Wijzigingsgeschiedenis
Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
58 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 443 más
2025-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 471 más
Wijzigingen op 2025-07-01
@@ -286,7 +286,7 @@
- **origineel emissiebeheersingssysteem:** emissiebeheerssysteem dat onder de voor het betrokken voertuig verleende typegoedkeuring valt, bedoeld in artikel 3, twaalfde lid, van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715);
- **overig voertuig voor speciale doeleinden:** voertuig van de voertuigcategorie M, N of O voor speciale doeleinden met carrosserietype SG niet zijnde een aanhangwagen voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen, motorvoertuig voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen, multifunctionele werktuigdrager of andere voertuigsoort genoemd in [artikel 1.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1a&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- **overig voertuig voor speciale doeleinden:** voertuig van de voertuigcategorie M, N of O voor speciale doeleinden met carrosserietype SG niet zijnde een aanhangwagen voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen, motorvoertuig voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen, multifunctionele werktuigdrager of andere voertuigsoort genoemd in [artikel 1.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1a&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- **ov-auto:** personenauto bestemd voor het verrichten van openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1);
@@ -498,13 +498,13 @@
2. Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.
3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
##### Artikel 2.2
1. Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister.
2. De datum van eerste toelating, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze, bepaald in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=II&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
2. De datum van eerste toelating, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze, bepaald in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=II&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
3. Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’ een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.
@@ -872,17 +872,17 @@
- b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft;
- c. niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen; of
- c. niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen; of
- d. indien het een mobiele machine betreft, wordt voortbewogen in een andere rijstand dan door de voertuigfabrikant is bepaald.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de [afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) vermelde categorieën motorvoertuigen, de in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de [afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) vermelde categorieën motorvoertuigen, de in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in [afdeling 18 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2025-02-26&g=2025-02-26) ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in [afdeling 18 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2025-07-01&g=2025-07-01) ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
##### Artikel 5.1.3
@@ -890,7 +890,7 @@
##### Artikel 5.1.4
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in [afdeling 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in [artikel 5.9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=2&artikel=5.9.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26)ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor [artikel 5.10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=2&artikel=5.10.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26) in de plaats treedt.
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in [afdeling 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in [artikel 5.9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=2&artikel=5.9.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01)ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor [artikel 5.10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=2&artikel=5.10.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01) in de plaats treedt.
##### Artikel 5.1.5
@@ -928,13 +928,13 @@
##### Artikel 5.1a.1
Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.
Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.
##### Artikel 5.1a.2
1. De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in [afdeling 18 van hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2025-02-26&g=2025-02-26), bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in [afdeling 18 van hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
##### Artikel 5.1a.3
@@ -1052,7 +1052,7 @@
##### Artikel 5.2.0
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -1060,7 +1060,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. |
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. |
| 2. | De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -1074,13 +1074,13 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.2.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -1088,7 +1088,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| | Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.2.7
@@ -1103,7 +1103,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -1113,7 +1113,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -1126,7 +1126,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -1143,15 +1143,15 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking waarvan: – de in het kentekenregister vermelde deeltjesmassa type 1 kleiner is dan of gelijk is aan 0,005 g/km respectievelijk 5 mg/km, of – de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie gelijk is aan of groter is dan Euro 6 of Euro VI, of – in het kentekenregister is vastgelegd dat een roetfilter is vastgesteld, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn. | Visuele controle. |
| 10. | Als bij personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing. | – |
| 11. | Bij personenauto’s met roetfilter zoals bedoeld in het negende lid, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de [Bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 45e tot en met 45g, van toepassing. | – |
| 10. | Als bij personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing. | – |
| 11. | Bij personenauto’s met roetfilter zoals bedoeld in het negende lid, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de [Bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 45e tot en met 45g, van toepassing. | – |
| 12. | De verplichtingen, bedoeld in het zevende en tiende lid, gelden niet voor personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking en roetfilter als bedoeld in het negende lid. | – |
##### Artikel 5.2.12
@@ -1165,7 +1165,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 0. Algemeen
@@ -1181,7 +1181,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -1190,10 +1190,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.2.19
@@ -1201,21 +1201,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.2.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.2.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&artikel=5.2.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&artikel=5.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.2.22
@@ -1271,7 +1271,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 5. Assen
@@ -1282,11 +1282,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -1302,12 +1302,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 7. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 8. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -1328,20 +1328,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,8 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | Personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 2. | Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 3. | Personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 5. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 5 en 6: de wijze van keuren bij het eerste tot en met derde lid is van toepassing. |
| 6. | In afwijking van het eerste en tweede lid, moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 5. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 5 en 6: de wijze van keuren bij het eerste tot en met derde lid is van toepassing. |
| 6. | In afwijking van het eerste en tweede lid, moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.2.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 2. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -1351,13 +1351,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -1394,7 +1394,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op: a. personenauto’s in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten; b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande personenauto; en c. personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 4. | Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. | Visuele controle |
##### Artikel 5.2.47
@@ -1405,7 +1405,7 @@
| 2. | Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen, zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in stilstaande personenauto’s en personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. | |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 6. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 7 en 8: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 8. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | |
@@ -1414,8 +1414,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde eisen. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.79&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde eisen. | |
| 1. | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde eisen. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.79&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde eisen. | |
##### Artikel 5.2.48
@@ -1439,7 +1439,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
#### § 6. Ophanging
@@ -1447,7 +1447,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -1459,8 +1459,8 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; | |
| | p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat: | |
| | 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en | |
| | 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel p. | |
@@ -1492,21 +1492,21 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de personenauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.2.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
##### Artikel 5.2.57
@@ -1517,24 +1517,24 @@
| | b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | |
| | c. twee extra stadslichten; | |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. parkeerlichten; | |
| | i. één extra mistachterlicht aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | j. extra achteruitrijlichten; | |
| | k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
| | l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig; | |
| | m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | n. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is; | |
| | o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is; | |
| | p. werklichten; | |
| | q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in [artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26); | |
| | q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in [artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01); | |
| | r. twee dagrijlichten; | |
| | s. twee bochtlichten; | |
| | t. twee hoeklichten; | |
| | u. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.53&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.53&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde en extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste retroreflector aan de zijkant, welke rood mag zijn. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel q, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
@@ -1561,16 +1561,16 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.2.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
##### Artikel 5.2.62
@@ -1593,7 +1593,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.2.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51a&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.2.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Personenauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.2.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.2.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Personenauto’s niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 6. Ophanging
@@ -1602,14 +1602,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.2.67
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | De wijze van keuren bij [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is van toepassing. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | De wijze van keuren bij [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is van toepassing. |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -1630,14 +1630,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een taxi waarvoor een goedkeuringsdocument is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de [paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 1. | Een taxi waarvoor een goedkeuringsdocument is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de [paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 2. | Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s, hetgeen blijkt uit een vermelding in het kentekenregister. | – |
##### Artikel 5.2.74
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De inrichting van een taxi moet overeenstemmen met het goedkeuringsdocument, bedoeld in [artikel 3.1.5, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), tenzij in deze afdeling anders is bepaald. | Visuele controle. |
| | De inrichting van een taxi moet overeenstemmen met het goedkeuringsdocument, bedoeld in [artikel 3.1.5, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), tenzij in deze afdeling anders is bepaald. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.75
@@ -1674,7 +1674,7 @@
##### Artikel 5.3.0
Een bedrijfsauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een bedrijfsauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -1682,7 +1682,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. |
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. |
| 2. | De bedrijfsauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bedrijfsauto staat. |
@@ -1698,14 +1698,14 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen; | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing | |
##### Artikel 5.3.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 1. | De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
@@ -1713,7 +1713,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, bedoelde maten niet meer dan 1% mogen afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is van toepassing. |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, bedoelde maten niet meer dan 1% mogen afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen: | |
| | a. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m; | |
| | b. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m; en | |
@@ -1738,7 +1738,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -1748,7 +1748,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -1761,7 +1761,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -1778,15 +1778,15 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Bij bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking waarvan: – de in het kentekenregister vermelde deeltjesmassa type 1 kleiner is dan of gelijk is aan 0,005 g/km respectievelijk 5 mg/km, of – de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie gelijk is aan of groter is dan Euro 6 of Euro VI, of – in het kentekenregister is vastgelegd dat een roetfilter is vastgesteld, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn. | Visuele controle. |
| 10. | Als bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing. | – |
| 11. | Bij bedrijfsauto’s met roetfilter zoals bedoeld in het negende lid, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de [Bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 45e tot en met 45g, van toepassing. | – |
| 10. | Als bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing. | – |
| 11. | Bij bedrijfsauto’s met roetfilter zoals bedoeld in het negende lid, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de [Bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 45e tot en met 45g, van toepassing. | – |
| 12. | De verplichtingen, bedoeld in het zevende en tiende lid, gelden niet voor bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking en roetfilter als bedoeld in het negende lid. | – |
##### Artikel 5.3.12
@@ -1800,7 +1800,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
@@ -1816,7 +1816,7 @@
| | c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen. | |
| 3. | De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld opeen zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet meer dan 90 km/h kan bedragen. De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. | Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is. |
| 4. | De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen. |
| 5. | Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s: a. in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten; b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien; c. met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h indien is voldaan aan [artikel 5.3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.8&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | Visuele controle. – Onderdeel a: of een bedrijfsauto wordt gebruikt door een in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), of [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s: a. in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten; b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien; c. met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h indien is voldaan aan [artikel 5.3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.8&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | Visuele controle. – Onderdeel a: of een bedrijfsauto wordt gebruikt door een in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), of [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Indien een bedrijfsauto moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de bedrijfsauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
| | c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en | |
| | d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. | |
@@ -1825,7 +1825,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -1834,10 +1834,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3.19
@@ -1845,21 +1845,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.3.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.3.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: a.15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.3.22
@@ -1908,7 +1908,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bedrijfsauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
@@ -1923,7 +1923,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van gasvering en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -1935,11 +1935,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -1955,13 +1955,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
@@ -2034,14 +2034,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing. | Leden 1 tot en met 5: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 5. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 6. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,5 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer de maximumconstructiesnelheid bedragen. |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing. | Leden 1 tot en met 5: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 6. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,5 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer de maximumconstructiesnelheid bedragen. |
| 7. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 8. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste tot en met vijfde lid is van toepassing. |
| 8. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste tot en met vijfde lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3.39
@@ -2049,8 +2049,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen van één niet hefbare as werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -2061,13 +2061,13 @@
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die intrekbaar of inklapbaar zijn, moeten zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle, waarbij in beide situaties de vergrendeling wordt bediend. |
| 4. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -2123,7 +2123,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 21 januari 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op: a. bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten; b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto; en c. bedrijfsauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 4. | Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. | Visuele controle |
##### Artikel 5.3.47
@@ -2133,7 +2133,7 @@
| 1. | Bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een bank geen gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen, zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto en bedrijfsauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto. | Visuele controle. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
| 6. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 5 en 6: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | |
@@ -2142,7 +2142,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| | Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
##### Artikel 5.3.48
@@ -2152,8 +2152,8 @@
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen bedrijfsauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s: a. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1974: 1°. moeten zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 102 tot en met 106c, van toepassing. b. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen vóór 1 januari 1975: 1°. moeten goed zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. c. met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg: 1°. moeten goed zijn afgeschermd; 2°. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en 3°. mogen niet aanlopen. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op opleggertrekkers. | |
| 5. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s: a. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1974: 1°. moeten zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 102 tot en met 106c, van toepassing. b. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen vóór 1 januari 1975: 1°. moeten goed zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. c. met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg: 1°. moeten goed zijn afgeschermd; 2°. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en 3°. mogen niet aanlopen. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op opleggertrekkers. | |
| 7. | Geen deel van de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.3.49
@@ -2190,7 +2190,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
#### § 6. Ophanging
@@ -2198,7 +2198,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -2210,11 +2210,11 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | p. een derde remlicht indien de toegestane maximummassa van het voertuig niet meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2012, aangebracht zodanig dat: het derde remlicht is niet verplicht voor chassiscabines, opleggertrekkers en voertuigen met een open laadruimte; | |
| | q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 153, van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 153, van toepassing. | |
| | q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 153, van toepassing. | |
| 2. | Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), aan de krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel p, moeten twee extra remlichten worden aangebracht indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste lid, onderdelen q en r, is niet van toepassing op opleggertrekkers. | |
@@ -2245,21 +2245,21 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de bedrijfsauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.3.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3.57
@@ -2268,8 +2268,8 @@
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdelen a tot en met r: visuele controle. – Onderdeel s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met aa: visuele controle. |
| | c. twee extra stadslichten; | |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. extra achteruitrijlichten; | |
@@ -2279,19 +2279,19 @@
| | m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | |
| | n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is; | |
| | q. werklichten; | |
| | r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in [artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26); | |
| | r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in [artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01); | |
| | s. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
| | t. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | u. twee dagrijlichten; | |
| | v. twee bochtlichten; | |
| | w. twee hoeklichten; | |
| | x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII, artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; | |
| | y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII, artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; | |
| | z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig; | |
| | aa. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.53&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | aa. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.53&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
@@ -2321,16 +2321,16 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
##### Artikel 5.3.62
@@ -2353,7 +2353,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51a&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.3.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.3.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bedrijfsauto’s niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 5. Assen
@@ -2362,7 +2362,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: | |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
@@ -2412,7 +2412,7 @@
##### Artikel 5.3a.0
Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 9. Carrosserie
@@ -2420,7 +2420,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. |
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. |
| 2. | De bus moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bus staat. |
@@ -2439,14 +2439,14 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bussen mogen: | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.3a.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 1. | De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -2454,12 +2454,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is van toepassing. |
| 2. | Bussen met twee assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is van toepassing. |
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is van toepassing. |
| 2. | Bussen met twee assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is van toepassing. |
| 3. | Bussen met meer dan twee assen mogen niet langer zijn dan 15,00 m. | |
| 4. | Gelede bussen mogen niet langer zijn dan 18,75 m. | |
| 5. | De afmetingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn met inbegrip van een skibox. | – |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26). Tijdens de periodieke keuring moet bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Tijdens de periodieke keuring moet bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
##### Artikel 5.3a.7
@@ -2474,7 +2474,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bus zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -2484,7 +2484,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -2498,7 +2498,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -2517,15 +2517,15 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de bus zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Bussen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Bij bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking waarvan: – de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie gelijk is aan of groter is dan Euro 6 of Euro VI, of – in het kentekenregister is vastgelegd dat een roetfilter is vastgesteld, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn. | Visuele controle. |
| 10. | Indien bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, moet dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing. | – |
| 11. | Als bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing. | – |
| 10. | Indien bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, moet dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing. | – |
| 11. | Als bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing. | – |
| 12. | De verplichtingen, bedoeld in het zevende en tiende lid, gelden niet voor bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking en roetfilter als bedoeld in het negende lid. | – |
##### Artikel 5.3a.12
@@ -2540,7 +2540,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 12. Diversen
@@ -2558,7 +2558,7 @@
| | b. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen. | |
| | De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. | |
| 4. | De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen. |
| 5. | Het tweede lid is niet van toepassing op bussen: a. in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten; b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien; c. met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h indien is voldaan aan [artikel 5.3a.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.8&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | Visuele controle. – Onderdeel a: of een bus wordt gebruikt door een in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), of [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | Het tweede lid is niet van toepassing op bussen: a. in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten; b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien; c. met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h indien is voldaan aan [artikel 5.3a.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.8&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | Visuele controle. – Onderdeel a: of een bus wordt gebruikt door een in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), of [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Indien een bus moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de bus zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
| | d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. | |
@@ -2566,7 +2566,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -2575,10 +2575,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3a.19
@@ -2586,21 +2586,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.3a.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.3a.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a.15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg; | |
| | b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | |
@@ -2651,7 +2651,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bussen mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bus. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve in geval van nood waarbij een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. |
@@ -2667,7 +2667,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen die zijn voorzien van gasvering en bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Knielsystemen van bussen moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het systeem in werking wordt gesteld. |
@@ -2680,11 +2680,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van bussen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -2699,13 +2699,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
@@ -2778,13 +2778,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 5. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,5 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer de maximumconstructiesnelheid bedragen. |
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 3. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,5 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer de maximumconstructiesnelheid bedragen. |
| 6. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 7. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste tot en met vierde lid is van toepassing. |
| 7. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste tot en met vierde lid is van toepassing. |
| 8. | Bussen moeten tevens zijn voorzien van een hulprem. | Leden 8 en 9: visuele controle. |
| 9. | De bedrijfsrem en de hulprem mogen gemeenschappelijke delen hebben. | |
@@ -2793,9 +2793,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen van één niet hefbare as werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 2. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -2804,7 +2804,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bussen moeten goed sluiten. De bedrijfs- en nooddeuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend, ongeacht of de daarvoor benodigde energievoorziening werkt. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten, indien noodzakelijk met behulp van de aanwezige noodbedienings-inrichtingen. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen en aerodynamische voorzieningen en uitrusting aan de achterzijde mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen en aerodynamische voorzieningen en uitrusting aan de achterzijde mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die intrekbaar of inklapbaar zijn, moeten zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle, waarbij in beide situaties de vergrendeling wordt bediend. |
| 4. | Indien een deur in een bus, in gebruik genomen na 30 juni 1984, niet rechtstreeks door de chauffeur kan worden waargenomen, moet de normale bediening zodanig zijn uitgevoerd dat passagiers deze niet kunnen openen voordat de chauffeur de bediening ervan vanaf de bestuurderszitplaats heeft vrijgegeven. | |
| 5. | Bussen moeten zijn voorzien van voldoende uitgangen. | Visuele controle. Bij twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
@@ -2824,7 +2824,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Geen enkel deel van de aerodynamische voorziening of uitrusting mag, wanneer gemonteerd op een voertuig en zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand, boven de onderrand van de voorruit uitkomen, tenzij deze voor de bestuurder niet direct zichtbaar is als gevolg van het instrumentenpaneel of andere standaardbinneninrichting. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
@@ -2860,9 +2860,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h behorende tot klasse III of klasse B, in gebruik genomen na 21 januari 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal tien plaatsen, met dien verstande dat deze zitplaatsen, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.47&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zijn voorzien van een hoofdsteun, een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximumaantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal tien plaatsen, met dien verstande dat deze zitplaatsen, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.47&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zijn voorzien van een hoofdsteun, een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximumaantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 5. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h van klasse I die in gebruik zijn genomen na 12 februari 2005, moeten zijn voorzien van ten minste vier voor passagiers met een mobiliteitshandicap gereserveerde zitplaatsen die zijn voorzien van handgrepen. Deze zitplaatsen moeten in de nabijheid van een voor deze passagiers geschikte bedrijfsdeur zijn geplaatst. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Op bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h van een andere klasse dan klasse I die in gebruik zijn genomen na 12 februari 2005 en zijn voorzien van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor passagiers met een mobiliteitshandicap, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor deze passagiers voor bussen van klasse II en klasse III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en klasse B ten minste één. Een klapstoel mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats. | |
| 7. | Voor bussen als bedoeld in het vijfde en zesde lid, geldt dat bussen van klasse I en klasse II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste één naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze zitplaatsen moeten van merktekens zijn voorzien en in de nabijheid van een voor deze passagiers geschikte bedrijfsdeur zijn geplaatst. | |
@@ -2886,7 +2886,7 @@
| | c. klapstoelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bus; | |
| | d. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bus; | |
| | e. bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
| 6. | De vloer, handvatten en handrails van bussen die beschikken over staanplaatsen, moeten deugdelijk zijn uitgevoerd. | Visuele controle. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 7 en 8: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
@@ -2914,7 +2914,7 @@
| 16. | Het interieur mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel kunnen opleveren. | |
| 17. | De bevestiging en constructie van ligplaatsen moeten deugdelijk zijn. | |
| 18. | Een ligplaats moet in lengte- en breedterichting met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken. | |
| 19. | Het gedeelte van een ligplaats dat grenst aan of zich uitstrekt tot voorbij de achterste begrenzing van het bestuurderscompartiment moet van een afscherming zijn voorzien die voldoet aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-02-26&g=2025-02-26), annex 2, hoofdstuk 2, artikel 33, zesde en zevende lid, zoals deze artikelen luidde op 31 augustus 2020. | |
| 19. | Het gedeelte van een ligplaats dat grenst aan of zich uitstrekt tot voorbij de achterste begrenzing van het bestuurderscompartiment moet van een afscherming zijn voorzien die voldoet aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-07-01&g=2025-07-01), annex 2, hoofdstuk 2, artikel 33, zesde en zevende lid, zoals deze artikelen luidde op 31 augustus 2020. | |
##### Artikel 5.3a.49
@@ -2935,7 +2935,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -2947,8 +2947,8 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.3a.51a
@@ -2974,21 +2974,21 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in artikel [5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De in artikel [5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.3a.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3a.57
@@ -2996,8 +2996,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; | – Onderdelen a tot en met q: visuele controle. – Onderdelen r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met aa: visuele controle. |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. extra achteruitrijlichten; | |
@@ -3007,7 +3007,7 @@
| | m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | |
| | n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | |
| | q. werklichten; | |
| | r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | s. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
@@ -3015,11 +3015,11 @@
| | u. twee dagrijlichten; | |
| | v. twee bochtlichten; | |
| | w. twee hoeklichten; | |
| | x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing; | |
| | y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 153 van toepassing; | |
| | x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing; | |
| | y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig; | |
| | aa. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel [5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | aa. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel [5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bussen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
@@ -3048,16 +3048,16 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3a.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
##### Artikel 5.3a.62
@@ -3080,7 +3080,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26),[5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26),[5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.3a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig, behoudens de ingevolge [artikel 5.3a.41, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.41&z=2025-02-26&g=2025-02-26), verplichte binnenverlichting. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Bussen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01),[5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01),[5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.3a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig, behoudens de ingevolge [artikel 5.3a.41, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.41&z=2025-07-01&g=2025-07-01), verplichte binnenverlichting. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bussen niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 5. Assen
@@ -3089,7 +3089,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=11&artikel=5.3a.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=11&artikel=5.3a.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
##### Artikel 5.3a.67
@@ -3123,7 +3123,7 @@
##### Artikel 5.4.0
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -3159,7 +3159,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 2. | Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorvoertuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m. | |
#### § 8. Reminrichting
@@ -3176,7 +3176,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 4. | De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -3185,7 +3185,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
| 4. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
@@ -3201,8 +3201,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle bij draaiende motor. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
| 4. | Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen te hoog geluidsniveau produceren. Hierbij is het bepaalde in[bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
| 3. | Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
| 4. | Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen te hoog geluidsniveau produceren. Hierbij is het bepaalde in[bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
##### Artikel 5.4.12
@@ -3247,14 +3247,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.4.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij [artikel 5.1a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| | De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij [artikel 5.1a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.4.24
@@ -3431,12 +3431,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 6. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloed. | |
| 8. | Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem. | |
@@ -3444,8 +3444,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.4.57
@@ -3466,7 +3466,7 @@
| | l. één of twee extra remlichten; | |
| | m. één of twee dagrijlichten; | |
| | n. één of twee bochtlichten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.4.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.53&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.4.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.53&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 3. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Indien een motorfiets is verbonden aan een zijspanwagen mag de combinatie voorzien zijn van ten hoogste twee dagrijlichten. | |
@@ -3510,7 +3510,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -3533,7 +3533,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.4.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51a&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26),[5.4.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.4.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.58&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.4.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01),[5.4.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.4.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.58&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorfietsen niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -3561,7 +3561,7 @@
##### Artikel 5.5.0
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 8. Reminrichting
@@ -3569,7 +3569,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. |
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. |
| 2. | Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) voorgeschreven goedkeuringsmerk. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -3584,7 +3584,7 @@
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 2. | Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork, mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -3592,7 +3592,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| | De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -3600,7 +3600,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
##### Artikel 5.5.7
@@ -3618,7 +3618,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor. |
| | | – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -3628,7 +3628,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -3641,7 +3641,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -3658,8 +3658,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 33 tot en met 35, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 33 tot en met 35, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
##### Artikel 5.5.12
@@ -3672,7 +3672,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 6. Ophanging
@@ -3687,7 +3687,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -3696,10 +3696,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.5.19
@@ -3707,21 +3707,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.5.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.5.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in [artikel 5.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=0&artikel=5.5.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) reeds getoetst. |
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in [artikel 5.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=0&artikel=5.5.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) reeds getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.5.24
@@ -3763,7 +3763,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 0. Algemeen
@@ -3774,11 +3774,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
@@ -3800,7 +3800,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| | c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. |
| | d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | |
| | e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | |
@@ -3809,7 +3809,7 @@
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| | a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| | a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| | b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel c: visuele controle. |
| | c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
@@ -3863,13 +3863,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.5.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -3909,8 +3909,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.5.47
@@ -3919,7 +3919,7 @@
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
| 6. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 6 en 7: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | |
@@ -3980,21 +3980,21 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.5.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht of de dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht of de dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
##### Artikel 5.5.57
@@ -4017,7 +4017,7 @@
| | n. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | o. waarschuwingsknipperlichten; | |
| | p. zijmarkeringslichten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.5.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.53&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.5.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.53&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel n, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
@@ -4045,16 +4045,16 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | | |
| 1. | De in [artikel 5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.5.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
##### Artikel 5.5.62
@@ -4075,7 +4075,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.5.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51a&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.5.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.5.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.5.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -4084,7 +4084,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | Visuele controle. |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | Visuele controle. |
| 2. | Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -4103,7 +4103,7 @@
##### Artikel 5.6.0
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -4125,7 +4125,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 2. | Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -4142,7 +4142,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de bromfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de bromfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -4151,8 +4151,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h tot en met 45 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 2. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 4 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 1. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h tot en met 45 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 2. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 4 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 3. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste en tweede lid vermelde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.9
@@ -4167,7 +4167,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -4180,7 +4180,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
@@ -4196,8 +4196,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
| 4. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid hebben van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
| 3. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
| 4. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid hebben van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
##### Artikel 5.6.12
@@ -4245,14 +4245,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.6.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.24
@@ -4292,7 +4292,7 @@
| 2. | Van bromfietsen op drie of vier wielen: a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. – Onderdeel c: visuele controle. Terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid. |
| | d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; | – Onderdeel d: visuele controle. – Onderdeel e: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| | e. moeten koppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; | – Onderdeel f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. | – Onderdeel h: visuele controle indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
@@ -4325,9 +4325,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen moeten ofwel met twee afzonderlijke bedrijfsremsystemen, ofwel met een gescheiden bedrijfsremsysteem zijn uitgerust, waarbij ten minste één rem het voorwiel en ten minste één rem het achterwiel remt. | |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg; a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen voor 1 januari 2007, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één ten minste op het voorwiel en de ander ten minste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 4. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg; a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen voor 1 januari 2007, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één ten minste op het voorwiel en de ander ten minste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 4. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 5. | De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
##### Artikel 5.6.39
@@ -4352,7 +4352,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
@@ -4447,13 +4447,13 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De in de artikelen [5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 6. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De in de artikelen [5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem. | |
##### Artikel 5.6.57
@@ -4512,7 +4512,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -4528,7 +4528,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.6.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.58&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.6.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.58&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
@@ -4555,7 +4555,7 @@
##### Artikel 5.7.0
1. Een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
1. Een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een mobiele machine die in gebruik is genomen vóór 1 januari 2021.
@@ -4596,7 +4596,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 2. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | -- |
| 3. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen motorrijtuigen met beperkte snelheid die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m. | |
@@ -4613,7 +4613,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.9
@@ -4678,14 +4678,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.7.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.7.24
@@ -4740,7 +4740,7 @@
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle., Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
@@ -4772,8 +4772,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. | Visuele controle. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 4. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken, tenzij dit ten behoeve van sturen bedoeld is. | |
##### Artikel 5.7.39
@@ -4810,7 +4810,7 @@
| 4. | De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien. | |
| 5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 7. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden kan verkrijgen door direct zicht. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mag het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten of de gezichtsvelden, bedoeld in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 136a en 137a, behaald worden. |
| 7. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden kan verkrijgen door direct zicht. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mag het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten of de gezichtsvelden, bedoeld in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 136a en 137a, behaald worden. |
##### Artikel 5.7.46
@@ -4832,7 +4832,7 @@
| | | De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van het motorrijtuig met beperkte snelheid geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | Geen deel van de buitenzijde van het motorrijtuig met beperkte snelheid mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | Visuele controle. |
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
@@ -4849,7 +4849,7 @@
| | e. twee remlichten; | |
| | f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; | |
| | h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; | |
| | i. één of meer gele zwaai-, flits- of knipperlichten, indien het voertuig breder is dan 2,60 m, waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, tweede lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30). | |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. | Visuele controle. |
@@ -4870,12 +4870,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -4883,7 +4883,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7.57
@@ -4910,8 +4910,8 @@
| | r. bochtverlichting; | |
| | s. hoeklichten; | |
| | t. achterkentekenplaatverlichting; | |
| | u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig, indien deze markering niet reeds ingevolge [artikel 5.18.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.22&z=2025-02-26&g=2025-02-26), verplicht is; | |
| | v. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van [artikel 5.7.51, eerste lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), verplicht is; | |
| | u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig, indien deze markering niet reeds ingevolge [artikel 5.18.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.22&z=2025-07-01&g=2025-07-01), verplicht is; | |
| | v. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van [artikel 5.7.51, eerste lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), verplicht is; | |
| | w. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers. | |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. | |
@@ -4934,9 +4934,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.60
@@ -4961,7 +4961,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.7.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.7.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -4995,7 +4995,7 @@
##### Artikel 5.8.0
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
@@ -5003,7 +5003,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De landbouw- of bosbouwtrekker moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 2 en 3, van toepassing. |
| 1. | De landbouw- of bosbouwtrekker moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De landbouw- of bosbouwtrekker moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | Kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle, waarbij letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de landbouw- of bosbouwtrekker staat. |
@@ -5018,7 +5018,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.8.4
@@ -5033,7 +5033,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen vóór 1 januari 2021 niet breder zijn dan 3,00 m. | |
| 3. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
@@ -5050,14 +5050,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
##### Artikel 5.8.9
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | |
@@ -5068,7 +5068,7 @@
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle met draaiende motor. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | Auditieve controle. |
| 4. | Indien in het kentekenregister een geluidsniveau voor het voertuig is vermeld, mag de landbouw- of bosbouwtrekker in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 38a tot en met 38c, van overeenkomstige toepassing. | Leden 4 en 5: auditieve controle. Indien uitvoerbaar en toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Indien in het kentekenregister een geluidsniveau voor het voertuig is vermeld, mag de landbouw- of bosbouwtrekker in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 38a tot en met 38c, van overeenkomstige toepassing. | Leden 4 en 5: auditieve controle. Indien uitvoerbaar en toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 5. | Landbouw- of bosbouwtrekkers die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan: a. 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1voor zover het betreft een landbouw- of bosbouwtrekker met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking; en b. 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1 voor zover het betreft een landbouw- of bosbouwtrekker met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking. | |
##### Artikel 5.8.12
@@ -5082,7 +5082,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -5097,7 +5097,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
@@ -5106,7 +5106,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
@@ -5124,7 +5124,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.8.24
@@ -5166,7 +5166,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Banden worden niet beschouwd als deel van het veersysteem. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 3. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | |
#### § 8. Reminrichting
@@ -5177,11 +5177,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuit rijden het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, waarbij de bestuurde wielen van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen, waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw- of bosbouwtrekker op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw- of bosbouwtrekker op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, waarbij het stuurwiel langzaam van links naar rechts word gedraaid en axiaal wordt bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed werken. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen van de stuurinrichting mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
@@ -5195,7 +5195,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | Een landbouw- of bosbouwtrekker moet zijn voorzien van een antiblokkeersysteem, indien het voertuig: a. in gebruik is genomen na 31 december 2020; b. een maximumconstructiesnelheid heeft van meer dan 60 km/h; c. niet meer dan vier assen heeft; en d. de technisch toegestane maximummassa meer dan 3.500 kg is. | |
| 3. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed werken. | Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor. |
| 4. | De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
@@ -5254,7 +5254,7 @@
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een: a. linkerbuitenspiegel; b. rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem, indien in gebruik genomen na 31 december 2017. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 3. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 4. | Het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 136a en 137a, kan verkrijgen door direct zicht. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mogen het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 136a en 137a, kan verkrijgen door direct zicht. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mogen het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.8.46
@@ -5277,7 +5277,7 @@
| 2. | Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van landbouw- of bosbouwtrekkers die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de landbouw- of bosbouwtrekker geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32, tweede lid. De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet aanlopen. | Leden 7 en 8: visuele controle. |
| 8. | Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
@@ -5288,7 +5288,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; d. waarschuwingsknipperlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; e. twee achterlichten; f. twee remlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2000; g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133 gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; k. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; l. zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. | – Onderdelen a tot en met g: visuele controle. – Onderdeel h: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel k: visuele controle – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; d. waarschuwingsknipperlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; e. twee achterlichten; f. twee remlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2000; g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133 gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; k. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; l. zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. | – Onderdelen a tot en met g: visuele controle. – Onderdeel h: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel k: visuele controle – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden moet deze zijn voorzien van twee extra stadslichten of twee staaklichten, en een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen. | Visuele controle |
##### Artikel 5.8.53
@@ -5329,27 +5329,27 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, worden zonder gereedschap afneembare werktuigen buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 6. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, worden zonder gereedschap afneembare werktuigen buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.8.56
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.8.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee extra achterlichten; e. twee mistvoorlichten; f. één of twee mistachterlichten; g. parkeerlichten; h. zijrichtingaanwijzers aan de zijkanten van het voertuig; i. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; j. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; k. één of twee achteruitrijlichten; l. twee staaklichten; m. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; n. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; o. zijmarkeringslichten; p. lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 153, van toepassing is; q. manoeuvreerlichten aan elke zijkant van het voertuig; r. werklichten; s. een derde remlicht; t. twee dagrijlichten; u. twee bochtlichten; v. twee hoeklichten; w. achterkentekenplaatverlichting, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.8.51, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), verplicht is; x. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; y. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 123 van toepassing is, indien deze niet reeds op grond van [artikel 5.8.51, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), verplicht is. | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen k tot en met y: visuele controle. |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemde datum in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die vóór of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.8.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.53&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee extra achterlichten; e. twee mistvoorlichten; f. één of twee mistachterlichten; g. parkeerlichten; h. zijrichtingaanwijzers aan de zijkanten van het voertuig; i. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; j. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; k. één of twee achteruitrijlichten; l. twee staaklichten; m. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; n. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; o. zijmarkeringslichten; p. lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 153, van toepassing is; q. manoeuvreerlichten aan elke zijkant van het voertuig; r. werklichten; s. een derde remlicht; t. twee dagrijlichten; u. twee bochtlichten; v. twee hoeklichten; w. achterkentekenplaatverlichting, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.8.51, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), verplicht is; x. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; y. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 123 van toepassing is, indien deze niet reeds op grond van [artikel 5.8.51, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), verplicht is. | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen k tot en met y: visuele controle. |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemde datum in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die vóór of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.8.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.53&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
##### Artikel 5.8.59
@@ -5371,9 +5371,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.8.60
@@ -5418,7 +5418,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.8.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.8.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -5427,7 +5427,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=11&artikel=5.8.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=11&artikel=5.8.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen, moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen. | |
| 4. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
@@ -5452,7 +5452,7 @@
##### Artikel 5.9.0
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
@@ -5551,22 +5551,22 @@
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht: a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel; | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, en | |
| | c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m. | |
| 2. | De in [artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), bedoelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | De in [artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bedoelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn. | |
##### Artikel 5.9.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 1. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.9.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 3. | Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
@@ -5580,7 +5580,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.9.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.9.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
| | Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.9.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.9.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
#### § 9. Carrosserie
@@ -5594,7 +5594,7 @@
##### Artikel 5.10.0
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -5631,7 +5631,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -5639,7 +5639,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.10.9
@@ -5713,14 +5713,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.10.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.10.24
@@ -5768,7 +5768,7 @@
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 4. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 5. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -5928,20 +5928,20 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 8. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.10.56
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.10.57
@@ -5986,7 +5986,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -5997,7 +5997,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen. | |
##### Artikel 5.10.62
@@ -6017,7 +6017,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -6036,7 +6036,7 @@
##### Artikel 5.11.0
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 12. Diversen
@@ -6057,7 +6057,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -6065,7 +6065,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.11.9
@@ -6107,7 +6107,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.11.24
@@ -6148,7 +6148,7 @@
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 3. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 4. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -6256,7 +6256,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -6272,7 +6272,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -6289,7 +6289,7 @@
##### Artikel 5.12.0
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 12. Diversen
@@ -6297,7 +6297,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. |
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. |
| 2. | De aanhangwagen moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de aanhangwagen staat. |
@@ -6313,14 +6313,14 @@
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen; | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.5
@@ -6335,12 +6335,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is van toepassing. |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
| 3. | Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van overeenkomstige toepassing is. |
| 3. | Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van overeenkomstige toepassing is. |
| 4. | Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt. | |
| 5. | In afwijking van het derde lid, mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m. | |
| 6. | Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m, met dien verstande dat aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die in gebruik zijn genomen voor 1 februari 1999, niet breder mogen zijn dan 2,60 m. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 6. | Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m, met dien verstande dat aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die in gebruik zijn genomen voor 1 februari 1999, niet breder mogen zijn dan 2,60 m. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 7. | In afwijking van het zesde lid, mogen: | |
| 8. | Aanhangwagens mogen niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
| 9. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste, derde, zesde, zevende en achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
@@ -6359,7 +6359,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
@@ -6369,10 +6369,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.19
@@ -6380,21 +6380,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.12.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.12.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is in [artikel 5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) reeds getoetst. |
| | De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is in [artikel 5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) reeds getoetst. |
##### Artikel 5.12.24
@@ -6421,7 +6421,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van aanhangwagens moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen, in gebruik genomen na 31 december 1997 vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen, in gebruik genomen na 31 december 1997 vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -6430,7 +6430,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en moeten goed werken. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
@@ -6441,11 +6441,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 3. | Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -6458,7 +6458,7 @@
| 1. | De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze: a. door middel van een hefboom of koevoet, b. dan wel door het chassis te heffen. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
#### § 9. Carrosserie
@@ -6466,9 +6466,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze, bepaald in [artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=8&artikel=5.3.31&z=2025-02-26&g=2025-02-26). |
| 1. | Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze, bepaald in [artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=8&artikel=5.3.31&z=2025-07-01&g=2025-07-01). |
| | | – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. |
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. |
| 3. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 4. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 5. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
@@ -6512,14 +6512,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, en opleggers in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – |
| 4. | Aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – |
| 5. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, en opleggers in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – |
| 4. | Aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – |
| 5. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 6. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bedient en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 7. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden op grond van de [artikelen 5.12.35, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.35&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en 5.12.38, zevende lid. |
| 8. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | – |
| 7. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden op grond van de [artikelen 5.12.35, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.35&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en 5.12.38, zevende lid. |
| 8. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.12.39
@@ -6546,7 +6546,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen en de aerodynamische voorziening of uitrusting aan de achterzijde mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 3, afdelingen 1, 2 en 3 van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen en de aerodynamische voorziening of uitrusting aan de achterzijde mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 3, afdelingen 1, 2 en 3 van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die intrekbaar of inklapbaar zijn, moeten zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle, waarbij in beide situaties de vergrendeling wordt bediend. |
##### Artikel 5.12.48
@@ -6556,8 +6556,8 @@
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van aanhangwagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.12.49
@@ -6587,12 +6587,12 @@
| | f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | g. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; het mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 is gebruik is genomen; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | |
| | k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. lijnmarkering aan de achterzijde, indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 153, van toepassing; | |
| | n. lijnmarkering aan de zijkant, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 153, van toepassing. | |
| | m. lijnmarkering aan de achterzijde, indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | n. lijnmarkering aan de zijkant, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 153, van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.53
@@ -6610,13 +6610,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.57
@@ -6627,22 +6627,22 @@
| | b. extra achteruitrijlichten; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle |
| | c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle |
| | d. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | k. werklichten; | |
| | l. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | m. in afwijking van onderdeel l mogen twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | n. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; | |
| | o. twee stadslichten; | |
| | p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht is. Hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 153 van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de voorkant. Hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 153, van toepassing; | |
| | s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.12.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.53&z=2025-02-26&g=2025-02-26) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel i van het eerste lid. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht is. Hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de voorkant. Hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.12.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.53&z=2025-07-01&g=2025-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel i van het eerste lid. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
@@ -6669,7 +6669,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -6678,7 +6678,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten. | – |
@@ -6693,7 +6693,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.12.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.12.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -6704,7 +6704,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling en de trekinrichting van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De trekinrichting van een autonome aanhangwagen alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen door corrosie niet overmatig zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 2 afdeling 1, 2 en 3 van toepassing. | |
| 3. | De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen door corrosie niet overmatig zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 2 afdeling 1, 2 en 3 van toepassing. | |
| 4. | De trekinrichting van een autonome aanhangwagen mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel mag niet overmatig zijn vervormd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten. |
| 5. | Aanhangwagens waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 1.500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
@@ -6739,20 +6739,20 @@
| | a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen, en | |
| | b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | |
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen, de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.70
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.67&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zijn de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.67&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zijn de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse van deze aanhangwagens, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
### Afdeling 9. Fietsen
##### Artikel 5.13.0
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -6797,7 +6797,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
#### § 6. Ophanging
@@ -6824,7 +6824,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.13.24
@@ -6982,13 +6982,13 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 6. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.13.57
@@ -6996,9 +6996,9 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met j: visuele controle. |
| | a. twee stadslichten, indien het voertuig niet breder is dan 1,60 m; | |
| | b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn; | |
| | d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) verplicht zijn | |
| | b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn; | |
| | d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) verplicht zijn | |
| | e. één of twee achteruitrijlichten; | |
| | f. werklichten; | |
| | g. één derde remlicht; | |
@@ -7009,7 +7009,7 @@
| | a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde; | |
| | b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en | |
| | c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn; | |
| | d. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | |
| | d. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | |
##### Artikel 5.13.58
@@ -7032,7 +7032,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7053,7 +7053,7 @@
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
| | c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | |
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | |
| 6. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| | a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | |
| | b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | |
@@ -7069,7 +7069,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.13.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.13.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -7078,7 +7078,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 129, van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 129, van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest. | |
| 4. | Aanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
@@ -7095,7 +7095,7 @@
##### Artikel 5.14.0
1. Een landbouw- of bosbouwaanhangwagen en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk achter een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
1. Een landbouw- of bosbouwaanhangwagen en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk achter een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid, moet een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, voldoen aan het bepaalde in afdeling 18.
@@ -7127,11 +7127,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 2022 niet breder zijn dan 3,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 2022 niet breder zijn dan 3,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 3. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
| 4. | Verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 5. | Van landbouw- of bosbouwaanhangwagens, zijnde opleggers, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,17 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,12 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van overeenkomstige toepassing is. |
| 4. | Verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 5. | Van landbouw- of bosbouwaanhangwagens, zijnde opleggers, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,17 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,12 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van overeenkomstige toepassing is. |
##### Artikel 5.14.7
@@ -7168,14 +7168,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.14.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.14.24
@@ -7202,7 +7202,7 @@
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 5. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 6. | De last onder de band mag niet groter zijn dan de op de banden vermelde loadindex. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 50, van overeenkomstige toepassing. | Bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 6. | De last onder de band mag niet groter zijn dan de op de banden vermelde loadindex. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 50, van overeenkomstige toepassing. | Bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 7. | Het op de banden vermelde snelheidscategoriesymbool van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 moet verenigbaar zijn met de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50a, van toepassing. | Visuele controle. |
| 8. | Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing indien tijdelijk andere banden zijn gemonteerd en de last respectievelijk snelheid ten opzichte van de op de banden aangebrachte loadindex en rijsnelheid niet wordt overschreden. | |
@@ -7236,7 +7236,7 @@
| 7. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een antiblokkeersysteem tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 60 km/h hebben. | |
| 8. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven. | Leden 8 en 9: visuele en auditieve controle. Wanneer een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven door een controlemiddel aangesloten op de stekker van het systeem, dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel worden de wielen, bijvoorbeeld met een wielspinner, op snelheid gebracht. |
| 9. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven. | |
| 10. | Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een reminrichting: a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 53 en 54, van toepassing; c. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk gezet. |
| 10. | Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een reminrichting: a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 53 en 54, van toepassing; c. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk gezet. |
| 11. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | Visuele controle. |
| 12. | Remleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 13. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
@@ -7260,10 +7260,10 @@
| 2. | Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de landbouw- of bosbouwaanhangwagen en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; b. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; c. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; d. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; e. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; f. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; g. antislipinrichtingen op de wielen; h. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en i. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.18.32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=2&artikel=5.18.32&z=2025-02-26&g=2025-02-26). De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; b. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; c. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; d. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; e. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; f. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; g. antislipinrichtingen op de wielen; h. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en i. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.18.32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=2&artikel=5.18.32&z=2025-07-01&g=2025-07-01). De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet aanlopen. | Leden 7 tot en met 9: visuele controle. |
| 8. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens waarvan de som van de technisch toegestane maximummassa’s per as meer dan 3.500 kg bedraagt, met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en in gebruik genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 110, van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onderdeel f. | |
| 8. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens waarvan de som van de technisch toegestane maximummassa’s per as meer dan 3.500 kg bedraagt, met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en in gebruik genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 110, van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onderdeel f. | |
| 9. | Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwaanhangwagen en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
#### § 9. Carrosserie
@@ -7272,7 +7272,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van: a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h heeft; b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; d. twee remlichten; e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII, artikelen 132 en 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is, indien het voertuig aan de achterzijde niet is voorzien van een kentekenplaat; k. zijmarkeringslichten indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft met de voertuigclassificatie R3 of R4, die langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. | Onderdeel a: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen b tot en met h: visuele controle. Onderdeel i: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen j en k: visuele controle. |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van: a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h heeft; b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; d. twee remlichten; e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII, artikelen 132 en 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is, indien het voertuig aan de achterzijde niet is voorzien van een kentekenplaat; k. zijmarkeringslichten indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft met de voertuigclassificatie R3 of R4, die langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. | Onderdeel a: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen b tot en met h: visuele controle. Onderdeel i: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen j en k: visuele controle. |
##### Artikel 5.14.53
@@ -7324,19 +7324,19 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 6. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.14.57
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van: a. twee stadslichten, indien deze verlichting niet reeds op grond van [artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), verplicht is; b. twee extra achterlichten; c. één of twee extra remlichten; d. één of twee achteruitrijlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; h. extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; l. zijmarkeringslichten; m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig; n. twee staaklichten; o. werklichten; p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; q. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021; r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII, artikelen 132 en 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), gestelde eisen; s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is. | Visuele controle. |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van: a. twee stadslichten, indien deze verlichting niet reeds op grond van [artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), verplicht is; b. twee extra achterlichten; c. één of twee extra remlichten; d. één of twee achteruitrijlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; h. extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; l. zijmarkeringslichten; m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig; n. twee staaklichten; o. werklichten; p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; q. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021; r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII, artikelen 132 en 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), gestelde eisen; s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.14.59
@@ -7355,9 +7355,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.14.60
@@ -7388,7 +7388,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.14.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.14.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -7399,7 +7399,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling en trekinrichting moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 2. | De trekdriehoek, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De dissel, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | De dissel, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 4. | De trekdriehoek mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. Een dissel mag niet overmatig zijn vervormd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten. |
| 5. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 3.500 kg, die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling, indien deze aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voertuigen worden gekoppeld door middel van één koppelpunt. | Leden 5 tot en met 8: visuele controle. |
| 6. | De hulpkoppeling, bedoeld in het vijfde lid, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
@@ -7416,7 +7416,7 @@
##### Artikel 5.15.0
Een motorfietsaanhangwagen en een bromfietsaanhangwagen moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een motorfietsaanhangwagen en een bromfietsaanhangwagen moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 6. Ophanging
@@ -7449,16 +7449,16 @@
| 1. | De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
#### § 7. Stuurinrichting
##### Artikel 5.15.6
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen bromfietsaanhangwagens achter een bromfiets op twee wielen niet breder zijn dan 1,00 m. | |
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.15.6
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen bromfietsaanhangwagens achter een bromfiets op twee wielen niet breder zijn dan 1,00 m. | |
#### § 12. Diversen
##### Artikel 5.15.18
@@ -7473,7 +7473,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.15.24
@@ -7558,25 +7558,25 @@
| 2. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met inbegrip van de dissel. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met inbegrip van de dissel. | |
##### Artikel 5.15.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten en retroreflectoren voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 6. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.15.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. één mistachterlicht; b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en; c. werklichten, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.15.51, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | Leden 1 en 2: – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. één mistachterlicht; b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en; c. werklichten, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.15.51, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | Leden 1 en 2: – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; b. één of twee remlichten, en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. dat licht zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in het tweede lid, onder b. | |
| 3. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Visuele controle. |
| | a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, | |
@@ -7594,7 +7594,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7620,7 +7620,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.15.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.15.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -7649,7 +7649,7 @@
##### Artikel 5.16.0
Een fietsaanhangwagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een fietsaanhangwagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
@@ -7678,9 +7678,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.16.57
@@ -7688,8 +7688,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| | a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 151, van toepassing; | |
| | c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing, en | |
| | b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 151, van toepassing; | |
| | c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing, en | |
| | d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 2. | Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
@@ -7703,14 +7703,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.16.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.16.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
##### Artikel 5.17.0
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
#### § 6. Ophanging
@@ -7779,13 +7779,13 @@
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van wagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
##### Artikel 5.17.51
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van: a. twee rode retroreflectoren indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één rode retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; b. één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | Visuele controle. |
| Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van: a. twee rode retroreflectoren indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één rode retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; b. één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.17.54
@@ -7829,7 +7829,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7844,12 +7844,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in [artikelen 5.17.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in [artikelen 5.17.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.18.0
@@ -7929,9 +7929,9 @@
##### Artikel 5.18.5
1. De spiegels, gezichtsveldverbeterende voorzieningen of camera-monitorsystemen van bedrijfsauto’s, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels of camera-monitorsystemen wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel of camera-monitorsystemen waarmee de bestuurder een in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), vastgesteld weggedeelte kan overzien.
1. De spiegels, gezichtsveldverbeterende voorzieningen of camera-monitorsystemen van bedrijfsauto’s, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels of camera-monitorsystemen wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel of camera-monitorsystemen waarmee de bestuurder een in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vastgesteld weggedeelte kan overzien.
##### Artikel 5.18.6
@@ -8003,7 +8003,7 @@
- d. de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
- e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 132 en 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), gestelde eisen.
- e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 132 en 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), gestelde eisen.
##### Artikel 5.18.8
@@ -8033,7 +8033,7 @@
- h. antislipinrichtingen op de wielen;
- i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en
- i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en
- j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
@@ -8095,7 +8095,7 @@
10. De lengte van een samenstel van een bus en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 18,75 m.
11. Een uitschuifbaar voertuig is in onbeladen toestand geheel ingeschoven, tenzij de uitgeschoven delen zijn voorzien van zijdelingse afscherming als bedoeld in [artikel 5.12.48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=9&artikel=5.12.48&z=2025-02-26&g=2025-02-26), in welk geval het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 107 tot en met 111, met uitzondering van de artikelen 109, tweede lid, en 110, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
11. Een uitschuifbaar voertuig is in onbeladen toestand geheel ingeschoven, tenzij de uitgeschoven delen zijn voorzien van zijdelingse afscherming als bedoeld in [artikel 5.12.48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=9&artikel=5.12.48&z=2025-07-01&g=2025-07-01), in welk geval het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 107 tot en met 111, met uitzondering van de artikelen 109, tweede lid, en 110, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
12. In afwijking van het eerste, tweede en achtste lid, mag de lengte van een samenstel van opleggertrekker en oplegger en een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel waarvan het trekkende voertuig is uitgerust met een verlengde cabine, de maximaal toegestane lengte voor dergelijke samenstellen overschrijden, zolang de extra lengte blijkt uit de voor de lengte vermelde gegevens op de voor de voertuigen afgegeven kentekencards, dan wel het kentekenbewijzen en het kentekenregister.
@@ -8107,7 +8107,7 @@
- b. mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
- c. moet een deugdelijke stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading, indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m. Een stootbalk die is uitgeschoven vanwege uitstekende lading wordt niet meegerekend voor de afmetingen opgenomen in de [artikelen 5.3.6, eerste lid onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- c. moet een deugdelijke stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading, indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m. Een stootbalk die is uitgeschoven vanwege uitstekende lading wordt niet meegerekend voor de afmetingen opgenomen in de [artikelen 5.3.6, eerste lid onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- d. mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
@@ -8125,13 +8125,13 @@
4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.
5. Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd voor zover daardoor de in de [artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2025-02-26&g=2025-02-26), opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
5. Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd voor zover daardoor de in de [artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van goederen:
- a. meer dan 1,00 m doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
- b. meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan [artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.18&z=2025-02-26&g=2025-02-26). De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
- b. meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan [artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.18&z=2025-07-01&g=2025-07-01). De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
7. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de uitsteek van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m.
@@ -8145,7 +8145,7 @@
##### Artikel 5.18.12a
1. De lengte van een bedrijfsauto, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, mag niet meer bedragen dan in [artikel 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is bepaald, waarbij:
1. De lengte van een bedrijfsauto, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, mag niet meer bedragen dan in [artikel 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is bepaald, waarbij:
- a. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
@@ -8153,7 +8153,7 @@
- c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers van het voertuig niet mag worden belemmerd;
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 130 tot en met 133; en
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 130 tot en met 133; en
- e. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de zijkant moeten zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
@@ -8161,9 +8161,9 @@
##### Artikel 5.18.13
1. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26) mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen dan wel voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is toegestaan, waarbij:
1. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01) mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen dan wel voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is toegestaan, waarbij:
- 1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
@@ -8175,23 +8175,23 @@
- 5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 130 tot en met 133;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 130 tot en met 133;
- 7°. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, moeten aan de zijkant zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde;
- 8°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;
- b. onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een trekker en oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is toegestaan, doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 22,00 m;
- c. eveneens onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.12.6, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is toegestaan, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum combinatielengte van 22,00 m.
2. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26), mag de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan, doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- b. onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een trekker en oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is toegestaan, doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 22,00 m;
- c. eveneens onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.12.6, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is toegestaan, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum combinatielengte van 22,00 m.
2. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), mag de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan, doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- a. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
- b. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
- c. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 130 tot en met 133.
- c. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 130 tot en met 133.
##### Artikel 5.18.14
@@ -8199,7 +8199,7 @@
2. Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
3. Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133.
3. Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133.
4. Het derde lid is niet van toepassing op lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen.
@@ -8217,7 +8217,7 @@
3. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in [artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
4. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in [artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
5. Ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanneer het voertuig de cirkelvormige ruimte, bedoeld in het eerste lid, in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0,60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.
@@ -8473,7 +8473,7 @@
1. Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximumlast van enige as of asstel, de maximumlast onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.
2. Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers dat op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is vermeld. Indien het maximumaantal passagiers niet op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs, in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is vermeld, wordt het maximumaantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand gedeeld door 68 kg.
2. Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers dat op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is vermeld. Indien het maximumaantal passagiers niet op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs, in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is vermeld, wordt het maximumaantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand gedeeld door 68 kg.
3. Samenstellen van een trekkend voertuig en één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers waarvoor het samenstel is ingericht en niet meer dan 75 passagiers vervoeren.
@@ -8587,7 +8587,7 @@
- 4°. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de zijkant moeten zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
3. Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd, voor zover daardoor de afmetingen, bedoeld in de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.7a.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=2&artikel=5.7a.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.14.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=2&artikel=5.14.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en [5.18.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.20&z=2025-02-26&g=2025-02-26), niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
3. Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd, voor zover daardoor de afmetingen, bedoeld in de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.7a.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=2&artikel=5.7a.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.14.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=2&artikel=5.14.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [5.18.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.20&z=2025-07-01&g=2025-07-01), niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
4. De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:
@@ -8597,11 +8597,11 @@
5. De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
6. Indien gebruikt gemaakt wordt van het gele zwaai-, flits, of knipperlicht ingevolge [artikel 5.7.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) of [5.8.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) moet het licht zodanig gemonteerd zijn dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek.
6. Indien gebruikt gemaakt wordt van het gele zwaai-, flits, of knipperlicht ingevolge [artikel 5.7.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) of [5.8.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) moet het licht zodanig gemonteerd zijn dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek.
##### Artikel 5.18.21a
1. De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens of verwisselbare getrokken uitrustingsstukken, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.7a.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=2&artikel=5.7a.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en [5.14.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=2&artikel=5.14.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), waarbij:
1. De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens of verwisselbare getrokken uitrustingsstukken, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.7a.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=2&artikel=5.7a.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [5.14.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=2&artikel=5.14.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), waarbij:
- a. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
@@ -8609,11 +8609,11 @@
- c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd;
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 130 tot en met 133;
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 130 tot en met 133;
- e. voertuigdelen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig of, indien het voertuig geen stuurwiel heeft, voor het midden van de bestuurdersstoel, wanneer deze in de middelste stand gepositioneerd is, mogen uitsteken;
- f. een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in [artikel 5.8.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=9&artikel=5.8.49&z=2025-02-26&g=2025-02-26), niet meer dan 4,00 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
- f. een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in [artikel 5.8.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=9&artikel=5.8.49&z=2025-07-01&g=2025-07-01), niet meer dan 4,00 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
- g. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, moeten aan de zijkant zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
@@ -8625,9 +8625,9 @@
1. De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 3,00 m.
2. Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133.
3. Landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 en daardoor voortbewogen aanhangwagens die, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, meer dan 2,55 m breed zijn, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133.
2. Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133.
3. Landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 en daardoor voortbewogen aanhangwagens die, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, meer dan 2,55 m breed zijn, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133.
##### Artikel 5.18.23
@@ -8759,218 +8759,218 @@
##### Artikel 5.18.32
1. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de [artikelen 5.2.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=6&artikel=5.2.27&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=6&artikel=5.3.27&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3a.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=6&artikel=5.3a.27&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en [5.5.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=6&artikel=5.5.27&z=2025-02-26&g=2025-02-26), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
2. Mobiele machines en landbouw- of bosbouwtrekkers behoeven in geval van tijdelijke montage van bredere banden of dubbellucht banden niet te voldoen aan [artikel 5.7a.48, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=9&artikel=5.7a.48&z=2025-02-26&g=2025-02-26), respectievelijk [artikel 5.8.48, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=9&artikel=5.8.48&z=2025-02-26&g=2025-02-26), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
1. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de [artikelen 5.2.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=6&artikel=5.2.27&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=6&artikel=5.3.27&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3a.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=6&artikel=5.3a.27&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [5.5.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=6&artikel=5.5.27&z=2025-07-01&g=2025-07-01), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
2. Mobiele machines en landbouw- of bosbouwtrekkers behoeven in geval van tijdelijke montage van bredere banden of dubbellucht banden niet te voldoen aan [artikel 5.7a.48, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=9&artikel=5.7a.48&z=2025-07-01&g=2025-07-01), respectievelijk [artikel 5.8.48, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=9&artikel=5.8.48&z=2025-07-01&g=2025-07-01), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Aanhangwagens
##### Artikel 5.18.33
Aanhangwagens van de voertuigcategorie O, niet zijnde opleggers, met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, indien deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
##### Artikel 5.18.34
1. Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.
2. Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
3. Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem, moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt, moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.
4. Bij een samenstel van voertuigen bestaande uit een bedrijfsauto en dolly met oplegger moeten alle voertuigen zijn voorzien van een EBS-remsysteem.
5. Indien in het samenstel, bedoeld in het vijfde lid, de dolly is uitgerust met een voertuigstabiliteitssysteem, moet deze tevens beschikken over een voorziening die de remmen van de getrokken oplegger automatisch activeert zodra het voertuigstabiliteitssysteem van de dolly ingrijpt.
6. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2022, en een aanhangwagen die afzonderlijk geremd kan worden.
##### Artikel 5.18.35
1. De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
2. In afwijking van het eerste lid, moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkende voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
##### Artikel 5.18.35a
Dubbel uitgevoerde rempedalen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zijn gekoppeld.
##### Artikel 5.18.36
De parkeerrem van het trekkend motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.18.36a
Vervallen
##### Artikel 5.18.36b
Vervallen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkende voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.38
1. De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkende voertuig.
2. De verlichtingsinstallatie van verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het voertuig.
##### Artikel 5.18.38a
1. Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van [artikel 5.18.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2025-07-01&g=2025-07-01), alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
2. Indien een voertuig aan de achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van [artikel 5.18.38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2025-07-01&g=2025-07-01), alleen het mistachterlicht op de lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.43
1. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
- b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
2. Gehandicaptenvoertuigen zonder motor, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
- b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
3. Het tweede lid is niet van toepassing bij het gebruik maken van het voetpad of het trottoir of bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir.
##### Artikel 5.18.44
1. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.45
1. De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
##### Artikel 5.18.46
Fietsaanhangwagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.
##### Artikel 5.18.47
1. Het achterlicht dient goed te werken.
2. Het verlichtingsarmatuur en de onderdelen daarvan dienen deugdelijk aan het voertuig te zijn bevestigd.
3. Het glas van de verlichtingsarmatuur mag niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed;
4. Het achterlicht mag niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.48
Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.
##### Artikel 5.18.49
Het achterlicht dient uiterst links aan de achterzijde van het voertuig te zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
#### E. Wagens
##### Artikel 5.18.50
Wagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee voorlichten;
- b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte niet meer dan 1,50 m bedraagt.
##### Artikel 5.18.51
1. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.52
1. De voorlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
##### Artikel 5.18.53
1. De voorlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde.
2. De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
3. Indien één achterlicht is toegestaan, moet dit aan de achterzijde van de wagen zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m van de uiterste linkerzijde van het voertuig en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.54
1. Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk door een enkele, passende en geschikte koppeling die niet kan lostrillen, geborgd zijn en moet deze zodanig aan het trekkende voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen of het verwisselbaar uitrustingsstuk zoveel mogelijk wordt voorkomen.
2. De totale speling in de verbinding tussen het trekkende en getrokken voertuig mag niet meer dan 3 mm bedragen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
##### Artikel 5.18.55
Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.
##### Artikel 5.18.56
1. Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen, indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.
2. Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.
3. Opleggers mogen alleen aan een opleggertrekker of een dolly zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van opleggertrekker en oplegger of het samenstel van dolly en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.
4. Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een koppeling die om de horizontale as kan draaien, moet de koppelinrichting op het trekkende voertuig van een type zijn dat niet om de horizontale as kan draaien.
##### Artikel 5.18.57
Indien een aanhangwagen is voorzien van een hulpkoppeling moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekinrichting daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.58
Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagen moeten zodanig aan een motorfiets onderscheidenlijk bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets onderscheidenlijk bromfiets. Indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.59
Een fietsaanhangwagen moet goed met de fiets zijn verbonden.
#### § 5. Assen
#### A. Aanhangwagens
##### Artikel 5.18.33
Aanhangwagens van de voertuigcategorie O, niet zijnde opleggers, met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, indien deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
##### Artikel 5.18.34
1. Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.
2. Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
3. Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem, moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt, moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.
4. Bij een samenstel van voertuigen bestaande uit een bedrijfsauto en dolly met oplegger moeten alle voertuigen zijn voorzien van een EBS-remsysteem.
5. Indien in het samenstel, bedoeld in het vijfde lid, de dolly is uitgerust met een voertuigstabiliteitssysteem, moet deze tevens beschikken over een voorziening die de remmen van de getrokken oplegger automatisch activeert zodra het voertuigstabiliteitssysteem van de dolly ingrijpt.
6. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2022, en een aanhangwagen die afzonderlijk geremd kan worden.
##### Artikel 5.18.35
1. De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
2. In afwijking van het eerste lid, moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkende voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
##### Artikel 5.18.35a
Dubbel uitgevoerde rempedalen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zijn gekoppeld.
##### Artikel 5.18.36
De parkeerrem van het trekkend motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.18.36a
Vervallen
##### Artikel 5.18.36b
Vervallen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkende voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.38
1. De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkende voertuig.
2. De verlichtingsinstallatie van verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het voertuig.
##### Artikel 5.18.38a
1. Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van [artikel 5.18.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2025-02-26&g=2025-02-26), alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
2. Indien een voertuig aan de achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van [artikel 5.18.38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2025-02-26&g=2025-02-26), alleen het mistachterlicht op de lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.43
1. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
- b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
2. Gehandicaptenvoertuigen zonder motor, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
- b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
3. Het tweede lid is niet van toepassing bij het gebruik maken van het voetpad of het trottoir of bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir.
##### Artikel 5.18.44
1. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.45
1. De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
##### Artikel 5.18.46
Fietsaanhangwagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.
##### Artikel 5.18.47
1. Het achterlicht dient goed te werken.
2. Het verlichtingsarmatuur en de onderdelen daarvan dienen deugdelijk aan het voertuig te zijn bevestigd.
3. Het glas van de verlichtingsarmatuur mag niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed;
4. Het achterlicht mag niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.48
Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.
##### Artikel 5.18.49
Het achterlicht dient uiterst links aan de achterzijde van het voertuig te zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
#### E. Wagens
##### Artikel 5.18.50
Wagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee voorlichten;
- b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte niet meer dan 1,50 m bedraagt.
##### Artikel 5.18.51
1. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.52
1. De voorlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
##### Artikel 5.18.53
1. De voorlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde.
2. De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
3. Indien één achterlicht is toegestaan, moet dit aan de achterzijde van de wagen zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m van de uiterste linkerzijde van het voertuig en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.54
1. Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk door een enkele, passende en geschikte koppeling die niet kan lostrillen, geborgd zijn en moet deze zodanig aan het trekkende voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen of het verwisselbaar uitrustingsstuk zoveel mogelijk wordt voorkomen.
2. De totale speling in de verbinding tussen het trekkende en getrokken voertuig mag niet meer dan 3 mm bedragen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
##### Artikel 5.18.55
Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.
##### Artikel 5.18.56
1. Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen, indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.
2. Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.
3. Opleggers mogen alleen aan een opleggertrekker of een dolly zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van opleggertrekker en oplegger of het samenstel van dolly en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.
4. Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een koppeling die om de horizontale as kan draaien, moet de koppelinrichting op het trekkende voertuig van een type zijn dat niet om de horizontale as kan draaien.
##### Artikel 5.18.57
Indien een aanhangwagen is voorzien van een hulpkoppeling moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekinrichting daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.58
Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagen moeten zodanig aan een motorfiets onderscheidenlijk bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets onderscheidenlijk bromfiets. Indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.59
Een fietsaanhangwagen moet goed met de fiets zijn verbonden.
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.18.60
1. Bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding ‘45’ in zwarte kleur.
@@ -8979,7 +8979,7 @@
##### Artikel 5.18.61
Onverminderd het bepaalde in de [artikelen 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), moeten:
Onverminderd het bepaalde in de [artikelen 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moeten:
- a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en bestemd voor het vervoer van goederen,
@@ -9011,11 +9011,11 @@
##### Artikel 6.1
1. De in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) vermelde wijzigingen in de bouw of inrichting van geregistreerde voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
1. De in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) vermelde wijzigingen in de bouw of inrichting van geregistreerde voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
2. Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd en het geen wijziging van voertuigcategorie betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van rupsbanden, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.
3. Indien een voertuig waarvoor een kenteken opgegeven dient te zijn wordt gewijzigd in een voertuig waarvoor dat niet het geval is, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de eisen voor goedkeuring, bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zoals deze luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
3. Indien een voertuig waarvoor een kenteken opgegeven dient te zijn wordt gewijzigd in een voertuig waarvoor dat niet het geval is, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de eisen voor goedkeuring, bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zoals deze luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde voertuigen moeten zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.
@@ -9029,7 +9029,7 @@
##### Artikel 6.3
1. Bij wijziging in de bouw of inrichting van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
1. Bij wijziging in de bouw of inrichting van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het aantal assen;
@@ -9093,7 +9093,7 @@
- aa. het geluidsniveau bij stilstand en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.
2. In aanvulling op het eerste lid, moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de bouw of inrichting tevens worden voldaan aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
2. In aanvulling op het eerste lid, moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de bouw of inrichting tevens worden voldaan aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
- a. de vergroting van de wielbasis, indien het een personenauto met een volledig zelfdragende carrosserie, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie, bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie of motorfiets betreft;
@@ -9103,25 +9103,25 @@
- d. het type carrosserie, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie.
3. Bij wijziging van de brandstofsoort van een voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door inbouw van een LPG- of CNG-installatie, wordt in afwijking van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldaan aan VN/ECE-reglement 115, voor zover die eisen onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in VN/ECE-reglement 115 en er voor het voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, een LPG- of CNG-installatie beschikbaar is die aan VN/ECE-reglement 115 voldoet.
3a. In afwijking van het derde lid en van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2025-02-26&g=2025-02-26), mag in een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2014 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, mits voldaan wordt aan de eisen, genoemd in bijlage X, hoofdstuk 1, worden ingebouwd en gebruikt een LPG- of CNG-installatie waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een goedkeuring is verleend op grond van de eisen, bedoeld in de [bijlage behorende bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging](onbekend).
3. Bij wijziging van de brandstofsoort van een voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door inbouw van een LPG- of CNG-installatie, wordt in afwijking van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldaan aan VN/ECE-reglement 115, voor zover die eisen onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in VN/ECE-reglement 115 en er voor het voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, een LPG- of CNG-installatie beschikbaar is die aan VN/ECE-reglement 115 voldoet.
3a. In afwijking van het derde lid en van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2025-07-01&g=2025-07-01), mag in een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2014 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, mits voldaan wordt aan de eisen, genoemd in bijlage X, hoofdstuk 1, worden ingebouwd en gebruikt een LPG- of CNG-installatie waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een goedkeuring is verleend op grond van de eisen, bedoeld in de [bijlage behorende bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging](onbekend).
3b. In aanvulling op de in dit artikel gestelde eisen zijn voor landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken de eisen ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en elektrische veiligheid van overeenkomstige toepassing.
4. In aanvulling op de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing zijn, voldoen bij wijziging van de brandstofsoort in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door uitbouw van een LPG- of CNG-installatie, de uitbouw en het voertuig aan de eisen in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 2.
5. Een personenauto, bedrijfsauto of bus moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 3, artikel 3, onderdeel b, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
6. Een motorfiets moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 5, titel 2, artikel 6, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
4. In aanvulling op de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing zijn, voldoen bij wijziging van de brandstofsoort in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door uitbouw van een LPG- of CNG-installatie, de uitbouw en het voertuig aan de eisen in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 2.
5. Een personenauto, bedrijfsauto of bus moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 3, artikel 3, onderdeel b, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
6. Een motorfiets moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 5, titel 2, artikel 6, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
7. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op bromfietsen, bijzondere bromfietsen en driewielige motorrijtuigen.
8. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), mag een wijziging in de bouw of inrichting van motorfietsen waarbij het vermogen afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde worden aangetoond door middel van een verklaring, afgegeven door de fabrikant van het voertuig of de vertegenwoordiger van die fabrikant in Nederland, waaruit blijkt dat de wijziging volgens fabrieksvoorschriften is uitgevoerd en het gewijzigde vermogen voorkomt in een typegoedkeuring.
8. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), mag een wijziging in de bouw of inrichting van motorfietsen waarbij het vermogen afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde worden aangetoond door middel van een verklaring, afgegeven door de fabrikant van het voertuig of de vertegenwoordiger van die fabrikant in Nederland, waaruit blijkt dat de wijziging volgens fabrieksvoorschriften is uitgevoerd en het gewijzigde vermogen voorkomt in een typegoedkeuring.
##### Artikel 6.4
1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het remsysteem van voertuigen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht door de bestuurder;
@@ -9137,31 +9137,31 @@
- g. het laadplatform van een landbouw- of bosbouwtrekker in gebruik genomen na 31 december 2017, indien het niet meer voldoet aan het gestelde in bijlage XXVIII bij verordening (EU) 2015/208.
2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
3. Bij wijziging van de inrichting van een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
4. Bij wijziging van de inrichting van een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
5. Bij het aanbrengen van aerodynamische voorzieningen en uitrusting aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 oktober 2019, moet het voertuig voldoen aan de eisen in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
3. Bij wijziging van de inrichting van een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
4. Bij wijziging van de inrichting van een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
5. Bij het aanbrengen van aerodynamische voorzieningen en uitrusting aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 oktober 2019, moet het voertuig voldoen aan de eisen in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.5
Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht, afgesteld of verzegeld in bedrijfsauto’s of bussen van de categorieën, genoemd in de [artikelen 5.3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=4&artikel=5.3.15&z=2025-02-26&g=2025-02-26), respectievelijk [5.3a.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=4&artikel=5.3a.15&z=2025-02-26&g=2025-02-26), moeten deze voertuigen voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht, afgesteld of verzegeld in bedrijfsauto’s of bussen van de categorieën, genoemd in de [artikelen 5.3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=4&artikel=5.3.15&z=2025-07-01&g=2025-07-01), respectievelijk [5.3a.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=4&artikel=5.3a.15&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moeten deze voertuigen voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.6
1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2025-02-26&g=2025-02-26), opgenomen eisen en aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), opgenomen eisen en aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.7
Indien een koppeling wordt aangebracht op bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moeten deze voertuigen voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Indien een koppeling wordt aangebracht op bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moeten deze voertuigen voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.8
Indien de vering van een aanhangwagen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Indien de vering van een aanhangwagen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
@@ -9174,7 +9174,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen. | – |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zijn van toepassing. | De in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zijn van toepassing. | De in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 3. | Het chassis, frame dan wel de zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering hebben. | De maatvoering van het chassis dan wel de bodemplaat van de zelfdragende carrosserie wordt met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De relevante meetpunten aan de onderzijde van het voertuig worden gecontroleerd. De toegestane afwijking van de meetpunten van de voertuigbodem bedraagt 10 mm in zowel de lengte-, breedte-, als hoogterichting. |
| 4. | De wielstanden moeten overeenkomen met de fabrieksgegevens. | De wielstanden worden met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De volgende waarden worden vastgesteld: a. de totale sporing van de voorwielen; b. de totale sporing van de achterwielen; c. de wielvlucht van elk wiel; en d. de rijlijn van de achterwielen. Voor de sporing geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de wielvlucht van elk wiel geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de rijlijn geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde 1º zijn. |
| 5. | Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
@@ -9185,7 +9185,7 @@
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -9205,7 +9205,7 @@
- **controlecertificaat:** document afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
- **datum ingebruikname:** datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde permanente eisen;
- **datum ingebruikname:** datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde permanente eisen;
- **digitale aanwijzing:** aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
@@ -9231,7 +9231,7 @@
- **maximale fout:** maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;
- **onderzoeksgerechtigde:** onderneming of instelling die op grond van [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van dit hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van eerste keuring dan wel herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- **onderzoeksgerechtigde:** onderneming of instelling die op grond van [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van dit hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van eerste keuring dan wel herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- **primair meetsignaal:** in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezig analoog of digitaal meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;
@@ -9265,7 +9265,7 @@
2. Met de in dit hoofdstuk bedoelde certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die voldoen aan de eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
@@ -9297,13 +9297,13 @@
- l. geluidsniveaumeter.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op niet in roetmeters geïntegreerde toerentellers en olietemperatuurmeters die gebruikt worden ten behoeve van de periodieke keuring.
##### Artikel 8.1.4
Een uitlaatgastester als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26):
Een uitlaatgastester als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01):
- a. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge richtlijn 2014/32/EU;
@@ -9313,23 +9313,23 @@
##### Artikel 8.1.4a
1. De meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j, k en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
1. De meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j, k en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.5
1. De meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring. Ten bewijze van de herkeuring wordt een herkeuringscertificaat afgegeven.
2. Voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
1. De meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring. Ten bewijze van de herkeuring wordt een herkeuringscertificaat afgegeven.
2. Voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester. Een uitlaatgastester voldoet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en XII van [richtlijn 2014/32](32014L0032)/EU.
##### Artikel 8.1.6
1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4, paragraaf 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), opgenomen specifieke eisen.
2. Koplamptestapparaten voldoen aan de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen specifieke eisen.
1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4, paragraaf 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), opgenomen specifieke eisen.
2. Koplamptestapparaten voldoen aan de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.7
@@ -9357,7 +9357,7 @@
- b. 24 maanden voor de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder d, e, f, g en h;
- c. In afwijking van onderdeel b, blijft voor meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder d, e, f, g en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), waarvoor voor 20 mei 2018 een typegoedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 8.1.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is verstrekt, de geldigheidsduur van 12 maanden gelden.
- c. In afwijking van onderdeel b, blijft voor meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder d, e, f, g en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), waarvoor voor 20 mei 2018 een typegoedkeuringscertificaat als bedoeld in [artikel 8.1.4, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is verstrekt, de geldigheidsduur van 12 maanden gelden.
2. In afwijking van het eerste lid, kan bij de typegoedkeuring een kortere geldigheidsduur worden bepaald.
@@ -9383,15 +9383,15 @@
##### Artikel 8.1.10
1. De aanvraag van een typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
1. De aanvraag van een typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
2. De aanvraag van een certificaat van eerste keuring dan wel een certificaat van herkeuring wordt voor wat betreft:
- a. de meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), met inachtneming van de in afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde;
- b. de meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder k en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
3. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
- a. de meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), met inachtneming van de in afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde;
- b. de meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder k en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
3. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
##### Artikel 8.1.11
@@ -9417,7 +9417,7 @@
##### Artikel 8.2.1
1. De aanwijzing door de minister van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2025-02-26&g=2025-02-26), kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen.
1. De aanwijzing door de minister van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2025-07-01&g=2025-07-01), kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen.
2. De keuringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:
@@ -9439,13 +9439,13 @@
##### Artikel 8.2.2
De in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2025-02-26&g=2025-02-26), bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
De in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 8.2.3
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), indien wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), indien wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
2. De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
@@ -9453,7 +9453,7 @@
##### Artikel 8.2.4
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
##### Artikel 8.2.5
@@ -9469,11 +9469,11 @@
Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde eisen;
- a. steeds wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde eisen;
- b. de standaarden en andere hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring bevinden zich steeds in goede staat van onderhoud;
- c. elke eerste keuring of herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een eerste keuring of herkeuring is vastgelegd in het in [artikel 8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- c. elke eerste keuring of herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een eerste keuring of herkeuring is vastgelegd in het in [artikel 8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- d. ten hoogste tien werkdagen na elke eerste keuring of herkeuring met een positief resultaat wordt hiervan een melding gedaan in het Register Meetmiddelen, waarbij de door de Dienst Wegverkeer voorgeschreven gegevens worden gemeld;
@@ -9487,13 +9487,13 @@
##### Artikel 8.2.9
1. De erkenning, bedoeld in [artikel 8.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 8.2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.7&z=2025-02-26&g=2025-02-26), niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in [artikel 8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.10&z=2025-02-26&g=2025-02-26), niet wordt nageleefd.
1. De erkenning, bedoeld in [artikel 8.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 8.2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in [artikel 8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.10&z=2025-07-01&g=2025-07-01), niet wordt nageleefd.
2. Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -9501,147 +9501,147 @@
De onderzoeksgerechtigde is gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 8.2.11
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas voor uitlaatgastesters worden erkend, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
2. De organisatie, het personeel en materieel is zodanig ingericht, dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het te certificeren kalibratiegas de vereiste kwaliteit heeft. De standaarden die bij het certificeren worden gebruikt, zijn afgeleid van standaarden van de instelling, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=3), dan wel van andere, door de minister aangewezen standaarden.
##### Artikel 8.2.12
1. De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
2. De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.
##### Artikel 8.2.13
1. In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als erkende instelling of onderneming voor het certificeren van kalibratiegas worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.
2. Van de beschikking houdende erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 8.2.14
Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde eisen;
- b. de standaarden en hulpmiddelen, benodigd voor het certificeren, bevinden zich steeds in een goede staat van onderhoud;
- c. een certificaat wordt slechts afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig [artikel 8.4.89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor uitlaatgastesters in de handel wordt gebracht;
- d. gegevens als bedoeld in [artikel 8.2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), worden vastgelegd, voor zover van belang met betrekking tot het certificeren;
- e. de gegevens, bedoeld in onderdeel d, worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard.
##### Artikel 8.2.15
1. De erkenning, bedoeld in [artikel 8.2.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld [artikel 8.2.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 8.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.14&z=2025-07-01&g=2025-07-01), niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in [artikel 8.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.16&z=2025-07-01&g=2025-07-01), niet wordt nageleefd.
2. Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 8.2.16
De erkende onderneming of instelling is gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 8.3.1
De in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.2
1. Het meetmiddel is van een zodanige opbouw en werking, dat de toetsing aan dit hoofdstuk redelijkerwijs mogelijk is.
2. Het meetmiddel is zodanig ingericht, dat er geen misverstanden kunnen ontstaan met betrekking tot de aangewezen of geregistreerde meetwaarde.
3. Het meetmiddel is niet voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justeerinrichting of andere instelinrichting die de meetnauwkeurigheid kan beïnvloeden, tenzij het gebruik van deze inrichtingen in de specifieke eisen is toegestaan.
4. Het meetmiddel heeft zodanige eigenschappen, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de vaardigheid en inspanning van de gebruiker.
##### Artikel 8.3.3
1. Bij het onderzoek naar de gevoeligheid voor invloedsfactoren wordt niet meer dan één onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing genomen.
2. In afwijking van het eerste lid, geldt voor elektronische meetmiddelen die niet door het lichtnet worden gevoed dat gelijktijdig aan de eisen in [artikel 8.3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en de spanningsvariatie-eis in [8.3.9, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moet worden voldaan.
##### Artikel 8.3.4
1. Indien in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan, indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
- a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
- b. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.
4. De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het vermelde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.
5. Bij het onderzoek voor de typekeuring overlegt de aanbieder een schriftelijke verklaring waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens doet hij daarbij een opgave van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.
##### Artikel 8.3.5
1. Elk meetmiddel is voorzien van de volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare opschriften:
- a. het fabricaat;
- b. het bouwjaar;
- c. de type-aanduiding;
- d. het typegoedkeuringsnummer;
- e. het serienummer;
- f. de eenheid waarin de gemeten grootheid wordt uitgedrukt;
- g. het aanwijsbereik;
- h. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden, en
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen, genoemd onder a tot en met e, tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen, genoemd onder f tot en met h, zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.
2. Voor zover de meetmiddelen zijn voorzien van een registratie-inrichting, worden op elke registratie ten minste de aanduidingen, genoemd in het eerste lid, onder e en f, vastgelegd.
3. Aanwijzingen en registraties bedoeld voor de gebruiker van het meetmiddel, zijn in de Nederlandse taal gesteld.
4. Andere aanduidingen dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts worden aangebracht voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.
##### Artikel 8.3.6
1. Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding gesteld in de Nederlandse taal.
2. Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de handleiding ten minste:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van het meetmiddel bij de uitvoering van de algemene periodieke keuring van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen; en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
##### Artikel 8.2.11
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas voor uitlaatgastesters worden erkend, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
2. De organisatie, het personeel en materieel is zodanig ingericht, dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het te certificeren kalibratiegas de vereiste kwaliteit heeft. De standaarden die bij het certificeren worden gebruikt, zijn afgeleid van standaarden van de instelling, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=3), dan wel van andere, door de minister aangewezen standaarden.
##### Artikel 8.2.12
1. De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
2. De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.
##### Artikel 8.2.13
1. In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als erkende instelling of onderneming voor het certificeren van kalibratiegas worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.
2. Van de beschikking houdende erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 8.2.14
Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde eisen;
- b. de standaarden en hulpmiddelen, benodigd voor het certificeren, bevinden zich steeds in een goede staat van onderhoud;
- c. een certificaat wordt slechts afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig [artikel 8.4.89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor uitlaatgastesters in de handel wordt gebracht;
- d. gegevens als bedoeld in [artikel 8.2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26), worden vastgelegd, voor zover van belang met betrekking tot het certificeren;
- e. de gegevens, bedoeld in onderdeel d, worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard.
##### Artikel 8.2.15
1. De erkenning, bedoeld in [artikel 8.2.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2025-02-26&g=2025-02-26), wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld [artikel 8.2.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 8.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.14&z=2025-02-26&g=2025-02-26), niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in [artikel 8.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.16&z=2025-02-26&g=2025-02-26), niet wordt nageleefd.
2. Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 8.2.16
De erkende onderneming of instelling is gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 8.3.1
De in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.2
1. Het meetmiddel is van een zodanige opbouw en werking, dat de toetsing aan dit hoofdstuk redelijkerwijs mogelijk is.
2. Het meetmiddel is zodanig ingericht, dat er geen misverstanden kunnen ontstaan met betrekking tot de aangewezen of geregistreerde meetwaarde.
3. Het meetmiddel is niet voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justeerinrichting of andere instelinrichting die de meetnauwkeurigheid kan beïnvloeden, tenzij het gebruik van deze inrichtingen in de specifieke eisen is toegestaan.
4. Het meetmiddel heeft zodanige eigenschappen, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de vaardigheid en inspanning van de gebruiker.
##### Artikel 8.3.3
1. Bij het onderzoek naar de gevoeligheid voor invloedsfactoren wordt niet meer dan één onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing genomen.
2. In afwijking van het eerste lid, geldt voor elektronische meetmiddelen die niet door het lichtnet worden gevoed dat gelijktijdig aan de eisen in [artikel 8.3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en de spanningsvariatie-eis in [8.3.9, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), moet worden voldaan.
##### Artikel 8.3.4
1. Indien in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26), gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26). Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan, indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
- a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
- b. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.
4. De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het vermelde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.
5. Bij het onderzoek voor de typekeuring overlegt de aanbieder een schriftelijke verklaring waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens doet hij daarbij een opgave van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.
##### Artikel 8.3.5
1. Elk meetmiddel is voorzien van de volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare opschriften:
- a. het fabricaat;
- b. het bouwjaar;
- c. de type-aanduiding;
- d. het typegoedkeuringsnummer;
- e. het serienummer;
- f. de eenheid waarin de gemeten grootheid wordt uitgedrukt;
- g. het aanwijsbereik;
- h. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden, en
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen, genoemd onder a tot en met e, tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen, genoemd onder f tot en met h, zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.
2. Voor zover de meetmiddelen zijn voorzien van een registratie-inrichting, worden op elke registratie ten minste de aanduidingen, genoemd in het eerste lid, onder e en f, vastgelegd.
3. Aanwijzingen en registraties bedoeld voor de gebruiker van het meetmiddel, zijn in de Nederlandse taal gesteld.
4. Andere aanduidingen dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts worden aangebracht voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.
##### Artikel 8.3.6
1. Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding gesteld in de Nederlandse taal.
2. Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de handleiding ten minste:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van het meetmiddel bij de uitvoering van de algemene periodieke keuring van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen; en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
#### § 5. Assen
##### Artikel 8.3.7
De elektronische meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) anders is bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
De elektronische meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) anders is bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.8
@@ -9655,15 +9655,15 @@
| Omschrijving | Geldende eis | Artikel | Storingsniveau |
| --- | --- | --- | --- |
| spanningsvariatie | [8.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) | B.10 | 2 |
| spanningsvariatie | [8.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) | B.10 | 2 |
- b. indien het meetmiddel is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, voldoet dit aan de eisen gesteld in ISO 7637;
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan bedoeld in de onderdelen a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan bedoeld in de onderdelen a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- d. in afwijking van het storingsniveau, bedoeld in onderdeel a, geldt voor een bromfietsrollentestbank en een deeltjesteller het storingsniveau 3 van de elektromagnetische instraling.
@@ -9703,7 +9703,7 @@
- c. voor de hulpinrichting is een testcertificaat afgegeven, tenzij anders is vermeld in het typekeuringscertificaat.
3. Een testcertificaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek, waarbij is vastgesteld dat aan de eisen, genoemd in [artikel 8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is voldaan.
3. Een testcertificaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek, waarbij is vastgesteld dat aan de eisen, genoemd in [artikel 8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is voldaan.
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -9713,7 +9713,7 @@
2. Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.
3. [Artikel 8.1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.8&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 8.1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.8&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.3.14
@@ -9721,7 +9721,7 @@
2. Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.
3. De [artikelen 8.1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [8.2.1 tot en met 8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=1&artikel=8.2.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 8.1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [8.2.1 tot en met 8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=1&artikel=8.2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 1. Algemeen
@@ -9755,7 +9755,7 @@
##### Artikel 8.4.2
De handleiding behorende bij de roetmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26):
De handleiding behorende bij de roetmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01):
- a. de wijze waarop een sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;
@@ -9775,11 +9775,11 @@
- c. een inrichting waarmee de lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;
- d. een softwareroutine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist, indien door middel van software-identificatie als bedoeld in [artikel 8.3.10, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.10&z=2025-02-26&g=2025-02-26), op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- d. een softwareroutine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist, indien door middel van software-identificatie als bedoeld in [artikel 8.3.10, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.10&z=2025-07-01&g=2025-07-01), op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming) verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=1&artikel=8.1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende ten minste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=1&artikel=8.1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende ten minste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
@@ -9817,7 +9817,7 @@
In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.
5. De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
5. De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
@@ -9855,7 +9855,7 @@
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan, indien de opening van de sonde zich op een afstand van ten minste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied, bedoeld in [artikel 8.3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26), geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied, bedoeld in [artikel 8.3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
#### E. Wagens
@@ -9863,7 +9863,7 @@
1. De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
- a. de functiestand ‘controle’ (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), plaats kunnen vinden;
- a. de functiestand ‘controle’ (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), plaats kunnen vinden;
- b. de functiestand ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden weergegeven.
@@ -9913,7 +9913,7 @@
- 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
2. Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
@@ -9923,7 +9923,7 @@
##### Artikel 8.4.11
1. De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van dit hoofdstuk.
1. De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van dit hoofdstuk.
2. Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.
@@ -9931,19 +9931,19 @@
##### Artikel 8.4.12
1. Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2025-02-26&g=2025-02-26), in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
1. Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2025-07-01&g=2025-07-01), in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
2. De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
3. De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
- a. invoeren van de gegevens, bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- a. invoeren van de gegevens, bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- b. automatische controle of:
- 1°. alle gegevens, bedoeld in onderdeel a, zijn ingevoerd;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
@@ -9961,15 +9961,15 @@
##### Artikel 8.4.12a
1. In afwijking van [artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26):
- a. mag tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, het bepaalde in [artikel 8.4.12, derde lid, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26), ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
- b. kan het ten minste tweemaal automatisch herhalen van het bepaalde in [artikel 8.4.12, derde lid, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven.
1. In afwijking van [artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01):
- a. mag tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, het bepaalde in [artikel 8.4.12, derde lid, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
- b. kan het ten minste tweemaal automatisch herhalen van het bepaalde in [artikel 8.4.12, derde lid, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven.
2. Roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt beëindigd, indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1.
#### § 2. Toerentellers
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
@@ -9985,7 +9985,7 @@
##### Artikel 8.4.14
1. De handleiding behorende bij de toerenteller bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26):
1. De handleiding behorende bij de toerenteller bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01):
- a. indien de toerenteller is voorzien van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;
@@ -10017,7 +10017,7 @@
Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 0. Algemeen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
@@ -10033,7 +10033,7 @@
##### Artikel 8.4.19
1. De handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26):
1. De handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01):
- a. indien de olietemperatuurmeter is voorzien van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
@@ -10081,7 +10081,7 @@
##### Artikel 8.4.25
In afwijking van [artikel 8.3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is voor de manometer geen handleiding vereist.
In afwijking van [artikel 8.3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is voor de manometer geen handleiding vereist.
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
@@ -10179,7 +10179,7 @@
##### Artikel 8.4.30
De handleiding behorende bij de remvertragingsmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter, waarbij nader wordt belicht:
De handleiding behorende bij de remvertragingsmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter, waarbij nader wordt belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
@@ -10229,7 +10229,7 @@
5. De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie, bedoeld in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2025-02-26&g=2025-02-26), bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie, bedoeld in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bedraagt 0,02 m/s2.
##### Artikel 8.4.35
@@ -10259,7 +10259,7 @@
##### Artikel 8.4.40
1. Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2025-02-26&g=2025-02-26), of de eis in [artikel 8.4.34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.34&z=2025-02-26&g=2025-02-26), moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
1. Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of de eis in [artikel 8.4.34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.34&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
2. De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
@@ -10337,11 +10337,11 @@
##### Artikel 8.4.43
De handleiding behorende bij de rollenremtestbank bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), de beperkingen in het gebruik en betekenis van de berekende remvertraging.
De handleiding behorende bij de rollenremtestbank bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), de beperkingen in het gebruik en betekenis van de berekende remvertraging.
##### Artikel 8.4.44
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26), wordt een verzegeling aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt een verzegeling aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
#### § 1.2.2. Maximale fout
@@ -10365,328 +10365,328 @@
##### Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) respectievelijk [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van deze afdeling.
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) respectievelijk [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van deze afdeling.
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
##### Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten, bedoeld in [artikel 8.4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
##### Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde, genoemd in [artikel 8.4.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
##### Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de in de [paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) aan remkracht gestelde eisen, van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
##### Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
##### Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan een zesde maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
##### Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, bedoeld in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
##### Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
##### Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
##### Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde, bedoeld in [artikel 8.4.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.69&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en M de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
##### Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd, indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis, bedoeld in [artikel 8.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.2&artikel=8.4.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
3. Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting, bedoeld in [artikel 8.4.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
##### Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties, alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, in de momentele waarde zichtbaar zijn.
##### Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
##### Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
##### Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, bedoeld in [artikel 8.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd, indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de hoogst gemiddelde waarde, bedoeld onder 1°, met een tolerantie van 2,5%.
##### Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
##### Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
##### Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar, mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
##### Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de referentiewaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
##### Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde voldoet aan de eisen in [paragraaf 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), met uitzondering van [artikel 8.4.65, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.65&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
##### Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa onderscheidenlijk de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in [artikel 8.4.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2025-07-01&g=2025-07-01), gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in [artikel 8.4.64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.64&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- g. de waarschuwing, bedoeld in [artikel 8.4.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
2. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
##### Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
2. Ten aanzien van rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid de maximale fout, in plus en in min, bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- b. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk 36 maanden na de datum van afgifte van het certificaat worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, moeten uiterlijk na 36 maanden na 1 februari 2004 voldoen aan de eisen in dit hoofdstuk, met uitzondering van de [artikelen 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), 8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, [8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [8.4.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.56&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [8.4.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 8.4.57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van [artikel 8.4.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.62&z=2025-07-01&g=2025-07-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling ten minste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van [artikel 8.4.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.63&z=2025-07-01&g=2025-07-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
#### § 8. Platenremtestbanken
#### E. Fietsen en fietsaanhangwagens
##### Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten, bedoeld in [artikel 8.4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
##### Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde, genoemd in [artikel 8.4.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
##### Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de in de [paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26) aan remkracht gestelde eisen, van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
##### Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
##### Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan een zesde maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
##### Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, bedoeld in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
##### Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
##### Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
##### Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde, bedoeld in [artikel 8.4.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.69&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en M de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
##### Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd, indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis, bedoeld in [artikel 8.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.2&artikel=8.4.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
3. Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting, bedoeld in [artikel 8.4.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
##### Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties, alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, in de momentele waarde zichtbaar zijn.
##### Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
##### Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
##### Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, bedoeld in [artikel 8.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd, indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de hoogst gemiddelde waarde, bedoeld onder 1°, met een tolerantie van 2,5%.
##### Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
##### Artikel 8.4.74
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **platenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht van de wielen van een afremmend voertuig op vlakke, horizontale meetplaten;
- **remkracht:** horizontaal op de meetplaten van de platenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **resulterende meetwaarde:** door de platenremtestbank aangewezen waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **meetperiode:** periode dat remkracht aanwezig is.
#### E. Fietsen en fietsaanhangwagens
##### Artikel 8.4.75
1. De platenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
2. De platenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
3. Met de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de platenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
##### Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
##### Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar, mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
##### Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de referentiewaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
##### Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde voldoet aan de eisen in [paragraaf 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), met uitzondering van [artikel 8.4.65, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.65&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
##### Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa onderscheidenlijk de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in [artikel 8.4.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2025-02-26&g=2025-02-26), gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in [artikel 8.4.64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.64&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- g. de waarschuwing, bedoeld in [artikel 8.4.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
2. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
##### Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
2. Ten aanzien van rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid de maximale fout, in plus en in min, bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- b. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk 36 maanden na de datum van afgifte van het certificaat worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, moeten uiterlijk na 36 maanden na 1 februari 2004 voldoen aan de eisen in dit hoofdstuk, met uitzondering van de [artikelen 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), 8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, [8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [8.4.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.56&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en [8.4.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 8.4.57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van [artikel 8.4.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.62&z=2025-02-26&g=2025-02-26) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling ten minste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van [artikel 8.4.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.63&z=2025-02-26&g=2025-02-26) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
#### § 8. Platenremtestbanken
#### E. Fietsen en fietsaanhangwagens
##### Artikel 8.4.74
##### Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **platenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht van de wielen van een afremmend voertuig op vlakke, horizontale meetplaten;
- **remkracht:** horizontaal op de meetplaten van de platenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **resulterende meetwaarde:** door de platenremtestbank aangewezen waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **meetperiode:** periode dat remkracht aanwezig is.
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
##### Artikel 8.4.75
1. De platenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
2. De platenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
3. Met de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de platenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
##### Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **automatische controle-inrichting:** controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;
- **automatische justeerinrichting:** voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;
@@ -10727,7 +10727,7 @@
##### Artikel 8.4.78
De handleiding behorende bij de deeltjesteller bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26):
De handleiding behorende bij de deeltjesteller bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01):
- a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;
@@ -10741,7 +10741,7 @@
##### Artikel 8.4.79
De deeltjesteller is, naast de in [artikel 8.3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft.
De deeltjesteller is, naast de in [artikel 8.3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft.
##### Artikel 8.4.80
@@ -10768,9 +10768,9 @@
##### Artikel 8.4.84
1. De maximale fouten, bedoeld in [artikel 8.4.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.83&z=2025-02-26&g=2025-02-26), wordt onder de volgende condities, bij een deeltjesgrootte van 80 nm +/- 5% tenzij anders aangegeven, niet overschreden:
- a. de gebruiksomstandigheden, bedoeld in [artikel 8.3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
1. De maximale fouten, bedoeld in [artikel 8.4.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.83&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt onder de volgende condities, bij een deeltjesgrootte van 80 nm +/- 5% tenzij anders aangegeven, niet overschreden:
- a. de gebruiksomstandigheden, bedoeld in [artikel 8.3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- b. relatieve luchtvochtigheid: tot 95% R.V.;
@@ -10786,7 +10786,7 @@
3. De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de absolute maximale fout of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
- a. de invloeden, bedoeld in [artikel 8.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26);
- a. de invloeden, bedoeld in [artikel 8.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01);
- b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val op elk hoekpunt op een vast oppervlak voor vast opgestelde instrumenten van 50 mm en voor handinstrumenten van 1 m;
@@ -10800,3033 +10800,3033 @@
7. Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd twintig opeenvolgende metingen aan hetzelfde referentie PN-monster worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze twintig resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximale fout.
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
##### Artikel 8.4.85
1. Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.
2. De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.
3. Het instrument bevat:
- a. een voorziening die voorkomt dat water in het gasbehandelingssysteem en metende componenten condenseert; of,
- b. een voorziening die een alarm geeft en voorkomt dat een meetresultaat weergegeven wordt.
4. Indien een referentie PN-monster nodig is vanwege het meet principe, is een simpele voorziening om een monster te verzorgen bij het instrument beschikbaar.
5. De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:
- a. is zodanig gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;
- b. kan onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een uitgeschakelde pomp.
6. Het instrument bevat een inrichting die aangeeft wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:
- a. de responsietijd wordt overschreden, of
- b. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout.
Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.
7. Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout;
Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.
Een schone lucht test procedure met voldoende nauwkeurigheid (bijvoorbeeld HEPA filter met 99,97% efficiëntie) om dit lek te detecteren is beschreven in de handleiding.
8. Het instrument bevat een inrichting die minimaal bij eerste gebruik per etmaal een automatische nulstelling of nulstelling-procedure uitvoert. Deze inrichting mag gecombineerd zijn met de schone-lucht-test-procedure in het zevende lid.
9. Het instrument heeft een registratiefrequentie gelijk aan of groter dan 1 Hz.
10. De registratietijd bedraagt in totaal minimaal 15 seconden en mag worden opgedeeld in perioden.
##### Artikel 8.4.86
1. Het instrument is volgens goed vakmanschap ontworpen om te verzekeren dat deeltjesconcentratie reductie factoren stabiel zijn gedurende een voertuig test.
2. Het instrument heeft meer dan 95 procent verwijderingseffectiviteit van 30 nm Tetracontaan (C40H82) deeltjes bij een concentratie van 5.000 tot 10.000 per cm3.
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
##### Artikel 8.4.87
1. Indien de detectie van verstoringen als bedoeld in [artikel 8.4.84, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.84&z=2025-07-01&g=2025-07-01) plaatsvindt met automatische controle-inrichtingen, moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.
2. Het instrument is voorzien van een automatische controle-inrichting die zodanig functioneert dat, voordat een meting kan worden aangewezen of afgedrukt, alle interen justeringen, referentie PN-monster justering en alle andere controle-inrichting parameters zijn gewaarborgd voor de juiste waarde of status (dat is binnen de grenswaarden).
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
##### Artikel 8.4.88
1. Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering, vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting.
2. Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.
3. Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
##### Artikel 8.4.89
Vervallen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.90
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **bromfietsrollentestbank:** testinrichting voor het vaststellen van de snelheid van een bromfiets;
- **resulterende meetwaarden:** door de bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd.
#### § 3.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.91
1. Een bromfietsrollentestbank is voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een snelheid wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden alle circuits gecontroleerd die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
##### Artikel 8.4.92
De maximale fout voor bromfietsrollentestbanken bedraagt bij een snelheid:
- a. lager dan of gelijk aan 50 km/h: 5 km/h; en
- b. hoger dan 50 km/h: 10%.
##### Artikel 8.4.93
Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.
##### Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout, bedoeld in [artikel 8.4.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=10&sub-paragraaf=10.3&artikel=8.4.92&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
##### Artikel 8.4.95
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 3.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.96
1. De bromfietsrollentestbank is voorzien van een digitale aanwijzing.
2. De bromfietsrollentestbank mag zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.97
Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn aanwijsbereik is bestemd.
##### Artikel 8.4.98
Het oppervlak van de rollen is zodanig dat de diameter niet meer dan 0,5% varieert.
#### E. Wagens
##### Artikel 8.4.99
De bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:
- a. tijdens de test de momentele waarde van de snelheid;
- b. na correcte uitvoering van de test de resulterende meetwaarde.
##### Artikel 8.4.100
Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
##### Artikel 8.4.101
De afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave, van een digitale aanwijsinrichting zijn zodanig dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.
#### § 4.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.102
Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
#### § 4.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.103
1. Indien een bromfietsrollentestbank is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting, worden ten minste de volgende gegevens vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip van de metingen aan het desbetreffende voertuig;
- b. de ingevoerde informatie betreffende de identificatie van het voertuig bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- c. de resulterende meetwaarde.
2. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.104
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt, indien de bromfietsrollentestbank is bedoeld voor installatie in de vloer, een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
##### Artikel 8.4.105
De handleiding behorende bij de bromfietsrollentestbank bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01):
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
##### Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **geluidsniveaumeter:** precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in IEC61672-1:2002 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC), die ten minste voldoet aan de daarin ten aanzien van geluidsniveaumeters, klasse 1, gestelde eisen;
- **geluidsbron:** geluidsbron die ten minste voldoet aan de eisen voor geluidsbronnen, klasse 1, in IEC942:1998 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC).
##### Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron worden jaarlijks getoetst volgens de eisen, bedoeld in [artikel 8.4.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=11&sub-paragraaf=11.2&artikel=8.4.108&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
#### § 6.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron voldoen ten minste aan de eisen in [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157), ten bewijze waarvan verklaringen aanwezig zijn van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
##### Artikel 8.4.109
Vervallen
#### § 6. Diversen
##### Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een dimlicht of mistvoorlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van het dimlicht of mistvoorlicht bevindt;
- b. het koplamptestapparaat moet de daling van de lichtbundel weergeven in cm/10 m dan wel in procenten op 10 m. De minimale schaalverdeling moet in mm dan wel 0,1% zijn.
- c. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te kunnen worden versteld, dan wel moet het testapparaat het elektronisch aangeven, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de dimlichten en de mistvoorlichten voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- d. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet ten minste 90 cm bedragen. Hierbij moeten lampen die zich op 30 cm boven het vloeroppervlak bevinden gecontroleerd kunnen worden.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.1
Onverminderd het bepaalde in [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), kan het ingevolge [artikel 149 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de [artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
##### Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
##### Artikel 9.4
1. Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
2. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
##### Artikel 10.1
Overtreding van de [artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is een strafbaar feit.
##### Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van [artikel 5.1.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [artikel 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.1
Vervallen
##### Artikel 11.2
Vervallen
##### Artikel 11.3
Vervallen
##### Artikel 11.4
Vervallen
##### Artikel 11.5
Vervallen
##### Artikel 11.6
Vervallen
##### Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die vóór 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 28 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd, dan wel waarvoor na 31 december 2013 inschrijving of tenaamstelling wordt gevraagd, blijven tot deze voertuigcategorie behoren, mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
##### Artikel 11.8
1. Voor middenasaanhangwagens waarvoor vóór 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
2. Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 28 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven vóór 29 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
##### Artikel 11.9
Na 31 december 2020 worden geen voertuigen gewijzigd in een motorrijtuig met beperkte snelheid.
##### Artikel 11.10
Vervallen
##### Artikel 11.11
1. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=2&artikel=5.2.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [artikel 5.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=5&artikel=5.2.23&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [artikel 5.3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=5&artikel=5.3.23&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [artikel 5.4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=5&artikel=5.4.21&z=2025-07-01&g=2025-07-01), blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
2. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), worden voor de toepassing van [dat artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01) als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
3. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximummassa beladen voertuig’.
4. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’.
5. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
##### Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
##### Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van [richtlijn nr. 2002/85/EG](32002L0085) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van [Richtlijn 92/6/EEG](31992L0006) van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024) (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
##### Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247);
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van [richtlijn 2002/78/EG](32002L0078) door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
##### Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
##### Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### § 2. **Voertuigen**
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 1
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### § 2. **Voertuigen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 5. Identificatie
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 6. Nader onderzoek
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
### Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### § 1. **Algemeen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### § 1. **Begripsbepalingen**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
Vervallen.
### Artikel 3
### Artikel 2b
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 2d
### Artikel 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens**
### Artikel 10
### Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
### Artikel 12
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3**
### Artikel 13
### Artikel 14
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
### Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
### Artikel 17
### Artikel 18
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
### Artikel 21
### Artikel 12. **Deuren; overige eisen**
### Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 23
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2023-05-20&g=2023-05-20) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 6. Nader onderzoek
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2023-05-31&g=2023-05-31) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 5. Identificatie
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
### Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
### Artikel 11. Wijze van inslag
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 11. Wijze van inslag
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-02-26&g=2025-02-26) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 16
### Artikel 5
### Artikel 18
### Artikel 6
### Artikel 7
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
### § 1. **Begripsbepalingen**
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
### § 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 5
### Artikel 4
### Artikel 6
### Artikel 5
### Artikel 7
### Artikel 6
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens**
### Artikel 10
### Artikel 12
### Artikel 11
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 12
### Artikel 14
### Artikel 13
### Artikel 14
### Artikel 16
### Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 16
### Artikel 17
### Artikel 18
### Artikel 19
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 20
### Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 23
### Artikel 22
### Artikel 24
### Artikel 23
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
### Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### B. **Proef waterpenetratie**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
### F. **Warmteproef**
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### F. **Warmteproef**
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### H. **Corrosieproef**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Annex 2. behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid
### A. **Proef waterpenetratie**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### E. **Warmteproef**
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### G. **Corrosieproef**
Remslangen mogen:
### Annex 3. behorende bij de artikelen 23 en 24
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Toelatingseisen taxi’s
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Toelatingseisen taxi’s
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 8
### Artikel 7
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Vervallen.
### § 1. **Chassisraam**
### Artikel 14
### Artikel 15
### § 2. **Overige onderdelen**
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 17
### Artikel 19
### Artikel 18
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 19
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 21
### Artikel 22
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Afdeling 3. **Roetschadereparatie**
### Artikel 23
### Artikel 25
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Artikel 25
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
### Artikel 27
### Afdeling 1. **Maximumconstructiesnelheid**
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
### Afdeling 1. **Maximumconstructiesnelheid**
### Artikel 28
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Afdeling 2. **Geluid**
### Artikel 29a
### Afdeling 2. **Geluid**
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### Artikel 30
### Artikel 31
### Artikel 32
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 2. **Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 34
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Artikel 36
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 36
### Artikel 37
### Artikel 38
### Artikel 38a
### § 4. Landbouw- en bosbouwtrekkers
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 38b
### Artikel 38c
### § 1. **Koolmonoxide**
Vervallen.
### § 1. **Koolmonoxide**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 41. **Koolmonoxidegehalte bij stationair toerental**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 41. **Koolmonoxidegehalte bij stationair toerental**
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
### Artikel 43. **Wijze van keuren**
### § 2. **Roet**
Remslangen mogen:
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
### § 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD)
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 45c
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
### Artikel 45c
### § 3. Snelheidscategorie
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Titel 4. **Assen**
### Titel 4. **Assen**
### § 1. **Fusees**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 1. **Fusees**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 47
### § 2. **Draaipunten**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### § 3. **Wiellagers**
### Artikel 49
Vervallen.
### § 1. **Loadindex**
### Artikel 50
### § 2. Draagvermogen
### Artikel 50a
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
### Artikel 50b
### § 1. **Stuurkoppeling**
### Titel 6. **Stuurinrichting**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 51. **Controle stuurkoppeling**
### § 2. **Stuurkogels**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Titel 7. **Reminrichting**
### Afdeling 1. **Onderdelen van de reminrichting**
### § 1. **Remleiding**
### Artikel 53
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2. **Remschijf**
Remslangen mogen:
### § 3. **Remslang**
### Artikel 55. **Remslang**
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 57. **Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### § 2. **Rollenremtestbank**
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 59. **Bepalen van de remvertraging**
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van de remvertraging:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 79
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
### Artikel 80
Vervallen.
### Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
### Artikel 80
Vervallen.
### Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
### Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 91
### Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
### Artikel 92
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
### Artikel 94
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
### Artikel 96
### Artikel 97
### Artikel 98
### Artikel 99
### Artikel 99
### Artikel 100
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### Titel 8. **Carrosserie**
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 105
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
### Artikel 106a
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Titel 8. **Carrosserie**
### Titel 8. **Carrosserie**
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 91
### Artikel 93
### Artikel 92
### Artikel 93
### Artikel 94
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 95
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
### Artikel 97
### Artikel 98
### Artikel 99
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 100
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
### Afdeling 3. **Afscherming**
### Artikel 101
### § 1. **Wiel- en opspatafscherming**
### Afdeling 3. **Afscherming**
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 102
### Artikel 103
### Artikel 105
### Artikel 104
### Artikel 105
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 106b
### Artikel 106a
### Artikel 106b
De opspatafscherming moet:
### Artikel 106c
### Artikel 107
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
### Artikel 107
### Artikel 108
### Artikel 110
### Artikel 109
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 111
### Artikel 112
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
### Artikel 112
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 114
### Afdeling 1a. **Mistvoorlicht**
### Artikel 114a
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
### Artikel 114b
### Artikel 115
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
Vervallen.
### Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 118
### Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 118
Vervallen.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 119
### Artikel 121
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 121
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
### Artikel 123
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
### Artikel 123
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 124
Vervallen.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 125
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
### Artikel 126
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 12. Diversen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 6. Ophanging
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 9. Carrosserie
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 0. Algemeen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 9. Carrosserie
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 8. Reminrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 12. Diversen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 0. Algemeen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 6. Ophanging
#### § 0. Algemeen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.36c
1. Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig de [artikelen 5.3.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.3a.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [5.12.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd, mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt, worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
2. Manoeuvreerlichten mogen branden totdat het voertuig een snelheid heeft bereikt van 10 km/h.
##### Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens en samenstellen hiervan
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 6. Ophanging
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of ov-auto, moet het voertuig voldoen aan de in [artikel 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), opgenomen eisen.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 5. Assen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 8. Reminrichting
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 5.2. Technische eisen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### § 3.1. Algemeen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 1.1. Algemeen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### E. Wagens
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 4. Manometers
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
##### Artikel 8.4.85
1. Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.
2. De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.
3. Het instrument bevat:
- a. een voorziening die voorkomt dat water in het gasbehandelingssysteem en metende componenten condenseert; of,
- b. een voorziening die een alarm geeft en voorkomt dat een meetresultaat weergegeven wordt.
4. Indien een referentie PN-monster nodig is vanwege het meet principe, is een simpele voorziening om een monster te verzorgen bij het instrument beschikbaar.
5. De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:
- a. is zodanig gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;
- b. kan onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een uitgeschakelde pomp.
6. Het instrument bevat een inrichting die aangeeft wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:
- a. de responsietijd wordt overschreden, of
- b. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout.
Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.
7. Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout;
Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.
Een schone lucht test procedure met voldoende nauwkeurigheid (bijvoorbeeld HEPA filter met 99,97% efficiëntie) om dit lek te detecteren is beschreven in de handleiding.
8. Het instrument bevat een inrichting die minimaal bij eerste gebruik per etmaal een automatische nulstelling of nulstelling-procedure uitvoert. Deze inrichting mag gecombineerd zijn met de schone-lucht-test-procedure in het zevende lid.
9. Het instrument heeft een registratiefrequentie gelijk aan of groter dan 1 Hz.
10. De registratietijd bedraagt in totaal minimaal 15 seconden en mag worden opgedeeld in perioden.
##### Artikel 8.4.86
1. Het instrument is volgens goed vakmanschap ontworpen om te verzekeren dat deeltjesconcentratie reductie factoren stabiel zijn gedurende een voertuig test.
2. Het instrument heeft meer dan 95 procent verwijderingseffectiviteit van 30 nm Tetracontaan (C40H82) deeltjes bij een concentratie van 5.000 tot 10.000 per cm3.
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
##### Artikel 8.4.87
1. Indien de detectie van verstoringen als bedoeld in [artikel 8.4.84, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.84&z=2025-02-26&g=2025-02-26) plaatsvindt met automatische controle-inrichtingen, moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.
2. Het instrument is voorzien van een automatische controle-inrichting die zodanig functioneert dat, voordat een meting kan worden aangewezen of afgedrukt, alle interen justeringen, referentie PN-monster justering en alle andere controle-inrichting parameters zijn gewaarborgd voor de juiste waarde of status (dat is binnen de grenswaarden).
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
##### Artikel 8.4.88
1. Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering, vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting.
2. Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.
3. Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
##### Artikel 8.4.89
Vervallen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.90
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **bromfietsrollentestbank:** testinrichting voor het vaststellen van de snelheid van een bromfiets;
- **resulterende meetwaarden:** door de bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd.
#### § 3.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.91
1. Een bromfietsrollentestbank is voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een snelheid wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden alle circuits gecontroleerd die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
##### Artikel 8.4.92
De maximale fout voor bromfietsrollentestbanken bedraagt bij een snelheid:
- a. lager dan of gelijk aan 50 km/h: 5 km/h; en
- b. hoger dan 50 km/h: 10%.
##### Artikel 8.4.93
Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.
##### Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout, bedoeld in [artikel 8.4.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=10&sub-paragraaf=10.3&artikel=8.4.92&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
##### Artikel 8.4.95
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 3.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.96
1. De bromfietsrollentestbank is voorzien van een digitale aanwijzing.
2. De bromfietsrollentestbank mag zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.97
Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn aanwijsbereik is bestemd.
##### Artikel 8.4.98
Het oppervlak van de rollen is zodanig dat de diameter niet meer dan 0,5% varieert.
#### E. Wagens
##### Artikel 8.4.99
De bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:
- a. tijdens de test de momentele waarde van de snelheid;
- b. na correcte uitvoering van de test de resulterende meetwaarde.
##### Artikel 8.4.100
Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
##### Artikel 8.4.101
De afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave, van een digitale aanwijsinrichting zijn zodanig dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.
#### § 4.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.102
Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
#### § 4.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.103
1. Indien een bromfietsrollentestbank is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting, worden ten minste de volgende gegevens vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip van de metingen aan het desbetreffende voertuig;
- b. de ingevoerde informatie betreffende de identificatie van het voertuig bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- c. de resulterende meetwaarde.
2. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.104
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26), wordt, indien de bromfietsrollentestbank is bedoeld voor installatie in de vloer, een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
##### Artikel 8.4.105
De handleiding behorende bij de bromfietsrollentestbank bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26):
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
##### Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **geluidsniveaumeter:** precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in IEC61672-1:2002 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC), die ten minste voldoet aan de daarin ten aanzien van geluidsniveaumeters, klasse 1, gestelde eisen;
- **geluidsbron:** geluidsbron die ten minste voldoet aan de eisen voor geluidsbronnen, klasse 1, in IEC942:1998 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC).
##### Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron worden jaarlijks getoetst volgens de eisen, bedoeld in [artikel 8.4.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=11&sub-paragraaf=11.2&artikel=8.4.108&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
#### § 6.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron voldoen ten minste aan de eisen in [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157), ten bewijze waarvan verklaringen aanwezig zijn van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
##### Artikel 8.4.109
Vervallen
#### § 12. Koplamptestapparaten
##### Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een dimlicht of mistvoorlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van het dimlicht of mistvoorlicht bevindt;
- b. het koplamptestapparaat moet de daling van de lichtbundel weergeven in cm/10 m dan wel in procenten op 10 m. De minimale schaalverdeling moet in mm dan wel 0,1% zijn.
- c. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te kunnen worden versteld, dan wel moet het testapparaat het elektronisch aangeven, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de dimlichten en de mistvoorlichten voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- d. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet ten minste 90 cm bedragen. Hierbij moeten lampen die zich op 30 cm boven het vloeroppervlak bevinden gecontroleerd kunnen worden.
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.1
Onverminderd het bepaalde in [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), kan het ingevolge [artikel 149 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de [artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
##### Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
##### Artikel 9.4
1. Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
2. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
##### Artikel 10.1
Overtreding van de [artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is een strafbaar feit.
##### Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van [artikel 5.1.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), of [artikel 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26) kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.1
Vervallen
##### Artikel 11.2
Vervallen
##### Artikel 11.3
Vervallen
##### Artikel 11.4
Vervallen
##### Artikel 11.5
Vervallen
##### Artikel 11.6
Vervallen
##### Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die vóór 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 28 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd, dan wel waarvoor na 31 december 2013 inschrijving of tenaamstelling wordt gevraagd, blijven tot deze voertuigcategorie behoren, mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
##### Artikel 11.8
1. Voor middenasaanhangwagens waarvoor vóór 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
2. Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 28 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven vóór 29 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
##### Artikel 11.9
Na 31 december 2020 worden geen voertuigen gewijzigd in een motorrijtuig met beperkte snelheid.
##### Artikel 11.10
Vervallen
##### Artikel 11.11
1. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=2&artikel=5.2.7&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [artikel 5.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=5&artikel=5.2.23&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [artikel 5.3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=5&artikel=5.3.23&z=2025-02-26&g=2025-02-26), of [artikel 5.4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=5&artikel=5.4.21&z=2025-02-26&g=2025-02-26), blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
2. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2025-02-26&g=2025-02-26), worden voor de toepassing van [dat artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2025-02-26&g=2025-02-26) als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
3. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2025-02-26&g=2025-02-26), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximummassa beladen voertuig’.
4. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2025-02-26&g=2025-02-26), worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’.
5. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2025-02-26&g=2025-02-26), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
##### Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
##### Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van [richtlijn nr. 2002/85/EG](32002L0085) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van [Richtlijn 92/6/EEG](31992L0006) van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024) (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
##### Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247);
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van [richtlijn 2002/78/EG](32002L0078) door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
##### Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
##### Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2009-12-16&g=2009-12-16)
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### § 1. **Algemeen**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 4. Het toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 5. Identificatie
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie wordt bepaald door het chassis.
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
### § 1. **Algemeen**
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 5. Identificatie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
### Artikel 11. Wijze van inslag
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2018-05-20&g=2018-05-20) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2020-10-15&g=2020-10-15) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2020-10-15&g=2020-10-15) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 11. Wijze van inslag
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 4
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 4
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 11
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 2c
### Artikel 16
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [verordening (EG) nr. 661/2009](32009R0661) tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 14. **Toegangen; bedrijfsdeuren**
### Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 11. Wijze van inslag
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
### Artikel 5. Identificatie
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-07-01&g=2025-07-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
### Artikel 10
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 13
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 17
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
### Artikel 21
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
### Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### H. **Corrosieproef**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### I. **Sterkte bevestiging**
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### H. **Proef sterkte bevestiging**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### § 2. **Voertuigen**
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
### Artikel 4. **Doorgangen**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 1
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### § 2. **Voertuigen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 5. Identificatie
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 6. Nader onderzoek
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
### Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### § 1. **Algemeen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### § 1. **Begripsbepalingen**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 10
### Artikel 12
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 16
### Artikel 20
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 26
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
### Artikel 29
### Artikel 33
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 38a
### Artikel 39
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 44. **Roetmeting**
### Artikel 45a
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
### Artikel 45b
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
### § 4. Deeltjes
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
### Artikel 46
Vervallen.
### Artikel 3
### Artikel 2b
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 2d
### Artikel 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens**
### Artikel 10
### Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
### Artikel 12
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3**
### Artikel 13
### Artikel 14
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
### Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
### Artikel 17
### Artikel 18
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
### Artikel 21
### Artikel 12. **Deuren; overige eisen**
### Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 23
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2023-05-20&g=2023-05-20) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 6. Nader onderzoek
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2023-05-31&g=2023-05-31) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### § 2. **Voertuigen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 6. Nader onderzoek
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 11. Wijze van inslag
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 3
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-02-26&g=2025-02-26) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 15
### Artikel 4
### Artikel 16
### Artikel 5
### Artikel 18
### Artikel 6
### Artikel 7
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
### § 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 4
### Artikel 4
### Artikel 5
### Artikel 5
### Artikel 6
### Artikel 6
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens**
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens**
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 11
### Artikel 11
### Artikel 12
### Artikel 12
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 13
### Artikel 14
### Artikel 15
### Artikel 15
### Artikel 16
### Artikel 16
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Artikel 18
### Artikel 19
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 21
### Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 23
### Artikel 23
### Artikel 24
### Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
### Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### F. **Warmteproef**
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### I. **Sterkte bevestiging**
### Annex 2. behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### E. **Warmteproef**
### E. **Warmteproef**
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### G. **Corrosieproef**
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### Annex 3. behorende bij de artikelen 23 en 24
Remslangen mogen:
### B. **Proef waterpenetratie**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Toelatingseisen taxi’s
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Titel 1. **Algemeen**
### § 1. **Vaststelling afmetingen**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 8
### Artikel 9
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 48
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Titel 5. **Ophanging**
Vervallen.
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
### § 3. Snelheidscategorie
### Artikel 52. **Maximale toegestane speling stuurkogels**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
### Artikel 54. **Remschijf**
### Artikel 54. **Remschijf**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 62
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
### § 3. **Platenremtestbank**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Vervallen.
### Artikel 15
### § 2. **Overige onderdelen**
### Artikel 16
### Artikel 17
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 18
### Artikel 19
### Artikel 19
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
### Artikel 21
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Afdeling 3. **Roetschadereparatie**
### Afdeling 3. **Roetschadereparatie**
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 24
### Artikel 24
### Artikel 25
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Artikel 27
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
### Afdeling 1. **Maximumconstructiesnelheid**
### Artikel 28
### Artikel 29
### Artikel 29a
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Afdeling 2. **Geluid**
### § 1. **Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen**
### Artikel 30
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### Artikel 32
### § 2. **Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen**
### § 2. **Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen**
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
### Artikel 34
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 3. **Bromfietsen**
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Artikel 36
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 38
### § 4. Landbouw- en bosbouwtrekkers
### § 4. Landbouw- en bosbouwtrekkers
### Artikel 38a
### Artikel 38b
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Afdeling 3. **Emissie**
### Afdeling 3. **Emissie**
### § 1. **Koolmonoxide**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Artikel 100
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
Aanvangssnelheid 25 km/h:
Aanvangssnelheid 25 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
### Artikel 97
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Vervallen.
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 41. **Koolmonoxidegehalte bij stationair toerental**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 43. **Wijze van keuren**
### § 2. **Roet**
### Artikel 44. **Roetmeting**
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
Remslangen mogen:
### Artikel 45a
### Artikel 45b
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 45c
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
### § 4. Deeltjes
### § 3. Snelheidscategorie
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Titel 4. **Assen**
### Titel 4. **Assen**
### § 1. **Fusees**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 47
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 48
### § 3. **Wiellagers**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Titel 5. **Ophanging**
### § 1. **Loadindex**
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 98
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 101
Vervallen.
### § 2. Draagvermogen
### Artikel 50a
### § 3. Snelheidscategorie
### Artikel 50b
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
### Titel 6. **Stuurinrichting**
### § 1. **Stuurkoppeling**
### Artikel 51. **Controle stuurkoppeling**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 52. **Maximale toegestane speling stuurkogels**
### Titel 7. **Reminrichting**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 1. **Remleiding**
### Artikel 53
### § 2. **Remschijf**
### § 2. **Remschijf**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### § 3. **Remslang**
Remslangen mogen:
### § 4. **Wijze van keuren**
### § 4. **Wijze van keuren**
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 57. **Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 2. **Rollenremtestbank**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 59. **Bepalen van de remvertraging**
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 62
### Artikel 62
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van de remvertraging:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 79
### Artikel 79
### Artikel 80
Vervallen.
### Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
### Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
### Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 91
### Artikel 91
### Artikel 92
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
### Artikel 94
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
### Artikel 96
### Artikel 97
### Artikel 98
### Artikel 99
### Artikel 99
### Artikel 100
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
### Titel 8. **Carrosserie**
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 103
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
### Artikel 105
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
### Artikel 106a
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
### Titel 8. **Carrosserie**
### Titel 8. **Carrosserie**
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 92
### Artikel 93
### Artikel 94
### Artikel 95
### Artikel 95
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
### Artikel 97
### § 1. **Wiel- en opspatafscherming**
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### Artikel 106
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 110
Vervallen.
### Titel 9. **Lichten en retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 113
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
### Artikel 116
Vervallen.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 120
### Artikel 122
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 99
### Artikel 100
### Artikel 100
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
Vervallen.
### Artikel 101
### Afdeling 3. **Afscherming**
### Afdeling 3. **Afscherming**
### § 1. **Wiel- en opspatafscherming**
### Artikel 102
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 104
### Artikel 104
### Artikel 105
### Artikel 106
### Artikel 106a
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 106b
### Artikel 106c
### Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
### Artikel 107
### Artikel 108
### Artikel 109
### Artikel 109
### Artikel 110
### Artikel 111
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
### Artikel 112
### Titel 9. **Lichten en retroreflecterende voorzieningen**
### Afdeling 1. **Dimlicht**
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### Artikel 114
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 114a
### Artikel 114b
### Artikel 114b
De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
### Artikel 115
### Artikel 116
Vervallen.
### Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 118
### Artikel 118
Vervallen.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### Artikel 125
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 119
### Artikel 120
### Artikel 120
### Artikel 121
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
### Artikel 123
### Artikel 124
### Artikel 124
Vervallen.
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 126
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 12. Diversen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 6. Ophanging
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 9. Carrosserie
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 0. Algemeen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 9. Carrosserie
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 8. Reminrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.36c
1. Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig de [artikelen 5.3.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.3a.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), of [5.12.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd, mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt, worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
2. Manoeuvreerlichten mogen branden totdat het voertuig een snelheid heeft bereikt van 10 km/h.
##### Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens en samenstellen hiervan
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 6. Ophanging
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of ov-auto, moet het voertuig voldoen aan de in [artikel 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), opgenomen eisen.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 5.2. Technische eisen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### § 3.1. Algemeen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 1.1. Algemeen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### E. Wagens
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 4. Manometers
#### § 3.1. Algemeen
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 2.2. Certificaten
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2009-12-16&g=2009-12-16)
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### § 1. **Algemeen**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 4. Het toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 5. Identificatie
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie wordt bepaald door het chassis.
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
### § 1. **Algemeen**
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 5. Identificatie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
### Artikel 11. Wijze van inslag
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2018-05-20&g=2018-05-20) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2020-10-15&g=2020-10-15) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2020-10-15&g=2020-10-15) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 11. Wijze van inslag
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 4
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 4
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 11
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 2c
### Artikel 16
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [verordening (EG) nr. 661/2009](32009R0661) tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 14. **Toegangen; bedrijfsdeuren**
### Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 11. Wijze van inslag
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
### Artikel 5. Identificatie
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
### Artikel 10
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 13
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 17
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### Artikel 21
### Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
### Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### H. **Corrosieproef**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### A. **Proef waterpenetratie**
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### H. **Proef sterkte bevestiging**
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### Toelatingseisen taxi’s
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
### Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 2
### § 3. **Kentekenplaat**
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 11
### Artikel 12
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 18
### Artikel 22
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 27
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
### Artikel 29a
### Artikel 35
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
### Artikel 38c
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD)
### Artikel 45b
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
### § 4. Deeltjes
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 50b
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
### § 2. **Draaipunten**
Vervallen.
### Artikel 49
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 50
Vervallen.
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
### Titel 6. **Stuurinrichting**
### Afdeling 1. **Onderdelen van de reminrichting**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
### Artikel 54. **Remschijf**
### Artikel 55. **Remslang**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 77. Bepalen remvertraging
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
### Artikel 100
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
Aanvangssnelheid 25 km/h:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
### Artikel 97
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### Artikel 91
### Artikel 92
Vervallen.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 97
### Artikel 98
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 101
Vervallen.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 103
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### Artikel 106a
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
Vervallen.
### Artikel 113
### Afdeling 1a. **Mistvoorlicht**
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
### Artikel 117
Vervallen.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Vervallen.
### Artikel 122
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 125
### Artikel 126
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### Artikel 127
### Artikel 127a
@@ -14170,9 +14170,9 @@
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.13.57a
@@ -14185,7 +14185,7 @@
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
@@ -14205,7 +14205,7 @@
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
@@ -14215,184 +14215,184 @@
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### A. Aanhangwagens
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 5. Assen
#### § 0. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 5. Assen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2a. Sneeuwkettingen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### A. Aanhangwagens
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1. Algemene bepalingen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### § 4. Manometers
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### § 1. Algemene bepalingen
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 3. Reminrichting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1.2. Technische eisen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 0. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 5. Assen
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2a. Sneeuwkettingen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 2.1. Algemeen
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1. Algemene bepalingen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### § 4. Manometers
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### § 1. Algemene bepalingen
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 3. Reminrichting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1.2. Technische eisen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 2.2. Technische eisen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### § 2.1. Algemeen
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
#### § 2.1. Algemeen
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
@@ -14509,7 +14509,7 @@
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
@@ -14517,11 +14517,11 @@
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-02-26&g=2025-02-26) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-07-01&g=2025-07-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Op de retroreflector moet:
@@ -14533,11 +14533,11 @@
Op de retroreflector moet:
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 2. **Algemeen**
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
@@ -14545,17 +14545,19 @@
### Artikel 4. **Doorgangen**
### Artikel 18
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
### Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
### Artikel 1
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
### Titel 1. **Algemeen**
### § 1. **Vaststelling afmetingen**
### Artikel 3
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
### § 3. **Kentekenplaat**
### Artikel 3
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
@@ -14563,15 +14565,13 @@
### Artikel 6
### Artikel 7
### Artikel 10
### Artikel 11
### Artikel 8
### Artikel 9
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
@@ -14581,37 +14581,37 @@
Vervallen.
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 24
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### § 1. **Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 26
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
### Artikel 31
### Artikel 33
### § 3. **Bromfietsen**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 33
### Artikel 37
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 39
### Artikel 46
### Afdeling 3. **Emissie**
### Titel 4. **Assen**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
@@ -14621,71 +14621,71 @@
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
### § 2. **Stuurkogels**
### § 1. **Stuurkoppeling**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Remslangen mogen:
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
Remslangen mogen:
### § 4. **Wijze van keuren**
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 58. **Pedaal- en remkrachten**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 2. **Rollenremtestbank**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### § 3. **Platenremtestbank**
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### § 3. **Platenremtestbank**
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 91
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 94
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 95
Aanvangssnelheid 40 km/h:
De opspatafscherming moet:
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
### Titel 8. **Carrosserie**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
@@ -14697,45 +14697,49 @@
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
### Artikel 115
Vervallen.
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
### Artikel 116
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### Artikel 127a
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Artikel 129
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
De lengtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 130
@@ -14743,25 +14747,21 @@
### Artikel 131
De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
### Artikel 132
### Artikel 133
### Titel 2. **Carrosserie**
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
### § 0. **Definities**
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 1. **Linker- en rechterbuitenspiegel**
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 135
### Artikel 135
### Artikel 134
### Artikel 136
@@ -15000,7 +15000,7 @@
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en accu
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -15017,7 +15017,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren | Wijze van keuren | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| 1. | De gestuurde wielen moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkende voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | | | |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | | | |
| 3. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | | | |
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | | | |
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | | | |
@@ -15030,9 +15030,9 @@
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
@@ -15077,1723 +15077,1723 @@
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 8. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### B. Aanhangwagens en lastdragers
#### § 9. Carrosserie
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 6. Ophanging
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 8. Reminrichting
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### § 0. Algemeen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2.2. Certificaten
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Manometers
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### E. Wagens
#### § 6. Diversen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 3.1. Algemeen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 4.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 6.1. Algemeen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 1
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### Artikel 2
### Artikel 4
### Artikel 11
### Artikel 12
### § 1. **Chassisraam**
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 35
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Vervallen.
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
Vervallen.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 77. Bepalen remvertraging
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 93
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
### Artikel 128
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 128
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De lengtemarkering moet bestaan uit:
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
### Artikel 132
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 133a
### Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 136a
### Artikel 136
### Artikel 136a
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2023-05-31&g=2023-05-20) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Op de retroreflector moet:
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7
### Artikel 13
### Artikel 20
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
Vervallen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Vervallen.
Vervallen.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Vervallen.
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
Voor het bepalen van de remvertraging:
### Artikel 79
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
Aanvangssnelheid 40 km/h:
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De opspatafscherming moet:
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Vervallen.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### Titel 2. **Carrosserie**
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### Artikel 137a
De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
### Artikel 137a
### Artikel 139
### Artikel 138
### Artikel 140
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
### Artikel 141
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### § 2. **Spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien**
### Artikel 141
### Artikel 142
In deze annex:
### Artikel 142
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
### Artikel 143
### § 4. **Gezichtsveldverbeterende voorziening**
### Artikel 144
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.2a
Vervallen
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
##### Artikel 1.5
Vervallen
##### Artikel 1.6
Vervallen
##### Artikel 1.7
Vervallen
##### Artikel 1.8
Vervallen
##### Artikel 1.9
Vervallen
##### Artikel 1.10
Vervallen
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
### Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
#### § 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
##### Artikel 3.23a
Vervallen
##### Artikel 3.23b
Vervallen
### Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
##### Artikel 3.25a
Een typegoedkeuring voor het alcoholslot verliest haar geldigheid, indien:
- a. een wijziging in het alcoholslot of het productieproces van dat alcoholslot heeft plaatsgevonden, waardoor niet meer aan de voorwaarden voor een afgegeven typegoedkeuring wordt voldaan;
- b. een wijziging in het alcoholslot of in het productieproces van dat alcoholslot is aangebracht die in strijd is met de typegoedkeuring;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het alcoholslot of het productieproces niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
### Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 17. Wagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### A. Aanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 17. Wagens
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 3. Reminrichting
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### § 3.1. Algemeen
#### § 6. Diversen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### B. Aanhangwagens en lastdragers
#### § 9. Carrosserie
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 8. Reminrichting
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1. Algemene bepalingen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemeen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.89a
1. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:
- a. Het kalibratiegas moet zodanig zijn samengesteld dat daarmee de kalibratiecontrole van een alcoholslot op juiste wijze kan worden uitgevoerd. Behalve ten aanzien van het alcoholgehalte is de fabrikant vrij in de keuze van de samenstelling, mits de samenstelling geen invloed heeft op de juiste werking van het alcoholslot;
- b. het kalibratiegas moet een nominale alcoholconcentratie hebben van de door de fabrikant van het alcoholslot gespecificeerde concentratie, plus of min 10%;
- c. het kalibratiegas moet telkens worden bereid met een alcoholconcentratie met een onzekerheid van niet meer dan 3%.
2. Bij de productie van het in het eerste lid bedoelde kalibratiegas:
- a. is de fabrikant vrij in de keuze van de methode van vervaardiging, mits het kalibratiegas voldoet aan de voorschriften van dit artikel;
- b. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het onder de volgende omgevingscondities voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen:
- 1°. omgevingstemperaturen van 10 °C tot en met 33 °C;
- 2°. luchtdrukken van 970 hPa tot en met 1050 hPa;
- 3°. relatieve luchtvochtigheid van 5% tot en met 95%;
- c. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen gedurende ten minste 100 kalibraties of gedurende ten minste 200 dagen;
3. [Artikel 8.4.89, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2018-03-31&g=2018-03-31), is van overeenkomstige toepassing.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 2.2. Certificaten
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 4.1. Algemeen
#### § 6. Diversen
#### § 7.1. Algemeen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 3.1. Algemeen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 4.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [verordening (EG) nr. 661/2009](32009R0661) tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Op de retroreflector moet:
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
Vervallen.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Artikel 135
De linkerbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
De linkerbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
### Artikel 137
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Artikel 139
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### § 2. **Spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien**
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Artikel 142a
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 145
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 146
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 147
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
### Artikel 148
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 149
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 150
### Artikel 151
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
### Artikel 153
##### Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in afwijking van punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **ademmonster:** monster dat bij hard uitblazen door de mond in de handset van het alcoholslot wordt genomen en door het alcoholslot wordt gemeten.
2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in aanvulling op punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **datageheugen:** registratie-eenheid als onderdeel van de vaste eenheid van het alcoholslot, waarin de in annex 3 aangegeven aspecten met datum en tijd worden vastgelegd;
- **erkend installateur:** de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k);
- **erkende medewerker:** de medewerker, bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend), die bevoegd is tot het uitvoeren van de in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k) bedoelde werkzaamheden;
- **geldig ademmonster:** ademmonster dat voldoet aan de in annex 1 vastgestelde eis voor volume en de in NEN-EN 50436-1 vastgestelde eisen voor luchtstroom en uitademtijd;
- **handset:** het al dan niet draadloze deel van het alcoholslot dat wordt gebruikt voor het afnemen en analyseren van het ademmonster;
- **identificatiekenmerk:** het unieke identificatienummer van het alcoholslot dat is samengesteld uit het typegoedkeuringsnummer en het serienummer van het alcoholslot;
- **initieel ademmonster:** het in het kader van het alcoholslotprogramma in de handset afgegeven geldige ademmonster met het oog op het kunnen starten van het motorrijtuig;
- **fabrikant:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ontwerp, de constructie en de productie van het alcoholslot;
- **terugroeping voor onderhoud:** een door het alcoholslot gegenereerde herinnering verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet worden gekalibreerd;
- **uitleesapplicatie:** de applicatie die wordt gebruikt voor het kalibreren, justeren en uitlezen van het alcoholslot, alsmede voor het overbrengen van instellingen naar en voor het vastleggen van gegevens en waarnemingen in het alcoholslot, respectievelijk het overbrengen van gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister;
- **vaste eenheid:** het deel van het alcoholslot dat vast in het motorrijtuig wordt gemonteerd en zorg draagt voor het opslaan van gegevens en dat het starten van het motorrijtuig voorkomt indien er geen geldig ademmonster is afgegeven dat lager is dan de in annex 1 gestelde limiet;
- **vroegtijdige terugroeping:** een door het alcoholslot gegenereerde extra terugroeping in de periode voordat de in annex 1 vastgestelde uiterste termijn voor onderhoud is verstreken en niet verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd;
- **vrije herstartperiode:** periode gedurende welke geen ademmonster behoeft te worden afgegeven om het motorrijtuig te starten.
### Annex 1. **behorende bij de artikelen 5 tot en met 7**
##### Artikel 2
1. Alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) voldoen aan de eisen uit NEN-EN 50436-1, voor zover in deze bijlage niet expliciet die eisen worden aangevuld of van die eisen wordt afgeweken.
2. In aanvulling op NEN-EN 50436-1, voldoen alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), aan de in annex 1 vastgestelde aanvullende parameterinstellingen.
### Annex 1. **behorende bij de artikelen 5 tot en met 7**
### Annex 3. **behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
##### Artikel 3
In aanvulling op punt 4.1 uit NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. In het alcoholslot moeten de in annex 1 vastgestelde parameterinstellingen kunnen worden ingesteld op waarden die zijn gelegen tussen de in die annex vastgestelde minimale en maximale waarden.
- 2. De maximale waarde waaronder het startmechanisme wordt gedeblokkeerd, wordt ingesteld op 90 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
- 3. Het alcoholslot waarborgt dat het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart indien:
- a. een geldig initieel ademmonster met een alcoholgehalte lager dan de in annex 1 vastgestelde limiet wordt afgegeven én de motor van dat motorrijtuig binnen de in die annex vastgestelde startperiode wordt gestart;
- b. de motor van het desbetreffende motorrijtuig na het uitschakelen van de motor binnen de in annex 1 vastgestelde periode van vrije herstart wordt gestart of gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 4 bedoelde overbruggingsfunctie.
- 4. In aanvulling op het derde lid, onderdeel a, wordt, indien er sprake is van een draadloze handset, uitsluitend een ademmonster gegeven als het contact van het motorrijtuig in de accessoire stand staat. Indien het contact is uitgeschakeld, is het afgeven van een ademmonster onmogelijk.
- 5. Alle instelbare functies en parameters kunnen alleen worden ingesteld door de in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend) bedoelde personen. Wijzigingen in de instellingen van de functies en de parameters worden in het datageheugen vastgelegd.
- 6. Voor zover het alcoholslot over niet in annex 1 genoemde, instelbare functies of parameters beschikt, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer daarvan in kennis, onder mededeling van de ingestelde waarden.
- 7. Het alcoholslot is voorzien van een scherm waarop in het Nederlands aanwijzingen aan de gebruiker worden gegeven. Andere talen zijn toegestaan als extra dienstverlening.
- 8. Als een initieel ademmonster niet geldig is, wordt dit op het in het zevende lid bedoelde scherm aangegeven, tezamen met de reden.
- 9. Indien het initiële ademmonster niet geldig is, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel ademmonster mogelijk. Er wordt geen limiet worden gesteld aan het aantal initiële ademmonsters.
- 10. Indien het initiële ademmonster wel geldig is, maar het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan de in annex 1 vastgestelde limiet, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel blaasmonster mogelijk, ongeacht de hoogte van het gemeten alcoholgehalte. Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal initiële ademmonsters. Op het scherm wordt uitsluitend vermeld dat het gemeten ademalcoholgehalte te hoog is. De hoogte van het gemeten ademalcoholgehalte wordt niet vermeld.
- 11. Het alcoholslot beschikt over de mogelijkheid om de periode aan te geven waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd en het motorrijtuig moet zijn teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), en om deze periode aan de gebruiker door middel van een mededeling op het scherm kenbaar te maken. Vanaf een in annex 1 vastgesteld aantal dagen voor het verstrijken van die periode wordt de gebruiker bij het starten van de motor goed waarneembaar geïnformeerd over het verstrijken van die datum. Het startmechanisme kan na een in genoemde annex vastgesteld aantal dagen na het verstrijken van die periode niet meer door de gebruiker van het motorrijtuig worden gedeblokkeerd. Vanaf het verstrijken van die periode wordt tevens goed waarneembaar aangegeven na hoeveel dagen het startmechanisme niet meer kan worden gedeblokkeerd.
- 12. De handset en de vaste eenheid krijgen tijdens de productie een fabrikant-specifieke unieke identiteit. De identiteit van de handset en de vaste eenheid kunnen niet worden gewijzigd.
- 13. Tijdens installatie wordt één handset logisch gekoppeld aan de vaste eenheid.
### Annex 4. **behorende bij artikel 50, eerste lid, en artikel 50a, eerste lid**
##### Artikel 4
1. In afwijking van punt 4.2 uit NEN-EN 50436-1, is uitsluitend voorzien in een overbruggingsfunctie bestemd voor onderhoud aan het motorrijtuig of het alcoholslot, waarmee het startmechanisme gedurende een in annex 1 vastgestelde maximale periode kan worden gedeblokkeerd zonder dat een initieel ademmonster of een hertest behoeft te worden afgelegd.
2. Het gebruik van de overbruggingsfunctie, bedoeld in het eerste lid, is uitsluitend na invoer van een code mogelijk en wordt altijd geregistreerd in het datageheugen.
3. De overbrugging moet op eenvoudige wijze voortijdig kunnen worden beëindigd.
### Annex 5. **behorende bij artikel 50, vierde lid, en 50a, derde lid**
##### Artikel 5
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, registreert het datageheugen ten minste de waarnemingen en gebeurtenissen vastgesteld in annex 2, met de daarbij behorende verplichte velden.
2. Ten aanzien van het alcoholslot en de uitleesapplicatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongeautoriseerd kennisnemen, tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking en om te garanderen dat waarnemingen en gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid onweerlegbaar en integer worden geregistreerd in het alcoholslotregister, bedoeld in [artikel 129a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a).
3. Om aan het tweede lid te voldoen, wordt het alcoholslot alsmede de uitleesapplicatie beschermd door beveiligingsmaatregelen, zoals geformuleerd in het beschermingsprofiel Alcohol Interlock pp, v1.0.
##### Artikel 6
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, wordt iedere waarneming of gebeurtenis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgelegd in een aparte verslagregel.
2. Een verslagregel bevat ten minste de volgende velden:
- a. datum en tijd in Centraal Europese Tijd, rekening houdend met de zomertijd. Indien een verslagregel betreffende een meting van het ademalcoholgehalte niet onmiddellijk wordt opgeslagen in het datageheugen, bevat de verslagregel ook de datum en tijd van opslag in het datageheugen;
- b. volgnummer, dat oplopend moet zijn;
- c. berichttype;
- d. berichtnummer;
- e. één of meer meetwaarden of veldwaarden, en waar relevant zowel de oude als de nieuwe waarden.
3. De in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde verplichte velden per gegevens record mogen worden gevolgd door niet-gestandaardiseerde aanvullende velden.
4. Zowel verslagregels ontstaan in de handset, als de verslagregels ontstaan in de vaste eenheid, worden opgeslagen in het datageheugen.
5. Het datageheugen heeft een geheugenruimte die voldoende ruimte biedt voor het vastleggen van ten minstealle verslagregels die het alcoholslot bij normaal gebruik genereert in de maximale periode gedurende welke het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, plus de duur van de waarschuwing na het verstrijken van dezer maximale periode, zoals deze zijn vastgesteld in annex 1.
##### Artikel 7
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, kunnen de verslagregels uit het datageheugen alleen worden uitgelezen door personen als bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66r), met een door de fabrikant van het alcoholslot te leveren en door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde uitleesapplicatie.
2. De uitlezing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
3. Het datageheugen genereert een beveiligd uitvoerbestand dat onverwijld aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden op de in [artikel 66ss van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66ss) aangegeven wijze overeenkomstig de structuurdefinitie zoals die overeenkomstig [artikel 66f, derde lid, van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66f) is vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
4. Het datageheugen wordt pas geschoond nadat van de Dienst Wegverkeer een bevestiging is ontvangen dat het uitvoerbestand op correcte wijze is geregistreerd in het in [artikel 129a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a) bedoelde alcoholslotregister.
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
##### Artikel 8
In afwijking van punt 4.7 van NEN-EN 50436-1, gelden voor de hertest de volgende eisen:
- a. het alcoholslot geeft na het deblokkeren van het startmechanisme door goed waarneembare auditieve signalen aan wanneer een hertest dient te worden uitgevoerd;
- b. de eerste keer na het deblokkeren van het startmechanisme vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval, na een instelbare wachtperiode;
- c. elke volgende keer vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval;
- d. het alcoholslot maakt het mogelijk dat de hertest binnen de in annex 1 vastgestelde tijdsinterval kan worden afgelegd;
- e. de duur van het auditieve signaal wordt ingesteld op de in annex 1 vastgestelde waarde. Zolang binnen de in onderdelen b of c bedoelde periode geen geldig ademmonster is afgegeven, worden herinneringen afgegeven met tussenpozen van minimaal drie minuten en maximaal vijf minuten;
- f. het is mogelijk de hertest uit te voeren zonder dat de aandacht van de bestuurder voor het verkeer hoeft af te nemen;
- g. indien de bestuurder geen gehoor geeft aan de oproep om een hertest, of indien bij een hertest uit het afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet, roept het alcoholslot de bestuurder op om het motorrijtuig zo snel mogelijk stop te zetten. Hiertoe geeft het alcoholslot goed waarneembare auditieve of visuele signalen af die aan blijven houden totdat de bestuurder de motor van zijn motorrijtuig heeft uitgezet.
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
##### Artikel 9
1. In aanvulling op punt 4.8 van NEN-EN 50436-1, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. minder dan 10% van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
- b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onrechtmatigheden of technische mankementen zijn;
- c. het alcoholslot na de laatste uitlezing ten minste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd.
2. In aanvulling op het eerste lid, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet;
- b. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;
- c. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet.
### Artikel 1
##### Artikel 10
1. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is de toegang tot het datageheugen, tot de middelen waarmee de parameters worden ingesteld en tot de mogelijkheden voor afstelling zodanig ontworpen dat onbevoegde of onbedoelde wijziging wordt voorkomen.
2. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is het alcoholslot op een zodanige wijze ingesteld dat daardoor manipulatie bij het afgeven van het ademmonster wordt voorkomen.
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
##### Artikel 11
In aanvulling op punt 5 van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. De volgende gegevens van het alcoholslot zijn duidelijk leesbaar aangebracht op een constructieplaat op de vaste eenheid:
- a. fabrikant;
- b. merk;
- c. type;
- d. serienummer van het desbetreffende onderdeel;
- e. typegoedkeuringsnummer van het type alcoholslot, zoals dat overeenkomstig de in annex 3 opgenomen eisen is samengesteld.
- 2. De in onderdeel 1, onder d en e, bedoelde gegevens, zijn in barcode leesbaar. De barcode is samengesteld met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
- 3. Het temperatuurbereik waarbinnen het alcoholslot kan worden gebruikt, is voor de gebruiker zichtbaar aangegeven, tenzij het bereik van de zichtbare onderdelen minimaal –45 °C tot en met +85 °C bedraagt.
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de bouw of inrichting waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
##### Artikel 12
1. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, moet elk alcoholslot zijn voorzien van een instructie voor de installatie in de Nederlandse taal die ten minste de volgende informatie bevat:
- a. de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het desbetreffende alcoholslot;
- b. het type van het alcoholslot;
- c. het Nederlandse typegoedkeuringsnummer.
2. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, wordt aan de instructie voor installatie het volgende onderdeel toegevoegd:
Criteria voor plaatsing
Bij de opstelling van de montagehandleiding voor de handset wordt ten minste op de volgende punten ingegaan:
- a. de handset wordt geïnstalleerd op een manier die de goede werking en de veiligheid van het motorrijtuig niet in gevaar brengt;
- b. de plaatsing van de handset leidt in geval van een ongeval niet tot onnodig letsel;
- c. de handset wordt binnen handbereik van de chauffeur geplaatst;
- d. de handset is zodanig gemonteerd dat deze bij het op en neer bewegen van het motorrijtuig, of bij rijden over slechte wegen, of bij het maken van abrupte manoeuvres, niet kan losraken;
- e. de kabel van de handset is op zodanige wijze worden geleid dat hij niet kan interfereren met de veilige werking van het motorrijtuig;
- f. de montagematerialen zijn bestand tegende trillingen, schokken en temperaturen die in het motorrijtuig kunnen voorkomen;
- g. de montage van de handset belemmert geen andere voertuigfuncties;
- h. bij de plaatsing in het voertuig wordt rekening gehouden met de aanwezige airbags;
- i. indien in bij het installeren van de handset rekening moet worden gehouden met beperkingen ten aanzien van de installatie, wordt dit duidelijk en expliciet in de montagehandleiding vermeld;
- j. het alcoholslot onderbreekt na het installeren de spanning tussen contactslot of startknopen de startmotor;
- k. de installatieprocedure garandeert dat een alcoholslot alleen kan interveniëren in de auto wanneer deze wordt gestart. Een reeds draaiende motor wordt niet onderbroken;
- l. de plaats en wijze waarop na inbouw van het alcoholslot de verzegeling van dat alcoholslot moet worden aangebracht.
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de bouw of inrichting waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de bouw of inrichting waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
##### Artikel 13
1. De punten 8.1.1 tot en met 8.1.4 van NEN-EN 50436-1, zijn van overeenkomstige toepassing op losse handsets indien een verbinding van dit apparaat met het stroomcircuit van het desbetreffende motorrijtuig is voorzien.
2. In aanvulling op het eerste lid, geldt voor losse handsets dat in delen van het alcoholslot met geïntegreerde batterijen de batterijen gedurende 60 seconden worden geplaatst met omgekeerde polariteit, tenzij een verkeerde polarisatie technisch niet mogelijk is.
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
##### Artikel 14
In aanvulling op punt 8.3.1 van NEN-EN 50436-1, geldt voor losse handsets een omgevingstemperatuur van –20 °C tot +65 °C.
### Artikel 1
##### Artikel 15
In aanvulling op punt 8.4.1 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot de omgevingstemperaturen van respectievelijk –5 °C, 0 °C en +65 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze respectievelijke omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot omgevingstemperatuur van –20 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eerste eis van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
##### Artikel 16
In aanvulling op punt 8.4.2 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot de laagste omgevingstemperatuur heeft bereikt die door de fabrikant is gespecificeerd, zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, waarbij de omgevingstemperatuur echter niet hoger is dan –5 °C, met: wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 9V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 16V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot een omgevingstemperatuur van 65 °C, heeft bereikt met wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 16V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 32V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 125% van de nominale accuspanning en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. bij een temperatuur van 5 °C onder de laagste omgevingstemperatuur die door de fabrikant is gespecificeerd zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, mag het slot niet gereed zijn voor het afnemen van een ademmonster.
##### Artikel 17
In afwijking van punt 8.4.4. van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. bij een omgevingstemperatuur van 20 °C is het alcoholslot na inschakeling vanuit de stand van beperkt energieverbruik binnen één minuut gereed om een ademmonster af te nemen. In deze omgevingsomstandigheid voldoet het alcoholslot aan de eisen van functionele beproeving type 1 van punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot nadat het alcoholslot in de stand van beperkt energieverbruik in een omgeving met een temperatuur van –5 °C is gebracht, met is het alcoholslot binnen 90 seconden na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. indien een alcoholslot is gespecificeerd voor een omgevingstemperatuur van –20 °C en niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot in een omgeving met een temperatuur van –20 °C is gebracht, in de stand van beperkt energieverbruik, met : is het alcoholslot binnen drie minuten na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu volgens de accuspecificatie,
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
##### Artikel 18
In aanvulling op punt 8.8. van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. het alcoholslot deblokkeert het startmechanisme niet als:
- a. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk met een verstopte luchtuitlaat;
- b. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van het mondstuk totdat de minimale gasstroom is bereikt, waarna in omgekeerde richting wordt gezogen;
- c. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via het mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen;
- d. indien dit mogelijk is, driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via de ademuitgang van het mondstuk respectievelijk het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen.
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
##### Artikel 19
In afwijking van de laatste alinea van punt 8.13 van NEN-EN 50436-1, voldoet het alcoholslot gedurende de in annex 1 genoemde periode, of langer indien door de fabrikant een langere termijn is aangegeven als uiterste termijn waarbinnen het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, vermeerderd met de in annex 1 vastgestelde duur van de waarschuwing nadat deze termijn is verstreken, onder normale omstandigheden aan de eisen van de functionele beproevingen type 1 en type 3 uit punt 7.5.
##### Artikel 20
In aanvulling op hoofdstuk 8 van NEN-EN 50436-1, wordt een eis toegevoegd, luidende:
Nadat een ademmonster is afgegeven, geeft het alcoholslot het dienovereenkomstige uitvoersignaal:
- a. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 10 seconden;
- b. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,250 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 15 seconden;
- c. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,350 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 20 seconden.
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
Vervallen.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
Vervallen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2021-01-05&g=2021-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-03-29&g=2011-03-29), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-03-29&g=2011-03-29), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Vervallen.
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
### Artikel 140
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
### § 3. **Breedtespiegel**
### Artikel 147
### § 6. **Wijze van keuren**
### Artikel 150
### Artikel 152
### Artikel 153
### Annex 5. **behorende bij artikel 50, vierde lid, en 50a, derde lid**
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3 moet het, aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende, en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde, voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, dan wordt door de Dienst Wegverkeer, op de wijze vermeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2023-05-31&g=2023-05-31) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
Vervallen
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 1
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### § 3. **Kentekenplaat**
### Artikel 6
### Artikel 13
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
### § 1. **Chassisraam**
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 3. **Bromfietsen**
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Op de retroreflector moet:
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Vervallen.
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Vervallen.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Artikel 93
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-04-09&g=2011-04-09), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-04-09&g=2011-04-09), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
De opspatafscherming moet:
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
### Artikel 128
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 129
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De lengtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 131
### Artikel 132
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### § 1. **Linker- en rechterbuitenspiegel**
### Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 136a
### Artikel 137
### Artikel 137
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2023-05-31&g=2023-05-20) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
### Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Op de retroreflector moet:
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
### Artikel 20
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
Vervallen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Voor het bepalen van de remvertraging:
Vervallen.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Vervallen.
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 80
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
Aanvangssnelheid 40 km/h:
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De opspatafscherming moet:
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Vervallen.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### Artikel 133a
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### Artikel 137a
De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
### Artikel 138
### Artikel 139
### Artikel 139
### Artikel 140
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
### Artikel 141
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### § 2. **Spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien**
### § 2. **Spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien**
### Artikel 142
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2011-04-09&g=2011-04-09), van de Regeling voertuigen
### § 6. **Wijze van keuren**
### Artikel 151
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de bouw of inrichting van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Annex 1. **behorende bij artikel 4**
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
In deze annex:
### § 3. **Breedtespiegel**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
### Artikel 144
### Artikel 145
### Artikel 146
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.2a
Vervallen
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
##### Artikel 1.5
Vervallen
##### Artikel 1.6
Vervallen
##### Artikel 1.7
Vervallen
##### Artikel 1.8
Vervallen
##### Artikel 1.9
Vervallen
##### Artikel 1.10
Vervallen
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
### Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
#### § 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
##### Artikel 3.23a
Vervallen
##### Artikel 3.23b
Vervallen
### Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
##### Artikel 3.25a
Een typegoedkeuring voor het alcoholslot verliest haar geldigheid, indien:
- a. een wijziging in het alcoholslot of het productieproces van dat alcoholslot heeft plaatsgevonden, waardoor niet meer aan de voorwaarden voor een afgegeven typegoedkeuring wordt voldaan;
- b. een wijziging in het alcoholslot of in het productieproces van dat alcoholslot is aangebracht die in strijd is met de typegoedkeuring;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het alcoholslot of het productieproces niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
### Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 17. Wagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 5. Assen
#### A. Aanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 3. Reminrichting
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
#### § 3.1. Algemeen
#### § 6. Diversen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 1. Algemeen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.89a
1. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:
- a. Het kalibratiegas moet zodanig zijn samengesteld dat daarmee de kalibratiecontrole van een alcoholslot op juiste wijze kan worden uitgevoerd. Behalve ten aanzien van het alcoholgehalte is de fabrikant vrij in de keuze van de samenstelling, mits de samenstelling geen invloed heeft op de juiste werking van het alcoholslot;
- b. het kalibratiegas moet een nominale alcoholconcentratie hebben van de door de fabrikant van het alcoholslot gespecificeerde concentratie, plus of min 10%;
- c. het kalibratiegas moet telkens worden bereid met een alcoholconcentratie met een onzekerheid van niet meer dan 3%.
2. Bij de productie van het in het eerste lid bedoelde kalibratiegas:
- a. is de fabrikant vrij in de keuze van de methode van vervaardiging, mits het kalibratiegas voldoet aan de voorschriften van dit artikel;
- b. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het onder de volgende omgevingscondities voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen:
- 1°. omgevingstemperaturen van 10 °C tot en met 33 °C;
- 2°. luchtdrukken van 970 hPa tot en met 1050 hPa;
- 3°. relatieve luchtvochtigheid van 5% tot en met 95%;
- c. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen gedurende ten minste 100 kalibraties of gedurende ten minste 200 dagen;
3. [Artikel 8.4.89, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2018-03-31&g=2018-03-31), is van overeenkomstige toepassing.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 2.2. Certificaten
#### § 7.1. Algemeen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [verordening (EG) nr. 661/2009](32009R0661) tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### Artikel 4
### Artikel 14
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
Vervallen.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Vervallen.
Vervallen.
### Artikel 136
De linkerbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
### Artikel 138
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Artikel 140
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### Artikel 142a
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Artikel 143
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 146
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 147
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
### Artikel 148
### Artikel 149
### Artikel 149
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### § 6. **Wijze van keuren**
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 151
### Artikel 152
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
### Artikel 153
##### Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in afwijking van punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **ademmonster:** monster dat bij hard uitblazen door de mond in de handset van het alcoholslot wordt genomen en door het alcoholslot wordt gemeten.
2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in aanvulling op punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **datageheugen:** registratie-eenheid als onderdeel van de vaste eenheid van het alcoholslot, waarin de in annex 3 aangegeven aspecten met datum en tijd worden vastgelegd;
- **erkend installateur:** de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k);
- **erkende medewerker:** de medewerker, bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend), die bevoegd is tot het uitvoeren van de in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k) bedoelde werkzaamheden;
- **geldig ademmonster:** ademmonster dat voldoet aan de in annex 1 vastgestelde eis voor volume en de in NEN-EN 50436-1 vastgestelde eisen voor luchtstroom en uitademtijd;
- **handset:** het al dan niet draadloze deel van het alcoholslot dat wordt gebruikt voor het afnemen en analyseren van het ademmonster;
- **identificatiekenmerk:** het unieke identificatienummer van het alcoholslot dat is samengesteld uit het typegoedkeuringsnummer en het serienummer van het alcoholslot;
- **initieel ademmonster:** het in het kader van het alcoholslotprogramma in de handset afgegeven geldige ademmonster met het oog op het kunnen starten van het motorrijtuig;
- **fabrikant:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ontwerp, de constructie en de productie van het alcoholslot;
- **terugroeping voor onderhoud:** een door het alcoholslot gegenereerde herinnering verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet worden gekalibreerd;
- **uitleesapplicatie:** de applicatie die wordt gebruikt voor het kalibreren, justeren en uitlezen van het alcoholslot, alsmede voor het overbrengen van instellingen naar en voor het vastleggen van gegevens en waarnemingen in het alcoholslot, respectievelijk het overbrengen van gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister;
- **vaste eenheid:** het deel van het alcoholslot dat vast in het motorrijtuig wordt gemonteerd en zorg draagt voor het opslaan van gegevens en dat het starten van het motorrijtuig voorkomt indien er geen geldig ademmonster is afgegeven dat lager is dan de in annex 1 gestelde limiet;
- **vroegtijdige terugroeping:** een door het alcoholslot gegenereerde extra terugroeping in de periode voordat de in annex 1 vastgestelde uiterste termijn voor onderhoud is verstreken en niet verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd;
- **vrije herstartperiode:** periode gedurende welke geen ademmonster behoeft te worden afgegeven om het motorrijtuig te starten.
### Annex 1. **behorende bij de artikelen 5 tot en met 7**
##### Artikel 2
1. Alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) voldoen aan de eisen uit NEN-EN 50436-1, voor zover in deze bijlage niet expliciet die eisen worden aangevuld of van die eisen wordt afgeweken.
2. In aanvulling op NEN-EN 50436-1, voldoen alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), aan de in annex 1 vastgestelde aanvullende parameterinstellingen.
### Annex 2. **behorende bij artikel 15, eerste lid**
### Annex 3. **behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
##### Artikel 3
In aanvulling op punt 4.1 uit NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. In het alcoholslot moeten de in annex 1 vastgestelde parameterinstellingen kunnen worden ingesteld op waarden die zijn gelegen tussen de in die annex vastgestelde minimale en maximale waarden.
- 2. De maximale waarde waaronder het startmechanisme wordt gedeblokkeerd, wordt ingesteld op 90 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
- 3. Het alcoholslot waarborgt dat het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart indien:
- a. een geldig initieel ademmonster met een alcoholgehalte lager dan de in annex 1 vastgestelde limiet wordt afgegeven én de motor van dat motorrijtuig binnen de in die annex vastgestelde startperiode wordt gestart;
- b. de motor van het desbetreffende motorrijtuig na het uitschakelen van de motor binnen de in annex 1 vastgestelde periode van vrije herstart wordt gestart of gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 4 bedoelde overbruggingsfunctie.
- 4. In aanvulling op het derde lid, onderdeel a, wordt, indien er sprake is van een draadloze handset, uitsluitend een ademmonster gegeven als het contact van het motorrijtuig in de accessoire stand staat. Indien het contact is uitgeschakeld, is het afgeven van een ademmonster onmogelijk.
- 5. Alle instelbare functies en parameters kunnen alleen worden ingesteld door de in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend) bedoelde personen. Wijzigingen in de instellingen van de functies en de parameters worden in het datageheugen vastgelegd.
- 6. Voor zover het alcoholslot over niet in annex 1 genoemde, instelbare functies of parameters beschikt, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer daarvan in kennis, onder mededeling van de ingestelde waarden.
- 7. Het alcoholslot is voorzien van een scherm waarop in het Nederlands aanwijzingen aan de gebruiker worden gegeven. Andere talen zijn toegestaan als extra dienstverlening.
- 8. Als een initieel ademmonster niet geldig is, wordt dit op het in het zevende lid bedoelde scherm aangegeven, tezamen met de reden.
- 9. Indien het initiële ademmonster niet geldig is, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel ademmonster mogelijk. Er wordt geen limiet worden gesteld aan het aantal initiële ademmonsters.
- 10. Indien het initiële ademmonster wel geldig is, maar het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan de in annex 1 vastgestelde limiet, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel blaasmonster mogelijk, ongeacht de hoogte van het gemeten alcoholgehalte. Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal initiële ademmonsters. Op het scherm wordt uitsluitend vermeld dat het gemeten ademalcoholgehalte te hoog is. De hoogte van het gemeten ademalcoholgehalte wordt niet vermeld.
- 11. Het alcoholslot beschikt over de mogelijkheid om de periode aan te geven waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd en het motorrijtuig moet zijn teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), en om deze periode aan de gebruiker door middel van een mededeling op het scherm kenbaar te maken. Vanaf een in annex 1 vastgesteld aantal dagen voor het verstrijken van die periode wordt de gebruiker bij het starten van de motor goed waarneembaar geïnformeerd over het verstrijken van die datum. Het startmechanisme kan na een in genoemde annex vastgesteld aantal dagen na het verstrijken van die periode niet meer door de gebruiker van het motorrijtuig worden gedeblokkeerd. Vanaf het verstrijken van die periode wordt tevens goed waarneembaar aangegeven na hoeveel dagen het startmechanisme niet meer kan worden gedeblokkeerd.
- 12. De handset en de vaste eenheid krijgen tijdens de productie een fabrikant-specifieke unieke identiteit. De identiteit van de handset en de vaste eenheid kunnen niet worden gewijzigd.
- 13. Tijdens installatie wordt één handset logisch gekoppeld aan de vaste eenheid.
### Annex 4. **behorende bij artikel 50, eerste lid, en artikel 50a, eerste lid**
##### Artikel 4
1. In afwijking van punt 4.2 uit NEN-EN 50436-1, is uitsluitend voorzien in een overbruggingsfunctie bestemd voor onderhoud aan het motorrijtuig of het alcoholslot, waarmee het startmechanisme gedurende een in annex 1 vastgestelde maximale periode kan worden gedeblokkeerd zonder dat een initieel ademmonster of een hertest behoeft te worden afgelegd.
2. Het gebruik van de overbruggingsfunctie, bedoeld in het eerste lid, is uitsluitend na invoer van een code mogelijk en wordt altijd geregistreerd in het datageheugen.
3. De overbrugging moet op eenvoudige wijze voortijdig kunnen worden beëindigd.
### Annex 5. **behorende bij artikel 50, vierde lid, en 50a, derde lid**
##### Artikel 5
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, registreert het datageheugen ten minste de waarnemingen en gebeurtenissen vastgesteld in annex 2, met de daarbij behorende verplichte velden.
2. Ten aanzien van het alcoholslot en de uitleesapplicatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongeautoriseerd kennisnemen, tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking en om te garanderen dat waarnemingen en gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid onweerlegbaar en integer worden geregistreerd in het alcoholslotregister, bedoeld in [artikel 129a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a).
3. Om aan het tweede lid te voldoen, wordt het alcoholslot alsmede de uitleesapplicatie beschermd door beveiligingsmaatregelen, zoals geformuleerd in het beschermingsprofiel Alcohol Interlock pp, v1.0.
##### Artikel 6
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, wordt iedere waarneming of gebeurtenis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgelegd in een aparte verslagregel.
2. Een verslagregel bevat ten minste de volgende velden:
- a. datum en tijd in Centraal Europese Tijd, rekening houdend met de zomertijd. Indien een verslagregel betreffende een meting van het ademalcoholgehalte niet onmiddellijk wordt opgeslagen in het datageheugen, bevat de verslagregel ook de datum en tijd van opslag in het datageheugen;
- b. volgnummer, dat oplopend moet zijn;
- c. berichttype;
- d. berichtnummer;
- e. één of meer meetwaarden of veldwaarden, en waar relevant zowel de oude als de nieuwe waarden.
3. De in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde verplichte velden per gegevens record mogen worden gevolgd door niet-gestandaardiseerde aanvullende velden.
4. Zowel verslagregels ontstaan in de handset, als de verslagregels ontstaan in de vaste eenheid, worden opgeslagen in het datageheugen.
5. Het datageheugen heeft een geheugenruimte die voldoende ruimte biedt voor het vastleggen van ten minstealle verslagregels die het alcoholslot bij normaal gebruik genereert in de maximale periode gedurende welke het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, plus de duur van de waarschuwing na het verstrijken van dezer maximale periode, zoals deze zijn vastgesteld in annex 1.
##### Artikel 7
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, kunnen de verslagregels uit het datageheugen alleen worden uitgelezen door personen als bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66r), met een door de fabrikant van het alcoholslot te leveren en door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde uitleesapplicatie.
2. De uitlezing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
3. Het datageheugen genereert een beveiligd uitvoerbestand dat onverwijld aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden op de in [artikel 66ss van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66ss) aangegeven wijze overeenkomstig de structuurdefinitie zoals die overeenkomstig [artikel 66f, derde lid, van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66f) is vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
4. Het datageheugen wordt pas geschoond nadat van de Dienst Wegverkeer een bevestiging is ontvangen dat het uitvoerbestand op correcte wijze is geregistreerd in het in [artikel 129a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a) bedoelde alcoholslotregister.
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
##### Artikel 8
In afwijking van punt 4.7 van NEN-EN 50436-1, gelden voor de hertest de volgende eisen:
- a. het alcoholslot geeft na het deblokkeren van het startmechanisme door goed waarneembare auditieve signalen aan wanneer een hertest dient te worden uitgevoerd;
- b. de eerste keer na het deblokkeren van het startmechanisme vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval, na een instelbare wachtperiode;
- c. elke volgende keer vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval;
- d. het alcoholslot maakt het mogelijk dat de hertest binnen de in annex 1 vastgestelde tijdsinterval kan worden afgelegd;
- e. de duur van het auditieve signaal wordt ingesteld op de in annex 1 vastgestelde waarde. Zolang binnen de in onderdelen b of c bedoelde periode geen geldig ademmonster is afgegeven, worden herinneringen afgegeven met tussenpozen van minimaal drie minuten en maximaal vijf minuten;
- f. het is mogelijk de hertest uit te voeren zonder dat de aandacht van de bestuurder voor het verkeer hoeft af te nemen;
- g. indien de bestuurder geen gehoor geeft aan de oproep om een hertest, of indien bij een hertest uit het afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet, roept het alcoholslot de bestuurder op om het motorrijtuig zo snel mogelijk stop te zetten. Hiertoe geeft het alcoholslot goed waarneembare auditieve of visuele signalen af die aan blijven houden totdat de bestuurder de motor van zijn motorrijtuig heeft uitgezet.
### Artikel 1
##### Artikel 9
1. In aanvulling op punt 4.8 van NEN-EN 50436-1, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. minder dan 10% van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
- b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onrechtmatigheden of technische mankementen zijn;
- c. het alcoholslot na de laatste uitlezing ten minste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd.
2. In aanvulling op het eerste lid, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet;
- b. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;
- c. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet.
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
##### Artikel 10
1. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is de toegang tot het datageheugen, tot de middelen waarmee de parameters worden ingesteld en tot de mogelijkheden voor afstelling zodanig ontworpen dat onbevoegde of onbedoelde wijziging wordt voorkomen.
2. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is het alcoholslot op een zodanige wijze ingesteld dat daardoor manipulatie bij het afgeven van het ademmonster wordt voorkomen.
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de bouw of inrichting van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
##### Artikel 11
In aanvulling op punt 5 van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. De volgende gegevens van het alcoholslot zijn duidelijk leesbaar aangebracht op een constructieplaat op de vaste eenheid:
- a. fabrikant;
- b. merk;
- c. type;
- d. serienummer van het desbetreffende onderdeel;
- e. typegoedkeuringsnummer van het type alcoholslot, zoals dat overeenkomstig de in annex 3 opgenomen eisen is samengesteld.
- 2. De in onderdeel 1, onder d en e, bedoelde gegevens, zijn in barcode leesbaar. De barcode is samengesteld met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
- 3. Het temperatuurbereik waarbinnen het alcoholslot kan worden gebruikt, is voor de gebruiker zichtbaar aangegeven, tenzij het bereik van de zichtbare onderdelen minimaal –45 °C tot en met +85 °C bedraagt.
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de bouw of inrichting waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
##### Artikel 12
1. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, moet elk alcoholslot zijn voorzien van een instructie voor de installatie in de Nederlandse taal die ten minste de volgende informatie bevat:
- a. de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het desbetreffende alcoholslot;
- b. het type van het alcoholslot;
- c. het Nederlandse typegoedkeuringsnummer.
2. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, wordt aan de instructie voor installatie het volgende onderdeel toegevoegd:
Criteria voor plaatsing
Bij de opstelling van de montagehandleiding voor de handset wordt ten minste op de volgende punten ingegaan:
- a. de handset wordt geïnstalleerd op een manier die de goede werking en de veiligheid van het motorrijtuig niet in gevaar brengt;
- b. de plaatsing van de handset leidt in geval van een ongeval niet tot onnodig letsel;
- c. de handset wordt binnen handbereik van de chauffeur geplaatst;
- d. de handset is zodanig gemonteerd dat deze bij het op en neer bewegen van het motorrijtuig, of bij rijden over slechte wegen, of bij het maken van abrupte manoeuvres, niet kan losraken;
- e. de kabel van de handset is op zodanige wijze worden geleid dat hij niet kan interfereren met de veilige werking van het motorrijtuig;
- f. de montagematerialen zijn bestand tegende trillingen, schokken en temperaturen die in het motorrijtuig kunnen voorkomen;
- g. de montage van de handset belemmert geen andere voertuigfuncties;
- h. bij de plaatsing in het voertuig wordt rekening gehouden met de aanwezige airbags;
- i. indien in bij het installeren van de handset rekening moet worden gehouden met beperkingen ten aanzien van de installatie, wordt dit duidelijk en expliciet in de montagehandleiding vermeld;
- j. het alcoholslot onderbreekt na het installeren de spanning tussen contactslot of startknopen de startmotor;
- k. de installatieprocedure garandeert dat een alcoholslot alleen kan interveniëren in de auto wanneer deze wordt gestart. Een reeds draaiende motor wordt niet onderbroken;
- l. de plaats en wijze waarop na inbouw van het alcoholslot de verzegeling van dat alcoholslot moet worden aangebracht.
### Titel 1. **Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
##### Artikel 13
1. De punten 8.1.1 tot en met 8.1.4 van NEN-EN 50436-1, zijn van overeenkomstige toepassing op losse handsets indien een verbinding van dit apparaat met het stroomcircuit van het desbetreffende motorrijtuig is voorzien.
2. In aanvulling op het eerste lid, geldt voor losse handsets dat in delen van het alcoholslot met geïntegreerde batterijen de batterijen gedurende 60 seconden worden geplaatst met omgekeerde polariteit, tenzij een verkeerde polarisatie technisch niet mogelijk is.
### Artikel 1
##### Artikel 14
In aanvulling op punt 8.3.1 van NEN-EN 50436-1, geldt voor losse handsets een omgevingstemperatuur van –20 °C tot +65 °C.
### Artikel 2. **Algemeen**
##### Artikel 15
In aanvulling op punt 8.4.1 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot de omgevingstemperaturen van respectievelijk –5 °C, 0 °C en +65 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze respectievelijke omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot omgevingstemperatuur van –20 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eerste eis van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
##### Artikel 16
In aanvulling op punt 8.4.2 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot de laagste omgevingstemperatuur heeft bereikt die door de fabrikant is gespecificeerd, zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, waarbij de omgevingstemperatuur echter niet hoger is dan –5 °C, met: wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 9V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 16V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot een omgevingstemperatuur van 65 °C, heeft bereikt met wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 16V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 32V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 125% van de nominale accuspanning en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. bij een temperatuur van 5 °C onder de laagste omgevingstemperatuur die door de fabrikant is gespecificeerd zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, mag het slot niet gereed zijn voor het afnemen van een ademmonster.
##### Artikel 17
In afwijking van punt 8.4.4. van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. bij een omgevingstemperatuur van 20 °C is het alcoholslot na inschakeling vanuit de stand van beperkt energieverbruik binnen één minuut gereed om een ademmonster af te nemen. In deze omgevingsomstandigheid voldoet het alcoholslot aan de eisen van functionele beproeving type 1 van punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot nadat het alcoholslot in de stand van beperkt energieverbruik in een omgeving met een temperatuur van –5 °C is gebracht, met is het alcoholslot binnen 90 seconden na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. indien een alcoholslot is gespecificeerd voor een omgevingstemperatuur van –20 °C en niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot in een omgeving met een temperatuur van –20 °C is gebracht, in de stand van beperkt energieverbruik, met : is het alcoholslot binnen drie minuten na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu volgens de accuspecificatie,
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
##### Artikel 18
In aanvulling op punt 8.8. van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. het alcoholslot deblokkeert het startmechanisme niet als:
- a. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk met een verstopte luchtuitlaat;
- b. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van het mondstuk totdat de minimale gasstroom is bereikt, waarna in omgekeerde richting wordt gezogen;
- c. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via het mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen;
- d. indien dit mogelijk is, driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via de ademuitgang van het mondstuk respectievelijk het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen.
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
##### Artikel 19
In afwijking van de laatste alinea van punt 8.13 van NEN-EN 50436-1, voldoet het alcoholslot gedurende de in annex 1 genoemde periode, of langer indien door de fabrikant een langere termijn is aangegeven als uiterste termijn waarbinnen het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, vermeerderd met de in annex 1 vastgestelde duur van de waarschuwing nadat deze termijn is verstreken, onder normale omstandigheden aan de eisen van de functionele beproevingen type 1 en type 3 uit punt 7.5.
##### Artikel 20
In aanvulling op hoofdstuk 8 van NEN-EN 50436-1, wordt een eis toegevoegd, luidende:
Nadat een ademmonster is afgegeven, geeft het alcoholslot het dienovereenkomstige uitvoersignaal:
- a. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 10 seconden;
- b. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,250 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 15 seconden;
- c. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,350 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 20 seconden.
### Artikel 1.0
Vervallen.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
### Artikel 1.1
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
Vervallen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2021-01-05&g=2021-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Vervallen.
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-03-29&g=2011-03-29), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-03-29&g=2011-03-29), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De linkerbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
### Artikel 141
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
### § 4. **Gezichtsveldverbeterende voorziening**
### Artikel 147
### § 6. **Wijze van keuren**
### Artikel 150
### Artikel 153
### Annex 2. **behorende bij artikel 15, eerste lid**
### Artikel 1.30
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3 moet het, aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende, en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde, voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, dan wordt door de Dienst Wegverkeer, op de wijze vermeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2023-05-31&g=2023-05-31), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2023-05-31&g=2023-05-31) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
Vervallen
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Vervallen.
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-04-09&g=2011-04-09), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-04-09&g=2011-04-09), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2011-04-09&g=2011-04-09), van de Regeling voertuigen
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 152
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de bouw of inrichting waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
### Artikel 2. **Algemeen**
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
@@ -17016,633 +17016,633 @@
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 5. Assen
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 8. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
##### Artikel 5.18.62
1. Op een afsleepas zijn de [artikelen 5.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=1&artikel=5.12.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=5&artikel=5.12.18&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=6&artikel=5.12.27&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.31, eerste tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.12.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.66&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.12.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Een afsleepas moet zijn voorzien van een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch toegestane maximummassa is aangegeven.
3. Aan de achterzijde van het door de afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 3. Reminrichting
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
##### Artikel 8.4.74a
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2025-07-01&g=2025-07-01), wordt een verzegeling aangebracht tussen de platenremtestbank en zijn fundering.
#### § 6.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.75a
Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in de [artikelen 8.4.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.1&artikel=8.4.27&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [8.4.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.2&artikel=8.4.28&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en is voorzien van een arreteerinrichting.
##### Artikel 8.4.75b
1. De maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen statische remkracht bedraagt:
- a. bij een kracht die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. bij een kracht die groter is dan 2500 N: 4% van de werkelijke remkracht.
2. Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld in het eerste lid.
3. De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 7.2.2. De maximale fout
##### Artikel 8.4.75c
1. De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.
2. Indien een registratie-inrichting aanwezig is, moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.
3. De aanwijzingen moeten:
- a. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- b. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn.
4. Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de aflezing op eenvoudige wijze mogelijk is.
##### Artikel 8.4.75d
1. De platenremtestbank is op eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.
2. Het oppervlak van de meetplaten is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. De minimale lengte van de meetplaat bedraagt 1,35 m.
##### Artikel 8.4.75e
De resulterende meetwaarde is de maximale gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
##### Artikel 8.4.76
1. Typekeuringscertificaten die afgegeven zijn vóór 1 januari 2012, vervallen met ingang van 1 augustus 2012.
2. Platenremtestbanken die op basis van vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik genomen zijn, moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht waren op 31 december 2011.
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 2.2. Certificaten
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 2. Toerentellers
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2021-01-05&g=2021-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-01-01&g=2012-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### Annex 2. **behorende bij artikel 15, eerste lid**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### Annex 3. **behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
### Artikel 2
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Artikel 1.0
### Artikel 1.1
### Artikel 1.30
### Artikel 1.30
### § 2.2.1. **Algemeen**
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
### Artikel 1.33
### Artikel 1.53
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-10-01&g=2012-10-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-10-01&g=2012-10-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2014-03-20&g=2014-03-20), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2014-03-20&g=2014-03-20), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
### Afdeling 2. **Eisen CNG**
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
### Artikel 1.31
### Artikel 1.41
### Artikel 1.34
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.36
### Artikel 1.35
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.12.31a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een reminrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De reminrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in [artikel 5.12.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | – |
##### Artikel 5.12.39a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een vastzetinrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De vastzetinrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in [artikel 5.12.39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.39&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### E. Wagens
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Assen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
##### Artikel 5.18.62
1. Op een afsleepas zijn de [artikelen 5.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=1&artikel=5.12.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=5&artikel=5.12.18&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=6&artikel=5.12.27&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.31, eerste tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.12.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.66&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.12.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van overeenkomstige toepassing.
2. Een afsleepas moet zijn voorzien van een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch toegestane maximummassa is aangegeven.
3. Aan de achterzijde van het door de afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 3. Reminrichting
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemeen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### E. Fietsen en fietsaanhangwagens
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
#### § 2. Toerentellers
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 2.2. Certificaten
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
##### Artikel 8.4.74a
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2025-02-26&g=2025-02-26), wordt een verzegeling aangebracht tussen de platenremtestbank en zijn fundering.
#### § 6.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.75a
Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in de [artikelen 8.4.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.1&artikel=8.4.27&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [8.4.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.2&artikel=8.4.28&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en is voorzien van een arreteerinrichting.
##### Artikel 8.4.75b
1. De maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen statische remkracht bedraagt:
- a. bij een kracht die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. bij een kracht die groter is dan 2500 N: 4% van de werkelijke remkracht.
2. Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld in het eerste lid.
3. De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 7.2.2. De maximale fout
##### Artikel 8.4.75c
1. De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.
2. Indien een registratie-inrichting aanwezig is, moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.
3. De aanwijzingen moeten:
- a. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- b. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn.
4. Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de aflezing op eenvoudige wijze mogelijk is.
##### Artikel 8.4.75d
1. De platenremtestbank is op eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.
2. Het oppervlak van de meetplaten is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. De minimale lengte van de meetplaat bedraagt 1,35 m.
##### Artikel 8.4.75e
De resulterende meetwaarde is de maximale gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
##### Artikel 8.4.76
1. Typekeuringscertificaten die afgegeven zijn vóór 1 januari 2012, vervallen met ingang van 1 augustus 2012.
2. Platenremtestbanken die op basis van vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik genomen zijn, moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht waren op 31 december 2011.
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 2.2. Certificaten
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 2. Toerentellers
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2021-01-05&g=2021-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-01-01&g=2012-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-12-31&g=2012-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-12-31&g=2012-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
Vervallen.
### Annex 4. **behorende bij artikel 50, eerste lid, en artikel 50a, eerste lid**
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2012-12-31&g=2012-12-31), van de Regeling voertuigen
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
### Artikel 1.34
### Artikel 1.34
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.36
### Artikel 1.37
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-01-01&g=2013-01-10), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### Annex 3. **behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
### Annex 4. **behorende bij artikel 50, eerste lid, en artikel 50a, eerste lid**
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de bouw of inrichting van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
### Afdeling 2. **Eisen CNG**
### Artikel 1.30
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
Vervallen.
### Titel 1. **Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-01-01&g=2013-01-10), van de Regeling voertuigen
### § 2.2. **Inbouwvoorschriften**
### Artikel 1.33
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
### Artikel 1.52
### Artikel 1.53
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-10-01&g=2012-10-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-10-01&g=2012-10-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2014-03-20&g=2014-03-20), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2014-03-20&g=2014-03-20), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Vervallen.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
### Artikel 1.31
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Artikel 1.41
### Artikel 1.34
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.36
### Artikel 1.37
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.12.31a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een reminrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De reminrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in [artikel 5.12.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | – |
##### Artikel 5.12.39a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een vastzetinrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De vastzetinrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in [artikel 5.12.39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.39&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### E. Wagens
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### E. Fietsen en fietsaanhangwagens
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-12-31&g=2012-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-12-31&g=2012-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### Artikel 1
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2012-12-31&g=2012-12-31), van de Regeling voertuigen
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
### Artikel 1.34
### Artikel 1.35
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
### Artikel 1.38
### Artikel 1.39
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-01-01&g=2013-01-10), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
Vervallen.
### Annex 1. **behorende bij artikel 4**
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-01-01&g=2013-01-10), van de Regeling voertuigen
### Artikel 1.32
### Artikel 1.35
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
### Artikel 1.39
### Artikel 1.40
@@ -17736,7 +17736,7 @@
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
@@ -17773,419 +17773,419 @@
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 9. Carrosserie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 6. Diversen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1. Roetmeters
#### § 3. Reminrichting
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 9. Carrosserie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.1. Algemeen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 1. Roetmeters
#### § 1. Roetmeters
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Manometers
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2015-01-01&g=2015-01-01) en kleine serie typegoedkeuring voor de categorieën M, N en O behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
Vervallen
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-12-31&g=2013-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-12-31&g=2013-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
In deze annex:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-12-31&g=2013-12-31), van de Regeling voertuigen
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
### Artikel 1.32
### Artikel 1.54
### Artikel 1.42
### Artikel 1.39
### Artikel 1.62
### Artikel 1.42
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### § 2.2.2. **CNG-tank**
### Artikel 1.43
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame wordt bepaald door het frame.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Vervallen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
Vervallen
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
##### Artikel 106a
1. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.
##### Artikel 106b
De opspatafscherming moet:
- a. zijn aangebracht achter de wielen van de vooras of voorassen en achter de wielen van de achterste achteras;
- b. reiken tot maximaal 30 cm boven het wegdek;
- c. minimaal de gehele breedte van het loopvlak van de band bedekken, en
- d. deugdelijk zijn bevestigd.
##### Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
In deze annex:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Vervallen.
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
### Artikel 1.29
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
### Artikel 1.29
### Artikel 1.41
### Artikel 1.44
### Artikel 1.47
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.49
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Vervallen
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2015-01-01&g=2015-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2015-01-01&g=2015-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2014-10-31&g=2014-10-31)
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens VN/ECE-reglement 110);
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.4.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
| 2. | Het extra dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 6. Diversen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1. Roetmeters
#### § 3. Reminrichting
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.1. Algemeen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 1. Roetmeters
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Manometers
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2015-01-01&g=2015-01-01) en kleine serie typegoedkeuring voor de categorieën M, N en O behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
Vervallen
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
Vervallen
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-12-31&g=2013-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-12-31&g=2013-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
In deze annex:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-12-31&g=2013-12-31), van de Regeling voertuigen
### Afdeling 2. **Eisen CNG**
### Artikel 1.33
### Artikel 1.54
### Artikel 1.42
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.62
### Artikel 1.42
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Artikel 1.44
### Artikel 1.45
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame wordt bepaald door het frame.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Vervallen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
Vervallen
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
##### Artikel 106a
1. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.
##### Artikel 106b
De opspatafscherming moet:
- a. zijn aangebracht achter de wielen van de vooras of voorassen en achter de wielen van de achterste achteras;
- b. reiken tot maximaal 30 cm boven het wegdek;
- c. minimaal de gehele breedte van het loopvlak van de band bedekken, en
- d. deugdelijk zijn bevestigd.
##### Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
In deze annex:
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
### Artikel 1.29
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
### Artikel 1.41
### Artikel 1.46
### Artikel 1.48
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.50
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Vervallen
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2015-01-01&g=2015-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2015-01-01&g=2015-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2014-10-31&g=2014-10-31)
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
## Bijlage VII. , behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens VN/ECE-reglement 110);
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.4.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| 2. | Het extra dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -18194,15 +18194,15 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7.61
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.7.51, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien het voertuig breder is dan 2,55 m en de montage in het desbetreffende gebied op het voertuig door opspattend zand en vuil van de banden onverenigbaar is, mogen in afwijking van het eerste lid de richtingaanwijzers, achterlichten en rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig op een afstand van meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, doch niet meer dan noodzakelijk, mits de markering van de breedte aan de achterzijde van het voertuig voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen. | |
| 1. | De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.7.51, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien het voertuig breder is dan 2,55 m en de montage in het desbetreffende gebied op het voertuig door opspattend zand en vuil van de banden onverenigbaar is, mogen in afwijking van het eerste lid de richtingaanwijzers, achterlichten en rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig op een afstand van meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, doch niet meer dan noodzakelijk, mits de markering van de breedte aan de achterzijde van het voertuig voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen. | |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -18260,14 +18260,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.8.61
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.8.51, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.8.51, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.8.67
@@ -18312,7 +18312,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing is. | – |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing is. | – |
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
@@ -18367,7 +18367,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; b. ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; c. ten minste 3,0 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; d. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van overeenkomstige toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; b. ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; c. ten minste 3,0 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; d. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van overeenkomstige toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | De bedrijfsrem van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moet op ten minste twee wielen van iedere as werken. | Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bediend en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de geremde wielen van elke as. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
@@ -18383,7 +18383,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op de achteruitrijlichten, remlichten, achterkentekenplaatverlichting, rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten. | – |
@@ -18391,10 +18391,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.14.67 tot en met 5.14.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=11&artikel=5.14.67&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zijn de [artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=11&artikel=5.8.66&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=11&artikel=5.8.66&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.14.67 tot en met 5.14.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=11&artikel=5.14.67&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zijn de [artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=11&artikel=5.8.66&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=11&artikel=5.8.66&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
@@ -18408,75 +18408,75 @@
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.18.25b
1. De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.
2. Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.
##### Artikel 5.18.25c
1. Van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag:
- a. de in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximumlast onder de as niet worden overschreden; en
- b. het draagvermogen van de gemonteerde banden niet worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:
- a. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- b. de technisch toegestane maximumlast onder de as van het voertuig.
3. In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet meer bedragen dan 12.000 kg.
4. Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.
##### Artikel 5.18.25d
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.
##### Artikel 5.18.25e
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, onder 2°, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.18.25b
1. De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.
2. Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.
##### Artikel 5.18.25c
1. Van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag:
- a. de in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximumlast onder de as niet worden overschreden; en
- b. het draagvermogen van de gemonteerde banden niet worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:
- a. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- b. de technisch toegestane maximumlast onder de as van het voertuig.
3. In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet meer bedragen dan 12.000 kg.
4. Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.
##### Artikel 5.18.25d
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.
##### Artikel 5.18.25e
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, onder 2°, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
@@ -18514,10 +18514,10 @@
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
@@ -18528,7 +18528,7 @@
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 12. Koplamptestapparaten
@@ -18603,7 +18603,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
#### § 9. Carrosserie
@@ -18649,7 +18649,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
@@ -18661,7 +18661,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel [5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel [5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -18691,7 +18691,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -18727,7 +18727,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -18752,7 +18752,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -18804,1437 +18804,1439 @@
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Reminrichting
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
##### Artikel 6.10
1. Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:
- a. eenzelfde origineel emissiebeheersingssysteem;
- b. een emissiebeheersingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend op grond van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715), [verordening (EG) 595/2009](32009R0595) of VN/ECE-reglement 103.
3. De in bijlage I van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715) opgenomen eis voor Euro 5-fijnstof, geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.
3a. De in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-07-01&g=2025-07-01) opgenomen eis voor de Euro 5-fijnstofnorm, bedoeld in bijlage I van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715) en eis voor de Euro 6-fijnstofnorm, bedoeld bijlage I van [verordening (EG) 595/2009](32009R0595), gelden bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor personenauto’s, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2017.
4. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), mag een wijziging in de bouw of inrichting waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:
- a. het een personenauto betreft, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2017;
- b. het een ander voertuig dan een personenauto betreft, dat in gebruik is genomen voor 1 januari 2012 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km, of dat in gebruik is genomen voor 31 december 2013 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Reminrichting
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2a. Sneeuwkettingen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 4. Manometers
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.1. Algemeen
#### § 4. Manometers
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 3. Olietemperatuurmeters
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 4. Manometers
#### § 4. Manometers
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Vervallen
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in [artikel 6.3, lid 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
### Artikel 1.41
### Artikel 1.42
### Artikel 1.45
### Artikel 1.49
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.53
### Artikel 1.53
### Artikel 1.55
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.57
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.1a
In deze regeling wordt onder **aanhangwagen**, **ambulance**, **bedrijfsauto**, **bijzondere bromfiets**, **bromfiets**, **bus**, **dolly**, **driewielig motorrijtuig**, **gelede bus**, **gepantserd voertuig**, **kampeerwagen**, **landbouw- of bosbouwaanhangwagen**, **landbouw- of bosbouwtrekker**, **lijkwagen**, **middenasaanhangwagen**, **mobiele kraan**, **mobiele machine**, **motorfiets**, **motorrijtuig met beperkte snelheid**, **oplegger**, **opleggertrekker**, **ov-auto**, **overige voertuig voor speciale doeleinden**, **personenauto**, **taxi**, **voor rolstoelen toegankelijk voertuig** en **verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk**:
- a. mede verstaan een voertuig dat blijkens het kentekenregister een zodanig voertuig is;
- b. niet verstaan een ander van de genoemde voertuigsoorten.
### Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in [hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&hoofdstuk=III)
### Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 4. Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
#### § 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
### Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
### Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 6. Ophanging
#### § 5. Assen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 12. Diversen
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 8. Reminrichting
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.18.32a
1. Banden van motorvoertuigen mogen niet zijn voorzien van sneeuwkettingen die bestaan uit metalen elementen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, indien het gebruik van sneeuwkettingen noodzakelijk is voor het vervullen van een dringende taak.
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Algemeen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.1. Algemeen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 3.1. Algemeen
#### § 3.2. Technische eisen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-01-01&g=2020-09-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-03-31&g=2018-03-31)
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in [artikel 6.3, lid 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in [artikel 6.3, lid 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-03-31&g=2018-03-31)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-03-31&g=2018-03-31)
### Artikel 1.40
### Artikel 1.41
### Artikel 1.46
### Artikel 1.52
### Artikel 1.52
### Artikel 1.54
### Artikel 1.59
### Artikel 1.60
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
### Artikel 1.62
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 9. Carrosserie
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 12. Diversen
#### § 8. Reminrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 5. Assen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 6. Ophanging
#### § 5. Assen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### E. Fietsen en fietsaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 6. Diversen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
#### § 4.1. Algemeen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
Vervallen
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2018-05-20&g=2018-05-20), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-01&g=2018-05-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-20&g=2018-05-20), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen.
Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 8.3.10a
Indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking van zijn nominale waarde hebben dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.
##### Artikel 8.4.86a
1. De programmatuur van de deeltjesteller moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het tweede en derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
2. Voor aanvang van een meting moeten de volgende gegevens worden ingevoerd:
- a. kenteken van het voertuig;
- b. grenswaarde voor voertuig;
3. Nadat de sonde in de uitlaat is aangebracht, worden achtereenvolgens de volgende stappen van de roetfiltertest doorlopen:
- a. een periode van 15 seconden stabiliseren met stationair draaiende motor;
- b. gedurende de registratietijd meten en vervolgens presenteren van de meetwaarde van de meting, gebaseerd op het gemiddelde over de registratietijd;
- c. indien de metingwaarde kleiner is dan of gelijk is aan de grenswaarde: presenteren dat de test is gehaald;
- d. indien de metingwaarde groter is dan de grenswaarde: presenteren dat de test niet is gehaald.
4. Indien nadat de sonde in de uitlaat wordt gebracht, de gemeten waarde direct oploopt tot meer dan tweemaal de grenswaarde, mag de meetprocedure worden afgebroken en is de test niet gehaald.
##### Artikel 45e. Controle werking roetfilter
1. De goede werking van het roetfilter wordt gecontroleerd door meting van het aantal deeltjes per kubieke centimeter in de uitlaatgassen.
2. De test, bedoeld in het eerste lid, wordt bij stationair toerental uitgevoerd.
##### Artikel 45f. Aantal deeltjes bij stationair toerental
De uitlaatgassen van personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een verbrandingsmotor met compressieontsteking en roetfilter, mogen bij stationair toerental niet meer deeltjes bevatten dan 1.000.000 deeltjes per kubieke centimeter.
##### Artikel 45g. Wijze van keuren
1. De controle, bedoeld in artikel 45e, geschiedt door meting aan een stilstaande personenauto, bedrijfsauto of bus met een deeltjesteller die ten minste gedurende de door de fabrikant van de deeltjesteller opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Voor elke test wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadiging van de monsternameslang en sonde.
3. De sonde wordt ten minste 0,30 m in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht.
4. Indien een uitlaatsysteem met één roetfilter meer dan één uitmonding heeft, beperkt de controle zich tot één uitmonding.
5. Indien een uitlaatsysteem meerdere roetfilters bevat, wordt in de uitmonding van elk roetfilter een controle uitgevoerd.
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-01-01&g=2020-09-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
De kleur en afmetingen moeten zijn:
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 3.1.1
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858.
2. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk 2, bij verordening (EU) 2018/858.
3. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.
5. De artikelen 33, 34 en 35, met uitzondering van artikel 35, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2018/858 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.1.2
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag van een voertuig, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van [bijlage IX van deze regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
4. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van die verordening.
5. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het vierde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.1.3
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie bedoelde goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
4. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.
##### Artikel 3.1.4
Onverminderd de toepassing van bijlage II bij verordening (EU) 2018/858, worden, voor zover van toepassing bij een EU-goedkeuring of nationale goedkeuring van een voertuig, aanhangwagen, systeem, onderdeel of technische eenheid daarvan, tevens de volgende richtlijnen in acht genomen:
- a. tot 1 juli 2027, de eisen met betrekking tot het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, bedoeld in [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157);
- b. de eisen met betrekking herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassingen, bedoeld in [richtlijn 2005/64/EG](32005L0064); en
- c. de eisen betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen, bedoeld in [richtlijn 2006/40/EG](32006L0040).
##### Artikel 3.1.5
1. Om als taxi in gebruik te kunnen worden genomen beschikt een voertuig over een nationale individuele goedkeuring of nationale typegoedkeuring voor het gebruik als taxi.
2. Voor goedkeuring als bedoeld in het eerste lid voldoet de taxi aan de in het derde, vierde, vijfde of zesde lid bedoelde goedkeuringseisen.
3. Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt goedgekeurd indien het voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-07-01&g=2025-07-01) omdat het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-07-01&g=2025-07-01). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
5. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
6. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
- b. inrichtingen met zitplaatsen anders dan onder a; en
- c. de gedeelten ten behoeve van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s.
8. Voor een taxi en ov-auto als bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi onderscheidenlijk ov-auto.
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
##### Artikel 3.3.1
1. Voertuigen van de voertuigcategorie L voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 168/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.
3. De artikelen 34 tot en met 37, met uitzondering van artikel 37, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.3.2
1. Voertuigen van voertuigcategorie L, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen van bijlage II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. de bijlagen V en XI bij verordening (EU) 3/2014; en
- 2°. de bijlagen III, IV, XII, XV en XVII bij verordening (EU) 44/2014;
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. Onverminderd het eerste lid voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag als bedoeld in artikel 3 of artikel 6 van [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van deze regeling.
3. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.3.3
1. Voertuigen van voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast
4. In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
##### Artikel 3.5.1
1. Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlage bij verordening (EU) 167/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 37, eerste lid, tweede alinea, van die verordening.
3. De artikelen 29 tot en met 32, met uitzondering van artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.5.2
1. Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. bijlagen III tot en met XI, XIII, XV, XVI, XVII, XX, XXII, XXV en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
- 2°. bijlagen X, XVIII, XXI en XXIII bij verordening (EU) 2015/208; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. Voertuigen van voertuigcategorieën R en S met een eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. bijlagen XXII, XXV, XXVI en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
- 2°. bijlage XVIII, XXI en XXII bij verordening (EU) 2015/208; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in die leden voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.5.3
1. Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
4. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.
### Afdeling 6. Goedkeuring taxi
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
##### Artikel 3.7.1
1. De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige nationale individuele goedkeuring voor ten hoogste twee jaar verlenen voor een voertuig als bedoeld in dit hoofdstuk of van systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan waarin nieuwe technologieën zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de eisen voor die goedkeuring, bedoeld in dit hoofdstuk.
2. De Dienst Wegverkeer kan de in het eerste lid bedoelde voorlopige nationale individuele goedkeuring verlenen indien:
- a. bij de aanvraag de redenen zijn vermeld waarom de nieuwe technologieën of nieuwe concepten tot gevolg hebben dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, onverenigbaar zijn met de eisen voor goedkeuring;
- b. in de aanvraag voor de goedkeuring veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie of het nieuwe concept zijn beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om er voor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als wordt geboden door de voorschriften waarvan ontheffing wordt verleend; en
- c. er testbeschrijvingen en -resultaten worden overgelegd die aantonen dat aan de voorwaarde van onderdeel b wordt voldaan.
3. Onverminderd het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer ter bescherming van inzittenden van het voertuig, ter bescherming van kwetsbare weggebruikers of in verband met de bescherming van de gezondheid, veiligheid, het milieu of andere aspecten van het openbaar belang, aanvullende eisen en voorwaarden verbinden aan het verlenen van een voorlopige nationale individuele goedkeuring. Deze eisen en voorwaarden mogen niet destructief zijn.
4. De Dienst Wegverkeer kan een maximum aantal op grond van dit artikel te verlenen goedkeuringen aan voertuigen of vergelijkbare voertuigen van dezelfde fabrikant vaststellen.
5. De in het eerste lid bedoelde termijn kan met ten hoogste vijf jaar worden verlengd, indien ten behoeve van die nieuwe technologieën of nieuwe concepten nationale, Europese of internationale wetgeving, in voorbereiding is.
##### Artikel 3.7.2
De Dienst Wegverkeer weigert een voorlopige nationale individuele goedkeuring als bedoeld in [artikel 3.7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&artikel=3.7.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) indien:
- a. een individuele EU-goedkeuring, voor een het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 2018/858, artikel 40 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 35 van verordening (EU) 167/2013, meer in de rede ligt;
- b. de toegepaste nieuwe technologieën zodanig vergaand zijn dat ontheffing van een of meer van de eisen voor goedkeuring bedoeld in dit hoofdstuk, niet in de rede ligt.
##### Artikel 3.7.3
Een op grond van [artikel 3.7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&artikel=3.7.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) afgegeven voorlopige nationale individuele goedkeuring wordt door de Dienst Wegverkeer omgezet in een definitieve nationale individuele goedkeuring met ingang van de dag dat voor het betreffende voertuig of systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, een wettelijke regeling voor goedkeuring in werking treedt.
##### Artikel 3.8.1
Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de voorschriften opgenomen in [bijlage Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van deze regeling.
##### Artikel 3.8.2
Onverminderd artikel 29, derde lid, van verordening (EU) 2018/858 voldoet een rem- of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie O3 of O4, voor een nationale typegoedkeuring aan de voor het desbetreffende onderdeel voor het betreffende aangegeven voertuig relevante eisen opgenomen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858 of aan de daarvoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.9.1
Tenzij hierin is voorzien in een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast in verband met de nationale goedkeuringen, bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van wijze van keuren van de permanente eisen.
##### Artikel 3.9.2
1. De Dienst Wegverkeer maakt, indien de voorwaarden of de beperkingen waaronder een EU- of nationale goedkeuring van een voertuig is verleend en dit ten behoeve van de handhaving van de permanente eisen bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), noodzakelijk is, hiervan aantekening in het kentekenregister.
2. Indien een aanvullende nationale individuele goedkeuring is verleend als bedoeld in [artikel 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) wordt door de Dienst Wegverkeer bij de inschrijving in het kentekenregister van een:
- a. taxi als bedoeld in [artikel 3.1.5, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vermeld ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’;
- b. taxi als bedoeld in [artikel 3.1.5, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vermeld ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’.
- c. ov-auto als bedoeld in [artikel 3.1.5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vermeld ‘-ov-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘ov-auto, zie goedkeuringsdocument’.
##### Artikel 3.9.3
De Dienst Wegverkeer houdt in elk geval conformiteitscontroles op het overeenstemmen van de productie en de regelingen inzake het overeenstemmen van de productie van:
- a. door hem verleende nationale kleine serie goedkeuringen op voertuigen en op systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan als bedoeld in dit hoofdstuk;
- b. door hem verleende typegoedkeuringen op grond van een VN/ECE-reglement;
- c. door hem verleende nationale typegoedkeuringen van voertuigen als bedoeld in dit hoofdstuk;
- d. de producten, genoemd in [afdeling 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&z=2025-07-01&g=2025-07-01).
##### Artikel 3.10.1
Geen goedkeuring als bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), is vereist voor:
- a. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 2018/858 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
- b. voertuigen op rupsbanden of ontworpen en gebouwd of aangepast voor exclusief gebruik door de strijdkrachten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c en d, van verordening (EU) 2018/858;
- c. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 168/2013 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
- d. voertuigen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met e, g en h, van [verordening (EU) 168/2013](32013R0168) waarop die verordening niet van toepassing is;
- e. voertuigen op verwisselbare machines als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) 167/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;
- f. mobiele machines en aanhangwagens als bedoeld in [artikel 1b van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=1b);
- g. bijzondere bromfietsen als bedoeld in [artikel 20b van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zoals dat luidt op 1 januari 2024;
- h. voertuigen waarvan op grond van [artikel 48, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=48) geen goedkeuring is vereist;
- i. voertuigen ten behoeve waarvan voor het gebruik van de weg door Onze Minister een vrijstelling op grond van [artikel 147 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147) is verleend;
- j. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die specifiek ten behoeve van de in de onderdelen a tot en met i genoemde voertuigen of motorrijtuigen op de markt worden gebracht;
- k. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen van speciale doeleinden als bedoeld in [artikel 3.1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), waarbij van de voor die systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen geldende eisen, vrijstelling is verleend;
- l. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk is verleend;
- m. voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen indien en voor zover hiervoor geen specifieke goedkeuringseisen zijn vastgesteld als bedoeld in [artikel 21, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21).
##### Artikel 3.10.2
1. De Dienst Wegverkeer weigert EU- of nationale goedkeuring van een voertuig waarvoor goedkeuring is vereist indien voor de goedkeuring van dat betreffende voertuig geen goedkeuringseisen zijn vastgesteld.
2. De Dienst Wegverkeer stelt Onze Minister in kennis van een weigering als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.11.1
1. Een fabrikant die een voertuig als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 167/2013, artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 49 van verordening (EU) 2018/858 toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van:
- a. het voertuigidentificatienummer;
- b. het desbetreffende typegoedkeuringsnummer en, indien van toepassing, de variant en uitvoering ervan;
- c. de plaats of plaatsen waar de voertuigen in voorraad worden gehouden;
- d. het technisch voorschrift of de technische voorschriften waaraan de voertuigen niet voldoen, en
- e. de technische of economische redenen waarom de voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
3. In verband met de behandeling van de aanvraag bepaalt de Dienst Wegverkeer:
- a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
- b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1), dan wel van een daaraan gelijk te stellen buitenlandse accountant, overlegt.
##### Artikel 3.11.2
Voor het maximaal aantal complete en voltooide voertuigen als bedoeld in verordening (EU) 2018/858 dat overeenkomstig de restant voorraadprocedure in gebruik wordt genomen geldt de beperking als beschreven in bijlage V, onder B, punt 2, van die verordening.
### Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
##### Artikel 3.12.1
1. Indien een fabrikant voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers uit de handel neemt als bedoeld in [artikel 27 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), omdat deze niet conform dit hoofdstuk of de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de overeenkomst van 1958 zijn goedgekeurd of indien de nationale- of VN/ECE goedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:
- a. artikel 9 van [verordening 167/2013](32013R0167) indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S of mobiele machines;
- b. artikel 10 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L of bijzondere bromfiets; of
- c. artikel 14, eerste tot en met derde lid, van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O;
2. In verband met het in het kader van het markttoezicht uit de handel nemen of terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers als bedoeld in [artikel 27 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), die zijn voorzien van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk of zijn voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, maar waarvan op basis van verkregen informatie of klachten voldoende redenen zijn om aan te nemen dat ze een ernstig risico vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang of omdat ze niet voldoen aan de voor goedkeuring gestelde eisen, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:
- a. de artikelen 41 en 43 tot en met 46 van [verordening 167/2013](32013R0167) indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S of mobiele machines;
- b. de artikelen 46 tot en met 51 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L of bijzondere bromfiets;
- c. de artikelen 51, 52, 55 en 56 van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O.
3. In afwijking van het tweede lid, blijven de in dat lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen die betrekking hebben op de relatie tussen de lidstaat en de commissie of op verplichtingen voor de commissie buiten toepassing.
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
##### Artikel 4.4
Het door een technische dienst in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in [artikel 31, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, b en c, in samenhang met artikel 66 of 67 van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, tweede lid, onderdelen a, b en c, in samenhang met artikel 70 of 71 van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 78, 80 of 81 van verordening (EU) 2018/858.
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
##### Artikel 5.1.4a
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig niet voldoet aan de aan het gebruik verbonden eisen als bedoeld in [artikel 71, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), die worden bedoeld in artikel 11, eerste lid, van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715) of artikel 7, tweede lid, 9 of 11, tweede lid, tweede en derde alinea, van [verordening (EG) 595/2009](32009R0595).
### Afdeling 2. Personenauto’s
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 8. Reminrichting
#### E. Wagens
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Reminrichting
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
##### Artikel 6.10
1. Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:
- a. eenzelfde origineel emissiebeheersingssysteem;
- b. een emissiebeheersingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend op grond van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715), [verordening (EG) 595/2009](32009R0595) of VN/ECE-reglement 103.
3. De in bijlage I van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715) opgenomen eis voor Euro 5-fijnstof, geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.
3a. De in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-02-26&g=2025-02-26) opgenomen eis voor de Euro 5-fijnstofnorm, bedoeld in bijlage I van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715) en eis voor de Euro 6-fijnstofnorm, bedoeld bijlage I van [verordening (EG) 595/2009](32009R0595), gelden bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor personenauto’s, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2017.
4. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), mag een wijziging in de bouw of inrichting waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:
- a. het een personenauto betreft, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2017;
- b. het een ander voertuig dan een personenauto betreft, dat in gebruik is genomen voor 1 januari 2012 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km, of dat in gebruik is genomen voor 31 december 2013 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Reminrichting
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Reminrichting
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 4. Manometers
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.1. Algemeen
#### § 4. Manometers
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 3.1. Algemeen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 4.1. Algemeen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7. Rollenremtestbanken
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 4. Manometers
#### § 11. Geluidsniveaumeter
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in [artikel 6.3, lid 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
### Artikel 1.41
### Artikel 1.43
### Artikel 1.47
### Artikel 1.49
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2020-12-19&g=2020-09-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-10-15&g=2020-10-15), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-12-19&g=2020-09-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### Artikel 1.50
### Artikel 1.51
### Artikel 1.53
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
### Artikel 1.56
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
### Artikel 1.58
### Artikel 1.59
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.1a
In deze regeling wordt onder **aanhangwagen**, **ambulance**, **bedrijfsauto**, **bijzondere bromfiets**, **bromfiets**, **bus**, **dolly**, **driewielig motorrijtuig**, **gelede bus**, **gepantserd voertuig**, **kampeerwagen**, **landbouw- of bosbouwaanhangwagen**, **landbouw- of bosbouwtrekker**, **lijkwagen**, **middenasaanhangwagen**, **mobiele kraan**, **mobiele machine**, **motorfiets**, **motorrijtuig met beperkte snelheid**, **oplegger**, **opleggertrekker**, **ov-auto**, **overige voertuig voor speciale doeleinden**, **personenauto**, **taxi**, **voor rolstoelen toegankelijk voertuig** en **verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk**:
- a. mede verstaan een voertuig dat blijkens het kentekenregister een zodanig voertuig is;
- b. niet verstaan een ander van de genoemde voertuigsoorten.
### Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in [hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&hoofdstuk=III)
### Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 4. Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
#### § 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
### Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
### Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 6. Ophanging
#### § 5. Assen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 12. Diversen
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 8. Reminrichting
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.18.32a
1. Banden van motorvoertuigen mogen niet zijn voorzien van sneeuwkettingen die bestaan uit metalen elementen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, indien het gebruik van sneeuwkettingen noodzakelijk is voor het vervullen van een dringende taak.
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Algemeen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-01-01&g=2020-09-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-03-31&g=2018-03-31)
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in [artikel 6.3, lid 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-03-31&g=2018-03-31)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-03-31&g=2018-03-31)
### Artikel 1.50
### § 2.2.2. **CNG-tank**
### Artikel 1.48
### Artikel 1.52
### Artikel 1.54
### Artikel 1.55
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.63
### Artikel 1.64
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 9. Carrosserie
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 12. Diversen
#### § 8. Reminrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 5. Assen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 6. Ophanging
#### § 5. Assen
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### E. Fietsen en fietsaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 6. Diversen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 4.1. Algemeen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2018-05-20&g=2018-05-20), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-01&g=2018-05-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-05-01&g=2018-05-01)
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-20&g=2018-05-20), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen.
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2018-05-20&g=2018-05-20)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 8.3.10a
Indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking van zijn nominale waarde hebben dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.
##### Artikel 8.4.86a
1. De programmatuur van de deeltjesteller moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het tweede en derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
2. Voor aanvang van een meting moeten de volgende gegevens worden ingevoerd:
- a. kenteken van het voertuig;
- b. grenswaarde voor voertuig;
3. Nadat de sonde in de uitlaat is aangebracht, worden achtereenvolgens de volgende stappen van de roetfiltertest doorlopen:
- a. een periode van 15 seconden stabiliseren met stationair draaiende motor;
- b. gedurende de registratietijd meten en vervolgens presenteren van de meetwaarde van de meting, gebaseerd op het gemiddelde over de registratietijd;
- c. indien de metingwaarde kleiner is dan of gelijk is aan de grenswaarde: presenteren dat de test is gehaald;
- d. indien de metingwaarde groter is dan de grenswaarde: presenteren dat de test niet is gehaald.
4. Indien nadat de sonde in de uitlaat wordt gebracht, de gemeten waarde direct oploopt tot meer dan tweemaal de grenswaarde, mag de meetprocedure worden afgebroken en is de test niet gehaald.
##### Artikel 45e. Controle werking roetfilter
1. De goede werking van het roetfilter wordt gecontroleerd door meting van het aantal deeltjes per kubieke centimeter in de uitlaatgassen.
2. De test, bedoeld in het eerste lid, wordt bij stationair toerental uitgevoerd.
##### Artikel 45f. Aantal deeltjes bij stationair toerental
De uitlaatgassen van personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een verbrandingsmotor met compressieontsteking en roetfilter, mogen bij stationair toerental niet meer deeltjes bevatten dan 1.000.000 deeltjes per kubieke centimeter.
##### Artikel 45g. Wijze van keuren
1. De controle, bedoeld in artikel 45e, geschiedt door meting aan een stilstaande personenauto, bedrijfsauto of bus met een deeltjesteller die ten minste gedurende de door de fabrikant van de deeltjesteller opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Voor elke test wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadiging van de monsternameslang en sonde.
3. De sonde wordt ten minste 0,30 m in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht.
4. Indien een uitlaatsysteem met één roetfilter meer dan één uitmonding heeft, beperkt de controle zich tot één uitmonding.
5. Indien een uitlaatsysteem meerdere roetfilters bevat, wordt in de uitmonding van elk roetfilter een controle uitgevoerd.
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-01-01&g=2020-09-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-01-01&g=2020-09-01)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 3.1.1
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858.
2. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk 2, bij verordening (EU) 2018/858.
3. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.
5. De artikelen 33, 34 en 35, met uitzondering van artikel 35, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2018/858 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.1.2
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag van een voertuig, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van [bijlage IX van deze regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
4. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van die verordening.
5. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het vierde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.1.3
1. Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie bedoelde goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
4. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.
##### Artikel 3.1.4
Onverminderd de toepassing van bijlage II bij verordening (EU) 2018/858, worden, voor zover van toepassing bij een EU-goedkeuring of nationale goedkeuring van een voertuig, aanhangwagen, systeem, onderdeel of technische eenheid daarvan, tevens de volgende richtlijnen in acht genomen:
- a. tot 1 juli 2027, de eisen met betrekking tot het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, bedoeld in [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157);
- b. de eisen met betrekking herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassingen, bedoeld in [richtlijn 2005/64/EG](32005L0064); en
- c. de eisen betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen, bedoeld in [richtlijn 2006/40/EG](32006L0040).
##### Artikel 3.1.5
1. Om als taxi in gebruik te kunnen worden genomen beschikt een voertuig over een nationale individuele goedkeuring of nationale typegoedkeuring voor het gebruik als taxi.
2. Voor goedkeuring als bedoeld in het eerste lid voldoet de taxi aan de in het derde, vierde, vijfde of zesde lid bedoelde goedkeuringseisen.
3. Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt goedgekeurd indien het voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-02-26&g=2025-02-26) omdat het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-02-26&g=2025-02-26). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
5. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-02-26&g=2025-02-26). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
6. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2025-02-26&g=2025-02-26) gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
- b. inrichtingen met zitplaatsen anders dan onder a; en
- c. de gedeelten ten behoeve van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s.
8. Voor een taxi en ov-auto als bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi onderscheidenlijk ov-auto.
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
##### Artikel 3.3.1
1. Voertuigen van de voertuigcategorie L voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 168/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.
3. De artikelen 34 tot en met 37, met uitzondering van artikel 37, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.3.2
1. Voertuigen van voertuigcategorie L, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen van bijlage II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. de bijlagen V en XI bij verordening (EU) 3/2014; en
- 2°. de bijlagen III, IV, XII, XV en XVII bij verordening (EU) 44/2014;
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. Onverminderd het eerste lid voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag als bedoeld in artikel 3 of artikel 6 van [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van deze regeling.
3. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.3.3
1. Voertuigen van voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast
4. In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
##### Artikel 3.5.1
1. Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlage bij verordening (EU) 167/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 37, eerste lid, tweede alinea, van die verordening.
3. De artikelen 29 tot en met 32, met uitzondering van artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
##### Artikel 3.5.2
1. Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. bijlagen III tot en met XI, XIII, XV, XVI, XVII, XX, XXII, XXV en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
- 2°. bijlagen X, XVIII, XXI en XXIII bij verordening (EU) 2015/208; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. Voertuigen van voertuigcategorieën R en S met een eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. bijlagen XXII, XXV, XXVI en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
- 2°. bijlage XVIII, XXI en XXII bij verordening (EU) 2015/208; en
- b. aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in die leden voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
##### Artikel 3.5.3
1. Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
4. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.
### Afdeling 6. Goedkeuring taxi
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
##### Artikel 3.7.1
1. De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige nationale individuele goedkeuring voor ten hoogste twee jaar verlenen voor een voertuig als bedoeld in dit hoofdstuk of van systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan waarin nieuwe technologieën zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de eisen voor die goedkeuring, bedoeld in dit hoofdstuk.
2. De Dienst Wegverkeer kan de in het eerste lid bedoelde voorlopige nationale individuele goedkeuring verlenen indien:
- a. bij de aanvraag de redenen zijn vermeld waarom de nieuwe technologieën of nieuwe concepten tot gevolg hebben dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, onverenigbaar zijn met de eisen voor goedkeuring;
- b. in de aanvraag voor de goedkeuring veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie of het nieuwe concept zijn beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om er voor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als wordt geboden door de voorschriften waarvan ontheffing wordt verleend; en
- c. er testbeschrijvingen en -resultaten worden overgelegd die aantonen dat aan de voorwaarde van onderdeel b wordt voldaan.
3. Onverminderd het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer ter bescherming van inzittenden van het voertuig, ter bescherming van kwetsbare weggebruikers of in verband met de bescherming van de gezondheid, veiligheid, het milieu of andere aspecten van het openbaar belang, aanvullende eisen en voorwaarden verbinden aan het verlenen van een voorlopige nationale individuele goedkeuring. Deze eisen en voorwaarden mogen niet destructief zijn.
4. De Dienst Wegverkeer kan een maximum aantal op grond van dit artikel te verlenen goedkeuringen aan voertuigen of vergelijkbare voertuigen van dezelfde fabrikant vaststellen.
5. De in het eerste lid bedoelde termijn kan met ten hoogste vijf jaar worden verlengd, indien ten behoeve van die nieuwe technologieën of nieuwe concepten nationale, Europese of internationale wetgeving, in voorbereiding is.
##### Artikel 3.7.2
De Dienst Wegverkeer weigert een voorlopige nationale individuele goedkeuring als bedoeld in [artikel 3.7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&artikel=3.7.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) indien:
- a. een individuele EU-goedkeuring, voor een het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 2018/858, artikel 40 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 35 van verordening (EU) 167/2013, meer in de rede ligt;
- b. de toegepaste nieuwe technologieën zodanig vergaand zijn dat ontheffing van een of meer van de eisen voor goedkeuring bedoeld in dit hoofdstuk, niet in de rede ligt.
##### Artikel 3.7.3
Een op grond van [artikel 3.7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&artikel=3.7.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) afgegeven voorlopige nationale individuele goedkeuring wordt door de Dienst Wegverkeer omgezet in een definitieve nationale individuele goedkeuring met ingang van de dag dat voor het betreffende voertuig of systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, een wettelijke regeling voor goedkeuring in werking treedt.
##### Artikel 3.8.1
Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de voorschriften opgenomen in [bijlage Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van deze regeling.
##### Artikel 3.8.2
Onverminderd artikel 29, derde lid, van verordening (EU) 2018/858 voldoet een rem- of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie O3 of O4, voor een nationale typegoedkeuring aan de voor het desbetreffende onderdeel voor het betreffende aangegeven voertuig relevante eisen opgenomen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858 of aan de daarvoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.9.1
Tenzij hierin is voorzien in een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast in verband met de nationale goedkeuringen, bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van wijze van keuren van de permanente eisen.
##### Artikel 3.9.2
1. De Dienst Wegverkeer maakt, indien de voorwaarden of de beperkingen waaronder een EU- of nationale goedkeuring van een voertuig is verleend en dit ten behoeve van de handhaving van de permanente eisen bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), noodzakelijk is, hiervan aantekening in het kentekenregister.
2. Indien een aanvullende nationale individuele goedkeuring is verleend als bedoeld in [artikel 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) wordt door de Dienst Wegverkeer bij de inschrijving in het kentekenregister van een:
- a. taxi als bedoeld in [artikel 3.1.5, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), vermeld ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’;
- b. taxi als bedoeld in [artikel 3.1.5, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), vermeld ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’.
- c. ov-auto als bedoeld in [artikel 3.1.5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26), vermeld ‘-ov-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘ov-auto, zie goedkeuringsdocument’.
##### Artikel 3.9.3
De Dienst Wegverkeer houdt in elk geval conformiteitscontroles op het overeenstemmen van de productie en de regelingen inzake het overeenstemmen van de productie van:
- a. door hem verleende nationale kleine serie goedkeuringen op voertuigen en op systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan als bedoeld in dit hoofdstuk;
- b. door hem verleende typegoedkeuringen op grond van een VN/ECE-reglement;
- c. door hem verleende nationale typegoedkeuringen van voertuigen als bedoeld in dit hoofdstuk;
- d. de producten, genoemd in [afdeling 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&z=2025-02-26&g=2025-02-26).
##### Artikel 3.10.1
Geen goedkeuring als bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), is vereist voor:
- a. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 2018/858 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
- b. voertuigen op rupsbanden of ontworpen en gebouwd of aangepast voor exclusief gebruik door de strijdkrachten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c en d, van verordening (EU) 2018/858;
- c. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 168/2013 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
- d. voertuigen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met e, g en h, van [verordening (EU) 168/2013](32013R0168) waarop die verordening niet van toepassing is;
- e. voertuigen op verwisselbare machines als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) 167/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;
- f. mobiele machines en aanhangwagens als bedoeld in [artikel 1b van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=1b);
- g. bijzondere bromfietsen als bedoeld in [artikel 20b van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zoals dat luidt op 1 januari 2024;
- h. voertuigen waarvan op grond van [artikel 48, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=48) geen goedkeuring is vereist;
- i. voertuigen ten behoeve waarvan voor het gebruik van de weg door Onze Minister een vrijstelling op grond van [artikel 147 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147) is verleend;
- j. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die specifiek ten behoeve van de in de onderdelen a tot en met i genoemde voertuigen of motorrijtuigen op de markt worden gebracht;
- k. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen van speciale doeleinden als bedoeld in [artikel 3.1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), waarbij van de voor die systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen geldende eisen, vrijstelling is verleend;
- l. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk is verleend;
- m. voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen indien en voor zover hiervoor geen specifieke goedkeuringseisen zijn vastgesteld als bedoeld in [artikel 21, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21).
##### Artikel 3.10.2
1. De Dienst Wegverkeer weigert EU- of nationale goedkeuring van een voertuig waarvoor goedkeuring is vereist indien voor de goedkeuring van dat betreffende voertuig geen goedkeuringseisen zijn vastgesteld.
2. De Dienst Wegverkeer stelt Onze Minister in kennis van een weigering als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 3.11.1
1. Een fabrikant die een voertuig als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 167/2013, artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 49 van verordening (EU) 2018/858 toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van:
- a. het voertuigidentificatienummer;
- b. het desbetreffende typegoedkeuringsnummer en, indien van toepassing, de variant en uitvoering ervan;
- c. de plaats of plaatsen waar de voertuigen in voorraad worden gehouden;
- d. het technisch voorschrift of de technische voorschriften waaraan de voertuigen niet voldoen, en
- e. de technische of economische redenen waarom de voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
3. In verband met de behandeling van de aanvraag bepaalt de Dienst Wegverkeer:
- a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
- b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1), dan wel van een daaraan gelijk te stellen buitenlandse accountant, overlegt.
##### Artikel 3.11.2
Voor het maximaal aantal complete en voltooide voertuigen als bedoeld in verordening (EU) 2018/858 dat overeenkomstig de restant voorraadprocedure in gebruik wordt genomen geldt de beperking als beschreven in bijlage V, onder B, punt 2, van die verordening.
### Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
##### Artikel 3.12.1
1. Indien een fabrikant voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers uit de handel neemt als bedoeld in [artikel 27 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), omdat deze niet conform dit hoofdstuk of de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de overeenkomst van 1958 zijn goedgekeurd of indien de nationale- of VN/ECE goedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:
- a. artikel 9 van [verordening 167/2013](32013R0167) indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S of mobiele machines;
- b. artikel 10 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L of bijzondere bromfiets; of
- c. artikel 14, eerste tot en met derde lid, van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O;
2. In verband met het in het kader van het markttoezicht uit de handel nemen of terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers als bedoeld in [artikel 27 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), die zijn voorzien van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk of zijn voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, maar waarvan op basis van verkregen informatie of klachten voldoende redenen zijn om aan te nemen dat ze een ernstig risico vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang of omdat ze niet voldoen aan de voor goedkeuring gestelde eisen, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:
- a. de artikelen 41 en 43 tot en met 46 van [verordening 167/2013](32013R0167) indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S of mobiele machines;
- b. de artikelen 46 tot en met 51 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L of bijzondere bromfiets;
- c. de artikelen 51, 52, 55 en 56 van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O.
3. In afwijking van het tweede lid, blijven de in dat lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen die betrekking hebben op de relatie tussen de lidstaat en de commissie of op verplichtingen voor de commissie buiten toepassing.
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
##### Artikel 4.4
Het door een technische dienst in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in [artikel 31, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, b en c, in samenhang met artikel 66 of 67 van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, tweede lid, onderdelen a, b en c, in samenhang met artikel 70 of 71 van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 78, 80 of 81 van verordening (EU) 2018/858.
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
##### Artikel 5.1.4a
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig niet voldoet aan de aan het gebruik verbonden eisen als bedoeld in [artikel 71, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), die worden bedoeld in artikel 11, eerste lid, van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715) of artikel 7, tweede lid, 9 of 11, tweede lid, tweede en derde alinea, van [verordening (EG) 595/2009](32009R0595).
### Afdeling 2. Personenauto’s
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 8. Reminrichting
#### E. Wagens
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 6. Diversen
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 3.1. Algemeen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 4.1. Algemeen
#### § 5.1. Algemeen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2020-12-19&g=2020-09-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2020-12-19&g=2020-09-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-10-15&g=2020-10-15), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-12-19&g=2020-09-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-09-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### Artikel 1.51
### Artikel 1.52
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.56
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 1.61
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-12-19&g=2020-09-01)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.2.72
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een personenauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mag een personenauto die is voorzien van een afzonderlijk bestuurdergedeelte waarbij direct naast de bestuurderszitplaats geen zitplaats voor passagiers aanwezig is, zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting, mits de afscherming voldoet aan het gestelde in [artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | De wijze van keuren, bedoeld in [artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2025-02-26&g=2025-02-26). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mag een personenauto die is voorzien van een afzonderlijk bestuurdergedeelte waarbij direct naast de bestuurderszitplaats geen zitplaats voor passagiers aanwezig is, zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting, mits de afscherming voldoet aan het gestelde in [artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | De wijze van keuren, bedoeld in [artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2025-07-01&g=2025-07-01). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Indien de personenauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het vierde tot en met negende lid gestelde eisen. | - |
| 4. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 5 tot en met 9: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 7. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 8. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren en nooduitgangen niet belemmeren. | |
| 9. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.2.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=9&artikel=5.2.45&z=2025-02-26&g=2025-02-26), moeten personenauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
| 9. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.2.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=9&artikel=5.2.45&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moeten personenauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
##### Artikel 5.3.72
@@ -20247,7 +20249,7 @@
| 5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 6. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 7. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren. | |
| 8. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.3.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=9&artikel=5.3.45&z=2025-02-26&g=2025-02-26), moeten bedrijfsauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
| 8. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.3.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=9&artikel=5.3.45&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moeten bedrijfsauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
### Afdeling 3a. Bussen
@@ -20287,7 +20289,7 @@
| 5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 6. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 7. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren. | |
| 8. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.5.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=9&artikel=5.5.45&z=2025-02-26&g=2025-02-26), moeten driewielige motorrijtuigen met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
| 8. | In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.5.45, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=9&artikel=5.5.45&z=2025-07-01&g=2025-07-01), moeten driewielige motorrijtuigen met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
### Afdeling 6. Bromfietsen
@@ -20337,7 +20339,7 @@
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 17. Wagens
@@ -20351,7 +20353,7 @@
##### Artikel 6.1a
[Artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), is niet van toepassing op een wijziging van een bus met betrekking tot een afscherming als bedoeld in [artikel 5.3a.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2025-02-26&g=2025-02-26), mits de afscherming is geplaatst in het bestuurdersgedeelte van de bus.
[Artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), is niet van toepassing op een wijziging van een bus met betrekking tot een afscherming als bedoeld in [artikel 5.3a.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=12&artikel=5.3a.72&z=2025-07-01&g=2025-07-01), mits de afscherming is geplaatst in het bestuurdersgedeelte van de bus.
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
@@ -20379,7 +20381,7 @@
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 4.1. Algemeen
#### § 1. Ontheffingen
@@ -20429,187 +20431,187 @@
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
### Artikel 1.48
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### § 4. Manometers
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 7.1. Algemeen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2020-12-19&g=2020-10-15) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2020-12-19&g=2020-10-15) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), en [bijlage IV, artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-12-19&g=2020-10-15), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
### Artikel 1.49
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2020-10-15&g=2020-10-15)
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### § 4. Manometers
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 7.1. Algemeen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Vervallen
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2020-12-19&g=2020-10-15), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2020-12-19&g=2020-10-15) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2020-12-19&g=2020-10-15) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2020-12-19&g=2020-10-15), en [bijlage IV, artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2020-12-19&g=2020-10-15), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2020-12-19&g=2020-10-15)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### Artikel 1.57
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.60
### Artikel 1.62
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
### Artikel 1.63
### Artikel 1.64
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### Artikel 1.57
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.60
### Artikel 1.62
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
### Artikel 1.65
### Artikel 1.66
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
@@ -20738,7 +20740,7 @@
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 4. Tarieven
#### § 6. Remvertragingsmeters
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
@@ -20782,7 +20784,7 @@
##### Artikel 3.1.3a
1. De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O die niet aan de in [artikel 3.1.2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26), of [3.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
1. De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O die niet aan de in [artikel 3.1.2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [3.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2. Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
@@ -20840,7 +20842,7 @@
- b. de voor de voertuigcategorie T vastgestelde en op de voertuigcategorieën M en N toe te passen eisen in bijlage I van [verordening (EU) 167/2013](32013R0167) omtrent voorwaarts zicht en zitplaatsen voor meerijders; en
- c. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigsoort vastgestelde permanente eisen.
- c. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigsoort vastgestelde permanente eisen.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing op de nationale individuele goedkeuring van voertuigen van voertuigcategorie O ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h. Die voertuigen zijn:
@@ -20878,7 +20880,7 @@
1. Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de overeenkomstige voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-02-26&g=2025-02-26), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020 omtrent:
- a. de voor de overeenkomstige voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2025-07-01&g=2025-07-01), zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020 omtrent:
- 1°. veiligheidsruiten;
@@ -20922,7 +20924,7 @@
- b. de voor de voertuigcategorie T vastgestelde en op de voertuigcategorieën M en N toe te passen eisen in bijlage I van [verordening (EU) 167/2013](32013R0167) omtrent voorwaarts zicht en zitplaatsen voor meerijders; en
- c. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
- c. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing op voertuigen van voertuigcategorie O ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h. Die voertuigen zijn:
@@ -20962,7 +20964,7 @@
##### Artikel 3.5.4
1. De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S die niet aan de in [artikel 3.5.2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.5.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26), of [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.5.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
1. De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S die niet aan de in [artikel 3.5.2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.5.2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.5.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2. Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
@@ -20996,13 +20998,13 @@
- 11°. bijlage XII bij [verordening (EU) 2015/208](32015R0208), ten aanzien van het gestelde omtrent signalisatieborden en signalisatiefolies; en
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de daarin bedoelde goedkeuringseisen en een nationale typegoedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.6.2
1. De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in [artikel 3.6.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.6.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale typegoedkeuring verlenen.
1. De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in [artikel 3.6.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.6.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale typegoedkeuring verlenen.
2. Deze nationale typegoedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften en tevens:
@@ -21014,7 +21016,7 @@
- 2°. de buitenspiegels en cameramonitoringsystemen inclusief hun armen omklapbaar zijn; en
- 3°. een markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van de mobiele machine aanwezig is die voldoet aan artikel 132 van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bij deze regeling;
- 3°. een markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van de mobiele machine aanwezig is die voldoet aan artikel 132 van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bij deze regeling;
- c. indien de massa onder een niet-geveerde aangedreven as meer is dan 12.000 kg, de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h.
@@ -21048,7 +21050,7 @@
- 11°. bijlage XII bij [verordening (EU) 2015/208](32015R0208), ten aanzien van het gestelde omtrent signalisatieborden en signalisatiefolies; en
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
@@ -21056,7 +21058,7 @@
##### Artikel 3.6.4
1. De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in [artikel 3.6.3, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26), of [3.6.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.6.3a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
1. De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in [artikel 3.6.3, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.6.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01), of [3.6.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.6.3a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
2. Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften en tevens:
@@ -21068,7 +21070,7 @@
- 2°. de buitenspiegels en cameramonitoringsystemen inclusief hun armen omklapbaar zijn; en
- 3°. een markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van de mobiele machine aanwezig is die voldoet aan artikel 132 van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bij deze regeling;
- 3°. een markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van de mobiele machine aanwezig is die voldoet aan artikel 132 van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bij deze regeling;
- c. indien de massa onder een niet-geveerde aangedreven as meer is dan 12.000 kg, de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h.
@@ -21078,7 +21080,7 @@
##### Artikel 3.8.3
Reminrichtingen, verlichting, geluidsinrichtingen, spiegels en camera-monitorsystemen die zijn bedoeld om deel uit te maken van een mobiele machine voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de relevante voorschriften opgenomen in [hoofdstuk 5, afdeling 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van deze regeling.
Reminrichtingen, verlichting, geluidsinrichtingen, spiegels en camera-monitorsystemen die zijn bedoeld om deel uit te maken van een mobiele machine voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de relevante voorschriften opgenomen in [hoofdstuk 5, afdeling 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van deze regeling.
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
@@ -21132,7 +21134,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -21145,7 +21147,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -21160,7 +21162,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=3&artikel=5.7.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -21176,7 +21178,7 @@
##### Artikel 5.7a.0
Een mobiele machine die in gebruik is genomen na 31 december 2020, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een mobiele machine die in gebruik is genomen na 31 december 2020, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
##### Artikel 5.7a.1
@@ -21207,7 +21209,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is. |
| 1. | Mobiele machines mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is. |
| 2. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, inbegrepen. | |
| 3. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m. | |
@@ -21222,7 +21224,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister geregistreerde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 29a, van toepassing. | Visuele controle door middel van een beproeving op de weg. |
| 1. | Mobiele machines moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister geregistreerde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 29a, van toepassing. | Visuele controle door middel van een beproeving op de weg. |
| 2. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7a.9
@@ -21237,7 +21239,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -21250,7 +21252,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -21265,7 +21267,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1 | Indien een mobiele machine is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1 | Indien een mobiele machine is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=3&artikel=5.7a.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2 | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3 | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4 | De waterstoftank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -21333,10 +21335,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
##### Artikel 5.7a.19
@@ -21344,14 +21346,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.7a.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.7a.24
@@ -21389,7 +21391,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de mobiele machine is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest of gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest of gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Indien de mobiele machine is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken | |
##### Artikel 5.7a.29
@@ -21400,10 +21402,10 @@
| 2. | De bestuurde wielen moeten goed reageren op de draaiing van de stuurbediening. | |
| 3. | De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een uitsluitend elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging. | |
| 4. | Bij draaiing van de stuurbediening tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij indien noodzakelijk de stuurbekrachtiging in werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. De stuurbediening wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de mobiele machine op de wielen rust. |
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. De stuurbediening wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de mobiele machine op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed werken. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
@@ -21493,14 +21495,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 136a van toepassing. |
| 2. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 137a van toepassing. |
| 3. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 142a van toepassing. |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 136a van toepassing. |
| 2. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 137a van toepassing. |
| 3. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 142a van toepassing. |
| 4. | Indien een spiegel als bedoeld in het derde lid of camera-monitorsysteem is gemonteerd, moet deze zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel, camera-monitorsysteem of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een spiegel als bedoeld in het derde lid zijn voorzien. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 7. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 136a en 137a, kan verkrijgen door direct zicht. | Leden 7 en 8: visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mogen het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 8. | Het derde lid is niet van toepassing op mobiele machines waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 142a, kan verkrijgen door direct zicht. | |
| 7. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 136a en 137a, kan verkrijgen door direct zicht. | Leden 7 en 8: visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mogen het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 8. | Het derde lid is niet van toepassing op mobiele machines waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 142a, kan verkrijgen door direct zicht. | |
##### Artikel 5.7a.46
@@ -21521,8 +21523,8 @@
| 2. | Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van mobiele machines die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de mobiele machine geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.18.32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=2&artikel=5.18.32&z=2025-02-26&g=2025-02-26). De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.18.32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=2&artikel=5.18.32&z=2025-07-01&g=2025-07-01). De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. | De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines mogen niet aanlopen. | Leden 7 en 8: Visuele controle. |
| 8. | Geen deel van de buitenzijde van de mobiele machine mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
@@ -21530,7 +21532,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten; d. twee achterlichten; e. twee remlichten; f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig kentekenplichtig is; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; k. één of meer gele zwaai-, flits- of knipperlichten, indien het voertuig breder is dan 2,60 m, waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, tweede lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30). | – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen h tot en met k: visuele controle. |
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten; d. twee achterlichten; e. twee remlichten; f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig kentekenplichtig is; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; k. één of meer gele zwaai-, flits- of knipperlichten, indien het voertuig breder is dan 2,60 m, waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, tweede lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30). | – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen h tot en met k: visuele controle. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing op mobiele machines die een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.53
@@ -21547,9 +21549,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
@@ -21559,13 +21561,13 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7a.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, waarvan tegelijkertijd niet meer dan vier grote lichten mogen werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee mistvoorlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee of vier parkeerlichten; g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; j. één of twee achteruitrijlichten; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; l. staaklichten; m. zijmarkeringslichten; n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; o. werklichten; p. twee extra remlichten of één derde remlicht; q. twee dagrijlichten; r. bochtverlichting; s. hoeklichten. t. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig; u. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van [artikel 5.7a.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), verplicht is; v. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers. | – Onderdelen a tot en met h: visuele controle. – Onderdeel i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met v: visuele controle. |
| 1. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, waarvan tegelijkertijd niet meer dan vier grote lichten mogen werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee mistvoorlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee of vier parkeerlichten; g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; j. één of twee achteruitrijlichten; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; l. staaklichten; m. zijmarkeringslichten; n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; o. werklichten; p. twee extra remlichten of één derde remlicht; q. twee dagrijlichten; r. bochtverlichting; s. hoeklichten. t. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig; u. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van [artikel 5.7a.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), verplicht is; v. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers. | – Onderdelen a tot en met h: visuele controle. – Onderdeel i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met v: visuele controle. |
| 2. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. | |
@@ -21593,23 +21595,23 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 128, van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7a.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7a.61
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de [artikelen 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26), en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.7a.51, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien het voertuig breder is dan 2,55 m en de montage in het desbetreffende gebied op het voertuig door opspattend zand en vuil van de banden onverenigbaar is, mogen in afwijking van het eerste lid de richtingaanwijzers, achterlichten en rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig op een afstand van meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, doch niet meer dan noodzakelijk, mits de markering van de breedte aan de achterzijde van het voertuig voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikelen 132 en 133, gestelde eisen. | |
| 1. | De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de [artikelen 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.7a.51, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien het voertuig breder is dan 2,55 m en de montage in het desbetreffende gebied op het voertuig door opspattend zand en vuil van de banden onverenigbaar is, mogen in afwijking van het eerste lid de richtingaanwijzers, achterlichten en rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig op een afstand van meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, doch niet meer dan noodzakelijk, mits de markering van de breedte aan de achterzijde van het voertuig voldoet aan de in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikelen 132 en 133, gestelde eisen. | |
##### Artikel 5.7a.62
@@ -21629,14 +21631,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26), [5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.7a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57a&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan; en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [5.7a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.7a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=10&artikel=5.7a.57a&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan; en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.7a.66
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=11&artikel=5.7a.68&z=2025-02-26&g=2025-02-26). | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.7a.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7a¶graaf=11&artikel=5.7a.68&z=2025-07-01&g=2025-07-01). | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn. | |
| 4. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: geen breuken of scheuren vertonen, en niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
@@ -21697,7 +21699,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en; c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -21710,7 +21712,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -21725,7 +21727,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2025-02-26&g=2025-02-26), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=3&artikel=5.8.9&z=2025-07-01&g=2025-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -21789,7 +21791,7 @@
| 1. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen. | Leden 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is. |
| 2. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen; b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | |
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
@@ -21929,7 +21931,7 @@
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 6.1. Algemeen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 7.2. Technische eisen
@@ -21937,175 +21939,647 @@
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.1. Algemeen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.1. Algemeen
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.9
Vervallen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2021-01-05&g=2021-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.1b
Deze regeling berust mede op de [artikelen 1, eerste lid, onderdelen fd, en ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [20f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20f), [21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=23), [27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), [51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=51a), [60, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60), [71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), en [94, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=94).
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2023-05-20&g=2023-05-20) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
##### Artikel 1.2a
Vervallen
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in [hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&hoofdstuk=III)
##### Artikel 3.1.0
[Verordening (EU) 2018/858](32018R0858) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.2.0
[Verordening (EU) 2018/858](32758R2018) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.3.0
[Verordening (EU) 168/2013](32013R0168) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
##### Artikel 3.5.0
[Verordening (EU) 167/2013](32013R0167) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 5.1. Algemeen
#### § 5.1. Algemeen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.1. Algemeen
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 9.4. Justeringen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2023-05-31&g=2023-05-20) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.61
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 1.65
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.68
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.69
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
### Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
### Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines
### Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### § 2a. Sneeuwkettingen
#### § 2a. Sneeuwkettingen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4.1. Algemeen
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8.1. Algemeen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 9.1. Algemeen
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9.1. Algemeen
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.1. Algemeen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.9
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2023-05-31&g=2023-05-31) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
### Artikel 1.67
Vervallen.
### Artikel 1.68
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2021-01-05&g=2021-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2021-01-05&g=2021-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.1b
Deze regeling berust mede op de [artikelen 1, eerste lid, onderdelen fd, en ff](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [20f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20f), [21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=23), [27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=27), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), [51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=51a), [60, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60), [71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), en [94, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=94).
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2023-05-20&g=2023-05-20) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-20&g=2023-05-20)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
##### Artikel 1.2a
Vervallen
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in [hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&hoofdstuk=III)
##### Artikel 3.1.0
[Verordening (EU) 2018/858](32018R0858) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.2.0
[Verordening (EU) 2018/858](32758R2018) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
##### Artikel 3.3.0
[Verordening (EU) 168/2013](32013R0168) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
### Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
##### Artikel 3.5.0
[Verordening (EU) 167/2013](32013R0167) is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
### Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in [artikel 21, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
##### Artikel 3.4.0
1. [Verordening (EU) 168/2013](32013R0168) is van overeenkomstige toepassing op marktdeelnemers, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
2. Een nationale typegoedkeuring voor een bijzondere bromfiets kan tevens worden aangevraagd door en verleend aan een andere marktdeelnemer dan een fabrikant van bijzondere bromfietsen, indien deze voldoet aan de eisen die voor het indienen van een aanvraag en voor het verlenen van een typegoedkeuring in de verordening en in deze regeling aan de fabrikant worden gesteld.
##### Artikel 3.4.1
1. Bijzondere bromfietsen voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. VN/ECE-reglement nr. 3;
- 2°. VN/ECE-reglement nr. 10;
- 3°. VN/ECE-reglement nr. 14;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 16 of VN/ECE-reglement nr. 44;
- 5°. VN/ECE-reglement nr. 50 of VN/ECE-reglement nr. 56 en VN/ECE-reglement nr. 74;
- 6°. VN/ECE-reglement nr. 60;
- 7°. VN/ECE-reglement nr. 75;
- 8°. VN/ECE-reglement nr. 78;
- 9°. VN/ECE-reglement nr. 81;
- 10°. VN/ECE-reglement nr. 136;
- 11°. [verordening (EU) 3/2014](32014R0003), bijlage II, IV, VII tot en met IX, XII, deel I, XIII tot en met XV, punt 1.1, XVIII en XIX;
- 12°. [verordening (EU) 44/2014](32014R0044), bijlage II, VI, VIII, X, XIV en XVI.
- 13°. [verordening (EU) 134/2014](32014R0134), bijlage X, aanhangsel 1 en 1.1;
- 14°. [verordening (EU) 901/2014](32014R0901), bijlage V;
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de bijzondere bromfiets vastgestelde permanente eisen.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken in het geval niet aan die eisen wordt voldaan door het innovatieve karakter van het voertuig of door de toepassing van innovatieve technieken, indien met een risicobeoordeling opgesteld door een deskundige en onafhankelijke instantie wordt aangetoond op welke wijze het veiligheids- en milieubeschermingsniveau van die eisen wordt gewaarborgd.
3. Een bijzondere bromfiets die is bedoeld voor personenvervoer biedt ten hoogste acht zitplaatsen voor passagiers, welke zitplaatsen voorwaarts, achterwaarts en zijwaarts kunnen zijn gericht. De zitplaatsen bieden voldoende ruimte voor de te vervoeren persoon, zijn voorzien van een heupgordel en zijn voorzien van een duidelijke vermelding van het maximale gewicht waarvoor de zitplaatsen zijn bedoeld.
4. De gordelverankeringspunten van de zitplaatsen zijn bestand tegen een kracht die berekend is op basis van de normkracht volgens VN/ECE-reglement nr. 14, het gewicht van een passagier waarvoor de zitplaats bestemd is, met een minimum van 36 kg, en de maximumconstructiesnelheid van het voertuig.
4. In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 13°, genoemde bijlage XIV van [verordening (EU) 44/2014](32014R0044), is de ruimte voor een kentekenplaat bij een bijzondere bromfiets 100 mm breed en 120 mm hoog.
### Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines
### Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
### Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
##### Artikel 3.11.3
1. Een fabrikant die een bijzondere bromfiets die deel uitmaakt van een voorraad en die niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor die niet is goedgekeurd toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
2. Het eerste lid is alleen van toepassing op bijzondere bromfietsen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige nationale typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden of in het verkeer zijn gebracht voor deze nationale typegoedkeuring ongeldig werd.
3. Ten aanzien van het verzoek en de behandeling ervan is artikel 44 van [verordening (EU) 168/2013](32013R0168) en [artikel 3.11.1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=11&artikel=3.11.1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.11.4
1. Uiterlijk twee weken nadat de geldigheid van een aanwijzing die is verleend op grond van [artikel 20b van de WVW 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zoals die luidde tot 1 januari 2024 is vervallen, verstrekt de fabrikant een overzicht van het aantal op basis van de aanwijzing geproduceerde bijzondere bromfietsen in de periode na inwerkingtreding van deze bepaling tot het moment waarop de aanwijzing is vervallen en die nog niet tot de weg zijn toegelaten, aan de Dienst Wegverkeer op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
2. In het kader van de controle omtrent de juistheid van het verstrekte overzicht bepaalt de Dienst Wegverkeer:
- a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
- b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1) overlegt.
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
@@ -22113,513 +22587,47 @@
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 5.1. Algemeen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.1. Algemeen
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 9.4. Justeringen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=8&artikel=3.8.1&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2023-05-31&g=2023-05-20) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2023-05-31&g=2023-05-20)
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 1.67
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.68
### Artikel 1.69
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.71
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
### Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
### Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines
### Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
### Afdeling 7a. Mobiele machines
### Afdeling 9. Fietsen
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
#### § 2a. Sneeuwkettingen
#### § 2a. Sneeuwkettingen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4.1. Algemeen
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 9.4. Justeringen
#### § 8.1. Algemeen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 9.1. Algemeen
#### § 10.1. Algemeen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2023-05-31&g=2023-05-31) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2023-05-31&g=2023-05-31)
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
Vervallen.
### Artikel 1.70
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 3.4.0
1. [Verordening (EU) 168/2013](32013R0168) is van overeenkomstige toepassing op marktdeelnemers, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
2. Een nationale typegoedkeuring voor een bijzondere bromfiets kan tevens worden aangevraagd door en verleend aan een andere marktdeelnemer dan een fabrikant van bijzondere bromfietsen, indien deze voldoet aan de eisen die voor het indienen van een aanvraag en voor het verlenen van een typegoedkeuring in de verordening en in deze regeling aan de fabrikant worden gesteld.
##### Artikel 3.4.1
1. Bijzondere bromfietsen voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. VN/ECE-reglement nr. 3;
- 2°. VN/ECE-reglement nr. 10;
- 3°. VN/ECE-reglement nr. 14;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 16 of VN/ECE-reglement nr. 44;
- 5°. VN/ECE-reglement nr. 50 of VN/ECE-reglement nr. 56 en VN/ECE-reglement nr. 74;
- 6°. VN/ECE-reglement nr. 60;
- 7°. VN/ECE-reglement nr. 75;
- 8°. VN/ECE-reglement nr. 78;
- 9°. VN/ECE-reglement nr. 81;
- 10°. VN/ECE-reglement nr. 136;
- 11°. [verordening (EU) 3/2014](32014R0003), bijlage II, IV, VII tot en met IX, XII, deel I, XIII tot en met XV, punt 1.1, XVIII en XIX;
- 12°. [verordening (EU) 44/2014](32014R0044), bijlage II, VI, VIII, X, XIV en XVI.
- 13°. [verordening (EU) 134/2014](32014R0134), bijlage X, aanhangsel 1 en 1.1;
- 14°. [verordening (EU) 901/2014](32014R0901), bijlage V;
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de bijzondere bromfiets vastgestelde permanente eisen.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken in het geval niet aan die eisen wordt voldaan door het innovatieve karakter van het voertuig of door de toepassing van innovatieve technieken, indien met een risicobeoordeling opgesteld door een deskundige en onafhankelijke instantie wordt aangetoond op welke wijze het veiligheids- en milieubeschermingsniveau van die eisen wordt gewaarborgd.
3. Een bijzondere bromfiets die is bedoeld voor personenvervoer biedt ten hoogste acht zitplaatsen voor passagiers, welke zitplaatsen voorwaarts, achterwaarts en zijwaarts kunnen zijn gericht. De zitplaatsen bieden voldoende ruimte voor de te vervoeren persoon, zijn voorzien van een heupgordel en zijn voorzien van een duidelijke vermelding van het maximale gewicht waarvoor de zitplaatsen zijn bedoeld.
4. De gordelverankeringspunten van de zitplaatsen zijn bestand tegen een kracht die berekend is op basis van de normkracht volgens VN/ECE-reglement nr. 14, het gewicht van een passagier waarvoor de zitplaats bestemd is, met een minimum van 36 kg, en de maximumconstructiesnelheid van het voertuig.
### Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines
### Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
### Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
##### Artikel 3.11.3
1. Een fabrikant die een bijzondere bromfiets die deel uitmaakt van een voorraad en die niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor die niet is goedgekeurd toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
2. Het eerste lid is alleen van toepassing op bijzondere bromfietsen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige nationale typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden of in het verkeer zijn gebracht voor deze nationale typegoedkeuring ongeldig werd.
3. Ten aanzien van het verzoek en de behandeling ervan is artikel 44 van [verordening (EU) 168/2013](32013R0168) en [artikel 3.11.1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=11&artikel=3.11.1&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.11.4
1. Uiterlijk twee weken nadat de geldigheid van een aanwijzing die is verleend op grond van [artikel 20b van de WVW 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zoals die luidde tot 1 januari 2024 is vervallen, verstrekt de fabrikant een overzicht van het aantal op basis van de aanwijzing geproduceerde bijzondere bromfietsen in de periode na inwerkingtreding van deze bepaling tot het moment waarop de aanwijzing is vervallen en die nog niet tot de weg zijn toegelaten, aan de Dienst Wegverkeer op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
2. In het kader van de controle omtrent de juistheid van het verstrekte overzicht bepaalt de Dienst Wegverkeer:
- a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
- b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1) overlegt.
### Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=29) en [31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31) waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
### Afdeling 3a. Bussen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 5. Assen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 6a. Bijzondere bromfietsen
##### Artikel 5.6a.0
Een bijzondere bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26) van toepassing is.
Een bijzondere bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van toepassing is.
##### Artikel 5.6a.1
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het frame, in het chassis of in een vergelijkbare constructie is ingeslagen en goed leesbaar is. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: a. de naam of handelsnaam van de fabrikant; b. de voertuigcategorie; c. het nationale typegoedkeuringsnummer of het unieke nummer van de aanwijzing; d. het voertuigidentificatienummer; e. het geluidsniveau tijdens stilstand onder de volgende vorm: ‘… dB(A) – … min-1’ (in het geval van voertuigen die niet worden onderworpen aan de test van het geluidsniveau tijdens stilstand, wordt het volgende vermeld: ‘- – - dB(A) – – - – min-1’); f. het motorvermogen onder de volgende vorm: ‘… kW’; g. de door de constructie bepaalde maximumsnelheid onder de volgende vorm: ‘… km/u’; en h. de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand onder de volgende vorm: ‘max … kg’. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid behoeven bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019 niet te zijn voorzien van een constructieplaat. | |
| 1. | De bijzondere bromfiets moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister vermelde gegevens omtrent het voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het frame, in het chassis of in een vergelijkbare constructie is ingeslagen en goed leesbaar is. | |
| 3. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: a. de naam of handelsnaam van de fabrikant; b. de voertuigcategorie; c. het nationale typegoedkeuringsnummer of het unieke nummer van de aanwijzing; d. het voertuigidentificatienummer; e. het geluidsniveau tijdens stilstand onder de volgende vorm: ‘… dB(A) – … min-1’ (in het geval van voertuigen die niet worden onderworpen aan de test van het geluidsniveau tijdens stilstand, wordt het volgende vermeld: ‘- – - dB(A) – – - – min-1’); f. het motorvermogen onder de volgende vorm: ‘… kW’; g. de door de constructie bepaalde maximumsnelheid onder de volgende vorm: ‘… km/u’; en h. de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand onder de volgende vorm: ‘max … kg’. | |
| 4. | In afwijking van het tweede lid behoeven bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019 niet te zijn voorzien van een constructieplaat. | |
| 5. | De kentekenplaat is voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedgekeurde soort merk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 6. | Het kenteken is goed leesbaar en de kentekenplaat is niet afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar zijn indien de waarnemer staat op een afstand van 20,00 m achter het midden van de bijzondere bromfiets. |
| 7. | Het vijfde lid is niet van toepassing op aangewezen bijzondere bromfietsen, als bedoeld in artikel 20b van de wet, waarvoor het kenteken op een andere plaats dan de achterzijde is geplaatst als gevolg van [artikel 7, elfde lid, van de Regeling kentekens en kentekenplaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009071&artikel=7). | |
##### Artikel 5.6a.3
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bijzondere bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | - Onderdeel a: visuele controle. - Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bijzondere bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | - Onderdeel a: visuele controle. - Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Indien een bijzondere bromfiets is opgebouwd uit een frame met een voor- of achtervork, mag dat frame met die voor- of achtervork: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest; en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -22641,7 +22649,7 @@
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de op de constructieplaat vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 4 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de op de constructieplaat vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 4 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6a.12
@@ -22696,14 +22704,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.6a.20
| | **Eisen** | **Wijze van keuren** |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bijzondere bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bijzondere bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6a.24
@@ -22790,7 +22798,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Een bijzondere bromfiets mag voorzien zijn van één of twee dagrijlichten. | Visuele controle. |
| Een bijzondere bromfiets mag voorzien zijn van: | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6a.59
@@ -22812,7 +22820,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6a¶graaf=10&artikel=5.6a.51&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [5.6a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6a¶graaf=10&artikel=5.6a.57&z=2025-02-26&g=2025-02-26) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
| Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6a¶graaf=10&artikel=5.6a.51&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [5.6a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6a¶graaf=10&artikel=5.6a.57&z=2025-07-01&g=2025-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6a.66
@@ -22839,24 +22847,24 @@
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 6. Ophanging
#### § 3. Brandstofsystemen en milieu
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
### Afdeling 17. Wagens
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
### Afdeling 17. Wagens
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 18. Gebruikseisen
##### Artikel 5.18.26a
@@ -22877,7 +22885,7 @@
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
@@ -22899,26 +22907,26 @@
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 9.1. Algemeen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.3.2. Meetprogramma
#### § 9.4. Justeringen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
@@ -22967,9 +22975,13 @@
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
### Artikel 1.71
### Artikel 1.72
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
### Artikel 1.72
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.73
@@ -22977,23 +22989,19 @@
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.74
### Artikel 1.75
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.76
### Artikel 1.76
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2024-01-01&g=2024-01-01)
### Artikel 1.78
### Artikel 1.77
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
@@ -23023,7 +23031,7 @@
- 2°. [richtlijn 2006/42/EG](32006L0042), indien het voertuig in gebruik genomen is na 28 december 2009; en
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
- b. de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
#### § 1. Algemeen
@@ -23059,7 +23067,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
### Afdeling 3a. Bussen
@@ -23068,7 +23076,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-02-26&g=2025-02-26), artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2025-07-01&g=2025-07-01), artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
### Afdeling 4. Motorfietsen
@@ -23137,9 +23145,9 @@
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 17. Wagens
@@ -23161,284 +23169,377 @@
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 4. Manometers
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 8.1. Algemeen
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.1. Algemeen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.72
### Artikel 1.74
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.78
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.80
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Artikel 1.82
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
### Artikel 2.2
### **T100-bussen**
Vervallen.
### **T100-bussen**
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 6.11
Bij wijziging in de constructie van een bijzondere bromfiets waardoor de gevoeligheid voor elektromagnetische invloeden van het voertuig of de uitstraling van elektromagnetische straling door het voertuig beïnvloed wordt, moet dat voertuig na wijziging voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01), opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.70
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.79
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.83
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
### Artikel 1
Vervallen.
### Artikel 1
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.9.8
| Fietsen met trapondersteuning mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op het vermogen of het functioneren van de trapondersteuning, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van [verordening 168/2013](32013R0168), te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt een snelheidsmeting opnieuw uitgevoerd. |
| --- | --- |
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Reminrichting
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 4. Manometers
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.3.3. Beveiligingen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2025-07-01&g=2025-07-01)
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
### Artikel 1.74
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.80
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2025-01-01&g=2025-01-01)
### **T100-bussen**
### **T100-bussen**
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 6.11
Bij wijziging in de constructie van een bijzondere bromfiets waardoor de gevoeligheid voor elektromagnetische invloeden van het voertuig of de uitstraling van elektromagnetische straling door het voertuig beïnvloed wordt, moet dat voertuig na wijziging voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=4&z=2025-02-26&g=2025-02-26), opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9. Deeltjestellers
#### § 9.4. Justeringen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=1&artikel=3.1.5&z=2025-02-26&g=2025-02-26) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage VIII. behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
De kleur en afmetingen moeten zijn:
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.71
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2025-02-26&g=2025-02-26)
### Artikel 1
Vervallen.
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2025-02-26
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 469 más
2025-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 465 más
2024-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 462 más
2023-05-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 451 más
2023-05-20
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 4 y 613 más
2023-04-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 454 más
2023-01-01
Regeling voertuigen
2022-07-01
Regeling voertuigen — arts. 45, 45
2022-06-22
Regeling voertuigen
2022-01-01
Regeling voertuigen
2021-10-29
Regeling voertuigen
2021-01-21
Regeling voertuigen
2021-01-05
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 407 más
2021-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 575 más
2020-12-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 441 más
2020-10-15
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 1016 más
2020-09-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 12, 12 y 839 más
2020-08-30
Regeling voertuigen — arts. 1, 1
2020-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 448 más
2018-05-20
Regeling voertuigen — arts. 3, 96, 89 y 172 más
2018-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 498 más
2018-03-31
Regeling voertuigen
2018-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 521 más
2017-10-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 515 más
2017-05-07
Regeling voertuigen — art. 2
2017-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 501 más
2017-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2
2016-03-02
Regeling voertuigen — art. 2
2016-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 532 más
2015-01-01
Regeling voertuigen — arts. 115, 117, 118 y 90 más
2014-10-31
Regeling voertuigen
2014-09-03
Regeling voertuigen
2014-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 4 y 486 más
2014-03-20
Regeling voertuigen
2014-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 2 y 528 más
2013-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 524 más
2013-01-10
Regeling voertuigen
2013-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 3, 15 y 265 más
2012-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 528 más
2012-10-01
Regeling voertuigen
2012-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 310 más
2012-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 525 más
2011-04-09
Regeling voertuigen — art. 2
2011-04-01
Regeling voertuigen — arts. 5, 6, 100 y 485 más
2011-03-29
Regeling voertuigen — arts. 2, 10
2011-02-24
Regeling voertuigen — art. 2
2011-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 1, 11 y 420 más
2010-09-28
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 542 más
2010-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 468 más
2010-06-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 489 más
2010-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 491 más
2009-12-16
Regeling voertuigen — art. 3
2009-11-24
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 503 más
2009-08-21
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 2 y 743 más
2009-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 1267 más
2009-05-01
Regeling voertuigen
original version
Tekst op deze datum