele controle, terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten. |
##### Artikel 5.8.70
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een penkoppeling met een nominale diameter van: a. 30 mm, moet de pendiameter ten minste 28,0 mm bedragen; b. 30,6 mm, moet de pendiameter ten minste 28,6 mm bedragen; c. 44,5 mm, moet de diameter van de pen ten minste 41,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.10.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-04-01&g=2017-04-01), van toepassing is. | – |
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 12. Diversen
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 0. Algemeen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
##### Artikel 5.14.1
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het chassis, frame of soortgelijke structuur is ingeslagen, welk nummer goed leesbaar is. | Visuele controle. |
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.14.35
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voorzien van een drukluchtremsysteem, moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten. | Visuele controle. |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed werken. | Visuele controle met behulp van manometers, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk, wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. |
| 3. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed werken. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
##### Artikel 5.14.36
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.14.38
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.14.40
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een losbreekinrichting, moet deze goed werken. | Visuele controle. Bij een tweeleidingremsysteem wordt de luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een andere externe bron en de aanhangwagen losgenomen. |
| 2. | Bij het koppelen van een tweeleidingremsysteem aan het trekkende voertuig, moet de reminrichting automatisch in de bedrijfstoestand komen. | Visuele controle. Indien een losknop aanwezig is, moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld, eerst worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in zijn oorspronkelijke stand. |
##### Artikel 5.14.61
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2017-04-01&g=2017-04-01), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op de achteruitrijlichten, remlichten, achterkentekenplaatverlichting, rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten. | – |
##### Artikel 5.14.70
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.18.25b
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden.
2. De som van de aslasten van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet-autonome aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.
3. Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.
##### Artikel 5.18.25c
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder de as mag niet worden overschreden, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:
- a. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- b. de technisch toegestane maximumlast onder de as van het voertuig.
3. In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer bedragen dan 12.000 kg.
4. Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.
##### Artikel 5.18.25d
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.
##### Artikel 5.18.25e
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01), de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
Vervallen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
Vervallen
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-04-01&g=2017-04-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
##### Artikel 5.2.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.2.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.2.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.3.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.3.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.3.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.3a.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.3a.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.3a.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.5.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.5.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.5.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
##### Artikel 5.12.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
##### Artikel 6.10
1. Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:
- 1°. eenzelfde origineel emissiebeheersingssysteem;
- 2°. een emissiebeheersingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend op grond van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715), [verordening (EG) 595/2009](32009R0595) of VN/ECE-reglement 103 als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
3. De in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eis voor de Euro 5-fijnstofnorm, bedoeld in bijlage I van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715), geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.
4. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), mag een wijziging in de constructie waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:
- 1°. het een personenauto of bus betreft, die in gebruik genomen is voor 1 januari 2011 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- 2°. het een bedrijfsauto betreft, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2012 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- 3°. het een voertuig voor speciale doeleinden betreft, zijnde een kampeerwagen, gepantserd voertuig, ambulance, lijkwagen, of een voor rolstoel toegankelijk voertuig betreft dat voor 1 januari 2012 in gebruik is genomen en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- 4°. het een voertuig betreft dat voor 31 december 2013 in gebruik is genomen en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Vervallen
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
### § 4. **Hertest**
### § 6. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
### § 1. **Elektrische proeven**
### § 3. **Omgevingsproeven**
### § 4. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Annex 1. , behorende bij de artikelen 1, tweede lid, 2, tweede lid, 3, eerste, derde, zesde, tiende en elfde lid, 4, eerste lid, 6, vijfde lid, 8, 9, tweede lid, en 19
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. , behorende bij artikel 5, eerste lid
### Annex 3. , behorende bij de artikelen 1, tweede lid, 7, tweede lid, en 11, eerste en tweede lid
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.1a
Deze regeling berust mede op de [artikelen 51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=51a), en [60, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60).
### Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg en typegoedkeuring van alcoholsloten
### Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 6. Goedkeuring taxi
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
#### § 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
##### Artikel 5.18.32a
1. Banden van motorvoertuigen mogen niet zijn voorzien van sneeuwkettingen die bestaan uit metalen elementen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, indien het gebruik van sneeuwkettingen noodzakelijk is voor het vervullen van een dringende taak.
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 4. Manometers
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Vervallen
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
### Hoofdstuk 2. **Onderwerp en toepassingsbereik**
### § 2. **Blokkeren en deblokkeren**
### § 4. **Hertest**
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
### § 1. **Elektrische proeven**
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Annex 1. , behorende bij de artikelen 1, tweede lid, 2, tweede lid, 3, eerste, derde, zesde, tiende en elfde lid, 4, eerste lid, 6, vijfde lid, 8, 9, tweede lid, en 19
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. , behorende bij artikel 5, eerste lid
### Annex 3. , behorende bij de artikelen 1, tweede lid, 7, tweede lid, en 11, eerste en tweede lid
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 12. Diversen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 2a. Sneeuwkettingen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2018-05-01&g=2018-05-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2018-05-01&g=2018-05-01), en [bijlage IV, artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2018-05-01&g=2018-05-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-01&g=2018-05-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
Vervallen
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-20&g=2018-05-20), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 8.3.10a
Indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking van zijn nominale waarde hebben dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.
##### Artikel 8.4.86a
1. De programmatuur van de deeltjesteller moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het tweede en derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
2. Voor aanvang van een meting moeten de volgende gegevens worden ingevoerd:
- a. kenteken van het voertuig;
- b. grenswaarde voor voertuig;
3. Nadat de sonde in de uitlaat is aangebracht, worden achtereenvolgens de volgende stappen van de roetfiltertest doorlopen:
- a. een periode van 15 seconden stabiliseren met stationair draaiende motor;
- b. gedurende de registratietijd meten en vervolgens presenteren van de meetwaarde van de meting, gebaseerd op het gemiddelde over de registratietijd;
- c. indien de metingwaarde kleiner is dan of gelijk is aan de grenswaarde: presenteren dat de test is gehaald;
- d. indien de metingwaarde groter is dan de grenswaarde: presenteren dat de test niet is gehaald.
4. Indien nadat de sonde in de uitlaat wordt gebracht, de gemeten waarde direct oploopt tot meer dan tweemaal de grenswaarde, mag de meetprocedure worden afgebroken en is de test niet gehaald.
##### Artikel 45e. Controle werking roetfilter
1. De goede werking van het roetfilter wordt gecontroleerd door meting van het aantal deeltjes per kubieke centimeter in de uitlaatgassen.
2. De test, bedoeld in het eerste lid, wordt bij stationair toerental uitgevoerd.
##### Artikel 45f. Aantal deeltjes bij stationair toerental
De uitlaatgassen van personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een verbrandingsmotor met compressieontsteking en roetfilter, mogen bij stationair toerental niet meer deeltjes bevatten, dan:
- a. 1.000.000 deeltjes per kubieke centimeter indien het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2015;
- b. 250.000 deeltjes per kubieke centimeter indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014.
##### Artikel 45g. Wijze van keuren
1. De controle, bedoeld in artikel 45e, geschiedt door meting aan een stilstaande personenauto, bedrijfsauto of bus met een deeltjesteller die ten minste gedurende de door de fabrikant van de deeltjesteller opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Voor elke test wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadiging van de monsternameslang en sonde.
3. De sonde wordt ten minste 0,30 m in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht.
4. Indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, beperkt de controle zich tot één uitmonding.
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-01-01&g=2020-01-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-01-01&g=2020-01-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-01-01&g=2020-01-01)
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-01-01&g=2020-01-01)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-01-01&g=2020-01-01)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 3.1.1
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858.
2. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk 2, bij verordening (EU) 2018/858.
3. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.
5. De artikelen 33, 34 en 35, met uitzondering van artikel 35, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2018/858 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.1.2
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-09-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag van een voertuig, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van [bijlage IX van deze regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2020-12-19&g=2020-09-01).
4. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van die verordening.
5. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het vierde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.1.3
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-09-01), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie bedoelde goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
4. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.
##### Artikel 3.1.4
Onverminderd de toepassing van bijlage II bij verordening (EU) 2018/858, worden, voor zover van toepassing bij een EU-goedkeuring of nationale goedkeuring van een voertuig, aanhangwagen, systeem, onderdeel of technische eenheid daarvan, tevens de volgende richtlijnen in acht genomen:
- a. tot 1 juli 2027, de eisen met betrekking tot het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, bedoeld in [richtlijn 70/157/EG](31970L0157));
- b. de eisen met betrekking herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassingen, bedoeld in [richtlijn 2005/64](32005L0064)/; en
- c. de eisen betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen, bedoeld in [richtlijn 2006/40/EG](32006L0040).
##### Artikel 3.1.5
1. Om als taxi in gebruik te kunnen worden genomen beschikt een voertuig over een nationale individuele goedkeuring of nationale typegoedkeuring voor het gebruik als taxi.
2. Voor goedkeuring als bedoeld in het eerste lid voldoet de taxi aan de in het derde, vierde, vijfde of zesde lid bedoelde goedkeuringseisen.
3. Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt goedgekeurd indien het voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2020-12-19&g=2020-09-01) omdat het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2020-12-19&g=2020-09-01). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
5. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2020-12-19&g=2020-09-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
6. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2020-12-19&g=2020-09-01) gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
- b. inrichtingen met zitplaatsen anders dan onder a; en
- c. de gedeelten ten behoeve van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s.
8. Voor een taxi en ov-auto als bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi onderscheidenlijk ov-auto.
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken, voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers
##### Artikel 3.3.1
1. Voertuigen van de voertuigcategorie L voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 168/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.
3. De artikelen 34 tot en met 37, met uitzondering van artikel 37, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.3.2
1. Voertuigen van voertuigcategorie L, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen van bijlage II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. de bijlagen V en XI bij verordening (EU) 3/2014; en
- 2°. de bijlagen III, IV, XII, XV en XVII bij verordening (EU) 44/2014;
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-09-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. Onverminderd het eerste lid voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag als bedoeld in artikel 3 of, indien niet van toepassing artikel 6, van [bijlage IX van deze regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2020-12-19&g=2020-09-01).
3. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.3.3
1. Voertuigen van voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-09-01), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast
4. In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
##### Artikel 3.5.1
1. Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlage bij verordening (EU) 167/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 37, eerste lid, tweede alinea, van die verordening.
3. De artikelen 29 tot en met 32, met uitzondering van artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.5.2
1. Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. bijlagen III tot en met XI, XIII, XV, XVI, XVII, XX, XXII, XXV en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014;
- 2°. bijlagen I en II bij verordening (EU) 2018/985; en
- 3°. bijlagen X, XVIII, XXI en XXIII bij verordening (EU) 2015/208; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-09-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. Voertuigen van voertuigcategorieën R en S met een eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. bijlagen XXII, XXV, XXVI en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
- 2°. bijlage XVIII, XXI en XXII bij verordening (EU) 2015/208; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-09-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in die leden voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.5.3
1. Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-09-01), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
4. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.
### Afdeling 6. Goedkeuring taxi
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
##### Artikel 3.7.1
1. De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige nationale individuele goedkeuring voor ten hoogste twee jaar verlenen voor een voertuig als bedoeld in dit hoofdstuk of van systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan waarin nieuwe technologieën zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de eisen voor die goedkeuring, bedoeld in dit hoofdstuk.
2. De Dienst Wegverkeer kan de in het eerste lid bedoelde voorlopige nationale individuele goedkeuring verlenen indien:
- a. bij de aanvraag de redenen zijn vermeld waarom de nieuwe technologieën of nieuwe concepten tot gevolg hebben dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, onverenigbaar zijn met de eisen voor goedkeuring;
- b. in de aanvraag voor de goedkeuring veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie of het nieuwe concept zijn beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om er voor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als wordt geboden door de voorschriften waarvan ontheffing wordt verleend; en
- c. er testbeschrijvingen en -resultaten worden overgelegd die aantonen dat aan de voorwaarde van onderdeel b wordt voldaan.
3. Onverminderd het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer ter bescherming van inzittenden van het voertuig, ter bescherming van kwetsbare weggebruikers of in verband met de bescherming van de gezondheid, veiligheid, het milieu of andere aspecten van het openbaar belang, aanvullende eisen en voorwaarden verbinden aan het verlenen van een voorlopige nationale individuele goedkeuring. Deze eisen en voorwaarden mogen niet destructief zijn.
4. De Dienst Wegverkeer kan een maximum aantal op grond van dit artikel te verlenen goedkeuringen aan voertuigen of vergelijkbare voertuigen van dezelfde fabrikant vaststellen.
5. De in het eerste lid bedoelde termijn kan met ten hoogste vijf jaar worden verlengd, indien ten behoeve van die nieuwe technologieën of nieuwe concepten nationale, Europese of internationale wetgeving, in voorbereiding is.
##### Artikel 3.7.2
De Dienst Wegverkeer weigert een voorlopige nationale individuele goedkeuring als bedoeld in [artikel 3.7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&artikel=3.7.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01) indien:
- a. een individuele EU-goedkeuring, voor een het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 2018/858, artikel 40 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 35 van verordening (EU) 167/2013, meer in de rede ligt;
- b. de toegepaste nieuwe technologieën zodanig vergaand zijn dat ontheffing van een of meer van de eisen voor goedkeuring bedoeld in dit hoofdstuk, niet in de rede ligt.
##### Artikel 3.7.3
Een op grond van [artikel 3.7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&artikel=3.7.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01) afgegeven voorlopige nationale individuele goedkeuring wordt door de Dienst Wegverkeer omgezet in een definitieve nationale individuele goedkeuring met ingang van de dag dat voor het betreffende voertuig of systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, een wettelijke regeling voor goedkeuring in werking treedt.
##### Artikel 3.8.1
Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de voorschriften opgenomen in [bijlage Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2020-12-19&g=2020-09-01) van deze regeling.
##### Artikel 3.8.2
Onverminderd artikel 29, derde lid, van verordening (EU) 2018/858 voldoet een rem- of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie O3 of O4, voor een nationale typegoedkeuring aan de voor het desbetreffende onderdeel voor het betreffende aangegeven voertuig relevante eisen opgenomen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858 of aan de daarvoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.9.1
Tenzij hierin is voorzien in een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast in verband met de nationale goedkeuringen, bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van wijze van keuren van de permanente eisen.
##### Artikel 3.9.2
1. De Dienst Wegverkeer maakt, indien de voorwaarden of de beperkingen waaronder een EU- of nationale goedkeuring van een voertuig is verleend en dit ten behoeve van de handhaving van de permanente eisen bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-09-01), noodzakelijk is, hiervan aantekening in het kentekenregister.
2. Indien een aanvullende nationale individuele goedkeuring is verleend als bedoeld in [artikel 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2020-12-19&g=2020-09-01) wordt door de Dienst Wegverkeer bij de inschrijving in het kentekenregister van een:
- a. taxi als bedoeld in [artikel 3.1.5, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2020-12-19&g=2020-09-01), vermeld ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’;
- b. taxi als bedoeld in [artikel 3.1.5, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2020-12-19&g=2020-09-01), vermeld ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’.
- c. ov-auto als bedoeld in [artikel 3.1.5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2020-12-19&g=2020-09-01), vermeld ‘-ov-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘ov-auto, zie goedkeuringsdocument’.
##### Artikel 3.9.3
De Dienst Wegverkeer houdt in elk geval conformiteitscontroles op het overeenstemmen van de productie en de regelingen inzake het overeenstemmen van de productie van:
- a. door hem verleende nationale kleine serie goedkeuringen op voertuigen en op systemen, onderdelen en technische eisen daarvan als bedoeld in dit hoofdstuk;
- b. door hem verleende typegoedkeuringen op grond van een VN/ECE-reglement;
- c. de producten, genoemd in [afdeling 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&z=2020-12-19&g=2020-09-01).
##### Artikel 3.10.1
Geen goedkeuring als bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), is vereist voor:
- a. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 2018/858 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
- b. voertuigen op rupsbanden of ontworpen en gebouwd of aangepast voor exclusief gebruik door de strijdkrachten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c en d, van verordening (EU) 2018/858;
- c. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 168/2013 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
- d. voertuigen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) 168/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;
- e. voertuigen op verwisselbare machines als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) 167/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;
- f. trekker als bedoeld in artikel 3, punt 8, van verordening (EU) 167/2013 met een door de constructie bepaalde maximale snelheid van minder dan 6 km/h;
- g. motorrijtuigen met beperkte snelheid;
- h. motorrijtuigen als bedoeld in [20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b), die als zodanig zijn aangewezen;
- i. voertuigen waarvan op grond van [artikel 48, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=48) geen goedkeuring is vereist;
- j. voertuigen ten behoeve waarvan voor het gebruik van de weg door Onze Minister een vrijstelling op grond van [artikel 147 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147) is verleend;
- k. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die specifiek ten behoeve van de in de onderdelen a tot en met i genoemde voertuigen of motorrijtuigen op de markt worden gebracht;
- l. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen van speciale doeleinden als bedoeld in [artikel 3.1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01), waarbij van de voor die systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen geldende eisen, vrijstelling is verleend;
- m. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk is verleend;
- n. voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen indien en voor zover hiervoor geen specifieke goedkeuringseisen zijn vastgesteld als bedoeld in[artikel 21, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21).
##### Artikel 3.10.2
1. De Dienst Wegverkeer weigert EU- of nationale goedkeuring van een voertuig waarvoor goedkeuring is vereist indien voor de goedkeuring van dat betreffende voertuig geen goedkeuringseisen zijn vastgesteld.
2. De Dienst Wegverkeer stelt Onze Minister in kennis van een weigering als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.11.1
1. Een fabrikant die een voertuig als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 167/2013, artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 49 van verordening (EU) 2018/858 toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van:
- a. het voertuigidentificatienummer;
- b. het desbetreffende typegoedkeuringsnummer en, indien van toepassing, de variant en uitvoering ervan;
- c. de plaats of plaatsen waar de voertuigen in voorraad worden gehouden;
- d. het technisch voorschrift of de technische voorschriften waaraan de voertuigen niet voldoen, en
- e. de technische of economische redenen waarom de voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
3. In verband met de behandeling van de aanvraag bepaalt de Dienst Wegverkeer:
- a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
- b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1), dan wel van een daaraan gelijk te stellen buitenlandse accountant, overlegt.
##### Artikel 3.11.2
Voor het maximaal aantal complete en voltooide voertuigen als bedoeld in verordening (EU) 2018/858 dat overeenkomstig de restant voorraadprocedure in gebruik wordt genomen geldt de beperking als beschreven in bijlage V, onder B, punt 2, van die verordening.
### Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
##### Artikel 3.12.1
1. Indien een fabrikant voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers uit de handel neemt als bedoeld in [artikel 27 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), omdat deze niet conform dit hoofdstuk of de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de overeenkomst van 1958 zijn goedgekeurd of indien de nationale- of VN/ECE goedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:
- a. artikel 9 van [verordening 167/2013](32013R0167) indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S;
- b. artikel 10 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L; of
- c. artikel 14, eerste tot en met derde lid, van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O;
2. In verband met het in het kader van het markttoezicht uit de handel nemen of terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers als bedoeld in [artikel 27 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), die zijn voorzien van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk of zijn voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, maar waarvan op basis van verkregen informatie of klachten voldoende redenen zijn om aan te nemen dat ze een ernstig risico vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang of omdat ze niet voldoen aan de voor goedkeuring gestelde eisen, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:
- a. de artikelen 41 en 43 tot en met 46 van [verordening 167/2013](32013R0167) indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S;
- b. de artikelen 46 tot en met 51 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L;
- c. de artikelen 51, 52, 55 en 56 van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O.
3. In afwijking van het tweede lid, blijven de in dat lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen die betrekking hebben op de relatie tussen de lidstaat en de commissie of op verplichtingen voor de commissie buiten toepassing.
4. Het eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel b en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het uit de handel nemen of terugroepen als bedoeld in [artikel 20f van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20f), van motorrijtuigen die als zodanig zijn aangewezen als bedoeld in [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b).
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
##### Artikel 4.4
Het door een technische dienst in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in [artikel 31, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, b en c, in samenhang met artikel 66 of 67 van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, tweede lid, onderdelen a, b en c, in samenhang met artikel 70 of 71 van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 78, 80 of 81 van verordening (EU) 2018/858.
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
##### Artikel 5.1.4a
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig niet voldoet aan de aan het gebruik verbonden eisen als bedoeld in [artikel 71, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), die worden bedoeld in artikel 11, eerste lid, van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715) of artikel 7, tweede lid, 9 of 11, tweede lid, tweede en derde alinea, van [verordening (EG) 595/2009](32009R0595).
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### § 2a. Sneeuwkettingen
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 2. Toerentellers
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.4. Justeringen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2020-12-19&g=2020-09-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2020-12-19&g=2020-09-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01), en [bijlage IV, artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-12-19&g=2020-09-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.79
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
### **T100-bussen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.2.72
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een personenauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mag een personenauto die is voorzien van een afzonderlijk bestuurdergedeelte waarbij direct naast de bestuurderszitplaats geen zitplaats voor passagiers aanwezig is, zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting, mits de afscherming voldoet aan het gestelde in [artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2020-10-15&g=2020-10-15). | De wijze van keuren, bedoeld in [artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2020-10-15&g=2020-10-15). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Indien de personenauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het vierde tot en met negende lid gestelde eisen. | - |
| 4. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 5 tot en met 9: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 7. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 8. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren en nooduitgangen niet belemmeren. | |
| 9. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.2.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=9&artikel=5.2.45&z=2020-10-15&g=2020-10-15), moeten personenauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
##### Artikel 5.3.72
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een bedrijfsauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. | - |
| 3. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 6. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 7. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren. | |
| 8. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.3.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=9&artikel=5.3.45&z=2020-10-15&g=2020-10-15), moeten bedrijfsauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.3a.72
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een bus mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de direct naast elkaar gelegen zitplaatsen voor de passagiers. | Visuele controle. |
| 2. | Indien de bus is voorzien van een afscherming, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. | - |
| 3. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. |
| 4. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 4 tot en met 8: visuele controle. |
| 5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 6. | De afscherming mag de hoofddoorgang en toegang naar de uitgangen en de nooduitgangen zowel in geopende als in gesloten toestand niet belemmeren. | |
| 7. | Het zesde lid is niet van toepassing indien de afscherming direct op de chauffeursdeur is geplaatst of is voorzien van een inrichting die de door- en toegang waarborgt met de afscherming in ruststand. | |
| 8. | De afscherming mag het bestuurdersgedeelte niet permanent afsluiten van het passagiersgedeelte, tenzij het bestuurdersgedeelte is voorzien van twee uitgangen die zich niet in dezelfde zijwand bevinden. | |
### Afdeling 4. Motorfietsen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.5.72
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een driewielig motorrijtuig mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. | - |
| 3. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 6. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 7. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren. | |
| 8. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.5.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=9&artikel=5.5.45&z=2020-10-15&g=2020-10-15), moeten driewielige motorrijtuigen met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.6.71a
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Een bromfiets op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
##### Artikel 5.7.73
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Een motorrijtuig met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
##### Artikel 5.10.72
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Een gehandicaptenvoertuig met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
##### Artikel 6.1a
[Artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2020-10-15&g=2020-10-15), is niet van toepassing op een wijziging van een bus met betrekking tot een afscherming als bedoeld in [artikel 5.3a.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2020-10-15&g=2020-10-15), mits de afscherming is geplaatst in het bestuurdersgedeelte van de bus.
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 2. Toerentellers
#### § 4. Manometers
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 11.1. Algemeen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2020-10-15&g=2020-10-15), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2020-10-15&g=2020-10-15) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2020-10-15&g=2020-10-15) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-10-15&g=2020-10-15), en [bijlage IV, artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-10-15&g=2020-10-15), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 5. Assen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 2a. Sneeuwkettingen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 4. Manometers
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2020-12-19&g=2020-10-15) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2020-12-19&g=2020-10-15) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), en [bijlage IV, artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-12-19&g=2020-10-15), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.79
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
### **T100-bussen**
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 2. Gereserveerd
### Afdeling 4. Gereserveerd
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
### Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 4. Motorfietsen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
##### Artikel 5.12.32. remvloeistofreservoir
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
### Afdeling 17. Wagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Reminrichting
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2.2. Certificaten
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 2. Toerentellers
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 11.1. Algemeen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2020-12-19&g=2020-12-19) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-12-19)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-12-19)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-12-19)
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-12-19&g=2020-12-19)
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 1a. Aanvulling grondslagen
##### Artikel 1.1a
Deze regeling berust mede op de [artikelen 20f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20f), [21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=23), [27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), [51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=51a), [60, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60), [71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), en [94, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=94).
### Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
### Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in [hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&hoofdstuk=III)
##### Artikel 3.1.3a
1. De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O die niet aan de in [artikel 3.1.2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.2&z=2021-01-05&g=2021-01-01), of [3.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.3&z=2021-01-05&g=2021-01-01) bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2. Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in [artikel 149](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) of [149a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) aanwezig is.
### Afdeling 2. Gereserveerd
##### Artikel 3.2.1
1. Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de overeenkomstige voertuigcategorie M respectievelijk N vastgestelde eisen in bijlage II, deel I, van verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-05&g=2021-01-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. Voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing:
- a. VN/ECE-reglement nr. 29 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft;
- b. VN/ECE-reglement nr. 95 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen met betrekking tot de bescherming van de inzittenden bij een zijdelingse botsing;
- c. VN/ECE-reglement nr. 97 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigalarmsystemen (VAS) en van motorvoertuigen wat hun alarmsysteem (AS) betreft;
- d. [richtlijn 2005/64/EG](32005L0064);
- e. [verordening (EG) 78/2009](32009R0078);
- f. [verordening (EG) 661/2009](32009R0661), al dan niet in samenhang met VN/ECE-reglement nr. 117 wat rolgeluidemissies, grip op natwegdek en rolweerstand van banden betreft;
- g. Verordening (EU) nr. 65/2012 van de Commissie van 24 januari 2012 tot uitvoering van [Verordening (EG) nr. 661/2009](32009R0661) van het Europees Parlement en de Raad wat schakelindicatoren betreft en tot wijziging van [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 280);
- h. verordening (EU) 2015/758.
3. In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II, deel I, van verordening (EU) 2018/858 opgenomen goedkeuringseisen voor de voertuigcategorie waarbinnen het voertuig zou kunnen vallen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast..
##### Artikel 3.2.2
Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-05&g=2021-01-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
### Afdeling 4. Gereserveerd
##### Artikel 3.5.4
1. De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S die niet aan de in [artikel 3.5.2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.5.2&z=2021-01-05&g=2021-01-01), of [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.5.3&z=2021-01-05&g=2021-01-01) bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2. Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat daarom het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in [artikel 149](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) of [149a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) aanwezig is.
##### Artikel 3.6.1
1. Mobiele machines voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. [richtlijn 2006/42/EG](32006L0042);
- 2°. verordening (EU) 2016/1628;
- 3°. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;
- 5°. [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2021-01-05&g=2021-01-01) van deze regeling ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; en
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-05&g=2021-01-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale typegoedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.6.2
1. De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in [artikel 3.6.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.6.1&z=2021-01-05&g=2021-01-01), bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale typegoedkeuring verlenen.
2. Deze nationale typegoedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in [artikel 149](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) of [149a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) aanwezig is in het voertuig.
##### Artikel 3.6.3
1. Mobiele machines met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. [richtlijn 2006/42/EG](32006L0042);
- 2°. verordening (EU) 2016/1628;
- 3°. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;
- 5°. [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2021-01-05&g=2021-01-01) van deze regeling ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; en
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-05&g=2021-01-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.6.4
1. De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in [artikel 3.6.3, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.6.3&z=2021-01-05&g=2021-01-01), bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2. Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in [artikel 149](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) of [149a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) aanwezig is in het voertuig.
### Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
##### Artikel 3.8.3
Een reminrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een mobiele machine voldoet voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de relevante voorschriften opgenomen in [hoofdstuk 5, afdeling 7a, paragraaf 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=8&z=2021-01-05&g=2021-01-01), van deze regeling.
### Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 6. Bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
##### Artikel 5.7.10
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. | – |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
##### Artikel 5.7.10a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
##### Artikel 5.7.10b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | |
| 11. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | |
### Afdeling 7a. Mobiele machines
##### Artikel 5.7a.0
1. Een mobiele machine moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01) van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid mag een mobiele machine die in gebruik is genomen vóór 1 januari 2021 voldoen aan de in [afdeling 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&z=2021-01-05&g=2021-01-01) van dit hoofdstuk opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01) van toepassing is.
##### Artikel 5.7a.1
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een geregistreerde mobiele machine moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De geregistreerde mobiele machine moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 4. | De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de mobiele machine staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en in geval een geregistreerd voertuig moeten de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister. | |
| 7. | Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in [artikel 1b van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=1b). | – |
##### Artikel 5.7a.3
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van mobiele machines mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.4
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De boven-, op- en aanbouw van mobiele machines moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de boven-, op- en aanbouw van mobiele machines moet deugdelijk zijn. | |
##### Artikel 5.7a.6
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2021-01-05&g=2021-01-01) van toepassing is. |
| 2. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, inbegrepen. | |
| 3. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m. | |
##### Artikel 5.7a.7
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De last onder de assen van mobiele machines mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van mobiele machines mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. | |
##### Artikel 5.7a.8
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister geregistreerde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 29a, van toepassing. | Visuele controle door middel van een beproeving op de weg. |
| 2. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7a.9
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur die lekkage vaststelt, waarbij het contact ingeschakeld moet zijn. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.10
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. | – |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
##### Artikel 5.7a.10a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
##### Artikel 5.7a.10b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1 | Indien een mobiele machine is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2 | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3 | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4 | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5 | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6 | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7 | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8 | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9 | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10 | Mobiele machines voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: [956640-004.eps] | |
##### Artikel 5.7a.11
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle met draaiende motor. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | Auditieve controle. |
##### Artikel 5.7a.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Onderdelen van mobiele machines, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen geen overmatige lekkage van vloeistof, met uitzondering van water, vertonen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.12
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De accu van mobiele machines moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van mobiele machines moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
##### Artikel 5.7a.12a
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische mobiele machines: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.13
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
##### Artikel 5.7a.14
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Mobiele machines moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.15
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.16
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.18
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
##### Artikel 5.7a.19
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.7a.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.7a.24
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | |
##### Artikel 5.7a.25
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De wielnaven moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.26
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.27
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Visuele controle. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak, is niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in [artikel 1b van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=1b). | |
| 3. | De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van mobiele machines moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
##### Artikel 5.7a.28
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de mobiele machine is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest of gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Indien de mobiele machine is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken | |
##### Artikel 5.7a.29
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De bestuurde wielen moeten goed reageren op de draaiing van de stuurbediening. | |
| 3. | De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een uitsluitend elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging. | |
| 4. | Bij draaiing van de stuurbediening tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. De stuurbediening wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de mobiele machine op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed werken. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 12. | De onderdelen van een volledig hydraulische stuurinrichting mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
##### Artikel 5.7a.31
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. |
| 5. | Rempedalen moeten een stroef oppervlak hebben en deugdelijk functioneren, alsmede in voorkomend geval zijn voorzien van een deugdelijke koppeling tussen het linker- en rechterrempedaal. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle. |
| 7. | Remleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 11. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. |
| 13. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.7a.32
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | De vulopening van het reservoir van de hoofdremcilinder moet zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.33
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Mobiele machines met een drukluchtremsysteem die in gebruik zijn genomen na 30 april 2020, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
##### Artikel 5.7a.34
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Mobiele machines met een veerrem moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
##### Artikel 5.7a.36
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.7a.38
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. | Visuele controle |
| 2. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van twee onafhankelijke remsystemen. | |
| 3. | Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van: a. meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt; b. meer dan 30 km/h maar niet meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt; c. niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. | Leden 3 en 4: visuele controle door middel van een beproeving op de weg. De snelheid moet bij de aanvang van de remproef de maximumconstructiesnelheid bedragen met een maximum van 40 km/h. De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten; c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: 1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend; 2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet, kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. |
| 4. | Het voertuig mag bij het gebruik van de rem of remsystemen geen zijwaartse beweging maken. | |
##### Artikel 5.7a.39
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Van mobiele machines moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.41
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De deuren van mobiele machines moeten goed sluiten. Minimaal één deur die direct toegang geeft tot de bestuurdersruimte, moet op zowel vanaf de binnenzijde als vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
##### Artikel 5.7a.42
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Voor- en zijruiten van mobiele machines mogen: a. niet in ernstige mate beschadigd zijn; b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. |
| 2. | Mobiele machines moeten zodanig zijn gebouwd of ingericht dat er vanaf de bestuurderszitplaats voldoende uitzicht naar voren en opzij is. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats. In geval van twijfel wordt gemeten volgens de volgende methode: – vanuit een punt op de grond recht onder de oogpunten van de bestuurder wordt een halve denkbeeldige cirkel getrokken van 12,00 m; – naar voren gezien mogen binnen een afstand van 9,50 m op dezelfde hoogte als de denkbeeldige cirkel één of twee objecten van maximaal 0,70 m breed zijn afgeschermd; – naar de zijkant gezien mogen één of twee objecten van maximaal 1,50 m breed zijn afgeschermd. |
| 3. | Om te voldoen aan het tweede lid mogen ook inrichtingen voor indirect zicht worden gebruikt. | |
##### Artikel 5.7a.43
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Mobiele machines met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
##### Artikel 5.7a.45
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 136a van toepassing. |
| 2. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 137a van toepassing. |
| 3. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 142a van toepassing. |
| 4. | Indien een trottoirspiegel of camera-monitorsysteem is gemonteerd, moet deze zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel, camera-monitorsysteem of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien. | Leden 4 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 7. | Indien in een mobiele machine het stuur aan de rechterzijde is geplaatst, moeten alle verplicht aanwezige voorzieningen voor indirect zicht in spiegelbeeld geplaatst zijn ten opzichte van de situatie waarbij het stuur links is geplaatst. Een linkerbuitenspiegel dient altijd aanwezig te zijn. | |
| 8. | Het gestelde in het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in [artikel 1b van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=1b). | |
##### Artikel 5.7a.46
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De zitplaatsen van mobiele machines moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.47
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Indien mobiele machines zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
##### Artikel 5.7a.48
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van mobiele machines, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.18.32a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=2a&artikel=5.18.32a&z=2021-01-05&g=2021-01-01). | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Geen deel van de buitenzijde van de mobiele machine mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.7a.51
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten; d. twee achterlichten; e. twee remlichten; f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig kentekenplichtig is en in gebruik is genomen na 31 december 2020; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikelen 132 tot en met 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat. | – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen h tot en met j: visuele controle. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing op mobiele machines die een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.53
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en zijrichtingaanwijzers, alsmede de waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit licht en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood licht uitstralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel licht uitstralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood licht uitstralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel licht uitstralen. | |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren uitstralen. | |
##### Artikel 5.7a.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2021-01-05&g=2021-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7a.56
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7a.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, waarvan tegelijkertijd niet meer dan vier grote lichten mogen werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee mistvoorlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee of vier parkeerlichten; g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; j. één of twee achteruitrijlichten; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; l. staaklichten; m. zijmarkeringslichten; n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; o. werklichten; p. twee extra remlichten of één derde remlicht; q. twee dagrijlichten; r. bochtverlichting; s. hoeklichten. t. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021; u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig; v. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van [artikel 5.7a.51, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2021-01-05&g=2021-01-01), verplicht is; w. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers. | – Onderdelen a tot en met h: visuele controle. – Onderdeel i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met w: visuele controle. |
| 2. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. | |
##### Artikel 5.7a.57a
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Mobiele machines in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30), mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.59
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het mistvoorlicht, het dimlicht, het groot licht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood licht uitstralen. | |
| 3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit licht en naar achteren niet anders dan rood licht uitstralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel licht uitstralen. | |
| 4. | De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingsknipperlichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit licht uitstralen en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood licht uitstralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen. | |
| 6. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit licht uitstralen en naar achteren niet anders dan rood licht uitstralen. | |
| 7. | De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit licht uitstralen. | |
| 8. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood licht uitstralen. | |
| 9. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen. | |
##### Artikel 5.7a.59a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2021-01-05&g=2021-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7a.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7a.61
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en de retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in de [artikelen 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2021-01-05&g=2021-01-01) en [5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2021-01-05&g=2021-01-01), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.7a.62
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7a.64
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines mogen, met uitzondering van grote lichten en werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Mobiele machines mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van mobiele machines synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig meeknipperen. | |
##### Artikel 5.7a.65
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2021-01-05&g=2021-01-01), [5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2021-01-05&g=2021-01-01) en [5.7a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57a&z=2021-01-05&g=2021-01-01) is voorgeschreven of toegestaan; en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.66
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=11&artikel=5.7a.68&z=2021-01-05&g=2021-01-01). | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de in het eerste lid bedoelde inrichting moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn. | |
| 4. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: geen breuken of scheuren vertonen, en niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
##### Artikel 5.7a.67
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Indien een mobiele machine is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van: a. 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen; b. 80 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 78,5 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
##### Artikel 5.7a.68
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 25 mm, moet de pendiameter ten minste 23,0 mm bedragen; b. 32 mm, moet de pendiameter ten minste 30,0 mm bedragen; c. 36 mm, moet de pendiameter ten minste 34,0 mm bedragen; d. 38 mm, moet de pendiameter ten minste 36,0 mm bedragen; e. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; f. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46,0 mm bedragen; g. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | De koppelingen, bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn; en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.69
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen; en b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde in onderdeel a, voor wat betreft de uiterste linker- en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten. |
| 2. | Dit eerste lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak | – |
| 3. | Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 4. | De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. | In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. Controle geschiedt met behulp van: een standaard pen van 2 inch, die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 en ten hoogste 82,7 mm, dan wel een oplegger met een pen van 2 inch daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 5. | De sluit- en borginrichting moet goed functioneren. | Visuele controle terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten. |
##### Artikel 5.7a.70
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Indien een mobiele machine is voorzien van een penkoppeling met een nominale diameter van: a. 30 mm, moet de pendiameter ten minste 28,0 mm bedragen; b. 30,6 mm, moet de pendiameter ten minste 28,6 mm bedragen; c. 44,5 mm, moet de diameter van de pen ten minste 41,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
##### Artikel 5.7a.71
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische mobiele machines mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid. | |
##### Artikel 5.7a.72
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Mobiele machines moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde of achterzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.73
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Een mobiele machine met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
##### Artikel 5.8.10
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en; c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
##### Artikel 5.8.10a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | Leden 6 tot en met 10: visuele controle. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
##### Artikel 5.8.10b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2021-01-05&g=2021-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 11: visuele controle. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | |
| 11. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | |
##### Artikel 5.8.49
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. | – |
| 2. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen die punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,55 m bedragen. | Leden 2 tot en met 7: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,50 m bedragen. | |
| 4. | De beschermingsinrichting: a. mag niet breder zijn dan de breedte van de voorste as met inbegrip van de wielen; b. mag aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen; en c. moet over de gehele breedte ten minste 0,20 m hoog zijn. | |
| 5. | De uiteinden van de beschermingsinrichting mogen niet naar voren zijn omgebogen. | |
| 6. | De buitenranden van de beschermingsinrichting mogen niet scherp zijn. | |
| 7. | De beschermingsinrichting en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | |
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
##### Artikel 5.14.49
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,55 m. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op dolly’s. | - |
| 3. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens niet meer bedragen dan 0,55 m. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De stootbalk mag niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m, gemeten vanaf het wegdek, buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.14.68
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 25 mm, 30,6 mm, 32 mm, 36 mm of 38 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 27,0 mm, 32,6 mm, 34,0 mm, 38,0 mm respectievelijk 40,0 mm bedragen. | Leden 1 en 2: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber. |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 44,5 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 46,5 mm bedragen. | |
| 3. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen; en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen. | Leden 3 tot en met 5: – Onderdelen a: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber. – Onderdelen b: ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen; en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 41,5 mm bedragen. | |
| 5. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen; en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19,0 mm bedragen. | |
| 6. | Het trekoog mag: a. niet zijn vervormd of gescheurd; b. niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus; c. niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.14.69
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen. | Leden 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is. |
| 2. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen; b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | |
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2021-01-05&g=2021-01-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.18.7a
Met mobiele machines in gebruik genomen na 31 december 2020 die alleen zijn bedoeld voor het vervoer van goederen, al dan niet voorzien van een aanhangwagen, mag geen lading worden vervoerd, tenzij:
- a. de mobiele machine is bestemd voor het trekken van opleggers, niet breder is dan 2,55 m, een hydraulisch traploos in hoogte verstelbare schotelkoppeling heeft en een aanhangwagen van de voertuigcategorie O trekt;
- b. de lading gerelateerd is aan de functie, anders dan alleen goederen vervoeren, van de mobiele machine;
- c. de lading onbeladen afneembare bovenbouwen of gestandaardiseerde laadstructuren betreft.
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
##### Artikel 5.18.25da
1. De van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine op de kentekencard of in het kentekenregister vermelde technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van dolly en oplegger, mag niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen.
2. De technisch toegestane maximum te trekken massa van één of meer aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:
- a. de technisch toelaatbare getrokken massa als opgegeven door de fabrikant van het trekkend voertuig;
- b. de technisch getrokken massa van de mechanische koppelinrichting of koppelinrichtingen;
- c. 8.000 kg per aanhangwagen, indien het een aanhangwagen betreft met een oploopreminrichting;
- d. indien een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk een ongeremde aanhangwagen voortbeweegt:
- 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
- 2°. 1.500 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt, indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft;
- 3°. 3.500 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt, indien het een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk betreft.
3. Indien in het kentekenregister dan wel op het kentekenbewijs van een landbouw- of bosbouwtrekker, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk met een datum van eerste toelating na 30 juni 2021 geen technisch toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
##### Artikel 5.18.25db
1. De op de constructieplaat van de koppeling van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast op de koppeling mag niet worden overschreden.
2. In aanvulling op het gestelde in het eerste lid mag de toegestane maximumlast op de koppeling van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, indien de koppeling van het trekkende voertuig is:
- a. een koppelingskogel met een nominale diameter van:
- 1°. 50 mm, niet meer bedragen dan 150 kg;
- 2°. 80 mm, niet meer bedragen dan 4.000 kg;
- 3°. 110 mm, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand;
- 4°. 150 mm, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand;
- b. een vangmuilkoppeling, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
- c. een penkoppeling met een nominale pendiameter van:
- 1°. 30 mm, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
- 2°. 30,6 mm, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
- 3°. 44,5 mm, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
- d. een trekhaak (Hitchhaak) conform ISO 6489-1:2001, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
- e. een trekkerdissel conform ISO 6489-3:2004, niet meer bedragen dan 4.500 kg;
- f. een niet-zwenkende koppeling met harpsluiting conform ISO 6489-5:2011, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
- g. een schotelkoppeling, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand.
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
##### Artikel 5.18.32a0
1. De rijsnelheid mag niet hoger zijn dan de voor het voertuig in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid dan wel, in geval van een samenstel van voertuigen met verschillende maximumconstructiesnelheden, de laagste maximumconstructiesnelheid.
2. Indien op een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine of één of meer getrokken voertuigen banden zijn gemonteerd waarop een lagere maximumsnelheid is vermeld dan de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, mag de rijsnelheid niet hoger zijn dan de op de gemonteerde banden vermelde maximumsnelheid.
3. De rijsnelheid mag niet hoger zijn dan 25 km/h, indien een landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine:
- a. niet is ingeschreven;
- b. één of meer niet-geregistreerde voertuigen trekt;
- c. één of meer voertuigen waarin of waarop zich personen bevinden, trekt;
- d. één of meer ongeremde voertuigen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 1.500 kg of een verwisselbare getrokken uitrustingsstuk met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 3.500 kg, trekt;
- e. meerdere aanhangwagens met een oplooprem trekt.
4. Dit artikel laat [paragraaf 8 van hoofdstuk II van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825¶graaf=8) onverlet.
##### Artikel 5.18.57a
Bij een samenstel van een trekkend voertuig en één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen moeten de tussen de voertuigen van het samenstel aanwezige ruimten die niet rechtstreeks door de bestuurder kunnen worden waargenomen aan beide zijden zijn afgeschermd. Deze afscherming mag bestaan uit een zelfspannende band of inschuivende stijve delen met een hoogte van ten minste 50 mm.
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.9
Vervallen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2021-01-05&g=2021-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.1b
Deze regeling berust mede op de [artikelen 20f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20f), [21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=23), [27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), [51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=51a), [60, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60), [71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), en [94, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=94).
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2021-01-05&g=2021-01-05)
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2021-01-05&g=2021-01-05) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2021-01-05&g=2021-01-05)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
##### Artikel 1.2a
Vervallen
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in [hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&hoofdstuk=III)
##### Artikel 3.1.0
[Verordening (EU) 2018/858](32018R0858) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.2.0
[Verordening (EU) 2018/858](32758R2018) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.3.0
[Verordening (EU) 168/2013](32013R0168) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
### Afdeling 4. Gereserveerd
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
##### Artikel 3.5.0
[Verordening (EU) 167/2013](32013R0167) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 5. Assen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 4.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2023-05-31&g=2023-04-19), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-04-19), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-04-19), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2023-05-31&g=2023-04-19), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2023-05-31&g=2023-04-19), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2023-05-31&g=2023-04-19) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2023-05-31&g=2023-04-19)
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2023-05-31&g=2023-04-19)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2023-05-31&g=2023-04-19) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-04-19)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-04-19)
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### **T100-bussen**
### Artikel 1
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
### Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
### Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines
### Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### § 2a. Sneeuwkettingen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2023-05-31&g=2023-05-31) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
### **T100-bussen**
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 3.4.0
[Verordening (EU) 168/2013](32013R0168) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.4.1
1. Bijzondere bromfietsen voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. VN/ECE-reglement nr. 3;
- 2°. VN/ECE-reglement nr. 10;
- 3°. VN/ECE-reglement nr. 14;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 16 of VN/ECE-reglement nr. 44;
- 5°. VN/ECE-reglement nr. 50 of VN/ECE-reglement nr. 56 en VN/ECE-reglement nr. 74;
- 6°. VN/ECE-reglement nr. 60;
- 7°. VN/ECE-reglement nr. 67 of VN/ECE-reglement nr. 110;
- 8°. VN/ECE-reglement nr. 75;
- 9°. VN/ECE-reglement nr. 78;
- 10°. VN/ECE-reglement nr. 81;
- 11°. VN/ECE-reglement nr. 136;
- 12°. [verordening (EU) 3/2014](32014R0003), bijlage II, IV, VII tot en met IX, XII, deel I, XIII tot en met XV, punt 1.1. en 1.2, XVIII en XIX;
- 13°. [verordening (EU) 44/2014](32014R0044), bijlage II, VI, VIII, X, XIV en XVI.
- 14°. [verordening (EU) 134/2014](32014R0134), bijlage X, aanhangsel 1 en 1.1;
- 15°. [verordening (EU) 901/2014](32014R0901), bijlage V;
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) voor de bijzondere bromfiets vastgestelde permanente eisen.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken in het geval niet aan die eisen wordt voldaan door het innovatieve karakter van het voertuig of door de toepassing van innovatieve technieken, indien met een risicobeoordeling opgesteld door een deskundige en onafhankelijke instantie wordt aangetoond op welke wijze het veiligheids- en milieubeschermingsniveau van die eisen wordt gewaarborgd.
3. Een bijzondere bromfiets die is bedoeld voor personenvervoer biedt ten hoogste acht zitplaatsen voor passagiers. De zitplaatsen bieden voldoende ruimte voor de te vervoeren persoon, zijn voorzien van een heupgordel en, indien die zijn bedoeld voor een kind, zijn voorzien van een duidelijke vermelding van het maximale gewicht waarvoor de zitplaatsen zijn bedoeld.
### Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines
### Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
### Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
##### Artikel 3.11.3
1. Een fabrikant die een bijzondere bromfiets die deel uitmaakt van een voorraad en die niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor die niet is goedgekeurd toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
2. Het eerste lid is alleen van toepassing op bijzondere bromfietsen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige nationale typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden of in het verkeer zijn gebracht voor deze nationale typegoedkeuring ongeldig werd.
3. Ten aanzien van het verzoek en de behandeling ervan is artikel 44 van [verordening (EU) 168/2013](32013R0168) en [artikel 3.11.1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=11&artikel=3.11.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.11.4
1. Uiterlijk twee weken nadat de geldigheid van een aanwijzing die is verleend op grond van [artikel 20b van de WVW 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zoals die luidde tot 1 januari 2024 is vervallen, verstrekt de fabrikant een overzicht van het aantal op basis van de aanwijzing geproduceerde bijzondere bromfietsen in de periode na inwerkingtreding van deze bepaling tot het moment waarop de aanwijzing is vervallen en die nog niet tot de weg zijn toegelaten, aan de Dienst Wegverkeer op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
2. In het kader van de controle omtrent de juistheid van het verstrekte overzicht bepaalt de Dienst Wegverkeer:
- a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
- b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1) overlegt.
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
### Afdeling 3a. Bussen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 6a. Bijzondere bromfietsen
##### Artikel 5.6a.0
Een bijzondere bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van toepassing is.
##### Artikel 5.6a.1
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het frame, in het chassis of in een vergelijkbare constructie is ingeslagen en goed leesbaar is. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die is afgegeven voor 2 mei 2019 moeten zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: a. de naam of handelsnaam van de fabrikant; b. het merk en de typebenaming van het voertuig; c. het unieke nummer van de aanwijzing; d. het voertuigidentificatienummer; e. het geluidsniveau tijdens stilstand onder de volgende vorm: ‘… dB(A) – … min-1’ (in het geval van voertuigen die niet worden onderworpen aan de test van het geluidsniveau tijdens stilstand, wordt het volgende vermeld: ‘- – - dB(A) – – - – min-1’); f. het motorvermogen onder de volgende vorm: ‘… kW’; g. de door de constructie bepaalde maximumsnelheid onder de volgende vorm: ‘… km/u’; h. de massa in rijklare toestand onder de volgende vorm: ‘… kg’; en i. de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand onder de volgende vorm: ‘max … kg’. | |
##### Artikel 5.6a.3
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bijzondere bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van toepassing. | - Onderdeel a: visuele controle. - Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Indien een bijzondere bromfiets is opgebouwd uit een frame met een voor- of achtervork, mag dat frame met die voor- of achtervork: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest; en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
##### Artikel 5.6a.6
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen: a. voor individueel vervoer mogen: 1°. niet langer zijn dan 3,00 m; 2°. niet breder zijn dan 1,10 m; 3°. niet hoger zijn dan 2,00 m; b. voor personenvervoer of goederenvervoer mogen: 1°. niet langer zijn dan 3,00 m; 2°. niet breder zijn dan 1,15 m; 3°. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bijzondere bromfiets gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mogen bijzondere bromfietsen op minder dan drie wielen voor individueel vervoer en die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die is afgegeven voor 2 mei 2019, niet breder zijn dan 0,75 m. | |
##### Artikel 5.6a.7
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De maximale massa in rijklare toestand mag van bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die is afgegeven voor 2 mei 2019: a. voor individueel vervoer niet meer bedragen dan 125 kg; b. voor personenvervoer of goederenvervoer, indien de bijzondere bromfiets minder dan vier wielen heeft, niet meer bedragen dan 270 kg; en c. voor personenvervoer of goederenvervoer, indien de bijzondere bromfiets vier of meer wielen heeft, niet meer bedragen dan 425 kg. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bijzondere bromfiets gewogen. |
| 2. | De bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een duidelijk zichtbare vermelding met hoeveel massa de bijzondere bromfiets kan worden beladen zonder dat de technisch toegestane maximummassa wordt overschreden. De technisch toegestane maximummassa is ten hoogste 200 kg voor bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer en 565 kg voor bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer. | Visuele controle |
##### Artikel 5.6a.8
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de op de constructieplaat vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 4 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6a.12
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De accu van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 3. | De stroom kan in geval van gevaar op eenvoudige wijze onderbroken worden. | |
| 4. | Een defect in de energievoorziening leidt niet tot gevaarlijke situaties. | |
##### Artikel 5.6a.12a
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Elektrisch aangedreven bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van: a. niet meer dan 1 kW als de bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer bedoeld zijn; en b. niet meer dan 4 kW als de bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer bedoeld zijn. | Visuele controle, door aflezing van de waarde aangegeven op de constructieplaat. |
| 2. | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven bijzondere bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle |
##### Artikel 5.6a.13
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motor van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk bevestigd zijn. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
##### Artikel 5.6a.15
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De snelheid van bijzondere bromfietsen moet op eenvoudige en doeltreffende wijze regelbaar zijn. Bij bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die is afgegeven voor 2 mei 2019 moet er een logisch verband zijn tussen de manier van bedienen van het bedieningsorgaan en het te bewerkstelligen effect. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6a.16
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bijzondere bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De aandrijving van de bijzondere bromfiets met in langsrichting achter elkaar geplaatste wielen mag niet via het voorwiel of de voorwielen plaatsvinden. | |
##### Artikel 5.6a.18
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bijzondere bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
##### Artikel 5.6a.19
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.6a.20
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bijzondere bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6a.24
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bijzondere bromfietsen mogen geen breuken, scheuren, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | |
##### Artikel 5.6a.27
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen van bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
##### Artikel 5.6a.28
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bijzondere bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle, waarbij de bromfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6a.29
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een mechanische stuurinrichting. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Van bijzondere bromfietsen: a. moet de stuurinrichting deugdelijk zijn; b. mogen de stofhoezen niet zodanig beschadigd zijn, dat de hoezen niet meer afdichten; c. moeten koppelingen en verbindingen spelingsvrij zijn; d. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd. | |
##### Artikel 5.6a.31
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een goedwerkend remsysteem, waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; e. niet aanlopen; f. niet langs voertuigdelen schuren. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij een rijproef wordt uitgevoerd. |
| 2. | Het voertuig mag als gevolg van het remmen of van een snelheidsvermindering geen zijwaartse beweging maken. | |
| 3. | De remhendel of het rempedaal maakt geen zodanige slag dat deze tot een aanslag kan worden ingedrukt of ingetrapt. | Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 4. | De remkabels zijn niet gerafeld en goed gangbaar. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 5. | De bediening van het remsysteem wordt door geen enkel onderdeel van de bijzondere bromfiets belemmerd. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | Indien de bijzondere bromfiets is voorzien van een hydraulisch remsysteem, bevindt het remvloeistofniveau zich niet onder het minimum. | |
##### Artikel 5.6a.38
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een remsysteem waarvan de remvertraging ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. | Bij twijfel controle door middel van een vertragingsproef, waarbij aan de hand van de afgelegde vertragingsafstand wordt bepaald of aan de vereiste vertraging wordt voldaan. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die is afgegeven voor 2 mei 2019 moeten zijn voorzien van ten minste één frictierem. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle |
| 3. | Bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die is afgegeven voor 2 mei 2019 moeten op alle assen geremd zijn. | |
| 4. | Bijzondere bromfietsen mogen voorzien zijn van een noodstopsysteem. | |
| 5. | Bijzondere bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een vastzetinrichting. | |
##### Artikel 5.6a.41
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Permanent aangebrachte inrichtingen aan bijzondere bromfietsen om lading of personen mee te kunnen vervoeren moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot met 6: visuele controle. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor individueel vervoer of goederenvervoer bieden geen ruimte voor passagiers. | |
| 3. | Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor personenvervoer moeten zitplaatsen hebben die zijn voorzien van onbeschadigde veiligheidsgordels die deugdelijk bevestigd zijn en een goedwerkende sluiting bevatten. | |
| 4. | Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor personenvervoer of goederenvervoer zijn voorzien van een bestuurdersplaats met bescherming die kan voorkomen dat de bestuurder van het voertuig valt. | |
| 5. | Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor goederenvervoer zijn voorzien van een laadruimte die voldoende sterk is om goederen mee te vervoeren en die is voorzien van middelen om te voorkomen dat goederen tijdens het rijden uit het voertuig kunnen vallen. | |
| 6. | Indien een bijzondere bromfiets is voorzien van een carrosserie: a. moeten de deuren of kappen die toegang geven tot de personen- of goederenruimte een deugdelijke sluiting hebben, welke sluiting wordt gewaarborgd door goed werkende sloten en scharnieren; b. moeten de deuren en kappen, bedoeld in onderdeel a, op normale wijze vanaf zowel de binnen- als de buitenzijde van het voertuig kunnen worden geopend; c. moet die zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde linkerbuitenspiegel waarvan het glas geen verschijnselen van breuk vertoont en niet is verweerd; d. mag deze zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde rechterbuitenspiegel; en e. moet die zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde achteruitkijkspiegel waarvan het glas geen verschijnselen van breuk vertoont, indien zicht naar achteren mogelijk is. | |
| 7. | Indien een bijzondere bromfiets is voorzien van een carrosserie met ramen: a. mogen die ramen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen; b. mogen die ramen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren; c. mag de lichtdoorlatendheid van die ruiten niet minder zijn dan 55%; en d. moet de voorruit zijn voorzien van een goed werkende: 1°. ruitenwisserinstallatie die bij inschakeling de bestuurder voldoende uitzicht geeft; 2°. ruitensproeierinstallatie; en 3°. ontwasemings- en ontdooiingsinstallatie, indien het een gesloten carrosserie betreft. | Visuele controle, waarbij ten aanzien van onderdeel c in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.6a.48
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van bijzondere bromfietsen mogen niet aanlopen. | |
| 3. | Geen deel aan de buitenzijde van een bijzondere bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.6a.51
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. rode opvallende retroreflecterende lijnmarkering of één of twee rode retroreflectoren, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van minimaal 0,15 m en maximaal 0,90 m; b. witte of gele opvallende retroreflecterende markering of één of twee ambergele zijretroreflectoren, aangebracht aan de zijkant van het voertuig; en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die is afgegeven voor 2 mei 2019 moeten zijn voorzien van: a. één of twee lichten aan de voorzijde van het voertuig; b. één of twee achterlichten; c. één of twee remlichten; en d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6a.57
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Een bijzondere bromfiets mag voorzien zijn van één of twee dagrijlichten. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6a.59
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het licht aan de voorzijde van een bijzondere bromfiets mag niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
##### Artikel 5.6a.64
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
##### Artikel 5.6a.65
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6a¶graaf=10&artikel=5.6a.51&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [5.6a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6a¶graaf=10&artikel=5.6a.57&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6a.66
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6a.71
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. | Visuele en auditieve controle, waarbij de bel dan wel hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets te voorkomen. | Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem. | |
| 4. | Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid. | |
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
### Afdeling 17. Wagens
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 18. Gebruikseisen
##### Artikel 5.18.26a
1. Bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer op minder dan drie wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.
2. Bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,10 m.
3. Bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,15 m.
##### Artikel 5.18.26b
De op een bijzondere bromfiets vermelde toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het voertuig.
#### § 2a. Sneeuwkettingen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7.1. Algemeen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 9.4. Justeringen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.79
### Artikel 1.80
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
### **T100-bussen**
### Artikel 1
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 3.6.0
1. [Verordening (EU) 167/2013](32013R0167) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
2. In afwijking van [verordening (EU) 167/2013](32013R0167) kan een typegoedkeuring voor een mobiele machine tevens worden aangevraagd door en verleend aan een andere marktdeelnemer dan een fabrikant van mobiele machines, indien deze voldoet aan de eisen die voor het indienen van een aanvraag en voor het verlenen van een typegoedkeuring in de verordening en in deze regeling aan de fabrikant worden gesteld.
##### Artikel 3.6.3a
Mobiele machines met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. [richtlijn 98/37/EG](31998L0037) van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (PbEG 1998, L 207), indien het voertuig in gebruik genomen is na 31 december 1992 en voor 29 december 2009; of
- 2°. [richtlijn 2006/42/EG](32006L0042), indien het voertuig in gebruik genomen is na 28 december 2009; en
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-01-01&g=2025-01-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Conformiteitscontroles nationale typegoedkeuring mobiele machines
##### Artikel 3.9.4
De controle inzake de overeenstemming van de productie van mobiele machines waarvoor een nationale typegoedkeuring is afgegeven gebeurt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
##### Artikel 3.11.3a
1. Een fabrikant die een mobiele machine die deel uitmaakt van een voorraad en die niet of niet langer op de markt kan worden aangeboden of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor die niet is goedgekeurd toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
2. Het eerste lid is alleen van toepassing op mobiele machines die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige nationale typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden of in het verkeer zijn gebracht voor deze nationale typegoedkeuring ongeldig werd.
3. Ten aanzien van het verzoek en de behandeling ervan zijn artikel 39 van [verordening (EU) 167/2013](32013R0167) en artikel 3.11.1, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
##### Artikel 5.3.8
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-01-01&g=2025-01-01), artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
### Afdeling 3a. Bussen
##### Artikel 5.3a.8
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-01-01&g=2025-01-01), artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
### Afdeling 4. Motorfietsen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 5. Assen
### Afdeling 6. Bromfietsen
### Afdeling 6a. Bijzondere bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
##### Artikel 5.12.46
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De zitplaatsen van aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.47
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Indien aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
##### Artikel 5.13.46
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De zitplaatsen van aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.13.47
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Indien aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
##### Artikel 5.14.39
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017 en zijn voorzien van een reminrichting, moeten zijn voorzien van een parkeerremsysteem. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het parkeerremsysteem wordt bediend. |
| 2. | Indien een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een parkeerremsysteem, moet het goed werken en in werking kunnen worden gesteld door iemand die buiten het voertuig staat. De werking van de parkeerrem moet ook gewaarborgd zijn na loskoppeling van het trekkende voertuig. | |
##### Artikel 5.14.67a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling met een nominale inwendige diameter van: a. 50 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 51,0 mm bedragen; b. 80 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 81,5 mm bedragen; c. 110 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 112,0 mm bedragen. | Er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber of slijtage-indicator. Indien gebruik wordt gemaakt van een koppelingskogel in combinatie met de slijtage-indicator op de kogelkoppeling, wordt de slijtage afgelezen. |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een koppelingskogel met een nominale uitwendige diameter van 150 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 148,5 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
##### Artikel 5.18.63
1. In het trekkend voertuig dat een samenstel vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen is per mogelijke indeling op een goed zichtbare plaats aangegeven voor welke hellingsgraad het samenstel geschikt is. Indien de maximummassa van het samenstel afhankelijk is van een bepaalde hellingsgraad, moet dan zijn aangegeven. De bestuurder neemt de hiervoor bedoelde grenzen in acht.
2. Het trekkend voertuig dat een samenstel vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen is voorzien van ten minste één draagbaar blustoestel met een inhoud van ten minste 2 kg ABC-bluspoeder.
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 4. Manometers
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
### Artikel 1.75
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.79
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
### **T100-bussen**
### Artikel 1
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 6.11
Bij wijziging in de constructie van een bijzondere bromfiets waardoor de gevoeligheid voor elektromagnetische invloeden van het voertuig of de uitstraling van elektromagnetische straling door het voertuig beïnvloed wordt, moet dat voertuig na wijziging voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26), opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.4. Justeringen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
De kleur en afmetingen moeten zijn:
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.71
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
### Artikel 1
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.9.8
| Fietsen met trapondersteuning mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op het vermogen of het functioneren van de trapondersteuning, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van [verordening 168/2013](32013R0168), te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt een snelheidsmeting opnieuw uitgevoerd. |
| --- | --- |
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Reminrichting
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.2. Technische eisen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01)
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.83
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 1
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2009-05-01
Regeling voertuigen
original version
Tekst op deze datum