Wijzigingsgeschiedenis
Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
58 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 443 más
2025-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 471 más
2025-02-26
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 469 más
2025-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 465 más
2024-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 462 más
2023-05-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 451 más
2023-05-20
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 4 y 613 más
2023-04-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 454 más
2023-01-01
Regeling voertuigen
2022-07-01
Regeling voertuigen — arts. 45, 45
2022-06-22
Regeling voertuigen
2022-01-01
Regeling voertuigen
2021-10-29
Regeling voertuigen
2021-01-21
Regeling voertuigen
2021-01-05
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 407 más
2021-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 575 más
2020-12-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 441 más
2020-10-15
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 1016 más
2020-09-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 12, 12 y 839 más
2020-08-30
Regeling voertuigen — arts. 1, 1
2020-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 448 más
2018-05-20
Regeling voertuigen — arts. 3, 96, 89 y 172 más
2018-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 498 más
2018-03-31
Regeling voertuigen
2018-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 521 más
Wijzigingen op 2018-01-01
@@ -12,13 +12,11 @@
##### Artikel 1.1
1. Deze regeling berust mede op de [artikelen 51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=51a), en [60, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60). De in deze regeling opgenomen regels inzake de inbouw van een LPG- of CNG-installatie berusten daarnaast mede op [artikel 23, derde lid, onderdeel c, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=23).
2. In deze regeling wordt verstaan onder:
In deze regeling wordt verstaan onder:
- **aanhangwagen:** voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld, met inbegrip van een oplegger; in ieder geval wordt als aanhangwagen aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie O, R of S, en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een aanhangwagen is;
- **aanhangwagen met een stijve dissel:** aanhangwagen met één as of één groep assen waarvan de dissel door de constructie ervan een statische belasting van ten hoogste 4.000 kg op het trekkende voertuig overbrengt, die niet aan de definitie van middenasaanhangwagen beantwoordt en waarvan de koppeling die voor de voertuigcombinatie wordt gebruikt niet bestaat uit een koppelingspen en koppelingsschotel; in ieder geval wordt als aanhangwagen met een stijve dissel aangemerkt een aanhangwagen met carrosserietype DE;
- **aanhangwagen met een stijve dissel:** aanhangwagen met één as of één groep assen waarvan de dissel door de constructie ervan een statische belasting van ten hoogste 4.000 kg op het trekkende voertuig overbrengt, die niet voldoet aan de begripsbepaling van ‘middenasaanhangwagen’ en waarvan de koppeling die voor de voertuigcombinatie wordt gebruikt niet bestaat uit een koppelingspen en koppelingsschotel; in ieder geval wordt als aanhangwagen met een stijve dissel aangemerkt een aanhangwagen met carrosserietype DE;
- **achterlicht:** licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
@@ -60,6 +58,8 @@
- **bromfiets:** voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of gehandicaptenvoertuig; in ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een bromfiets is;
- **bromfietsaanhangwagen:** niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een bromfiets te worden getrokken;
- **bus:** voertuig ingericht voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of gehandicaptenvoertuig; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M2 of M3 en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een bus is;
- **carrosserietype:** carrosserietype als bedoeld in bijlage II, deel C, paragraaf 1, bij richtlijn 2007/46/EG;
@@ -86,17 +86,17 @@
- **elektrische aandrijflijn:** aandrijflijn met elektrische circuit, bestaande uit:
- 1. de tractiebatterij;
- 2. de elektronische omzetters;
- 3. de tractiemotoren;
- 4. het laadcircuit;
- 5. de kabelset en de connectoren; en
- 6. de elektronische hulpapparatuur;
- a. de tractiebatterij;
- b. de elektronische omzetters;
- c. de tractiemotoren;
- d. het laadcircuit;
- e. de kabelset en de connectoren; en
- f. de elektronische hulpapparatuur;
- **emissiebeheersingssysteem:** emissiebeheersingssysteem als bedoeld in artikel 3, elfde lid, van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715);
@@ -142,15 +142,15 @@
- **kampeerwagen:** voertuig dat voorzien is van een woongedeelte met ten minste de volgende uitrusting die vast in het woongedeelte bevestigd is: in ieder geval wordt als kampeerwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met subcategorie SA en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een kampeerwagen is;
- 1°. tafel, die eventueel eenvoudig te verwijderen is;
- 2°. stoelen;
- 3°. slaapgelegenheid, eventueel door de stoelen om te vormen;
- 4°. kookvoorzieningen, en
- 5°. opbergmogelijkheden;
- a. tafel, die eventueel eenvoudig te verwijderen is;
- b. stoelen;
- c. slaapgelegenheid, eventueel door de stoelen om te vormen;
- d. kookvoorzieningen, en
- e. opbergmogelijkheden;
- **kermis- en circusvoertuig:** voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat feitelijk wordt gebruikt voor het kermis- of circusbedrijf;
@@ -160,15 +160,15 @@
- **klimaatregelingssysteem:** apparatuur die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen;
- **lading:** alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel alsmede verwisselbare uitrustingsstukken daaronder niet begrepen;
- **lading:** alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel alsmede verwisselbare gedragen uitrustingsstukken daaronder niet begrepen;
- **landbouw- of bosbouwaanhangwagen:** voertuig van de voertuigcategorie R, zijnde een in de landbouw of bosbouw gebruikte aanhangwagen die voornamelijk is bestemd om door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden getrokken en voornamelijk is bedoeld voor het vervoeren van ladingen of het bewerken van materialen, waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0;
- **landbouw- of bosbouwtrekker:** voertuig van de voertuigcategorie T of C, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of gehandicaptenvoertuig, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken of landbouw- of bosbouwaanhangwagens;
- **lastdrager:** afneembare of uitschuifbare constructie die is bestemd voor het vervoer van goederen, met inbegrip van hulpmiddelen en die:
- a. aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig is aangebracht , dan wel is geïntegreerd in de achterzijde van het voertuig;
- **lastdrager:** afneembare of uitschuifbare constructie die is bestemd voor het vervoer van goederen, met inbegrip van hulpmiddelen, en die:
- a. aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig is aangebracht, dan wel is geïntegreerd in de achterzijde van het voertuig;
- b. aan de achterzijde, op de trekdriehoek of trekboom van een (middenas) aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is aangebracht, of
@@ -218,7 +218,7 @@
- **massieve band:** band zonder luchtkamers, geheel vervaardigd van een elastisch materiaal;
- **mechanische koppelinrichting:** alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van de carrosserie en het chassis van voertuigen, waarmee het trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van de bovenvermelde koppelinrichtingen;
- **mechanische koppelinrichting:** alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van de carrosserie en het chassis van voertuigen waarmee het trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van deze koppelinrichtingen;
- **meeneemheftruck:** motorrijtuig met beperkte snelheid, zonder laadruimte, uitgerust met een hefinrichting waarvan het zwaartepunt van de te heffen last tussen de wielen en achter de vooras ligt en dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan worden ingezet;
@@ -226,18 +226,20 @@
- **middenasaanhangwagen:** aanhangwagen waarvan de as of assen, indien gelijkmatig belast, zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig bevindt respectievelijk bevinden, zodat een statische verticale belasting van ten hoogste 10% van de met de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1.000 kg, waarbij de lichtste belasting van toepassing is, wordt overgebracht op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt als middenasaanhangwagen aangemerkt een voertuig met carrosserietype DC en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een middenasaanhangwagen is;
- **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu;
- **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- **mistachterlicht:** licht dat het voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter waarneembaar maakt;
- **mistvoorlicht:** licht dat dient voor een betere verlichting van de weg bij mist of een soortgelijke toestand van verminderd zicht;
- **mobiele kraan:** voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie N met de voertuigclassificatie N3 en met carrosserietype SF dat niet is uitgerust voor het vervoer van goederen, maar zijn voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt; in ieder geval wordt als mobiele kraan aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een mobiele kraan is;
- **mobiele kraan:** voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie N met de voertuigclassificatie N3 en met carrosserietype SF dat niet is ingericht voor het vervoer van goederen, maar is voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt; in ieder geval wordt als mobiele kraan aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een mobiele kraan is;
- **mobiliteitshandicap:** eigenschap die het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen;
- **motorfiets:** voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L3e of L4e, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of gehandicaptenvoertuig; in ieder geval wordt als motorfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een motorfiets is;
- **motorfietsaanhangwagen:** niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorfiets te worden getrokken;
- **motorrijtuig met beperkte snelheid:** motorvoertuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan:
- a. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen;
@@ -282,21 +284,23 @@
- **samenstel van voertuigen:** trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;
- **schadevoertuig:** voertuig als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1). Onder een schadevoertuig wordt in ieder geval verstaan een voertuig:
- 1°. waarvan de dragende carrosseriedelen ernstig zijn vervormd;
- 2°. waarvan de langsbalken van het chassis ernstig zijn vervormd;
- 3°. waarvan één of meer deurstijlen ernstig zijn vervormd;
- 4°. waarvan het dak is verwijderd of de deur- of raamstijlen zijn doorgeknipt;
- 5°. waarvan één of meer wielophangingen ernstig zijn vervormd in combinatie met één van de overige punten;
- 6°. met ernstige brand- of waterschade, of
- 7°. waarvan het frame ernstig is beschadigd;
- **schadevoertuig:** voertuig als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1). Hieronder wordt in ieder geval verstaan een voertuig:
- a. waarvan de dragende carrosseriedelen ernstig zijn vervormd;
- b. waarvan de langsbalken van het chassis ernstig zijn vervormd;
- c. waarvan één of meer deurstijlen ernstig zijn vervormd;
- d. waarvan het dak is verwijderd of de deur- of raamstijlen zijn doorgeknipt;
- e. waarvan één of meer wielophangingen ernstig zijn vervormd in combinatie met één van de overige punten;
- f. met ernstige brand- of waterschade, of
- g. waarvan het frame ernstig is beschadigd;
- **semi-dieplader:** open voertuig van de voertuigcategorie O met de voertuigclassificatie O3 of O4 waarvan het grotendeels verlaagde laadvlak zich in onbeladen toestand meer dan 0,70 m maar niet meer dan 1,10 m boven het wegdek bevindt, gemeten vanaf het wegdek tot aan de bovenkant van het laadvlak;
- **seriehybride voertuig:** hybride elektrisch voertuig waarvan alleen de elektrische motor mechanisch met de wielen verbonden is;
@@ -378,13 +382,13 @@
- **zitplaats:** constructie, inclusief bekleding, die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid:
- 1. naar voren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
- 2. naar achteren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
- 3. zijdelings gerichte zitplaats: zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen 1 en 2.
### Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
- a. naar voren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
- b. naar achteren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
- c. zijdelings gerichte zitplaats: zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen a en b.
### Afdeling 1a. Aanvulling grondslagen
##### Artikel 1.2
@@ -438,13 +442,13 @@
2. Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.
3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
##### Artikel 2.2
1. Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister.
2. De in het eerste lid vermelde datum van eerste toelating wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze, bepaald in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=II&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
2. De datum van eerste toelating, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze, bepaald in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=II&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
3. Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’ een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.
@@ -454,15 +458,17 @@
##### Artikel 3.1
1. Voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S, en systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers die voor deze voertuigen zijn ontworpen en gebouwd, moeten zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg. Deze goedkeuring kan bestaan uit een EU-typegoedkeuring, nationale typegoedkeuring, EU-kleine serie typegoedkeuring, nationale kleine serie typegoedkeuring, individuele goedkeuring of een goedkeuring afgegeven overeenkomstig een VN/ECE-reglement. Een alcoholslot moet zijn typegoedgekeurd alvorens het in het kader van het alcoholslotprogramma, bedoeld in [artikel 118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=118), of [artikel 131, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), kan worden ingebouwd.
2. De in dit hoofdstuk vermelde productieprocessen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede van alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), moeten zijn goedgekeurd.
3. In afwijking van het eerste lid, worden bromfietsen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), niet goedgekeurd voor de toelating tot het verkeer op de weg.
4. Met een nationale typegoedkeuring, een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring als bedoeld in deze regeling wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
5. Voertuigen bestemd voor het gebruik door de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, hoeven voor de toelating tot het verkeer op de weg niet aan alle toelatingseisen inzake retroreflecterende voorzieningen, geluidssignalen en verlichting te voldoen en mogen voor wat betreft de genoemde aspecten zijn voorzien van aanvullende voorzieningen die voor overige voertuigen niet zijn toegestaan.
1. Voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S, alsmede systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers die voor deze voertuigen zijn ontworpen en gebouwd, moeten zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bromfietsen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1).
3. De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een EU-typegoedkeuring, nationale typegoedkeuring, EU-kleine serie typegoedkeuring, nationale kleine serie typegoedkeuring, individuele goedkeuring of een goedkeuring afgegeven overeenkomstig een VN/ECE-reglement.
4. Met een nationale typegoedkeuring, een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring als bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
5. De in dit hoofdstuk vermelde productieprocessen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers moeten zijn goedgekeurd.
6. Voertuigen bestemd voor het gebruik door de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, hoeven voor de toelating tot het verkeer op de weg niet aan alle toelatingseisen inzake retroreflecterende voorzieningen, geluidssignalen en verlichting te voldoen en mogen voor wat betreft de genoemde aspecten zijn voorzien van aanvullende voorzieningen die voor overige voertuigen niet zijn toegestaan.
### Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
@@ -476,21 +482,21 @@
3. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, met uitzondering van voertuigen voor speciale doeleinden, moeten voor het verkrijgen van een EU-kleine serie typegoedkeuring en een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV, deel 1, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk tabel 2 bij richtlijn 2007/46/EG.
4. Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, alsmede voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bij deze regeling.
4. Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, alsmede voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bij deze regeling.
##### Artikel 3.3
Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
##### Artikel 3.4
Voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
Voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
##### Artikel 3.5
1. De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige EU-typegoedkeuring als bedoeld in artikel 20 van richtlijn 2007/46/EG verlenen aan voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, indien hierin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met EU-richtlijnen, EU-verordeningen of VN/ECE-reglementen.
2. De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor een type waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan de eisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) kunnen voldoen, een tijdelijke nationale kleine serie goedkeuring kan worden verleend, mits er naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.
2. De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor een type waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan de eisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) kunnen voldoen, een tijdelijke nationale kleine serie goedkeuring kan worden verleend, mits er naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.
##### Artikel 3.6
@@ -500,7 +506,7 @@
##### Artikel 3.7
1. Voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bij deze regeling.
1. Voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bij deze regeling.
2. In afwijking van het eerste lid, mogen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 die in grote series worden geproduceerd in of voor derde landen en niet of niet langer dan zes maanden zijn geregistreerd, voldoen aan bijlage IV, deel I, aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG.
@@ -508,7 +514,7 @@
##### Artikel 3.8
De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor prototypen van voertuigen of voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan de eisen, genoemd in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01), kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in dit hoofdstuk gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke individuele goedkeuring kan worden verleend, mits naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer er geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.
De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor prototypen van voertuigen of voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan de eisen, genoemd in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01), kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in dit hoofdstuk gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke individuele goedkeuring kan worden verleend, mits naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer er geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.
### Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers
@@ -516,9 +522,9 @@
1. Een systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N of O en waarvoor onafhankelijk van een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend, moet voor het verkrijgen van een EU-typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften van de relevante EU-richtlijnen, EU-verordeningen en VN/ECE-reglementen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG.
2. De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2017-10-01&g=2017-10-01) moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.
3. Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in [bijlage Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
2. De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2018-01-01&g=2018-01-01) moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.
3. Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in [bijlage Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
4. Een reminrichting of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van:
@@ -526,7 +532,7 @@
- b. een voertuig van de voertuigcategorie R of S, moet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende onderdeel relevante voorschriften opgenomen in verordening (EU) 167/2013, waarbij de fabrikant tot tevredenheid van de Dienst Wegverkeer aantoont dat aan de essentiële voorschriften van de regelgeving is voldaan.
5. Een alcoholslot als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), voldoet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, aan de in [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vermelde eisen. De houder van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, verstrekt bij het alcoholslot een afschrift van het typegoedkeuringscertificaat.
5. Een alcoholslot als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), voldoet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, aan de in [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) vermelde eisen. De houder van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, verstrekt bij het alcoholslot een afschrift van het typegoedkeuringscertificaat.
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
@@ -550,17 +556,17 @@
##### Artikel 3.12
Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.
Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.
##### Artikel 3.13
1. Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2017-10-01&g=2017-10-01), indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijk gesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
2. Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2017-10-01&g=2017-10-01). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkt gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
3. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde eisen ten aanzien van:
1. Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2018-01-01&g=2018-01-01), indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
2. Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2018-01-01&g=2018-01-01). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
3. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
@@ -568,7 +574,7 @@
- c. de gedeelten ten behoeven van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen.
Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
##### Artikel 3.14
@@ -576,13 +582,13 @@
##### Artikel 3.15
1. Bij de inschrijving van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-10-01&g=2017-10-01), wordt in het kentekenregister vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
2. Bij de inschrijving van de taxi bedoeld in [artikel 3.13 derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-10-01&g=2017-10-01) wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi. Bij de inschrijving in het kentekenregister wordt onder ‘bijzonderheden’ vermeld: ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’.
1. Bij de inschrijving van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2018-01-01&g=2018-01-01), wordt in het kentekenregister vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
2. Bij de inschrijving van de taxi bedoeld in [artikel 3.13 derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2018-01-01&g=2018-01-01) wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi. Bij de inschrijving in het kentekenregister wordt onder ‘bijzonderheden’ vermeld: ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van een voertuig voor gebruik als OV-voertuig. In het kentekenregister wordt vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie goedkeuringsdocument’.
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
### Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken, voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede alcoholsloten
#### § 1. Aanvraag en toezicht EG-typegoedkeuring en VN/ECE typegoedkeuring
@@ -632,7 +638,7 @@
##### Artikel 3.22
De [artikelen 3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.16&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.18&z=2017-10-01&g=2017-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor onderdelen, systemen en technische eenheden.
De [artikelen 3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.16&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.18&z=2018-01-01&g=2018-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor onderdelen, systemen en technische eenheden.
##### Artikel 3.23
@@ -642,7 +648,7 @@
##### Artikel 3.24
1. De [artikelen 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.20&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.21&z=2017-10-01&g=2017-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring.
1. De [artikelen 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.20&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.21&z=2018-01-01&g=2018-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring.
2. De fabrikant mag de in richtlijn 2007/46/EG vermelde maximale aantal jaarlijks te verkopen, registreren, of in het verkeer te brengen voertuigen niet overschrijden en doet opgave aan de Dienst Wegverkeer van de per kalenderjaar verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen.
@@ -654,7 +660,7 @@
- a. in richtlijn 2007/46/EG of een hierop gebaseerde EU-richtlijn of EU-verordening anders is bepaald, of
- b. [artikel 3.26, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is.
- b. [artikel 3.26, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is.
2. Een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring is verleend anders is bepaald.
@@ -662,11 +668,11 @@
- a. in richtlijn 2007/46/EG of een hierop gebaseerde EU-richtlijn of EU-verordening anders is bepaald, of
- b. [artikel 3.26, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is.
- b. [artikel 3.26, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is.
4. Een nationale typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden.
5. Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
5. Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
6. Een individuele goedkeuring vervalt zodra zwaardere eisen van kracht worden.
@@ -680,11 +686,11 @@
2. Voltooide voertuigen mogen op grond van een ingevolge [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
3. Met betrekking tot het opnemen van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S in een restantvoorraad, moet worden voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen voorschriften.
3. Met betrekking tot het opnemen van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S in een restantvoorraad, moet worden voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen voorschriften.
##### Artikel 3.27
1. Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen voorschriften.
1. Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen voorschriften.
2. Alcoholsloten mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring nog gedurende een periode van 24 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen worden ingebouwd.
@@ -698,7 +704,7 @@
##### Artikel 4.2
1. Het is verboden een nieuw onderdeel dat of een nieuwe technische eenheid die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorieën, genoemd in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), te verkopen of in het verkeer te brengen, indien dat onderdeel of die technische eenheid:
1. Het is verboden een nieuw onderdeel dat of een nieuwe technische eenheid die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorieën, genoemd in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), te verkopen of in het verkeer te brengen, indien dat onderdeel of die technische eenheid:
- a. niet voldoet aan de voorschriften van de relevante EU-richtlijnen en EU-verordeningen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG, bijlage I van verordening (EU) 167/2013, en bijlage II en V tot en met VIII van verordening (EU) 168/2013, of de relevante VN/ECE-reglementen; of
@@ -708,11 +714,11 @@
- a. speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet vallen onder de richtlijnen en verordeningen, bedoeld in het eerste lid;
- b. zijn bedoeld voor montage op voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O waarvoor uit hoofde van de [artikel 3.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01), typegoedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
- c. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S waarvoor uit hoofde van onderscheidenlijk de [artikelen 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) typegoedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid; of
- d. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S waarvoor uit hoofde van [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01) individuele goedkeuringen zijn verleend.
- b. zijn bedoeld voor montage op voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O waarvoor uit hoofde van de [artikel 3.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01), typegoedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
- c. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S waarvoor uit hoofde van onderscheidenlijk de [artikelen 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) typegoedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid; of
- d. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S waarvoor uit hoofde van [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01) individuele goedkeuringen zijn verleend.
##### Artikel 4.3
@@ -730,15 +736,15 @@
- b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft, of
- c. niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de [afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vermelde categorieën motorvoertuigen, de in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
- c. niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de [afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) vermelde categorieën motorvoertuigen, de in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in [afdeling 18 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2017-10-01&g=2017-10-01) ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in [afdeling 18 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2018-01-01&g=2018-01-01) ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
##### Artikel 5.1.3
@@ -746,7 +752,7 @@
##### Artikel 5.1.4
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in [afdeling 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in [artikel 5.9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=2&artikel=5.9.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01)ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor [artikel 5.10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=2&artikel=5.10.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01) in de plaats treedt.
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in [afdeling 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in [artikel 5.9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=2&artikel=5.9.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01)ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor [artikel 5.10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=2&artikel=5.10.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01) in de plaats treedt.
##### Artikel 5.1.5
@@ -784,13 +790,13 @@
##### Artikel 5.1a.1
Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.
Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.
##### Artikel 5.1a.2
1. De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in [afdeling 18 van hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2017-10-01&g=2017-10-01), bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in [afdeling 18 van hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2018-01-01&g=2018-01-01), bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
##### Artikel 5.1a.3
@@ -798,11 +804,19 @@
2. In afwijking van het eerste lid, worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op:
- a. landbouw- of bosbouwtrekkers,
- b. motorrijtuigen met beperkte snelheid,
- c. landbouw- of bosbouwaanhangwagens, en
- d. verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.
##### Artikel 5.1a.4
Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:
1. Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:
- a. dezelfde functie vervullen;
@@ -813,6 +827,8 @@
- 1°. de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste vierhoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven, of
- 2°. de onderlinge afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten niet meer dan 75 mm bedraagt.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien het voertuig is uitgerust met van fabriekswege aangebrachte lichten.
##### Artikel 5.1a.5
@@ -870,7 +886,7 @@
| g. | kunststofbeplating in of over de wielkasten; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is; |
| h. | tapijt of vloerbedekking; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is; |
| i. | zijskirts, waaronder kunststofspoilers aan dorpels; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en verwijdering kan geschieden zonder lakbeschadiging (bijvoorbeeld bevestigd met parkers). Zijskirts bevestigd door middel van popnagels of andere permanente bevestigingsmiddelen mogen niet worden verwijderd; |
| j. | beschermkappen om stuurkoppelingen; | voor zover deze een visuele controle van de koppeling onmogelijk maken; |
| j. | beschermkappen om stuurkoppelingen; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van die koppelingen, voor zover deze kappen een visuele controle van die koppelingen onmogelijk maken; |
| k. | beschermkappen om reminrichtingen; | voor zover deze een visuele controle van remschijven onmogelijk maken; |
| l. | overige onderdelen; | voor zover deze een visuele controle onmogelijk maken. |
@@ -882,11 +898,11 @@
6. Voor het meten van voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III met voldoende bereik gebruikt.
7. Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan indien twijfel bestaat:
7. Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan, indien twijfel bestaat:
- a. over de goede bevestiging van de remvoering, dan wel
- b. of de drager of het bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf raakt.
- b. of de drager dan wel het bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf raakt.
##### Artikel 5.1b.4
@@ -896,7 +912,7 @@
##### Artikel 5.2.0
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -904,7 +920,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. |
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. |
| 2. | De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -918,13 +934,13 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.2.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -932,13 +948,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| | Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.2.7
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Lid 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Lid 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. | |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -947,7 +963,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -957,11 +973,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Lid 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -970,7 +986,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -987,13 +1003,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Indien personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem moet dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting, en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van bijlage VIII van toepassing. | – |
| 3. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Indien personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, moet dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing. | – |
##### Artikel 5.2.12
@@ -1006,7 +1022,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -1022,19 +1038,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.2.18
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.2.19
@@ -1042,21 +1058,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.2.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.2.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&artikel=5.2.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&artikel=5.2.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.2.22
@@ -1091,17 +1107,17 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen van personenauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken ‘ ’, met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken ‘ ’, met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de personenauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Visuele controle. |
| 7. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. |
| | | – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| | | – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. |
| | | – Wanneer er geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. |
| 9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. |
| | | – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| | | – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. |
| | | – Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. |
| | | – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. |
| | | – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. |
@@ -1110,8 +1126,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -1121,15 +1137,15 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
@@ -1140,12 +1156,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 7. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering zonder demontage niet zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld, terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 8. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -1163,22 +1179,22 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,8 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | |
| 2. | Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 3. | Personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,8 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 3. | Personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 5. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 5 en 6: de wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 6. | In afwijking van het eerste en tweede lid, moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 5. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 5 en 6: de wijze van keuren bij het eerste tot en met derde lid is van toepassing. |
| 6. | In afwijking van het eerste en tweede lid, moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.2.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing | In geval van een elektrische bediende parkeerrem waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
| 2. | De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing | In geval van een elektrische bediende parkeerrem waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.2.41
@@ -1186,13 +1202,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -1226,27 +1242,27 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 21 juli 2013, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door de minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving en op zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op: a. personenauto’s in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, en b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande personenauto. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.2.47
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Lid 1 en 2: visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een doorlopende bank geen (heup)gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats en behoeft geen (heup)gordel te zijn aangebracht. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 1. | Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 en 2: visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een doorlopende bank geen (heup)gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats en behoeft geen (heup)gordel te zijn aangebracht. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 3. | Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande personenauto. | |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 6. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
##### Artikel 5.2.47a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde eisen. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.79&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde eisen. | |
| 1. | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde eisen. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.79&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde eisen. | |
##### Artikel 5.2.48
@@ -1270,28 +1286,28 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
#### § 8. Reminrichting
| | Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
#### § 7. Stuurinrichting
##### Artikel 5.2.51
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
| | f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | |
| | f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | |
| | g. twee achterlichten; | |
| | h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | |
| | i. een achterkentekenplaatverlichting; | |
| | j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; | |
| | m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; | |
| | p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat: | |
| | 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en | |
| | 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h. | |
@@ -1302,7 +1318,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid geldt niet voor personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Personenauto’s in gebruik bij de in [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | |
##### Artikel 5.2.53
@@ -1323,52 +1339,51 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de personenauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
| 1. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de personenauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.2.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van personenauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van personenauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.2.57
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met v: visuele controle. |
| 1. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met u: visuele controle. |
| | a. twee mistvoorlichten; | |
| | b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | |
| | c. twee extra stadslichten; | |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. parkeerlichten; | |
| | i. één extra mistachterlicht aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | j. extra achteruitrijlichten; | |
| | k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
| | l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig; | |
| | m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | n. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is; | |
| | o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is; | |
| | p. werklichten; | |
| | q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01); | |
| | q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in [artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01); | |
| | r. twee dagrijlichten; | |
| | s. verlichte transparanten; | |
| | t. twee bochtlichten; | |
| | u. twee hoeklichten; | |
| | v. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.53&z=2017-10-01&g=2017-10-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | s. twee bochtlichten; | |
| | t. twee hoeklichten; | |
| | u. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.53&z=2018-01-01&g=2018-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde en extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste retroreflector aan de zijkant, welke rood mag zijn. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel q, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.58
@@ -1393,23 +1408,24 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.2.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten en werklichten. | – |
##### Artikel 5.2.62
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de personenauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, de mistvoorlichten indien de personenauto na 31 december 2012 in gebruik is genomen en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de personenauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, moet door middel van een controlelampje of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt | Visuele dan wel auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de personenauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, de mistvoorlichten indien de personenauto na 31 december 2012 in gebruik is genomen en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de personenauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt | Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.2.64
@@ -1424,7 +1440,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.2.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51a&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.2.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Personenauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.2.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51a&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.2.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Personenauto’s niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
@@ -1433,14 +1449,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01). | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01). | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.2.67
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2017-10-01&g=2017-10-01). | De wijze van keuren bij [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is van toepassing. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2018-01-01&g=2018-01-01). | De wijze van keuren bij [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is van toepassing. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -1454,44 +1470,41 @@
| 4. | Personenauto’s in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 5. | Met uitzondering van personenauto’s in gebruik bij de in [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen personenauto’s niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. | |
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.2.73
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een taxi waarvoor een goedkeuringsdocument is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de [paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 1. | Een taxi waarvoor een goedkeuringsdocument is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de [paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 2. | Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op personenauto’s bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), hetgeen blijkt uit een vermelding in het kentekenregister. | – |
##### Artikel 5.2.74
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De inrichting van een taxi moet overeenstemmen met het goedkeuringsdocument, bedoeld in [artikel 3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.15&z=2017-10-01&g=2017-10-01), tenzij in deze afdeling anders is bepaald. | Visuele controle. |
| | De inrichting van een taxi moet overeenstemmen met het goedkeuringsdocument, bedoeld in [artikel 3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.15&z=2018-01-01&g=2018-01-01), tenzij in deze afdeling anders is bepaald. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.75
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien op het goedkeuringsdocument rails of andere bevestigingspunten voor de bevestiging van rolstoelen of ligplaatsen zijn aangegeven, kan het aantal stoelen of banken in de taxi minder zijn dan op het goedkeuringsdocument. | Visuele controle. |
| 2. | Indien op de rails stoelen of banken zijn bevestigd, moet de positionering ervan zodanig zijn dat voldoende doorgang naar een deur is gewaarborgd. | Lid 2 en 3: visuele controle, van voldoende doorgang is sprake indien een volwassen persoon de deur kan bereiken. |
| 3. | Aanwezige interieurdelen mogen de doorgang naar een uitgang niet belemmeren. | |
| 1. | Indien in het goedkeuringsdocument rails of andere bevestigingspunten voor de bevestiging van rolstoelen of ligplaatsen zijn aangegeven, kan het aantal stoelen of banken in de taxi minder zijn dan in het goedkeuringsdocument is vermeld. | Visuele controle. |
| 2. | Indien op de rails stoelen of banken zijn bevestigd, moet de positionering ervan zodanig zijn dat voldoende doorgang naar een deur is gewaarborgd. | Visuele controle. Van voldoende doorgang is sprake, indien een volwassen persoon de deur ongehinderd kan bereiken. |
| 3. | Aanwezige interieurdelen mogen de doorgang naar een uitgang niet belemmeren. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.76
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien op het goedkeuringsdocument een nooduitgang in het dak of een noodhamer is aangegeven, moet één van beide aanwezig zijn. | Visuele controle. |
| 2. | De in het eerste lid vermelde nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de nooduitgang aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten. |
| 3. | De in het eerste lid vermelde noodhamer moet zodanig zijn bevestigd dat deze kan worden gebruikt door een zich in het voertuig bevindend persoon vanuit een positie direct voor het noodraam. | Visuele controle, waarbij de noodhamer uit de inklemming wordt verwijderd en weer wordt aangebracht. |
| 4. | Met een op het goedkeuringsdocument bij een schuifdeur aangegeven tweede deurklink, moet de betreffende schuifdeur kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de schuifdeur aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten. |
| 1. | Indien in het goedkeuringsdocument een nooduitgang in het dak of een noodhamer is aangegeven, moet ten minste één van beide aanwezig zijn. | Visuele controle. |
| 2. | De nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de nooduitgang aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten. |
| 3. | De noodhamer moet zodanig zijn bevestigd dat deze kan worden gebruikt door een zich in het voertuig bevindend persoon vanuit een positie direct voor het noodraam. | Visuele controle, waarbij de noodhamer uit de inklemming wordt verwijderd en weer wordt aangebracht. |
| 4. | Met een in het goedkeuringsdocument bij een schuifdeur aangegeven tweede deurklink, moet de betreffende schuifdeur kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de schuifdeur aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten. |
##### Artikel 5.2.77
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de taxi mede bestemd is voor het vervoer van personen in rolstoelen, moeten een lift, oprijplaten dan wel andere middelen aanwezig zijn om de rolstoelen in de taxi te kunnen plaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | De in het eerste lid vermelde middelen moeten deugdelijk aan de taxi kunnen worden bevestigd en de lift moet functioneren. | Visuele controle, waarbij de lift in werking moet worden gesteld. |
Vervallen
##### Artikel 5.2.78
@@ -1507,7 +1520,7 @@
##### Artikel 5.3.0
Een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -1515,7 +1528,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. |
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. |
| 2. | De bedrijfsauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bedrijfsauto staat. |
@@ -1530,14 +1543,14 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen; | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing | |
##### Artikel 5.3.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -1545,7 +1558,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, bedoelde maten niet meer dan 1% mogen afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is van toepassing. |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, bedoelde maten niet meer dan 1% mogen afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen: | |
| | a. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m, en | |
| | b. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
@@ -1559,7 +1572,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De last onder de assen van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Lid 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | De last onder de assen van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Lid 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. | |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -1568,7 +1581,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -1578,11 +1591,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast, die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Lid 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -1591,7 +1604,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -1608,13 +1621,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Indien bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg, die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem moet dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting, en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing. | – |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Indien bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, moet dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3.12
@@ -1627,7 +1640,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -1643,8 +1656,7 @@
| | c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen. | |
| 3. | De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld opeen zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet meer dan 90 km/h kan bedragen. De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. | Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is. |
| 4. | De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen. |
| 5. | De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet voor: a. motorvoertuigen als bedoeld in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b), en | Visuele controle. Onderdeel a: dit betreft een verwijzing naar hulpdiensten. Of het voertuig wordt gebruikt door een hulpdienst wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| | b. motorvoertuigen die blijkens een voor dat voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. | |
| 5. | Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s: a. in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, en b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. | Visuele controle. – Onderdeel a: of een bedrijfsauto wordt gebruikt door een in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), of [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Indien een bedrijfsauto moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de bedrijfsauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
| | c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en | |
| | d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. | |
@@ -1653,7 +1665,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -1662,10 +1674,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3.19
@@ -1673,21 +1685,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.3.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.3.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: a.15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.3.22
@@ -1730,17 +1742,17 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen van bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bedrijfsauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bedrijfsauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| | | – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. |
| | | – Wanneer er geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. |
| 10. | Bij bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| | | – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. |
| | | – Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. |
| | | – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. |
| | | – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. |
@@ -1749,8 +1761,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van gasvering en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
#### § 5. Assen
@@ -1761,11 +1773,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -1780,19 +1792,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 11. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister «G» hebben. | Visuele controle. |
| 12. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister 'G' hebben. | Visuele controle. |
| 13. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | De wijze van keuren bij het zevende lid is van toepassing. |
| | a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | |
| | b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | |
@@ -1810,7 +1822,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bedrijfsauto’s met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimum druk is gedaald. | Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
| | Bedrijfsauto’s met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
##### Artikel 5.3.34
@@ -1824,7 +1836,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten; b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten, en | – Onderdelen a en b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel c: visuele controle met behulp van manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn. |
| | c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975. | |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Bedrijfsauto’s met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. |
| | | De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: |
| | | a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en |
@@ -1857,21 +1869,21 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | |
| 2. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 3. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 5. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | Leden 1 tot en met 5: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 6. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 7. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 7. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste tot en met vijfde lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen van één niet hefbare as werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | In geval van een elektrische bediende parkeerrem waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 2. | De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | In geval van een elektrische bediende parkeerrem waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
@@ -1881,13 +1893,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -1911,52 +1923,52 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | In afwijking van het gestelde in het eerste lid, mogen bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg zijn voorzien van een binnenspiegel in plaats van een rechterbuitenspiegel, mits met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte voldoende kan worden overzien. | |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, mogen bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg zijn voorzien van een binnenspiegel in plaats van een rechterbuitenspiegel, mits met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte voldoende kan worden overzien. | |
| 3. | De volgende bedrijfsauto’s moeten aan de rechterzijde zijn voorzien van een trottoirspiegel: | |
| | a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen voor 1 januari 2000; | |
| | b. rijdende werktuigen, en | |
| | c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999. | |
| 4. | De verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om een trottoirspiegel zodanig te monteren dat: a. geen enkel punt van de spiegel zich op een hoogte van minder dan 2,20 m boven het wegdek bevindt, of b. de spiegel volledig zichtbaar is vanaf de bestuurdersplaats. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om een trottoirspiegel zodanig te monteren dat: a. geen punt van de spiegel zich op een hoogte van minder dan 2,20 m boven het wegdek bevindt, of b. de spiegel volledig zichtbaar is vanaf de bestuurdersplaats. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | De volgende bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een breedtespiegel aan de rechterzijde: | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| | a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, en | |
| | b. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999. | |
| 6. | De verplichting, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet indien het voertuig is voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden. | |
| 7. | Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximum massa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2008, moeten zijn voorzien van: | |
| 6. | De verplichting, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet, indien: a. het voertuig is voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden, of b. een trottoirspiegel niet verplicht is. | |
| 7. | Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en in gebruik genomen na 25 januari 2008, moeten zijn voorzien van: | |
| | a. een vooruitkijkspiegel dan wel een goed werkend camera-monitorsysteem, en | |
| | b. een breedtespiegel aan de linkerzijde. | |
| 8. | In afwijking van het zevende lid, onderdeel a, is een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem niet verplicht wanneer vanaf de linkerzijde een recht lijnstuk kan worden overzien, gelegen op een hoogte van 1,20 m boven het wegdek en 0,30 m voor het voertuig. | Leden 8 en 9: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 9. | De verplichting, genoemd in het zevende lid, onderdeel a, geldt niet indien het onmogelijk is om een vooruitkijkspiegel of een cameramonitorsysteem zodanig te monteren dat geen enkel punt van de spiegel of het cameramonitorsysteem zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. | |
| 10. | In afwijking van het derde lid, is een trottoirspiegel niet vereist indien de bedrijfsauto is voorzien van een vooruitkijkspiegel of een cameramonitorsysteem en een breedtespiegel, mits de bestuurder met deze combinatie van spiegels het grondoppervlak gelegen aan de rechterzijde direct naast de cabine kan zien. | Leden 10 tot en met 15: visuele controle. |
| 8. | In afwijking van het zevende lid, onderdeel a, is een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem niet verplicht, indien vanaf de linkerzijde een recht lijnstuk kan worden overzien, gelegen op een hoogte van 1,20 m boven het wegdek en 0,30 m voor het voertuig. | Leden 8 en 9: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 9. | De verplichting, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, geldt niet indien het onmogelijk is om een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem zodanig te monteren dat geen punt van de spiegel of het camera-monitorsysteem zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. | |
| 10. | In afwijking van het derde lid, is een trottoirspiegel niet verplicht, indien de bedrijfsauto is voorzien van een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem en een breedtespiegel, mits de bestuurder met deze combinatie van spiegels het grondoppervlak gelegen aan de rechterzijde direct naast de cabine kan zien. | Leden 10 tot en met 15: visuele controle. |
| 11. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde kampeerwagens, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977, moeten zijn voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden. | |
| 12. | De verplichting, genoemd in het elfde lid, geldt niet voor bedrijfsauto’s: | |
| 12. | Het elfde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s: | |
| | a. met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg die in gebruik zijn genomen na 25 januari 2008, en | |
| | b. bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen vóór 26 januari 2008 en die voldoen aan het gestelde in het derde, vijfde, en het zevende lid, onderdeel a. | |
| | b. die in gebruik zijn genomen vóór 26 januari 2008 en voldoen aan het derde, vijfde, en zevende lid, aanhef en onderdeel a. | |
| 13. | De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 14. | Het spiegelglas van de spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 15. | Indien in een bedrijfsauto het stuur aan de rechterzijde is geplaatst, moeten alle verplicht aanwezige voorzieningen voor indirect zicht in spiegelbeeld geplaatst zijn ten opzichte van de situatie waarbij het stuur links is geplaatst. Een linker buitenspiegel dient altijd aanwezig te zijn. | |
| 15. | Indien in een bedrijfsauto het stuur aan de rechterzijde is geplaatst, moeten alle verplicht aanwezige voorzieningen voor indirect zicht in spiegelbeeld geplaatst zijn ten opzichte van de situatie waarbij het stuur links is geplaatst. Een linkerbuitenspiegel dient altijd aanwezig te zijn. | |
##### Artikel 5.3.46
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 21 januari 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, bedrijfsauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door de minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving en op zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op: a. bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, en b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.3.47
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen, indien op een afstand van maximaal 1,30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt. | Visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een bank geen gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | Visuele controle. |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto. | Visuele controle. |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
##### Artikel 5.3.47a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| | Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
##### Artikel 5.3.48
@@ -1966,32 +1978,32 @@
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen bedrijfsauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s: a. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1974: 1°. moeten zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 102 tot en met 106, van toepassing. b. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen vóór 1 januari 1975: 1°. moeten goed zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. c. met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg: 1°. moeten goed zijn afgeschermd; 2°. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en 3°. mogen niet aanlopen. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor opleggertrekkers. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. | |
| 5. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s: a. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1974: 1°. moeten zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 102 tot en met 106c, van toepassing. b. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen vóór 1 januari 1975: 1°. moeten goed zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. c. met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg: 1°. moeten goed zijn afgeschermd; 2°. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en 3°. mogen niet aanlopen. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op opleggertrekkers. | |
| 7. | Geen deel van de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.3.49
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Deze verplichting geldt niet voor vuilniswagens met een laadmogelijkheid aan de achterzijde, opleggertrekkers en asfaltwagens. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | |
| 3. | Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor bedrijfsauto’s, ingericht als betonmolen, betonmixer of betonpomp, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen. | |
| 4. | Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005, mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De stootbalk van bedrijfsauto’s mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: | |
| 1. | Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een deugdelijke stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op vuilniswagens met een laadmogelijkheid aan de achterzijde, opleggertrekkers en asfaltwagens. | – |
| 3. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking van de eerste volzin, mag de stootbalk bij bedrijfsauto’s ingericht als betonmolen, betonmixer of betonpomp niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. | |
| 5. | Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005, mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 6. | De stootbalk mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: | |
| | a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel | |
| | b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | |
| | Voor bedrijfsauto’s die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de vermelde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m. | |
| 6. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. | |
| 8. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2004, moeten op deugdelijke wijze zijn voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister «G» hebben. | |
| 9. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | Leden 9 en 10: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 10. | De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten. | |
| 11. | De bescherminrichting mag: | Leden 11 en 12: visuele controle. |
| | a. niet breder zijn dan de breedte van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as; | |
| | In afwijking van het bepaalde in de aanhef, mag de stootbalk bij bedrijfsauto’s bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn. | |
| 7. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Leden 7 tot en met 9: visuele controle. |
| 8. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. | |
| 9. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2004, moeten zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister 'G' hebben. | |
| 10. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | Leden 10 en 11: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 11. | De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten. | |
| 12. | De bescherminrichting mag: a. niet breder zijn dan de breedte van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as; | Leden 12 en 13: visuele controle. |
| | b. aan weerszijden niet meer dan 0,10 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten, of | |
| | c. aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan het voertuig gemeten over de uiterste punten van de instaptrede naar de bestuurderscabine. | |
| 12. | De beschermingsinrichting aan de voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | |
| 13. | De beschermingsinrichting aan de voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | |
##### Artikel 5.3.49a
@@ -2004,7 +2016,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
#### § 9. Carrosserie
@@ -2012,23 +2024,23 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
| | f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | |
| | f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | |
| | g. twee achterlichten; | |
| | h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | |
| | i. een achterkentekenplaatverlichting; | |
| | j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | |
| | m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | p. een derde remlicht indien de toegestane maximummassa van het voertuig niet meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2012, aangebracht zodanig dat: het derde remlicht is niet verplicht voor chassiscabines, opleggertrekkers en voertuigen met een open laadbak; | |
| | q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 153, van toepassing. | |
| | q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 153, van toepassing. | |
| 2. | Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), aan de krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel p, moeten twee extra remlichten worden aangebracht indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste lid, onderdelen q en r, is niet van toepassing op opleggertrekkers. | |
@@ -2038,7 +2050,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid geldt niet voor bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | |
##### Artikel 5.3.53
@@ -2058,30 +2070,31 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de bedrijfsauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
| 1. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de bedrijfsauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.3.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3.57
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdelen a tot en met r: visuele controle. – Onderdeel s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met aa: visuele controle. |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdelen a tot en met r: visuele controle. – Onderdeel s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met z: visuele controle. |
| | c. twee extra stadslichten; | |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. extra achteruitrijlichten; | |
@@ -2091,22 +2104,20 @@
| | m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | |
| | n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is; | |
| | q. werklichten; | |
| | r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01); | |
| | r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in [artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01); | |
| | s. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
| | t. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | u. twee dagrijlichten; | |
| | v. verlichte transparanten; | |
| | w. twee bochtlichten; | |
| | x. twee hoeklichten; | |
| | y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII, artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; | |
| | aa. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.53&z=2017-10-01&g=2017-10-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | v. twee bochtlichten; | |
| | w. twee hoeklichten; | |
| | x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII, artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; | |
| | z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.53&z=2018-01-01&g=2018-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3.58
@@ -2134,23 +2145,24 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
##### Artikel 5.3.62
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bedrijfsauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, de mistvoorlichten indien de bedrijfsauto na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bedrijfsauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, moet door middel van een controlelampje of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt | Visuele dan wel auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bedrijfsauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, de mistvoorlichten indien de bedrijfsauto na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bedrijfsauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt | Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3.64
@@ -2165,7 +2177,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51a&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.3.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51a&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.3.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bedrijfsauto’s niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
@@ -2174,7 +2186,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: | |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
@@ -2223,7 +2235,7 @@
##### Artikel 5.3a.0
1. Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
1. Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld.
@@ -2233,15 +2245,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. |
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. |
| 2. | De bus moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bus staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Bussen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa's die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister. | |
| 7. | In een bus moet per mogelijke indeling op een goed zichtbare plaats zijn aangegeven het toegestane maximumaantal: a. zitplaatsen; b. staanplaatsen, en c. rolstoelplaatsen. Vermelde aantallen mogen niet hoger zijn dan waarvoor de bus is goedgekeurd. | |
| 8. | De inrichting van de bus moet blijven voldoen aan de eisen zoals deze luidden ten tijde van goedkeuring. | Visuele controle. Bij twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 9. | Het zevende lid is niet van toepassing op bussen ten dienste van politie, justitie of brandweer. | - |
| 8. | Het zevende lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten. | – |
| 9. | De inrichting van de bus moet blijven voldoen aan de eisen zoals deze luidden ten tijde van goedkeuring. | Visuele controle. Bij twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -2251,14 +2263,14 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bussen mogen: | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.3a.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -2266,12 +2278,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is van toepassing. |
| 2. | Bussen met twee assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is van toepassing. |
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is van toepassing. |
| 2. | Bussen met twee assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is van toepassing. |
| 3. | Bussen met meer dan twee assen mogen niet langer zijn dan 15,00 m. | |
| 4. | Gelede bussen mogen niet langer zijn dan 18,75 m. | |
| 5. | De afmetingen bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn met inbegrip van een skibox. | – |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Tijdens de periodieke keuring moet bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
| 5. | De afmetingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn met inbegrip van een skibox. | – |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Tijdens de periodieke keuring moet bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
##### Artikel 5.3a.7
@@ -2286,7 +2298,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bus zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -2296,11 +2308,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast, die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | Indien de bus na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Lid 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -2310,7 +2322,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG-tank, mag niet verstreken zijn. | |
@@ -2328,12 +2340,12 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de bus zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Bussen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3a.12
@@ -2347,7 +2359,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -2365,7 +2377,7 @@
| | b. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen. | |
| | De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. | |
| 4. | De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen. |
| 5. | De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet voor: a. motorrijtuigen als bedoeld in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b), en b. motorrijtuigen die blijkens een voor dat voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. | Visuele controle. Onderdeel a: Dit betreft een verwijzing naar hulpdiensten. Of het voertuig wordt gebruikt door een hulpdienst wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | Het tweede lid is niet van toepassing op bussen: a. in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, en b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. | Visuele controle. – Onderdeel a: of een bus wordt gebruikt door een in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), of [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Indien een bus moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de bus zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
| | d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. | |
@@ -2373,7 +2385,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -2382,10 +2394,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3a.19
@@ -2393,21 +2405,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.3a.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.3a.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a.15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg; | |
| | b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | |
@@ -2452,18 +2464,18 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen van bussen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bussen mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bus. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bussen mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bus. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve in geval van nood waarbij een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. |
| | | – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| | | – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. |
| | | – Wanneer er geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. |
| 10. | Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. |
| | | – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| | | – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. |
| | | – Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. |
| | | – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. |
| | | – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. |
@@ -2472,8 +2484,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen die zijn voorzien van gasvering, en bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen die zijn voorzien van gasvering en bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Knielsystemen van bussen moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het systeem in werking wordt gesteld. |
@@ -2485,11 +2497,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van bussen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -2497,25 +2509,25 @@
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.3a.31
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 11. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. | Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bussen die een aantekening in het kentekenregister «G» hebben. | Leden 12 en 13: visuele controle. |
| 12. | Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bussen die een aantekening in het kentekenregister 'G' hebben. | Leden 12 en 13: visuele controle. |
| 13. | Bussen in gebruik genomen na 31 maart 2002, moeten zijn voorzien van een antiblokkeersysteem. | |
| 14. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | De wijze van keuren bij het zevende lid is van toepassing. |
| | a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | |
@@ -2534,7 +2546,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bussen met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimum druk is gedaald. | Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
| | Bussen met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
##### Artikel 5.3a.34
@@ -2548,7 +2560,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten; b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten, en | – Onderdelen a en b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel c: visuele controle met behulp van manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn. |
| | c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975. | |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Bussen met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: |
| | | a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en |
| | | b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
@@ -2580,46 +2592,46 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | |
| 2. | Bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 3. | Bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | Bussen in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 3. | Bussen in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 6. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 6. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste tot en met vierde lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3a.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen van één niet hefbare as werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | In geval van een elektrische bediende parkeerrem waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
| 2. | De parkeerrem van bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | In geval van een elektrische bediende parkeerrem waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
#### § 4. Krachtoverbrenging
##### Artikel 5.3a.41
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bussen moeten goed sluiten. De bedrijfs- en nooddeuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend, ongeacht of de daarvoor benodigde energievoorziening werkt. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten, indien noodzakelijk met behulp van de aanwezige noodbedienings-inrichtingen. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Indien een deur in een bus, in gebruik genomen na 30 juni 1984, niet rechtstreeks door de chauffeur kan worden waargenomen moet de normale bediening zodanig zijn uitgevoerd dat passagiers deze niet kunnen openen voordat de chauffeur de bediening ervan vanaf de bestuurderszitplaats heeft vrijgegeven. | |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Indien een deur in een bus, in gebruik genomen na 30 juni 1984, niet rechtstreeks door de chauffeur kan worden waargenomen, moet de normale bediening zodanig zijn uitgevoerd dat passagiers deze niet kunnen openen voordat de chauffeur de bediening ervan vanaf de bestuurderszitplaats heeft vrijgegeven. | |
| 4. | Bussen moeten zijn voorzien van voldoende uitgangen. | Visuele controle. Bij twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 5. | De hoofddoorgang, de toegang naar de uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en de treden bij de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar zijn. | Visuele controle; waarbij verlichting wordt ingeschakeld. |
| 6. | Uitgangen moeten tot een hoogte van ten minste 0,80 m boven de vloer volledig afgesloten kunnen worden. | Visuele controle, bij twijfel opmeten. |
| 5. | De hoofddoorgang, de toegang naar de uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en de treden bij de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar zijn. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| 6. | Uitgangen moeten tot een hoogte van ten minste 0,80 m boven de vloer volledig afgesloten kunnen worden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. | Noodluiken dienen van binnen en van buiten te kunnen worden geopend of verwijderd. | Noodluiken, indien mogelijk, vanaf binnenzijde bus bedienen. Indien het een type dakluik betreft dat niet zonder beschadiging kan worden geopend, nagaan of de voor opening benodigde delen in voldoende staat van onderhoud verkeren en het luik of de bediening geen beschadigingen vertoont. |
| 8. | Noodramen moeten op geschikte wijze kunnen worden geopend met een noodhamer of een bedieningsorgaan dat op een zichtbare plaats en in de nabijheid van het noodraam zijn aangebracht. | In geval van een breekraam controle op de aanwezigheid van noodhamer bij ieder noodraam. Draaibare noodramen bedienen. |
| 9. | Deuren en scharnierende noodramen die niet duidelijk vanuit de bestuurderszitplaats zichtbaar zijn, dienen te zijn uitgerust met een inrichting om de bestuurder te waarschuwen wanneer deze niet zijn gesloten. | Leden 9 tot en met 11: visuele controle. |
| 10 | Een noodraam dat de vereiste opening vrijgeeft door breken van de noodraam mag niet zijn bekleed met folie tenzij dat in stukken van ten hoogste 150 cm2 of in ten minste 8 tot het midden van de noodraam reikende segmenten is gedeeld. | |
| 11. | Bij de uitgangen moeten opschriften zijn aangebracht waaruit blijkt op welke wijze de uitgang moet worden geopend in geval van een noodsituatie. | |
| 12. | Iedere nooduitgang moet aan de binnenzijde van het voertuig zijn voorzien van een opschrift ‘Nooduitgang’. Bij bussen in gebruik genomen na 11 februari 2005 is dit opschrift ook aan de buitenzijde bij elke nooduitgang verplicht. | Visuele controle. Het opschrift mag ook in een andere taal zijn opgesteld. |
| 13 | Het derde tot en met twaalfde lid is niet van toepassing op bussen ten dienste van de politie, justitie of brandweer. | – |
| 9. | Deuren en scharnierende noodramen die niet duidelijk vanuit de bestuurderszitplaats zichtbaar zijn, dienen te zijn uitgerust met een inrichting om de bestuurder te waarschuwen wanneer deze niet zijn gesloten. | Leden 9 en 10: visuele controle. |
| 10. | Een noodraam dat de vereiste opening vrijgeeft door breken van het noodraam, mag niet zijn bekleed met folie, tenzij dat in stukken van ten hoogste 150 cm2 of in ten minste 8 tot het midden van het noodraam reikende segmenten is gedeeld. | |
| 11. | Bij de uitgangen moeten opschriften zijn aangebracht waaruit blijkt op welke wijze de uitgang moet worden geopend in geval van een noodsituatie. | Visuele controle. De opschriften mogen ook in pictogrammen zijn uitgebeeld. |
| 12. | Iedere nooduitgang moet aan de binnenzijde van het voertuig zijn voorzien van een opschrift ‘Nooduitgang’. Bij bussen in gebruik genomen na 11 februari 2005 is dit opschrift ook aan de buitenzijde bij elke nooduitgang verplicht. | Visuele controle. Het opschrift mag ook in een andere taal zijn gesteld of in een pictogram zijn uitgebeeld. |
| 13. | Het derde tot en met twaalfde lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten. | – |
##### Artikel 5.3a.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
| 4. | De bus moet zodanig zijn ingericht of uitgerust dat verblinding van de bestuurder door en weerkaatsing van de binnenverlichting wordt voorkomen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
@@ -2653,15 +2665,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen behorende tot klasse III of klasse B, in gebruik genomen na 21 januari 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal tien plaatsen, met dien verstande dat deze zitplaatsen, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.47&z=2017-10-01&g=2017-10-01), zijn voorzien van een hoofdsteun, een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximumaantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal tien plaatsen, met dien verstande dat deze zitplaatsen, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.47&z=2018-01-01&g=2018-01-01), zijn voorzien van een hoofdsteun, een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximumaantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 5. | Bussen van klasse I die in gebruik zijn genomen na 12 februari 2005, moeten zijn voorzien van ten minste vier voor passagiers met een mobiliteitshandicap gereserveerde zitplaatsen die zijn voorzien van handgrepen. Deze zitplaatsen moeten in de nabijheid van een voor deze passagiers geschikte bedrijfsdeur zijn geplaatst. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Op bussen van een andere klasse dan klasse I die in gebruik zijn genomen na 12 februari 2005 en zijn voorzien van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor passagiers met een mobiliteitshandicap, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor deze passagiers voor bussen van klasse II en klasse III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en klasse B ten minste één. Een klapstoel mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats. | |
| 7. | Voor bussen als bedoeld in het vijfde en zesde lid, geldt dat bussen van klasse I en klasse II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste één naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze zitplaatsen moeten van merktekens zijn voorzien en in de nabijheid van een voor deze passagiers geschikte bedrijfsdeur zijn geplaatst. | |
| 8. | De ruimte tussen de rugleuning van een zitplaats en een daar voor gelegen meubelstuk moet gemeten ter hoogte van de zitting ten minste 0,65 m bedragen. | Leden 8 en 9: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten en wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 9. | De ruimte tussen twee tegenover elkaar gelegen zitplaatsen moet gemeten ter hoogte van de zitting ten minste 1,25 m bedragen. | |
| 10. | Het derde tot en met negende lid is niet van toepassing op bussen ten dienste van de politie, justitie of brandweer. | – |
| 10. | Het derde tot en met negende lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten. | – |
##### Artikel 5.3a.47
@@ -2675,9 +2687,9 @@
| 3. | Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op: | |
| | a. bussen welke uitsluitend zijn goedgekeurd volgens klasse A, klasse I en klasse II; | |
| | b. bussen waarbij de klasse niet is vastgesteld en die beschikken over staanplaatsen; | |
| | c. klapstoelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig; | |
| | d. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| | c. klapstoelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bus; | |
| | d. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bus. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
##### Artikel 5.3a.48
@@ -2692,8 +2704,8 @@
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de bus mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
| 7. | Liften moeten deugdelijk aan de bus zijn bevestigd en goed functioneren. | Visuele controle, waarbij de lift in werking wordt gesteld. |
| 8. | Oprijplaten dan wel andere middelen bestemd om personen in rolstoelen in de bus te plaatsen, moeten deugdelijk aan de bus kunnen worden bevestigd. | Visuele controle. Eventuele oprijplaten moeten aanwezig zijn en worden aangebracht. |
| 9. | Bij het bedieningspaneel van de liftinstallatie moet een opschrift aanwezig zijn dat de bedieningsaanwijzing bevat. Het opschrift moet vanaf het liftplateau tijdens het gebruik ervan duidelijk zichtbaar zijn. | Leden 9 tot en met 11: visuele controle. |
| 10. | Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de vastzetinrichting voor deze rolstoelen en de daarbij behorende gordels aanwezig zijn. | |
| 9. | Bij het bedieningspaneel van de liftinstallatie moet een opschrift aanwezig zijn dat de bedieningsaanwijzing bevat. Het opschrift moet vanaf het liftplateau tijdens het gebruik ervan duidelijk zichtbaar zijn. | Visuele controle. Het opschrift mag ook in een pictogram zijn uitgebeeld. |
| 10. | Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de vastzetinrichting voor deze rolstoelen en de daarbij behorende gordels aanwezig zijn. | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | De rails en de vastzetinrichtingen alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zijn vervormd of beschadigd. | |
| 12. | Vastzetinrichtingen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd. | Visuele controle, waarbij de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt moet worden aangebracht. |
| 13. | Vergrendelinrichtingen van vastzetinrichtingen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten functioneren. | Visuele controle, waarbij de vergrendelinrichting moet worden bediend. |
@@ -2702,7 +2714,7 @@
| 16. | Het interieur mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel kunnen opleveren. | |
| 17. | De bevestiging en constructie van ligplaatsen moeten deugdelijk zijn. | |
| 18. | Een ligplaats moet in lengte- en breedterichting met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken. | |
| 19. | Het gedeelte van een ligplaats dat grenst aan of zich uitstrekt tot voorbij de achterste begrenzing van het bestuurderscompartiment moet van een afscherming zijn voorzien die voldoet aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01), annex 2, hoofdstuk 2, artikel 33, zesde en zevende lid. | |
| 19. | Het gedeelte van een ligplaats dat grenst aan of zich uitstrekt tot voorbij de achterste begrenzing van het bestuurderscompartiment moet van een afscherming zijn voorzien die voldoet aan [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01), annex 2, hoofdstuk 2, artikel 33, zesde en zevende lid. | |
##### Artikel 5.3a.49
@@ -2712,8 +2724,8 @@
| 2. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag voor bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bussen, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | |
| 3. | Indien de bus in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de beschermingsinrichting niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 4. | Indien de bus in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005, mag de beschermingsinrichting niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De stootbalk van bussen mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: | |
| | a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel | |
| 5. | De beschermingsinrichting mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: | |
| | a. het voertuig op de plaats waar de beschermingsinrichting is aangebracht, dan wel | |
| | b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | |
| 6. | De beschermingsinrichting en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Visuele controle. |
@@ -2723,27 +2735,27 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 en 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
| | f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | |
| | f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | |
| | g. twee achterlichten; | |
| | h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | |
| | i. een achterkentekenplaatverlichting; | |
| | j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| | m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.3a.51a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid geldt niet voor bussen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op bussen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Bussen in gebruik bij de in [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | |
##### Artikel 5.3a.53
@@ -2762,29 +2774,30 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in artikel [5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
| 1. | De in artikel [5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.3a.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van bussen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van bussen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3a.57
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; | – Onderdeel a tot en met q: visuele controle. – Onderdeel r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel t tot en met aa: visuele controle. |
| 1. | Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; | – Onderdelen a tot en met q: visuele controle. – Onderdelen r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met z: visuele controle. |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. extra achteruitrijlichten; | |
@@ -2794,22 +2807,20 @@
| | m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | |
| | n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | |
| | q. werklichten; | |
| | r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | s. In afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
| | t. In afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht;. | |
| | s. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
| | t. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | u. twee dagrijlichten; | |
| | v. verlichte transparanten; | |
| | w. twee bochtlichten; | |
| | x. twee hoeklichten; | |
| | y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing; | |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | aa. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel [5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | v. twee bochtlichten; | |
| | w. twee hoeklichten; | |
| | x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing; | |
| | y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel [5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bussen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3a.58
@@ -2836,23 +2847,24 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3a.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
##### Artikel 5.3a.62
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, de mistvoorlichten indien de bus na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, moet door middel van een controlelampje of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele dan wel auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, de mistvoorlichten indien de bus na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3a.64
@@ -2867,7 +2879,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01),[5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01),[5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.3a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig, behoudens de ingevolge [artikel 5.3a.41, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.41&z=2017-10-01&g=2017-10-01), verplichte binnenverlichting. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Bussen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01),[5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01),[5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.3a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig, behoudens de ingevolge [artikel 5.3a.41, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.41&z=2018-01-01&g=2018-01-01), verplichte binnenverlichting. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bussen niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
@@ -2876,7 +2888,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=11&artikel=5.3a.68&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=11&artikel=5.3a.68&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
##### Artikel 5.3a.67
@@ -2894,7 +2906,7 @@
| | e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn, en | – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. |
| | h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.3a.71
@@ -2910,7 +2922,7 @@
##### Artikel 5.4.0
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -2946,7 +2958,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
| 2. | Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorvoertuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m. | |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -2963,7 +2975,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 4. | De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -2972,16 +2984,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG-tank, mag niet verstreken zijn. | |
| 4. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| 5. | Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle. De motor starten en controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens de motor af laten slaan, waarna de bekrachtiging moet wegvallen. |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
| 4. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| | | Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd. Daarna wordt door het contact uit te schakelen gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
| 6. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: visuele controle |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 5. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 5 tot en met 8: visuele controle |
| 6. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 7. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 8. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
##### Artikel 5.4.11
@@ -2989,8 +3000,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle bij draaiende motor. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
| 4. | Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen te hoog geluidsniveau produceren. Hierbij is het bepaalde in[bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
| 3. | Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
| 4. | Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen te hoog geluidsniveau produceren. Hierbij is het bepaalde in[bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
##### Artikel 5.4.12
@@ -3035,14 +3046,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.4.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij [artikel 5.1a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| | De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij [artikel 5.1a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.4.24
@@ -3058,21 +3069,21 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen van motorfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Lid 5 en 6: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 5 en 6: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 6. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 7 | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de motorfiets. | Visuele controle. |
| 7. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de motorfiets. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.4.28
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Visuele controle, waarbij de motorfiets enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle, waarbij de motorfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 12. Diversen
##### Artikel 5.4.29
@@ -3092,13 +3103,13 @@
| 2. | Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. | Visuele controle. |
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechter stuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle. |
| | De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 7. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 8. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 9. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 10. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimum aanduiding mag bevinden. |
| 10. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 11. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 12. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
| | a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | |
@@ -3110,7 +3121,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen in gebruik genomen na 31 maart 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; | Leden 1 en 2: bij twijfel, controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. De maximale bedieningskrachten, vermeld in het vijfde lid van artikel 5.4.38 moeten in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. |
| 1. | Motorfietsen in gebruik genomen na 31 maart 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; | Leden 1 en 2: bij twijfel, controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. De maximale bedieningskrachten, vermeld in het vijfde lid, moeten in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. |
| | c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt; | |
| | d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt; | |
| | e. in geval van een gecombineerde reminrichting: | |
@@ -3165,7 +3176,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van: a. één groot licht; | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| | b. één dimlicht; | |
| | c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van de motorfiets indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | d. één stadslicht indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen; | |
| | e. één achterlicht; | |
| | f. één remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975; | |
@@ -3178,7 +3189,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets of zijspanwagen verbonden aan een motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid geldt niet voor motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen in gebruik bij de in [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets of zijspanwagen verbonden aan een motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | |
##### Artikel 5.4.52
@@ -3217,26 +3228,27 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De retroreflector mag geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloed. | |
| 7. | Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem. | |
| 1. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloed. | |
| 8. | Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem. | |
##### Artikel 5.4.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen op de kentekencard dan wel in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.4.57
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van: | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
| 1. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van: | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| | a. één extra groot licht; | |
| | b. één extra dimlicht; | |
| | c. één extra stadslicht; | |
@@ -3248,21 +3260,20 @@
| | i. één witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | j. werklichten; | |
| | k. één extra achterlicht; | |
| | l. één extra remlicht; | |
| | l. één of twee extra remlichten; | |
| | m. één of twee dagrijlichten; | |
| | n. één of twee bochtlichten; | |
| | o. verlichte transparanten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.4.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.53&z=2017-10-01&g=2017-10-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| | n. één of twee bochtlichten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.4.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.53&z=2018-01-01&g=2018-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 3. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Indien een motorfiets is verbonden aan een zijspanwagen mag de combinatie voorzien zijn van ten hoogste twee dagrijlichten. | |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | |
##### Artikel 5.4.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | Motorfietsen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30), mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Motorfietsen als bedoeld in [artikel 41a van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=41a), mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld, naar achteren niet rood stralen en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. | |
##### Artikel 5.4.58
@@ -3296,15 +3307,16 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.4.62
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.4.64
@@ -3318,7 +3330,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.4.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51a&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01),[5.4.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.4.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.58&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.4.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51a&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01),[5.4.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.4.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.58&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorfietsen niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -3330,7 +3342,7 @@
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast of vervormd. | Visuele controle. |
| 2. | Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
##### Artikel 5.4.71
@@ -3346,7 +3358,7 @@
##### Artikel 5.5.0
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -3354,7 +3366,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. |
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. |
| 2. | Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) voorgeschreven goedkeuringsmerk. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -3369,7 +3381,7 @@
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 2. | Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork, mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -3377,7 +3389,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| | De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -3385,14 +3397,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
##### Artikel 5.5.7
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1.000 kg. | Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1.000 kg. | Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister is vermeld, en in elk geval niet meer dan: | |
| | a. 1.300 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het personenvervoer; | |
| | b. 2.500 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het goederenvervoer. | |
@@ -3403,7 +3415,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor. |
| | | – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -3413,11 +3425,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -3426,7 +3438,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -3443,8 +3455,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 33 tot en met 35, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 33 tot en met 35, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
##### Artikel 5.5.12
@@ -3457,7 +3469,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 12. Diversen
@@ -3466,13 +3478,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 26 november 1975 moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van de afgifte van een keuringsrapport. |
| | Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van de afgifte van een keuringsrapport. |
##### Artikel 5.5.16
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -3481,10 +3493,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.5.19
@@ -3492,21 +3504,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.5.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.5.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in [artikel 5.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=0&artikel=5.5.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) reeds getoetst. |
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in [artikel 5.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=0&artikel=5.5.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) reeds getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.5.24
@@ -3529,15 +3541,15 @@
| 1. | De wielen van driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van het driewielig motorrijtuig. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Visuele controle. |
| 7. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. |
| | | – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| | | – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. |
| | | – Wanneer er geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. |
| 9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. |
| | | – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| | | – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. |
| | | – Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. |
| | | – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. |
| | | – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. |
@@ -3545,11 +3557,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 12. Diversen
##### Artikel 5.5.29
@@ -3557,12 +3569,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
@@ -3583,7 +3594,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| | c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. |
| | d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | |
| | e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | |
@@ -3592,7 +3603,7 @@
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| | a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| | a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| | b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel c: visuele controle. |
| | c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
@@ -3644,13 +3655,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.5.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -3668,28 +3679,29 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Lid 1 en 2: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1994, doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1994 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | |
##### Artikel 5.5.45
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen: | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen: | – |
| | a. waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg; | |
| | b. waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij van zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte kan overzien, en | |
| | b. waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij vanaf zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte kan overzien; en | |
| | c. die in gebruik zijn genomen vóór 27 november 1975. | |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen die in gebruik zijn genomen vóór 17 juni 2003 en voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 4. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 5. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, met uitzondering van voertuigen die in gebruik zijn genomen vóór 17 juni 2003 en voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
##### Artikel 5.5.46
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.5.47
@@ -3698,7 +3710,7 @@
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
##### Artikel 5.5.48
@@ -3726,7 +3738,7 @@
| | f. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | |
| | g. een achterkentekenplaatverlichting; | |
| | h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
| 2. | De in het eerste lid, onderdelen d en f, vermelde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer. | |
| 2. | De in het eerste lid, onderdelen d en f, bedoelde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van: | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a. één groot licht; | |
| | b. één dimlicht; | |
@@ -3740,7 +3752,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid geldt niet voor driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | |
##### Artikel 5.5.53
@@ -3757,26 +3769,27 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijke lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vermelde lichten en retroreflectoren voor zover het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
| 1. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.5.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moet goed zijn afgesteld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moet goed zijn afgesteld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.5.57
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met m, alsmede p en q: visuele controle. – Onderdelen n en o: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met l, alsmede o en p: visuele controle. – Onderdelen m en n: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a. één of twee mistvoorlichten; | |
| | b. één of twee mistachterlichten; | |
| | c. twee extra stadslichten; | |
@@ -3789,15 +3802,13 @@
| | j. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | |
| | k. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | l. werklichten; | |
| | m. verlichte transparanten; | |
| | n. één of twee dagrijlichten indien het voertuig niet breder is dan 1,30 m, dan wel twee dagrijlichten indien het voertuig breder is dan 1,30 m; | |
| | o. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | p. waarschuwingsknipperlichten; | |
| | q. zijmarkeringslichten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.5.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.53&z=2017-10-01&g=2017-10-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| | m. één of twee dagrijlichten indien het voertuig niet breder is dan 1,30 m, dan wel twee dagrijlichten indien het voertuig breder is dan 1,30 m; | |
| | n. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | o. waarschuwingsknipperlichten; | |
| | p. zijmarkeringslichten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.5.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.53&z=2018-01-01&g=2018-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
| 4. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | |
| 5. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel o, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel n, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.5.58
@@ -3823,22 +3834,23 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | | |
| 1. | De in [artikel 5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.5.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, mistachterlichten, en werklichten. | – |
##### Artikel 5.5.62
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.5.64
@@ -3852,7 +3864,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.5.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51a&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.5.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.5.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51a&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.5.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
@@ -3861,7 +3873,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01). | Visuele controle. |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01). | Visuele controle. |
| 2. | Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
#### § 12. Diversen
@@ -3880,7 +3892,7 @@
##### Artikel 5.6.0
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -3902,7 +3914,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 2. | Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -3919,7 +3931,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de bromfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de bromfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m. | |
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
@@ -3928,8 +3940,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h tot en met 45 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 2. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 4 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 1. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h tot en met 45 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 2. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 4 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 3. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste en tweede lid vermelde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.9
@@ -3944,11 +3956,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -3957,17 +3969,15 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG-tank, mag niet verstreken zijn. | |
| 5. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle. De motor starten en controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens de motor af laten slaan, waarna de bekrachtiging moet wegvallen. |
| | | Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd. Daarna wordt door het contact uit te schakelen gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
| 7. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 tot en met 10: visuele controle. |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
| 5. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: visuele controle. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
##### Artikel 5.6.11
@@ -3975,8 +3985,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
| 4. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid hebben van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
| 3. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
| 4. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid hebben van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
##### Artikel 5.6.12
@@ -3992,7 +4002,7 @@
| 1. | De motor van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.6.15
@@ -4024,14 +4034,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.6.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.24
@@ -4060,8 +4070,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Visuele controle, waarbij de bromfiets enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle, waarbij de bromfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.29
@@ -4071,7 +4081,7 @@
| 2. | Van bromfietsen op drie of vier wielen: a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. – Onderdeel c: visuele controle. Terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid. |
| | d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; | – Onderdeel d: visuele controle. – Onderdeel e: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| | e. moeten koppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; | – Onderdeel f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. | – Onderdeel h: visuele controle indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
@@ -4103,9 +4113,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg; a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen voor 1 januari 2007, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één ten minste op het voorwiel en de ander ten minste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 1. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg; a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen voor 1 januari 2007, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één ten minste op het voorwiel en de ander ten minste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 4. | De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
##### Artikel 5.6.39
@@ -4130,7 +4140,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
@@ -4224,13 +4234,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De in de artikelen [5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem. | |
| 1. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De in de artikelen [5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem. | |
##### Artikel 5.6.57
@@ -4288,9 +4299,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.6.64
@@ -4303,7 +4315,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.6.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.58&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.6.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.58&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
@@ -4315,7 +4327,7 @@
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
| 2. | Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
#### § 5. Assen
#### § 4. Krachtoverbrenging
##### Artikel 5.6.71
@@ -4361,9 +4373,10 @@
##### Artikel 5.7.6
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
| 2. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | -- |
##### Artikel 5.7.7
@@ -4379,7 +4392,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) met betrekking tot motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) met betrekking tot motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.9
@@ -4444,14 +4457,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.7.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.7.24
@@ -4489,8 +4502,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. | |
| 1. | Indien het motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. | |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -4505,7 +4518,7 @@
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle., Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Lid 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
@@ -4537,8 +4550,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. | Visuele controle. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 4. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. | |
##### Artikel 5.7.39
@@ -4547,7 +4560,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Visuele controle. |
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.7.41
@@ -4569,10 +4582,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 30 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 3,50 m en is gelegen rechts van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest rechts gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. | |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een lengte van meer dan 6 m die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn ingericht voor het vervoer van goederen, moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel waarmee de bestuurder het wegdek naast de cabine aan de rechterzijde kan overzien. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
| 4. | De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien. | |
| 4. | De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien. | |
| 5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
@@ -4632,19 +4645,20 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.56
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7.57
@@ -4657,11 +4671,11 @@
| | d. twee mistvoorlichten; | |
| | e. één of twee mistachterlichten; | |
| | f. twee of vier parkeerlichten; | |
| | g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | j. één of twee achteruitrijlichten; | |
| | k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; | |
| | k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | l. staaklichten; | |
| | m. zijmarkeringslichten; | |
| | n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
@@ -4671,7 +4685,7 @@
| | r. bochtverlichting; | |
| | s. hoeklichten; | |
| | t. achterkentekenplaatverlichting; | |
| | u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gestelde eisen. | |
| | u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gestelde eisen. | |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. | |
@@ -4693,9 +4707,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.60
@@ -4705,7 +4720,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.64
@@ -4719,7 +4734,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.7.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.7.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -4753,7 +4768,7 @@
##### Artikel 5.8.0
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -4770,7 +4785,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.8.4
@@ -4785,7 +4800,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen vóór 1 januari 2025 niet breder zijn dan 3,00 m. | |
| 3. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
@@ -4803,14 +4818,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten bij voortduring voldoen aan de in de goedkeuring vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, of indien deze niet bekend is aan de constructiesnelheid behorende bij de betreffende classificatie van de voertuigcategorie T, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten bij voortduring voldoen aan de in de goedkeuring vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, of indien deze niet bekend is aan de constructiesnelheid behorende bij de betreffende classificatie van de voertuigcategorie T, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
##### Artikel 5.8.9
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | |
@@ -4833,7 +4848,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -4848,7 +4863,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
@@ -4857,7 +4872,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
@@ -4875,7 +4890,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.8.24
@@ -4908,7 +4923,7 @@
| 2. | De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 5. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van landbouw- of bosbouwtrekkers moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van landbouw- of bosbouwtrekkers moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de landbouw- of bosbouwtrekker. De band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Visuele controle. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
@@ -4916,8 +4931,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. Banden worden niet beschouwd als deel van het veersysteem. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Banden worden niet beschouwd als deel van het veersysteem. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 3. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -4928,11 +4943,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuit rijden het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, waarbij de bestuurde wielen van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen, waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw- of bosbouwtrekker op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw- of bosbouwtrekker op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, waarbij het stuurwiel langzaam van links naar rechts word gedraaid en axiaal wordt bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed werken. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen van de stuurinrichting mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
@@ -4946,7 +4961,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed werken. | Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
@@ -5027,13 +5042,13 @@
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | Visuele controle. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.8.51
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; d. waarschuwingsknipperlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2018; e. twee achterlichten; f. twee remlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2000; g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m en in gebruik is genomen na 31 december 2018; i. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – Onderdelen a tot en met g: visuele controle. – Onderdeel h: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel i: visuele controle. |
| Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; d. waarschuwingsknipperlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2018; e. twee achterlichten; f. twee remlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2000; g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m en in gebruik is genomen na 31 december 2018; i. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – Onderdelen a tot en met g: visuele controle. – Onderdeel h: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel i: visuele controle. |
##### Artikel 5.8.53
@@ -5071,26 +5086,27 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 en 6: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, worden zonder gereedschap afneembare werktuigen buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, worden zonder gereedschap afneembare werktuigen buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.8.56
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.8.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee extra achterlichten; e. twee mistvoorlichten; f. één of twee mistachterlichten; g. parkeerlichten; h. zijrichtingaanwijzers aan de zijkanten van het voertuig; i. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; j. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; k. één of twee achteruitrijlichten; l. twee staaklichten; m. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; n. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; o. zijmarkeringslichten; p. lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 153, van toepassing is; q. manoeuvreerlichten aan elke zijkant van het voertuig; r. werklichten; s. een derde remlicht; t. twee dagrijlichten; u. twee bochtlichten; v. twee hoeklichten; w. achterkentekenplaatverlichting; x. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133, gestelde eisen. | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen k tot en met x: visuele controle. |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemde datum in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die vóór of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.8.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Visuele controle. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee extra achterlichten; e. twee mistvoorlichten; f. één of twee mistachterlichten; g. parkeerlichten; h. zijrichtingaanwijzers aan de zijkanten van het voertuig; i. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; j. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; k. één of twee achteruitrijlichten; l. twee staaklichten; m. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; n. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; o. zijmarkeringslichten; p. lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 153, van toepassing is; q. manoeuvreerlichten aan elke zijkant van het voertuig; r. werklichten; s. een derde remlicht; t. twee dagrijlichten; u. twee bochtlichten; v. twee hoeklichten; w. achterkentekenplaatverlichting; x. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133, gestelde eisen. | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen k tot en met x: visuele controle. |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemde datum in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die vóór of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.8.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.8.59
@@ -5111,9 +5127,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van toepassing | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.8.60
@@ -5157,7 +5174,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.8.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.8.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -5166,7 +5183,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=11&artikel=5.8.68&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.8.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=11&artikel=5.8.68&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen. | |
| 4. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
@@ -5191,7 +5208,7 @@
##### Artikel 5.9.0
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
@@ -5259,7 +5276,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Fietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Visuele controle. |
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.9.51
@@ -5287,25 +5304,25 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht: a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel; | Onderdelen a tot en met c. visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht: a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel; | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, en | |
| | c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m. | |
| 2. | De in [artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), vermelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | De in [artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), bedoelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn. | |
##### Artikel 5.9.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.9.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 3. | Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
@@ -5319,7 +5336,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.9.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.9.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
| | Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.9.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.9.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
#### § 6. Ophanging
@@ -5333,7 +5350,7 @@
##### Artikel 5.10.0
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -5343,7 +5360,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat goed leesbaar is. | Visuele controle. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
##### Artikel 5.10.3
@@ -5364,13 +5381,13 @@
| --- | --- | --- |
| | De bovenbouw van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. | Visuele controle. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.10.6
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -5378,7 +5395,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.10.9
@@ -5387,13 +5404,10 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. |
| 4. | Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand. | |
| 5. | Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een: | |
| | a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor; | |
| | b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig; alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare; | |
| | c. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en | |
| | d. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie. | |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
| 4. | Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een: a. voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig, en b. vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand. | |
| 5. | Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een: a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor, en b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig. | |
| 6. | Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare: a. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en b. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie. | |
##### Artikel 5.10.11
@@ -5438,7 +5452,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Bij gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moet de aandrijving tussen motor en wielen op eenvoudige wijze kunnen worden onderbroken. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.10.18
@@ -5455,14 +5469,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.10.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.10.24
@@ -5496,10 +5510,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | |
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.10.29
@@ -5510,7 +5524,7 @@
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 4. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 5. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -5554,7 +5568,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. |
| 2. | De parkeerrem, van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | De parkeerrem van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Bij gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend. | Visuele controle. |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -5564,7 +5578,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van gehandicaptenvoertuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.10.42
@@ -5602,7 +5616,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De zitplaatsen en rugleuningen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van vergrendeling. |
| | De zitplaatsen en rugleuningen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van vergrendeling. |
##### Artikel 5.10.47
@@ -5629,7 +5643,7 @@
| | a. twee grote lichten; | |
| | b. twee dimlichten; | |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant en waarschuwingsknipperlichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant en waarschuwingsknipperlichten; | |
| | f. twee achterlichten; | |
| | g. twee remlichten; | |
| | h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
@@ -5670,19 +5684,20 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.10.56
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.10.57
@@ -5727,9 +5742,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.10.60
@@ -5737,14 +5753,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01). | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01). | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen. | |
##### Artikel 5.10.62
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle. |
| | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.10.64
@@ -5757,7 +5773,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -5776,7 +5792,7 @@
##### Artikel 5.11.0
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 9. Carrosserie
@@ -5797,15 +5813,15 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
#### § 9. Carrosserie
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
#### § 7. Stuurinrichting
##### Artikel 5.11.8
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.11.9
@@ -5847,7 +5863,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.11.24
@@ -5875,7 +5891,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -5888,7 +5904,7 @@
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 3. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 4. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -5946,7 +5962,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Visuele controle. |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.11.51
@@ -5996,9 +6012,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.11.64
@@ -6011,7 +6028,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
@@ -6028,7 +6045,7 @@
##### Artikel 5.12.0
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -6036,7 +6053,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. |
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. |
| 2. | De aanhangwagen moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de aanhangwagen staat. |
@@ -6052,14 +6069,14 @@
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen; | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.5
@@ -6074,12 +6091,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is van toepassing. |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
| 3. | Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. | Leden 3 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 3. | Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van overeenkomstige toepassing is. |
| 4. | Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt. | |
| 5. | In afwijking van het derde lid, mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m. | |
| 6. | Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m, met dien verstande dat aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die in gebruik zijn genomen voor 1 februari 1999, niet breder mogen zijn dan 2,60 m. | |
| 6. | Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m, met dien verstande dat aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die in gebruik zijn genomen voor 1 februari 1999, niet breder mogen zijn dan 2,60 m. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
| 7. | In afwijking van het zesde lid, mogen geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m. | |
| 8. | Aanhangwagens mogen niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
| 9. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste, derde, zesde, zevende en achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
@@ -6088,17 +6105,17 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De last onder de assen van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Bij middenasaanhangwagens, aanhangwagens met een stijve dissel en opleggers mag de last onder de koppeling niet meer bedragen dan in het kentekenregister is vermeld. | Leden 1 tot en met 3: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | De last onder de assen van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Bij middenasaanhangwagens, aanhangwagens met een stijve dissel en opleggers mag de last onder de koppeling niet meer bedragen dan in het kentekenregister is vermeld. | Leden 1 tot en met 3: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. | |
| 3. | De som van de aslasten van autonome aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. | |
#### § 8. Reminrichting
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.12.9
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
@@ -6108,10 +6125,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.19
@@ -6119,21 +6136,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.12.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.12.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is in [artikel 5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) reeds getoetst. |
| | De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is in [artikel 5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) reeds getoetst. |
##### Artikel 5.12.24
@@ -6155,12 +6172,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van aanhangwagens moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen, in gebruik genomen na 31 december 1997 vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van aanhangwagens moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen, in gebruik genomen na 31 december 1997 vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -6168,9 +6185,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd. |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en moeten goed werken. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
#### § 3. Motor
@@ -6180,11 +6197,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 3. | Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -6197,7 +6214,7 @@
| 1. | De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze: a. door middel van een hefboom of koevoet, b. dan wel door het chassis te heffen. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
#### § 6. Ophanging
@@ -6205,9 +6222,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze zoals bepaald bij [artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=8&artikel=5.3.31&z=2017-10-01&g=2017-10-01). |
| 1. | Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze, bepaald in [artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=8&artikel=5.3.31&z=2018-01-01&g=2018-01-01). |
| | | – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | |
| | c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 3. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -6215,7 +6232,7 @@
| 5. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 6. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | De wijze van keuren bij het derde lid is van toepassing. |
| 7. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 8. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | Visuele- of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | Visuele of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | |
| | c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | |
| | d. mogen geen lekkage vertonen. | |
@@ -6229,7 +6246,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens met een drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten. | |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Aanhangwagens met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. |
| | | De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: |
| | | a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en |
@@ -6252,22 +6269,23 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, en opleggers in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 4. | Aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 5. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, en opleggers in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
| 4. | Aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
| 5. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 6. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bedient en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 7. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden op grond van de [artikelen 5.12.35, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.35&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en 5.12.38, zevende lid. |
| 8. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | – |
| 7. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden op grond van de [artikelen 5.12.35, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.35&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en 5.12.38, zevende lid. |
| 8. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.12.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een goedwerkende vastzetinrichting die ten minste op de wielen van één niet hefbare as werkt en welke door een geheel mechanische overbrenging met de hand in werking kan worden gesteld, ook wanneer het voertuig niet aan een motorvoertuig is verbonden. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien: a. de aanhangwagen is voorzien van een veerrem die ten minste op de wielen van één niet hefbare as werkt en die automatisch in werking treedt bij het ontkoppelen of drukloos maken van het remsysteem; | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | b. de aanhangwagen in gebruik genomen voor 1 januari 1998, is voorzien van een hydraulisch dan wel een elektrisch bekrachtigd remsysteem en is uitgerust met wielkeggen. | |
| 1. | Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een goedwerkende vastzetinrichting die ten minste op de wielen van één niet hefbare as werkt en door een geheel mechanische overbrenging met de hand in werking kan worden gesteld, ook wanneer het voertuig niet aan een motorvoertuig is verbonden. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanhangwagen: a. is voorzien van een veerrem die ten minste op de wielen van één niet hefbare as werkt en die automatisch in werking treedt bij het ontkoppelen of drukloos maken van het remsysteem, of | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | b. in gebruik is genomen vóór 1 januari 1998 en is voorzien van een hydraulisch dan wel elektrisch bekrachtigd remsysteem en is uitgerust met wielkeggen. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de veerrem werken op een hefbare as, mits deze as automatisch op het wegdek zakt wanneer de veerrem wordt geactiveerd. | |
##### Artikel 5.12.40
@@ -6293,22 +6311,22 @@
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van aanhangwagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.12.49
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m, dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997, in gebruik is genomen. Deze verplichting geldt niet voor vuilniswagens met een laadmogelijkheid aan de achterzijde, dolly’s en asfaltwagens. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | |
| 3. | Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor aanhangwagens, ingericht als betonmolen, betonmixer of betonpomp, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen. | |
| 4. | Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 2005, mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De stootbalk van aanhangwagens mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | |
| | Voor aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de vermelde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m. | |
| 6. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. | |
| 1. | Aanhangwagens die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een deugdelijke stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m, dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997, in gebruik is genomen. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op vuilniswagens met een laadmogelijkheid aan de achterzijde, dolly’s en asfaltwagens. | – |
| 3. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking van de eerste volzin, mag de stootbalk bij aanhangwagens ingericht als betonmolen, betonmixer of betonpomp niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. | |
| 5. | Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 2005, mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 6. | De stootbalk mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. In afwijking van het bepaalde in de aanhef, mag de stootbalk bij aanhangwagens bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn. | |
| 7. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Leden 7 en 8: visuele controle. |
| 8. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. | |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -6324,12 +6342,12 @@
| | f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | g. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; het mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 is gebruik is genomen; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | |
| | i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. lijnmarkering aan de achterzijde, indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | n. lijnmarkering aan de zijkant, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 153, van toepassing. | |
| | m. lijnmarkering aan de achterzijde, indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | n. lijnmarkering aan de zijkant, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 153, van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.53
@@ -6347,12 +6365,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.57
@@ -6363,21 +6382,21 @@
| | b. extra achteruitrijlichten; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle |
| | c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle |
| | d. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle |
| | e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle |
| | f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | k. werklichten; | |
| | l. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | m. in afwijking van onderdeel l mogen twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | n. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; | |
| | o. twee stadslichten; | |
| | p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht is. Hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de voorkant. Hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 153, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.12.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.53&z=2017-10-01&g=2017-10-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel i van het eerste lid. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht is. Hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de voorkant. Hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 153, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.12.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.53&z=2018-01-01&g=2018-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel i van het eerste lid. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
@@ -6404,15 +6423,16 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.12.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
@@ -6427,10 +6447,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.12.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.12.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.12.66
@@ -6438,7 +6458,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling en de trekinrichting van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De trekinrichting van een autonome aanhangwagen alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen door corrosie niet overmatig zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), hoofdstuk 1, titel 2 afdeling 1, 2 en 3 van toepassing. | |
| 3. | De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen door corrosie niet overmatig zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), hoofdstuk 1, titel 2 afdeling 1, 2 en 3 van toepassing. | |
| 4. | De trekinrichting van een autonome aanhangwagen mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel mag niet overmatig zijn vervormd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten. |
| 5. | Aanhangwagens waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 1.500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
@@ -6472,21 +6492,21 @@
| 2. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch: | |
| | a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen, en | |
| | b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | |
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen, de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 3,5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen, de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.70
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.67&z=2017-10-01&g=2017-10-01), zijn de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.67&z=2018-01-01&g=2018-01-01), zijn de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse van deze aanhangwagens, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
##### Artikel 5.13.0
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 9. Carrosserie
@@ -6531,7 +6551,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -6540,10 +6560,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
##### Artikel 5.13.18
@@ -6558,7 +6578,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.13.24
@@ -6577,7 +6597,7 @@
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 5 tot en met 8: visuele controle. |
| 6. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 7. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. | |
@@ -6587,12 +6607,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van schroefveren moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, waarbij de aanhangwagen zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. |
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van schroefveren moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, waarbij de aanhangwagen zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.13.31
@@ -6716,12 +6736,13 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 1. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.13.57
@@ -6729,9 +6750,9 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met k: visuele controle. |
| | a. twee stadslichten, indien het voertuig niet breder is dan 1,60 m; | |
| | b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn; | |
| | d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) verplicht zijn | |
| | b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn; | |
| | d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verplicht zijn | |
| | e. één of twee achteruitrijlichten; | |
| | f. werklichten; | |
| | g. één derde remlicht; | |
@@ -6764,9 +6785,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.13.60
@@ -6784,7 +6806,7 @@
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
| | c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01). | |
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01). | |
| 6. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| | a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | |
| | b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | |
@@ -6800,16 +6822,16 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.13.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.13.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.13.66
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 129, van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 129, van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest. | |
| 4. | Aanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
@@ -6826,7 +6848,7 @@
##### Artikel 5.14.0
1. Een landbouw- of bosbouwaanhangwagen en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk achter een landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid, moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
1. Een landbouw- of bosbouwaanhangwagen en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk achter een landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid, moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid, moet een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, voldoen aan het bepaalde in afdeling 18.
@@ -6858,11 +6880,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 2025 niet breder zijn dan 3,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 2025 niet breder zijn dan 3,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
| 3. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
| 4. | Verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 5. | Van landbouw- of bosbouwaanhangwagens, zijnde opleggers, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,12 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 4. | Verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 5. | Van landbouw- of bosbouwaanhangwagens, zijnde opleggers, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,12 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van overeenkomstige toepassing is. |
##### Artikel 5.14.7
@@ -6898,14 +6920,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.14.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.14.24
@@ -6921,7 +6943,7 @@
| --- | --- |
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
##### Artikel 5.14.27
@@ -6987,7 +7009,7 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van: a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; b. twee achterlichten; c. twee remlichten; d. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; f. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; g. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | Visuele controle. |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van: a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; b. twee achterlichten; c. twee remlichten; d. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; f. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; g. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.14.53
@@ -7036,18 +7058,19 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 1. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.14.57
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van: a. twee stadslichten; b. twee extra achterlichten; c. één of twee extra remlichten; d. één of twee achteruitrijlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; h. twee extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; l. zijmarkeringslichten; m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig; n. twee staaklichten; o. werklichten; p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; q. achterkentekenplaatverlichting; r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gestelde eisen. | Visuele controle. |
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van: a. twee stadslichten; b. twee extra achterlichten; c. één of twee extra remlichten; d. één of twee achteruitrijlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; h. twee extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; l. zijmarkeringslichten; m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig; n. twee staaklichten; o. werklichten; p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; q. achterkentekenplaatverlichting; r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in [bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gestelde eisen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.14.59
@@ -7066,9 +7089,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.14.60
@@ -7098,7 +7122,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.14.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.14.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -7121,7 +7145,7 @@
##### Artikel 5.15.0
Een aanhangwagen achter een motorfiets of bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
Een motorfietsaanhangwagen en een bromfietsaanhangwagen moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 3. Brandstofsystemen
@@ -7129,14 +7153,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen slechts éénassig zijn. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bij éénwielige aanhangwagens moet het wiel zodanig zijn bevestigd dat het uitsluitend draaibaar is om de eigen horizontale as. | |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen slechts éénassig zijn. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bij éénwielige motorfietsaanhangwagens en éénwielige bromfietsaanhangwagens moet het wiel zodanig zijn bevestigd dat het uitsluitend draaibaar is om de eigen horizontale as. | |
##### Artikel 5.15.3
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Visuele controle. |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie mogen: | Visuele controle. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
@@ -7144,15 +7168,15 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. | |
##### Artikel 5.15.5
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 1. | De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
#### § 0. Algemeen
@@ -7160,8 +7184,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen aanhangwagens achter een bromfiets op twee wielen niet breder zijn dan 1,00 m. | |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen bromfietsaanhangwagens achter een bromfiets op twee wielen niet breder zijn dan 1,00 m. | |
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -7169,7 +7193,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De as van aanhangwagens moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mag geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 1. | De as moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mag geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De as mag niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De as magen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De as mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | |
@@ -7178,14 +7202,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.15.24
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -7196,10 +7220,10 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 3. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | |
| 3. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 5. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. | |
| 6. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn | |
| 5. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting. | |
| 6. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | |
#### § 3. Brandstofsystemen
@@ -7208,22 +7232,22 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De sloten en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
| | De sloten en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
##### Artikel 5.15.48
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van aanhangwagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | De wielen onderscheidenlijk banden moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.15.50
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. | Visuele controle. |
| | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. | Visuele controle. |
#### § 3. Brandstofsystemen
@@ -7231,14 +7255,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens achter een motorfiets moeten zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| | a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien de trekkende motorfiets van richtingaanwijzers is voorzien; | |
| | b. één of twee achterlichten; | |
| | c. één of twee remlichten, indien de trekkende motorfiets van een remlicht is voorzien; | |
| | d. achterkentekenplaatverlichting; | |
| | e. één of twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | f. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig. | |
| 2. | Aanhangwagens achter een bromfiets moeten zijn voorzien van: | |
| 2. | Bromfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: | |
| | a. één of twee achterlichten; | |
| | b. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | c. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig, en | |
@@ -7263,26 +7287,27 @@
| 2. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen met inbegrip van de dissel. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met inbegrip van de dissel. | |
##### Artikel 5.15.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 1. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.15.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens achter een motorfiets mogen zijn voorzien van: a. één mistachterlicht; b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en; c. werklichten, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.15.51, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01). | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Aanhangwagens achter een bromfiets mogen zijn voorzien van: a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; b. één of twee remlichten, en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. dat licht zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in het tweede lid, onder b. | |
| 3. | Aanhangwagens achter motorfietsen en bromfietsen mogen zijn voorzien van : | |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. één mistachterlicht; b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en; c. werklichten, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.15.51, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01). | Leden 1 en 2: – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; b. één of twee remlichten, en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. dat licht zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in het tweede lid, onder b. | |
| 3. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Visuele controle. |
| | a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, | |
| | b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en | |
| | c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn. | |
@@ -7298,15 +7323,16 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | Visuele controle. |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.15.60
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten |
| 1. | De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en | |
| | b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| | De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig. | |
@@ -7317,110 +7343,111 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.15.65
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.15.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57a&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.15.66
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling onderscheidenlijk de dissel moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn doorgeroest. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de koppeling onderscheidenlijk de dissel mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
##### Artikel 5.15.67
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Indien motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens zijn voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.15.70
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met één wiel mag slechts bewegingen toelaten om een horizontale en een verticale as, loodrecht op de lengte-as van het trekkend motorvoertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De koppeling van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met meer dan één wiel moet bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend motorvoertuig toelaten. | |
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
##### Artikel 5.16.0
Een fietsaanhangwagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.16.6
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Fietsaanhangwagens mogen niet breder zijn dan 1,00 m. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.16.51
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.16.54
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht uiterst links aan de achterzijde van de fietsaanhangwagen, op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De witte of gele retroreflectoren moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van de fietsaanhangwagen zichtbaar zijn. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.16.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.16.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| | a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 151, van toepassing; | |
| | c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing, en | |
| | d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 2. | Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
##### Artikel 5.16.64
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.15.65
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.15.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57a&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.15.66
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling onderscheidenlijk de dissel van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn doorgeroest. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de koppeling onderscheidenlijk de dissel mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
##### Artikel 5.15.67
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.15.70
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De koppeling van aanhangwagens met één wiel mag slechts bewegingen toelaten om een horizontale en een verticale as, loodrecht op de lengte-as van het trekkend motorvoertuig. De koppeling van aanhangwagens met meer dan één wiel moet bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend motorvoertuig toelaten. | Visuele controle. |
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
##### Artikel 5.16.0
Een aanhangwagen achter een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.16.6
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens achter fietsen mogen niet breder zijn dan 1,00 m. | Visuele controle. |
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.16.51
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van: a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.16.54
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht uiterst links aan de achterzijde van het voertuig, op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De witte of gele retroreflectoren moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van de aanhangwagen zichtbaar zijn. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.16.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% deel zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.16.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| | a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 151, van toepassing; | |
| | c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing, en | |
| | d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 2. | Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
##### Artikel 5.16.64
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.16.65
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.16.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.16.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
##### Artikel 5.17.0
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is.
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
##### Artikel 5.17.3
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van wagens mogen: | Onderdelen a en b: visuele controle. |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van wagens mogen: | Visuele controle. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
@@ -7437,15 +7464,15 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Wagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,60 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen onbespannen wagens niet breder zijn dan 1,50 m. | |
| 1. | Wagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,60 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen onbespannen wagens niet breder zijn dan 1,50 m. | |
##### Artikel 5.17.7
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De last onder enig wiel van wagens mag niet meer bedragen dan 2.400 kg. Een samenstel van wielen dat op één wielnaaf is gemonteerd, wordt als één wiel beschouwd. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel dient het voertuig gewogen te worden. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder een wiel dat niet is voorzien van een rubberen band, niet meer bedragen dan 120 kg per cm bandbreedte. | |
| 1. | De last onder enig wiel van wagens mag niet meer bedragen dan 2.400 kg. Een samenstel van wielen dat op één wielnaaf is gemonteerd, wordt als één wiel beschouwd. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, mag de last onder een wiel dat niet is voorzien van een rubberen band, niet meer bedragen dan 120 kg per cm bandbreedte. | |
##### Artikel 5.17.24
@@ -7454,14 +7481,14 @@
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van wagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | |
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.17.27
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielen van wagens mogen niet zijn voorzien van metalen banden met uitstekende delen. | Visuele controle. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor landbouwwerktuigen met een massa van ten hoogste 750 kg. | Visuele controle, in geval van twijfel dient het voertuig gewogen te worden. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op wagens met een massa van ten hoogste 750 kg, ingericht als landbouwwerktuig. | In geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. |
#### § 3. Brandstofsystemen
@@ -7469,17 +7496,17 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
| | Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat, indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht. | Visuele controle. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.17.48
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Wagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | Wagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van wagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -7487,13 +7514,13 @@
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van: a. twee rode retroreflectoren indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één rode retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; b. één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | Visuele controle. |
| Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van: a. twee rode retroreflectoren indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één rode retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; b. één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.17.54
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht: | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a. niet meer dan 0,45 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, en | |
| | b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | |
| 2. | Indien één retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht: | |
@@ -7504,7 +7531,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De rode retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De rode retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.17.57
@@ -7531,7 +7558,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7546,7 +7573,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in [artikelen 5.17.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in [artikelen 5.17.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
@@ -7563,7 +7590,7 @@
- c. bedrijfsauto’s die worden ingezet voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen gladheidsbestrijding of sneeuwruimen.
##### Artikel 5.18.1. Alle categorieën voertuigen
##### Artikel 5.18.1
1. Met een motorvoertuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.
@@ -7593,7 +7620,7 @@
4. Een dolly of afsleepas en een zich daarop bevindend motorvoertuig worden als één motorvoertuig beschouwd. De dolly of afsleepas dient in dat geval te zijn voorzien van een reminrichting.
5. Een afsleepas mag slechts gebruikt worden als zich daarop een motorvoertuig bevindt.
5. Een afsleepas mag slechts gebruikt worden, indien zich daarop een motorvoertuig bevindt.
6. Met een motorvoertuig mag geen tweewielig motorvoertuig of samenstel van voertuigen worden gesleept.
@@ -7615,9 +7642,9 @@
##### Artikel 5.18.5
1. De spiegels en gezichtsveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), vastgesteld weggedeelte kan overzien.
1. De spiegels en gezichtsveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), vastgesteld weggedeelte kan overzien.
3. Indien het gezichtsveld van de voor landbouw- of bosbouwtrekkers voorgeschreven spiegels wordt beperkt door verwisselbare gedragen uitrustingsstukken of lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van verwisselbare gedragen uitrustingsstukken of lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte tot 10 m achter het voertuig kan overzien.
@@ -7693,7 +7720,7 @@
- d. de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
- e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gestelde eisen.
- e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gestelde eisen.
##### Artikel 5.18.8
@@ -7741,11 +7768,11 @@
- c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte van het motorvoertuig en de voorzijde van de laadruimte van de aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.
3. In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken inbegrepen.
3. In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.
4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een samenstel van bedrijfsauto en dolly met oplegger, waarbij de lengte van het samenstel van dolly met oplegger niet meer mag bedragen dan 12,00 m.
5. In afwijking van het eerste en vierde lid, mag bij het gebruik van een gestandaardiseerde laadstructuur in de vorm van een 45’ container met een lengte van maximaal 13,72 m en een breedte van maximaal 2,55 m, dan wel 2,60 m in het geval van een geconditioneerde gestandaardiseerde laadstructuur, indien deze container stapelbaar is en geschikt is voor het vervoer op een zeeschip, de lengte van het samenstel niet meer bedragen dan 17,30 m.
5. In afwijking van het eerste en vierde lid, mag bij het gebruik van een gestandaardiseerde laadstructuur in de vorm van een 45 voet-container met een lengte van maximaal 13,72 m en een breedte van maximaal 2,55 m, dan wel 2,60 m in het geval van een geconditioneerde gestandaardiseerde laadstructuur, indien deze container stapelbaar is en geschikt is voor het vervoer op een zeeschip, de lengte van het samenstel niet meer bedragen dan 17,30 m.
6. Bij een samenstel van bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, en een aanhangwagen of samenstel van dolly met oplegger met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen of dolly niet minder bedragen dan 3,00 m.
@@ -7757,7 +7784,7 @@
10. De lengte van een samenstel van een bus en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 18,75 m.
11. Een uitschuifbaar voertuig is in onbeladen toestand geheel ingeschoven, tenzij de uitgeschoven delen zijn voorzien van zijdelingse afscherming als bedoeld in [artikel 5.12.48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=9&artikel=5.12.48&z=2017-10-01&g=2017-10-01), in welk geval het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 107 tot en met 111, met uitzondering van de artikelen 109, tweede lid, en 110, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
11. Een uitschuifbaar voertuig is in onbeladen toestand geheel ingeschoven, tenzij de uitgeschoven delen zijn voorzien van zijdelingse afscherming als bedoeld in [artikel 5.12.48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=9&artikel=5.12.48&z=2018-01-01&g=2018-01-01), in welk geval het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 107 tot en met 111, met uitzondering van de artikelen 109, tweede lid, en 110, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
##### Artikel 5.18.12
@@ -7767,7 +7794,7 @@
- b. mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
- c. moet in afwijking van het bepaalde in de [artikelen 5.3.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=9&artikel=5.3.49&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.12.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=9&artikel=5.12.49&z=2017-10-01&g=2017-10-01), een stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
- c. moet een deugdelijke stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading, indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
- d. mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
@@ -7775,23 +7802,37 @@
2. Het eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
3. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1996.
4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.
5. Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd voor zover daardoor de in de [artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01), opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen:
- a. meer dan 1,00 m, doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
- b. meer dan 1,20 m, doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan [artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.18&z=2017-10-01&g=2017-10-01). De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
3. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op:
- a. voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1996;
- b. voertuigen in gebruik genomen vóór 1 januari 2018, indien aan de achterzijde een meeneemheftruck is bevestigd waarbij de afstand tussen de onderzijde van het achterste wiel van de meeneemheftruck en het wegdek niet meer bedraagt dan 0,50 m; en
- c. voertuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, indien aan de achterzijde een meeneemheftruck is bevestigd waarbij de afstand tussen de onderzijde van de achterste rand van de meeneemheftruck en het wegdek niet meer bedraagt dan 0,65 m en deze rand zodanig vormvast is dat deze als stootbalk kan fungeren.
4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.
5. Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd voor zover daardoor de in de [artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01), opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van goederen:
- a. meer dan 1,00 m doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
- b. meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan [artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.18&z=2018-01-01&g=2018-01-01). De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
7. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de uitsteek van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m.
8. De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:
- a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
- b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
##### Artikel 5.18.12a
1. De lengte van een bedrijfsauto met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan in [artikel 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is bepaald waarbij:
1. De lengte van een bedrijfsauto, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, mag niet meer bedragen dan in [artikel 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is bepaald, waarbij:
- a. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
@@ -7799,15 +7840,15 @@
- c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers van het voertuig niet mag worden belemmerd, en
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 130 tot en met 133.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing indien op het voertuig of aan de voor- of achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren of richtingaanwijzers zijn aangebracht.
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 130 tot en met 133.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien op het voertuig of aan de voor- of achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren of richtingaanwijzers zijn aangebracht.
##### Artikel 5.18.13
1. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01) mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen, kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is toegestaan waarbij:
1. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01) mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen dan wel voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is toegestaan, waarbij:
- 1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
@@ -7819,33 +7860,33 @@
- 5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 130 tot en met 133;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 130 tot en met 133;
- 7°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;
- b. onverminderd onderdeel a, de lengte van een trekker en oplegger, met inbegrip van de lading, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.
- c. onverminderd onderdeel a, de lengte van een oplegger met inbegrip van de lading, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.12.6, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is toegestaan doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is met een maximum combinatielengte van 22,00 m.
2. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01), mag de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- 1°. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
- 2°. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
- 3°. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 130 tot en met 133.
- b. onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een trekker en oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is toegestaan, doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 22,00 m;
- c. eveneens onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.12.6, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is toegestaan, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum combinatielengte van 22,00 m.
2. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01), mag de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan, doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- a. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
- b. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
- c. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 130 tot en met 133.
##### Artikel 5.18.14
1. De breedte van driewielige motorrijtuigen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, dan wel niet meer dan 2,20 m op onverharde wegen.
2. Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen, waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
3. Lading die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 130 tot en met 133.
4. Het derde lid is niet van toepassing op lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen en op lading van personenauto’s.
5. Lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen en van personenauto’s, mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
1. De breedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen.
2. Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
3. Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 130 tot en met 133.
4. Het derde lid is niet van toepassing op lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen.
5. Lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
##### Artikel 5.18.15
@@ -7859,17 +7900,19 @@
3. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in [artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
5. Ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanneer het voertuig de in het eerste lid beschreven cirkelvormige ruimte in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0.60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in [artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
5. Ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanneer het voertuig de cirkelvormige ruimte, bedoeld in het eerste lid, in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0,60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.
6. De maximale uitzwaai van een bedrijfsauto mag niet meer bedragen dan:
- a. 0,80 m;
- b. 1,00 m wanneer het voertuig met een ashefinrichting is uitgerust en de as van de grond is opgetrokken;
- c. 1,00 m wanneer de achterste as een gestuurde as is.
- b. 1,00 m, indien:
- 1°. het voertuig met een ashefinrichting is uitgerust en de as van de grond is opgetrokken; of
- 2°. de achterste as een gestuurde as is.
##### Artikel 5.18.17a
@@ -7881,7 +7924,7 @@
- b. de technisch toegestane maximummassa van het voertuig;
- c. vijf maal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
- c. vijfmaal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
- d. indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,00368 kW/kg.
@@ -7897,7 +7940,7 @@
- b. de technisch toegestane maximummassa van het samenstel van de bus of bedrijfsauto met een aanhangwagen;
- c. vijf maal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
- c. vijfmaal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
- d. de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,002 kW/kg.
@@ -7913,7 +7956,7 @@
##### Artikel 5.18.17d
1. De op de kentekencard of het kentekenbewijs van de bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.
1. De op het kentekenbewijs van de bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.
2. Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer bedragen dan:
@@ -7971,7 +8014,7 @@
##### Artikel 5.18.17e
1. De op de kentekencard of het kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.
1. De op het kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.
2. Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een aanhangwagen of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, of indien de aanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer mag bedragen dan:
@@ -8095,7 +8138,7 @@
1. Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximumlast van enige as of asstel, de maximumlast onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.
2. Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers dat op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is vermeld. Indien het maximumaantal passagiers niet op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs, in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is vermeld, wordt het maximumaantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand gedeeld door 68 kg.
2. Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers dat op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is vermeld. Indien het maximumaantal passagiers niet op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs, in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is vermeld, wordt het maximumaantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand gedeeld door 68 kg.
##### Artikel 5.18.18
@@ -8111,11 +8154,9 @@
4. De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.
5. Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van een voertuig niet meer dan 2.400 kg bedragen.
##### Artikel 5.18.18a
1. Als in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, dan mag:
1. Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag:
- a. de totale massa van aanhangwagens met een bedrijfsrem,
@@ -8133,7 +8174,7 @@
- 4°. de technisch toegestane maximummassa van het trekkend voertuig, of 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van de personenauto, voor zover de personenauto een aantekening op de kentekencard, dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft.
2. Als in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, dan mag:
2. Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag:
- a. de totale massa van aanhangwagens zonder een bedrijfsrem,
@@ -8159,7 +8200,7 @@
1. Lading van motorfietsen op twee wielen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
2. Aanhangwagens achter motorfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
2. Motorfietsaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
@@ -8173,9 +8214,11 @@
##### Artikel 5.18.20
1. De lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 18,75 m.
2. In afwijking van het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, niet meer bedragen dan 12 m.
1. De lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens, mag niet meer bedragen dan 18,75 m.
2. In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.
3. In afwijking van het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, niet meer bedragen dan 12 m.
##### Artikel 5.18.21
@@ -8201,7 +8244,7 @@
##### Artikel 5.18.21a
1. De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de [artikelen 5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), waarbij:
1. De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de [artikelen 5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), waarbij:
- a. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
@@ -8209,7 +8252,7 @@
- c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers van het voertuig niet mag worden belemmerd;
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 130 tot en met 133;
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 130 tot en met 133;
- e. voertuigdelen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mogen uitsteken.
@@ -8221,7 +8264,7 @@
1. De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 3,00 m.
2. Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
2. Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
##### Artikel 5.18.23
@@ -8269,7 +8312,7 @@
##### Artikel 5.18.27
1. Aanhangwagens achter tweewielige bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
1. Bromfietsaanhangwagens achter tweewielige bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
@@ -8279,7 +8322,7 @@
- d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,00 m.
2. Aanhangwagens achter bromfietsen op meer dan twee wielen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
2. Bromfietsaanhangwagens achter bromfietsen op meer dan twee wielen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
@@ -8299,9 +8342,9 @@
##### Artikel 5.18.29
1. Aanhangwagens achter tweewielige fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
2. Aanhangwagens achter fietsen op meer dan twee wielen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.
1. Fietsaanhangwagens achter tweewielige fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
2. Fietsaanhangwagens achter fietsen op meer dan twee wielen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
@@ -8335,7 +8378,7 @@
##### Artikel 5.18.32
Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de [artikelen 5.2.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=6&artikel=5.2.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=6&artikel=5.3.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3a.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=6&artikel=5.3a.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [5.5.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=5&artikel=5.5.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de [artikelen 5.2.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=6&artikel=5.2.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=6&artikel=5.3.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3a.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=6&artikel=5.3a.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [5.5.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=6&artikel=5.5.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -8343,7 +8386,7 @@
##### Artikel 5.18.33
Aanhangwagens van de voertuigcategorie O, niet zijnde opleggers, met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, als deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.
Aanhangwagens van de voertuigcategorie O, niet zijnde opleggers, met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, indien deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
@@ -8353,7 +8396,7 @@
2. Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
3. Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt, moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.
3. Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem, moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt, moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.
4. Het derde lid, tweede volzin, is niet van toepassing op aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid die niet zijn voorzien van een ABS-systeem.
@@ -8403,9 +8446,9 @@
##### Artikel 5.18.38a
1. Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van [artikel 5.18.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2017-10-01&g=2017-10-01), alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
2. Indien een voertuig aan de achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van [artikel 5.18.38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2017-10-01&g=2017-10-01), alleen het mistachterlicht op de lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.
1. Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van [artikel 5.18.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2018-01-01&g=2018-01-01), alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
2. Indien een voertuig aan de achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van [artikel 5.18.38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2018-01-01&g=2018-01-01), alleen het mistachterlicht op de lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
@@ -8427,7 +8470,7 @@
##### Artikel 5.18.44
1. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
1. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
@@ -8435,7 +8478,7 @@
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
5. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.45
@@ -8447,7 +8490,7 @@
##### Artikel 5.18.46
Aanhangwagens achter fietsen die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.
Fietsaanhangwagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.
##### Artikel 5.18.47
@@ -8479,7 +8522,7 @@
##### Artikel 5.18.51
1. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
1. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
@@ -8487,7 +8530,7 @@
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
5. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.52
@@ -8529,29 +8572,29 @@
##### Artikel 5.18.57
De hulpkoppeling van aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 1.500 kg moet zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling, en dat bij gebruik van de hulpkoppeling de trekboom of koppeling van de aanhangwagen de grond niet raakt.
De hulpkoppeling van aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 1.500 kg moet zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling en dat bij gebruik van de hulpkoppeling de trekboom of koppeling van de aanhangwagen de grond niet raakt.
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.58
Aanhangwagens moeten zodanig aan een motorfiets of een bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets; indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.
Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagen moeten zodanig aan een motorfiets onderscheidenlijk bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets onderscheidenlijk bromfiets. Indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.59
Een aanhangwagen achter een fiets moet goed met de fiets zijn verbonden.
Een fietsaanhangwagen moet goed met de fiets zijn verbonden.
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
##### Artikel 5.18.60
Bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding 45 in zwarte kleur.
Bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding ‘45’ in zwarte kleur.
##### Artikel 5.18.61
Onverminderd het bepaalde in de [artikelen 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), moeten:
Onverminderd het bepaalde in de [artikelen 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), moeten:
- a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en bestemd voor het vervoer van goederen,
@@ -8583,11 +8626,11 @@
##### Artikel 6.1
1. De in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vermelde wijzigingen in de constructie van gekentekende voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
1. De in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) vermelde wijzigingen in de constructie van gekentekende voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
2. Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd en het geen wijziging van voertuigcategorie betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van rupsbanden, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.
3. Indien een kentekenplichtig voertuig wordt gewijzigd in een niet-kentekenplichtig voertuig, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de eisen vermeld in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01), zoals die eisen luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
3. Indien een kentekenplichtig voertuig wordt gewijzigd in een niet-kentekenplichtig voertuig, moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de eisen vermeld in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01), zoals die eisen luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde voertuigen moeten zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.
@@ -8601,7 +8644,7 @@
##### Artikel 6.3
1. Bij wijziging in de constructie van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
1. Bij wijziging in de constructie van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het aantal assen;
@@ -8655,7 +8698,7 @@
- z. het geluidsniveau bij stilstand en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.
2. In aanvulling op het eerste lid, moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
2. In aanvulling op het eerste lid, moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
- a. de vergroting van de wielbasis, indien het een personenauto met een volledig zelfdragende carrosserie, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie, bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie of motorfiets betreft;
@@ -8667,25 +8710,25 @@
3. Bij wijziging van de brandstofsoort van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door inbouw van een LPG- of CNG-installatie, wordt, voor zover:
- a. de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in VN/ECE-reglement 115 als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2017-10-01&g=2017-10-01); en
- b. er voor het voertuig een LPG- of CNG-installatie beschikbaar is die aan VN/ECE-reglement 115 als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voldoet, in afwijking van de eisen, bedoeld in onderdeel a, voldaan aan VN/ECE-reglement 115 als bedoeld in bijlage Va.
3a. In afwijking van het derde lid en van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2017-10-01&g=2017-10-01), mag in een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2014 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, mits voldaan wordt aan de eisen, genoemd in bijlage X, hoofdstuk 1, worden ingebouwd en gebruikt een LPG- of CNG-installatie waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een goedkeuring is verleend op grond van de eisen, bedoeld in de [bijlage behorende bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging](onbekend).
4. In aanvulling op de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing zijn, voldoen bij wijziging van de brandstofsoort in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door uitbouw van een LPG- of CNG-installatie, de uitbouw en het voertuig aan de eisen in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2017-10-01&g=2017-10-01), hoofdstuk 2.
5. Een personenauto, bedrijfsauto of bus moet bij wijziging in de constructie tevens voldoen aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2017-10-01&g=2017-10-01), hoofdstuk 3, artikel 3, onderdeel b, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
6. Een motorfiets moet bij wijziging in de constructie tevens voldoen aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2017-10-01&g=2017-10-01), hoofdstuk 5, titel 2, artikel 6, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
- a. de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in VN/ECE-reglement 115 als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2018-01-01&g=2018-01-01); en
- b. er voor het voertuig een LPG- of CNG-installatie beschikbaar is die aan VN/ECE-reglement 115 als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voldoet, in afwijking van de eisen, bedoeld in onderdeel a, voldaan aan VN/ECE-reglement 115 als bedoeld in bijlage Va.
3a. In afwijking van het derde lid en van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2018-01-01&g=2018-01-01), mag in een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2014 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, mits voldaan wordt aan de eisen, genoemd in bijlage X, hoofdstuk 1, worden ingebouwd en gebruikt een LPG- of CNG-installatie waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een goedkeuring is verleend op grond van de eisen, bedoeld in de [bijlage behorende bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging](onbekend).
4. In aanvulling op de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing zijn, voldoen bij wijziging van de brandstofsoort in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door uitbouw van een LPG- of CNG-installatie, de uitbouw en het voertuig aan de eisen in [bijlage X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2018-01-01&g=2018-01-01), hoofdstuk 2.
5. Een personenauto, bedrijfsauto of bus moet bij wijziging in de constructie tevens voldoen aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2018-01-01&g=2018-01-01), hoofdstuk 3, artikel 3, onderdeel b, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
6. Een motorfiets moet bij wijziging in de constructie tevens voldoen aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2018-01-01&g=2018-01-01), hoofdstuk 5, titel 2, artikel 6, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
7. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op bromfietsen en driewielige motorrijtuigen.
8. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), mag een wijziging in de constructie van motorfietsen waarbij het vermogen afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde worden aangetoond door middel van een verklaring, afgegeven door de fabrikant van het voertuig of de vertegenwoordiger van die fabrikant in Nederland, waaruit blijkt dat de wijziging volgens fabrieksvoorschriften is uitgevoerd en het gewijzigde vermogen voorkomt in een typegoedkeuring.
8. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), mag een wijziging in de constructie van motorfietsen waarbij het vermogen afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde worden aangetoond door middel van een verklaring, afgegeven door de fabrikant van het voertuig of de vertegenwoordiger van die fabrikant in Nederland, waaruit blijkt dat de wijziging volgens fabrieksvoorschriften is uitgevoerd en het gewijzigde vermogen voorkomt in een typegoedkeuring.
##### Artikel 6.4
1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het remsysteem van voertuigen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht;
@@ -8699,29 +8742,29 @@
- f. de ligplaatsen van een personenauto.
2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
3. Bij wijziging van de inrichting van een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
4. Bij wijziging van de inrichting van een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
3. Bij wijziging van de inrichting van een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
4. Bij wijziging van de inrichting van een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.5
Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht, afgesteld of verzegeld in bedrijfsauto’s of bussen van de categorieën, genoemd in de [artikelen 5.3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=4&artikel=5.3.15&z=2017-10-01&g=2017-10-01), respectievelijk [5.3a.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=4&artikel=5.3a.15&z=2017-10-01&g=2017-10-01), moeten deze voertuigen voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht, afgesteld of verzegeld in bedrijfsauto’s of bussen van de categorieën, genoemd in de [artikelen 5.3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=4&artikel=5.3.15&z=2018-01-01&g=2018-01-01), respectievelijk [5.3a.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=4&artikel=5.3a.15&z=2018-01-01&g=2018-01-01), moeten deze voertuigen voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.6
1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2017-10-01&g=2017-10-01), opgenomen eisen en aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2018-01-01&g=2018-01-01), opgenomen eisen en aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.7
Indien een koppeling wordt aangebracht op bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moeten deze voertuigen voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Indien een koppeling wordt aangebracht op bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moeten deze voertuigen voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.8
Indien de vering van een aanhangwagen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Indien de vering van een aanhangwagen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
@@ -8734,12 +8777,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen. | – |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01), zijn van toepassing. | De in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01), vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-01-01&g=2018-01-01), zijn van toepassing. | De in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-01-01&g=2018-01-01), vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 3. | Het chassis, frame dan wel de zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering hebben. | De maatvoering van het chassis dan wel de bodemplaat van de zelfdragende carrosserie wordt met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De relevante meetpunten aan de onderzijde van het voertuig worden gecontroleerd. De toegestane afwijking van de meetpunten van de voertuigbodem bedraagt 10 mm in zowel de lengte-, breedte-, als hoogterichting. |
| 4. | De wielstanden moeten overeenkomen met de fabrieksgegevens. | De wielstanden worden met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De volgende waarden worden vastgesteld: a. de totale sporing van de voorwielen; b. de totale sporing van de achterwielen; c. de wielvlucht van elk wiel; en d. de rijlijn van de achterwielen. Voor de sporing geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de wielvlucht van elk wiel geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de rijlijn geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde 1º zijn. |
| 5. | Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. | Visuele controle. |
| 6. | De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Indien gordelspanners geactiveerd zijn geweest moeten deze zijn vervangen. | Visuele controle. |
| 7. | Airbagsystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld, waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. |
| 5. | Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Indien gordelspanners geactiveerd zijn geweest, moeten deze zijn vervangen. | |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 8. | Op plaatsen waar is aangegeven dat zich een airbag bevindt, moet een niet geactiveerde airbag aanwezig zijn. | Visuele controle, indien mogelijk, door middel van het uitlezen van het elektronische systeem. |
| 9. | Het voertuig moet van deugdelijke bouw en inrichting zijn. | Visuele controle. |
@@ -8765,7 +8808,7 @@
- **controlecertificaat:** document afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
- **datum ingebruikname:** datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde permanente eisen;
- **datum ingebruikname:** datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde permanente eisen;
- **digitale aanwijzing:** aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
@@ -8791,7 +8834,7 @@
- **maximale fout:** maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;
- **onderzoeksgerechtigde:** onderneming of instelling die op grond van [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van dit hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van eerste keuring dan wel herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- **onderzoeksgerechtigde:** onderneming of instelling die op grond van [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van dit hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van eerste keuring dan wel herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- **primair meetsignaal:** in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezig analoog of digitaal meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;
@@ -8855,13 +8898,13 @@
- k. geluidsniveaumeter.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op niet in roetmeters geïntegreerde toerentellers en olietemperatuurmeters die gebruikt worden ten behoeve van de periodieke keuring.
##### Artikel 8.1.4
Een uitlaatgastester als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01):
Een uitlaatgastester als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01):
- a. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge richtlijn 2014/32/EU;
@@ -8871,27 +8914,27 @@
##### Artikel 8.1.4a
1. De meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Uitlaatgastesters met lambdabepaling die zijn typegoedgekeurd voor 31 oktober 2006, mogen tot 1 november 2016 in gebruik worden genomen op grond van de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voor dit meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
1. De meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Uitlaatgastesters met lambdabepaling die zijn typegoedgekeurd voor 31 oktober 2006, mogen tot 1 november 2016 in gebruik worden genomen op grond van de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voor dit meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.5
1. De meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring.
2. Ten bewijze van een herkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een herkeuringscertificaat afgegeven. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester die is voorzien van de markering, bedoeld in [artikel 8.1.4, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Een dergelijke uitlaatgastester moet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat voldoen aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU.
1. De meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring.
2. Ten bewijze van een herkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een herkeuringscertificaat afgegeven. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester die is voorzien van de markering, bedoeld in [artikel 8.1.4, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Een dergelijke uitlaatgastester moet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat voldoen aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU.
##### Artikel 8.1.6
1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4, paragraaf 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen specifieke eisen.
2. Kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4, § 9.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5a&z=2017-10-01&g=2017-10-01), opgenomen specifieke eisen.
3. Koplamptestapparaten voldoen aan de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen specifieke eisen.
1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4, paragraaf 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01), opgenomen specifieke eisen.
2. Kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4, § 9.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5a&z=2018-01-01&g=2018-01-01), opgenomen specifieke eisen.
3. Koplamptestapparaten voldoen aan de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.7
@@ -8911,7 +8954,7 @@
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften;
- d. de termijn, bedoeld in [artikel 8.1.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is verstreken zonder dat de tijdelijke voorwaarde, bedoeld in artikel 8.1.11, eerste lid, is vervallen dan wel is omgezet in een definitieve voorwaarde.
- d. de termijn, bedoeld in [artikel 8.1.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is verstreken zonder dat de tijdelijke voorwaarde, bedoeld in artikel 8.1.11, eerste lid, is vervallen dan wel is omgezet in een definitieve voorwaarde.
##### Artikel 8.1.9
@@ -8937,15 +8980,15 @@
##### Artikel 8.1.10
1. De aanvraag van een typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
1. De aanvraag van een typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
2. De aanvraag van een certificaat van eerste keuring dan wel een certificaat van herkeuring wordt voor wat betreft:
- a. de meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), met inachtneming van de in afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde.;
- b. de meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
3. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
- a. de meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), met inachtneming van de in afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde;
- b. de meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
3. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
##### Artikel 8.1.11
@@ -8977,7 +9020,7 @@
##### Artikel 8.2.1
1. De aanwijzing door de minister van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01), kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen.
1. De aanwijzing door de minister van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01), kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen.
2. De keuringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:
@@ -8999,13 +9042,13 @@
##### Artikel 8.2.2
De in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01), bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
De in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01), bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
##### Artikel 8.2.3
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), indien wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), indien wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
2. De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
@@ -9013,7 +9056,7 @@
##### Artikel 8.2.4
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
##### Artikel 8.2.5
@@ -9029,11 +9072,11 @@
Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde eisen;
- a. steeds wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde eisen;
- b. de standaarden en andere hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring bevinden zich steeds in goede staat van onderhoud;
- c. elke eerste keuring of herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een eerste keuring of herkeuring is vastgelegd in het in [artikel 8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- c. elke eerste keuring of herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een eerste keuring of herkeuring is vastgelegd in het in [artikel 8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01) bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- d. ten hoogste tien werkdagen na elke eerste keuring of herkeuring met een positief resultaat wordt:
@@ -9053,13 +9096,13 @@
##### Artikel 8.2.9
1. De erkenning, bedoeld in [artikel 8.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01);
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 8.2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in [artikel 8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01), niet wordt nageleefd.
1. De erkenning, bedoeld in [artikel 8.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01);
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 8.2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in [artikel 8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01), niet wordt nageleefd.
2. Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -9091,29 +9134,29 @@
Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01) gestelde eisen;
- a. steeds wordt voldaan aan de in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01) gestelde eisen;
- b. de standaarden en hulpmiddelen, benodigd voor het certificeren, bevinden zich steeds in een goede staat van onderhoud;
- c. een certificaat wordt slechts afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig:
- 1°. [artikel 8.4.89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor uitlaatgastesters in de handel wordt gebracht, of
- 2°. [artikel 8.4.89a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5a&artikel=8.4.89a&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor alcoholsloten in de handel wordt gebracht;
- d. de gegevens betreffende de uitvoering van het gestelde in [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voor zover van belang met betrekking tot het certificeren, worden vastgelegd;
- 1°. [artikel 8.4.89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor uitlaatgastesters in de handel wordt gebracht, of
- 2°. [artikel 8.4.89a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5a&artikel=8.4.89a&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor alcoholsloten in de handel wordt gebracht;
- d. gegevens als bedoeld in [artikel 8.2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01), worden vastgelegd, voor zover van belang met betrekking tot het certificeren;
- e. de gegevens, bedoeld in onderdeel d, worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard.
##### Artikel 8.2.15
1. De erkenning, bedoeld in [artikel 8.2.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01), wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld [artikel 8.2.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01);
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 8.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.14&z=2017-10-01&g=2017-10-01), niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in [artikel 8.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.16&z=2017-10-01&g=2017-10-01), niet wordt nageleefd.
1. De erkenning, bedoeld in [artikel 8.2.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01), wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld [artikel 8.2.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01);
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 8.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.14&z=2018-01-01&g=2018-01-01), niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in [artikel 8.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.16&z=2018-01-01&g=2018-01-01), niet wordt nageleefd.
2. Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -9127,7 +9170,7 @@
##### Artikel 8.3.1
De in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
De in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.2
@@ -9147,11 +9190,11 @@
##### Artikel 8.3.4
1. Indien in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan, indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
1. Indien in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan, indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
- a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
@@ -9181,7 +9224,7 @@
- h. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden, en
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen, genoemd onder a tot en met e, tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen, genoemd onder f tot en met h, zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.
@@ -9211,11 +9254,11 @@
##### Artikel 8.3.7
De elektronische meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) anders is bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
De elektronische meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) anders is bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.8
De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan, indien het instrument voldoet aan [artikel 8.3.9, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan, indien het instrument voldoet aan [artikel 8.3.9, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
##### Artikel 8.3.9
@@ -9225,15 +9268,15 @@
| Omschrijving | Geldende eis | Artikel | Zwaarte |
| --- | --- | --- | --- |
| spanningsvariatie | [8.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) | B.10 | 2 |
| spanningsvariatie | [8.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) | B.10 | 2 |
- b. indien het meetmiddel is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, voldoet dit aan de eisen gesteld in ISO 7637;
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan bedoeld in de onderdelen a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01);
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan bedoeld in de onderdelen a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01);
- d. in afwijking van het storingsniveau, bedoeld in onderdeel a, geldt voor een bromfietsrollentestbank het storingsniveau 3 van de elektromagnetische instraling.
@@ -9275,7 +9318,7 @@
- c. voor de hulpinrichting is een testcertificaat afgegeven, tenzij anders is vermeld in het typekeuringscertificaat.
3. Een testcertificaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek, waarbij is vastgesteld dat aan de eisen, genoemd in [artikel 8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is voldaan.
3. Een testcertificaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek, waarbij is vastgesteld dat aan de eisen, genoemd in [artikel 8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is voldaan.
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
@@ -9285,7 +9328,7 @@
2. Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.
3. [Artikel 8.1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.8&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 8.1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.8&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.3.14
@@ -9293,7 +9336,7 @@
2. Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.
3. De [artikelen 8.1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [8.2.1 tot en met 8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=1&artikel=8.2.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 8.1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [8.2.1 tot en met 8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=1&artikel=8.2.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 1. Algemeen
@@ -9305,35 +9348,35 @@
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. **opaciteit:** mate waarin lichtabsorptie plaatsvindt in het uitlaatgas dat door een roetmeter wordt geleid. Deze mate van lichtabsorptie is afhankelijk van de weglengte waarover de lichtabsorptie plaatsvindt en wordt aangeduid door de grootheid **N** die de afname van de lichtflux over de weglengte in het uitlaatgas, uitdrukt in een percentage van de onverzwakte lichtflux. In formule: Hierin is: **N** de opaciteit (uitgedrukt in %); φo de onverzwakte lichtflux; φL de lichtflux resterend na de lichtweg **L**;
- b. **absorptiecoëfficiënt:** maat voor de lichtabsorptie van het uitlaatgas, die karakteristiek is voor de opaciteit van het uitlaatgas en in getalwaarde onafhankelijk is van de weglengte waarover de opaciteit wordt gemeten. De absorptiecoëfficiënt wordt aangeduid door grootheid **k**, die de negatieve waarde van natuurlijke logaritme van de transmissie per meter lichtweg door het uitlaatgas voorstelt. In formule: Hierin is: **K** de absorptiecoëfficiënt (uitgedrukt in m–1); **L** de weglengte die het licht in het uitlaatgas aflegt in meter;
- c. **fysische responsie:** specifiek dynamische gedrag van dat deel van de roetmeter dat de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het gas in de uitlaat omzet in de opaciteitswaarde die het primaire meetsignaal vormt;
- d. **normlengte:** gestandaardiseerde lengte voor de meetkamer gebruikt voor de berekening van de genormeerde opaciteit te weten 430 mm;
- e. **ongecorrigeerde opaciteit:** meetsignaal evenredig met de momentele waarde van de opaciteit, niet gecorrigeerd voor druk, temperatuur of verschil tussen de werkelijke lengte en de normlengte van de meetkamer;
- f. **genormeerde opaciteit:** berekende waarde van de opaciteit zoals deze zou worden gemeten in een meetkamerlengte gelijk aan de normlengte;
- g. **correctiefilter:** elektrisch filter opgenomen in het signaalpad met een karakteristiek aangepast aan de fysische responsie;
- h. **hoofdfilter:** elektrisch filter met een vaste karakteristiek dat is opgenomen in het signaalpad en dat als ingangssignaal de genormeerde opaciteit heeft;
- i. **piekwaarde detectie-inrichting:** inrichting die de maximale waarde bepaalt van een roetuitstoot, uitgaande van het gedurende de vrije acceleratie van de voertuigmotor gemeten verloop van deze roetuitstoot;
- j. **meetresultaat:** waarde van de absorptiecoëfficiënt van het uitlaatgas zoals deze, beïnvloed door de fysische en elektrische responsie van de roetmeter, is gemeten op het moment bepaald door de piekwaarde detectie-inrichting.
- **opaciteit:** mate waarin lichtabsorptie plaatsvindt in het uitlaatgas dat door een roetmeter wordt geleid. Deze mate van lichtabsorptie is afhankelijk van de weglengte waarover de lichtabsorptie plaatsvindt en wordt aangeduid door de grootheid **N** die de afname van de lichtflux over de weglengte in het uitlaatgas, uitdrukt in een percentage van de onverzwakte lichtflux. In formule: Hierin is: **N** de opaciteit (uitgedrukt in %); φo de onverzwakte lichtflux; φL de lichtflux resterend na de lichtweg **L**;
- **absorptiecoëfficiënt:** maat voor de lichtabsorptie van het uitlaatgas, die karakteristiek is voor de opaciteit van het uitlaatgas en in getalwaarde onafhankelijk is van de weglengte waarover de opaciteit wordt gemeten. De absorptiecoëfficiënt wordt aangeduid door grootheid **k**, die de negatieve waarde van natuurlijke logaritme van de transmissie per meter lichtweg door het uitlaatgas voorstelt. In formule: Hierin is: **K** de absorptiecoëfficiënt (uitgedrukt in m–1); **L** de weglengte die het licht in het uitlaatgas aflegt in meter;
- **fysische responsie:** specifiek dynamische gedrag van dat deel van de roetmeter dat de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het gas in de uitlaat omzet in de opaciteitswaarde die het primaire meetsignaal vormt;
- **normlengte:** gestandaardiseerde lengte voor de meetkamer gebruikt voor de berekening van de genormeerde opaciteit te weten 430 mm;
- **ongecorrigeerde opaciteit:** meetsignaal evenredig met de momentele waarde van de opaciteit, niet gecorrigeerd voor druk, temperatuur of verschil tussen de werkelijke lengte en de normlengte van de meetkamer;
- **genormeerde opaciteit:** berekende waarde van de opaciteit zoals deze zou worden gemeten in een meetkamerlengte gelijk aan de normlengte;
- **correctiefilter:** elektrisch filter opgenomen in het signaalpad met een karakteristiek aangepast aan de fysische responsie;
- **hoofdfilter:** elektrisch filter met een vaste karakteristiek dat is opgenomen in het signaalpad en dat als ingangssignaal de genormeerde opaciteit heeft;
- **piekwaarde detectie-inrichting:** inrichting die de maximale waarde bepaalt van een roetuitstoot, uitgaande van het gedurende de vrije acceleratie van de voertuigmotor gemeten verloop van deze roetuitstoot;
- **meetresultaat:** waarde van de absorptiecoëfficiënt van het uitlaatgas zoals deze, beïnvloed door de fysische en elektrische responsie van de roetmeter, is gemeten op het moment bepaald door de piekwaarde detectie-inrichting.
##### Artikel 8.4.2
De handleiding behorende bij de roetmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01):
De handleiding behorende bij de roetmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01):
- a. de wijze waarop een sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;
- b. eventuele aanwijzingen met betrekking tot een te gebruiken sonde voor bepaalde voertuigtypen.
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 1.1. Algemeen
@@ -9343,995 +9386,995 @@
- a. een analoge of digitale aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit;
- b. een automatisch werkende instelling voor 0% en 100% ongecorrigeerde opaciteit. De desbetreffende justeerinrichting moet door de gebruiker in werking kunnen worden gesteld in de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming), doch de werking mag niet door de gebruiker kunnen worden beïnvloed. De justeerinrichting moet zodanig functioneren, dat bij de justering op 0% gewaarborgd is dat geen onjuiste instelling kan plaatsvinden als gevolg van in de meetkamer binnentredende uitlaatgassen;
- b. een automatisch werkende instelling voor 0% en 100% ongecorrigeerde opaciteit. De desbetreffende justeerinrichting moet door de gebruiker in werking kunnen worden gesteld in de functiestand ‘controle’ (of een gelijksoortige benaming), doch de werking mag niet door de gebruiker kunnen worden beïnvloed. De justeerinrichting moet zodanig functioneren, dat bij de justering op 0% gewaarborgd is dat geen onjuiste instelling kan plaatsvinden als gevolg van in de meetkamer binnentredende uitlaatgassen;
- c. een inrichting waarmee de lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;
- d. een softwareroutine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist, indien door middel van software-identificatie als bedoeld in [artikel 8.3.10, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01), op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=1&artikel=8.1.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende ten minste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
- d. een softwareroutine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist, indien door middel van software-identificatie als bedoeld in [artikel 8.3.10, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01), op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming) verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=1&artikel=8.1.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende ten minste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
##### Artikel 8.4.4
1. De in de volgende leden opgenomen eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale gasstroomsnelheid optreedt.
2. De maximale fout van de roetmeter wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor roetuitstoot door een representatief aantal personenauto’s en bedrijfsauto’s. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m–1 + 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde waarde binnen deze 0,25 seconde.
3. De specifieke fysische responsie van de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5% afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan worden verkregen.
4. De roetmeter moet zijn voorzien van een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:
Hierin is:
**N** i het ingangssignaal van het filter;
**N** u het uitgangssignaal van het filter;
**t** de tijd in seconden;
τ de filterconstante in seconden;
De nominale waarde voor τ hierin is:
De tolerantie van de karakteristiek van het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.
De overeenkomstige karakteristiek in numerieke vorm wordt weergegeven door:
**Y** n = (1 – δ ) * **X**n + δ * **Y**n–1
Hierin geldt voor δ de volgende waarde:
δ = 10 –ts
In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.
5. De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
#### E. Wagens
##### Artikel 8.4.5
Het optisch systeem voldoet aan de volgende eisen:
- a. de toegepaste lichtbron is hetzij een gloeilamp waarvan de kleurtemperatuur een waarde moet hebben die tussen 2.800 °K en 3.250 °K ligt, hetzij een diode die licht emitteert met een piekwaarde van de golflengte tussen de 550 nm en 570 nm;
- b. indien als lichtbron een gloeilamp wordt gebruikt, komt de spectrale gevoeligheidskarakteristiek van de foto-elektrische cel overeen met de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog;
- c. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat uitwendige lichtbronnen en interne reflecties geen storende invloed hebben op de juiste werking van de roetmeter;
- d. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat herhaalde reflectie tussen het optisch filter en andere reflecterende oppervlakken een verwaarloosbare invloed heeft op de effectieve waarde van het optisch filter, tenzij deze reflecties een bekende en stabiele bijdrage hebben in deze effectieve waarde van het filter en geen storende invloed hebben op de controle van de lineariteit;
- e. de opbouw van het optisch systeem dient zodanig te zijn dat regelmatige reiniging, indien noodzakelijk, door de gebruiker op een eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd, zonder risico dat de juiste werking van de roetmeter hierdoor nadelig wordt beïnvloed.
#### D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
##### Artikel 8.4.6
1. Een meetcuvette wordt op een temperatuur gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van die cuvette een verwaarloosbare invloed heeft.
2. De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsiesnelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan het vierde lid.
3. De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten bij omgevingstemperaturen boven –10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.
4. Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.
#### § 1.2.3. Optisch systeem
##### Artikel 8.4.7
1. Een in de uitlaat van het motorvoertuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan, indien de opening van de sonde zich op een afstand van ten minste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied, bedoeld in [artikel 8.3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
##### Artikel 8.4.8
1. De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
- a. de functiestand ‘controle’ (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), plaats kunnen vinden;
- b. de functiestand ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden weergegeven.
2. De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand ‘ongefilterde piekwaarde’, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
3. Andere functiestanden dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn slechts toegestaan voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
##### Artikel 8.4.9
De roetmeter is voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:
- a. in de functiestand ‘controle’ (of een gelijksoortige benaming) de ongecorrigeerde waarde van de opaciteit over het bereik van 0% tot 100%. De kleinste stap in de aangewezen waarde moet 0,1% bedragen;
- b. de piekwaarde van de gecorrigeerde absorptiecoefficiënt over het bereik van ten minste 0 m–1 tot 5,5 m–1. De kleinste stap in de aangewezen waarde mag niet meer dan 0,02 m–1 bedragen.
#### § 1.2.6. Functiestanden
##### Artikel 8.4.10
1. De roetmeter is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
- b. de informatie van het desbetreffende voertuig:
- 1°. de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
- 2°. de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
- c. de uitgangspunten:
- 1°. de soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
- 2°. de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand ‘controle’ of ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming) is;
- d. de meetresultaten van de drie geldige meetcycli:
- 1°. de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste 5 seconden voor het gas geven;
- 2°. de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
2. Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
3. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 8.4.11
1. De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van dit hoofdstuk.
2. Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
##### Artikel 8.4.12
1. Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01), in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
2. De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
3. De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
- a. invoeren van de gegevens, bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01);
- b. automatische controle of:
- 1°. alle gegevens, bedoeld in onderdeel a, zijn ingevoerd;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
- 4°. het afregeltoerental gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt;
- c. indien de resultaten van de onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de testprocedure vrijgeven;
- d. nadat het stationair toerental na een periode van ten minste 10 seconden gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het gaspedaal moet worden ingedrukt;
- e. nadat het afregeltoerental 2 seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet worden losgelaten;
- f. de roetmeter geeft aan dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1. In dit geval is de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de eerste als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, worden de punten d en e automatisch eenmaal herhaald;
- g. automatisch, indien van toepassing, wordt het rekenkundig gemiddelde van de absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen berekend. Indien de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of gelijk is aan 2,5 m–1, mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m–1. Indien de berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m–1, mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,7 m–1. Indien blijkt dat de afwijking groter is dan 0,5 m–1 respectievelijk 0,7 m–1, moet de test een of meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens opnieuw wordt uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.12a
1. In afwijking van [artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01):
- a. mag tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, het bepaalde in [artikel 8.4.12, derde lid, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01), ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
- b. kan het ten minste tweemaal automatisch herhalen van het bepaalde in [artikel 8.4.12, derde lid, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven.
2. Roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt beëindigd, indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1.
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.10. Meetprogramma
##### Artikel 8.4.13
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **toerenteller:** meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;
- **geïntegreerde toerenteller:** toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- **toerenopnemer:** onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.
##### Artikel 8.4.14
1. De handleiding behorende bij de toerenteller bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01):
- a. indien de toerenteller is voorzien van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;
- b. de wijze waarop de toerenopnemer op of bij de voertuigmotor wordt geplaatst.
2. Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
##### Artikel 8.4.15
De maximale fout voor toerentellers bedraagt:
- a. 10 min-1 voor toerentallen kleiner dan 1.000 min-1; en
- b. 1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1.000 min-1.
##### Artikel 8.4.16
1. De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.
2. De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.
3. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.
4. Het meetbereik van een toerenteller moet ten minste het gebied van 500 min–1 tot 6.000 min–1 omvatten.
##### Artikel 8.4.17
Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **olietemperatuurmeter:** meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;
- **geïntegreerde olietemperatuurmeter:** olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- **temperatuuropnemer:** onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
##### Artikel 8.4.19
1. De handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01):
- a. indien de olietemperatuurmeter is voorzien van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
- b. de wijze waarop de olietemperatuurmeter op of bij de voertuigmotor wordt geplaatst.
2. Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.4
1. De in de volgende leden opgenomen eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale gasstroomsnelheid optreedt.
2. De maximale fout van de roetmeter wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor roetuitstoot door een representatief aantal personenauto’s en bedrijfsauto’s. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m–1 + 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde waarde binnen deze 0,25 seconde.
3. De specifieke fysische responsie van de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5% afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan worden verkregen.
4. De roetmeter moet zijn voorzien van een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:
##### Artikel 8.4.20
De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt:
- a. 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C; en
- b. 8 °C voor het aanwijsbereik buiten het temperatuurgebied, genoemd onder a.
##### Artikel 8.4.21
1. De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
2. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.
3. Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet ten minste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.
##### Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
##### Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 1. Roetmeters
#### § 2.2. Certificaten
##### Artikel 8.4.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **manometer:** meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;
- **geïntegreerde manometer:** manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
##### Artikel 8.4.25
In afwijking van [artikel 8.3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is voor de manometer geen handleiding vereist.
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende eisen:
- a. de gemeten druk wordt weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
- b. de gemeten waarde wordt door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk aangegeven;
- c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:
- 1°. in geval van een aanwijsinrichting:
- i. voor nieuwe manometers:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 2%;
- ii. voor manometers die in gebruik zijn:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
- 2°. in geval van een registratie-inrichting:
- i. voor nieuwe manometers:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 4%;
- ii. voor manometers die in gebruik zijn:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 5%;
- d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.27
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **pedaalkrachtmeter:** meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.
#### § 1.2.3. Optisch systeem
##### Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:
- a. de aanwijzing van de pedaalkracht geschiedt in Newton (N);
- b. de meter heeft een bereik van 0 N tot ten minste 700 N;
- c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
- d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht bedraagt:
- 1°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
- 2°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht;
- 3°. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
- e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **gemiddelde waarde:** rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **resulterende meetwaarde:** gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;
- **standaanwijsinrichting:** aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
- **grenswaarde van de standaanwijsinrichting:** door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
- **justeerinrichting:** inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
- **standcorrectie-inrichting:** inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
##### Artikel 8.4.30
De handleiding behorende bij de remvertragingsmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter, waarbij nader wordt belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
- b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;
- c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;
- d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
##### Artikel 8.4.31
1. De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.
2. De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting, tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
##### Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
- b. de remvertragingsmeter is voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan, indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;
- b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;
- c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
- d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden, indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s2.
##### Artikel 8.4.34
1. De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt 0,1 m/s2.
2. De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
3. De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
4. De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
5. De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie, bedoeld in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2018-01-01&g=2018-01-01), bedraagt 0,02 m/s2.
##### Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
##### Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat ten minste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.
##### Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
##### Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.
##### Artikel 8.4.39
1. De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over ten minste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
2. Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
3. Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.
4. Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie, bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.
##### Artikel 8.4.40
1. Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2018-01-01&g=2018-01-01), of de eis in [artikel 8.4.34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.34&z=2018-01-01&g=2018-01-01), moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
2. De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
##### Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
- a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;
- b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
- c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
- 1°. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen am);
- 2°. bepaal met een interval van 0,1 seconde de vijf gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a1, a2, a3, a4 en a5) en de vijf gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a6, a7, a8, a9 en a10);
- 3°. voer de volgende zes berekeningen uit:
- i. (a1+a2+a3+a4+a5+am)/6;
- ii. (a2+a3+a4+a5+am+a6)/6;
- iii. (a3+a4+a5+am+a6+a7)/6;
- iv. (a4+a5+am+a6+a7+a8)/6;
- v. (a5+am+a6+a7+a8+a9)/6;
- vi. (am+a6+a7+a8+a9+a10)/6;
- 4°. de hoogste van de onder 3° berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde, waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die ten minste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.
- d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde vóór de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, maximaal 1 m/s2 bedraagt.
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **rollenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
- **gemiddelde waarde:** rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **remkracht:** tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **ingestuurde druk:** druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;
- **resulterende meetwaarde:** door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **extrapolatie-inrichting:** inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
- **extrapolatiedruk (PX):** waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;
- **extrapolatiewaarde:** met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;
- **extrapolatiedruk (PEX):** gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
- **rotatieperiode:** tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
- **remkrachthelling:** verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;
- **berekende remvertraging:** door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;
- **rolweerstand:** kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;
- **klasse I rollenremtestbank:** rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mits de asdruk van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals aangegeven op de rollenremtestbank;
- **klasse II rollenremtestbank:** rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg;
- **klasse I/II rollenremtestbank:** rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste voldoet aan de begripsbepaling van ‘klasse I rollenremtestbank’ en het tweede aan de begripsbepaling van ‘klasse II rollenremtestbank’.
##### Artikel 8.4.43
De handleiding behorende bij de rollenremtestbank bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), de beperkingen in het gebruik en betekenis van de berekende remvertraging.
##### Artikel 8.4.44
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01), wordt een verzegeling aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
##### Artikel 8.4.46
1. Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
##### Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) respectievelijk [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van deze afdeling.
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten, bedoeld in [artikel 8.4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
##### Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde, genoemd in [artikel 8.4.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de in de [paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01) aan remkracht gestelde eisen, van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
##### Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
##### Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan een zesde maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
##### Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, bedoeld in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
#### § 3.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
##### Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
##### Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde, bedoeld in [artikel 8.4.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.69&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en M de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
##### Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd, indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis, bedoeld in [artikel 8.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.2&artikel=8.4.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
3. Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting, bedoeld in [artikel 8.4.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties, alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, in de momentele waarde zichtbaar zijn.
##### Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
##### Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
##### Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, bedoeld in [artikel 8.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd, indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de hoogst gemiddelde waarde, bedoeld onder 1°, met een tolerantie van 2,5%.
##### Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
**N** i het ingangssignaal van het filter;
**N** u het uitgangssignaal van het filter;
**t** de tijd in seconden;
τ de filterconstante in seconden;
De nominale waarde voor τ hierin is:
De tolerantie van de karakteristiek van het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.
De overeenkomstige karakteristiek in numerieke vorm wordt weergegeven door:
**Y** n = (1 – δ ) * **X**n + δ * **Y**n–1
Hierin geldt voor δ de volgende waarde:
δ = 10 –ts
In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.
5. De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
#### E. Wagens
##### Artikel 8.4.5
Het optisch systeem voldoet aan de volgende eisen:
- a. de toegepaste lichtbron is hetzij een gloeilamp, waarvan de kleurtemperatuur een waarde moet hebben die tussen 2800 K en 3250 K ligt, hetzij een diode die licht emitteert met een golflengte- piekwaarde tussen de 550 nm en 570 nm;
- b. indien als lichtbron een gloeilamp wordt gebruikt, komt de spectrale gevoeligheidskarakteristiek van de foto-elektrische cel overeen met de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog;
- c. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat uitwendige lichtbronnen en interne reflecties geen storende invloed hebben op de juiste werking van de roetmeter;
- d. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat herhaalde reflectie tussen het optisch filter en andere reflecterende oppervlakken een verwaarloosbare invloed heeft op de effectieve waarde van het optisch filter, tenzij deze reflecties een bekende en stabiele bijdrage hebben in deze effectieve waarde van het filter en geen storende invloed hebben op de controle van de lineariteit;
- e. de opbouw van het optisch systeem dient zodanig te zijn dat regelmatige reiniging, indien noodzakelijk, door de gebruiker op een eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd, zonder risico dat de juiste werking van de roetmeter hierdoor nadelig wordt beïnvloed.
#### § 2.2. Certificaten
##### Artikel 8.4.6
1. Een meetcuvet wordt op een temperatuur gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van dat cuvet een verwaarloosbare invloed heeft.
2. De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsiesnelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan hetgeen gesteld is in het vierde lid.
3. De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten bij omgevingstemperaturen boven –10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.
4. Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
##### Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar, mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
##### Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de referentiewaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
##### Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde voldoet aan de eisen in [paragraaf 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), met uitzondering van [artikel 8.4.65, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.65&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
#### § 1.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01);
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa onderscheidenlijk de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in [artikel 8.4.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in [artikel 8.4.64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.64&z=2018-01-01&g=2018-01-01);
- g. de waarschuwing, bedoeld in [artikel 8.4.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
2. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 4.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
2. Ten aanzien van rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid de maximale fout, in plus en in min, bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- b. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk 36 maanden na de datum van afgifte van het certificaat worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, moeten uiterlijk na 36 maanden na 1 februari 2004 voldoen aan de eisen in dit hoofdstuk, met uitzondering van de [artikelen 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01), 8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, [8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [8.4.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.56&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [8.4.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 8.4.57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van [artikel 8.4.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.62&z=2018-01-01&g=2018-01-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling ten minste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van [artikel 8.4.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.63&z=2018-01-01&g=2018-01-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.74
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **platenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht van de wielen van een afremmend voertuig op vlakke, horizontale meetplaten;
- **remkracht:** horizontaal op de meetplaten van de platenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **resulterende meetwaarde:** door de platenremtestbank aangewezen waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **meetperiode:** periode dat remkracht aanwezig is.
#### § 1.2.3. Optisch systeem
##### Artikel 8.4.7
1. Een in de uitlaat van het motorvoertuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan, indien de opening van de sonde zich op een afstand van ten minste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied, bedoeld in [artikel 8.3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01), geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
##### Artikel 8.4.8
1. De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
- a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), plaats kunnen vinden;
- b. de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden weergegeven.
2. De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand ‘ONGEFILTERDE PIEKWAARDE’, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
3. Andere functiestanden dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn slechts toegestaan voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
##### Artikel 8.4.9
De roetmeter is voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:
- a. in de functiestand ‘CONTROLE’ (of een gelijksoortige benaming) de ongecorrigeerde waarde van de opaciteit over het bereik van 0% tot 100%. De kleinste stap in de aangewezen waarde moet 0,1% bedragen;
- b. de piekwaarde van de gecorrigeerde absorptiecoefficiënt over het bereik van ten minste 0 m–1 tot 5,5 m–1. De kleinste stap in de aangewezen waarde mag niet meer dan 0,02 m–1 bedragen.
#### § 1.2.6. Functiestanden
##### Artikel 8.4.10
1. De roetmeter is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
- b. de informatie van het desbetreffende voertuig:
- 1°. de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
- 2°. de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
- c. de uitgangspunten:
- 1°. de soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
- 2°. de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
- d. de meetresultaten van de drie geldige meetcycli:
- 1°. de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste 5 seconden voor het gas geven;
- 2°. de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
2. Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
3. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 8.4.11
1. De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van dit hoofdstuk.
2. Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
##### Artikel 8.4.12
1. Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01), in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
2. De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
3. De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
- a. invoeren van de gegevens, bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01);
- b. automatische controle of:
- 1°. alle gegevens, bedoeld in onderdeel a, zijn ingevoerd;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
- 4°. het afregeltoerental gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt;
- c. indien de resultaten van de onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de testprocedure vrijgeven;
- d. nadat het stationair toerental na een periode van ten minste 10 seconden gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het gaspedaal moet worden ingedrukt;
- e. nadat het afregeltoerental 2 seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet worden losgelaten;
- f. de roetmeter geeft aan dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1. In dit geval is de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de eerste als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, worden de punten d en e automatisch eenmaal herhaald;
- g. automatisch, indien van toepassing, wordt het rekenkundig gemiddelde van de absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen berekend. Als de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of gelijk is aan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m–1. Als de berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,7 m–1. Indien blijkt dat de afwijking groter is dan 0,5 m–1 respectievelijk 0,7 m–1 moet de test een of meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens opnieuw wordt uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.12a
1. In afwijking van [artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01):
- a. mogen tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven de punten d en e van dat artikel ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
- b. kan het ten minste tweemaal automatisch herhalen van de punten d en e van dat artikel van toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven.
2. Roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1.
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.10. Meetprogramma
##### Artikel 8.4.13
##### Artikel 8.4.75
1. De platenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
2. De platenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
3. Met de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de platenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **toerenteller:** meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;
- **geïntegreerde toerenteller:** toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- **toerenopnemer:** onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.
##### Artikel 8.4.14
1. De handleiding behorende bij de toerenteller bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01):
- a. indien de toerenteller is voorzien van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;
- b. de wijze waarop de toerenopnemer op of bij de voertuigmotor wordt geplaatst.
2. Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 2.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.15
De maximale fout voor toerentellers bedraagt:
- a. 10 min-1 voor toerentallen kleiner dan 1.000 min-1; en
- b. 1% voor toerentallen gelijk aan of kleiner dan 1.000 min-1.
##### Artikel 8.4.16
1. De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.
2. De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.
3. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.
4. Het meetbereik van een toerenteller moet ten minste het gebied van 500 min–1 tot 6.000 min–1 omvatten.
##### Artikel 8.4.17
Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **olietemperatuurmeter:** meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;
- **geïntegreerde olietemperatuurmeter:** olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- **temperatuuropnemer:** onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
##### Artikel 8.4.19
1. De handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01):
- a. indien de olietemperatuurmeter is voorzien van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
- b. de wijze waarop de olietemperatuurmeter op of bij de voertuigmotor wordt geplaatst.
2. Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.20
De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt:
- a. 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C; en
- b. 8 °C voor het aanwijsbereik buiten het temperatuurgebied, genoemd onder a.
##### Artikel 8.4.21
1. De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
2. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.
3. Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet ten minste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.
##### Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
##### Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 1. Roetmeters
#### § 2.2. Certificaten
##### Artikel 8.4.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **manometer:** meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;
- **geïntegreerde manometer:** manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
##### Artikel 8.4.25
In afwijking van [artikel 8.3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is voor de manometer geen handleiding vereist.
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende eisen:
- a. de gemeten druk wordt weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
- b. de gemeten waarde wordt door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk aangegeven;
- c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:
- 1°. in geval van een aanwijsinrichting:
- i. voor nieuwe manometers:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 2%;
- ii. voor manometers die in gebruik zijn:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
- 2°. in geval van een registratie-inrichting:
- i. voor nieuwe manometers:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 4%;
- ii. voor manometers die in gebruik zijn:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 5%;
- d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.27
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **pedaalkrachtmeter:** meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.
#### § 1.2.3. Optisch systeem
##### Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:
- a. de aanwijzing van de pedaalkracht geschiedt in Newton (N);
- b. de meter heeft een bereik van 0 N tot ten minste 700 N;
- c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
- d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht bedraagt:
- 1°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
- 2°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht;
- 3°. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
- e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 2.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **gemiddelde waarde:** rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **resulterende meetwaarde:** gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;
- **standaanwijsinrichting:** aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
- **grenswaarde van de standaanwijsinrichting:** door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
- **justeerinrichting:** inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
- **standcorrectie-inrichting:** inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
##### Artikel 8.4.30
De handleiding behorende bij de remvertragingsmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter, waarbij nader wordt belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
- b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;
- c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;
- d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.
#### § 2.2. Certificaten
##### Artikel 8.4.31
1. De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.
2. De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting, tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
##### Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
- b. de remvertragingsmeter is voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan, indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;
- b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;
- c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
- d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt, die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s2.
##### Artikel 8.4.34
1. De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt: 0,1 m/s2.
2. De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
3. De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
4. De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
5. De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie, bedoeld in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2017-10-01&g=2017-10-01), bedraagt 0,02 m/s2.
##### Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
##### Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat ten minste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.
##### Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
##### Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.
##### Artikel 8.4.39
1. De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over ten minste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
2. Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
3. Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.
4. Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie, bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.
##### Artikel 8.4.40
1. Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2017-10-01&g=2017-10-01), of de eis in [artikel 8.4.34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.34&z=2017-10-01&g=2017-10-01), moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
2. De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
##### Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
- a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;
- b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
- c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
- 1°. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a);
- 2°. bepaal met een interval van 0,1 seconde de vijf gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a) en de 5 gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a);
- 3°. voer de volgende zes berekeningen uit:
- i. (a+a+a+a+a+am)/6;
- ii. (a+a+a+a+am+a)/6;
- iii. (a+a+a+a+a+a)/6;
- iv. (a+a+a+a+a+a)/6;
- v. (a+a+a+a+a+a)/6;
- vi. (a+a+a+a+a+a)/6;
- 4°. de hoogste van de onder 3° berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die ten minste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.
- d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde voor de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, 1 m/s2 bedraagt.
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **rollenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
- **gemiddelde waarde:** rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **remkracht:** tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **ingestuurde druk:** druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;
- **resulterende meetwaarde:** door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **extrapolatie-inrichting:** inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
- **extrapolatiedruk (PX):** waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;
- **extrapolatiewaarde:** met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;
- **extrapolatiedruk (PEX):** gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
- **rotatieperiode:** tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
- **remkrachthelling:** verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;
- **berekende remvertraging:** door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;
- **rolweerstand:** kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;
- **klasse I rollenremtestbank:** rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, mits de asdruk van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals aangegeven op de rollenremtestbank;
- **klasse II rollenremtestbank:** rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kg;
- **klasse I/II rollenremtestbank:** rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste aan de definitie geldend voor een klasse I rollenremtestbank en het tweede aan de definitie voor een klasse II rollenremtestbank voldoet.
##### Artikel 8.4.43
De handleiding behorende bij de rollenremtestbank bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), de beperkingen in het gebruik en betekenis van de berekende remvertraging.
##### Artikel 8.4.44
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01), wordt een verzegeling aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
##### Artikel 8.4.46
1. Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
##### Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) respectievelijk [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van deze afdeling.
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten, bedoeld in [artikel 8.4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
##### Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde, genoemd in [artikel 8.4.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
- **automatische controle-inrichting:** controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;
- **automatische justeerinrichting:** voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;
- **CO:** koolmonoxide;
- **CO2:** kooldioxide;
- **controle-inrichting:** voorziening, ingebouwd in een instrument, die het mogelijk maakt om significante fouten vast te stellen en daarop te reageren. Onder ‘reageren op’ wordt hier elke duidelijke reactie van het instrument verstaan, zoals een waarschuwingslamp, een geluidssignaal of het afbreken van de meting;
- **filter:** voorziening die bepaalde bestanddelen uit het uitlaatgasmonster verwijdert;
- **gasbehandelingssysteem:** alle delen van het instrument, van de sonde tot de afvoer van de gasmonsters, waardoor het monster van het uitlaatgas wordt gepompt;
- **HC:** n-hexaan: koolwaterstoffen;
- **interne justeerinrichting:** voorziening om het instrument af te regelen op een vastgestelde waarde zonder gebruik te maken van een kalibratiegas;
- **justeerinrichting met kalibratiegas:** voorziening om het instrument af te regelen op de waarde van een kalibratiegas;
- **kalibratiegas:** stabiel gasmengsel met bekende samenstelling, gebruikt voor de periodieke controle en diverse keuringen van het instrument;
- **lambda:** dimensieloos getal dat een maat is voor de volledigheid van de verbranding in een motor, uitgedrukt als de verhouding van lucht en brandstof in de uitlaatgassen. De waarde wordt vastgesteld met een vastgestelde formule;
- **nulstelinrichting:** voorziening om de aanwijzing van het instrument op nul in te stellen;
- **opwarmtijd:** tijd die verstrijkt tussen het moment dat het instrument onder spanning wordt gebracht en het moment waarop het instrument kan voldoen aan de metrologische eisen;
- **O2:** zuurstof;
- **referentie-omstandigheden:** gebruiksomstandigheden, voorgeschreven voor het onderzoek naar de prestaties van een instrument, of voor de vergelijking van meetresultaten;
- **responsietijd:** tijdsinterval tussen het moment waarop het instrument wordt onderworpen aan een voorgeschreven plotselinge verandering in de samenstelling van een gasmengsel en het moment dat de aanwijzing binnen voorgeschreven grenzen overeenkomt met de uiteindelijke stabiele waarde;
- **semi-automatische justeerinrichting:** voorziening die de gebruiker in staat stelt een justering van het instrument te starten zonder daarbij de mogelijkheid te hebben de grootte van de justering te beïnvloeden, ongeacht of de justering automatisch wordt vereist. Bij die instrumenten waarbij de waarden van de volume-bestanddelen van het standaard gasmengsel met de hand in het instrument moeten worden ingevoerd, wordt deze voorziening geacht semi-automatisch te zijn;
- **sonde:** deel van het gasbehandelingssysteem dat in de uitlaat van een voertuig wordt geschoven voor het nemen van gasmonsters;
- **uitlaatgastester:** meetmiddel, bestemd voor het meten van het gehalte CO en van lambda van de uitlaatgassen, afkomstig van draaiende motoren met elektrische ontsteking van in gebruik zijnde motorvoertuigen, en dat het meetresultaat van CO direct in volumeprocenten aangeeft, al dan niet tezamen met het volumegehalte van andere, in de uitlaatgassen voorkomende bestanddelen;
- **waterafscheider:** inrichting die zoveel water verwijdert dat in het gasbehandelingssysteem daarachter condensatie wordt voorkomen.
##### Artikel 8.4.78
Uitlaatgastesters uitsluitend ingericht voor het meten van koolmonoxide die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de meting van CO2 HC, O2, en lambda.
##### Artikel 8.4.79
De handleiding behorende bij de uitlaatgastester bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01):
- a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;
- b. de tijdsintervallen tussen de automatische controles op gaskalibratie en lek;
- c. een beschrijving van de procedure voor de lektest. Deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het in [artikel 8.4.85, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.3&sub-paragraaf=9.3.1&artikel=8.4.85&z=2018-01-01&g=2018-01-01), gespecificeerde lek te detecteren;
- d. een instructie aan de gebruiker dat voorafgaande aan elke HC-meting een controle op het HC-residu moet plaatsvinden, inclusief een beschrijving van de procedure voor de controle op het HC-residu;
- e. de maximale en minimale opslagtemperatuur;
- f. een opgave van de gebruiksomstandigheden;
- g. indien een lambdawaarde wordt berekend, een beschrijving van de toegepaste berekening; en
- h. een instructie voor de vervanging van de zuurstofbrandstofcel.
##### Artikel 8.4.80
1. De uitlaatgastester is, naast de in [artikel 8.3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01), vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het merk en type van de zuurstofbrandstofcel.
2. Bij elke uitlaatgastester is de waarde van de propaan-equivalentiefactor (PEF) aangebracht op de voorzijde van het instrument of moet zichtbaar gemaakt kunnen worden op de aanwijsinrichting.
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de in de [paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01) aan remkracht gestelde eisen, van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
##### Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
##### Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan een zesde maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
##### Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, genoemd in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, genoemd in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, genoemd in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
#### § 3.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
##### Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
##### Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde, bedoeld in [artikel 8.4.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.69&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en M is de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister of op de kentekencard, dan wel het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld in het kentekenregister of op de kentekencard, dan wel het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
##### Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd, indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis gesteld in [artikel 8.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.2&artikel=8.4.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
3. Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting, bedoeld in [artikel 8.4.57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.
##### Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
##### Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
##### Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, bedoeld in [artikel 8.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd, indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de hoogst gemiddelde waarde, bedoeld onder 1°, met een tolerantie van 2,5%.
##### Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
##### Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar, mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
##### Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de referentiewaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
##### Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde voldoet aan de eisen in [paragraaf 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), met uitzondering van [artikel 8.4.65, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.65&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
#### § 6.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01);
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa onderscheidenlijk de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in [artikel 8.4.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in [artikel 8.4.64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.64&z=2017-10-01&g=2017-10-01);
- g. de waarschuwing, bedoeld in [artikel 8.4.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
2. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 4.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
2. Ten aanzien van rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid de maximale fout, in plus en in min, bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- b. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk 36 maanden na de datum van afgifte van het certificaat worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, moeten uiterlijk na 36 maanden na 1 februari 2004 voldoen aan de eisen in dit hoofdstuk, met uitzondering van de [artikelen 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01), 8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, [8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [8.4.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.56&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [8.4.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 8.4.57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van [artikel 8.4.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.62&z=2017-10-01&g=2017-10-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling ten minste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van [artikel 8.4.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.63&z=2017-10-01&g=2017-10-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.74
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **platenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht van de wielen van een afremmend voertuig op vlakke, horizontale meetplaten;
- **remkracht:** horizontaal op de meetplaten van de platenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **resulterende meetwaarde:** door de platenremtestbank aangewezen waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **meetperiode:** periode dat remkracht aanwezig is.
#### § 2.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.75
1. De platenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
2. De platenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
3. Met de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de platenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **automatische controle-inrichting:** controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;
- **automatische justeerinrichting:** voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;
- **CO:** koolmonoxide;
- **CO2:** kooldioxide;
- **controle-inrichting:** voorziening, ingebouwd in een instrument, die het mogelijk maakt om significante fouten vast te stellen en daarop te reageren. Onder ‘reageren op’ wordt hier elke duidelijke reactie van het instrument verstaan, zoals een waarschuwingslamp, een geluidssignaal of het afbreken van de meting;
- **filter:** voorziening die bepaalde bestanddelen uit het uitlaatgasmonster verwijdert;
- **gasbehandelingssysteem:** alle delen van het instrument, van de sonde tot de afvoer van de gasmonsters, waardoor het monster van het uitlaatgas wordt gepompt;
- **HC:** n-hexaan: koolwaterstoffen;
- **interne justeerinrichting:** voorziening om het instrument af te regelen op een vastgestelde waarde zonder gebruik te maken van een kalibratiegas;
- **justeerinrichting met kalibratiegas:** voorziening om het instrument af te regelen op de waarde van een kalibratiegas;
- **kalibratiegas:** stabiel gasmengsel met bekende samenstelling, gebruikt voor de periodieke controle en diverse keuringen van het instrument;
- **lambda:** dimensieloos getal dat een maat is voor de volledigheid van de verbranding in een motor, uitgedrukt als de verhouding van lucht en brandstof in de uitlaatgassen. De waarde wordt vastgesteld met een vastgestelde formule;
- **nulstelinrichting:** voorziening om de aanwijzing van het instrument op nul in te stellen;
- **opwarmtijd:** tijd die verstrijkt tussen het moment dat het instrument onder spanning wordt gebracht en het moment waarop het instrument kan voldoen aan de metrologische eisen;
- **O2:** zuurstof;
- **referentie-omstandigheden:** gebruiksomstandigheden, voorgeschreven voor het onderzoek naar de prestaties van een instrument, of voor de vergelijking van meetresultaten;
- **responsietijd:** tijdsinterval tussen het moment waarop het instrument wordt onderworpen aan een voorgeschreven plotselinge verandering in de samenstelling van een gasmengsel en het moment dat de aanwijzing binnen voorgeschreven grenzen overeenkomt met de uiteindelijke stabiele waarde;
- **semi-automatische justeerinrichting:** voorziening die de gebruiker in staat stelt een justering van het instrument te starten zonder daarbij de mogelijkheid te hebben de grootte van de justering te beïnvloeden, ongeacht of de justering automatisch wordt vereist. Bij die instrumenten waarbij de waarden van de volume-bestanddelen van het standaard gasmengsel met de hand in het instrument moeten worden ingevoerd, wordt deze voorziening geacht semi-automatisch te zijn;
- **sonde:** deel van het gasbehandelingssysteem dat in de uitlaat van een voertuig wordt geschoven voor het nemen van gasmonsters;
- **uitlaatgastester:** meetmiddel, bestemd voor het meten van het gehalte CO en van lambda van de uitlaatgassen, afkomstig van draaiende motoren met elektrische ontsteking van in gebruik zijnde motorvoertuigen, en dat het meetresultaat van CO direct in volumeprocenten aangeeft, al dan niet tezamen met het volumegehalte van andere, in de uitlaatgassen voorkomende bestanddelen;
- **waterafscheider:** inrichting die zoveel water verwijdert dat in het gasbehandelingssysteem daarachter condensatie wordt voorkomen.
##### Artikel 8.4.78
Uitlaatgastesters uitsluitend ingericht voor het meten van koolmonoxide die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de meting van CO2 HC, O2, en lambda.
##### Artikel 8.4.79
De handleiding behorende bij de uitlaatgastester bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01):
- a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;
- b. de tijdsintervallen tussen de automatische controles op gaskalibratie en lek;
- c. een beschrijving van de procedure voor de lektest. Deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het in [artikel 8.4.85, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.3&sub-paragraaf=9.3.1&artikel=8.4.85&z=2017-10-01&g=2017-10-01), gespecificeerde lek te detecteren;
- d. een instructie aan de gebruiker dat voorafgaande aan elke HC-meting een controle op het HC-residu moet plaatsvinden, inclusief een beschrijving van de procedure voor de controle op het HC-residu;
- e. de maximale en minimale opslagtemperatuur;
- f. een opgave van de gebruiksomstandigheden;
- g. indien een lambdawaarde wordt berekend, een beschrijving van de toegepaste berekening; en
- h. een instructie voor de vervanging van de zuurstofbrandstofcel.
##### Artikel 8.4.80
1. De uitlaatgastester is, naast de in [artikel 8.3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01), vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het merk en type van de zuurstofbrandstofcel.
2. Bij elke uitlaatgastester is de waarde van de propaan-equivalentiefactor (PEF) aangebracht op de voorzijde van het instrument of moet zichtbaar gemaakt kunnen worden op de aanwijsinrichting.
#### § 3.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.81
@@ -10367,11 +10410,11 @@
##### Artikel 8.4.84
1. De maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, bedoeld in [artikel 8.4.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.83&z=2017-10-01&g=2017-10-01), worden onder de volgende condities niet overschreden:
- a. de gebruiksomstandigheden, bedoeld in [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01);
- b. relatieve luchtvochtigheid: tot 90% R.V.;
1. De maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, bedoeld in [artikel 8.4.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.83&z=2018-01-01&g=2018-01-01), worden onder de volgende condities niet overschreden:
- a. de gebruiksomstandigheden, bedoeld in [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01);
- b. relatieve luchtvochtigheid: tot 90%;
- c. atmosferische druk: (860 – 1060) hPa.
@@ -10379,7 +10422,7 @@
- a. temperatuur (20 ± 2) °C;
- b. relatieve luchtvochtigheid: (55 ± 5)% R.V.;
- b. relatieve luchtvochtigheid: (55 ± 5)%;
- c. atmosferische druk: stabiele omgevingsdruk;
@@ -10391,7 +10434,7 @@
4. De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de maximale fout bij eerste keuring onder gebruiksomstandigheden of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
- a. de invloeden, bedoeld in [artikel 8.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01);
- a. de invloeden, bedoeld in [artikel 8.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01);
- b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val over 25 mm door een der hoekpunten op een vast oppervlak.
@@ -10403,7 +10446,7 @@
6. Na afloop van de opwarmtijd voldoet het instrument aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. De instrumenten zijn voorzien van een voorziening waardoor wordt voorkomen dat er een aanwijzing van gemeten gascomponenten plaatsvindt gedurende de opwarmtijd.
7. Het bestanddeel hydrocarbonaten wordt uitgedrukt in ppm vol n-hexaan (C₆H14) equivalent. De justering mag worden uitgevoerd met behulp van propaan (C2H2). Daartoe is een conversie-factor, die wordt aangeduid als ‘C3/C6-factor’ of ‘PEF’ (Propaan-equivalentiefactor), permanent en duidelijk zichtbaar op het instrument aangebracht, dan wel eenvoudig zijn op te roepen op de aanwijzing. De waarde van deze conversiefactor wordt door de fabrikant voor elk instrument opgegeven in drie significante cijfers. Als de gassensor wordt vervangen of gerepareerd, wordt een nieuwe conversiefactor op het instrument aangebracht.
7. Het bestanddeel hydrocarbonaten wordt uitgedrukt in ppm vol n-hexaan (C₆H14) equivalent. De justering mag worden uitgevoerd met behulp van propaan (C2H2). Daartoe is een conversie-factor, die wordt aangeduid als ‘C3/C6-factor’ of ‘PEF’ (Propaan-equivalentiefactor), permanent en duidelijk zichtbaar op het instrument aangebracht, dan wel eenvoudig zijn op te roepen op de aanwijzing. De waarde van deze conversiefactor wordt door de fabrikant voor elk instrument opgegeven in drie significante cijfers. Indien de gassensor wordt vervangen of gerepareerd, wordt een nieuwe conversiefactor op het instrument aangebracht.
8. Instrumenten die zijn uitgevoerd met een aanwijzing van de lambdawaarde, voeren de betreffende berekening uit met behulp van de volgende formule:
@@ -10422,87 +10465,87 @@
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 1.2.10. Meetprogramma
##### Artikel 8.4.85
1. Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.
2. De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.
3. Het gasbehandelingssysteem is voorzien van een filter, met regenereerbare of verwisselbare elementen, dat bestanddelen met een diameter groter dan 5μm verwijderd. Het instrument moet gedurende ten minste een half uur kunnen worden gebruikt met uitlaatgas van een automotor dat een HC-bestanddeel van ca. 800 ppm vol bevat. Het moet mogelijk zijn de mate van vervuiling van het filter vast te stellen zonder dat dit verwijderd moet worden. Filterelementen moeten, indien nodig, eenvoudig en zonder gebruik van speciaal gereedschap kunnen worden vervangen.
4. Het gasbehandelingssysteem bevat een waterafscheider, die:
- a. voorkomt dat water voorbij deze waterafscheider op oppervlakken in het instrument condenseert;
- b. automatisch wordt geleegd.
5. Het gasbehandelingssysteem is, behalve van een aansluiting voor de sonde, voorzien van afzonderlijke aansluitingen voor:
- a. de toevoer van omgevingslucht als referentie voor de nulstelling van het instrument;
- b. de toevoer van het kalibratiegas.
Deze aansluitingen zijn achter de waterafscheider en het filter geplaatst opdat de vervuiling van het toegevoerde gas minimaal is. Indien bij een instrument omgevingslucht wordt gebruikt, wordt deze door een afzonderlijk koolstoffilter of een gelijkwaardig systeem gevoerd. Er is een voorziening om de druk binnen de detector gedurende nulstellen, gaskalibratie en monstername gelijk te houden.
6. De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:
- a. is zodanig gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;
- b. kan onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een uitgeschakelde pomp.
7. Het instrument bevat een inrichting, waarmee wordt aangegeven wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:
- a. de responsietijd wordt overschreden, of
- b. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden.
Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.
8. Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan:
- a. voor CO, CO2 en HC: de helft van de absolute waarde van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden;
- b. voor O2: 0,1% vol.
Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.86
Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller, mits deze voldoet aan de eisen gesteld in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van deze afdeling.
#### § 4.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.87
1. Indien het instrument is uitgevoerd met één of meer automatische controle-inrichtingen, moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.
2. Bij een uitlaatgastester is, door middel van een controle-inrichting voor het vaststellen van restanten HC-gas, gewaarborgd dat, voordat een meting kan plaatsvinden, de aangewezen waarde voor een monster omgevingslucht door de sonde minder is dan 20 ppm vol hexaan.
3. Een instrument met een O2-kanaal is uitgevoerd met een voorziening die verouderen van de sensor automatisch detecteert.
#### § 3.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.88
1. Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering, vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting waarmee uitsluitend een nulstelling kan plaatsvinden.
2. Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.
3. Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
4. Als tijdelijke voorwaarde als bedoeld in [artikel 8.1.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01), geldt dat een instrument moet worden gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval gelijk aan de helft van de periode die op grond van [artikel 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven als beoogd justeerinterval.
Deze tijdelijke voorwaarde wordt omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek als bedoeld in [artikel 8.1.11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01), verricht aan vijf verzegelde instrumenten geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum van drie controles.
5. Indien bij dit onderzoek gedurende het beoogde justeerinterval blijkt dat:
- a. alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, wordt het definitieve justeerinterval vastgesteld op het beoogde justeerinterval;
- b. één of meer instrumenten niet voldoen aan de eisen voor de maximale fout onder gebruiksomstandigheden, blijft het tijdelijk vastgestelde justeerinterval, bedoeld in het vierde lid, van kracht, tenzij één of meer instrumenten reeds binnen de periode van dit tijdelijk vastgestelde justeerinterval niet aan deze eisen voldoen. In dit geval wordt een nieuw tijdelijk vastgesteld justeerinterval van kracht gelijk aan de helft van de periode waarin alle instrumenten aan deze eisen bleken te voldoen. In elk geval wordt hierna een nieuw onderzoek uitgevoerd overeenkomstig het vierde lid, echter voor een beoogd justeerinterval gelijk aan het gehele aantal maanden waarvoor alle instrumenten in het voorgaande onderzoek aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden bleken te voldoen.
#### § 2.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.85
1. Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.
2. De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.
3. Het gasbehandelingssysteem is voorzien van een filter, met regenereerbare of verwisselbare elementen, dat bestanddelen met een diameter groter dan 5μm verwijderd. Het instrument moet gedurende ten minste een half uur kunnen worden gebruikt met uitlaatgas van een automotor dat een HC-bestanddeel van ca. 800 ppm vol bevat. Het moet mogelijk zijn de mate van vervuiling van het filter vast te stellen zonder dat dit verwijderd moet worden. Filterelementen moeten, indien nodig, eenvoudig en zonder gebruik van speciaal gereedschap kunnen worden vervangen.
4. Het gasbehandelingssysteem bevat een waterafscheider, die:
- a. voorkomt dat water voorbij deze waterafscheider op oppervlakken in het instrument condenseert;
- b. automatisch wordt geleegd.
5. Het gasbehandelingssysteem is, behalve van een aansluiting voor de sonde, voorzien van afzonderlijke aansluitingen voor:
- a. de toevoer van omgevingslucht als referentie voor de nulstelling van het instrument;
- b. de toevoer van het kalibratiegas.
Deze aansluitingen zijn achter de waterafscheider en het filter geplaatst opdat de vervuiling van het toegevoerde gas minimaal is. Indien bij een instrument omgevingslucht wordt gebruikt, wordt deze door een afzonderlijk koolstoffilter of een gelijkwaardig systeem gevoerd. Er is een voorziening om de druk binnen de detector gedurende nulstellen, gaskalibratie en monstername gelijk te houden.
6. De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:
- a. is zodanig gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;
- b. kan onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een uitgeschakelde pomp.
7. Het instrument bevat een inrichting, waarmee wordt aangegeven wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:
- a. de responsietijd wordt overschreden, of
- b. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden.
Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.
8. Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan:
- a. voor CO, CO2 en HC: de helft van de absolute waarde van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden;
- b. voor O2: 0,1% vol.
Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.86
Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller, mits deze voldoet aan de eisen gesteld in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van deze afdeling.
#### § 4.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.87
1. Indien het instrument is uitgevoerd met één of meer automatische controle-inrichtingen, moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.
2. Bij een uitlaatgastester is, door middel van een controle-inrichting voor het vaststellen van restanten HC-gas, gewaarborgd dat, voordat een meting kan plaatsvinden, de aangewezen waarde voor een monster omgevingslucht door de sonde minder is dan 20 ppm vol hexaan.
3. Een instrument met een O2-kanaal is uitgevoerd met een voorziening die verouderen van de sensor automatisch detecteert.
#### § 3.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.88
1. Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering, vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting waarmee uitsluitend een nulstelling kan plaatsvinden.
2. Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.
3. Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
4. Als tijdelijke voorwaarde als bedoeld in [artikel 8.1.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01), geldt dat een instrument moet worden gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval gelijk aan de helft van de periode die op grond van [artikel 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01), door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven als beoogd justeerinterval.
Deze tijdelijke voorwaarde wordt omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek als bedoeld in [artikel 8.1.11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2017-10-01&g=2017-10-01), verricht aan vijf verzegelde instrumenten geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum van drie controles.
5. Indien bij dit onderzoek gedurende het beoogde justeerinterval blijkt dat:
- a. alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, wordt het definitieve justeerinterval vastgesteld op het beoogde justeerinterval;
- b. één of meer instrumenten niet voldoen aan de eisen voor de maximale fout onder gebruiksomstandigheden, blijft het tijdelijk vastgestelde justeerinterval, bedoeld in het vierde lid, van kracht, tenzij één of meer instrumenten reeds binnen de periode van dit tijdelijk vastgestelde justeerinterval niet aan deze eisen voldoen. In dit geval wordt een nieuw tijdelijk vastgesteld justeerinterval van kracht gelijk aan de helft van de periode waarin alle instrumenten aan deze eisen bleken te voldoen. In elk geval wordt hierna een nieuw onderzoek uitgevoerd overeenkomstig het vierde lid, echter voor een beoogd justeerinterval gelijk aan het gehele aantal maanden waarvoor alle instrumenten in het voorgaande onderzoek aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden bleken te voldoen.
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.89
@@ -10522,9 +10565,9 @@
De nominale waarde mag ten hoogste 15% afwijken van de vermelde concentraties. De maximale relatieve fout in de opgegeven concentraties bedraagt 2% voor de concentratie van C3H8 in mengsel 2 en 1% voor de overige concentraties.
2. Een gecertificeerd kalibratiegas is vervaardigd door een ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01) erkende inrichting.
3. Een fles met gecertificeerd kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop ten minste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van de ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01) erkende inrichting is vastgelegd.
2. Een gecertificeerd kalibratiegas is vervaardigd door een ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01) erkende inrichting.
3. Een fles met gecertificeerd kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop ten minste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van de ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01) erkende inrichting is vastgelegd.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
@@ -10538,7 +10581,7 @@
- **resulterende meetwaarden:** door de bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd.
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 3.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.91
@@ -10566,7 +10609,7 @@
##### Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout, bedoeld in [artikel 8.4.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=10&sub-paragraaf=10.3&artikel=8.4.92&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout, bedoeld in [artikel 8.4.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=10&sub-paragraaf=10.3&artikel=8.4.92&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
##### Artikel 8.4.95
@@ -10632,2892 +10675,2895 @@
2. Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 6.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.104
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01), wordt, indien de bromfietsrollentestbank is bedoeld voor installatie in de vloer, een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
##### Artikel 8.4.105
De handleiding behorende bij de remvertragingsmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01):
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **geluidsniveaumeter:** precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in IEC61672-1:2002 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC), die ten minste voldoet aan de daarin ten aanzien van geluidsniveaumeters, klasse 1, gestelde eisen;
- **geluidsbron:** geluidsbron die ten minste voldoet aan de eisen voor geluidsbronnen, klasse 1, in IEC942:1998 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC).
##### Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron worden jaarlijks getoetst aan en gekalibreerd volgens de eisen, bedoeld in [artikel 8.4.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=11&sub-paragraaf=11.2&artikel=8.4.108&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
#### § 11.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron voldoen ten minste aan de eisen in [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157), ten bewijze waarvan verklaringen aanwezig zijn van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
##### Artikel 8.4.109
Vervallen
#### § 12. Koplamptestapparaten
##### Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een koplamp met ingeschakeld dimlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van de koplamp bevindt;
- b. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te zijn uitgevoerd of te kunnen worden versteld, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de koplampen voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- c. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet zodanig zijn dat koplampen waarvan de onderzijde zich ten minste 0,35 m en de bovenzijde ten hoogste 1,20 m boven het wegdek bevindt, met het apparaat kunnen worden gecontroleerd;
- d. het apparaat moet zijn voorzien van een inrichting waarmee het met een nauwkeurigheid van 5 graden in plus en in min ten opzichte van de lengtehartlijn van het voertuig kan worden gericht. Indien het apparaat is gemonteerd op rails, moet het ten opzichte van de rails ten minste 5 graden naar links en naar rechts kunnen zwenken;
- e. de afstelling van het apparaat moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.1
Onverminderd het bepaalde in [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), kan het ingevolge [artikel 149 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de [artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
#### § 7. Rollenremtestbanken
##### Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
#### § 8. Platenremtestbanken
##### Artikel 9.4
1. Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
2. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
##### Artikel 10.1
Overtreding van de [artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is een strafbaar feit.
##### Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van [artikel 5.1.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), of [artikel 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.1
1. [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) is wat betreft de EU-typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypes van toepassing met ingang van de in artikel 45, eerste en tweede lid, jo. bijlage XIX van deze richtlijn vermelde data.
2. [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) is wat betreft de EU-typegoedkeuring van nieuwe types systemen, onderdelen en technische eenheden van toepassing met ingang van de in artikel 45, zesde lid, van deze richtlijn vermelde datum.
##### Artikel 11.2
Een EU-typegoedkeuring voor voertuigen met de voertuigclassificatie M1, afgegeven vóór 29 april 2009, blijft op grond van artikel 45, vijfde lid, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) na de inwerkingtreding van deze regeling geldig en kan na deze datum worden uitgebreid op grond van deze regeling.
##### Artikel 11.3
1. Nationale typegoedkeuringen, afgegeven vóór 29 april 2009, blijven op grond van artikel 45, derde lid, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) geldig:
- a. voor voertuigen met de voertuigclassificatie M1 tot 29 oktober 2014, en
- b. voor de voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3, en de voertuigcategorieën N en O tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Vóór 29 april 2009 verleende nationale typegoedkeuringen voor een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting blijven geldig totdat op basis [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) zwaardere eisen worden gesteld aan deze onderdelen.
##### Artikel 11.4
1. Nationale typegoedkeuringen kunnen worden verleend tot de in bijlage XIX, derde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Nationale typegoedkeuringen als bedoeld in [artikel 11.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=11&artikel=11.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en 11.4, eerste lid, kunnen worden aangepast tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
3. Op de aanvraag, het verlenen en het aanpassen van een nationale typegoedkeuring alsmede het houden van toezicht daarop, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
4. Indien op basis van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) zwaardere eisen worden gesteld dan de eisen, bedoeld in het derde lid, komen deze zwaardere eisen daarvoor in de plaats.
##### Artikel 11.5
Indien een voor de inwerkingtreding van deze regeling verleende nationale typegoedkeuring vervalt, is [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11.6
Voor een uitlaatinrichting bestemd om te worden gemonteerd in een voertuig dat reeds op 1 april 2000 in gebruik was, kan een EU-typegoedkeuring worden verleend, indien die uitlaatinrichting voldoet aan de eisen, bedoeld in richtlijn 2007/46/EG in samenhang bezien met richtlijn 70/157/EEG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van dat voertuig.
##### Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die vóór 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 28 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd, dan wel waarvoor na 31 december 2013 inschrijving of tenaamstelling wordt gevraagd, blijven tot deze voertuigcategorie behoren, mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
##### Artikel 11.8
1. Voor middenasaanhangwagens waarvoor vóór 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
2. Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 28 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven vóór 29 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
##### Artikel 11.9
Indien na 28 april 2009 een beslissing wordt genomen op de aanvraag voor een kentekenbewijs die is ingediend vóór 29 april 2009, zijn op het voertuig de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
##### Artikel 11.10
Vervallen
##### Artikel 11.11
1. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=2&artikel=5.2.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [artikel 5.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=5&artikel=5.2.23&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [artikel 5.3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=5&artikel=5.3.23&z=2018-01-01&g=2018-01-01), of [artikel 5.4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=5&artikel=5.4.21&z=2018-01-01&g=2018-01-01), blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
2. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), worden voor de toepassing van [dat artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01) als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
3. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximummassa beladen voertuig’.
4. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’.
5. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
##### Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
##### Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van [richtlijn nr. 2002/85/EG](32002L0085) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van [Richtlijn 92/6/EEG](31992L0006) van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024) (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
##### Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247);
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van [richtlijn 2002/78/EG](32002L0078) door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
##### Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
##### Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### § 2. **Voertuigen**
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 1
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### § 2. **Voertuigen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 5. Identificatie
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 6. Nader onderzoek
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie L
### § 2. **Voertuigen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
### Artikel 5. Identificatie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-05-07&g=2017-05-07) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
### Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 11. Wijze van inslag
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
### Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2018-01-01&g=2018-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
### Artikel 5
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 7
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 1
### Artikel 2
### Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 2b
### Artikel 2c
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 1
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 5
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 2b
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 2d
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 4
### Artikel 5
### Artikel 6
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
### Artikel 8
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Annex 1. behorende bij artikel 4, tweede lid
### Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
### Annex 2. **behorende bij de artikelen 6, eerste lid, en 7, eerste lid**
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3**
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 9. **Uitgangen**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
### Artikel 5. **Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen**
### Artikel 6. **Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem**
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
### Artikel 8. **Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen**
### Artikel 9. **Uitgangen**
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 13. **Deuren; treden**
### Artikel 14. **Toegangen; bedrijfsdeuren**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
### Artikel 17. **Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 19. **Nooduitgangen in het dak; overige eisen**
### Artikel 20. **Nooduitgangen in het dak; toegang**
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### Artikel 22. **Noodramen; overige eisen**
### Artikel 23. **Noodramen; toegang**
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Artikel 24. **Hoofddoorgang**
### Artikel 25. **Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen**
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 26. **Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 27. **Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
### Artikel 30. **Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 33. **Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 35. **Bagageruimten**
### Artikel 36. **Ruiten**
### Artikel 4
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
### Artikel 38. **Ventilatie- en verwarmingsinrichtingen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
### Annex 4. behorende bij de artikelen 2a, vijfde lid, en 2b, eerste tot en met vijfde lid
### Individuele toelatingseisen voor elektrisch aangedreven en hybride elektrische voertuigen van de voertuigcategorieën L, M en N
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### § 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 2
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen
### Artikel 2
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 1
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 7
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 9
### Artikel 5
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
Op de retroreflector moet:
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
### Artikel 12
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens**
### Artikel 10
### Artikel 14
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 16
### Artikel 13
### Artikel 14
### Artikel 19
Op de retroreflector moet:
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
### Artikel 16
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 18
### Artikel 19
### Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 21
### Annex 2, behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid
### Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 23
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### Artikel 24
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
### Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
### I. **Sterkte bevestiging**
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### H. **Corrosieproef**
### I. **Sterkte bevestiging**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### A. **Proef waterpenetratie**
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### E. **Warmteproef**
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### G. **Corrosieproef**
### H. **Proef sterkte bevestiging**
### Annex 3. behorende bij de artikelen 23 en 24
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### B. **Proef waterpenetratie**
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
### Artikel 9
### Toelatingseisen taxi’s
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
### Artikel 4. **Doorgangen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
### Artikel 3
### Restantvoorraden
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
### Artikel 2
### Titel 1. **Algemeen**
### Artikel 3
### Artikel 1
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### Titel 1. **Algemeen**
### § 1. **Vaststelling afmetingen**
### Artikel 1
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 5
### § 3. **Kentekenplaat**
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
### Artikel 4
### Artikel 5
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 6
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 9
### Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 11
### Artikel 12
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 16
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 1. **Chassisraam**
### Artikel 14
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
### § 2. **Overige onderdelen**
### Artikel 16
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 22
### Artikel 18
### Afdeling 3. **Roetschadereparatie**
### Artikel 19
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 21
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen, moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in de lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld, bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
### Artikel 26
### Afdeling 3. **Roetschadereparatie**
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
### Artikel 33
Voertuigen met verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, welke gevoed wordt door benzine:
### Artikel 25
### Artikel 26
### Artikel 29
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 29a
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
### Afdeling 1. **Maximumconstructiesnelheid**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 29
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 29a
### Afdeling 2. **Geluid**
### § 1. **Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 31
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Afdeling 3. **Emissie**
### § 3. **Bromfietsen**
Remslangen mogen:
Voertuigen met verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, welke gevoed wordt door benzine:
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Vervallen.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Remslangen mogen:
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen, moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in onderstaande lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld, bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
### § 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD)
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
Vervallen.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen, moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in onderstaande lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld, bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Voertuigen met verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, welke gevoed wordt door benzine:
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
De aanduidingen ‘xx’ in de feitcodes staan voor alfanumerieke variabelen.
### Titel 4. **Assen**
### § 1. **Fusees**
### Artikel 46
### Artikel 47
Remslangen mogen:
### Artikel 48
### § 3. **Wiellagers**
### Artikel 49
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### § 1. **Loadindex**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Titel 6. **Stuurinrichting**
### § 1. **Stuurkoppeling**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2. **Stuurkogels**
### Artikel 52. **Maximale toegestane speling stuurkogels**
### Titel 7. **Reminrichting**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### § 1. **Remleiding**
Vervallen.
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
### § 2. **Remschijf**
### Artikel 54. **Remschijf**
### § 3. **Remslang**
### Artikel 55. **Remslang**
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 58. **Pedaal- en remkrachten**
### Artikel 62
### § 2. **Rollenremtestbank**
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
### Artikel 59. **Bepalen van de remvertraging**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 62
Vervallen.
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
aahw = remvertraging aanhangwagen;
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Vervallen.
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 77. Bepalen remvertraging
### Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 80
Vervallen.
### Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
### Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
### Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
### Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
### Artikel 98
### Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
### Artikel 101
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 102
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
### § 1. **Wielafscherming**
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
### Afdeling 1. **Voorruiten**
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
### Artikel 92
### Artikel 93
### Artikel 94
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
### Artikel 95
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 110
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
### Artikel 91
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
### Artikel 92
### Artikel 93
Vervallen.
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 93
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 98
Vervallen.
### Artikel 106
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### Artikel 96
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
Vervallen.
De breedtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 99
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
### Artikel 110
### Artikel 101
Vervallen.
### Afdeling 3. **Afscherming**
### § 1. **Wiel- en opspatafscherming**
Vervallen.
### Artikel 103
### Artikel 113
### Artikel 104
### Artikel 105
### Artikel 106
### Artikel 108
### Artikel 106a
Vervallen.
### Artikel 110
### Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 108
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 109
### Artikel 110
### Artikel 111
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
### Artikel 112
### Titel 9. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 113
### Artikel 114
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
### Artikel 115
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 116
### Artikel 126
### Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 118
Vervallen.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Vervallen.
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
### Artikel 123
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### Artikel 132
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
### Artikel 127
### Artikel 136
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### Artikel 127a
### Artikel 130
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Artikel 128
Vervallen.
### Artikel 129
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
### Artikel 130
De lengtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 131
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### Artikel 133
### Titel 2. **Carrosserie**
### § 1. **Linker- en rechterbuitenspiegel**
### Artikel 134
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
### Artikel 136
### Artikel 137
### Artikel 138
### Artikel 142
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### Artikel 143
### Artikel 140
### Artikel 144
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex 1, behorende bij artikel 4**
### § 2. **Troittoirspiegel**
### Artikel 142
### § 3. **Breedtespiegel**
### Artikel 143
### § 4. **Gezichtsveldverbeterende voorziening**
### Artikel 144
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### **Annex 3, behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
### Artikel 146
### Artikel 150
### Artikel 147
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
### Artikel 148
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 149
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### § 6. **Wijze van keuren**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 151
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### Artikel 152
Vervallen.
### Artikel 153
### **Annex 1, behorende bij de artikelen 5 tot en met 7**
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### **Annex 2, behorende bij artikel 15, eerste lid**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### **Annex 3, behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
### Artikel 1
### **Annex 4, behorende bij artikel 50, eerste lid**
### **Annex 5, behorende bij artikel 50, vierde lid**
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 6. Ophanging
#### § 0. Algemeen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 12. Diversen
#### § 8. Reminrichting
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
#### § 6. Ophanging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 3. Brandstofsystemen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.18.36c
1. Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig de [artikelen 5.3.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.3a.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), of [5.12.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd, mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt, worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
2. Manoeuvreerlichten mogen branden totdat het voertuig een snelheid heeft bereikt van 10 km/h.
##### Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens en samenstellen hiervan
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 8. Reminrichting
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of in een voertuig bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), opgenomen eisen.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 3. Reminrichting
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 6. Diversen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 1. Algemeen
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 3.1. Algemeen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2.1. Algemeen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.104
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01), wordt, indien de bromfietsrollentestbank is bedoeld voor installatie in de vloer, een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
##### Artikel 8.4.105
De handleiding behorende bij de remvertragingsmeter bevat naast de informatie, bedoeld in [artikel 8.3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01):
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 6.1. Algemeen
#### § 4. Manometers
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 5.1. Algemeen
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **geluidsniveaumeter:** precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in IEC61672-1:2002 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC), die ten minste voldoet aan de daarin ten aanzien van geluidsniveaumeters, klasse 1, gestelde eisen;
- **geluidsbron:** geluidsbron die ten minste voldoet aan de eisen voor geluidsbronnen, klasse 1, in IEC942:1998 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC).
##### Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron worden jaarlijks getoetst aan en gekalibreerd volgens de eisen, bedoeld in [artikel 8.4.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=11&sub-paragraaf=11.2&artikel=8.4.108&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
#### § 11.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron voldoen ten minste aan de eisen in [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157), ten bewijze waarvan verklaringen aanwezig zijn van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
##### Artikel 8.4.109
Vervallen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 12. Koplamptestapparaten
##### Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een koplamp met ingeschakeld dimlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van de koplamp bevindt;
- b. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te zijn uitgevoerd of te kunnen worden versteld, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de koplampen voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- c. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet zodanig zijn dat koplampen waarvan de onderzijde zich ten minste 0,35 m en de bovenzijde ten hoogste 1,20 m boven het wegdek bevindt, met het apparaat kunnen worden gecontroleerd;
- d. het apparaat moet zijn voorzien van een inrichting waarmee het met een nauwkeurigheid van 5 graden in plus en in min ten opzichte van de lengtehartlijn van het voertuig kan worden gericht. Indien het apparaat is gemonteerd op rails, moet het ten opzichte van de rails ten minste 5 graden naar links en naar rechts kunnen zwenken;
- e. de afstelling van het apparaat moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.1
Onverminderd het bepaalde in [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), kan het ingevolge [artikel 149 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de [artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
#### § 2. Aanvraag ontheffing
##### Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
#### § 8. Platenremtestbanken
##### Artikel 9.4
1. Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
2. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
##### Artikel 10.1
Overtreding van de [artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is een strafbaar feit.
##### Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van [artikel 5.1.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), of [artikel 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01) kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.1
1. [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) is wat betreft de EU-typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypes van toepassing met ingang van de in artikel 45, eerste en tweede lid, jo. bijlage XIX van deze richtlijn vermelde data.
2. [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) is wat betreft de EU-typegoedkeuring van nieuwe types systemen, onderdelen en technische eenheden van toepassing met ingang van de in artikel 45, zesde lid, van deze richtlijn vermelde datum.
##### Artikel 11.2
Een EU-typegoedkeuring voor voertuigen met de voertuigclassificatie M1, afgegeven vóór 29 april 2009, blijft op grond van artikel 45, vijfde lid, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) na de inwerkingtreding van deze regeling geldig en kan na deze datum worden uitgebreid op grond van deze regeling.
##### Artikel 11.3
1. Nationale typegoedkeuringen, afgegeven vóór 29 april 2009, blijven op grond van artikel 45, derde lid, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) geldig:
- a. voor voertuigen met de voertuigclassificatie M1 tot 29 oktober 2014, en
- b. voor de voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3, en de voertuigcategorieën N en O tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Vóór 29 april 2009 verleende nationale typegoedkeuringen voor een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting blijven geldig totdat op basis [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) zwaardere eisen worden gesteld aan deze onderdelen.
##### Artikel 11.4
1. Nationale typegoedkeuringen kunnen worden verleend tot de in bijlage XIX, derde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Nationale typegoedkeuringen als bedoeld in [artikel 11.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=11&artikel=11.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en 11.4, eerste lid, kunnen worden aangepast tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
3. Op de aanvraag, het verlenen en het aanpassen van een nationale typegoedkeuring alsmede het houden van toezicht daarop, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
4. Indien op basis van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) zwaardere eisen worden gesteld dan de eisen, bedoeld in het derde lid, komen deze zwaardere eisen daarvoor in de plaats.
##### Artikel 11.5
Indien een voor de inwerkingtreding van deze regeling verleende nationale typegoedkeuring vervalt, is [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11.6
Voor een uitlaatinrichting bestemd om te worden gemonteerd in een voertuig dat reeds op 1 april 2000 in gebruik was, kan een EU-typegoedkeuring worden verleend, indien die uitlaatinrichting voldoet aan de eisen, bedoeld in richtlijn 2007/46/EG in samenhang bezien met richtlijn 70/157/EEG, zoals die eisen luidden op de datum van eerste toelating van dat voertuig.
##### Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die vóór 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 28 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd, dan wel waarvoor na 31 december 2013 inschrijving of tenaamstelling wordt gevraagd, blijven tot deze voertuigcategorie behoren, mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
##### Artikel 11.8
1. Voor middenasaanhangwagens waarvoor vóór 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
2. Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 28 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven vóór 29 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
##### Artikel 11.9
Indien na 28 april 2009 een beslissing wordt genomen op de aanvraag voor een kentekenbewijs die is ingediend vóór 29 april 2009, zijn op het voertuig de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
##### Artikel 11.10
Vervallen
##### Artikel 11.11
1. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=2&artikel=5.2.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [artikel 5.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=5&artikel=5.2.23&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [artikel 5.3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=5&artikel=5.3.23&z=2017-10-01&g=2017-10-01), of [artikel 5.4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=5&artikel=5.4.21&z=2017-10-01&g=2017-10-01), blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
2. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), worden voor de toepassing van [dat artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01) als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
3. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximum massa beladen voertuig’.
4. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’.
5. Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
##### Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
##### Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van [richtlijn nr. 2002/85/EG](32002L0085) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van [Richtlijn 92/6/EEG](31992L0006) van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024) (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
##### Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247);
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van [richtlijn 2002/78/EG](32002L0078) door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
##### Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
##### Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2009-12-16&g=2009-12-16)
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 4. Het toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 5. Identificatie
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie wordt bepaald door het chassis.
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-05-07&g=2017-05-07) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
### Artikel 11. Wijze van inslag
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### § 2. **Voertuigen**
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Vervallen.
### Artikel 2a
### Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Artikel 2
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 9
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 1
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### § 2. **Voertuigen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 5. Identificatie
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 6. Nader onderzoek
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 5. Identificatie
### Artikel 6. Nader onderzoek
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie L
### Artikel 5. Identificatie
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-05-07&g=2017-05-07) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 11. Wijze van inslag
### Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-10-01&g=2017-10-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
### Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
### Artikel 2b
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 3. **Massa’s**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 11. **Deuren; afmetingen**
### Artikel 12. **Deuren; overige eisen**
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
### Artikel 18. **Nooduitgangen in het dak; afmetingen**
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 28. **Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
### Artikel 36. **Ruiten**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### Artikel 32. **Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang**
### Annex 4. , behorende bij de artikelen 2a, vijfde lid, en 2b, eerste tot en met vijfde lid
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Onverminderd het in artikel 4 bepaalde ten aanzien van de ruiten, bedoeld in dat artikel, moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 39. **Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen**
### Artikel 1
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### § 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 4
### Artikel 5
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 7
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S
Op de retroreflector moet:
### Artikel 11
### Artikel 12
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 15
### Artikel 17
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
### H. **Corrosieproef**
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### Annex 3, behorende bij de artikelen 23 en 24
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
### F. **Warmteproef**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Annex 2. behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Artikel 1
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
### Artikel 2
### Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 2b
### Artikel 2c
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 3
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 5
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 7
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Annex 1. , behorende bij artikel 4, tweede lid
### Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 10
### Artikel 11
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### § 1. **Chassisraam**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 13
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 15
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 17
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
### Artikel 20
### Artikel 22
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 24
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
### Artikel 32
### § 3. **Bromfietsen**
### Artikel 33
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen, moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in onderstaande lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld, bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
### Artikel 38
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
Remslangen mogen:
Voertuigen met verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, welke gevoed wordt door benzine:
### Artikel 45b
### Artikel 45c
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg.
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Remslangen mogen:
### § 2. **Draaipunten**
### Artikel 50
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### Artikel 51. **Controle stuurkoppeling**
Vervallen.
### Artikel 53
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### § 4. **Wijze van keuren**
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 77. Bepalen remvertraging
Voor het bepalen van de remvertraging:
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### § 3. **Platenremtestbank**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 79
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
### Artikel 100
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 103
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 96
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
### Artikel 100
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
### Titel 8. **Carrosserie**
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 91
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 92
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
### Artikel 97
### Afdeling 3. **Afscherming**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 102
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Artikel 106b
### Artikel 118
Vervallen.
### Artikel 107
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
De breedtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 121
### Artikel 122
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 124
### Artikel 125
### Artikel 126
### Artikel 128
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
### Titel 2. **Carrosserie**
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### Artikel 132
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 135
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 139
Vervallen.
### Artikel 145
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### **Annex 4, behorende bij artikel 50, eerste lid**
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
### **Annex 1, behorende bij artikel 4**
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Artikel 2
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 2
### Artikel 1.1
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
### Annex 1. **behorende bij artikel 4**
### Artikel 1
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
### Annex 2. **, behorende bij de artikelen 6, eerste lid, en 7, eerste lid**
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
### Artikel 3. **Massa’s**
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
### Artikel 5. **Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen**
### Artikel 6. **Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem**
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
### Artikel 8. **Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen**
### Artikel 9. **Uitgangen**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 11. **Deuren; afmetingen**
### Artikel 12. **Deuren; overige eisen**
### Artikel 13. **Deuren; treden**
### Artikel 14. **Toegangen; bedrijfsdeuren**
### Artikel 15. **Toegangen; nooddeuren**
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
### Artikel 17. **Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 19. **Nooduitgangen in het dak; overige eisen**
### Artikel 20. **Nooduitgangen in het dak; toegang**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
### Artikel 22. **Noodramen; overige eisen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 24. **Hoofddoorgang**
### Artikel 25. **Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen**
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### Artikel 27. **Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen**
### Artikel 28. **Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 30. **Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen**
### Artikel 1
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 32. **Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang**
### Artikel 33. **Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### Artikel 35. **Bagageruimten**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### § 1. **Begripsbepalingen**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 38. **Ventilatie en verwarmingsinrichtingen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Individuele toelatingseisen voor elektrisch aangedreven en hybride elektrische voertuigen van de voertuigcategorieën L, M en N
### Artikel 1
### Artikel 4
### Artikel 2
### Artikel 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 7
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### § 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### Artikel 2
### Artikel 3
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 4
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 5
### Artikel 14
### Artikel 6
### Artikel 7
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 9
### Artikel 17
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
Op de retroreflector moet:
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
### Artikel 11
### Artikel 20
### Artikel 12
### Artikel 21
### Artikel 13
### Artikel 14
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
### Artikel 16
### Artikel 17
### Artikel 18
### Artikel 19
Op de retroreflector moet:
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 21
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 23
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### Artikel 24
### Annex 2, behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid
### Annex 1, behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### F. **Warmteproef**
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### H. **Corrosieproef**
### I. **Sterkte bevestiging**
### Annex 2, behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### G. **Corrosieproef**
### H. **Proef sterkte bevestiging**
### Annex 3, behorende bij de artikelen 23 en 24
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### B. **Proef waterpenetratie**
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
### Artikel 5
### Toelatingseisen taxi’s
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
### Artikel 9
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
### Artikel 13
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
### § 1. **Chassisraam**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
### Artikel 4. **Doorgangen**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
### Restantvoorraden
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
### Artikel 3
### Artikel 4
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### Titel 1. **Algemeen**
### § 1. **Vaststelling afmetingen**
### Artikel 1
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 26
### § 3. **Kentekenplaat**
### Artikel 3
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 5
### Artikel 14
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### § 2. **Overige onderdelen**
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 33
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 12
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 22
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 14
### Artikel 15
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 16
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### Artikel 18
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 19
### Artikel 20
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 22
### § 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD)
### Afdeling 3. **Roetschadereparatie**
### Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 24
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen, moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in de lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld, bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
### Artikel 26
### Artikel 45c
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
### Artikel 33
Voertuigen met verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, welke gevoed wordt door benzine:
### Afdeling 1. **Maximumconstructiesnelheid**
### Artikel 28
### Artikel 29
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 29a
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
### § 1. **Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 31
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### § 2. **Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen**
### Artikel 33
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 35
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Afdeling 3. **Emissie**
### § 1. **Koolmonoxide**
Remslangen mogen:
Voertuigen met verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, welke gevoed wordt door benzine:
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
De aanduidingen ‘xx’ in de feitcodes staan voor alfanumerieke variabelen.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Remslangen mogen:
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen, moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in onderstaande lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld, bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
### Artikel 45d
### Titel 6. **Stuurinrichting**
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
De aanduidingen ‘xx’ in de feitcodes staan voor alfanumerieke variabelen.
Vervallen.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 49
### Titel 5. **Ophanging**
### § 1. **Loadindex**
### Artikel 50
Remslangen mogen:
### § 1. **Stuurkoppeling**
### Artikel 51. **Controle stuurkoppeling**
### § 2. **Stuurkogels**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Titel 7. **Reminrichting**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### § 1. **Remleiding**
### Artikel 53
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2. **Remschijf**
### Artikel 54. **Remschijf**
### § 3. **Remslang**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 62
Vervallen.
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
### Artikel 57. **Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
### Artikel 58. **Pedaal- en remkrachten**
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 59. **Bepalen van de remvertraging**
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
### Artikel 62
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
aahw = remvertraging aanhangwagen;
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
### Artikel 81. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
### § 3. **Platenremtestbank**
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
### Artikel 84. **Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem**
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 79
Vervallen.
### Artikel 80
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
### Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
### Titel 8. **Carrosserie**
### Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
### Artikel 92
### Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
### Artikel 94
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
### Artikel 96
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
### Artikel 98
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
### Artikel 101
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
### Afdeling 3. **Afscherming**
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
### Artikel 102
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### § 1. **Wielafscherming**
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Afdeling 1. **Voorruiten**
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
### Artikel 92
### Artikel 93
### Artikel 94
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
### Artikel 95
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
### Artikel 110
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 91
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 92
### Artikel 93
Vervallen.
### Artikel 101
### Artikel 95
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 103
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 98
Vervallen.
### Artikel 106
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### § 1a. Opspatafscherming
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
Vervallen.
De breedtemarkering moet bestaan uit:
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 103
### Artikel 110
### Artikel 104
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 106
### Artikel 112
Vervallen.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
### Artikel 113
### Artikel 114
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
### Artikel 107
### Artikel 108
### Artikel 116
Vervallen.
### Artikel 110
### Artikel 111
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Titel 9. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 113
### Artikel 114
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
### Artikel 122
### Artikel 116
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
### Artikel 118
### Titel 2. **Carrosserie**
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 119
### Artikel 126
### Artikel 120
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Vervallen.
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
### Artikel 126
### Artikel 130
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### Artikel 132
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
### Artikel 129
### Artikel 136
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
### Artikel 130
### Artikel 139
### Artikel 131
Vervallen.
### Artikel 133
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
### Artikel 134
### Artikel 142
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### Artikel 143
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### Artikel 137
### Artikel 138
### **Annex 4, behorend bij artikel 50**
### Artikel 139
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
### Artikel 141
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### § 2. **Troittoirspiegel**
### Artikel 142
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### Artikel 143
### § 4. **Gezichtsveldverbeterende voorziening**
### Artikel 144
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex 1, behorende bij artikel 4**
### Artikel 146
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
### Artikel 147
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
### Artikel 148
### **Annex 2, behorende bij artikel 15, eerste lid**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### **Annex 3, behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
### § 6. **Wijze van keuren**
### Artikel 150
### **Annex 5, behorende bij artikel 50, vierde lid**
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
### Artikel 151
Achterlichten van aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### Artikel 152
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 153
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### **Annex 2, behorende bij artikel 15, eerste lid**
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2014-03-20&g=2014-03-20), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
### **Annex 5, behorende bij artikel 50, vierde lid**
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
### Artikel 1
In deze annex:
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
### Titel 1. **Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex 1, behorende bij artikel 4**
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
### Artikel 1.29
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 6. Ophanging
#### § 0. Algemeen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 8. Reminrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
#### § 6. Ophanging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 8. Reminrichting
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 5. Assen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.18.36c
1. Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig [artikel 5.3.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.3a.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), of [5.12.57, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
2. Manoeuvreerlichten mogen branden totdat het voertuig een snelheid heeft bereikt van 10 km/h.
##### Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens en samenstellen hiervan
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of in een voertuig bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), opgenomen eisen.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 3. Reminrichting
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 6. Diversen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 1. Algemeen
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 3.1. Algemeen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 6.1. Algemeen
#### § 4. Manometers
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2009-12-16&g=2009-12-16)
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### § 1. **Algemeen**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 4. Het toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
### Artikel 5. Identificatie
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie wordt bepaald door het chassis.
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 1. Begripsbepalingen
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
### § 1. **Algemeen**
**VN/ECE-reglement 100:** reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2017-05-07&g=2017-05-07) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
### § 2. **Voertuigen**
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen en de in [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2013-12-31&g=2013-12-31), van de regeling bedoelde alternatieve voorschriften vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Artikel 6
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 8
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Vervallen.
### Artikel 2a
### Artikel 2d
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Artikel 4
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 2. **Algemeen**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 18. **Nooduitgangen in het dak; Afmetingen**
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
### Artikel 23. **Noodramen; toegang**
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 26. **Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 34. **Handgrepen bij treden**
### Artikel 36. **Ruiten**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
### Annex 4. , behorende bij de artikelen 2a, vijfde lid, en 2b, eerste tot en met vijfde lid
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
### Artikel 13
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 8
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Annex 3, behorende bij de artikelen 23 en 24
### B. **Proef waterpenetratie**
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### B. **Proef waterpenetratie**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
### H. **Corrosieproef**
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### Annex 3, behorende bij de artikelen 23 en 24
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
### A. **Proef waterpenetratie**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### E. **Warmteproef**
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### § 3. **Kentekenplaat**
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Artikel 5
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 2
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
### Artikel 4
### Artikel 6
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 10
### Artikel 11
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### § 1. **Chassisraam**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2. **Overige onderdelen**
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
### Artikel 17
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 21
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
### § 1. **Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen**
### Artikel 25
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Artikel 27
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Afdeling 2. **Geluid**
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
### Artikel 44. **Roetmeting**
### § 3. **Bromfietsen**
### Artikel 37
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen, moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in onderstaande lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld, bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
### Artikel 41. **Koolmonoxide gehalte bij stationair toerental**
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
Remslangen mogen:
Voertuigen met verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, welke gevoed wordt door benzine:
### Titel 4. **Assen**
### § 1. **Fusees**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg.
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Remslangen mogen:
### Titel 6. **Stuurinrichting**
### Afdeling 1. **Onderdelen van de reminrichting**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Vervallen.
### § 4. **Wijze van keuren**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### § 2. **Rollenremtestbank**
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
### Artikel 79
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 77. Bepalen remvertraging
Voor het bepalen van de remvertraging:
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 97
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
### Artikel 100
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 103
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Aanvangssnelheid 25 km/h:
### Artikel 108
### Artikel 96
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 100
Vervallen.
### Artikel 94
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Afdeling 3. **Afscherming**
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
### Artikel 96
Vervallen.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### Afdeling 3. **Afscherming**
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### § 1a. Opspatafscherming
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Artikel 109
### Artikel 118
Vervallen.
### Artikel 112
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van deze bijlage van overeenkomstige toepassing.
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
De breedtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 121
### Artikel 122
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### Artikel 123
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
De lengtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 127
### Artikel 127a
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Artikel 128
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Artikel 132
### Titel 2. **Carrosserie**
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### Artikel 136
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 140
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### § 3. **Breedtespiegel**
Vervallen.
### Artikel 149
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
Vervallen.
### **Annex 4, behorende bij artikel 50, eerste lid**
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
### **Annex 1, behorende bij artikel 4**
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Artikel 2
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 1
### Artikel 1.1
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
### Artikel 1.31
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.2.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30), mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Personenauto’s als bedoeld in [artikel 41a van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=41a), mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. | |
##### Artikel 5.3.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bedrijfsauto’s in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30), mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s als bedoeld in [artikel 41a van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=41a), mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. | |
##### Artikel 5.3a.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 1. | Bussen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bussen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30), mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Bussen als bedoeld in [artikel 41a, eerste lid, onderdeel b, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=41a), mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld, naar achteren niet rood stralen en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. | |
##### Artikel 5.5.57a
@@ -13528,7 +13574,7 @@
##### Artikel 5.6.72
1. In afwijking van [artikel 5.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&artikel=5.6.0&z=2017-10-01&g=2017-10-01), moet een bromfiets die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) is aangewezen, voldoen aan deze paragraaf en wordt die bromfiets beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
1. In afwijking van [artikel 5.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&artikel=5.6.0&z=2018-01-01&g=2018-01-01), moet een bromfiets die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) is aangewezen, voldoen aan deze paragraaf en wordt die bromfiets beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
@@ -13544,7 +13590,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aangewezen bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aangewezen bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| | | |
| 2. | Indien een aangewezen bromfiets is opgebouwd uit een frame met een voor- of achtervork, mag dat frame met die voor- of achtervork: a. geen breuken of scheuren vertonen, b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | | |
@@ -13554,13 +13600,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aangewezen bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 2,00 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de aangewezen bromfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van toepassing is. |
| | Aangewezen bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 2,00 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de aangewezen bromfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.6.76
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de in [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de in [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.77
@@ -13579,15 +13625,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 1. | Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| | | |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| | | |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| | | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| | | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| | | |
| 6. | Het vullen van de tank mag alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| | | |
@@ -13599,24 +13645,22 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| | | |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| | | |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| | | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG-tank, mag niet verstreken zijn. | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
| | | |
| 5. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. | |
| 5. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| | | |
| 6. | Het voertuig moet zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle. De motor starten en controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens de motor af laten slaan, waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd. Daarna wordt door het contact uit te schakelen gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
| 6. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: visuele controle. |
| | | |
| 7. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 tot en met 10: visuele controle. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| | | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| | | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
##### Artikel 5.6.80
@@ -13626,7 +13670,7 @@
| | | |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| | | |
| 3. | Aangewezen bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 90 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikelen 36, 37 en 38 van toepassing. | – |
| 3. | Aangewezen bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 90 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikelen 36, 37 en 38 van toepassing. | – |
##### Artikel 5.6.81
@@ -13670,7 +13714,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wiellagers van aangewezen bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| | De wiellagers van aangewezen bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
##### Artikel 5.6.86
@@ -13762,7 +13806,7 @@
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -13786,25 +13830,25 @@
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
@@ -13833,11 +13877,11 @@
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
##### Artikel 5.13.57a
@@ -13858,7 +13902,7 @@
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
@@ -13874,24 +13918,24 @@
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 6. Ophanging
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
@@ -13916,7 +13960,7 @@
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
@@ -13938,13 +13982,13 @@
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 6. Diversen
#### § 3. Reminrichting
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
@@ -13954,68 +13998,68 @@
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 4. Manometers
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 2.1. Algemeen
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 5.1. Algemeen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 4. Manometers
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 7.1. Algemeen
#### § 2.1. Algemeen
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 5.1. Algemeen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 4.2. Technische eisen
@@ -14026,29 +14070,29 @@
#### § 9.4. Justeringen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8.1. Algemeen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8.1. Algemeen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 9.3.1. Constructie
@@ -14100,19 +14144,19 @@
### Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
### Artikel 1
### § 1. **Algemeen**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 6. Nader onderzoek
2 Voor de cabine.
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
### Hoofdstuk 2. **Inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
@@ -14120,7 +14164,7 @@
1 Krabbengang toegestaan.
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
1 Krabbengang toegestaan.
@@ -14134,301 +14178,301 @@
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 6
Vervallen.
### Artikel 2a
### Artikel 2c
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 7
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
Op de retroreflector moet:
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Op de retroreflector moet:
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 15. **Toegangen; nooddeuren**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Op de retroreflector moet:
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Op de retroreflector moet:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
### Artikel 8
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 9. **Uitgangen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
Op de retroreflector moet:
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Op de retroreflector moet:
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Op de retroreflector moet:
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Op de retroreflector moet:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 27
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 30
### § 2. **Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen**
### Artikel 34
### Artikel 36
### Artikel 37
### § 1. **Koolmonoxide**
### Artikel 39
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
### Artikel 41. **Koolmonoxidegehalte bij stationair toerental**
### Artikel 43. **Wijze van keuren**
### Artikel 44. **Roetmeting**
### Artikel 45a
### Artikel 51. **Controle stuurkoppeling**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Afdeling 1. **Onderdelen van de reminrichting**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Vervallen.
Remslangen mogen:
Vervallen.
### Artikel 57. **Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
Vervallen.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### § 1. **Wielafscherming**
### Titel 8. **Carrosserie**
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Aanvangssnelheid 25 km/h:
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 98
### Artikel 100
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
De lengtemarkering moet bestaan uit:
Vervallen.
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Artikel 121
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 122
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
De lengtemarkering moet bestaan uit:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### Artikel 141
Achterlichten van aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
### Artikel 150
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### **Annex 3, behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
### Titel 1. **Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
### Artikel 2. **Algemeen**
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
### Artikel 1.45
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
### Artikel 1.48
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Artikel 1.0
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 13
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 36
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 34
### Artikel 36
### Artikel 38
### Artikel 39. **Aanwezigheid emissiebestrijdingssysteem**
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### § 2. **Roet**
### Artikel 44. **Roetmeting**
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
### Artikel 45a
### Artikel 45b
### § 1. **Loadindex**
### § 1. **Stuurkoppeling**
### Artikel 51. **Controle stuurkoppeling**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 55. **Remslang**
Voor het bepalen van de remvertraging moet dan wel moeten:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Vervallen.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Vervallen.
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
### Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
Aanvangssnelheid 40 km/h:
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### § 1. **Wielafscherming**
### Titel 8. **Carrosserie**
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 100
### Artikel 101
### § 1. **Wielafscherming**
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
De lengtemarkering moet bestaan uit:
Vervallen.
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 125
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
De lengtemarkering moet bestaan uit:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### Artikel 145
Achterlichten van aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
### **Annex 1, behorende bij de artikelen 5 tot en met 7**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
### **Annex 3, behorende bij de artikelen 17 tot en met 19**
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
### Artikel 1.45
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
### Artikel 1.1
### Artikel 1.48
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in [artikel 6.3, lid 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Afdeling 2. **Eisen CNG**
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### § 2.2.3. **Tankbanden**
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
### Artikel 1.30
### Artikel 1.31
### § 2.2. **Inbouwvoorschriften**
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### Artikel 1.32
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.39
### Artikel 1.40
### Artikel 1.56
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
@@ -14445,217 +14489,217 @@
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 12. Diversen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 9. Carrosserie
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 12. Diversen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 5. Assen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 12. Diversen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 12. Diversen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 9. Carrosserie
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 12. Diversen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 5. Assen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
@@ -14693,7 +14737,7 @@
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
@@ -14714,1923 +14758,1925 @@
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 9. Carrosserie
#### § 8. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Aanhangwagens en lastdragers
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 6. Diversen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.3.2. Beveiligingen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2018-01-01&g=2018-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Vervallen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Vervallen.
### Artikel 3
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 34. **Handgrepen bij treden**
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Op de retroreflector moet:
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
Vervallen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 28
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in de lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
### Artikel 32
### Artikel 35
### Afdeling 3. **Emissie**
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
### Artikel 46
### Artikel 45d
### Artikel 48
Remslangen mogen:
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Vervallen.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Aanvangssnelheid 40 km/h:
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Artikel 102
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
De opspatafscherming moet:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 115
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Vervallen.
### Artikel 120
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Artikel 1.29
### Artikel 1.33
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Artikel 1.32
### Artikel 1.41
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
### Artikel 6
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2. **Roet**
### § 2. **Draaipunten**
### Titel 5. **Ophanging**
Vervallen.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
Vervallen.
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
### Artikel 94
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 95
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
### Artikel 105
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
### Afdeling 1. **Dimlicht**
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### § 2.2.1. **Algemeen**
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
### Artikel 1.33
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
### Artikel 1.35
### Artikel 1.36
### Artikel 1.37
### Artikel 1.38
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
### Artikel 1.39
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.65
### Artikel 1.35
### Artikel 1.36
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.38
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.40
### Artikel 1.44
### Artikel 1.45
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.2a
In deze regeling wordt verstaan onder:
- **EN ISO/IEC 17025:** Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria (General requirements for the competence of testing and calibration laboratories);
- **ISO/IEC 15408-1:** Informatie technologie – beveiligingstechnieken – evaluatiecriteria voor informatie technologie beveiliging – deel 1: introductie en algemeen model (Information technology – Security techniques – Evaluation criteria for IT security – Part 1: Introduction and general model);
- **ISO/IEC 15417:2007:** Informatietechnologie – Automatische identificatie en data capture-technieken – Code 128a streepjescode symbologie specificatie;
- **NEN-EN 50436-1:** Alcoholsloten – Beproevingsmethoden en prestatie-eisen – Deel 1: apparaten voor gebruik in programma's voor overtreders van de alcoholverkeerswet, december 2005.
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
##### Artikel 1.5
Een aanwijzing als technische dienst op grond van [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, indien:
- a. de hoofdvestiging van de aanvrager zich binnen Nederland bevindt of binnen een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
- b. de aanvrager door een bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025, of een aanvraag daartoe heeft ingediend bij die accreditatie-instelling;
- c. het accreditatiecertificaat is afgegeven door een van de in onderdeel b bedoelde accreditatie-instellingen;
- d. het accreditatiecertificaat geldig is voor meetmiddelen voor ademalcoholgehalte.
##### Artikel 1.6
1. De aanvraag tot aanwijzing als technische dienst op grond van [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Op de aanwijzing tot technische dienst als bedoeld in het eerste lid, is bijlage V, aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
3. Van de aanwijzing van een technische dienst als bedoeld in het eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 1.7
1. Nadat een aanwijzing als technische dienst is verleend, wordt door de Dienst Wegverkeer periodiek door middel van een controlebeoordeling onderzocht of de technische dienst nog voldoet aan de aan die dienst gestelde eisen.
2. De periodieke controle, bedoeld in het eerste lid, vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats, indien het een technische dienst betreft die is geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 door een bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die accreditatie geldig is voor meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
3. De periodieke controle, bedoeld in het eerste lid, vindt ten minste eenmaal per jaar plaats, indien het een technische dienst betreft die een aanvraag heeft ingediend tot accreditatie overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 bij een bij de het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en het verzoek tot accreditatie zich mede uitstrekt tot meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
4. Op de uitvoering van periodieke controles als bedoeld in het eerste lid, is bijlage V, aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 1.8
1. De aanwijzing kan worden geschorst indien niet meer wordt voldaan aan de in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01) genoemde eisen.
2. Bij schorsing van een aanwijzing kan worden bepaald dat indien niet binnen een termijn van ten hoogste twaalf weken wordt aangetoond dat weer aan de eisen wordt voldaan, alsnog intrekking van de aanwijzing volgt.
##### Artikel 1.9
De aanwijzing wordt door de Dienst Wegverkeer ingetrokken indien:
- a. de betrokken technische dienst daarom verzoekt;
- b. de betrokken technische dienst niet meer voldoet aan de in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eisen;
- c. de accreditatie van de betrokken technische dienst is ingetrokken of de aanvraag tot accreditatie is afgewezen door de bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
##### Artikel 1.10
De [artikelen 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.8&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01) laten onverlet de bevoegdheid tot schorsing of intrekking van de aanwijzing in andere gevallen als omschreven in deze paragraaf.
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg en typegoedkeuring van alcoholsloten
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken, voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede alcoholsloten
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
### Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal gebruiksdoel
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
#### § 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
##### Artikel 3.23a
1. De aanvraag van een nationale typegoedkeuring voor een alcoholslot en de daarbij behorende uitleesapparatuur of een aanvraag voor een goedkeuring voor een productieproces van een alcoholslot wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Bij de aanvraag worden een of meerdere verklaringen gevoegd, afgegeven door de Dienst Wegverkeer of een door de Dienst Wegverkeer aangewezen technische dienst, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
3. Bij de aanvraag wordt een document overgelegd, waaruit blijkt dat de eisen, genoemd in artikel 5, tweede lid, van [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), zijn getoetst door een laboratorium dat door een bij het Common Criteria Recognition Agreement aangesloten accreditatie-instelling is geaccrediteerd voor het uitvoeren van common criteria evaluaties.
##### Artikel 3.23b
De Dienst Wegverkeer houdt op door deze dienst te bepalen wijze toezicht op de nationale typegoedkeuring van alcoholsloten en de daarbij behorende uitleesapparatuur, alsmede op de goedkeuring van de productieprocessen van deze alcoholsloten en bijbehorende uitleesapparatuur.
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
##### Artikel 3.25a
Een typegoedkeuring voor het alcoholslot verliest haar geldigheid, indien:
- a. een wijziging in het alcoholslot of het productieproces van dat alcoholslot heeft plaatsgevonden, waardoor niet meer aan de voorwaarden voor een afgegeven typegoedkeuring wordt voldaan;
- b. een wijziging in het alcoholslot of in het productieproces van dat alcoholslot is aangebracht die in strijd is met de typegoedkeuring;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het alcoholslot of het productieproces niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 12. Diversen
#### § 12. Diversen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 9. Carrosserie
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 0. Algemeen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Aanhangwagens en lastdragers
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 3. Reminrichting
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### E. Wagens
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 4.1. Algemeen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.89a
1. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:
- a. Het kalibratiegas moet zodanig zijn samengesteld dat daarmee de kalibratiecontrole van een alcoholslot op juiste wijze kan worden uitgevoerd. Behalve ten aanzien van het alcoholgehalte is de fabrikant vrij in de keuze van de samenstelling, mits de samenstelling geen invloed heeft op de juiste werking van het alcoholslot;
- b. het kalibratiegas moet een nominale alcoholconcentratie hebben van de door de fabrikant van het alcoholslot gespecificeerde concentratie, plus of min 10%;
- c. het kalibratiegas moet telkens worden bereid met een alcoholconcentratie met een onzekerheid van niet meer dan 3%.
2. Bij de productie van het in het eerste lid bedoelde kalibratiegas:
- a. is de fabrikant vrij in de keuze van de methode van vervaardiging, mits het kalibratiegas voldoet aan de voorschriften van dit artikel;
- b. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het onder de volgende omgevingscondities voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen:
- 1°. omgevingstemperaturen van 10 °C tot en met 33 °C;
- 2°. luchtdrukken van 970 hPa tot en met 1050 hPa;
- 3°. relatieve luchtvochtigheid van 5% tot en met 95%;
- c. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen gedurende ten minste 100 kalibraties of gedurende ten minste 200 dagen;
3. [Artikel 8.4.89, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2018-01-01&g=2018-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 9.1. Algemeen
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 8.1. Algemeen
#### § 10.9. Overige
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Vervallen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen, worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### § 3. **Wiellagers**
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 135
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### § 2.2. **Inbouwvoorschriften**
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.2. **CNG-tank**
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
### Artikel 1.47
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
### Artikel 1.37
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### Artikel 1.42
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.46
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.41
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### § 2.2.2. **CNG-tank**
### Artikel 1.43
### Artikel 1.44
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.46
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.48
### Artikel 1.53
### Artikel 1.49
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van de Regeling voertuigen
### Artikel 1.50
##### Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in afwijking van punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **ademmonster:** monster dat bij hard uitblazen door de mond in de handset van het alcoholslot wordt genomen en door het alcoholslot wordt gemeten.
2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in aanvulling op punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **datageheugen:** registratie-eenheid als onderdeel van de vaste eenheid van het alcoholslot, waarin de in annex 3 aangegeven aspecten met datum en tijd worden vastgelegd;
- **erkend installateur:** de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k);
- **erkende medewerker:** de medewerker, bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend), die bevoegd is tot het uitvoeren van de in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k) bedoelde werkzaamheden;
- **geldig ademmonster:** ademmonster dat voldoet aan de in annex 1 vastgestelde eis voor volume en de in NEN-EN 50436-1 vastgestelde eisen voor luchtstroom en uitademtijd;
- **handset:** het al dan niet draadloze deel van het alcoholslot dat wordt gebruikt voor het afnemen en analyseren van het ademmonster;
- **identificatiekenmerk:** het unieke identificatienummer van het alcoholslot dat is samengesteld uit het typegoedkeuringsnummer en het serienummer van het alcoholslot;
- **initieel ademmonster:** het in het kader van het alcoholslotprogramma in de handset afgegeven geldige ademmonster met het oog op het kunnen starten van het motorrijtuig;
- **fabrikant:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ontwerp, de constructie en de productie van het alcoholslot;
- **terugroeping voor onderhoud:** een door het alcoholslot gegenereerde herinnering verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet worden gekalibreerd;
- **uitleesapplicatie:** de applicatie die wordt gebruikt voor het kalibreren, justeren en uitlezen van het alcoholslot, alsmede voor het overbrengen van instellingen naar en voor het vastleggen van gegevens en waarnemingen in het alcoholslot, respectievelijk het overbrengen van gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister;
- **vaste eenheid:** het deel van het alcoholslot dat vast in het motorrijtuig wordt gemonteerd en zorg draagt voor het opslaan van gegevens en dat het starten van het motorrijtuig voorkomt indien er geen geldig ademmonster is afgegeven dat lager is dan de in annex 1 gestelde limiet;
- **vroegtijdige terugroeping:** een door het alcoholslot gegenereerde extra terugroeping in de periode voordat de in annex 1 vastgestelde uiterste termijn voor onderhoud is verstreken en niet verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd;
- **vrije herstartperiode:** periode gedurende welke geen ademmonster behoeft te worden afgegeven om het motorrijtuig te starten.
### Artikel 1.51
##### Artikel 2
1. Alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) voldoen aan de eisen uit NEN-EN 50436-1, voor zover in deze bijlage niet expliciet die eisen worden aangevuld of van die eisen wordt afgeweken.
2. In aanvulling op NEN-EN 50436-1, voldoen alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), aan de in annex 1 vastgestelde aanvullende parameterinstellingen.
### Artikel 1.52
### Artikel 1.53
##### Artikel 3
In aanvulling op punt 4.1 uit NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. In het alcoholslot moeten de in annex 1 vastgestelde parameterinstellingen kunnen worden ingesteld op waarden die zijn gelegen tussen de in die annex vastgestelde minimale en maximale waarden.
- 2. De maximale waarde waaronder het startmechanisme wordt gedeblokkeerd, wordt ingesteld op 90 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
- 3. Het alcoholslot waarborgt dat het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart indien:
- a. een geldig initieel ademmonster met een alcoholgehalte lager dan de in annex 1 vastgestelde limiet wordt afgegeven én de motor van dat motorrijtuig binnen de in die annex vastgestelde startperiode wordt gestart;
- b. de motor van het desbetreffende motorrijtuig na het uitschakelen van de motor binnen de in annex 1 vastgestelde periode van vrije herstart wordt gestart of gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 4 bedoelde overbruggingsfunctie.
- 4. In aanvulling op het derde lid, onderdeel a, wordt, indien er sprake is van een draadloze handset, uitsluitend een ademmonster gegeven als het contact van het motorrijtuig in de accessoire stand staat. Indien het contact is uitgeschakeld, is het afgeven van een ademmonster onmogelijk.
- 5. Alle instelbare functies en parameters kunnen alleen worden ingesteld door de in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend) bedoelde personen. Wijzigingen in de instellingen van de functies en de parameters worden in het datageheugen vastgelegd.
- 6. Voor zover het alcoholslot over niet in annex 1 genoemde, instelbare functies of parameters beschikt, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer daarvan in kennis, onder mededeling van de ingestelde waarden.
- 7. Het alcoholslot is voorzien van een scherm waarop in het Nederlands aanwijzingen aan de gebruiker worden gegeven. Andere talen zijn toegestaan als extra dienstverlening.
- 8. Als een initieel ademmonster niet geldig is, wordt dit op het in het zevende lid bedoelde scherm aangegeven, tezamen met de reden.
- 9. Indien het initiële ademmonster niet geldig is, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel ademmonster mogelijk. Er wordt geen limiet worden gesteld aan het aantal initiële ademmonsters.
- 10. Indien het initiële ademmonster wel geldig is, maar het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan de in annex 1 vastgestelde limiet, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel blaasmonster mogelijk, ongeacht de hoogte van het gemeten alcoholgehalte. Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal initiële ademmonsters. Op het scherm wordt uitsluitend vermeld dat het gemeten ademalcoholgehalte te hoog is. De hoogte van het gemeten ademalcoholgehalte wordt niet vermeld.
- 11. Het alcoholslot beschikt over de mogelijkheid om de periode aan te geven waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd en het motorrijtuig moet zijn teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), en om deze periode aan de gebruiker door middel van een mededeling op het scherm kenbaar te maken. Vanaf een in annex 1 vastgesteld aantal dagen voor het verstrijken van die periode wordt de gebruiker bij het starten van de motor goed waarneembaar geïnformeerd over het verstrijken van die datum. Het startmechanisme kan na een in genoemde annex vastgesteld aantal dagen na het verstrijken van die periode niet meer door de gebruiker van het motorrijtuig worden gedeblokkeerd. Vanaf het verstrijken van die periode wordt tevens goed waarneembaar aangegeven na hoeveel dagen het startmechanisme niet meer kan worden gedeblokkeerd.
- 12. De handset en de vaste eenheid krijgen tijdens de productie een fabrikant-specifieke unieke identiteit. De identiteit van de handset en de vaste eenheid kunnen niet worden gewijzigd.
- 13. Tijdens installatie wordt één handset logisch gekoppeld aan de vaste eenheid.
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
##### Artikel 4
1. In afwijking van punt 4.2 uit NEN-EN 50436-1, is uitsluitend voorzien in een overbruggingsfunctie bestemd voor onderhoud aan het motorrijtuig of het alcoholslot, waarmee het startmechanisme gedurende een in annex 1 vastgestelde maximale periode kan worden gedeblokkeerd zonder dat een initieel ademmonster of een hertest behoeft te worden afgelegd.
2. Het gebruik van de overbruggingsfunctie, bedoeld in het eerste lid, is uitsluitend na invoer van een code mogelijk en wordt altijd geregistreerd in het datageheugen.
3. De overbrugging moet op eenvoudige wijze voortijdig kunnen worden beëindigd.
### Artikel 1.60
##### Artikel 5
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, registreert het datageheugen ten minste de waarnemingen en gebeurtenissen vastgesteld in annex 2, met de daarbij behorende verplichte velden.
2. Ten aanzien van het alcoholslot en de uitleesapplicatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongeautoriseerd kennisnemen, tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking en om te garanderen dat waarnemingen en gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid onweerlegbaar en integer worden geregistreerd in het alcoholslotregister, bedoeld in [artikel 129a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a).
3. Om aan het tweede lid te voldoen, wordt het alcoholslot alsmede de uitleesapplicatie beschermd door beveiligingsmaatregelen, zoals geformuleerd in het beschermingsprofiel Alcohol Interlock pp, v1.0.
##### Artikel 6
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, wordt iedere waarneming of gebeurtenis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgelegd in een aparte verslagregel.
2. Een verslagregel bevat ten minste de volgende velden:
- a. datum en tijd in Centraal Europese Tijd, rekening houdend met de zomertijd. Indien een verslagregel betreffende een meting van het ademalcoholgehalte niet onmiddellijk wordt opgeslagen in het datageheugen, bevat de verslagregel ook de datum en tijd van opslag in het datageheugen;
- b. volgnummer, dat oplopend moet zijn;
- c. berichttype;
- d. berichtnummer;
- e. één of meer meetwaarden of veldwaarden, en waar relevant zowel de oude als de nieuwe waarden.
3. De in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde verplichte velden per gegevens record mogen worden gevolgd door niet-gestandaardiseerde aanvullende velden.
4. Zowel verslagregels ontstaan in de handset, als de verslagregels ontstaan in de vaste eenheid, worden opgeslagen in het datageheugen.
5. Het datageheugen heeft een geheugenruimte die voldoende ruimte biedt voor het vastleggen van ten minstealle verslagregels die het alcoholslot bij normaal gebruik genereert in de maximale periode gedurende welke het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, plus de duur van de waarschuwing na het verstrijken van dezer maximale periode, zoals deze zijn vastgesteld in annex 1.
##### Artikel 7
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, kunnen de verslagregels uit het datageheugen alleen worden uitgelezen door personen als bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66r), met een door de fabrikant van het alcoholslot te leveren en door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde uitleesapplicatie.
2. De uitlezing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
3. Het datageheugen genereert een beveiligd uitvoerbestand dat onverwijld aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden op de in [artikel 66ss van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66ss) aangegeven wijze overeenkomstig de structuurdefinitie zoals die overeenkomstig [artikel 66f, derde lid, van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66f) is vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
4. Het datageheugen wordt pas geschoond nadat van de Dienst Wegverkeer een bevestiging is ontvangen dat het uitvoerbestand op correcte wijze is geregistreerd in het in [artikel 129a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a) bedoelde alcoholslotregister.
### Artikel 1.58
##### Artikel 8
In afwijking van punt 4.7 van NEN-EN 50436-1, gelden voor de hertest de volgende eisen:
- a. het alcoholslot geeft na het deblokkeren van het startmechanisme door goed waarneembare auditieve signalen aan wanneer een hertest dient te worden uitgevoerd;
- b. de eerste keer na het deblokkeren van het startmechanisme vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval, na een instelbare wachtperiode;
- c. elke volgende keer vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval;
- d. het alcoholslot maakt het mogelijk dat de hertest binnen de in annex 1 vastgestelde tijdsinterval kan worden afgelegd;
- e. de duur van het auditieve signaal wordt ingesteld op de in annex 1 vastgestelde waarde. Zolang binnen de in onderdelen b of c bedoelde periode geen geldig ademmonster is afgegeven, worden herinneringen afgegeven met tussenpozen van minimaal drie minuten en maximaal vijf minuten;
- f. het is mogelijk de hertest uit te voeren zonder dat de aandacht van de bestuurder voor het verkeer hoeft af te nemen;
- g. indien de bestuurder geen gehoor geeft aan de oproep om een hertest, of indien bij een hertest uit het afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet, roept het alcoholslot de bestuurder op om het motorrijtuig zo snel mogelijk stop te zetten. Hiertoe geeft het alcoholslot goed waarneembare auditieve of visuele signalen af die aan blijven houden totdat de bestuurder de motor van zijn motorrijtuig heeft uitgezet.
### Artikel 1.64
##### Artikel 9
1. In aanvulling op punt 4.8 van NEN-EN 50436-1, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. minder dan 10% van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
- b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onrechtmatigheden of technische mankementen zijn;
- c. het alcoholslot na de laatste uitlezing ten minste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd.
2. In aanvulling op het eerste lid, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet;
- b. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;
- c. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet.
### Artikel 1.60
##### Artikel 10
1. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is de toegang tot het datageheugen, tot de middelen waarmee de parameters worden ingesteld en tot de mogelijkheden voor afstelling zodanig ontworpen dat onbevoegde of onbedoelde wijziging wordt voorkomen.
2. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is het alcoholslot op een zodanige wijze ingesteld dat daardoor manipulatie bij het afgeven van het ademmonster wordt voorkomen.
### Artikel 1.75
##### Artikel 11
In aanvulling op punt 5 van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. De volgende gegevens van het alcoholslot zijn duidelijk leesbaar aangebracht op een constructieplaat op de vaste eenheid:
- a. fabrikant;
- b. merk;
- c. type;
- d. serienummer van het desbetreffende onderdeel;
- e. typegoedkeuringsnummer van het type alcoholslot, zoals dat overeenkomstig de in annex 3 opgenomen eisen is samengesteld.
- 2. De in onderdeel 1, onder d en e, bedoelde gegevens, zijn in barcode leesbaar. De barcode is samengesteld met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
- 3. Het temperatuurbereik waarbinnen het alcoholslot kan worden gebruikt, is voor de gebruiker zichtbaar aangegeven, tenzij het bereik van de zichtbare onderdelen minimaal –45 °C tot en met +85 °C bedraagt.
### Artikel 1.62
##### Artikel 12
1. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, moet elk alcoholslot zijn voorzien van een instructie voor de installatie in de Nederlandse taal die ten minste de volgende informatie bevat:
- a. de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het desbetreffende alcoholslot;
- b. het type van het alcoholslot;
- c. het Nederlandse typegoedkeuringsnummer.
2. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, wordt aan de instructie voor installatie het volgende onderdeel toegevoegd:
Criteria voor plaatsing
Bij de opstelling van de montagehandleiding voor de handset wordt ten minste op de volgende punten ingegaan:
- a. de handset wordt geïnstalleerd op een manier die de goede werking en de veiligheid van het motorrijtuig niet in gevaar brengt;
- b. de plaatsing van de handset leidt in geval van een ongeval niet tot onnodig letsel;
- c. de handset wordt binnen handbereik van de chauffeur geplaatst;
- d. de handset is zodanig gemonteerd dat deze bij het op en neer bewegen van het motorrijtuig, of bij rijden over slechte wegen, of bij het maken van abrupte manoeuvres, niet kan losraken;
- e. de kabel van de handset is op zodanige wijze worden geleid dat hij niet kan interfereren met de veilige werking van het motorrijtuig;
- f. de montagematerialen zijn bestand tegende trillingen, schokken en temperaturen die in het motorrijtuig kunnen voorkomen;
- g. de montage van de handset belemmert geen andere voertuigfuncties;
- h. bij de plaatsing in het voertuig wordt rekening gehouden met de aanwezige airbags;
- i. indien in bij het installeren van de handset rekening moet worden gehouden met beperkingen ten aanzien van de installatie, wordt dit duidelijk en expliciet in de montagehandleiding vermeld;
- j. het alcoholslot onderbreekt na het installeren de spanning tussen contactslot of startknopen de startmotor;
- k. de installatieprocedure garandeert dat een alcoholslot alleen kan interveniëren in de auto wanneer deze wordt gestart. Een reeds draaiende motor wordt niet onderbroken;
- l. de plaats en wijze waarop na inbouw van het alcoholslot de verzegeling van dat alcoholslot moet worden aangebracht.
### Artikel 1.64
### Artikel 1.65
##### Artikel 13
1. De punten 8.1.1 tot en met 8.1.4 van NEN-EN 50436-1, zijn van overeenkomstige toepassing op losse handsets indien een verbinding van dit apparaat met het stroomcircuit van het desbetreffende motorrijtuig is voorzien.
2. In aanvulling op het eerste lid, geldt voor losse handsets dat in delen van het alcoholslot met geïntegreerde batterijen de batterijen gedurende 60 seconden worden geplaatst met omgekeerde polariteit, tenzij een verkeerde polarisatie technisch niet mogelijk is.
### Artikel 1.67
##### Artikel 14
In aanvulling op punt 8.3.1 van NEN-EN 50436-1, geldt voor losse handsets een omgevingstemperatuur van –20 °C tot +65 °C.
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
##### Artikel 15
In aanvulling op punt 8.4.1 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot de omgevingstemperaturen van respectievelijk –5 °C, 0 °C en +65 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze respectievelijke omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot omgevingstemperatuur van –20 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eerste eis van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
##### Artikel 16
In aanvulling op punt 8.4.2 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot de laagste omgevingstemperatuur heeft bereikt die door de fabrikant is gespecificeerd, zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, waarbij de omgevingstemperatuur echter niet hoger is dan –5 °C, met: wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 9V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 16V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot een omgevingstemperatuur van 65 °C, heeft bereikt met wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 16V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 32V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 125% van de nominale accuspanning en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. bij een temperatuur van 5 °C onder de laagste omgevingstemperatuur die door de fabrikant is gespecificeerd zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, mag het slot niet gereed zijn voor het afnemen van een ademmonster.
##### Artikel 17
In afwijking van punt 8.4.4. van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. bij een omgevingstemperatuur van 20 °C is het alcoholslot na inschakeling vanuit de stand van beperkt energieverbruik binnen één minuut gereed om een ademmonster af te nemen. In deze omgevingsomstandigheid voldoet het alcoholslot aan de eisen van functionele beproeving type 1 van punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot nadat het alcoholslot in de stand van beperkt energieverbruik in een omgeving met een temperatuur van –5 °C is gebracht, met is het alcoholslot binnen 90 seconden na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. indien een alcoholslot is gespecificeerd voor een omgevingstemperatuur van –20 °C en niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot in een omgeving met een temperatuur van –20 °C is gebracht, in de stand van beperkt energieverbruik, met : is het alcoholslot binnen drie minuten na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu volgens de accuspecificatie,
### Artikel 1.74
##### Artikel 18
In aanvulling op punt 8.8. van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. het alcoholslot deblokkeert het startmechanisme niet als:
- a. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk met een verstopte luchtuitlaat;
- b. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van het mondstuk totdat de minimale gasstroom is bereikt, waarna in omgekeerde richting wordt gezogen;
- c. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via het mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen;
- d. indien dit mogelijk is, driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via de ademuitgang van het mondstuk respectievelijk het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen.
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
##### Artikel 19
In afwijking van de laatste alinea van punt 8.13 van NEN-EN 50436-1, voldoet het alcoholslot gedurende de in annex 1 genoemde periode, of langer indien door de fabrikant een langere termijn is aangegeven als uiterste termijn waarbinnen het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, vermeerderd met de in annex 1 vastgestelde duur van de waarschuwing nadat deze termijn is verstreken, onder normale omstandigheden aan de eisen van de functionele beproevingen type 1 en type 3 uit punt 7.5.
##### Artikel 20
In aanvulling op hoofdstuk 8 van NEN-EN 50436-1, wordt een eis toegevoegd, luidende:
Nadat een ademmonster is afgegeven, geeft het alcoholslot het dienovereenkomstige uitvoersignaal:
- a. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 10 seconden;
- b. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,250 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 15 seconden;
- c. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,350 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 20 seconden.
### Artikel 1.73
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.74
### Artikel 1.75
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-03-29&g=2011-03-29), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-03-29&g=2011-03-29), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Vervallen.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens VN/ECE-reglement 110);
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.34
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2011-03-29&g=2011-03-29), van de Regeling voertuigen
### Artikel 1.39
### Artikel 1.47
### Artikel 1.45
### Artikel 1.47
### Artikel 1.64
### Artikel 1.57
### Artikel 1.57
### Artikel 1.59
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.61
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3 moet het, aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende, en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde, voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, dan wordt door de Dienst Wegverkeer, op de wijze vermeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Onverminderd het in artikel 4 bepaalde ten aanzien van de ruiten, bedoeld in dat artikel, moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-04-09&g=2011-04-09), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-04-09&g=2011-04-09), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.42
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2011-04-09&g=2011-04-09), van de Regeling voertuigen
### Artikel 1.60
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
### Artikel 1.63
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Artikel 1.69
### Artikel 1.70
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
##### Artikel 3.24a
1. De aanvraag van een individuele goedkeuring voor voertuigen wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften en op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
3. De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën L, T, C, R en S geschiedt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.2.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische personenauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.3.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bedrijfsauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.3a.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bussen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
##### Artikel 5.4.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Aanhangwagens en lastdragers
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 6. Diversen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.3.2. Beveiligingen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Vervallen.
### Artikel 9
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 39. **Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen**
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
Vervallen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 30
Om emissiegerelateerde fouten te kunnen vaststellen moet het uitleesapparaat worden aangesloten op het emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem. Indien het uitleesapparaat geen foutcodes in modus 03 weergeeft die in de lijst met emissiegerelateerde foutcodes zijn vermeld bevat het systeem geen emissiegerelateerde fouten.
### Artikel 32
### Artikel 45b
### Artikel 43. **Wijze van keuren**
### § 3. **Wiellagers**
### Artikel 46
### Artikel 47
### Artikel 48
Remslangen mogen:
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Vervallen.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 102
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van deze bijlage van overeenkomstige toepassing.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 115
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 124
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Artikel 1.0
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
### Artikel 1.29
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Artikel 1.38
### Artikel 1.33
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
### Artikel 1.58
### Artikel 1.41
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
2 Voor de cabine.
### Artikel 3
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
### Artikel 10
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 45c
### § 2. **Draaipunten**
### Artikel 52. **Maximale toegestane speling stuurkogels**
Vervallen.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
Vervallen.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
### Artikel 97
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 99
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
### Artikel 105
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
### Artikel 117
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### § 2.2.1. **Algemeen**
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 1.34
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Artikel 1.35
### Artikel 1.36
### Artikel 1.37
### Artikel 1.38
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
### Artikel 1.39
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.65
### Artikel 1.49
### § 2.2.3. **Tankbanden**
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.41
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.43
### Artikel 1.44
### Artikel 1.45
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.2a
In deze regeling wordt verstaan onder:
- **EN ISO/IEC 17025:** Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria (General requirements for the competence of testing and calibration laboratories);
- **ISO/IEC 15408-1:** Informatie technologie – beveiligingstechnieken – evaluatiecriteria voor informatie technologie beveiliging – deel 1: introductie en algemeen model (Information technology – Security techniques – Evaluation criteria for IT security – Part 1: Introduction and general model);
- **ISO/IEC 15417:2007:** Informatietechnologie – Automatische identificatie en data capture-technieken – Code 128a streepjescode symbologie specificatie;
- **NEN-EN 50436-1:** Alcoholsloten – Beproevingsmethoden en prestatie-eisen – Deel 1: apparaten voor gebruik in programma's voor overtreders van de alcoholverkeerswet, december 2005.
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
##### Artikel 1.5
Een aanwijzing als technische dienst op grond van [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, indien:
- a. de hoofdvestiging van de aanvrager zich binnen Nederland bevindt of binnen een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
- b. de aanvrager door een bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025, of een aanvraag daartoe heeft ingediend bij die accreditatie-instelling;
- c. het accreditatiecertificaat is afgegeven door een van de in onderdeel b bedoelde accreditatie-instellingen;
- d. het accreditatiecertificaat geldig is voor meetmiddelen voor ademalcoholgehalte.
##### Artikel 1.6
1. De aanvraag tot aanwijzing als technische dienst op grond van [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Op de aanwijzing tot technische dienst als bedoeld in het eerste lid, is bijlage V, aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
3. Van de aanwijzing van een technische dienst als bedoeld in het eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 1.7
1. Nadat een aanwijzing als technische dienst is verleend, wordt door de Dienst Wegverkeer periodiek door middel van een controlebeoordeling onderzocht of de technische dienst nog voldoet aan de aan die dienst gestelde eisen.
2. De periodieke controle, bedoeld in het eerste lid, vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats, indien het een technische dienst betreft die is geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 door een bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die accreditatie geldig is voor meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
3. De periodieke controle, bedoeld in het eerste lid, vindt ten minste eenmaal per jaar plaats, indien het een technische dienst betreft die een aanvraag heeft ingediend tot accreditatie overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 bij een bij de het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en het verzoek tot accreditatie zich mede uitstrekt tot meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
4. Op de uitvoering van periodieke controles als bedoeld in het eerste lid, is bijlage V, aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 1.8
1. De aanwijzing kan worden geschorst indien niet meer wordt voldaan aan de in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) genoemde eisen.
2. Bij schorsing van een aanwijzing kan worden bepaald dat indien niet binnen een termijn van ten hoogste twaalf weken wordt aangetoond dat weer aan de eisen wordt voldaan, alsnog intrekking van de aanwijzing volgt.
##### Artikel 1.9
De aanwijzing wordt door de Dienst Wegverkeer ingetrokken indien:
- a. de betrokken technische dienst daarom verzoekt;
- b. de betrokken technische dienst niet meer voldoet aan de in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.5&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen;
- c. de accreditatie van de betrokken technische dienst is ingetrokken of de aanvraag tot accreditatie is afgewezen door de bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
##### Artikel 1.10
De [artikelen 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.8&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01) laten onverlet de bevoegdheid tot schorsing of intrekking van de aanwijzing in andere gevallen als omschreven in deze paragraaf.
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg en typegoedkeuring van alcoholsloten
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken, voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede alcoholsloten
### Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal gebruiksdoel
### Afdeling 6. Goedkeuring taxi
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
#### § 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
##### Artikel 3.23a
1. De aanvraag van een nationale typegoedkeuring voor een alcoholslot en de daarbij behorende uitleesapparatuur of een aanvraag voor een goedkeuring voor een productieproces van een alcoholslot wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Bij de aanvraag worden een of meerdere verklaringen gevoegd, afgegeven door de Dienst Wegverkeer of een door de Dienst Wegverkeer aangewezen technische dienst, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
3. Bij de aanvraag wordt een document overgelegd, waaruit blijkt dat de eisen, genoemd in artikel 5, tweede lid, van [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), zijn getoetst door een laboratorium dat door een bij het Common Criteria Recognition Agreement aangesloten accreditatie-instelling is geaccrediteerd voor het uitvoeren van common criteria evaluaties.
##### Artikel 3.23b
De Dienst Wegverkeer houdt op door deze dienst te bepalen wijze toezicht op de nationale typegoedkeuring van alcoholsloten en de daarbij behorende uitleesapparatuur, alsmede op de goedkeuring van de productieprocessen van deze alcoholsloten en bijbehorende uitleesapparatuur.
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
##### Artikel 3.25a
Een typegoedkeuring voor het alcoholslot verliest haar geldigheid, indien:
- a. een wijziging in het alcoholslot of het productieproces van dat alcoholslot heeft plaatsgevonden, waardoor niet meer aan de voorwaarden voor een afgegeven typegoedkeuring wordt voldaan;
- b. een wijziging in het alcoholslot of in het productieproces van dat alcoholslot is aangebracht die in strijd is met de typegoedkeuring;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het alcoholslot of het productieproces niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.5.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische driewielige motorrijtuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.6.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 8. Reminrichting
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 12. Diversen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 0. Algemeen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 9. Carrosserie
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Aanhangwagens en lastdragers
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 3. Reminrichting
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### E. Wagens
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 2.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.89a
1. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:
- a. Het kalibratiegas moet zodanig zijn samengesteld dat daarmee de kalibratiecontrole van een alcoholslot op juiste wijze kan worden uitgevoerd. Behalve ten aanzien van het alcoholgehalte is de fabrikant vrij in de keuze van de samenstelling, mits de samenstelling geen invloed heeft op de juiste werking van het alcoholslot;
- b. het kalibratiegas moet een nominale alcoholconcentratie hebben van de door de fabrikant van het alcoholslot gespecificeerde concentratie, plus of min 10%;
- c. het kalibratiegas moet telkens worden bereid met een alcoholconcentratie met een onzekerheid van niet meer dan 3%.
2. Bij de productie van het in het eerste lid bedoelde kalibratiegas:
- a. is de fabrikant vrij in de keuze van de methode van vervaardiging, mits het kalibratiegas voldoet aan de voorschriften van dit artikel;
- b. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het onder de volgende omgevingscondities voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen:
- 1°. omgevingstemperaturen van 10 °C tot en met 33 °C;
- 2°. luchtdrukken van 970 hPa tot en met 1050 hPa;
- 3°. relatieve luchtvochtigheid van 5% tot en met 95%;
- c. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen gedurende ten minste 100 kalibraties of gedurende ten minste 200 dagen;
3. [Artikel 8.4.89, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2017-10-01&g=2017-10-01), is van overeenkomstige toepassing.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 9.1. Algemeen
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 8.1. Algemeen
#### § 10.9. Overige
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Op de retroreflector moet:
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen, worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### § 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD)
### § 3. **Wiellagers**
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 135
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Artikel 1.57
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.2. **CNG-tank**
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.47
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
### Artikel 1.50
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### Artikel 1.42
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.46
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.72
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.57
### Artikel 1.49
### § 2.2.3. **Tankbanden**
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.52
### Artikel 1.53
### Artikel 1.54
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van de Regeling voertuigen
### Artikel 1.55
##### Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in afwijking van punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **ademmonster:** monster dat bij hard uitblazen door de mond in de handset van het alcoholslot wordt genomen en door het alcoholslot wordt gemeten.
2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in aanvulling op punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **datageheugen:** registratie-eenheid als onderdeel van de vaste eenheid van het alcoholslot, waarin de in annex 3 aangegeven aspecten met datum en tijd worden vastgelegd;
- **erkend installateur:** de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k);
- **erkende medewerker:** de medewerker, bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend), die bevoegd is tot het uitvoeren van de in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k) bedoelde werkzaamheden;
- **geldig ademmonster:** ademmonster dat voldoet aan de in annex 1 vastgestelde eis voor volume en de in NEN-EN 50436-1 vastgestelde eisen voor luchtstroom en uitademtijd;
- **handset:** het al dan niet draadloze deel van het alcoholslot dat wordt gebruikt voor het afnemen en analyseren van het ademmonster;
- **identificatiekenmerk:** het unieke identificatienummer van het alcoholslot dat is samengesteld uit het typegoedkeuringsnummer en het serienummer van het alcoholslot;
- **initieel ademmonster:** het in het kader van het alcoholslotprogramma in de handset afgegeven geldige ademmonster met het oog op het kunnen starten van het motorrijtuig;
- **fabrikant:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ontwerp, de constructie en de productie van het alcoholslot;
- **terugroeping voor onderhoud:** een door het alcoholslot gegenereerde herinnering verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet worden gekalibreerd;
- **uitleesapplicatie:** de applicatie die wordt gebruikt voor het kalibreren, justeren en uitlezen van het alcoholslot, alsmede voor het overbrengen van instellingen naar en voor het vastleggen van gegevens en waarnemingen in het alcoholslot, respectievelijk het overbrengen van gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister;
- **vaste eenheid:** het deel van het alcoholslot dat vast in het motorrijtuig wordt gemonteerd en zorg draagt voor het opslaan van gegevens en dat het starten van het motorrijtuig voorkomt indien er geen geldig ademmonster is afgegeven dat lager is dan de in annex 1 gestelde limiet;
- **vroegtijdige terugroeping:** een door het alcoholslot gegenereerde extra terugroeping in de periode voordat de in annex 1 vastgestelde uiterste termijn voor onderhoud is verstreken en niet verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd;
- **vrije herstartperiode:** periode gedurende welke geen ademmonster behoeft te worden afgegeven om het motorrijtuig te starten.
### Artikel 1.56
##### Artikel 2
1. Alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) voldoen aan de eisen uit NEN-EN 50436-1, voor zover in deze bijlage niet expliciet die eisen worden aangevuld of van die eisen wordt afgeweken.
2. In aanvulling op NEN-EN 50436-1, voldoen alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), aan de in annex 1 vastgestelde aanvullende parameterinstellingen.
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
### Artikel 1.58
##### Artikel 3
In aanvulling op punt 4.1 uit NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. In het alcoholslot moeten de in annex 1 vastgestelde parameterinstellingen kunnen worden ingesteld op waarden die zijn gelegen tussen de in die annex vastgestelde minimale en maximale waarden.
- 2. De maximale waarde waaronder het startmechanisme wordt gedeblokkeerd, wordt ingesteld op 90 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
- 3. Het alcoholslot waarborgt dat het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart indien:
- a. een geldig initieel ademmonster met een alcoholgehalte lager dan de in annex 1 vastgestelde limiet wordt afgegeven én de motor van dat motorrijtuig binnen de in die annex vastgestelde startperiode wordt gestart;
- b. de motor van het desbetreffende motorrijtuig na het uitschakelen van de motor binnen de in annex 1 vastgestelde periode van vrije herstart wordt gestart of gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 4 bedoelde overbruggingsfunctie.
- 4. In aanvulling op het derde lid, onderdeel a, wordt, indien er sprake is van een draadloze handset, uitsluitend een ademmonster gegeven als het contact van het motorrijtuig in de accessoire stand staat. Indien het contact is uitgeschakeld, is het afgeven van een ademmonster onmogelijk.
- 5. Alle instelbare functies en parameters kunnen alleen worden ingesteld door de in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend) bedoelde personen. Wijzigingen in de instellingen van de functies en de parameters worden in het datageheugen vastgelegd.
- 6. Voor zover het alcoholslot over niet in annex 1 genoemde, instelbare functies of parameters beschikt, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer daarvan in kennis, onder mededeling van de ingestelde waarden.
- 7. Het alcoholslot is voorzien van een scherm waarop in het Nederlands aanwijzingen aan de gebruiker worden gegeven. Andere talen zijn toegestaan als extra dienstverlening.
- 8. Als een initieel ademmonster niet geldig is, wordt dit op het in het zevende lid bedoelde scherm aangegeven, tezamen met de reden.
- 9. Indien het initiële ademmonster niet geldig is, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel ademmonster mogelijk. Er wordt geen limiet worden gesteld aan het aantal initiële ademmonsters.
- 10. Indien het initiële ademmonster wel geldig is, maar het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan de in annex 1 vastgestelde limiet, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel blaasmonster mogelijk, ongeacht de hoogte van het gemeten alcoholgehalte. Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal initiële ademmonsters. Op het scherm wordt uitsluitend vermeld dat het gemeten ademalcoholgehalte te hoog is. De hoogte van het gemeten ademalcoholgehalte wordt niet vermeld.
- 11. Het alcoholslot beschikt over de mogelijkheid om de periode aan te geven waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd en het motorrijtuig moet zijn teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), en om deze periode aan de gebruiker door middel van een mededeling op het scherm kenbaar te maken. Vanaf een in annex 1 vastgesteld aantal dagen voor het verstrijken van die periode wordt de gebruiker bij het starten van de motor goed waarneembaar geïnformeerd over het verstrijken van die datum. Het startmechanisme kan na een in genoemde annex vastgesteld aantal dagen na het verstrijken van die periode niet meer door de gebruiker van het motorrijtuig worden gedeblokkeerd. Vanaf het verstrijken van die periode wordt tevens goed waarneembaar aangegeven na hoeveel dagen het startmechanisme niet meer kan worden gedeblokkeerd.
- 12. De handset en de vaste eenheid krijgen tijdens de productie een fabrikant-specifieke unieke identiteit. De identiteit van de handset en de vaste eenheid kunnen niet worden gewijzigd.
- 13. Tijdens installatie wordt één handset logisch gekoppeld aan de vaste eenheid.
### Artikel 1.68
##### Artikel 4
1. In afwijking van punt 4.2 uit NEN-EN 50436-1, is uitsluitend voorzien in een overbruggingsfunctie bestemd voor onderhoud aan het motorrijtuig of het alcoholslot, waarmee het startmechanisme gedurende een in annex 1 vastgestelde maximale periode kan worden gedeblokkeerd zonder dat een initieel ademmonster of een hertest behoeft te worden afgelegd.
2. Het gebruik van de overbruggingsfunctie, bedoeld in het eerste lid, is uitsluitend na invoer van een code mogelijk en wordt altijd geregistreerd in het datageheugen.
3. De overbrugging moet op eenvoudige wijze voortijdig kunnen worden beëindigd.
### Artikel 1.60
##### Artikel 5
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, registreert het datageheugen ten minste de waarnemingen en gebeurtenissen vastgesteld in annex 2, met de daarbij behorende verplichte velden.
2. Ten aanzien van het alcoholslot en de uitleesapplicatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongeautoriseerd kennisnemen, tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking en om te garanderen dat waarnemingen en gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid onweerlegbaar en integer worden geregistreerd in het alcoholslotregister, bedoeld in [artikel 129a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a).
3. Om aan het tweede lid te voldoen, wordt het alcoholslot alsmede de uitleesapplicatie beschermd door beveiligingsmaatregelen, zoals geformuleerd in het beschermingsprofiel Alcohol Interlock pp, v1.0.
##### Artikel 6
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, wordt iedere waarneming of gebeurtenis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgelegd in een aparte verslagregel.
2. Een verslagregel bevat ten minste de volgende velden:
- a. datum en tijd in Centraal Europese Tijd, rekening houdend met de zomertijd. Indien een verslagregel betreffende een meting van het ademalcoholgehalte niet onmiddellijk wordt opgeslagen in het datageheugen, bevat de verslagregel ook de datum en tijd van opslag in het datageheugen;
- b. volgnummer, dat oplopend moet zijn;
- c. berichttype;
- d. berichtnummer;
- e. één of meer meetwaarden of veldwaarden, en waar relevant zowel de oude als de nieuwe waarden.
3. De in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde verplichte velden per gegevens record mogen worden gevolgd door niet-gestandaardiseerde aanvullende velden.
4. Zowel verslagregels ontstaan in de handset, als de verslagregels ontstaan in de vaste eenheid, worden opgeslagen in het datageheugen.
5. Het datageheugen heeft een geheugenruimte die voldoende ruimte biedt voor het vastleggen van ten minstealle verslagregels die het alcoholslot bij normaal gebruik genereert in de maximale periode gedurende welke het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, plus de duur van de waarschuwing na het verstrijken van dezer maximale periode, zoals deze zijn vastgesteld in annex 1.
##### Artikel 7
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, kunnen de verslagregels uit het datageheugen alleen worden uitgelezen door personen als bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66r), met een door de fabrikant van het alcoholslot te leveren en door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde uitleesapplicatie.
2. De uitlezing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
3. Het datageheugen genereert een beveiligd uitvoerbestand dat onverwijld aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden op de in [artikel 66ss van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66ss) aangegeven wijze overeenkomstig de structuurdefinitie zoals die overeenkomstig [artikel 66f, derde lid, van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66f) is vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
4. Het datageheugen wordt pas geschoond nadat van de Dienst Wegverkeer een bevestiging is ontvangen dat het uitvoerbestand op correcte wijze is geregistreerd in het in [artikel 129a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a) bedoelde alcoholslotregister.
### Artikel 1.62
##### Artikel 8
In afwijking van punt 4.7 van NEN-EN 50436-1, gelden voor de hertest de volgende eisen:
- a. het alcoholslot geeft na het deblokkeren van het startmechanisme door goed waarneembare auditieve signalen aan wanneer een hertest dient te worden uitgevoerd;
- b. de eerste keer na het deblokkeren van het startmechanisme vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval, na een instelbare wachtperiode;
- c. elke volgende keer vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval;
- d. het alcoholslot maakt het mogelijk dat de hertest binnen de in annex 1 vastgestelde tijdsinterval kan worden afgelegd;
- e. de duur van het auditieve signaal wordt ingesteld op de in annex 1 vastgestelde waarde. Zolang binnen de in onderdelen b of c bedoelde periode geen geldig ademmonster is afgegeven, worden herinneringen afgegeven met tussenpozen van minimaal drie minuten en maximaal vijf minuten;
- f. het is mogelijk de hertest uit te voeren zonder dat de aandacht van de bestuurder voor het verkeer hoeft af te nemen;
- g. indien de bestuurder geen gehoor geeft aan de oproep om een hertest, of indien bij een hertest uit het afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet, roept het alcoholslot de bestuurder op om het motorrijtuig zo snel mogelijk stop te zetten. Hiertoe geeft het alcoholslot goed waarneembare auditieve of visuele signalen af die aan blijven houden totdat de bestuurder de motor van zijn motorrijtuig heeft uitgezet.
### Artikel 1.64
##### Artikel 9
1. In aanvulling op punt 4.8 van NEN-EN 50436-1, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. minder dan 10% van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
- b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onrechtmatigheden of technische mankementen zijn;
- c. het alcoholslot na de laatste uitlezing ten minste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd.
2. In aanvulling op het eerste lid, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet;
- b. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;
- c. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet.
### Artikel 1.66
##### Artikel 10
1. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is de toegang tot het datageheugen, tot de middelen waarmee de parameters worden ingesteld en tot de mogelijkheden voor afstelling zodanig ontworpen dat onbevoegde of onbedoelde wijziging wordt voorkomen.
2. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is het alcoholslot op een zodanige wijze ingesteld dat daardoor manipulatie bij het afgeven van het ademmonster wordt voorkomen.
### Artikel 1.75
##### Artikel 11
In aanvulling op punt 5 van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. De volgende gegevens van het alcoholslot zijn duidelijk leesbaar aangebracht op een constructieplaat op de vaste eenheid:
- a. fabrikant;
- b. merk;
- c. type;
- d. serienummer van het desbetreffende onderdeel;
- e. typegoedkeuringsnummer van het type alcoholslot, zoals dat overeenkomstig de in annex 3 opgenomen eisen is samengesteld.
- 2. De in onderdeel 1, onder d en e, bedoelde gegevens, zijn in barcode leesbaar. De barcode is samengesteld met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
- 3. Het temperatuurbereik waarbinnen het alcoholslot kan worden gebruikt, is voor de gebruiker zichtbaar aangegeven, tenzij het bereik van de zichtbare onderdelen minimaal –45 °C tot en met +85 °C bedraagt.
### Artikel 1.68
##### Artikel 12
1. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, moet elk alcoholslot zijn voorzien van een instructie voor de installatie in de Nederlandse taal die ten minste de volgende informatie bevat:
- a. de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het desbetreffende alcoholslot;
- b. het type van het alcoholslot;
- c. het Nederlandse typegoedkeuringsnummer.
2. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, wordt aan de instructie voor installatie het volgende onderdeel toegevoegd:
Criteria voor plaatsing
Bij de opstelling van de montagehandleiding voor de handset wordt ten minste op de volgende punten ingegaan:
- a. de handset wordt geïnstalleerd op een manier die de goede werking en de veiligheid van het motorrijtuig niet in gevaar brengt;
- b. de plaatsing van de handset leidt in geval van een ongeval niet tot onnodig letsel;
- c. de handset wordt binnen handbereik van de chauffeur geplaatst;
- d. de handset is zodanig gemonteerd dat deze bij het op en neer bewegen van het motorrijtuig, of bij rijden over slechte wegen, of bij het maken van abrupte manoeuvres, niet kan losraken;
- e. de kabel van de handset is op zodanige wijze worden geleid dat hij niet kan interfereren met de veilige werking van het motorrijtuig;
- f. de montagematerialen zijn bestand tegende trillingen, schokken en temperaturen die in het motorrijtuig kunnen voorkomen;
- g. de montage van de handset belemmert geen andere voertuigfuncties;
- h. bij de plaatsing in het voertuig wordt rekening gehouden met de aanwezige airbags;
- i. indien in bij het installeren van de handset rekening moet worden gehouden met beperkingen ten aanzien van de installatie, wordt dit duidelijk en expliciet in de montagehandleiding vermeld;
- j. het alcoholslot onderbreekt na het installeren de spanning tussen contactslot of startknopen de startmotor;
- k. de installatieprocedure garandeert dat een alcoholslot alleen kan interveniëren in de auto wanneer deze wordt gestart. Een reeds draaiende motor wordt niet onderbroken;
- l. de plaats en wijze waarop na inbouw van het alcoholslot de verzegeling van dat alcoholslot moet worden aangebracht.
### Artikel 1.70
### Artikel 1.77
##### Artikel 13
1. De punten 8.1.1 tot en met 8.1.4 van NEN-EN 50436-1, zijn van overeenkomstige toepassing op losse handsets indien een verbinding van dit apparaat met het stroomcircuit van het desbetreffende motorrijtuig is voorzien.
2. In aanvulling op het eerste lid, geldt voor losse handsets dat in delen van het alcoholslot met geïntegreerde batterijen de batterijen gedurende 60 seconden worden geplaatst met omgekeerde polariteit, tenzij een verkeerde polarisatie technisch niet mogelijk is.
### Artikel 1.78
##### Artikel 14
In aanvulling op punt 8.3.1 van NEN-EN 50436-1, geldt voor losse handsets een omgevingstemperatuur van –20 °C tot +65 °C.
### Artikel 1.72
##### Artikel 15
In aanvulling op punt 8.4.1 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot de omgevingstemperaturen van respectievelijk –5 °C, 0 °C en +65 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze respectievelijke omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot omgevingstemperatuur van –20 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eerste eis van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
##### Artikel 16
In aanvulling op punt 8.4.2 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot de laagste omgevingstemperatuur heeft bereikt die door de fabrikant is gespecificeerd, zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, waarbij de omgevingstemperatuur echter niet hoger is dan –5 °C, met: wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 9V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 16V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot een omgevingstemperatuur van 65 °C, heeft bereikt met wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 16V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 32V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 125% van de nominale accuspanning en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. bij een temperatuur van 5 °C onder de laagste omgevingstemperatuur die door de fabrikant is gespecificeerd zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, mag het slot niet gereed zijn voor het afnemen van een ademmonster.
##### Artikel 17
In afwijking van punt 8.4.4. van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. bij een omgevingstemperatuur van 20 °C is het alcoholslot na inschakeling vanuit de stand van beperkt energieverbruik binnen één minuut gereed om een ademmonster af te nemen. In deze omgevingsomstandigheid voldoet het alcoholslot aan de eisen van functionele beproeving type 1 van punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot nadat het alcoholslot in de stand van beperkt energieverbruik in een omgeving met een temperatuur van –5 °C is gebracht, met is het alcoholslot binnen 90 seconden na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. indien een alcoholslot is gespecificeerd voor een omgevingstemperatuur van –20 °C en niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot in een omgeving met een temperatuur van –20 °C is gebracht, in de stand van beperkt energieverbruik, met : is het alcoholslot binnen drie minuten na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu volgens de accuspecificatie,
### Artikel 1.74
##### Artikel 18
In aanvulling op punt 8.8. van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
- 1. het alcoholslot deblokkeert het startmechanisme niet als:
- a. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk met een verstopte luchtuitlaat;
- b. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van het mondstuk totdat de minimale gasstroom is bereikt, waarna in omgekeerde richting wordt gezogen;
- c. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via het mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen;
- d. indien dit mogelijk is, driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via de ademuitgang van het mondstuk respectievelijk het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen.
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
##### Artikel 19
In afwijking van de laatste alinea van punt 8.13 van NEN-EN 50436-1, voldoet het alcoholslot gedurende de in annex 1 genoemde periode, of langer indien door de fabrikant een langere termijn is aangegeven als uiterste termijn waarbinnen het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, vermeerderd met de in annex 1 vastgestelde duur van de waarschuwing nadat deze termijn is verstreken, onder normale omstandigheden aan de eisen van de functionele beproevingen type 1 en type 3 uit punt 7.5.
##### Artikel 20
In aanvulling op hoofdstuk 8 van NEN-EN 50436-1, wordt een eis toegevoegd, luidende:
Nadat een ademmonster is afgegeven, geeft het alcoholslot het dienovereenkomstige uitvoersignaal:
- a. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 10 seconden;
- b. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,250 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 15 seconden;
- c. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,350 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 20 seconden.
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
### Hoofdstuk 4. **Etiketteren en markeren**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2011-03-29&g=2011-03-29)
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Vervallen.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-03-29&g=2011-03-29), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-03-29&g=2011-03-29), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.40
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2011-03-29&g=2011-03-29), van de Regeling voertuigen
### § 2.2.2. **CNG-tank**
### Artikel 1.47
### Artikel 1.50
### Artikel 1.51
### Artikel 1.64
### Artikel 1.57
### Artikel 1.71
### Artikel 1.63
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.67
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3 moet het, aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende, en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde, voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, dan wordt door de Dienst Wegverkeer, op de wijze vermeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Onverminderd het in artikel 4 bepaalde ten aanzien van de ruiten, bedoeld in dat artikel, moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2011-04-09&g=2011-04-09)
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2011-04-09&g=2011-04-09), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2011-04-09&g=2011-04-09), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.48
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2011-04-09&g=2011-04-09), van de Regeling voertuigen
### Artikel 1.60
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
### Artikel 1.65
### Artikel 1.69
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Artikel 1.80
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
##### Artikel 3.24a
1. De aanvraag van een individuele goedkeuring voor voertuigen wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften en op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
3. De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën L, T, C, R en S geschiedt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.2.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische personenauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.3.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bedrijfsauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.3a.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bussen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
##### Artikel 5.4.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.5.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische driewielige motorrijtuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.6.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
@@ -16646,7 +16692,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.93&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.6.94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.94&z=2017-10-01&g=2017-10-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
| | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.93&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.6.94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.94&z=2018-01-01&g=2018-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.98
@@ -16669,688 +16715,689 @@
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 8. Reminrichting
#### § 5. Assen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 5. Assen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 0. Algemeen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### A. Aanhangwagens
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
##### Artikel 5.18.62
1. Op een afsleepas zijn de [artikelen 5.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=1&artikel=5.12.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.12.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.12.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=5&artikel=5.12.18&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.12.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=6&artikel=5.12.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.12.31, eerste tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [5.12.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.66&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.12.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.68&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Een afsleepas moet zijn voorzien van een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch toegestane maximummassa is aangegeven.
3. Aan de achterzijde van het door de afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 3. Reminrichting
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.74a
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2018-01-01&g=2018-01-01), wordt een verzegeling aangebracht tussen de platenremtestbank en zijn fundering.
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.75a
Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in de [artikelen 8.4.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.1&artikel=8.4.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [8.4.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.2&artikel=8.4.28&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en is voorzien van een arreteerinrichting.
##### Artikel 8.4.75b
1. De maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen statische remkracht bedraagt:
- a. bij een kracht die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. bij een kracht die groter is dan 2500 N: 4% van de werkelijke remkracht.
2. Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld in het eerste lid.
3. De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 7.2.2. De maximale fout
##### Artikel 8.4.75c
1. De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.
2. Indien een registratie-inrichting aanwezig is, moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.
3. De aanwijzingen moeten:
- a. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- b. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn.
4. Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de aflezing op eenvoudige wijze mogelijk is.
##### Artikel 8.4.75d
1. De platenremtestbank is op eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.
2. Het oppervlak van de meetplaten is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. De minimale lengte van de meetplaat bedraagt 1,35 m.
##### Artikel 8.4.75e
De resulterende meetwaarde is de maximale gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.76
1. Typekeuringscertificaten die afgegeven zijn vóór 1 januari 2012, vervallen met ingang van 1 augustus 2012.
2. Platenremtestbanken die op basis van vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik genomen zijn, moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht waren op 31 december 2011.
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-01-01&g=2012-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd als bedoeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.54
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.55
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
### Artikel 1.72
### Artikel 1.77
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
### Artikel 1.76
### Artikel 1.82
### Artikel 1.83
### Artikel 1.80
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
### **T100-bussen**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-10-01&g=2012-10-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-10-01&g=2012-10-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2014-03-20&g=2014-03-20), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2014-03-20&g=2014-03-20), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
In deze annex:
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.68
### Artikel 1.71
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
### Artikel 1.78
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### **T100-bussen**
### Artikel 1
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.12.31a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een reminrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De reminrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in [artikel 5.12.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2018-01-01&g=2018-01-01). | – |
##### Artikel 5.12.39a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een vastzetinrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De vastzetinrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in [artikel 5.12.39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.39&z=2018-01-01&g=2018-01-01). | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
#### § 12. Diversen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 5. Assen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
#### § 1. Algemeen
#### § 2a. Sneeuwkettingen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### E. Wagens
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1. Roetmeters
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
Vervallen.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-12-31&g=2012-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-12-31&g=2012-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.56
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2012-12-31&g=2012-12-31), van de Regeling voertuigen
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
### § 4. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 1. **Algemene bepalingen**
### § 6. **Manipulatie**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### § 3. **Omgevingsproeven**
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-01-01&g=2013-01-10), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.66
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-01-01&g=2013-01-10), van de Regeling voertuigen
### Artikel 1.79
### Hoofdstuk 2. **Onderwerp en toepassingsbereik**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Hoofdstuk 1. **Algemene bepalingen**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.6.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bromfietsen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bromfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Visuele controle. |
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de Minister van Infrastructuur en Milieu op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.7.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorrijtuigen met beperkte snelheid: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### A. Aanhangwagens
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 5.18.62
1. Op een afsleepas zijn de [artikelen 5.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=1&artikel=5.12.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.12.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.12.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=5&artikel=5.12.18&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.12.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=6&artikel=5.12.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.12.31, eerste tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [5.12.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.66&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.12.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.68&z=2017-10-01&g=2017-10-01) van overeenkomstige toepassing.
2. Een afsleepas moet zijn voorzien van een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch toegestane maximummassa is aangegeven.
3. Aan de achterzijde van het door de afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 3. Reminrichting
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 1. Keuringsinstellingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.2. Maximale fout
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1. Roetmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.74a
Onverminderd het bepaalde in [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2017-10-01&g=2017-10-01), wordt een verzegeling aangebracht tussen de platenremtestbank en zijn fundering.
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.75a
Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in de [artikelen 8.4.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.1&artikel=8.4.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [8.4.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&sub-paragraaf=5.2&artikel=8.4.28&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en is voorzien van een arreteerinrichting.
##### Artikel 8.4.75b
1. De maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen statische remkracht bedraagt:
- a. bij een kracht die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. bij een kracht die groter is dan 2500 N: 4% van de werkelijke remkracht.
2. Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld in het eerste lid.
3. De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 7.2.2. De maximale fout
##### Artikel 8.4.75c
1. De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.
2. Indien een registratie-inrichting aanwezig is, moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.
3. De aanwijzingen moeten:
- a. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- b. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn.
4. Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de aflezing op eenvoudige wijze mogelijk is.
##### Artikel 8.4.75d
1. De platenremtestbank is op eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.
2. Het oppervlak van de meetplaten is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. De minimale lengte van de meetplaat bedraagt 1,35 m.
##### Artikel 8.4.75e
De resulterende meetwaarde is de maximale gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
##### Artikel 8.4.76
1. Typekeuringscertificaten die afgegeven zijn vóór 1 januari 2012, vervallen met ingang van 1 augustus 2012.
2. Platenremtestbanken die op basis van vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik genomen zijn, moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht waren op 31 december 2011.
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2012-10-01&g=2012-10-01)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-01-01&g=2012-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze annex:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.59
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 1.77
### Artikel 2.2
### Artikel 1.79
### Artikel 1.82
### Artikel 1.83
### § 1. **Elektrische proeven**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
### **T100-bussen**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-10-01&g=2012-10-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-10-01&g=2012-10-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2014-03-20&g=2014-03-20), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2014-03-20&g=2014-03-20), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
De kleur en afmetingen moeten zijn:
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.73
### Artikel 1.75
### Artikel 1.81
### Hoofdstuk 2. **Onderwerp en toepassingsbereik**
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Hoofdstuk 3. Eisen aan het alcoholslot
### § 1. **Algemene eisen**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.12.31a
1. Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een reminrichting.
2. De reminrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in [artikel 5.12.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.31&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
##### Artikel 5.12.39a
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een vastzetinrichting. | – |
| 2. | De vastzetinrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in [artikel 5.12.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.39&z=2017-10-01&g=2017-10-01). | – |
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2013-01-01&g=2013-01-10)
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2012-12-31&g=2012-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2012-12-31&g=2012-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.61
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2012-12-31&g=2012-12-31), van de Regeling voertuigen
### Artikel 1.76
### § 4. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 1. **Algemene bepalingen**
### § 6. **Manipulatie**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### § 3. **Omgevingsproeven**
### § 2. **Blokkeren en deblokkeren**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-01-01&g=2013-01-10), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-01-01&g=2013-01-10), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.71
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-01-01&g=2013-01-10), van de Regeling voertuigen
### Artikel 2.1
### Hoofdstuk 2. **Onderwerp en toepassingsbereik**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.6.57a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bromfietsen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bromfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Visuele controle. |
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de Minister van Infrastructuur en Milieu op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.7.12a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorrijtuigen met beperkte snelheid: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.7.57a
@@ -17406,35 +17453,35 @@
| --- | --- | --- |
| | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische gehandicaptenvoertuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
#### § 12. Diversen
#### § 3. Motor
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 3. Motor
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 9. Carrosserie
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.14.57a
@@ -17448,414 +17495,414 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Aanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30), mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens [artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30), mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielig motorrijtuigen, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 6. Diversen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 2. Toerentellers
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 9.1. Algemeen
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
#### § 10.9. Overige
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2015-01-01&g=2015-01-01) en kleine serie typegoedkeuring voor de categorieën M, N en O behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
Vervallen
Vervallen.
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-12-31&g=2013-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-12-31&g=2013-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-12-31&g=2013-12-31), van de Regeling voertuigen
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.81
### Artikel 1.83
### Artikel 2.1
### § 1. **Elektrische proeven**
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
### Hoofdstuk 4. **Etiketteren en markeren**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame wordt bepaald door het frame.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen, worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
##### Artikel 106a
1. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.
##### Artikel 106b
De opspatafscherming moet:
- a. zijn aangebracht achter de wielen van de vooras of voorassen en achter de wielen van de achterste achteras;
- b. reiken tot maximaal 30 cm boven het wegdek;
- c. minimaal de gehele breedte van het loopvlak van de band bedekken, en
- d. deugdelijk zijn bevestigd.
##### Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
### Artikel 1.80
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
### Artikel 1.77
### § 1. **Algemene eisen**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Hoofdstuk 6. **Beproevingsprocedures en eisen**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### § 6. **Manipulatie**
### Annex 3. , behorende bij de artikelen 1, tweede lid, 7, tweede lid, en 11, eerste en tweede lid
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Vervallen
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2015-01-01&g=2015-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2015-01-01&g=2015-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2014-10-31&g=2014-10-31)
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage VII. , behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.4.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
| 2. | Het extra dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielig motorrijtuigen, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 2. Toerentellers
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 9.1. Algemeen
#### § 8.2.1. Controle-inrichting
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
#### § 10.9. Overige
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2015-01-01&g=2015-01-01) en kleine serie typegoedkeuring voor de categorieën M, N en O behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
Vervallen
Vervallen.
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2013-12-31&g=2013-12-31)
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2013-12-31&g=2013-12-31), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2013-12-31&g=2013-12-31), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2013-12-31&g=2013-12-31), van de Regeling voertuigen
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 2.2
### Artikel 1
### § 4. **Hertest**
### § 1. **Elektrische proeven**
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### § 4. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 4. **Etiketteren en markeren**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame wordt bepaald door het frame.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2014-03-20&g=2014-03-20)
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
##### Artikel 106a
1. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.
##### Artikel 106b
De opspatafscherming moet:
- a. zijn aangebracht achter de wielen van de vooras of voorassen en achter de wielen van de achterste achteras;
- b. reiken tot maximaal 30 cm boven het wegdek;
- c. minimaal de gehele breedte van het loopvlak van de band bedekken, en
- d. deugdelijk zijn bevestigd.
##### Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
### Artikel 1.80
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
### Hoofdstuk 1. **Algemene bepalingen**
### § 3. **Omgevingsproeven**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### Hoofdstuk 6. **Beproevingsprocedures en eisen**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
### Annex 3. , behorende bij de artikelen 1, tweede lid, 7, tweede lid, en 11, eerste en tweede lid
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Vervallen
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2015-01-01&g=2015-01-01)
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2015-01-01&g=2015-01-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2015-01-01&g=2015-01-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2014-10-31&g=2014-10-31)
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
## Bijlage II. , behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 46, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=46), met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
Vervallen
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
## Bijlage VII. , behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-01-01&g=2017-01-01)
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.4.59b
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| 2. | Het extra dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -17864,14 +17911,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.7.61
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en retroreflector aan de achterzijde, bedoeld in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en retroreflector aan de achterzijde, bedoeld in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
#### § 12. Diversen
@@ -17929,14 +17976,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
##### Artikel 5.8.61
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en retroreflector aan de achterzijde, bedoeld in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en retroreflector aan de achterzijde, bedoeld in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.8.67
@@ -17975,19 +18022,19 @@
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.10.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2017-10-01&g=2017-10-01), van toepassing is. | – |
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 114a en 114b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van toepassing is. | – |
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 9. Carrosserie
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
@@ -18041,7 +18088,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2017-10-01&g=2017-10-01), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2018-01-01&g=2018-01-01), moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op de achteruitrijlichten, remlichten, achterkentekenplaatverlichting, rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten. | – |
@@ -18057,143 +18104,785 @@
### Afdeling 17. Wagens
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.18.25b
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden.
2. De som van de aslasten van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet-autonome aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.
3. Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.
##### Artikel 5.18.25c
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder de as mag niet worden overschreden, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:
- a. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- b. de technisch toegestane maximumlast onder de as van het voertuig.
3. In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer bedragen dan 12.000 kg.
4. Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.
##### Artikel 5.18.25d
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.
##### Artikel 5.18.25e
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
#### B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2.2. De maximale fout
#### § 10.1. Algemeen
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage II. behorende bij [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
Vervallen
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-05-07&g=2017-05-07), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-05-07&g=2017-05-07), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-05-07&g=2017-05-07) en [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage VI. behorende bij de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [6.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [bijlage IV, artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-05-07&g=2017-05-07), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage IX. behorende bij [artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
##### Artikel 5.2.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.2.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.2.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.3.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.3.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.3.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.3a.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.3a.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.3a.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.5.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.5.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.5.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
##### Artikel 5.12.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### E. Fietsen en fietsaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
##### Artikel 6.10
1. Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:
- a. eenzelfde origineel emissiebeheersingssysteem;
- b. een emissiebeheersingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend op grond van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715), [verordening (EG) 595/2009](32009R0595) of VN/ECE-reglement 103 als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2018-01-01&g=2018-01-01).
3. De in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen eis voor de Euro 5-fijnstofnorm, bedoeld in bijlage I van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715), geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.
4. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), mag een wijziging in de constructie waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:
- a. het een personenauto of bus betreft, die in gebruik genomen is voor 1 januari 2011 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- b. het een bedrijfsauto betreft, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2012 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- c. het een voertuig voor speciale doeleinden betreft, zijnde een kampeerwagen, gepantserd voertuig, ambulance, lijkwagen, of een voor rolstoel toegankelijk voertuig betreft dat voor 1 januari 2012 in gebruik is genomen en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- d. het een voertuig betreft dat voor 31 december 2013 in gebruik is genomen en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 9.4. Justeringen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.9. Overige
#### § 11.1. Algemeen
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Vervallen
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
### Hoofdstuk 3. Eisen aan het alcoholslot
### § 6. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
### Hoofdstuk 4. **Etiketteren en markeren**
### Hoofdstuk 6. **Beproevingsprocedures en eisen**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
### § 3. **Omgevingsproeven**
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. , behorende bij artikel 5, eerste lid
### § 4. **Manipulatie**
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.1a
Deze regeling berust mede op de [artikelen 51a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=51a), en [60, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60).
### Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg en typegoedkeuring van alcoholsloten
### Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 6. Goedkeuring taxi
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
#### § 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
#### § 3. Aanvraag individuele goedkeuring
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
#### § 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van [artikel 20b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20b) zijn aangewezen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.18.25b
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden.
2. De som van de aslasten van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet-autonome aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.
3. Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.
##### Artikel 5.18.25c
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder de as mag niet worden overschreden, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:
- a. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- b. de technisch toegestane maximumlast onder de as van het voertuig.
3. In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer bedragen dan 12.000 kg.
4. Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.
##### Artikel 5.18.25d
1. De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
2. De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.
##### Artikel 5.18.25e
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 6. Ophanging
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
### Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
##### Artikel 5.18.32a
1. Banden van motorvoertuigen mogen niet zijn voorzien van sneeuwkettingen die bestaan uit metalen elementen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, indien het gebruik van sneeuwkettingen noodzakelijk is voor het vervullen van een dringende taak.
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 4. Manometers
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 8.2.4. Overgangsmaatregelen
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
@@ -18201,393 +18890,61 @@
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage I. behorende bij [artikel 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
Vervallen
## Bijlage IV. , behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2017-05-07&g=2017-05-07), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-05-07&g=2017-05-07), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-05-07&g=2017-05-07) en [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-05-07&g=2017-05-07), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-05-07&g=2017-05-07)
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-05-07&g=2017-05-07), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
##### Artikel 5.2.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.2.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.2.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.3.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.3.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.3.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.3a.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.3a.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.3a.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.5.10b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 5.5.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.5.59b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
### Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
##### Artikel 5.12.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
##### Artikel 6.10
1. Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:
- 1°. eenzelfde origineel emissiebeheersingssysteem;
- 2°. een emissiebeheersingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend op grond van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715), [verordening (EG) 595/2009](32009R0595) of VN/ECE-reglement 103 als bedoeld in [bijlage Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2017-10-01&g=2017-10-01).
3. De in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01) opgenomen eis voor de Euro 5-fijnstofnorm, bedoeld in bijlage I van [verordening (EG) 715/2007](32007R0715), geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.
4. In afwijking van [artikel 6.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2017-10-01&g=2017-10-01), mag een wijziging in de constructie waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:
- 1°. het een personenauto of bus betreft, die in gebruik genomen is voor 1 januari 2011 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- 2°. het een bedrijfsauto betreft, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2012 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- 3°. het een voertuig voor speciale doeleinden betreft, zijnde een kampeerwagen, gepantserd voertuig, ambulance, lijkwagen, of een voor rolstoel toegankelijk voertuig betreft dat voor 1 januari 2012 in gebruik is genomen en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km;
- 4°. het een voertuig betreft dat voor 31 december 2013 in gebruik is genomen en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Toerentellers
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2.3. Uitvoering
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Vervallen
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
Vervallen
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
## Bijlage IX. , behorende bij [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2017-10-01&g=2017-10-01), en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
## Bijlage IV. behorende bij de [artikelen 3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=1&artikel=6.1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.4, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.4&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.5&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.7&z=2018-01-01&g=2018-01-01), [6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.8&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [6.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.10&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage Va. behorende bij [artikel 3.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage Vb. behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage VII. behorende bij de [artikelen 3.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2018-01-01&g=2018-01-01), en [3.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
## Bijlage X. behorende bij [artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## Bijlage XI. behorende bij [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.6&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
## Bijlage XII. , behorende bij [artikel 3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2018-01-01&g=2018-01-01)
### Hoofdstuk 2. **Onderwerp en toepassingsbereik**
### § 2. **Blokkeren en deblokkeren**
### § 4. **Hertest**
### § 6. **Manipulatie**
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
### § 1. **Elektrische proeven**
### § 3. **Omgevingsproeven**
### § 4. **Manipulatie**
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
2017-10-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 515 más
2017-05-07
Regeling voertuigen — art. 2
2017-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 501 más
2017-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2
2016-03-02
Regeling voertuigen — art. 2
2016-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 532 más
2015-01-01
Regeling voertuigen — arts. 115, 117, 118 y 90 más
2014-10-31
Regeling voertuigen
2014-09-03
Regeling voertuigen
2014-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 4 y 486 más
2014-03-20
Regeling voertuigen
2014-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 2 y 528 más
2013-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 524 más
2013-01-10
Regeling voertuigen
2013-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 3, 15 y 265 más
2012-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 528 más
2012-10-01
Regeling voertuigen
2012-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 310 más
2012-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 525 más
2011-04-09
Regeling voertuigen — art. 2
2011-04-01
Regeling voertuigen — arts. 5, 6, 100 y 485 más
2011-03-29
Regeling voertuigen — arts. 2, 10
2011-02-24
Regeling voertuigen — art. 2
2011-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 1, 11 y 420 más
2010-09-28
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 542 más
2010-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 468 más
2010-06-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 489 más
2010-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 491 más
2009-12-16
Regeling voertuigen — art. 3
2009-11-24
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 503 más
2009-08-21
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 2 y 743 más
2009-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 1267 más
2009-05-01
Regeling voertuigen
original version
Tekst op deze datum