Wijzigingsgeschiedenis
Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
58 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 443 más
2025-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 471 más
2025-02-26
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 469 más
2025-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 465 más
2024-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 462 más
2023-05-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 451 más
2023-05-20
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 4 y 613 más
2023-04-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 454 más
2023-01-01
Regeling voertuigen
2022-07-01
Regeling voertuigen — arts. 45, 45
2022-06-22
Regeling voertuigen
2022-01-01
Regeling voertuigen
2021-10-29
Regeling voertuigen
2021-01-21
Regeling voertuigen
2021-01-05
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 407 más
2021-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 575 más
2020-12-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 441 más
2020-10-15
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 1016 más
2020-09-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 12, 12 y 839 más
2020-08-30
Regeling voertuigen — arts. 1, 1
2020-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 448 más
2018-05-20
Regeling voertuigen — arts. 3, 96, 89 y 172 más
2018-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 498 más
2018-03-31
Regeling voertuigen
2018-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 521 más
2017-10-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 515 más
2017-05-07
Regeling voertuigen — art. 2
2017-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 501 más
2017-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2
2016-03-02
Regeling voertuigen — art. 2
2016-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 532 más
2015-01-01
Regeling voertuigen — arts. 115, 117, 118 y 90 más
2014-10-31
Regeling voertuigen
2014-09-03
Regeling voertuigen
2014-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 4 y 486 más
2014-03-20
Regeling voertuigen
2014-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 2 y 528 más
2013-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 524 más
2013-01-10
Regeling voertuigen
2013-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 3, 15 y 265 más
2012-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 528 más
2012-10-01
Regeling voertuigen
2012-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 310 más
2012-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 525 más
2011-04-09
Regeling voertuigen — art. 2
2011-04-01
Regeling voertuigen — arts. 5, 6, 100 y 485 más
2011-03-29
Regeling voertuigen — arts. 2, 10
2011-02-24
Regeling voertuigen — art. 2
2011-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 1, 11 y 420 más
2010-09-28
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 542 más
Wijzigingen op 2010-09-28
@@ -528,13 +528,13 @@
2. Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.
3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 2.2
1. Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid vermelde datum van eerste toelating wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze zoals vermeld in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=II&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
2. De in het eerste lid vermelde datum van eerste toelating wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze zoals vermeld in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=II&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
3. Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’ een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.
@@ -544,9 +544,9 @@
##### Artikel 3.1
1. De in dit hoofdstuk vermelde categorieën voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers die voor deze voertuigen zijn ontworpen en gebouwd, moeten zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg. Deze goedkeuring kan bestaan uit een EG-typegoedkeuring, nationale typegoedkeuring, EG-kleine serie typegoedkeuring, nationale kleine serie typegoedkeuring, individuele goedkeuring of een goedkeuring afgegeven overeenkomstig een VN/ECE-reglement.
2. De in dit hoofdstuk vermelde productieprocessen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers moeten zijn goedgekeurd.
1. De in dit hoofdstuk vermelde categorieën voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers die voor deze voertuigen zijn ontworpen en gebouwd, moeten zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg. Deze goedkeuring kan bestaan uit een EG-typegoedkeuring, nationale typegoedkeuring, EG-kleine serie typegoedkeuring, nationale kleine serie typegoedkeuring, individuele goedkeuring of een goedkeuring afgegeven overeenkomstig een VN/ECE-reglement. Een alcoholslot moet zijn typegoedgekeurd alvorens het in het kader van het alcoholslotprogramma, bedoeld in [artikel 118, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=118), of [artikel 131, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), kan worden ingebouwd.
2. De in dit hoofdstuk vermelde productieprocessen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede van alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), moeten zijn goedgekeurd.
### Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
@@ -558,19 +558,19 @@
2. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1 moeten voor het verkrijgen van een EG-kleine serie typegoedkeuring voldoen aan [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046).
3. Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
3. Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 3.3
1. Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024).
2. Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
2. Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 3.4
1. Voertuigen met de voertuigclassificatie T1 tot en met T3 moeten voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan [richtlijn 2003/37/EG](32003L0037).
2. Voertuigen met de voertuigclassificatie T4.2 en T5 moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIc&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
2. Voertuigen met de voertuigclassificatie T4.2 en T5 moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIc&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 3.5
@@ -588,7 +588,7 @@
##### Artikel 3.7
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O, L, T en zelfbalancerende bromfietsen, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan de eisen gesteld in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bij deze regeling.
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O, L, T en zelfbalancerende bromfietsen, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan de eisen gesteld in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bij deze regeling.
##### Artikel 3.8
@@ -608,23 +608,31 @@
2. Een systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig met de voertuigclassificatie T4.2 of T5 en waarvoor onafhankelijk van een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend moet voor het verkrijgen van een nationale of EG-typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften van de relevante bijzondere EG-richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen in bijlage II, hoofdstuk B, van [richtlijn 2003/37/EG](32003L0037).
3. De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in [bijlage VA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2010-07-01&g=2010-07-01) moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.
4. Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in [bijlage VB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
5. Een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N, O, L en T moet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende onderdeel relevante voorschriften opgenomen in [bijlage IIIA tot en met IIIC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
3. De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in [bijlage VA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2010-09-28&g=2010-09-28) moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.
4. Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in [bijlage VB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
5. Een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N, O, L en T moet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende onderdeel relevante voorschriften opgenomen in [bijlage IIIA tot en met IIIC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
6. Een alcoholslot als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) voldoet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet aan de in [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bij deze regeling vermelde eisen. De houder van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet verstrekt bij het alcoholslot een afschrift van het typegoedkeuringscertificaat.
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
##### Artikel 3.10
Het productieproces van voertuigen met de voertuigclassificaties M1 en N1 moet voor het verkrijgen van een goedkeuring van het productieproces wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing voldoen aan de voorschriften van de relevante EG-richtlijn opgenomen in bijlage IV of XI van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046).
1. Het productieproces van voertuigen met de voertuigclassificaties M1 en N1 moet voor het verkrijgen van een goedkeuring van het productieproces wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing voldoen aan de voorschriften van de relevante EG-richtlijn opgenomen in bijlage IV of XI van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046).
2. Bijlage X bij richtlijn 2007/46/EG is van overeenkomstige toepassing op het productieproces van alcoholsloten, bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), met dien verstande dat:
- a. voor EG-typegoedkeuring wordt gelezen: typegoedkeuring als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e);
- b. voor EG-typegoedkeuringsinstantie wordt gelezen: de Dienst Wegverkeer.
### Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal gebruiksdoel
##### Artikel 3.11
De volgende voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-07-01&g=2010-07-01):
De volgende voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-09-28&g=2010-09-28):
- a. kampeerwagens;
@@ -646,17 +654,17 @@
##### Artikel 3.12
Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.
Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.
##### Artikel 3.13
1. Een taxi met een EG-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-07-01&g=2010-07-01), indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijk gesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
2. Een taxi met een EG-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-07-01&g=2010-07-01). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-07-01&g=2010-07-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkt gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
3. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-07-01&g=2010-07-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen ten aanzien van:
1. Een taxi met een EG-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-09-28&g=2010-09-28), indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijk gesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
2. Een taxi met een EG-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-09-28&g=2010-09-28). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-09-28&g=2010-09-28). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkt gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
3. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-09-28&g=2010-09-28). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
@@ -672,13 +680,13 @@
##### Artikel 3.15
1. Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01), wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
2. Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01), wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, zie bijlage’.
3. Op het kentekenbewijs van het voertuig als bedoeld in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.14&z=2010-07-01&g=2010-07-01) wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie bijlage’.
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
1. Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-09-28&g=2010-09-28), wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
2. Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-09-28&g=2010-09-28), wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, zie bijlage’.
3. Op het kentekenbewijs van het voertuig als bedoeld in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.14&z=2010-09-28&g=2010-09-28) wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie bijlage’.
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
#### § 1. Aanvraag en toezicht EG-typegoedkeuring en VN/ECE typegoedkeuring
@@ -728,7 +736,7 @@
##### Artikel 3.22
De [artikelen 3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.16&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.18&z=2010-07-01&g=2010-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen en technische eenheden.
De [artikelen 3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.16&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.18&z=2010-09-28&g=2010-09-28) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen en technische eenheden.
##### Artikel 3.23
@@ -738,7 +746,7 @@
##### Artikel 3.24
1. De [artikelen 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.20&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.21&z=2010-07-01&g=2010-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O en L.
1. De [artikelen 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.20&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.21&z=2010-09-28&g=2010-09-28) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O en L.
2. De fabrikant mag de in [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024) en 2007/46/EG vermelde maximale aantal jaarlijks te verkopen, registreren, of in het verkeer te brengen voertuigen niet overschrijden en doet opgave aan de Dienst Wegverkeer van de per kalenderjaar verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen.
@@ -750,7 +758,7 @@
- a. in [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024), 2003/37/EG of 2007/46/EG, of een hierop gebaseerde bijzondere EG-richtlijn, anders is bepaald, of
- b. [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
- b. [artikel 3.26, eerste tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
2. Een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring is verleend anders is bepaald.
@@ -758,12 +766,14 @@
- a. in 2007/46/EG, of een hierop gebaseerde bijzondere EG-richtlijn, anders is bepaald, of
- b. [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
4. Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
- b. [artikel 3.26, eerste tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
4. Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
5. Een individuele goedkeuring vervalt zodra zwaardere eisen van kracht worden.
6. Een typegoedkeuring voor een alcoholslot, inclusief de bijbehorende uitleesapparatuur, als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, hetzij voor het alcoholslot, hetzij voor het productieproces van het desbetreffende alcoholslot. Bij het vervallen van de typegoedkeuring op grond van dit lid is artikel 3.36, zevende en achtste lid, van toepassing.
### Afdeling 9. Restantvoorraden
##### Artikel 3.26
@@ -778,11 +788,15 @@
5. Voltooide voertuigen mogen op grond van een ingevolge [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
6. Met betrekking tot het opnemen van voertuigen in een restantvoorraad, als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, moet worden voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van deze regeling opgenomen voorschriften.
6. Met betrekking tot het opnemen van voertuigen in een restantvoorraad, als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, moet worden voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van deze regeling opgenomen voorschriften.
7. Alcoholsloten die op basis van de oude eisen zijn typegoedgekeurd mogen tot twee jaar na de dag waarop de zwaardere eisen van kracht zijn geworden, worden ingebouwd.
8. Uiterlijk vier jaren na de dag waarop zwaardere eisen van kracht zijn geworden, voldoen alle in het kader van het alcoholslotprogramma in gebruik zijnde alcoholsloten aan de nieuwe eisen.
##### Artikel 3.27
Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen voorschriften.
Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen voorschriften.
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
@@ -792,7 +806,7 @@
##### Artikel 4.2
1. Het is verboden een nieuw onderdeel dat, of een nieuwe technische eenheid die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van één van de voertuigcategorieën, bedoeld in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), te verkopen of in het verkeer te brengen indien het onderdeel of de technische eenheid:
1. Het is verboden een nieuw onderdeel dat, of een nieuwe technische eenheid die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van één van de voertuigcategorieën, bedoeld in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), te verkopen of in het verkeer te brengen indien het onderdeel of de technische eenheid:
- a. niet voldoet aan de voorschriften van de relevante bijzondere richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG, bijlage II, deel 2, van richtlijn 2002/24/EG, bijlage II, en hoofdstuk B, van richtlijn 2003/37/EG, of de relevante VN/ECE-reglementen, of
@@ -800,15 +814,15 @@
2. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdelen of technische eenheden die:
- a. speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen als bedoeld in [artikel 3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- b. zijn bedoeld voor montage op voertuigen als bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- c. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van voertuigcategorie M, N, O, L waarvoor uit hoofde van [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
- d. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01), goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid, of
- e. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor goedkeuringen zijn verleend als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
- a. speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen als bedoeld in [artikel 3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-09-28&g=2010-09-28);
- b. zijn bedoeld voor montage op voertuigen als bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28);
- c. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van voertuigcategorie M, N, O, L waarvoor uit hoofde van [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
- d. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28), goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid, of
- e. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor goedkeuringen zijn verleend als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 4.3
@@ -826,15 +840,15 @@
- b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft, of
- c. niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de [afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde categorieën motorvoertuigen, de in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
- c. niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de [afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde categorieën motorvoertuigen, de in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in [afdeling 18 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2010-07-01&g=2010-07-01) ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in [afdeling 18 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2010-09-28&g=2010-09-28) ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
##### Artikel 5.1.3
@@ -842,7 +856,7 @@
##### Artikel 5.1.4
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in [afdeling 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in [artikel 5.9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=2&artikel=5.9.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01)ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor [artikel 5.10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=2&artikel=5.10.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01) in de plaats treedt.
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in [afdeling 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in [artikel 5.9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=2&artikel=5.9.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28)ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor [artikel 5.10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=2&artikel=5.10.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28) in de plaats treedt.
##### Artikel 5.1.5
@@ -966,7 +980,7 @@
1. De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in [afdeling 18 van hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2010-07-01&g=2010-07-01), bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in [afdeling 18 van hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2010-09-28&g=2010-09-28), bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
##### Artikel 5.1a.3
@@ -1057,7 +1071,7 @@
##### Artikel 5.2.0
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -1065,7 +1079,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. |
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. |
| 2. | De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -1079,7 +1093,7 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.2.4
@@ -1093,7 +1107,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| | Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
##### Artikel 5.2.7
@@ -1108,7 +1122,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor van de personenauto is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld in het kentekenregister. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -1118,7 +1132,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -1131,7 +1145,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=3&artikel=5.2.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | Lid 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -1148,12 +1162,12 @@
| 1. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002890&artikel=2) (Stb. 1990, 393). | Leden 3 tot en met 5: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 6. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxyde van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 9. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 6. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxyde van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 9. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.12
@@ -1166,7 +1180,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -1181,7 +1195,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
@@ -1190,10 +1204,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.2.19
@@ -1201,21 +1215,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.2.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.2.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&artikel=5.2.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&artikel=5.2.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.2.22
@@ -1243,7 +1257,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
##### Artikel 5.2.27
@@ -1269,10 +1283,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.2.29
@@ -1280,11 +1294,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -1299,12 +1313,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 7. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering zonder demontage niet zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld, terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 8. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -1322,19 +1336,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 4. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overberemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing. | Lid 4 en 5: de wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 5. | In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overberemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing. | Lid 4 en 5: de wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 5. | In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.2.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
@@ -1344,13 +1358,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -1386,7 +1400,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving en op zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.2.47
@@ -1396,14 +1410,14 @@
| 2. | Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 6. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
##### Artikel 5.2.47a
| 1. | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| --- | --- | --- |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.79&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen. | |
| 1. | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| --- | --- | --- |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.79&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen. | |
##### Artikel 5.2.48
@@ -1426,15 +1440,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
| | Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.2.51
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -1446,8 +1460,8 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; | |
| | p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat: | |
| | 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en | |
| | 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h. | |
@@ -1479,20 +1493,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing | |
| 1. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de personenauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.2.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van personenauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van personenauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.2.57
@@ -1503,24 +1517,24 @@
| | b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | |
| | c. twee extra stadslichten; | |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. parkeerlichten; | |
| | i. één extra mistachterlicht aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | j. extra achteruitrijlichten; | |
| | k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | n. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing is; | |
| | o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing is; | |
| | p. werklichten; | |
| | q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01); | |
| | q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28); | |
| | r. twee dagrijlichten; | |
| | s. verlichte transparanten; | |
| | t. twee bochtlichten; | |
| | u. twee hoeklichten. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.53&z=2010-07-01&g=2010-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.53&z=2010-09-28&g=2010-09-28) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde en extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste retroreflector aan de zijkant, welke rood mag zijn. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel q, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
@@ -1549,15 +1563,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.2.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten en werklichten. | – |
##### Artikel 5.2.62
@@ -1579,7 +1593,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, mogen personenauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.2.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [5.2.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, mogen personenauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.2.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.51a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [5.2.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=10&artikel=5.2.57a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Personenauto’s niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
@@ -1588,14 +1602,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01). | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28). | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.2.67
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-07-01&g=2010-07-01). | De wijze van keuren bij [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is van toepassing. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-09-28&g=2010-09-28). | De wijze van keuren bij [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is van toepassing. |
#### § 12. Diversen
@@ -1614,7 +1628,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een taxi waarvoor blijkens een vermelding in het kentekenregister een bijlage is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de [paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 1. | Een taxi waarvoor blijkens een vermelding in het kentekenregister een bijlage is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de [paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=0&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 2. | Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op personenauto’s bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), hetgeen blijkt uit een vermelding in het kentekenregister. | – |
##### Artikel 5.2.74
@@ -1661,7 +1675,7 @@
##### Artikel 5.3.0
Een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -1669,7 +1683,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. |
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. |
| 2. | De bedrijfsauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bedrijfsauto staat. |
@@ -1684,14 +1698,14 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen; | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing | |
##### Artikel 5.3.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -1699,7 +1713,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, bedoelde maten niet meer dan 1% mogen afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is van toepassing. |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, bedoelde maten niet meer dan 1% mogen afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen: | |
| | a. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m, en | |
| | b. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
@@ -1722,7 +1736,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor van de bedrijfsauto is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld in het kentekenregister. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -1732,7 +1746,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast, die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -1745,7 +1759,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=3&artikel=5.3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | Lid 4 en 5: visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -1764,10 +1778,10 @@
| 3. | Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002890&artikel=2) luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393). | Leden 3 tot en met 5: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Bedrijfsauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32 van toepassing. | |
| 5. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 6. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 9. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 6. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 9. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3.12
@@ -1780,10 +1794,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.3.15
@@ -1806,19 +1820,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.3.18
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3.19
@@ -1826,21 +1840,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.3.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.3.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: a.15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.3.22
@@ -1876,7 +1890,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
##### Artikel 5.3.27
@@ -1888,7 +1902,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bedrijfsauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
@@ -1902,11 +1916,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en zonodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.3.29
@@ -1914,11 +1928,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaing van ten hoogste 15°, bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -1933,13 +1947,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
@@ -2010,20 +2024,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 1. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 5. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 6. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 6. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
@@ -2033,13 +2047,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
| 4. | Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -2093,7 +2107,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, bedrijfsauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving en op zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.3.47
@@ -2101,14 +2115,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1.30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt. | Visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een bank geen gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | Visuele controle. |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
##### Artikel 5.3.47a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| | Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=13&artikel=5.2.78&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
##### Artikel 5.3.48
@@ -2117,8 +2131,8 @@
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg in gebruik genomen na 31 december 1974, moeten zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 januari 1975 en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor trekkers. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg in gebruik genomen na 31 december 1974, moeten zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 januari 1975 en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor trekkers. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.3.49
@@ -2155,15 +2169,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is blijft verdere controle achterwege. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
| | Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is blijft verdere controle achterwege. |
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.3.51
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -2175,11 +2189,11 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | p. een derde remlicht indien de toegestane maximummassa van het voertuig niet meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2012, aangebracht zodanig dat: het derde remlicht is niet verplicht voor chassiscabines, trekkers en voertuigen met een open laadbak; | |
| | q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 153, van toepassing. | |
| | q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 153, van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 153, van toepassing. | |
| 2. | Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), aan de krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel p, moeten twee extra remlichten worden aangebracht indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste lid, onderdelen q en r, is niet van toepassing op trekkers. | |
@@ -2209,20 +2223,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de bedrijfsauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.3.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3.57
@@ -2231,20 +2245,20 @@
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdelen a tot en met r: visuele controle. – Onderdeel s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met z: visuele controle. |
| | c. twee extra stadslichten; | |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. extra achteruitrijlichten; | |
| | j. parkeerlichten; | |
| | k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | |
| | n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing is; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing is; | |
| | q. werklichten; | |
| | r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01); | |
| | r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28); | |
| | s. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
| | t. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | u. twee dagrijlichten; | |
@@ -2252,8 +2266,8 @@
| | w. twee bochtlichten; | |
| | x. twee hoeklichten; | |
| | y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII, artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.53&z=2010-07-01&g=2010-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII, artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.53&z=2010-09-28&g=2010-09-28) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Indien het voertuig langer is dan 6,00 m mogen de extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
@@ -2285,15 +2299,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
| 3. | Krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze of plaats van bevestiging van verlichte transparanten op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1). | – |
@@ -2316,7 +2330,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](onbekend) bepaalde inzake herkenningstekens, mogen bedrijfsauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.3.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [5.3.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](onbekend) bepaalde inzake herkenningstekens, mogen bedrijfsauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.3.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.51a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [5.3.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| | b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | |
| 2. | Bedrijfsauto’s niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
@@ -2326,7 +2340,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-07-01&g=2010-07-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-09-28&g=2010-09-28). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: | |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
@@ -2376,7 +2390,7 @@
##### Artikel 5.3a.0
1. Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
1. Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld.
@@ -2386,7 +2400,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. |
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. |
| 2. | De bus moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bus staat. |
@@ -2404,14 +2418,14 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bussen mogen: | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.3a.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -2419,12 +2433,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is van toepassing. |
| 2. | Bussen met 2 assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is van toepassing. |
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is van toepassing. |
| 2. | Bussen met 2 assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is van toepassing. |
| 3. | Bussen met meer dan twee assen mogen niet langer zijn dan 15,00 m. | |
| 4. | Gelede bussen mogen niet langer zijn dan 18,75 m. | |
| 5. | De afmetingen bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn met inbegrip van een skibox. | – |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01). Tijdens de periodieke keuring moet bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28). Tijdens de periodieke keuring moet bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
##### Artikel 5.3a.7
@@ -2439,7 +2453,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bus zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor van de bus is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld in het kentekenregister. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -2449,7 +2463,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=3&artikel=5.3a.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast, die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -2483,10 +2497,10 @@
| 3. | Bussen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002890&artikel=2) (Stb. 1990, 393). | Leden 3 tot en met 5: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Bussen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32 van toepassing. | |
| 5. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 6. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 9. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 6. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 9. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3a.12
@@ -2500,10 +2514,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.3a.15
@@ -2526,19 +2540,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.3a.18
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3a.19
@@ -2546,21 +2560,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.3a.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.3a.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a.15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg; | |
| | b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | |
@@ -2598,7 +2612,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
##### Artikel 5.3a.27
@@ -2610,7 +2624,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en van T100-bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bussen mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bus. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve in geval van nood waarbij een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. |
@@ -2625,12 +2639,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen die zijn voorzien van gasvering, en bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en zonodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Knielsystemen van bussen moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het systeem in werking wordt gesteld. |
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.3a.29
@@ -2638,11 +2652,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van bussen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaing van ten hoogste 15°, bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -2656,13 +2670,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
@@ -2733,19 +2747,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 3. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | Bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 5. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 5. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3a.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | De parkeerrem van bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
@@ -2754,7 +2768,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bussen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend, ongeacht of de daarvoor benodigde energievoorziening werkt. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten, indien noodzakelijk met behulp van de aanwezige noodbedienings-inrichtingen. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Indien een deur in een bus, in gebruik genomen na 30 juni 1984, niet rechtstreeks door de chauffeur kan worden waargenomen moet de normale bediening zodanig zijn uitgevoerd dat passagiers deze niet kunnen openen voordat de chauffeur de bediening ervan vanaf de bestuurderszitplaats heeft vrijgegeven. | |
| 4. | Bussen moeten zijn voorzien van voldoende uitgangen. | Visuele controle. Bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer raadplegen. |
| 5. | De hoofddoorgang, de toegang naar de uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en de treden bij de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar zijn. | Visuele controle; waarbij verlichting wordt ingeschakeld. |
@@ -2771,7 +2785,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
| 4. | De bus moet zodanig zijn ingericht of uitgerust dat verblinding van de bestuurder door en weerkaatsing van de binnenverlichting wordt voorkomen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
@@ -2805,9 +2819,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen behorende tot klasse III of klasse B, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is tot 21 oktober 2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10 plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen, onverminderd [artikel 5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.47&z=2010-07-01&g=2010-07-01), zijn voorzien van een hoofdsteun en een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximum aantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is tot 21 oktober 2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10 plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen, onverminderd [artikel 5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.47&z=2010-09-28&g=2010-09-28), zijn voorzien van een hoofdsteun en een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximum aantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 5. | Bussen van klasse I, in gebruik genomen na 12 februari 2005, moeten voorzien zijn van ten minste vier voor mensen met een mobiliteitshandicap gereserveerde zitplaatsen, die voorzien zijn van handgrepen en dichtbij een geschikte bedrijfsdeur. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Op bussen van een andere klasse dan klasse I, die in gebruik genomen na 12 februari 2005 en zijn voorzien van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor personen met een mobiliteitshandicap, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap voor bussen van klasse II en klasse III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en klasse B ten minste één. Een klapstoel mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats. | |
| 7. | Voor bussen als bedoeld in het vijfde en zesde lid geldt, dat bussen van klasse I en klasse II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste één naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld en van merktekens voorzien voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze zitplaatsen moeten dicht bij een voor deze passagiers geschikte ingang zijn geplaatst. | |
@@ -2829,7 +2843,7 @@
| | b. bussen waarbij de klasse niet is vastgesteld en die beschikken over staanplaatsen; | |
| | c. klapstoelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig; | |
| | d. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
##### Artikel 5.3a.48
@@ -2872,7 +2886,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -2884,8 +2898,8 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.3a.51a
@@ -2911,20 +2925,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in artikel [5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in artikel [5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.3a.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van bussen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van bussen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3a.57
@@ -2932,18 +2946,18 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; | – Onderdeel a tot en met q: visuele controle. – Onderdeel r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel t tot en met z: visuele controle. |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. extra achteruitrijlichten; | |
| | j. parkeerlichten; | |
| | k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | |
| | n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | |
| | q. werklichten; | |
| | r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | s. In afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
@@ -2952,9 +2966,9 @@
| | v. verlichte transparanten die voor het overige verkeer informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De lichten moeten afzonderlijk zijn geschakeld en mogen naar achteren niet rood stralen; | |
| | w. twee bochtlichten; | |
| | x. twee hoeklichten; | |
| | y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing; | |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 153, achtste lid, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel [5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| | y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing; | |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 153, achtste lid, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel [5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bussen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Indien het voertuig langer is dan 6,00 m mogen de extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
@@ -2985,15 +2999,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing | |
| 1. | De in [artikel 5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3a.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
##### Artikel 5.3a.62
@@ -3015,7 +3029,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, mogen bussen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [5.3a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, mogen bussen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [5.3a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| | b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | |
| 2. | Bussen niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
@@ -3025,7 +3039,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=11&artikel=5.3a.68&z=2010-07-01&g=2010-07-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=11&artikel=5.3a.68&z=2010-09-28&g=2010-09-28). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
##### Artikel 5.3a.67
@@ -3058,7 +3072,7 @@
##### Artikel 5.4.0
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -3088,13 +3102,13 @@
| --- | --- | --- |
| | Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de motorfiets zijn bevestigd. | Visuele controle. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
##### Artikel 5.4.6
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 2.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 2.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
| 2. | Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorvoertuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m. | |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -3111,7 +3125,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 4. | De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -3120,7 +3134,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=3&artikel=5.4.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
| 4. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
@@ -3183,14 +3197,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.4.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij [artikel 5.1a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| | De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij [artikel 5.1a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
##### Artikel 5.4.24
@@ -3230,7 +3244,7 @@
| 2. | De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de motorfiets op de grond rust. |
| 3. | De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. | Visuele controle, waarbij de motorfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
#### § 8. Reminrichting
#### § 4. Krachtoverbrenging
##### Artikel 5.4.31
@@ -3272,7 +3286,7 @@
| 4. | Motorfietsen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. | |
| 5. | De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhendel niet meer dan 200 N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan: a. 500 N, dan wel b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen. | – |
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.4.41
@@ -3305,7 +3319,7 @@
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van motorfietsen mogen niet aanlopen. | |
| 3. | Geen deel aan de buitenzijde van een motorfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.4.51
@@ -3364,11 +3378,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De retroreflector mag geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloed. | |
| 7. | Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem. | |
@@ -3376,8 +3390,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van motorfietsen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van motorfietsen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.4.57
@@ -3397,7 +3411,7 @@
| | k. één extra achterlicht; | |
| | l. één extra remlicht; | |
| | m. één of twee dagrijlichten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.4.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.53&z=2010-07-01&g=2010-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.4.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.53&z=2010-09-28&g=2010-09-28) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 3. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
##### Artikel 5.4.57a
@@ -3439,7 +3453,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=10&artikel=5.4.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -3490,7 +3504,7 @@
##### Artikel 5.5.0
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -3498,7 +3512,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. |
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. |
| 2. | Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) voorgeschreven goedkeuringsmerk. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -3513,7 +3527,7 @@
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 2. | Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -3529,7 +3543,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
##### Artikel 5.5.7
@@ -3547,7 +3561,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor. |
| | | – Indien het driewielige motorrijtuig is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld in het kentekenregister. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -3557,7 +3571,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -3570,7 +3584,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=3&artikel=5.5.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
@@ -3601,10 +3615,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.5.15
@@ -3616,19 +3630,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.5.18
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.5.19
@@ -3636,21 +3650,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.5.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.5.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in [artikel 5.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=0&artikel=5.5.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) reeds getoetst. |
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in [artikel 5.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=0&artikel=5.5.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) reeds getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.5.24
@@ -3690,7 +3704,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -3701,11 +3715,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -3727,7 +3741,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| | c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. |
| | d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | |
| | e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | |
@@ -3736,7 +3750,7 @@
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| | a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| | a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| | b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel c: visuele controle. |
| | c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
@@ -3788,13 +3802,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.5.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -3832,8 +3846,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.5.47
@@ -3842,7 +3856,7 @@
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
##### Artikel 5.5.48
@@ -3902,20 +3916,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijke lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijke lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde lichten en retroreflectoren voor zover het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde lichten en retroreflectoren voor zover het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.5.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moet goed zijn afgesteld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moet goed zijn afgesteld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.5.57
@@ -3935,7 +3949,7 @@
| | k. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | l. werklichten; | |
| | m. verlichte transparanten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.5.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.53&z=2010-07-01&g=2010-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.5.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.53&z=2010-09-28&g=2010-09-28) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
| 4. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | |
@@ -3961,15 +3975,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | **Artikel 5.5.59a** | |
| 1. | De in [artikel 5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.5.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, mistachterlichten, en werklichten. | – |
##### Artikel 5.5.62
@@ -3989,7 +4003,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, mogen driewielige motorrijtuigen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.5.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [5.5.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, mogen driewielige motorrijtuigen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.5.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.51a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [5.5.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=10&artikel=5.5.57a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
@@ -3998,7 +4012,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01). | Visuele controle. |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28). | Visuele controle. |
| 2. | Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
#### § 12. Diversen
@@ -4018,7 +4032,7 @@
##### Artikel 5.6.0
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -4040,7 +4054,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 2. | Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -4057,16 +4071,16 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 1.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de bromfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 1.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de bromfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m. | |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
##### Artikel 5.6.8
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 28 en 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 1. | Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 28 en 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 2. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid vermelde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.9
@@ -4081,7 +4095,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -4094,7 +4108,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=3&artikel=5.6.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
@@ -4112,8 +4126,8 @@
| 1. | Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Bromfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003722&artikel=2) (**Stb.** 1984, 525). | – |
| 4. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 5. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 4. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 5. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.6.12
@@ -4129,7 +4143,7 @@
| 1. | De motor van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.6.15
@@ -4144,7 +4158,7 @@
| 1. | De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.6.18
@@ -4161,14 +4175,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.6.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.24
@@ -4208,7 +4222,7 @@
| 2. | Van bromfietsen op drie of vier wielen: a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. – Onderdeel c: visuele controle. Terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid. |
| | d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; | – Onderdeel d: visuele controle. – Onderdeel e: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| | e. moeten koppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; | – Onderdeel f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. | – Onderdeel h: visuele controle indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -4240,9 +4254,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen in gebruik genomen voor 1 januari 2007 moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één tenminste op het voorwiel en de ander tenminste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 1. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen in gebruik genomen voor 1 januari 2007 moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één tenminste op het voorwiel en de ander tenminste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 4. | De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
##### Artikel 5.6.39
@@ -4251,7 +4265,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Van bromfietsen op meer dan twee wielen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of een van de assen wordt geremd. |
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.6.41
@@ -4267,7 +4281,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
@@ -4361,12 +4375,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De in de artikelen [5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 5. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De in de artikelen [5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem. | |
##### Artikel 5.6.57
@@ -4421,7 +4435,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -4436,7 +4450,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.58&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=10&artikel=5.6.58&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
@@ -4448,7 +4462,7 @@
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
| 2. | Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm: moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
#### § 12. Diversen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.6.71
@@ -4495,7 +4509,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,60 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,60 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen rijdende werktuigen breder zijn dan 2,60 m, doch niet breder dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet breder dan 3,00 m. | |
##### Artikel 5.7.7
@@ -4513,7 +4527,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.9
@@ -4578,14 +4592,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.7.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.7.24
@@ -4639,7 +4653,7 @@
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle, Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Lid 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
@@ -4670,8 +4684,8 @@
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die tenminste op één as werkt. | Visuele controle |
| --- | --- | --- |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 4. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. | |
##### Artikel 5.7.39
@@ -4794,11 +4808,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -4806,7 +4820,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het dimlicht van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| | Het dimlicht van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.7.57
@@ -4819,7 +4833,7 @@
| | d. twee mistvoorlichten; | |
| | e. één of twee mistachterlichten; | |
| | f. twee of vier parkeerlichten; | |
| | g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | j. één of twee achteruitrijlichten; | |
@@ -4851,8 +4865,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.60
@@ -4875,7 +4889,7 @@
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
| | c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks voor de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.7.51, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01). | |
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.7.51, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28). | |
##### Artikel 5.7.62
@@ -4892,7 +4906,7 @@
##### Artikel 5.7.65
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai-, flits- en knipperlichten en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai-, flits- en knipperlichten en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| --- | --- | --- |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
@@ -4926,7 +4940,7 @@
##### Artikel 5.8.0
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -4965,7 +4979,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
##### Artikel 5.8.7
@@ -5050,14 +5064,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.8.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.8.24
@@ -5109,7 +5123,7 @@
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle, het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw-of bosbouwtrekker op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Lid 10 en 11: Visuele controle. |
| 11. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
@@ -5145,8 +5159,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt. | Visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 4. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. | |
##### Artikel 5.8.39
@@ -5155,7 +5169,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Van landbouw- of bosbouwtrekkers moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of een van de assen wordt geremd. |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 12. Diversen
##### Artikel 5.8.41
@@ -5257,11 +5271,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -5269,7 +5283,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| | Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.8.57
@@ -5315,8 +5329,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing | |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.8.60
@@ -5340,7 +5354,7 @@
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich iet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
| | c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. | |
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.8.51, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01). Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.8.51, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28). Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
##### Artikel 5.8.62
@@ -5357,7 +5371,7 @@
##### Artikel 5.8.65
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai-, flits- en knipperlichten en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai-, flits- en knipperlichten en het krachtens [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c) bepaalde inzake herkenningstekens, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=10&artikel=5.8.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| --- | --- | --- |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
@@ -5391,7 +5405,7 @@
##### Artikel 5.9.0
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -5490,22 +5504,22 @@
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht: a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel; | Onderdelen a tot en met c. visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, en | |
| | c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m. | |
| 2. | De in [artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), vermelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | De in [artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), vermelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn. | |
##### Artikel 5.9.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.9.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 3. | Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
@@ -5519,7 +5533,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.9.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
| | Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.9.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9¶graaf=10&artikel=5.9.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
#### § 12. Diversen
@@ -5533,7 +5547,7 @@
##### Artikel 5.10.0
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -5570,7 +5584,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -5578,7 +5592,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.10.9
@@ -5618,7 +5632,7 @@
| 1. | Motorsteunen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.10.14
@@ -5655,14 +5669,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.10.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.10.24
@@ -5678,7 +5692,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.10.27
@@ -5699,7 +5713,7 @@
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | |
#### § 0. Algemeen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.10.29
@@ -5710,7 +5724,7 @@
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 4. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 5. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -5870,19 +5884,19 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 7. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.10.56
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het dimlicht van gehandicaptenvoertuigen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| | Het dimlicht van gehandicaptenvoertuigen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.10.57
@@ -5927,7 +5941,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -5937,7 +5951,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01). | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28). | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen. | |
##### Artikel 5.10.62
@@ -5957,10 +5971,10 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10¶graaf=10&artikel=5.10.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
#### § 12. Diversen
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.10.71
@@ -5975,7 +5989,7 @@
##### Artikel 5.11.0
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 9. Carrosserie
@@ -5990,13 +6004,13 @@
| | c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of de daarvoor in de plaats tredende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.11.6
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
#### § 3. Motor
@@ -6004,7 +6018,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.11.9
@@ -6046,7 +6060,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.11.24
@@ -6087,7 +6101,7 @@
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 3. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 4. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -6195,7 +6209,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -6210,7 +6224,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11¶graaf=10&artikel=5.11.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
@@ -6227,22 +6241,22 @@
##### Artikel 5.12.0
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
#### § 6. Ophanging
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.12.1
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. |
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. |
| 2. | De aanhangwagen moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de aanhangwagen staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa’s die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 3. Motor
##### Artikel 5.12.3
@@ -6251,14 +6265,14 @@
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen; | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.5
@@ -6267,13 +6281,13 @@
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
##### Artikel 5.12.6
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is van toepassing. |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mogen: kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
| 3. | Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. | Leden 3 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt. | |
@@ -6297,7 +6311,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
@@ -6307,10 +6321,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.19
@@ -6318,21 +6332,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.12.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.12.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is in [artikel 5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) reeds getoetst. |
| | De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is in [artikel 5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) reeds getoetst. |
##### Artikel 5.12.24
@@ -6359,7 +6373,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -6368,7 +6382,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en moeten goed werken. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
@@ -6379,11 +6393,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -6396,7 +6410,7 @@
| 1. | De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze: a. door middel van een hefboom of koevoet, b. dan wel door het chassis te heffen. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -6404,9 +6418,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze zoals bepaald bij [artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=8&artikel=5.3.31&z=2010-07-01&g=2010-07-01). |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze zoals bepaald bij [artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=8&artikel=5.3.31&z=2010-09-28&g=2010-09-28). |
| | | – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | |
| | c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 3. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -6450,13 +6464,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 4. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 4. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
| 5. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bedient en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 6. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden bij de [artikelen 5.12.35, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.35&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en 5.12.38, zevende lid. |
| 7. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | – |
| 6. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden bij de [artikelen 5.12.35, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=8&artikel=5.12.35&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en 5.12.38, zevende lid. |
| 7. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.12.39
@@ -6490,8 +6504,8 @@
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.12.49
@@ -6521,12 +6535,12 @@
| | f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | g. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; het mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 is gebruik is genomen; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | |
| | k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | n. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 153 van toepassing. | |
| | m. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 153 van toepassing; | |
| | n. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 153 van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.53
@@ -6544,12 +6558,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.57
@@ -6560,20 +6574,20 @@
| | b. extra achteruitrijlichten; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | d. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | k. werklichten; | |
| | l. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | m. in afwijking van onderdeel l mogen twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | n. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; | |
| | o. twee stadslichten; | |
| | p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 153, achtste lid, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.12.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.53&z=2010-07-01&g=2010-07-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel h van het eerste lid. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| | q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 153, achtste lid, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.12.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.53&z=2010-09-28&g=2010-09-28) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel h van het eerste lid. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. | |
| 4. | Indien het voertuig langer is dan 6,00 m mogen de extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
@@ -6600,8 +6614,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.12.61
@@ -6623,7 +6637,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) danwel in of krachtens [artikel 5.12.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) danwel in of krachtens [artikel 5.12.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| | b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
@@ -6671,20 +6685,20 @@
| | a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen, en | |
| | b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | |
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien een oplegger is voorzien van een 2 inch koppelingspen of een oplegger is voorzien van een 3,5 inch koppelingspen mag binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen, de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 3,5 mm. bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.70
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.67&z=2010-07-01&g=2010-07-01), zijn de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van de regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=11&artikel=5.12.67&z=2010-09-28&g=2010-09-28), zijn de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.66&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.67&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=11&artikel=5.3.69&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van de regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse van deze aanhangwagens, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
##### Artikel 5.13.0
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -6699,7 +6713,7 @@
| | c. het voertuigidentificatienummer, en | |
| | d. de technische toegestane maximummassa en aslasten. | |
#### § 9. Carrosserie
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.13.3
@@ -6730,9 +6744,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m, dan wel niet langer dan 8,00 m indien het een middenasaanhangwagen betreft; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
#### § 3. Brandstofsystemen
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m, dan wel niet langer dan 8,00 m indien het een middenasaanhangwagen betreft; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.13.9
@@ -6757,7 +6771,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.13.24
@@ -6813,7 +6827,7 @@
| 5. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 6. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.13.41
@@ -6914,12 +6928,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 5. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.13.57
@@ -6927,9 +6941,9 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met k: visuele controle. |
| | a. twee stadslichten, indien het voertuig breder is dan 1,60 m; | |
| | b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn | |
| | b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn | |
| | e. één of twee achteruitrijlichten; | |
| | f. werklichten; | |
| | g. één derde remlicht; | |
@@ -6963,7 +6977,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -6983,7 +6997,7 @@
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
| | c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01). | |
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28). | |
| 6. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| | a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | |
| | b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | |
@@ -6999,7 +7013,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) danwel in of krachtens [artikel 5.13.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57a&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) danwel in of krachtens [artikel 5.13.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.57a&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| | b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | |
| | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
@@ -7009,7 +7023,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest. | |
| 4. | Aanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
@@ -7026,11 +7040,11 @@
##### Artikel 5.14.0
1. Een aanhangwagen achter een landbouw- of bosbouwtrekkers of achter een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
1. Een aanhangwagen achter een landbouw- of bosbouwtrekkers of achter een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
2. De in deze afdeling opgenomen eisen zijn van overeenkomstige toepassing op verwisselbare getrokken machines.
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.14.3
@@ -7054,14 +7068,14 @@
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
##### Artikel 5.14.6
| 1. | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,60 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,60 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| --- | --- | --- |
| 2. | Verwisselbare getrokken machines mogen: a. niet langer dan zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
| 3. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, mogen aanhangwagens tot 1 januari 2025 niet breder zijn dan 3,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| 3. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, mogen aanhangwagens tot 1 januari 2025 niet breder zijn dan 3,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
##### Artikel 5.14.7
@@ -7096,14 +7110,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2 visuele controle. |
| 2. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 2. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
| 3. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.14.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.14.24
@@ -7119,7 +7133,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.14.27
@@ -7170,7 +7184,7 @@
| 5. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren. | |
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.14.41
@@ -7253,11 +7267,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.14.57
@@ -7267,8 +7281,8 @@
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. |
| | a. één of twee achteruitrijlichten; | – Onderdeel j: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | b. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | c. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | d. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verplicht zijn; | |
| | c. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | d. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verplicht zijn; | |
| | e. twee staaklichten; | |
| | f. één of twee mistachterlichten; | |
| | g. zijmarkeringslichten; | |
@@ -7295,7 +7309,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7304,12 +7318,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Op de stadslichten en markeringslichten is [artikel 5.14.54, eerste lid, onderscheidenlijk achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.54&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | Op de stadslichten en markeringslichten is [artikel 5.14.54, eerste lid, onderscheidenlijk achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.54&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | |
| | b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | |
| | Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01). Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
| 4. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13¶graaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28). Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
@@ -7323,7 +7337,7 @@
##### Artikel 5.14.65
| 1. | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai-, flits- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai-, flits- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14¶graaf=10&artikel=5.14.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| --- | --- | --- |
| 2. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
@@ -7347,7 +7361,7 @@
##### Artikel 5.15.0
Een aanhangwagen achter een motorfiets of bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een aanhangwagen achter een motorfiets of bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 6. Ophanging
@@ -7380,11 +7394,11 @@
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
##### Artikel 5.15.6
| 1. | Aanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| 1. | Aanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
| --- | --- | --- |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen aanhangwagens achter een bromfiets op twee wielen niet breder zijn dan 1,00 m. | |
@@ -7403,7 +7417,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.15.24
@@ -7427,7 +7441,7 @@
| 6. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | |
#### § 9. Carrosserie
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.15.41
@@ -7488,18 +7502,18 @@
| 2. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen met inbegrip van de dissel. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen met inbegrip van de dissel. | |
##### Artikel 5.15.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.15.57
@@ -7529,7 +7543,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | Visuele controle. |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7552,7 +7566,7 @@
##### Artikel 5.15.65
| 1. | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai-, flits- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai-, flits- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15¶graaf=10&artikel=5.15.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| --- | --- | --- |
| 2. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
@@ -7581,9 +7595,9 @@
##### Artikel 5.16.0
Een aanhangwagen achter een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
#### § 5. Assen
Een aanhangwagen achter een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
##### Artikel 5.16.6
@@ -7610,9 +7624,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% deel zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% deel zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | |
##### Artikel 5.16.57
@@ -7620,8 +7634,8 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| | a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 151, van toepassing; | |
| | c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing, en | |
| | b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 151, van toepassing; | |
| | c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing, en | |
| | d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 2. | Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
@@ -7635,14 +7649,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.16.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.16.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16¶graaf=10&artikel=5.16.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
### Afdeling 17. Wagens
##### Artikel 5.17.0
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is.
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -7684,7 +7698,7 @@
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van wagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | |
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.17.27
@@ -7701,7 +7715,7 @@
| --- | --- | --- |
| | Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht. | Visuele controle. |
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.17.48
@@ -7717,7 +7731,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode retroreflectoren welke zijn voorzien van een goedkeuringsmerk, indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m. bedraagt, dan wel één zodanige retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing. | Visuele controle, bij twijfel meten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing. . |
| | Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode retroreflectoren welke zijn voorzien van een goedkeuringsmerk, indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m. bedraagt, dan wel één zodanige retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing. | Visuele controle, bij twijfel meten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing. . |
##### Artikel 5.17.54
@@ -7760,7 +7774,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7775,7 +7789,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in [artikelen 5.17.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.51&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in [artikelen 5.17.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.51&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17¶graaf=10&artikel=5.17.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
@@ -7832,9 +7846,9 @@
##### Artikel 5.18.5
1. De spiegels en gezichtveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), vastgesteld weggedeelte kan overzien.
1. De spiegels en gezichtveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), vastgesteld weggedeelte kan overzien.
##### Artikel 5.18.6
@@ -7892,7 +7906,7 @@
- d. de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
- e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gestelde eisen.
- e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gestelde eisen.
##### Artikel 5.18.8
@@ -7956,7 +7970,7 @@
- b. mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
- c. moet in afwijking van het bepaalde in de [artikelen 5.3.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=9&artikel=5.3.49&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.12.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=9&artikel=5.12.49&z=2010-07-01&g=2010-07-01), een stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
- c. moet in afwijking van het bepaalde in de [artikelen 5.3.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=9&artikel=5.3.49&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.12.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=9&artikel=5.12.49&z=2010-09-28&g=2010-09-28), een stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
- d. mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
@@ -7968,33 +7982,33 @@
4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.
5. Ter ondersteuning van de lading mag een uitschuiflade of laadklep worden gebruikt voor zover daardoor de in de [artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01), opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade, laadklep of enige andere laadvloerverlenging rusten.
5. Ter ondersteuning van de lading mag een uitschuiflade of laadklep worden gebruikt voor zover daardoor de in de [artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28), opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade, laadklep of enige andere laadvloerverlenging rusten.
6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen:
- a. meer dan 1,00 m, doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
- b. meer dan 1,20 m, doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan [artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.18&z=2010-07-01&g=2010-07-01). De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
- b. meer dan 1,20 m, doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan [artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.18&z=2010-09-28&g=2010-09-28). De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
##### Artikel 5.18.12a
1. In afwijking van [artikel 5.18.12, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01), zijn bij het gebruik van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur de volgende bepalingen van toepassing:
1. In afwijking van [artikel 5.18.12, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28), zijn bij het gebruik van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur de volgende bepalingen van toepassing:
- a. de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig mag niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig bedragen, zoals vermeld op het kentekenbewijs of na meting vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m;
- b. de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur die meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 130 tot en met 133.
- b. de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur die meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 130 tot en met 133.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.
3. Indien met een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur uitstekende deelbare lading wordt vervoerd is [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01) op de uitstekende lading van toepassing.
4. Indien met een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur in de lengte uitstekende ondeelbare lading wordt vervoerd is [artikel 5.18.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01) op de uitstekende lading van toepassing.
3. Indien met een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur uitstekende deelbare lading wordt vervoerd is [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28) op de uitstekende lading van toepassing.
4. Indien met een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur in de lengte uitstekende ondeelbare lading wordt vervoerd is [artikel 5.18.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2010-09-28&g=2010-09-28) op de uitstekende lading van toepassing.
##### Artikel 5.18.13
1. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01) mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen, kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01), is toegestaan waarbij:
1. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28) mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen, kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28), is toegestaan waarbij:
- 1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
@@ -8006,19 +8020,19 @@
- 5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 130 tot en met 133;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 130 tot en met 133;
- 7°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;
- b. onverminderd onderdeel a, de lengte van een beladen samenstel van trekker en oplegger meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01), is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.
2. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01) mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- b. onverminderd onderdeel a, de lengte van een beladen samenstel van trekker en oplegger meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28), is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.
2. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28) mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- 1°. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
- 2°. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
- 3°. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 130 tot en met 133.
- 3°. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 130 tot en met 133.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
@@ -8028,7 +8042,7 @@
2. Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen, waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
3. Lading die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 130 tot en met 133.
3. Lading die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 130 tot en met 133.
4. Het derde lid is niet van toepassing op lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen en op lading van personenauto’s.
@@ -8046,7 +8060,7 @@
3. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in [artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in [artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
5. Ten aanzien van het gesteld in het eerste lid moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanner het voertuig de in het eerste lid beschreven cirkelvormige ruimte in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0.60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.
@@ -8250,7 +8264,7 @@
1. Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.
2. Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximum aantal passagiers dat op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, danwel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), is vermeld. Indien het maximum aantal passagiers niet op het kentekenbewijs, in het kentekenregister, danwel de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), is vermeld, wordt het maximaal aantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand te delen door 68 kg.
2. Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximum aantal passagiers dat op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, danwel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), is vermeld. Indien het maximum aantal passagiers niet op het kentekenbewijs, in het kentekenregister, danwel de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), is vermeld, wordt het maximaal aantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand te delen door 68 kg.
##### Artikel 5.18.18
@@ -8334,11 +8348,11 @@
- 3°. de lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.
3. Ter ondersteuning van de lading mag een uitschuiflade of laadklep dan wel een uitschuifbare stootbalk wordt gebruikt voor zover daardoor de in de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [5.18.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.20&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
3. Ter ondersteuning van de lading mag een uitschuiflade of laadklep dan wel een uitschuifbare stootbalk wordt gebruikt voor zover daardoor de in de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [5.18.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=1&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.20&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
##### Artikel 5.18.21a
1. De lengte van een motorrijtuig met beperkte snelheid of een landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan in de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), is bepaald waarbij:
1. De lengte van een motorrijtuig met beperkte snelheid of een landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan in de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7¶graaf=2&artikel=5.7.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8¶graaf=2&artikel=5.8.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), is bepaald waarbij:
- a. de verwisselbare uitrustingstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
@@ -8346,7 +8360,7 @@
- c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd;
- d. de verwisselbare uitrustingsstukken die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 130 tot en met 133.
- d. de verwisselbare uitrustingsstukken die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 130 tot en met 133.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de verwisselbare uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren of richtingaanwijzers zijn aangebracht.
@@ -8356,7 +8370,7 @@
2. Op onverharde wegen mag de breedte van walsen, met inbegrip van de lading, niet meer dan 2,60 m bedragen.
3. Ondeelbare lading en verwisselbare uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken zijn voorzien van een markering die voldoet aan de in de in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vastgestelde eisen.
3. Ondeelbare lading en verwisselbare uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken zijn voorzien van een markering die voldoet aan de in de in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vastgestelde eisen.
##### Artikel 5.18.23
@@ -8390,7 +8404,7 @@
##### Artikel 5.18.25a
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
##### Artikel 5.18.26
@@ -8460,11 +8474,11 @@
- c. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximummassa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen.
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
##### Artikel 5.18.32
Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de [artikelen 5.2.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=6&artikel=5.2.27&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=6&artikel=5.3.27&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=6&artikel=5.3a.27&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [5.5.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=5&artikel=5.5.27&z=2010-07-01&g=2010-07-01), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de [artikelen 5.2.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=6&artikel=5.2.27&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=6&artikel=5.3.27&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=6&artikel=5.3a.27&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [5.5.27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5¶graaf=5&artikel=5.5.27&z=2010-09-28&g=2010-09-28), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
#### § 3. Reminrichting
@@ -8504,7 +8518,7 @@
##### Artikel 5.18.36a
1. Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een markering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 152](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van toepassing is.
1. Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een markering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 152](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van toepassing is.
2. De markering aan de achterzijde van de bedrijfsauto moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen.
@@ -8520,7 +8534,7 @@
- b. op een hoogte van niet minder van 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
3. De in het eerste lid bedoelde rode retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 123, van toepassing is.
3. De in het eerste lid bedoelde rode retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 123, van toepassing is.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
@@ -8536,7 +8550,7 @@
##### Artikel 5.18.38a
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van [artikel 5.18.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2010-07-01&g=2010-07-01), alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van [artikel 5.18.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2010-09-28&g=2010-09-28), alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
@@ -8558,7 +8572,7 @@
##### Artikel 5.18.44
1. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
1. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
@@ -8566,7 +8580,7 @@
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
5. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.45
@@ -8610,7 +8624,7 @@
##### Artikel 5.18.51
1. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
1. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
@@ -8618,7 +8632,7 @@
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
5. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18¶graaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.52
@@ -8636,7 +8650,7 @@
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.54
@@ -8680,7 +8694,7 @@
##### Artikel 5.18.61
Onverminderd de [artikelen 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) moeten:
Onverminderd de [artikelen 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=0&artikel=5.3.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=0&artikel=5.12.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) moeten:
- a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en bestemd voor het vervoer van goederen,
@@ -8712,11 +8726,11 @@
##### Artikel 6.1
1. De in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde wijzigingen in de constructie van gekentekende voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
1. De in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde wijzigingen in de constructie van gekentekende voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
2. Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie, dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.
3. Indien een kentekenplichtig voertuig gewijzigd wordt in een niet-kentekenplichtig voertuig moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen en indien van toepassing aan de eisen vermeld in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) zoals die eisen luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
3. Indien een kentekenplichtig voertuig gewijzigd wordt in een niet-kentekenplichtig voertuig moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen en indien van toepassing aan de eisen vermeld in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) zoals die eisen luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
##### Artikel 6.2
@@ -8724,11 +8738,11 @@
2. Op de inbouw van een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof verdicht gas in een gekentekend voertuig zijn de eisen van toepassing zoals die luidden op de datum van de aanvraag van de goedkeuring.
#### § 1. Algemeen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 6.3
1. Bij wijziging in de constructie van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen, en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met een in het kader van een erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732) aangebrachte wijziging;
1. Bij wijziging in de constructie van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen, en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met een in het kader van een erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732) aangebrachte wijziging;
- a. het aantal assen;
@@ -8780,7 +8794,7 @@
- y. het geluidsniveau bij stilstand en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.
2. In aanvulling op het eerste lid moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
2. In aanvulling op het eerste lid moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
- a. de vergroting van de wielbasis, indien het een personenauto met een volledig zelfdragende carrosserie, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie, bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie of motorfiets betreft;
@@ -8790,13 +8804,13 @@
- d. het type carrosserie, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie.
3. In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort in een al of niet tot vloeistof verdicht gas het voertuig tevens voldoen aan de in [bijlage X, hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2010-07-01&g=2010-07-01), opgenomen eisen.
4. In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel het voertuig tevens voldoen aan de in [bijlage X, hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2010-07-01&g=2010-07-01), opgenomen eisen.
3. In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort in een al of niet tot vloeistof verdicht gas het voertuig tevens voldoen aan de in [bijlage X, hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2010-09-28&g=2010-09-28), opgenomen eisen.
4. In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel het voertuig tevens voldoen aan de in [bijlage X, hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2010-09-28&g=2010-09-28), opgenomen eisen.
##### Artikel 6.4
1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader van de erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader van de erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
- a. het remsysteem van voertuigen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht;
@@ -8812,31 +8826,31 @@
- g. de ligplaatsen van een personenauto, waaronder een taxi, of bus.
2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader van de erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader van de erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
##### Artikel 6.5
1. Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een motorvoertuig uit een van de voertuigclassificaties, vermeld in [artikel 5.3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=4&artikel=5.3.15&z=2010-07-01&g=2010-07-01), respectievelijk [artikel 5.3a.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=4&artikel=5.3a.15&z=2010-07-01&g=2010-07-01), moet:
- a. het motorvoertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, en
1. Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een motorvoertuig uit een van de voertuigclassificaties, vermeld in [artikel 5.3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=4&artikel=5.3.15&z=2010-09-28&g=2010-09-28), respectievelijk [artikel 5.3a.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=4&artikel=5.3a.15&z=2010-09-28&g=2010-09-28), moet:
- a. het motorvoertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, en
- b. het aanbrengen, het afstellen en het verzegelen plaatsvinden door een door de Dienst Wegverkeer ingevolge [artikel 101 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=101) erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, op de wijze beschreven in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
2. Het eerste lid, onderdeel b, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in [artikel 5.3.15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=4&artikel=5.3.15&z=2010-07-01&g=2010-07-01), respectievelijk [artikel 5.3a.15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=4&artikel=5.3a.15&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
2. Het eerste lid, onderdeel b, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in [artikel 5.3.15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=4&artikel=5.3.15&z=2010-09-28&g=2010-09-28), respectievelijk [artikel 5.3a.15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=4&artikel=5.3a.15&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 6.6
1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2010-07-01&g=2010-07-01), opgenomen eisen en aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2010-09-28&g=2010-09-28), opgenomen eisen en aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.7
Indien een koppeling wordt aangebracht op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moet het motorvoertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader van een erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
Indien een koppeling wordt aangebracht op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moet het motorvoertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader van een erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
##### Artikel 6.8
Indien de vering van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader van een erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
Indien de vering van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, respectievelijk aan de in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [IIID](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging indien de wijziging is aangebracht in het kader van een erkenning GWC als bedoeld in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
@@ -8849,7 +8863,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen. | – |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) zijn van toepassing. | De in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) zijn van toepassing. | De in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 3. | Het chassis, frame dan wel de zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering hebben. | Visuele controle. |
| 4. | De wielstanden moeten overeenkomen met de fabrieksgegevens. | Visuele controle. |
| 5. | Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. | Visuele controle. |
@@ -8880,7 +8894,7 @@
- **controlecertificaat:** certificaat afgegeven naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
- **datum ingebruikname:** datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde permanente eisen;
- **datum ingebruikname:** datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde permanente eisen;
- **digitale aanwijzing:** aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
@@ -8906,7 +8920,7 @@
- **maximale fout:** de maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;
- **onderzoeksgerechtigde:** onderneming of instelling die op grond van [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van dit hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- **onderzoeksgerechtigde:** onderneming of instelling die op grond van [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van dit hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- **primair meetsignaal:** het in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezige analoge of digitale meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;
@@ -8970,11 +8984,11 @@
- k. geluidsniveaumeter.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.4
Een uitlaatgastester als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01):
Een uitlaatgastester als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28):
- a. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022);
@@ -8984,25 +8998,27 @@
##### Artikel 8.1.4a
1. Meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Uitlaatgastesters met lambdabepaling die zijn typegoedgekeurd voor 31 oktober 2006 mogen tot 1 november 2016 in gebruik worden genomen op grond van de in de [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor dit meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
1. Meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Uitlaatgastesters met lambdabepaling die zijn typegoedgekeurd voor 31 oktober 2006 mogen tot 1 november 2016 in gebruik worden genomen op grond van de in de [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor dit meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.5
1. Meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring.
2. Ten bewijze van een herkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een herkeuringscertificaat afgegeven. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester die is voorzien van de in [artikel 8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde markeringen. Een dergelijke uitlaatgastester moet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat voldoen aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en bijlage MI-010 van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022).
1. Meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring.
2. Ten bewijze van een herkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een herkeuringscertificaat afgegeven. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester die is voorzien van de in [artikel 8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde markeringen. Een dergelijke uitlaatgastester moet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat voldoen aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en bijlage MI-010 van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022).
##### Artikel 8.1.6
1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen specifieke eisen.
2. Koplamptestapparaten voldoen aan de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) opgenomen specifieke eisen.
1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4, § 9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen specifieke eisen.
2. Kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4, § 9.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5a&z=2010-09-28&g=2010-09-28), opgenomen specifieke eisen.
3. Koplamptestapparaten voldoen aan de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.7
@@ -9022,7 +9038,7 @@
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften;
- d. de in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde termijn is verstreken, waarbinnen de daar bedoelde tijdelijke voorwaarde moet zijn vervallen dan wel moet zijn omgezet in een definitieve voorwaarde.
- d. de in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde termijn is verstreken, waarbinnen de daar bedoelde tijdelijke voorwaarde moet zijn vervallen dan wel moet zijn omgezet in een definitieve voorwaarde.
##### Artikel 8.1.9
@@ -9048,17 +9064,17 @@
##### Artikel 8.1.10
1. De aanvraag van een typekeuringscertificaat of certificaat van eerste keuring wordt, met inachtneming van de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen keuringsinstelling.
2. De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), met inachtneming van de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde.
3. De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), ingediend bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen keuringsinstelling.
4. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen keuringsinstelling.
1. De aanvraag van een typekeuringscertificaat of certificaat van eerste keuring wordt, met inachtneming van de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen keuringsinstelling.
2. De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), met inachtneming van de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde.
3. De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), ingediend bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen keuringsinstelling.
4. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde voorschriften, ingediend bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen keuringsinstelling.
##### Artikel 8.1.11
Voorzover dit in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is bepaald, wordt in het typekeuringscertificaat een tijdelijke voorwaarde opgenomen met betrekking tot de daar vermelde aspecten. Deze tijdelijke voorwaarde moet binnen de termijn genoemd in het typegoedkeuringscertificaat zijn komen te vervallen dan wel zijn omgezet in een definitieve voorwaarde op grond van een in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vereist onderzoek naar de gedragingen in de praktijk van een representatief aantal meetmiddelen uitgevoerd door de keuringsinstelling op kosten van de aanvrager van de typekeuring.
Voorzover dit in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is bepaald, wordt in het typekeuringscertificaat een tijdelijke voorwaarde opgenomen met betrekking tot de daar vermelde aspecten. Deze tijdelijke voorwaarde moet binnen de termijn genoemd in het typegoedkeuringscertificaat zijn komen te vervallen dan wel zijn omgezet in een definitieve voorwaarde op grond van een in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vereist onderzoek naar de gedragingen in de praktijk van een representatief aantal meetmiddelen uitgevoerd door de keuringsinstelling op kosten van de aanvrager van de typekeuring.
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
@@ -9080,7 +9096,7 @@
##### Artikel 8.2.1
1. De aanwijzing door de Minister van Verkeer en Waterstaat van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-07-01&g=2010-07-01), kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen. Van de aanwijzing van een keuringsinstelling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
1. De aanwijzing door de Minister van Verkeer en Waterstaat van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-09-28&g=2010-09-28), kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen. Van de aanwijzing van een keuringsinstelling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
2. De in het eerste lid bedoelde keuringsinstelling beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:
@@ -9094,13 +9110,13 @@
##### Artikel 8.2.2
De in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-07-01&g=2010-07-01), bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
De in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-09-28&g=2010-09-28), bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
##### Artikel 8.2.3
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), indien wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), indien wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
2. De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
@@ -9108,7 +9124,7 @@
##### Artikel 8.2.4
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
##### Artikel 8.2.5
@@ -9124,11 +9140,11 @@
Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen;
- a. steeds wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen;
- b. de standaarden en andere hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring bevinden zich steeds in goede staat van onderhoud;
- c. elke herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een herkeuring is vastgelegd in het in [artikel 8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- c. elke herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een herkeuring is vastgelegd in het in [artikel 8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- d. na elke herkeuring met een positief resultaat wordt aan de eigenaar of houder van het betrokken meetmiddel een certificaat van herkeuring verstrekt van een door de keuringsinstelling vastgesteld model;
@@ -9142,7 +9158,7 @@
##### Artikel 8.2.9
1. De erkenning wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of indien één of meer van de in [artikel 8.2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde verplichtingen of de financiële verplichting als bedoeld in artikel [8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.10&z=2010-07-01&g=2010-07-01) niet worden nageleefd.
1. De erkenning wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of indien één of meer van de in [artikel 8.2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde verplichtingen of de financiële verplichting als bedoeld in artikel [8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=2&artikel=8.2.10&z=2010-09-28&g=2010-09-28) niet worden nageleefd.
2. Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -9154,7 +9170,7 @@
##### Artikel 8.2.11
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas voor uitlaatgastesters worden erkend, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas voor uitlaatgastesters, respectievelijk van kalibratiegas voor alcoholsloten worden erkend, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
2. De organisatie, het personeel en materieel is zodanig ingericht, dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het te certificeren kalibratiegas de vereiste kwaliteit heeft. De standaarden die bij het certificeren worden gebruikt, zijn afgeleid van standaarden van de instelling, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=3), dan wel van andere, door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen standaarden.
@@ -9174,19 +9190,23 @@
Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen;
- a. steeds wordt voldaan aan de in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen;
- b. de standaarden en hulpmiddelen, benodigd voor het certificeren, bevinden zich steeds in een goede staat van onderhoud;
- c. een certificaat wordt slechts afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig het gestelde in artikel 8.4.76 en dat als gecertificeerd kalibratiegas in de handel wordt gebracht;
- d. de gegevens betreffende de uitvoering van het gestelde in [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voorzover van belang met betrekking tot het certificeren, worden vastgelegd;
- c. een certificaat wordt slechts afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig:
- I. [artikel 8.4.89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor uitlaatgastesters in de handel wordt gebracht, of
- II. [artikel 8.4.89a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5a&artikel=8.4.89a&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor alcoholsloten in de handel wordt gebracht;
- d. de gegevens betreffende de uitvoering van het gestelde in [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voorzover van belang met betrekking tot het certificeren, worden vastgelegd;
- e. de gegevens, bedoeld in onderdeel d, worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard.
##### Artikel 8.2.15
1. De erkenning tot het certificeren van kalibratiegas wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of indien één of meer van de in [artikel 8.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.14&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde verplichtingen niet worden nageleefd.
1. De erkenning tot het certificeren van kalibratiegas wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of indien één of meer van de in [artikel 8.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.14&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde verplichtingen niet worden nageleefd.
2. Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -9200,7 +9220,7 @@
##### Artikel 8.3.1
De in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
De in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.2
@@ -9220,11 +9240,11 @@
##### Artikel 8.3.4
1. Indien in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01). Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
1. Indien in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28). Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
- a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
@@ -9254,7 +9274,7 @@
- h. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden, en
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen a tot en met e tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen f tot en met h zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.
@@ -9266,7 +9286,7 @@
##### Artikel 8.3.6
1. Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding in de Nederlandse taal, tenzij anders is bepaald in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
1. Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding in de Nederlandse taal, tenzij anders is bepaald in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
2. Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de in het eerste lid bedoelde handleiding tenminste:
@@ -9280,17 +9300,17 @@
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat, en
- f. de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde nadere informatie.
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
- f. de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde nadere informatie.
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
##### Artikel 8.3.7
Elektronische meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) anders bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
Elektronische meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) anders bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.8
De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan indien het instrument voldoet aan [artikel 8.3.9, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan indien het instrument voldoet aan [artikel 8.3.9, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 8.3.9
@@ -9300,15 +9320,15 @@
| Omschrijving | Geldende eis | Artikel | Zwaarte |
| --- | --- | --- | --- |
| spanningsvariatie | [8.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) | B.10 | 2 |
| spanningsvariatie | [8.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) | B.10 | 2 |
- b. indien het meetmiddel is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, voldoet dit aan de eisen gesteld in ISO 7637;
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan genoemd onder a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan genoemd onder a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28);
- d. in afwijking van het in onderdeel a genoemde storingsniveau geldt voor een bromfietsrollentestbank het storingsniveau 3 van de elektromagnetische instraling.
@@ -9366,7 +9386,7 @@
2. Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.
3. [Artikel 8.1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.8&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 8.1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.8&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.3.14
@@ -9374,998 +9394,998 @@
2. Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.
3. De [artikelen 8.1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [8.2.1 tot en met 8.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=1&artikel=8.2.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 8.1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [8.2.1 tot en met 8.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=1&artikel=8.2.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
##### Artikel 8.4.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. **opaciteit:** de mate waarin lichtabsorptie plaatsvindt in het uitlaatgas dat door een roetmeter wordt geleid. Deze mate van lichtabsorptie is afhankelijk van de weglengte waarover de lichtabsorptie plaatsvindt en wordt aangeduid door de grootheid **N** die de afname van de lichtflux over de weglengte in het uitlaatgas, uitdrukt in een percentage van de onverzwakte lichtflux. In formule: Hierin is: **N** de opaciteit (uitgedrukt in %); φo de onverzwakte lichtflux; φL de lichtflux resterend na de lichtweg **L**;
- b. **absorptiecoëfficiënt:** maat voor de lichtabsorptie van het uitlaatgas, die karakteristiek is voor de opaciteit van het uitlaatgas en in getalwaarde onafhankelijk is van de weglengte waarover de opaciteit wordt gemeten. De absorptiecoëfficiënt wordt aangeduid door grootheid **k**, die de negatieve waarde van natuurlijke logaritme van de transmissie per meter lichtweg door het uitlaatgas voorstelt. In formule: Hierin is: **K** de absorptiecoëfficiënt (uitgedrukt in m–1); **L** de weglengte die het licht in het uitlaatgas aflegt in meter;
- c. **fysische responsie:** het specifieke dynamische gedrag van dat deel van de roetmeter dat de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het gas in de uitlaat omzet in de opaciteitswaarde die het primaire meetsignaal vormt;
- d. **normlengte:** de gestandaardiseerde lengte voor de meetkamer gebruikt voor de berekening van de genormeerde opaciteit te weten 430 mm;
- e. **ongecorrigeerde opaciteit:** het meetsignaal evenredig met de momentele waarde van de opaciteit, niet gecorrigeerd voor druk, temperatuur of verschil tussen de werkelijke lengte en de normlengte van de meetkamer;
- f. **genormeerde opaciteit:** de berekende waarde van de opaciteit zoals deze zou worden gemeten in een meetkamerlengte gelijk aan de normlengte;
- g. **correctiefilter:** een elektrisch filter opgenomen in het signaalpad met een karakteristiek aangepast aan de fysische responsie;
- h. **hoofdfilter:** het elektrisch filter met een vaste karakteristiek, dat is opgenomen in het signaalpad en dat als ingangssignaal de genormeerde opaciteit heeft;
- i. **piekwaarde detectie-inrichting:** de inrichting die de maximale waarde bepaalt van een roetuitstoot, uitgaande van het, gedurende de vrije acceleratie van de voertuigmotor, gemeten verloop van deze roetuitstoot;
- j. **meetresultaat:** de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het uitlaatgas zoals deze, beïnvloedt door de fysische en elektrische responsie van de roetmeter, is gemeten op het moment bepaald door de piekwaarde detectie-inrichting.
##### Artikel 8.4.2
In de handleiding behorende bij de roetmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28) het volgende zijn opgenomen:
- a. de wijze waarop een sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;
- b. eventuele aanwijzingen met betrekking tot een te gebruiken sonde voor bepaalde voertuigtypen.
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.1
##### Artikel 8.4.3
De roetmeter is voorzien van:
- a. een analoge of digitale aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit;
- b. een automatisch werkende instelling voor 0% en 100% ongecorrigeerde opaciteit. De desbetreffende justeerinrichting moet door de gebruiker in werking kunnen worden gesteld in de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming), doch de werking mag niet door de gebruiker kunnen worden beïnvloed. De justeerinrichting moet zodanig functioneren, dat bij de justering op 0% gewaarborgd is dat geen onjuiste instelling kan plaatsvinden als gevolg van in de meetkamer binnentredende uitlaatgassen;
- c. een inrichting waarmee de lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;
- d. een software-routine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist indien door middel van software-identificatie als bedoeld in [artikel 8.3.10, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.10&z=2010-09-28&g=2010-09-28), op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=1&artikel=8.1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende tenminste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.4
1. De in de volgende leden opgenomen eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale gasstroomsnelheid optreedt.
2. De maximale fout van de roetmeter wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor roetuitstoot door een representatief aantal personenauto’s en bedrijfsauto’s. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m–1 + 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde waarde binnen deze 0,25 seconde.
3. De specifieke fysische responsie van de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5% afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan worden verkregen.
4. De roetmeter moet zijn voorzien van een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:
Hierin is:
**N** i het ingangssignaal van het filter;
**N** u het uitgangssignaal van het filter;
**t** de tijd in seconden;
τ de filterconstante in seconden;
De nominale waarde voor τ hierin is:
De tolerantie van de karakteristiek van het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.
De overeenkomstige karakteristiek in numerieke vorm wordt weergegeven door:
**Y** n = (1 – δ ) * **X**n + δ * **Y**n–1
Hierin geldt voor δ de volgende waarde:
δ = 10 –ts
In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.
5. De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
##### Artikel 8.4.5
Het optisch systeem voldoet aan de volgende eisen:
- a. de toegepaste lichtbron is hetzij een gloeilamp, waarvan de kleurtemperatuur een waarde moet hebben die tussen 2800 K en 3250 K ligt, hetzij een diode die licht emitteert met een golflengte- piekwaarde tussen de 550 nm en 570 nm;
- b. indien als lichtbron een gloeilamp wordt gebruikt, komt de spectrale gevoeligheidskarakteristiek van de foto-elektrische cel overeen met de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog;
- c. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat uitwendige lichtbronnen en interne reflecties geen storende invloed hebben op de juiste werking van de roetmeter;
- d. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat herhaalde reflectie tussen het optisch filter en andere reflecterende oppervlakken een verwaarloosbare invloed heeft op de effectieve waarde van het optisch filter tenzij deze reflecties een bekende en stabiele bijdrage hebben in deze effectieve waarde van het filter en geen storende invloed hebben op de controle van de lineariteit;
- e. de opbouw van het optisch systeem dient zodanig te zijn dat regelmatige reiniging, indien noodzakelijk, door de gebruiker op een eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd, zonder risico dat de juiste werking van de roetmeter hierdoor nadelig wordt beïnvloed.
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.6
1. Een meetcuvet wordt op een temperatuur gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van dat cuvet een verwaarloosbare invloed heeft.
2. De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsiesnelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan hetgeen gesteld is in het vierde lid.
3. De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten bij omgevingstemperaturen boven –10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.
4. Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.
#### § 1.2.3. Optisch systeem
##### Artikel 8.4.7
1. Een in de uitlaat van het motorvoertuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan indien de opening van de sonde zich op een afstand van tenminste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28), geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
##### Artikel 8.4.8
1. De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
- a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle als bedoeld in [artikel 4.3, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), plaats kunnen vinden;
- b. de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden weergegeven.
2. De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand ‘ONGEFILTERDE PIEKWAARDE’, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
3. Andere functiestanden en aanwijzingen zijn toegestaan, mits deze geen aanleiding tot misleiding of misvatting geven.
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.9
De roetmeter is voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:
- a. in de functiestand ‘CONTROLE’ (of een gelijksoortige benaming) de ongecorrigeerde waarde van de opaciteit over het bereik van 0% tot 100%. De kleinste stap in de aangewezen waarde moet 0,1% bedragen;
- b. de piekwaarde van de gecorrigeerde absorptiecoefficiënt over het bereik van ten minste 0 m–1 tot 5,5 m–1. De kleinste stap in de aangewezen waarde mag niet meer dan 0,02 m–1 bedragen.
#### § 1.2.6. Functiestanden
##### Artikel 8.4.10
1. De roetmeter is voorzien van een interne of externe afdruk-inrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
- b. de informatie van het desbetreffende voertuig:
- 1°. de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
- 2°. de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
- c. de uitgangspunten:
- 1°. de soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
- 2°. de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
- d. de meetresultaten van de drie geldige meetcycli:
- 1°. de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden voor het gasgeven;
- 2°. de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
2. Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
3. Andere informatie, dan bedoeld in het eerste of tweede lid, mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.11
1. De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van dit hoofdstuk.
2. Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.12
1. Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, zoals bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2010-09-28&g=2010-09-28), in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
2. De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
3. De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
- a. invoeren van de gegevens als bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2010-09-28&g=2010-09-28);
- b. automatische controle of:
- 1°. alle onder punt a bedoelde gegevens zijn ingevoerd;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, zoals bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
- 4°. het afregeltoerental gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt;
- c. indien de resultaten van de onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de testprocedure vrijgeven;
- d. nadat het stationair toerental na een periode van tenminste 10 seconden gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het gaspedaal moet worden ingedrukt;
- e. nadat het afregeltoerental 2 seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet worden losgelaten;
- f. de roetmeter geeft aan dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1. In dit geval is de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de eerste als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, worden de punten d en e automatisch eenmaal herhaald;
- g. automatisch, indien van toepassing, wordt het rekenkundig gemiddelde van de absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen berekend. Als de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of gelijk is aan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m–1. Als de berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,7 m–1. Indien blijkt dat de afwijking groter is dan 0,5 m–1 respectievelijk 0,7 m–1 moet de test een of meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens opnieuw wordt uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.12a
1. In afwijking van [artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28),
- a. mogen tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven de punten d en e van dat artikel ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
- b. kan het ten minste tweemaal automatisch herhalen van de punten d en e van dat artikel van toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven.
2. Roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1.
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.10. Meetprogramma
##### Artikel 8.4.13
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. **opaciteit:** de mate waarin lichtabsorptie plaatsvindt in het uitlaatgas dat door een roetmeter wordt geleid. Deze mate van lichtabsorptie is afhankelijk van de weglengte waarover de lichtabsorptie plaatsvindt en wordt aangeduid door de grootheid **N** die de afname van de lichtflux over de weglengte in het uitlaatgas, uitdrukt in een percentage van de onverzwakte lichtflux. In formule: Hierin is: **N** de opaciteit (uitgedrukt in %); φo de onverzwakte lichtflux; φL de lichtflux resterend na de lichtweg **L**;
- b. **absorptiecoëfficiënt:** maat voor de lichtabsorptie van het uitlaatgas, die karakteristiek is voor de opaciteit van het uitlaatgas en in getalwaarde onafhankelijk is van de weglengte waarover de opaciteit wordt gemeten. De absorptiecoëfficiënt wordt aangeduid door grootheid **k**, die de negatieve waarde van natuurlijke logaritme van de transmissie per meter lichtweg door het uitlaatgas voorstelt. In formule: Hierin is: **K** de absorptiecoëfficiënt (uitgedrukt in m–1); **L** de weglengte die het licht in het uitlaatgas aflegt in meter;
- c. **fysische responsie:** het specifieke dynamische gedrag van dat deel van de roetmeter dat de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het gas in de uitlaat omzet in de opaciteitswaarde die het primaire meetsignaal vormt;
- d. **normlengte:** de gestandaardiseerde lengte voor de meetkamer gebruikt voor de berekening van de genormeerde opaciteit te weten 430 mm;
- e. **ongecorrigeerde opaciteit:** het meetsignaal evenredig met de momentele waarde van de opaciteit, niet gecorrigeerd voor druk, temperatuur of verschil tussen de werkelijke lengte en de normlengte van de meetkamer;
- f. **genormeerde opaciteit:** de berekende waarde van de opaciteit zoals deze zou worden gemeten in een meetkamerlengte gelijk aan de normlengte;
- g. **correctiefilter:** een elektrisch filter opgenomen in het signaalpad met een karakteristiek aangepast aan de fysische responsie;
- h. **hoofdfilter:** het elektrisch filter met een vaste karakteristiek, dat is opgenomen in het signaalpad en dat als ingangssignaal de genormeerde opaciteit heeft;
- i. **piekwaarde detectie-inrichting:** de inrichting die de maximale waarde bepaalt van een roetuitstoot, uitgaande van het, gedurende de vrije acceleratie van de voertuigmotor, gemeten verloop van deze roetuitstoot;
- j. **meetresultaat:** de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het uitlaatgas zoals deze, beïnvloedt door de fysische en elektrische responsie van de roetmeter, is gemeten op het moment bepaald door de piekwaarde detectie-inrichting.
##### Artikel 8.4.2
In de handleiding behorende bij de roetmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01) het volgende zijn opgenomen:
- a. de wijze waarop een sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;
- b. eventuele aanwijzingen met betrekking tot een te gebruiken sonde voor bepaalde voertuigtypen.
- a. **toerenteller:** meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;
- b. **geïntegreerde toerenteller:** toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- c. **toerenopnemer:** onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.
##### Artikel 8.4.14
In de handleiding behorende bij de toerenteller moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28) het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de toerenteller voorzien is van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;
- b. de wijze waarop de toerenopnemer op of bij de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 2.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.15
De maximale fout voor toerentellers bedraagt 10 min–1 voor toerentallen kleiner dan 1000 min–1 en 1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1000 min–1.
##### Artikel 8.4.16
1. De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.
2. De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.
3. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.
4. Het meetbereik van een toerenteller moet tenminste het gebied van 500 min–1 tot 6000 min–1 omvatten.
##### Artikel 8.4.17
Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. **olietemperatuurmeter:** meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;
- b. **geïntegreerde olietemperatuurmeter:** olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- c. **temperatuuropnemer:** onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
##### Artikel 8.4.19
In de handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28) het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de olietemperatuurmeter voorzien is van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
- b. de wijze waarop de opnemer in de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.20
De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C. Voor het aanwijsbereik buiten het meettraject van 60 °C tot 90 °C is de maximale fout van de olietemperatuurmeter 8 °C.
##### Artikel 8.4.21
1. De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
2. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.
3. Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet tenminste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.
##### Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
##### Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.3
De roetmeter is voorzien van:
- a. een analoge of digitale aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit;
- b. een automatisch werkende instelling voor 0% en 100% ongecorrigeerde opaciteit. De desbetreffende justeerinrichting moet door de gebruiker in werking kunnen worden gesteld in de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming), doch de werking mag niet door de gebruiker kunnen worden beïnvloed. De justeerinrichting moet zodanig functioneren, dat bij de justering op 0% gewaarborgd is dat geen onjuiste instelling kan plaatsvinden als gevolg van in de meetkamer binnentredende uitlaatgassen;
- c. een inrichting waarmee de lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;
- d. een software-routine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist indien door middel van software-identificatie als bedoeld in [artikel 8.3.10, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=2&artikel=8.3.10&z=2010-07-01&g=2010-07-01), op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=1&artikel=8.1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende tenminste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
##### Artikel 8.4.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **manometer:** meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;
- **geïntegreerde manometer:** manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
##### Artikel 8.4.25
In afwijking van het bepaalde in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is een handleiding voor de manometer niet vereist.
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende eisen:
- a. de gemeten druk moet worden weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
- b. de gemeten waarde moet door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;
- c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:
- 1°. in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
- 2°. in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%;
- d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.4
1. De in de volgende leden opgenomen eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale gasstroomsnelheid optreedt.
2. De maximale fout van de roetmeter wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor roetuitstoot door een representatief aantal personenauto’s en bedrijfsauto’s. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m–1 + 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde waarde binnen deze 0,25 seconde.
3. De specifieke fysische responsie van de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5% afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan worden verkregen.
4. De roetmeter moet zijn voorzien van een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:
##### Artikel 8.4.27
1. Onder pedaalkrachtmeter wordt verstaan: meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.
2. De pedaalkrachtmeter is voorzien van een Nederlandstalige handleiding.
#### § 1.2.3. Optisch systeem
##### Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:
- a. de aanwijzing van de pedaalkracht dient te geschieden in Newton (N);
- b. de meter heeft een bereik van 0 N tot ten minste 700 N;
- c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
- d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht moet bedragen:
- 1°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
- 2°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht;
- 3°. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
- e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **gemiddelde waarde:** het rekenkundig gemiddelde van, op vaste tijdsafstanden, bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **resulterende meetwaarde:** de gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;
- **standaanwijsinrichting:** aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
- **grenswaarde van de standaanwijsinrichting:** de door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
- **justeerinrichting:** inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
- **standcorrectie-inrichting:** inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
##### Artikel 8.4.30
In de handleiding behorende bij de remvertragingsmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28) de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter worden opgenomen waarbij het volgende nader moet worden belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
- b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;
- c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;
- d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.
#### § 1.2.6. Functiestanden
##### Artikel 8.4.31
1. De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.
2. De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
##### Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
- b. de remvertragingsmeter is voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;
- b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;
- c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
- d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt, die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s2.
##### Artikel 8.4.34
1. De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt: 0,1 m/s2.
2. De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
3. De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
4. De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
5. De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie zoals bedoeld in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2010-09-28&g=2010-09-28), bedraagt 0,02 m/s2.
##### Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
##### Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat tenminste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.
##### Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
##### Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.
##### Artikel 8.4.39
1. De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over tenminste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
2. Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
3. Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.
4. Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie zoals bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.
##### Artikel 8.4.40
1. Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis genoemd in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2010-09-28&g=2010-09-28), of de eis genoemd in [artikel 8.4.34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.34&z=2010-09-28&g=2010-09-28), moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
2. De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
##### Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
- a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;
- b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
- c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
- A. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a);
- B. bepaal met een interval van 0,1 seconde de 5 gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a) en de 5 gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a);
- C. voer de volgende 6 berekeningen uit:
- i. (a+a+a+a+a+am)/6;
- ii. (a+a+a+a+am+a)/6;
- iii. (a+a+a+a+a+a)/6;
- iv. (a+a+a+a+a+a)/6;
- v. (a+a+a+a+a+a)/6;
- vi. (a+a+a+a+a+a)/6;
- D. de hoogste van de onder C berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die tenminste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.
- d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde voor de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, 1 m/s2 bedraagt.
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **rollenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
- **gemiddelde waarde:** rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **remkracht:** tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **ingestuurde druk:** druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;
- **resulterende meetwaarde:** de door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **extrapolatie-inrichting:** inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
- **extrapolatiedruk (PX):** waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;
- **extrapolatiewaarde:** met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;
- **extrapolatiedruk (PEX):** gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
- **rotatieperiode:** tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
- **remkrachthelling:** verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;
- **berekende remvertraging:** door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;
- **rolweerstand:** kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;
- **klasse I rollenremtestbank:** rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg mits de asdruk van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals aangegeven op de rollenremtestbank;
- **klasse II rollenremtestbank:** rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kg;
- **klasse I/II rollenremtestbank:** rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste aan de definitie geldend voor een klasse I rollenremtestbank en het tweede aan de definitie voor een klasse II rollenremtestbank voldoet.
##### Artikel 8.4.43
In de handleiding behorende bij de rollenremtestbank is opgenomen:
- a. de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28);
- b. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de berekende remvertraging.
##### Artikel 8.4.44
In aanvulling op [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28), wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
#### § 4.1. Algemeen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
##### Artikel 8.4.46
1. Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 7.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) respectievelijk [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van deze afdeling.
#### § 3.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten bedoeld in [artikel 8.4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde genoemd in [artikel 8.4.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
##### Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 4.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de gestelde eisen aan remkracht bedoeld in de [paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
##### Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
##### Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan 1/6 maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
##### Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, genoemd in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, genoemd in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, genoemd in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
##### Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
##### Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
##### Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde zoals bedoeld in [artikel 8.4.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.69&z=2010-09-28&g=2010-09-28) , en M is de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
##### Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis gesteld in [artikel 3.7.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.10&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
3. Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting genoemd in [artikel 3.7.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.16&z=2010-09-28&g=2010-09-28), of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.
##### Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
##### Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
##### Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, genoemd in [artikel 8.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28), eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de onder 1 vermelde hoogste gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%.
##### Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
##### Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
**N** i het ingangssignaal van het filter;
**N** u het uitgangssignaal van het filter;
**t** de tijd in seconden;
τ de filterconstante in seconden;
De nominale waarde voor τ hierin is:
De tolerantie van de karakteristiek van het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.
De overeenkomstige karakteristiek in numerieke vorm wordt weergegeven door:
**Y** n = (1 – δ ) * **X**n + δ * **Y**n–1
Hierin geldt voor δ de volgende waarde:
δ = 10 –ts
In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.
5. De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
##### Artikel 8.4.5
Het optisch systeem voldoet aan de volgende eisen:
- a. de toegepaste lichtbron is hetzij een gloeilamp, waarvan de kleurtemperatuur een waarde moet hebben die tussen 2800 K en 3250 K ligt, hetzij een diode die licht emitteert met een golflengte- piekwaarde tussen de 550 nm en 570 nm;
- b. indien als lichtbron een gloeilamp wordt gebruikt, komt de spectrale gevoeligheidskarakteristiek van de foto-elektrische cel overeen met de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog;
- c. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat uitwendige lichtbronnen en interne reflecties geen storende invloed hebben op de juiste werking van de roetmeter;
- d. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat herhaalde reflectie tussen het optisch filter en andere reflecterende oppervlakken een verwaarloosbare invloed heeft op de effectieve waarde van het optisch filter tenzij deze reflecties een bekende en stabiele bijdrage hebben in deze effectieve waarde van het filter en geen storende invloed hebben op de controle van de lineariteit;
- e. de opbouw van het optisch systeem dient zodanig te zijn dat regelmatige reiniging, indien noodzakelijk, door de gebruiker op een eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd, zonder risico dat de juiste werking van de roetmeter hierdoor nadelig wordt beïnvloed.
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.6
1. Een meetcuvet wordt op een temperatuur gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van dat cuvet een verwaarloosbare invloed heeft.
2. De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsiesnelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan hetgeen gesteld is in het vierde lid.
3. De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten bij omgevingstemperaturen boven –10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.
4. Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.
#### § 1.2.3. Optisch systeem
##### Artikel 8.4.7
1. Een in de uitlaat van het motorvoertuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan indien de opening van de sonde zich op een afstand van tenminste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01), geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
##### Artikel 8.4.8
1. De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
- a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle als bedoeld in [artikel 4.3, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), plaats kunnen vinden;
- b. de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden weergegeven.
2. De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand ‘ONGEFILTERDE PIEKWAARDE’, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
3. Andere functiestanden en aanwijzingen zijn toegestaan, mits deze geen aanleiding tot misleiding of misvatting geven.
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.9
De roetmeter is voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:
- a. in de functiestand ‘CONTROLE’ (of een gelijksoortige benaming) de ongecorrigeerde waarde van de opaciteit over het bereik van 0% tot 100%. De kleinste stap in de aangewezen waarde moet 0,1% bedragen;
- b. de piekwaarde van de gecorrigeerde absorptiecoefficiënt over het bereik van ten minste 0 m–1 tot 5,5 m–1. De kleinste stap in de aangewezen waarde mag niet meer dan 0,02 m–1 bedragen.
#### § 1.2.6. Functiestanden
##### Artikel 8.4.10
1. De roetmeter is voorzien van een interne of externe afdruk-inrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
- b. de informatie van het desbetreffende voertuig:
- 1°. de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
- 2°. de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
- c. de uitgangspunten:
- 1°. de soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
- 2°. de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
- d. de meetresultaten van de drie geldige meetcycli:
- 1°. de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden voor het gasgeven;
- 2°. de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
2. Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
3. Andere informatie, dan bedoeld in het eerste of tweede lid, mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.11
1. De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van dit hoofdstuk.
2. Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.12
1. Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, zoals bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2010-07-01&g=2010-07-01), in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
2. De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
3. De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
- a. invoeren van de gegevens als bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- b. automatische controle of:
- 1°. alle onder punt a bedoelde gegevens zijn ingevoerd;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, zoals bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
- 4°. het afregeltoerental gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt;
- c. indien de resultaten van de onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de testprocedure vrijgeven;
- d. nadat het stationair toerental na een periode van tenminste 10 seconden gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het gaspedaal moet worden ingedrukt;
- e. nadat het afregeltoerental 2 seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet worden losgelaten;
- f. de roetmeter geeft aan dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1. In dit geval is de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de eerste als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, worden de punten d en e automatisch eenmaal herhaald;
- g. automatisch, indien van toepassing, wordt het rekenkundig gemiddelde van de absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen berekend. Als de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of gelijk is aan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m–1. Als de berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,7 m–1. Indien blijkt dat de afwijking groter is dan 0,5 m–1 respectievelijk 0,7 m–1 moet de test een of meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens opnieuw wordt uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.12a
1. In afwijking van [artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01),
- a. mogen tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven de punten d en e van dat artikel ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
- b. kan het ten minste tweemaal automatisch herhalen van de punten d en e van dat artikel van toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven.
2. Roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1.
#### § 2. Toerentellers
#### § 1.2.10. Meetprogramma
##### Artikel 8.4.13
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
##### Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
##### Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de referentiewaarden genoemd in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
##### Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde moet voldoen aan de eisen gesteld in [paragraaf 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28) met uitzondering van [artikel 8.4.65, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.65&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
##### Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee tenminste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie zoals vermeld in [artikel 8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28);
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa c.q. de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in [artikel 8.4.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in [artikel 8.4.64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.64&z=2010-09-28&g=2010-09-28);
- g. de waarschuwing, genoemd in [artikel 8.4.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
2. Andere informatie als bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 7.2.3. Uitvoering
##### Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid voldoen aan de volgende eisen: de maximale fout in plus en min bedraagt bij een kracht:
- 1°. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- 2°. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de datum van afgifte van het certificaat zoals daarop vermeld, worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten na 3 jaar na de in het eerste lid, vermelde datum, voldoen aan de eisen genoemd in dit hoofdstuk met uitzondering van de [artikelen 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [8.3.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [8.4.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.56&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [8.4.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28) met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 8.4.57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28), de aan het wiel overgedragen remkracht tenminste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van [artikel 8.4.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.62&z=2010-09-28&g=2010-09-28) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in tenminste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling tenminste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van [artikel 8.4.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.63&z=2010-09-28&g=2010-09-28), het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.74
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder platenremtestbank een meetmiddel waarbij de wielen van een voertuig kunnen steunen op vlakke, horizontale platen waarmee de remkracht wordt bepaald uit de reactiekracht die wordt uitgeoefend door een afremmend voertuig dat op de platen tot stilstand wordt gebracht.
2. Platenremtestbanken behoeven niet te voldoen aan [artikel 8.1.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
#### § 8.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.75
De platenremtestbank voldoet aan de volgende eisen:
- a. de platenremtestbank geeft per as voor elk afzonderlijk wiel de gemeten waarden. Zij is op gemakkelijke wijze te bedienen en werkt op veilige wijze;
- b. de wrijvingscoëfficiënt tussen de wielen van een op de platenremtestbank geplaatst voertuig en de platenremtestbank bedraagt in droge toestand ten minste 0,5;
- c. de gemeten remkracht wordt weergegeven in Newton (N);
- d. de gemeten waarden worden door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk en duidelijk aangegeven;
- e. de aanwijs- of registratie-inrichtingen moeten:
- 1°. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- 2°. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
- f. het meetbereik van een platenremtestbank met digitale weergave van de gemeten waarde omvat ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig zijn dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is;
- g. het meetbereik van een analoog aanwijzende of analoog registrerende platenremtestbank omvat ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarden, waarbij de schaalverdeling ten minste op onderling gelijke afstanden, die niet groter zijn dan 20% van het meetbereik, van cijfers is voorzien. De totale lengte van de schaalverdeling, gemeten langs de cirkel die het midden van de deelstrepen verbindt, bedraagt bij een aanwijzende inrichting ten minste 0,15 m en bij een registrerende inrichting ten minste 0,07 m. Een waarde ter grootte van 2% van het meetbereik van de inrichting moet nog gemakkelijk zijn af te lezen;
- h. demping en eigen frequentie van de platenremtestbank zijn zodanig, dat de maximale fouten, bedoeld onder m, niet worden overschreden zolang de toename per tijdseenheid van de gemeten waarde niet de door de fabrikant van de platenremtestbank opgegeven grenswaarde te boven gaat;
- i. de platenremtestbank en een daaraan gekoppelde inrichting voor de verwerking van meetgegevens zijn beveiligd tegen of zijn voldoende ongevoelig voor de onder normale omstandigheden voorkomende thermische, atmosferische, elektrische, magnetische en elektromagnetische invloeden;
- j. een analoog registrerende platenremtestbank is zodanig uitgevoerd dat afwijkingen als gevolg van mogelijke positieverandering van het registratieblad ten hoogste 1% van het meetbereik van de platenremtestbank bedragen. Indien de gemeten waarde wordt geregistreerd in afhankelijkheid van de tijd moet de transportsnelheid van het blad ten minste 0,005 m/s bedragen en mag de transportsnelheid niet meer dan 5% afwijken van de nominale waarde daarvan. Bij cirkelvormige bladen wordt als transportsnelheid aangemerkt de omtreksnelheid, gemeten aan de binnencirkel van het registratieveld;
- k. de weergave van de gemeten waarde die uiterlijk 0,5 seconde nadat de meting is begonnen, wordt verkregen, wordt als maatgevend beschouwd;
- l. de maximale fout in plus en in min, van de aangewezen remkracht bedraagt:
- 1°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 2°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 3°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht: en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- m. bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld onder 1.
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
##### Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. **toerenteller:** meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;
- b. **geïntegreerde toerenteller:** toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- c. **toerenopnemer:** onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.
##### Artikel 8.4.14
In de handleiding behorende bij de toerenteller moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01) het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de toerenteller voorzien is van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;
- b. de wijze waarop de toerenopnemer op of bij de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 2.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.15
De maximale fout voor toerentellers bedraagt 10 min–1 voor toerentallen kleiner dan 1000 min–1 en 1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1000 min–1.
##### Artikel 8.4.16
1. De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.
2. De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.
3. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.
4. Het meetbereik van een toerenteller moet tenminste het gebied van 500 min–1 tot 6000 min–1 omvatten.
##### Artikel 8.4.17
Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. **olietemperatuurmeter:** meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;
- b. **geïntegreerde olietemperatuurmeter:** olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- c. **temperatuuropnemer:** onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
##### Artikel 8.4.19
In de handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01) het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de olietemperatuurmeter voorzien is van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
- b. de wijze waarop de opnemer in de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.20
De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C. Voor het aanwijsbereik buiten het meettraject van 60 °C tot 90 °C is de maximale fout van de olietemperatuurmeter 8 °C.
##### Artikel 8.4.21
1. De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
2. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.
3. Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet tenminste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.
##### Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
##### Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **manometer:** meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;
- **geïntegreerde manometer:** manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
##### Artikel 8.4.25
In afwijking van het bepaalde in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is een handleiding voor de manometer niet vereist.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende eisen:
- a. de gemeten druk moet worden weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
- b. de gemeten waarde moet door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;
- c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:
- 1°. in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
- 2°. in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%;
- d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.27
1. Onder pedaalkrachtmeter wordt verstaan: meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.
2. De pedaalkrachtmeter is voorzien van een Nederlandstalige handleiding.
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
##### Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:
- a. de aanwijzing van de pedaalkracht dient te geschieden in Newton (N);
- b. de meter heeft een bereik van 0 N tot ten minste 700 N;
- c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
- d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht moet bedragen:
- 1°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
- 2°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht;
- 3°. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
- e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **gemiddelde waarde:** het rekenkundig gemiddelde van, op vaste tijdsafstanden, bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **resulterende meetwaarde:** de gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;
- **standaanwijsinrichting:** aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
- **grenswaarde van de standaanwijsinrichting:** de door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
- **justeerinrichting:** inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
- **standcorrectie-inrichting:** inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
##### Artikel 8.4.30
In de handleiding behorende bij de remvertragingsmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01) de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter worden opgenomen waarbij het volgende nader moet worden belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
- b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;
- c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;
- d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.
#### § 2.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.31
1. De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.
2. De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
##### Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
- b. de remvertragingsmeter is voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;
- b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;
- c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
- d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt, die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s2.
##### Artikel 8.4.34
1. De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt: 0,1 m/s2.
2. De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
3. De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
4. De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
5. De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie zoals bedoeld in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2010-07-01&g=2010-07-01), bedraagt 0,02 m/s2.
##### Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
##### Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat tenminste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.
##### Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
##### Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.
##### Artikel 8.4.39
1. De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over tenminste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
2. Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
3. Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.
4. Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie zoals bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.
##### Artikel 8.4.40
1. Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis genoemd in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2010-07-01&g=2010-07-01), of de eis genoemd in [artikel 8.4.34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.34&z=2010-07-01&g=2010-07-01), moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
2. De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
##### Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
- a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;
- b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
- c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
- A. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a);
- B. bepaal met een interval van 0,1 seconde de 5 gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a) en de 5 gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a);
- C. voer de volgende 6 berekeningen uit:
- i. (a+a+a+a+a+am)/6;
- ii. (a+a+a+a+am+a)/6;
- iii. (a+a+a+a+a+a)/6;
- iv. (a+a+a+a+a+a)/6;
- v. (a+a+a+a+a+a)/6;
- vi. (a+a+a+a+a+a)/6;
- D. de hoogste van de onder C berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die tenminste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.
- d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde voor de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, 1 m/s2 bedraagt.
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **rollenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
- **gemiddelde waarde:** rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **remkracht:** tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **ingestuurde druk:** druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;
- **resulterende meetwaarde:** de door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **extrapolatie-inrichting:** inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
- **extrapolatiedruk (PX):** waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;
- **extrapolatiewaarde:** met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;
- **extrapolatiedruk (PEX):** gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
- **rotatieperiode:** tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
- **remkrachthelling:** verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;
- **berekende remvertraging:** door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;
- **rolweerstand:** kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;
- **klasse I rollenremtestbank:** rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg mits de asdruk van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals aangegeven op de rollenremtestbank;
- **klasse II rollenremtestbank:** rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kg;
- **klasse I/II rollenremtestbank:** rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste aan de definitie geldend voor een klasse I rollenremtestbank en het tweede aan de definitie voor een klasse II rollenremtestbank voldoet.
##### Artikel 8.4.43
In de handleiding behorende bij de rollenremtestbank is opgenomen:
- a. de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- b. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de berekende remvertraging.
##### Artikel 8.4.44
In aanvulling op [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01), wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
#### § 4.1. Algemeen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
##### Artikel 8.4.46
1. Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 7.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) respectievelijk [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=5&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van deze afdeling.
#### § 5.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten bedoeld in [artikel 8.4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
##### Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde genoemd in [artikel 8.4.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
##### Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 7.2.3. Uitvoering
##### Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de gestelde eisen aan remkracht bedoeld in de [paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
##### Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
##### Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan 1/6 maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
##### Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, genoemd in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, genoemd in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, genoemd in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
##### Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
##### Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
##### Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde zoals bedoeld in [artikel 8.4.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.69&z=2010-07-01&g=2010-07-01) , en M is de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
##### Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis gesteld in [artikel 3.7.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.10&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
3. Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting genoemd in [artikel 3.7.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=1&artikel=3.16&z=2010-07-01&g=2010-07-01), of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.
##### Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
##### Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
##### Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, genoemd in [artikel 8.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01), eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de onder 1 vermelde hoogste gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%.
##### Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
##### Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
##### Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
##### Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de referentiewaarden genoemd in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
##### Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde moet voldoen aan de eisen gesteld in [paragraaf 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01) met uitzondering van [artikel 8.4.65, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.65&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
##### Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee tenminste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie zoals vermeld in [artikel 8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa c.q. de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in [artikel 8.4.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in [artikel 8.4.64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.64&z=2010-07-01&g=2010-07-01);
- g. de waarschuwing, genoemd in [artikel 8.4.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
2. Andere informatie als bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 7.2.3. Uitvoering
##### Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid voldoen aan de volgende eisen: de maximale fout in plus en min bedraagt bij een kracht:
- 1°. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- 2°. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de datum van afgifte van het certificaat zoals daarop vermeld, worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten na 3 jaar na de in het eerste lid, vermelde datum, voldoen aan de eisen genoemd in dit hoofdstuk met uitzondering van de [artikelen 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [8.3.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=3&artikel=8.3.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [8.4.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.56&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [8.4.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01) met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 8.4.57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01), de aan het wiel overgedragen remkracht tenminste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van [artikel 8.4.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.62&z=2010-07-01&g=2010-07-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in tenminste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling tenminste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van [artikel 8.4.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.63&z=2010-07-01&g=2010-07-01), het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
##### Artikel 8.4.74
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder platenremtestbank een meetmiddel waarbij de wielen van een voertuig kunnen steunen op vlakke, horizontale platen waarmee de remkracht wordt bepaald uit de reactiekracht die wordt uitgeoefend door een afremmend voertuig dat op de platen tot stilstand wordt gebracht.
2. Platenremtestbanken behoeven niet te voldoen aan [artikel 8.1.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
#### § 8.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.75
De platenremtestbank voldoet aan de volgende eisen:
- a. de platenremtestbank geeft per as voor elk afzonderlijk wiel de gemeten waarden. Zij is op gemakkelijke wijze te bedienen en werkt op veilige wijze;
- b. de wrijvingscoëfficiënt tussen de wielen van een op de platenremtestbank geplaatst voertuig en de platenremtestbank bedraagt in droge toestand ten minste 0,5;
- c. de gemeten remkracht wordt weergegeven in Newton (N);
- d. de gemeten waarden worden door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk en duidelijk aangegeven;
- e. de aanwijs- of registratie-inrichtingen moeten:
- 1°. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- 2°. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
- f. het meetbereik van een platenremtestbank met digitale weergave van de gemeten waarde omvat ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig zijn dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is;
- g. het meetbereik van een analoog aanwijzende of analoog registrerende platenremtestbank omvat ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarden, waarbij de schaalverdeling ten minste op onderling gelijke afstanden, die niet groter zijn dan 20% van het meetbereik, van cijfers is voorzien. De totale lengte van de schaalverdeling, gemeten langs de cirkel die het midden van de deelstrepen verbindt, bedraagt bij een aanwijzende inrichting ten minste 0,15 m en bij een registrerende inrichting ten minste 0,07 m. Een waarde ter grootte van 2% van het meetbereik van de inrichting moet nog gemakkelijk zijn af te lezen;
- h. demping en eigen frequentie van de platenremtestbank zijn zodanig, dat de maximale fouten, bedoeld onder m, niet worden overschreden zolang de toename per tijdseenheid van de gemeten waarde niet de door de fabrikant van de platenremtestbank opgegeven grenswaarde te boven gaat;
- i. de platenremtestbank en een daaraan gekoppelde inrichting voor de verwerking van meetgegevens zijn beveiligd tegen of zijn voldoende ongevoelig voor de onder normale omstandigheden voorkomende thermische, atmosferische, elektrische, magnetische en elektromagnetische invloeden;
- j. een analoog registrerende platenremtestbank is zodanig uitgevoerd dat afwijkingen als gevolg van mogelijke positieverandering van het registratieblad ten hoogste 1% van het meetbereik van de platenremtestbank bedragen. Indien de gemeten waarde wordt geregistreerd in afhankelijkheid van de tijd moet de transportsnelheid van het blad ten minste 0,005 m/s bedragen en mag de transportsnelheid niet meer dan 5% afwijken van de nominale waarde daarvan. Bij cirkelvormige bladen wordt als transportsnelheid aangemerkt de omtreksnelheid, gemeten aan de binnencirkel van het registratieveld;
- k. de weergave van de gemeten waarde die uiterlijk 0,5 seconde nadat de meting is begonnen, wordt verkregen, wordt als maatgevend beschouwd;
- l. de maximale fout in plus en in min, van de aangewezen remkracht bedraagt:
- 1°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 2°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 3°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht: en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- m. bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld onder 1.
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **automatische controle-inrichting:** een controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;
- **automatische justeerinrichting:** voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;
@@ -10414,13 +10434,13 @@
##### Artikel 8.4.79
In de handleiding behorende bij de uitlaatgastester is naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), het volgende opgenomen:
In de handleiding behorende bij de uitlaatgastester is naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), het volgende opgenomen:
- a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;
- b. de tijdsintervallen tussen de automatische controles op gaskalibratie en lek;
- c. een beschrijving van de procedure voor de lektest. Deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het in [artikel 8.4.85, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.3&sub-paragraaf=9.3.1&artikel=8.4.85&z=2010-07-01&g=2010-07-01), gespecificeerde lek te detecteren;
- c. een beschrijving van de procedure voor de lektest. Deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het in [artikel 8.4.85, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.3&sub-paragraaf=9.3.1&artikel=8.4.85&z=2010-09-28&g=2010-09-28), gespecificeerde lek te detecteren;
- d. een instructie aan de gebruiker dat voorafgaande aan elke HC-meting een controle op het HC-residu moet plaatsvinden, inclusief een beschrijving van de procedure voor de controle op het HC-residu;
@@ -10434,7 +10454,7 @@
##### Artikel 8.4.80
1. De uitlaatgastester is, naast de in [artikel 8.3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-07-01&g=2010-07-01), vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het merk en type van de zuurstofbrandstofcel.
1. De uitlaatgastester is, naast de in [artikel 8.3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28), vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het merk en type van de zuurstofbrandstofcel.
2. Bij elke uitlaatgastester is de waarde van de propaan-equivalentiefactor (PEF) aangebracht op de voorzijde van het instrument of moet zichtbaar gemaakt kunnen worden op de aanwijsinrichting.
@@ -10474,9 +10494,9 @@
##### Artikel 8.4.84
1. De in [artikel 8.4.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.83&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, worden onder de volgende condities niet overschreden:
- a. de in [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01), vermelde gebruiksomstandigheden;
1. De in [artikel 8.4.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.83&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, worden onder de volgende condities niet overschreden:
- a. de in [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28), vermelde gebruiksomstandigheden;
- b. relatieve luchtvochtigheid: tot 90% R.V.;
@@ -10498,7 +10518,7 @@
4. De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de maximale fout bij eerste keuring onder gebruiksomstandigheden of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
- a. de in [artikel 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01) vermelde invloeden;
- a. de in [artikel 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28) vermelde invloeden;
- b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val over 25 mm door een der hoekpunten op een vast oppervlak.
@@ -10577,7 +10597,7 @@
##### Artikel 8.4.86
Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller mits deze voldoet aan de eisen gesteld in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van deze afdeling.
Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller mits deze voldoet aan de eisen gesteld in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van deze afdeling.
#### § 9.3. Technische eisen
@@ -10599,9 +10619,9 @@
3. Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
4. Als tijdelijke voorwaarde als bedoeld in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01) geldt dat een instrument moet worden gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval gelijk aan de helft van de periode die op grond van [artikel 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01), door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven als beoogd justeerinterval.
Deze tijdelijke voorwaarde wordt omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek zoals bedoeld in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01) verricht aan vijf verzegelde instrumenten geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum van drie controles.
4. Als tijdelijke voorwaarde als bedoeld in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28) geldt dat een instrument moet worden gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval gelijk aan de helft van de periode die op grond van [artikel 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3¶graaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28), door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven als beoogd justeerinterval.
Deze tijdelijke voorwaarde wordt omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek zoals bedoeld in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28) verricht aan vijf verzegelde instrumenten geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum van drie controles.
5. Indien bij dit onderzoek gedurende het beoogde justeerinterval blijkt dat:
@@ -10609,7 +10629,7 @@
- b. één of meer instrumenten niet voldoen aan de eisen voor de maximale fout onder gebruiksomstandigheden blijft het tijdelijk vastgestelde justeerinterval zoals bedoeld in het vierde lid van kracht tenzij één of meer instrumenten reeds binnen de periode van dit tijdelijk vastgestelde justeerinterval niet aan deze eisen voldoen. In dit geval wordt een nieuw tijdelijk vastgesteld justeerinterval van kracht gelijk aan de helft van de periode waarin alle instrumenten aan deze eisen bleken te voldoen. In elk geval wordt hierna een nieuw onderzoek uitgevoerd overeenkomstig het vierde lid, echter voor een beoogd justeerinterval gelijk aan het gehele aantal maanden waarvoor alle instrumenten in het voorgaande onderzoek aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden bleken te voldoen.
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.89
@@ -10629,9 +10649,9 @@
De nominale waarde mag ten hoogste 15% afwijken van de vermelde concentraties. De maximale relatieve fout in de opgegeven concentraties bedraagt 2% voor de concentratie van C3H8 in mengsel 2 en 1% voor de overige concentraties.
2. Een gecertificeerd kalibratiegas is vervaardigd door een ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01) erkende inrichting.
3. Een fles met gecertificeerd kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop tenminste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van de ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-07-01&g=2010-07-01) erkende inrichting is vastgelegd.
2. Een gecertificeerd kalibratiegas is vervaardigd door een ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28) erkende inrichting.
3. Een fles met gecertificeerd kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop tenminste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van de ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2¶graaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-09-28&g=2010-09-28) erkende inrichting is vastgelegd.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
@@ -10645,2969 +10665,2969 @@
- **resulterende meetwaarden:** door de bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd.
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
##### Artikel 8.4.91
1. Een bromfietsrollentestbank is voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een snelheid wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden alle circuits gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.
#### § 8.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.92
De maximale fout bedraagt bij een snelheid:
die niet groter is dan 50 km/h: 5 km/h;
die groter is dan 50 km/h: 10%.
##### Artikel 8.4.93
Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.
##### Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout bedoeld in [artikel 8.4.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=10&sub-paragraaf=10.3&artikel=8.4.92&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
##### Artikel 8.4.95
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 10.4. Uitvoering
##### Artikel 8.4.96
1. De bromfietsrollentestbank is voorzien van een digitale aanwijzing.
2. De bromfietsrollentestbank mag zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.97
Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn aanwijsbereik is bestemd.
##### Artikel 8.4.98
Het oppervlak van de rollen is zodanig, dat in de diameter niet meer dan 0,5% varieert.
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
##### Artikel 8.4.99
De bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:
- a. tijdens de test de momentele waarde van de snelheid;
- b. na correcte uitvoering van de test de resulterende meetwaarde.
##### Artikel 8.4.100
Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.101
De afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave van een digitale aanwijsinrichting zijn zodanig, dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.
#### § 9.3.1. Constructie
##### Artikel 8.4.102
Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
#### § 9.3. Technische eisen
##### Artikel 8.4.103
1. Indien een bromfietsrollentestbank is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting worden tenminste de volgende gegevens vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip van de metingen aan het desbetreffende voertuig;
- b. de ingevoerde informatie betreffende de identificatie van het voertuig bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- c. de resulterende meetwaarde.
2. Andere informatie dan bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 9.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.104
Indien een bromfietsrollentestbank bedoeld is voor installatie in de vloer, wordt een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
##### Artikel 8.4.105
In de handleiding behorende bij een bromfietsrollentestbank is opgenomen:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.4. Justeringen
##### Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **geluidsniveaumeter:** precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in publicatienr. IEC651, tweede uitgave van de Internationaal elektronische Commissie;
- **callibratiebron:** geluidsbron die tenminste voldoet aan het bepaalde in publicatienr. 942, eerste editie van het IEC voor calibratiebronnen met een nauwkeurigheidsklasse 1.
##### Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron worden jaarlijks getoetst aan en gekalibreerd volgens de eisen in [artikel 8.4.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=11&sub-paragraaf=11.2&artikel=8.4.108&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
#### § 11.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron voldoen tenminste aan [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157). Hiervan zijn verklaringen aanwezig van een door de minister overeenkomstig [artikel 8.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-09-28&g=2010-09-28) aangewezen keuringsinstelling.
##### Artikel 8.4.109
De geluidsniveaumeter voldoet aan de eisen van IEC651 tweede uitgave voor Type 1 geluidsniveaumeters, en de kalibratiegeluidsbron voldoet aan IEC942:1998, nauwkeurigheidsklasse 1.
#### § 12. Koplamptestapparaten
##### Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een koplamp met ingeschakeld dimlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van de koplamp bevindt;
- b. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te zijn uitgevoerd of te kunnen worden versteld, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de koplampen voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- c. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet zodanig zijn dat koplampen waarvan de onderzijde zich ten minste 0,35 m en de bovenzijde ten hoogste 1,20 m boven het wegdek bevindt, met het apparaat kunnen worden gecontroleerd;
- d. het apparaat moet zijn voorzien van een inrichting waarmee het met een nauwkeurigheid van 5 graden in plus en in min ten opzichte van de lengtehartlijn van het voertuig kan worden gericht. Indien het apparaat is gemonteerd op rails, moet het ten opzichte van de rails ten minste 5 graden naar links en naar rechts kunnen zwenken;
- e. de afstelling van het apparaat moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.1
Onverminderd [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) kan het ingevolge [artikel 149 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de [artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28).
#### § 2. Aanvraag ontheffing
##### Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
#### § 2. Aanvraag ontheffing
##### Artikel 9.4
1. Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
2. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
##### Artikel 10.1
Overtreding van de [artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is een strafbaar feit.
##### Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van [artikel 5.1.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), of [artikel 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-09-28&g=2010-09-28) kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.1
1. [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) is wat betreft de EG-typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypes van toepassing met ingang van de in artikel 45, eerste en tweede lid, jo. bijlage XIX van deze richtlijn vermelde data.
2. [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) is wat betreft de EG-typegoedkeuring van nieuwe types systemen, onderdelen en technische eenheden van toepassing met ingang van de in artikel 45, zesde lid, van deze richtlijn vermelde datum.
##### Artikel 11.2
Een EG-typegoedkeuring voor voertuigen van de voertuigclassificatie M1, afgegeven voor 29 april 2009, blijft op grond van artikel 45, vijfde lid, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) na de inwerkingtreding van deze regeling geldig en kan na deze datum worden uitgebreid op grond van deze regeling.
##### Artikel 11.3
1. Nationale typegoedkeuringen, afgegeven voor 29 april 2009, blijven op grond van artikel 45, derde lid, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) geldig:
- a. voor voertuigen van de voertuigclassificatie M1 tot 29 oktober 2014, en
- b. voor de voertuigen van de voertuigclassificatie M2, M3 en de voertuigcategorieën N en O tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Voor 29 april 2009 verleende nationale typegoedkeuringen voor een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting blijven geldig totdat op basis [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) zwaardere eisen worden gesteld aan deze onderdelen.
##### Artikel 11.4
1. Nationale typegoedkeuringen kunnen worden verleend tot de in bijlage XIX, derde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Nationale typegoedkeuringen als bedoeld in [artikel 11.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=11&artikel=11.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en 11.4, eerste lid, kunnen worden aangepast tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
3. Op de aanvraag, het verlenen en het aanpassen van een nationale typegoedkeuring alsmede het houden van toezicht daarop, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
4. Indien op basis van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) zwaardere eisen worden gesteld dan de eisen als bedoeld in het derde lid, dan komen deze zwaardere eisen daarvoor in de plaats.
##### Artikel 11.5
Indien een voor de inwerkingtreding van deze regeling verleende nationale typegoedkeuring vervalt, is [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11.6
Bussen die voor 29 april 2009 in Nederland zijn geregistreerd en waarvan de inrichting door de Dienst Wegverkeer niet is gekeurd behoeven tot 1 januari 2015 niet te voldoen aan [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [artikelen 5.3a.1, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=2&artikel=5.3a.6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.41, derde tot en met twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.41&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.42, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.42&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.43&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.44&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.46, eerste en derde tot en met tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.46&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.47&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.48, vijfde, zevende tot en met negende en vijftiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.48&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28) gestelde eisen betreffende de inrichting van het voertuig.
##### Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die voor 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 29 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd blijven tot deze voertuigcategorie behoren mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
##### Artikel 11.8
1. Voor middenasaanhangwagens waarvoor voor 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
2. Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 29 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven voor 30 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
##### Artikel 11.9
Indien na 29 april een beslissing wordt genomen op de aanvraag voor een kentekenbewijs die is ingediend voor 29 april 2009, zijn op het voertuig de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
##### Artikel 11.10
1. Motorvoertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, die zijn uitgerust met een elektromotor of met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van ten hoogste 250 cm3 en die niet zijn gehandicaptenvoertuigen, welke motorvoertuigen vóór 1 januari 2000 in het verkeer zijn gebracht, mogen tot 1 januari 2010 in afwijking van de voor personenauto’s geldende eisen, voldoen aan de in de artikelen 5.10.1 tot en met 5.10.71 gestelde eisen voor gehandicaptenvoertuigen die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor of een elektromotor, met uitzondering van de eisen in de artikelen 5.10.6, onderdeel b, 5.10.38 en 5.10.39.
2. De remvertraging van de in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen.
3. De in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen mogen uitsluitend door gehandicapten worden gebruikt.
4. De in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen mogen uitsluitend binnen de bebouwde kom worden gebruikt, behoudens ontheffing door het bevoegd gezag.
5. Ontheffingen als bedoeld in het vierde lid, welke zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, blijven geldig voor de geldigheidsduur van die ontheffingen. Zij kunnen door het gezag dat de ontheffing heeft verleend, worden verlengd.
##### Artikel 11.11
1. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=2&artikel=5.2.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [artikel 5.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=5&artikel=5.2.23&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [artikel 5.3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=5&artikel=5.3.23&z=2010-09-28&g=2010-09-28), of [artikel 5.4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=5&artikel=5.4.21&z=2010-09-28&g=2010-09-28), blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
2. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28), worden voor de toepassing van [dat artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28) als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
3. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum massa beladen voertuig’.
4. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28), worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’. Als ‘last onder de koppeling’ wordt in dat geval aangemerkt de op het registratiebewijs vermelde ‘druk onder de koppeling’.
5. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op het registratiebewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
##### Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn voorleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
##### Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van [richtlijn nr. 2002/85/EG](32002L0085) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van [Richtlijn 92/6/EEG](31992L0006) van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024) (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
##### Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247).
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van [richtlijn 2002/78/EG](32002L0078) door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
##### Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
##### Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### § 2. **Voertuigen**
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
### Artikel 1
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
### Artikel 1
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
### Artikel 1
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
### Kleine serie voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M, N en O
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 2
### Artikel 3
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O
### Artikel 1
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie L
### Artikel 1
Ontheffingen worden alleen toegestaan als de fabrikant tot tevredenheid van de Dienst Wegverkeer aantoont dat het voertuig vanwege het speciale doeleinde niet aan alle voorschriften kan voldoen.
### Nationale typegoedkeuring voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T4.2 en T5
### Artikel 1
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3**
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
### Artikel 1
### Tabel 1. Eisen voor kampeerwagens, ambulances en lijkwagens
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
### Artikel 1
### Artikel 2
### Artikel 3
### Tabel 2. Eisen voor gepantserde voertuigen
### Tabel 3. Eisen voor voor rolstoelen toegankelijke voertuigen
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 7
### Artikel 8
### Tabel 5. Eisen voor mobiele kranen
### Artikel 9
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
### Verklaring van de letters in tabellen 1 tot en met 5:
### Annex 1, behorende bij bijlage IV
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 1
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 4
### Artikel 5
### Artikel 6
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 8
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 3 van deze bijlage.
### Artikel 9
### Artikel 10
### Artikel 5. **Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O, met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4
### Artikel 1
### Artikel 9. **Uitgangen**
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
### Artikel 11. **Deuren; afmetingen**
### Artikel 12. **Deuren; overige eisen**
### Artikel 13. **Deuren; treden**
### Artikel 14. **Toegangen; bedrijfsdeuren**
### Artikel 15. **Toegangen; nooddeuren**
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 18. **Nooduitgangen in het dak; Afmetingen**
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 19. **Nooduitgangen in het dak; overige eisen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
### Artikel 22. **Noodramen; overige eisen**
### Artikel 23. **Noodramen; toegang**
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Artikel 24. **Hoofddoorgang**
### Artikel 25. **Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 26. **Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 28. **Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### Artikel 30. **Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen**
### Artikel 1
In deze annex wordt verstaan onder:
### Artikel 32. **Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 34. **Handgrepen bij treden**
### Artikel 4
### Artikel 35. **Bagageruimten**
### Artikel 36. **Ruiten**
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
### Artikel 38. **Ventilatie en verwarmingsinrichtingen**
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
### **Annex 3, behorende bij bijlage IV**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 1
In deze annex wordt verstaan onder:
### Artikel 2
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 3
Op de retroreflector moet:
### Artikel 5
### Artikel 8
### Artikel 6
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 8
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 1
### Artikel 10
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 2
### Artikel 12
### Artikel 14
### Artikel 13
### Artikel 15
### Artikel 5
### Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
### Artikel 6
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
### § 1. **Begripsomschrijvingen**
### Artikel 1
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### Artikel 2
### Artikel 3
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 23
### Artikel 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 7
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 9
### Artikel 17
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
### Artikel 10
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 11
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 21
### Artikel 13
### Artikel 14
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
### Artikel 15
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### Artikel 16
### Artikel 17
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Artikel 19
Op de retroreflector moet:
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 21
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### Artikel 22
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 23
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### Artikel 24
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### B. **Proef waterpenetratie**
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### F. **Warmteproef**
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### H. **Corrosieproef**
### I. **Sterkte bevestiging**
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### E. **Warmteproef**
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### G. **Corrosieproef**
### H. **Proef sterkte bevestiging**
### **Annex 3, behorende bij bijlage VB**
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### § 1. **Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister**
De volgende gegevens, vermeld in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
### Artikel 5
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 4. **Doorgangen**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 11
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 1
### Artikel 15
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 3
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Artikel 4
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### Titel 1. **Algemeen**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 1
### Artikel 8
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
### Artikel 2
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### § 3. **Kentekenplaat**
### Artikel 3
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
### Artikel 4
### Artikel 5
### Artikel 14
### Artikel 6
### § 2. **Overige onderdelen**
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
### Artikel 10
### § 1. **Personenauto’s**
### Artikel 11
### Artikel 12
### Artikel 13
### Artikel 22
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
### § 1. **Chassisraam**
### Artikel 14
### Artikel 15
### § 2. **Overige onderdelen**
### Artikel 16
### Artikel 17
### Artikel 35
### Artikel 18
### § 3. **Bromfietsen**
### Artikel 19
### Artikel 20
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 22
### Artikel 29
### Afdeling 3. **Beoordelingsnorm voor roestschadereparaties**
### Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 24
### Artikel 25
### Artikel 26
### § 2. **Roet**
### Artikel 27
### Artikel 33
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Afdeling 1. **Constructiesnelheid**
### Artikel 28
### § 3. **Bromfietsen**
### Artikel 29
### Artikel 37
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### § 1. **Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen**
### Artikel 30
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 32
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### § 2. **Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen**
### Artikel 33
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 35
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 3. **Bromfietsen**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 37
### Artikel 38
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Afdeling 3. **Emissie**
### § 1. **Koolmonoxide**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
### Artikel 43. **Wijze van keuren**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### Artikel 44. **Eisen Roetmeting**
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 1. **Fusees**
### Artikel 46
### Artikel 47
### § 2. **Draaipunten**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 3. **Wiellagers**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Titel 5. **Ophanging**
### § 1. **Loadindex**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Titel 6. **Stuurinrichting**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 51. **Controle Stuurkoppeling**
### § 2. **Stuurkogels**
### Artikel 52. **Maximale toegestane speling stuurkogels**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Afdeling 1. **Onderdelen van de reminrichting**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 53
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2. **Remschijf**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 3. **Remslang**
### Artikel 55. **Remslangen**
### Artikel 62. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 59. **Bepalen van de remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
### Artikel 81. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
m ahw = De in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig.
### § 3. **Platenremtestbank**
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
### Artikel 80. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een twee-plaatsremtestbank**
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
### Artikel 81. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 84. **Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem**
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 101
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 91
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
### Artikel 91
m ahw = De in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig.
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Artikel 95
### Artikel 97
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
### Artikel 98
### Artikel 99
### Artikel 101
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Afdeling 1. **Voorruiten**
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 92
### Artikel 93
### Artikel 94
### Artikel 119
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
### Artikel 105
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 100
### Artikel 92
### Artikel 93
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Afdeling 3. **Afscherming**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 102
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 104
### Artikel 97
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 99
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
### Artikel 100
### Artikel 108
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 101
### Afdeling 3. **Afscherming**
### § 1. **Wielafscherming**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
### Artikel 103
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 105
### Artikel 106
### Afdeling 1. **Dimlicht**
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
### Artikel 108
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 109
### Artikel 124
### Artikel 110
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
### Artikel 111
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Titel 9. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### Artikel 113
### Artikel 120
### Artikel 114
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
### Artikel 115
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
### Artikel 116
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
### Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 118
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Artikel 126
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 121
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van deze bijlage van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 125
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Artikel 126
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De breedtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 127a
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van deze bijlage van overeenkomstige toepassing.
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
### Artikel 129
### Artikel 146
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
### Artikel 130
De lengtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 131
### Artikel 132
### Artikel 140
### Artikel 133
### Titel 2. **Carrosserie**
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
### Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 135
### Artikel 143
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
### Artikel 137
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
### Artikel 140
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
### § 2. **Troittoirspiegel**
### Artikel 142
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 143
### § 4. **Gezichtsveldverbeterende voorziening**
### Artikel 144
### Artikel 145
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### Artikel 146
### Titel 1. **Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Artikel 147
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
### Artikel 148
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
In deze annex:
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
### Artikel 151
Achterlichten van aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### Artikel 152
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 153
### **Annex 1, behorend bij de artikelen 5 tot en met 7**
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### **Annex 2, behorend bij artikel 15, eerste lid**
### Artikel 1.37
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
### **Annex, behorende bij bijlage IX, artikel 4, eerste lid, onderdeel a**
### Artikel 1
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
### Titel 1. **Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex, behorende bij bijlage IX, artikel 4, eerste lid, onderdeel a**
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 1.1
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
### Artikel 1.29
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
### § 2.2. **Inbouwvoorschriften**
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Artikel 1.0
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
### Artikel 1.1
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
### Afdeling 2. **Eisen CNG**
### Artikel 1.29
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
### Artikel 1.30
### Artikel 1.31
### § 2.2. **Inbouwvoorschriften**
### § 2.2.1. **Algemeen**
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.38
### Artikel 1.33
### Artikel 1.39
### Artikel 1.40
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Artikel 1.53
### Artikel 1.41
### Artikel 1.34
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Artikel 1.35
### Artikel 1.36
### Artikel 1.37
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.47
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
### Artikel 1.40
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
### § 2.2.3. **Tankbanden**
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.41
### Artikel 1.42
### § 2.2.2. **CNG-tank**
### Artikel 1.43
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.45
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.47
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
### Artikel 1.48
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.49
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 1.51
### Artikel 1.60
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 6. Ophanging
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 3. Brandstofsystemen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.18.36c
Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig [artikel 5.3.57, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28), [5.3a.57, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28), of [5.12.57, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-09-28&g=2010-09-28), op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
##### Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### B. Aanhangwagens
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of in een voertuig bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&z=2010-09-28&g=2010-09-28), opgenomen eisen.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 6. Diversen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
#### § 4. Manometers
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.91
1. Een bromfietsrollentestbank is voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een snelheid wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden alle circuits gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.
#### § 8.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.92
De maximale fout bedraagt bij een snelheid:
die niet groter is dan 50 km/h: 5 km/h;
die groter is dan 50 km/h: 10%.
##### Artikel 8.4.93
Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.
##### Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout bedoeld in [artikel 8.4.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=10&sub-paragraaf=10.3&artikel=8.4.92&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
##### Artikel 8.4.95
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 10.4. Uitvoering
##### Artikel 8.4.96
1. De bromfietsrollentestbank is voorzien van een digitale aanwijzing.
2. De bromfietsrollentestbank mag zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.97
Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn aanwijsbereik is bestemd.
##### Artikel 8.4.98
Het oppervlak van de rollen is zodanig, dat in de diameter niet meer dan 0,5% varieert.
#### § 10.4. Uitvoering
##### Artikel 8.4.99
De bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:
- a. tijdens de test de momentele waarde van de snelheid;
- b. na correcte uitvoering van de test de resulterende meetwaarde.
##### Artikel 8.4.100
Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
##### Artikel 8.4.101
De afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave van een digitale aanwijsinrichting zijn zodanig, dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 8.1. Algemeen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 9.3.1. Constructie
##### Artikel 8.4.102
Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
#### § 9.3. Technische eisen
##### Artikel 8.4.103
1. Indien een bromfietsrollentestbank is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting worden tenminste de volgende gegevens vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip van de metingen aan het desbetreffende voertuig;
- b. de ingevoerde informatie betreffende de identificatie van het voertuig bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- c. de resulterende meetwaarde.
2. Andere informatie dan bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
##### Artikel 8.4.104
Indien een bromfietsrollentestbank bedoeld is voor installatie in de vloer, wordt een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
##### Artikel 8.4.105
In de handleiding behorende bij een bromfietsrollentestbank is opgenomen:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 9.4. Justeringen
##### Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **geluidsniveaumeter:** precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in publicatienr. IEC651, tweede uitgave van de Internationaal elektronische Commissie;
- **callibratiebron:** geluidsbron die tenminste voldoet aan het bepaalde in publicatienr. 942, eerste editie van het IEC voor calibratiebronnen met een nauwkeurigheidsklasse 1.
##### Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron worden jaarlijks getoetst aan en gekalibreerd volgens de eisen in [artikel 8.4.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=11&sub-paragraaf=11.2&artikel=8.4.108&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
#### § 11.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron voldoen tenminste aan [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157). Hiervan zijn verklaringen aanwezig van een door de minister overeenkomstig [artikel 8.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1¶graaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-07-01&g=2010-07-01) aangewezen keuringsinstelling.
##### Artikel 8.4.109
De geluidsniveaumeter voldoet aan de eisen van IEC651 tweede uitgave voor Type 1 geluidsniveaumeters, en de kalibratiegeluidsbron voldoet aan IEC942:1998, nauwkeurigheidsklasse 1.
#### § 12. Koplamptestapparaten
##### Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een koplamp met ingeschakeld dimlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van de koplamp bevindt;
- b. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te zijn uitgevoerd of te kunnen worden versteld, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de koplampen voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- c. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet zodanig zijn dat koplampen waarvan de onderzijde zich ten minste 0,35 m en de bovenzijde ten hoogste 1,20 m boven het wegdek bevindt, met het apparaat kunnen worden gecontroleerd;
- d. het apparaat moet zijn voorzien van een inrichting waarmee het met een nauwkeurigheid van 5 graden in plus en in min ten opzichte van de lengtehartlijn van het voertuig kan worden gericht. Indien het apparaat is gemonteerd op rails, moet het ten opzichte van de rails ten minste 5 graden naar links en naar rechts kunnen zwenken;
- e. de afstelling van het apparaat moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.1
Onverminderd [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) kan het ingevolge [artikel 149 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de [artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01).
#### § 2. Aanvraag ontheffing
##### Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
#### § 1. Ontheffingen
##### Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
#### § 2. Aanvraag ontheffing
##### Artikel 9.4
1. Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
2. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
##### Artikel 10.1
Overtreding van de [artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is een strafbaar feit.
##### Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van [artikel 5.1.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), of [artikel 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-07-01&g=2010-07-01) kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 11.1
1. [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) is wat betreft de EG-typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypes van toepassing met ingang van de in artikel 45, eerste en tweede lid, jo. bijlage XIX van deze richtlijn vermelde data.
2. [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) is wat betreft de EG-typegoedkeuring van nieuwe types systemen, onderdelen en technische eenheden van toepassing met ingang van de in artikel 45, zesde lid, van deze richtlijn vermelde datum.
##### Artikel 11.2
Een EG-typegoedkeuring voor voertuigen van de voertuigclassificatie M1, afgegeven voor 29 april 2009, blijft op grond van artikel 45, vijfde lid, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) na de inwerkingtreding van deze regeling geldig en kan na deze datum worden uitgebreid op grond van deze regeling.
##### Artikel 11.3
1. Nationale typegoedkeuringen, afgegeven voor 29 april 2009, blijven op grond van artikel 45, derde lid, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) geldig:
- a. voor voertuigen van de voertuigclassificatie M1 tot 29 oktober 2014, en
- b. voor de voertuigen van de voertuigclassificatie M2, M3 en de voertuigcategorieën N en O tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Voor 29 april 2009 verleende nationale typegoedkeuringen voor een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting blijven geldig totdat op basis [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) zwaardere eisen worden gesteld aan deze onderdelen.
##### Artikel 11.4
1. Nationale typegoedkeuringen kunnen worden verleend tot de in bijlage XIX, derde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Nationale typegoedkeuringen als bedoeld in [artikel 11.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=11&artikel=11.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en 11.4, eerste lid, kunnen worden aangepast tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
3. Op de aanvraag, het verlenen en het aanpassen van een nationale typegoedkeuring alsmede het houden van toezicht daarop, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
4. Indien op basis van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) zwaardere eisen worden gesteld dan de eisen als bedoeld in het derde lid, dan komen deze zwaardere eisen daarvoor in de plaats.
##### Artikel 11.5
Indien een voor de inwerkingtreding van deze regeling verleende nationale typegoedkeuring vervalt, is [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11.6
Bussen die voor 29 april 2009 in Nederland zijn geregistreerd en waarvan de inrichting door de Dienst Wegverkeer niet is gekeurd behoeven tot 1 januari 2015 niet te voldoen aan [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [artikelen 5.3a.1, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=2&artikel=5.3a.6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.41, derde tot en met twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.41&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.42, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.42&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.43&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.44&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.46, eerste en derde tot en met tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.46&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.47&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.48, vijfde, zevende tot en met negende en vijftiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=9&artikel=5.3a.48&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01) gestelde eisen betreffende de inrichting van het voertuig.
##### Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die voor 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 29 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd blijven tot deze voertuigcategorie behoren mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
##### Artikel 11.8
1. Voor middenasaanhangwagens waarvoor voor 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
2. Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 29 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven voor 30 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
##### Artikel 11.9
Indien na 29 april een beslissing wordt genomen op de aanvraag voor een kentekenbewijs die is ingediend voor 29 april 2009, zijn op het voertuig de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
##### Artikel 11.10
1. Motorvoertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, die zijn uitgerust met een elektromotor of met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van ten hoogste 250 cm3 en die niet zijn gehandicaptenvoertuigen, welke motorvoertuigen vóór 1 januari 2000 in het verkeer zijn gebracht, mogen tot 1 januari 2010 in afwijking van de voor personenauto’s geldende eisen, voldoen aan de in de artikelen 5.10.1 tot en met 5.10.71 gestelde eisen voor gehandicaptenvoertuigen die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor of een elektromotor, met uitzondering van de eisen in de artikelen 5.10.6, onderdeel b, 5.10.38 en 5.10.39.
2. De remvertraging van de in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen.
3. De in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen mogen uitsluitend door gehandicapten worden gebruikt.
4. De in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen mogen uitsluitend binnen de bebouwde kom worden gebruikt, behoudens ontheffing door het bevoegd gezag.
5. Ontheffingen als bedoeld in het vierde lid, welke zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, blijven geldig voor de geldigheidsduur van die ontheffingen. Zij kunnen door het gezag dat de ontheffing heeft verleend, worden verlengd.
##### Artikel 11.11
1. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=2&artikel=5.2.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [artikel 5.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2¶graaf=5&artikel=5.2.23&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [artikel 5.3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=5&artikel=5.3.23&z=2010-07-01&g=2010-07-01), of [artikel 5.4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4¶graaf=5&artikel=5.4.21&z=2010-07-01&g=2010-07-01), blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
2. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01), worden voor de toepassing van [dat artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01) als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
3. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum massa beladen voertuig’.
4. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01), worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’. Als ‘last onder de koppeling’ wordt in dat geval aangemerkt de op het registratiebewijs vermelde ‘druk onder de koppeling’.
5. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=2&artikel=5.12.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op het registratiebewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
##### Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn voorleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
##### Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van [richtlijn nr. 2002/85/EG](32002L0085) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van [Richtlijn 92/6/EEG](31992L0006) van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024) (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
##### Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247).
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van [richtlijn 2002/78/EG](32002L0078) door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
##### Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
##### Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2009-12-16&g=2009-12-16)
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Tabel 2. Eisen voor gepantserde voertuigen
### Artikel 8
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
### Individuele toelating voertuigen voor de categorieën M, N, O, L en T
2 Voor de cabine.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Tabel 4. Eisen voor overige voertuigen voor speciale doeleinden (inclusief caravans)
1 Krabbengang toegestaan.
### Artikel 10
### Individuele toelating voertuigen voor de categorieën M, N, O, L en T
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 7
### Artikel 19. **Nooduitgangen in het dak; overige eisen**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
### Artikel 2. **Algemeen**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 3. **Massa’s**
### Artikel 6. **Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem**
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 8. **Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 17. **Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal**
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 7
### Artikel 9
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 27. **Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
### Artikel 33. **Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### Artikel 6
### Artikel 39. **Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### **Individuele toelating zelfbalancerende bromfietsen**
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### Artikel 9
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 11
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 7
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Artikel 22
### Artikel 4
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 8
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### Artikel 12
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### Artikel 18
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### B. **Proef waterpenetratie**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### H. **Corrosieproef**
### **Annex 1, behorende bij bijlage VB**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### **Annex 3, behorende bij bijlage VB**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### A. **Proef waterpenetratie**
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
### Toelatingseisen taxi’s
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
### § 1. **Algemeen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 4. **Identificatie**
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
### Artikel 10
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
De volgende gegevens, vermeld in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### § 3. **Kentekenplaat**
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24, 25 en 26 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Restantvoorraden
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### § 1. **Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 22
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 21
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 1. **Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen**
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Afdeling 2. **Geluid**
### Artikel 31
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 34
### Artikel 44. **Eisen Roetmeting**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 47
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 39. **Aanwezigheid emissiebestrijdingssysteem**
Remslangen mogen:
### Artikel 41. **Koolmonoxide gehalte bij stationair toerental**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 2. **Roet**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Titel 4. **Assen**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 48
### Artikel 49
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 50
Remslangen mogen:
### § 1. **Stuurkoppeling**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### § 1. **Remleiding**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
### Artikel 58. **Pedaal- en remkrachten**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
### Artikel 62. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
### Artikel 98
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 107
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 97
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Aanvangssnelheid 25 km/h:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
### Artikel 95
### Artikel 96
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
### Titel 8. **Carrosserie**
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 91
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 95
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
### Artikel 98
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
### Artikel 104
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 107
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 126
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
### Artikel 123
### Artikel 124
De markering van in de lengte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### Artikel 120
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
### Artikel 122
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 123
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 124
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### Artikel 132
### Titel 2. **Carrosserie**
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 148
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
### Artikel 142
### Artikel 136
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### Artikel 138
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
### **Annex 2, behorend bij artikel 15, eerste lid**
### Artikel 149
### § 6. **Wijze van keuren**
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### **Annex 3, behorend bij de artikelen 17 tot en met 19**
### **Annex 4, behorend bij artikel 50**
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
In deze annex:
### Artikel 2
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
### Artikel 1
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O
### Artikel 1
### Artikel 2. **Algemeen**
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie L
### Artikel 1
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
### Nationale typegoedkeuring voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T4.2 en T5
### Artikel 1
### Artikel 2
### Kleine serie voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M, N en O
### Artikel 1
### Tabel 1. Eisen voor kampeerwagens, ambulances en lijkwagens
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 4
### Artikel 8
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Tabel 3. Eisen voor voor rolstoelen toegankelijke voertuigen
### Tabel 4. Eisen voor overige voertuigen voor speciale doeleinden (inclusief caravans)
Ontheffingen worden alleen toegestaan als de fabrikant tot tevredenheid van de Dienst Wegverkeer aantoont dat het voertuig vanwege het speciale doeleinde niet aan alle voorschriften kan voldoen.
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
### Tabel 5. Eisen voor mobiele kranen
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3**
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
### Verklaring van de letters in tabellen 1 tot en met 5:
### **Annex 1, behorende bij bijlage IV**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 1
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 4
### Artikel 5
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 6. **Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem**
### Artikel 9
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 9. **Uitgangen**
### Annex 1, behorende bij bijlage IV
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 1
### Artikel 13. **Deuren; treden**
### **Annex 2, behorende bij bijlage IV**
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3**
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 2. **Algemeen**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 3. **Massa’s**
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
### Artikel 5. **Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
### Artikel 8. **Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen**
### Artikel 9. **Uitgangen**
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### Artikel 11. **Deuren; afmetingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 13. **Deuren; treden**
### Artikel 14. **Toegangen; bedrijfsdeuren**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 18. **Nooduitgangen in het dak; Afmetingen**
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
### Artikel 20. **Nooduitgangen in het dak; toegang**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 22. **Noodramen; overige eisen**
### Artikel 23. **Noodramen; toegang**
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
### Artikel 24. **Hoofddoorgang**
### Artikel 25. **Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen**
### **Annex 2, behorende bij bijlage IV**
### Artikel 26. **Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 28. **Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 30. **Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 32. **Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang**
### Artikel 33. **Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
### Artikel 34. **Handgrepen bij treden**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 35. **Bagageruimten**
### Artikel 36. **Ruiten**
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 39. **Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### **Individuele toelating zelfbalancerende bromfietsen**
### Artikel 1
In deze annex wordt verstaan onder:
### Artikel 2
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 3
### Artikel 4
### Artikel 5
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
Op de retroreflector moet:
### Artikel 7
### Artikel 8
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
### Artikel 9
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 10
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 7
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### Artikel 7
### Artikel 8
### Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 1
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 14
### Artikel 4
### Artikel 15
### Artikel 5
### Artikel 16
### Artikel 6
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Artikel 8
### Artikel 9
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
### Artikel 10
### Artikel 21
### Artikel 11
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 23
### Artikel 13
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 16
### Artikel 17
### Artikel 18
### Artikel 19
Op de retroreflector moet:
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 21
### H. **Corrosieproef**
### Artikel 22
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
### Artikel 23
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### Artikel 24
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
### G. **Corrosieproef**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### F. **Warmteproef**
### Artikel 2. **Algemeen**
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### I. **Sterkte bevestiging**
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
### E. **Warmteproef**
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### H. **Proef sterkte bevestiging**
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### B. **Proef waterpenetratie**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Restantvoorraden
### Artikel 2. **Algemeen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### § 1. **Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister**
De volgende gegevens, vermeld in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### Artikel 4. **Doorgangen**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Restantvoorraden
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
### Artikel 5
### Artikel 3
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### Titel 1. **Algemeen**
### § 1. **Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister**
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 11
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 2
### Artikel 15
### § 3. **Kentekenplaat**
### Artikel 3
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 4
### Artikel 5
### Artikel 17
### Artikel 6
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
### Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 11
### Artikel 12
### Artikel 13
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
### § 1. **Chassisraam**
### Artikel 14
### Artikel 15
### § 2. **Overige onderdelen**
### Artikel 16
### Artikel 17
### Afdeling 1. **Constructiesnelheid**
### Artikel 18
### § 1. **Personenauto’s**
### Artikel 19
### Artikel 20
### Artikel 21
### Artikel 22
### Artikel 30
### Afdeling 3. **Beoordelingsnorm voor roestschadereparaties**
### Artikel 23
### Artikel 35
### Artikel 24
### Artikel 25
### Artikel 26
### Artikel 35
### Artikel 27
### § 3. **Bromfietsen**
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
### Afdeling 1. **Constructiesnelheid**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### Artikel 29
### § 1. **Koolmonoxide**
### Afdeling 2. **Geluid**
Remslangen mogen:
### Artikel 30
### Artikel 31
### Artikel 32
### § 2. **Roet**
### § 2. **Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen**
### Artikel 33
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 35
### Artikel 46
### § 3. **Bromfietsen**
### Artikel 36
### Artikel 37
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 49
### Afdeling 3. **Emissie**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 39. **Aanwezigheid emissiebestrijdingssysteem**
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### Artikel 41. **Koolmonoxide gehalte bij stationair toerental**
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### § 2. **Roet**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### § 1. **Fusees**
### Artikel 46
Remslangen mogen:
### § 2. **Draaipunten**
### Artikel 48
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 49
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 1. **Loadindex**
### Artikel 50
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### § 1. **Stuurkoppeling**
### Artikel 51. **Controle Stuurkoppeling**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 52. **Maximale toegestane speling stuurkogels**
### Titel 7. **Reminrichting**
### Afdeling 1. **Onderdelen van de reminrichting**
### § 1. **Remleiding**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 54. **Remschijf**
### § 3. **Remslang**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 58. **Pedaal- en remkrachten**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 2. **Rollenremtestbank**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 59. **Bepalen van de remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 62. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### § 3. **Platenremtestbank**
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
Aanvangssnelheid 40 km/h:
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
### Artikel 81. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
m ahw = De in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig.
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 91
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Artikel 92
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
### Artikel 94
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 88. **Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem**
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
aahw = remvertraging aanhangwagen;
### Artikel 99
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
### Artikel 101
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### § 1. **Wielafscherming**
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 91
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### Artikel 91
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Artikel 92
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 95
### Artikel 97
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Artikel 98
### Artikel 99
### Artikel 101
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
### Afdeling 1. **Voorruiten**
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
### Artikel 91
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 92
### Artikel 93
### Artikel 94
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 105
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 98
### Artikel 99
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 100
### Artikel 110
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Afdeling 3. **Afscherming**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 102
### Artikel 103
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 104
### Artikel 105
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
### Artikel 107
### Artikel 108
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 109
### Artikel 119
### Artikel 110
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
### Artikel 111
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 112
### Titel 9. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### Afdeling 1. **Dimlicht**
### Artikel 113
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
### Artikel 114
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 115
### Artikel 124
### Artikel 116
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
### Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
### Artikel 118
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### Artikel 120
### Artikel 121
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Artikel 122
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 130
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
### Artikel 125
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Artikel 126
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### Artikel 127a
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), is artikel 153 van deze bijlage van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 139
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
### Artikel 141
### Artikel 131
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
De breedtemarkering moet bestaan uit:
### Artikel 133
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 145
### Artikel 135
### Artikel 146
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 137
### Artikel 138
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 139
### Artikel 149
### Artikel 140
### § 6. **Wijze van keuren**
### Artikel 141
### Artikel 152
### § 2. **Troittoirspiegel**
In deze annex:
### § 3. **Breedtespiegel**
### Artikel 143
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
### Artikel 144
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
### Artikel 147
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
### Artikel 149
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 150
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 151
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### Artikel 152
### Titel 1. **Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Artikel 153
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
In deze annex:
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
In deze annex:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
### Artikel 1.34
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
### Artikel 2
### Artikel 1.37
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
### Artikel 1.30
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
### Artikel 1.33
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.32
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
### Artikel 1.51
### Artikel 1.52
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 1.39
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
### Artikel 1.49
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
### **Annex, behorende bij bijlage IX, artikel 4, eerste lid, onderdeel a**
### Artikel 1
### Artikel 1.30
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Artikel 1.0
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 1.1
### Artikel 1.38
### Afdeling 2. **Eisen CNG**
### Artikel 1.29
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
### Artikel 1.31
### § 2.2. **Inbouwvoorschriften**
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Artikel 1.32
### Artikel 1.42
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
### Artikel 1.43
### Artikel 1.41
### Artikel 1.42
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
### Artikel 1.43
### Artikel 1.50
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.44
### Artikel 1.45
### Artikel 1.34
### Artikel 1.47
### Artikel 1.35
### Artikel 1.36
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.38
### Artikel 1.46
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.39
### Artikel 1.40
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
### Artikel 1.50
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.53
### Artikel 1.54
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
### Artikel 1.53
### Artikel 1.41
### Artikel 1.42
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.43
### Artikel 1.44
### Artikel 1.45
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.47
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
### Artikel 1.48
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### § 2.2.3. **Tankbanden**
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
### Artikel 1.51
### Artikel 1.63
### Artikel 1.52
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.54
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.55
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
### Artikel 1.56
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
### Artikel 1.60
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.18.36c
Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig [artikel 5.3.57, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3¶graaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01), [5.3a.57, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a¶graaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01), of [5.12.57, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12¶graaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-07-01&g=2010-07-01), op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
##### Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### B. Aanhangwagens
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of in een voertuig bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&z=2010-07-01&g=2010-07-01), opgenomen eisen.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2009-12-16&g=2009-12-16)
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 7
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Tabel 2. Eisen voor gepantserde voertuigen
### Artikel 8
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
### Individuele toelating voertuigen voor de categorieën M, N, O, L en T
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 6
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 10
### Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O, met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
### Artikel 19. **Nooduitgangen in het dak; overige eisen**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 12. **Deuren; overige eisen**
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
### Artikel 15. **Toegangen; nooddeuren**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 17. **Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal**
### Artikel 19. **Nooduitgangen in het dak; overige eisen**
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 27. **Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen**
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 7
### Artikel 9
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 38. **Ventilatie en verwarmingsinrichtingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 13
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### Artikel 6
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 3
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### § 1. **Begripsomschrijvingen**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 7
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Artikel 22
### Artikel 12
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### **Annex 1, behorende bij bijlage VB**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### B. **Proef waterpenetratie**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### H. **Corrosieproef**
### A. **Proef waterpenetratie**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### G. **Corrosieproef**
### **Annex 3, behorende bij bijlage VB**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Toelatingseisen taxi’s
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De volgende gegevens, vermeld in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### § 3. **Kentekenplaat**
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24, 25 en 26 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 18
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 22
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 28
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 1. **Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 34
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 38
### § 1. **Koolmonoxide**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 43. **Wijze van keuren**
### Artikel 44. **Eisen Roetmeting**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 47
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 3. **Wiellagers**
Remslangen mogen:
### Titel 5. **Ophanging**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Titel 6. **Stuurinrichting**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2. **Stuurkogels**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 53
### § 2. **Remschijf**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 55. **Remslangen**
Remslangen mogen:
### § 4. **Wijze van keuren**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
### Artikel 81. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
m tot.geremd = De in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
### Artikel 98
m tot.geremd = De in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Afdeling 3. **Afscherming**
### Artikel 107
Aanvangssnelheid 25 km/h:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
### Artikel 97
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 95
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
### Artikel 97
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 109
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
### § 1. **Wielafscherming**
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 106
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 124
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
### Artikel 126
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
### Artikel 123
### Artikel 124
De markering van in de lengte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### Artikel 133
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 150
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Artikel 128
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### Artikel 132
### Titel 2. **Carrosserie**
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 148
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
### Artikel 142
### § 4. **Gezichtsveldverbeterende voorziening**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### Artikel 145
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex 1, behorend bij de artikelen 5 tot en met 7**
### **Annex 2, behorend bij artikel 15, eerste lid**
### Titel 2. **Wijziging van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
### Artikel 1
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
### Titel 1. **Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
In deze annex:
### Artikel 1.44
### Artikel 1.46
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.30
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
### Artikel 1.33
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.37
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### Artikel 1.51
### Artikel 1.52
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.59
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.49
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.50
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.53
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### Artikel 1.58
### Artikel 1.59
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
### Artikel 1.62
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
@@ -13643,7 +13663,7 @@
##### Artikel 5.6.72
In afwijking van [artikel 5.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&artikel=5.6.0&z=2010-07-01&g=2010-07-01) moet een zelfbalancerende bromfiets voldoen aan deze paragraaf en wordt deze beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
In afwijking van [artikel 5.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&artikel=5.6.0&z=2010-09-28&g=2010-09-28) moet een zelfbalancerende bromfiets voldoen aan deze paragraaf en wordt deze beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
##### Artikel 5.6.73
@@ -13655,20 +13675,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.75
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 1,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt het voertuig gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van toepassing is. |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 1,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt het voertuig gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) van toepassing is. |
##### Artikel 5.6.76
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-07-01&g=2010-07-01) voor zelfbalancerende bromfietsen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-09-28&g=2010-09-28) voor zelfbalancerende bromfietsen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.77
@@ -13782,7 +13802,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.89&z=2010-07-01&g=2010-07-01) en [5.6.90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.90&z=2010-07-01&g=2010-07-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.89&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [5.6.90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6¶graaf=13&artikel=5.6.90&z=2010-09-28&g=2010-09-28) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.94
@@ -13804,7 +13824,7 @@
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
@@ -13816,11 +13836,11 @@
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
@@ -13836,39 +13856,39 @@
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 0. Algemeen
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
##### Artikel 5.12.57a
@@ -13910,7 +13930,7 @@
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
@@ -13930,562 +13950,646 @@
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### E. Wagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 4. Manometers
#### § 4.1. Algemeen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 11.1. Algemeen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 1. **Algemeen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
### Kleine serie voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M, N en O
### Annex 1, behorende bij bijlage IV
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### **Annex 2, behorende bij bijlage IV**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 5. **Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen**
### Artikel 9. **Uitgangen**
In deze annex wordt verstaan onder:
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 20. **Nooduitgangen in het dak; toegang**
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 11
### Artikel 12
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 7
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 14
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Vervallen.
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 36
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Titel 7. **Reminrichting**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Remslangen mogen:
### § 4. **Wijze van keuren**
### Artikel 57. **Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
m ahw = De in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig.
Aanvangssnelheid 25 km/h:
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
### Artikel 88. **Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
### Titel 8. **Carrosserie**
### Artikel 94
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 102
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 125
### Artikel 112
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
Vervallen.
### Artikel 119
### Artikel 130
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 139
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### **Annex 3, behorend bij de artikelen 17 tot en met 19**
### Artikel 150
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### § 2.2.2. **CNG-tank**
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
### § 2.2.2. **CNG-tank**
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.38
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.52
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.55
### Artikel 1.64
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.57
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.58
### Artikel 1.59
### Artikel 1.68
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.61
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
### Artikel 1.62
### Artikel 1.63
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.65
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.75
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
### Artikel 1.68
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.2.79
| | Een ligplaats moet zijn voorzien van een vastzetinrichting voor een draagbaar. | Visuele controle. |
| --- | --- | --- |
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 12. Diversen
#### § 13. Aanvullende eisen taxi’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### B. Aanhangwagens
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### E. Wagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 1. Algemeen
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 3.1. Algemeen
#### § 4. Manometers
#### § 4.1. Algemeen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.1. Algemeen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 1. **Algemeen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
### Artikel 10
### Artikel 6. **Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 32. **Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang**
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
In deze annex wordt verstaan onder:
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 3
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 11
### Artikel 12
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 11
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 14
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 6
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
### Titel 4. **Assen**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 57. **Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
### § 3. **Platenremtestbank**
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
m ahw = De in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig.
Aanvangssnelheid 25 km/h:
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
### Titel 8. **Carrosserie**
### Artikel 101
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 125
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 119
Vervallen.
### Artikel 132
### Artikel 130
### Artikel 142
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 146
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### **Annex 3, behorend bij de artikelen 17 tot en met 19**
### **Annex 4, behorend bij artikel 50**
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### § 2.2.2. **CNG-tank**
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### § 2.2.2. **CNG-tank**
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.46
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.61
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.63
### Artikel 1.64
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.66
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.77
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
### Artikel 1.68
### Artikel 1.69
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.79
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.81
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
### Artikel 1.72
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.75
### Artikel 2.2
### Artikel 1.76
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.2.79
| | Een ligplaats moet zijn voorzien van een vastzetinrichting voor een draagbaar. | Visuele controle. |
| --- | --- | --- |
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
@@ -14493,6 +14597,32 @@
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -14501,47 +14631,99 @@
#### § 6. Ophanging
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 9. Carrosserie
#### § 8. Reminrichting
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor
#### § 12. Diversen
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3a. Bussen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
@@ -14549,189 +14731,27 @@
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
##### Artikel 5.14.29
| 1. | De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| --- | --- | --- |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikel 52, van toepassing. | - Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikel 52, van toepassing. | - Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 7. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
@@ -14742,151 +14762,1035 @@
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.16.59
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Lid 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| --- | --- | --- |
| 2. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.16.59
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Lid 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| --- | --- | --- |
| 2. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 9. Carrosserie
#### § 0. Algemeen
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Aanhangwagens
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### B. Aanhangwagens
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### E. Wagens
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.2. Technische eisen
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
1 Krabbengang toegestaan.
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
In deze annex wordt verstaan onder:
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 4
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Op de retroreflector moet:
### Artikel 20
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 54. **Remschijf**
### § 2. **Rollenremtestbank**
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 128
De breedtemarkering moet bestaan uit:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Artikel 141
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.57
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### Artikel 1.56
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.60
### Artikel 1.71
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.66
### Artikel 1.67
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### Artikel 1.70
### Artikel 1.77
### Artikel 1.71
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
2 Voor de cabine.
3 Voor het overige deel.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 3 van deze bijlage.
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
### Artikel 84. **Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem**
aahw = remvertraging aanhangwagen;
m tot.geremd = De in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
Aanvangssnelheid 40 km/h:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
De lengtemarkering moet bestaan uit:
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### § 3. **Breedtespiegel**
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.64
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.72
### Artikel 1.73
### Artikel 1.80
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.75
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.76
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.79
### Artikel 1.80
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 1.2a
In deze regeling wordt verstaan onder:
- **EN ISO/IEC 17025:** Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria (General requirements for the competence of testing and calibration laboratories);
- **ISO/IEC 15408-1:** Informatie technologie – beveiligingstechnieken – evaluatiecriteria voor informatie technologie beveiliging – deel 1: introductie en algemeen model (Information technology – Security techniques – Evaluation criteria for IT security – Part 1: Introduction and general model);
- **ISO/IEC 15417:2007:** Informatietechnologie – Automatische identificatie en data capture-technieken – Code 128a streepjescode symbologie specificatie;
- **NEN-EN 50436-1:** Alcoholsloten – Beproevingsmethoden en prestatie-eisen – Deel 1: apparaten voor gebruik in programma's voor overtreders van de alcoholverkeerswet, december 2005.
### Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
#### § 1. Eisen voor de aanwijzing
##### Artikel 1.5. (eisen technische dienst)
Een aanwijzing als technische dienst op grond van [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, indien:
- a. de hoofdvestiging van de aanvrager zich binnen Nederland bevindt of binnen een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
- b. de aanvrager door een bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025, of een aanvraag daartoe heeft ingediend bij die accreditatie-instelling;
- c. het accreditatiecertificaat is afgegeven door een van de in onderdeel b bedoelde accreditatie-instellingen;
- d. het accreditatiecertificaat geldig is voor meetmiddelen voor ademalcoholgehalte.
##### Artikel 1.6. (procedure aanwijzing)
1. De aanvraag tot aanwijzing als technische dienst op grond van [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Op de aanwijzing tot technische dienst als bedoeld in het eerste lid is bijlage V, Aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
3. Van de aanwijzing van een technische dienst als bedoeld in het eerste lid wordt door de Dienst Wegverkeer mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 1.7. (toezicht)
1. Nadat een aanwijzing als technische dienst is verleend, wordt door de Dienst Wegverkeer periodiek door middel van een controlebeoordeling onderzocht of de technische dienst nog voldoet aan de aan die dienst gestelde eisen.
2. De in het eerste lid bedoelde periodieke controle vindt tenminste eenmaal per drie jaar plaats, indien het een technische dienst betreft die is geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 door een bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die accreditatie geldig is voor meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
3. De in het eerste lid bedoelde periodieke controle vindt tenminste eenmaal per jaar plaats indien het een technische dienst betreft die een aanvraag heeft ingediend tot accreditatie overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 bij een bij de het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en het verzoek tot accreditatie zich mede uitstrekt tot meetmiddelen voor het ademalcoholgehalte.
4. Op de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde periodieke controles is bijlage V, Aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 1.8. (schorsing aanwijzing)
1. De aanwijzing kan worden geschorst indien niet meer wordt voldaan aan de in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) genoemde eisen.
2. Bij schorsing van een aanwijzing kan worden bepaald dat indien niet binnen een termijn van ten hoogste twaalf weken wordt aangetoond dat weer aan de eisen wordt voldaan, alsnog intrekking van de aanwijzing volgt.
##### Artikel 1.9. (intrekking aanwijzing)
De aanwijzing wordt door de Dienst Wegverkeer ingetrokken indien:
- a. de betrokken technische dienst daarom verzoekt;
- b. de betrokken technische dienst niet meer voldoet aan de in [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.5&z=2010-09-28&g=2010-09-28) opgenomen eisen;
- c. de accreditatie van de betrokken technische dienst is ingetrokken of de aanvraag tot accreditatie is afgewezen door de bij het Internationaal Accreditatie Forum aangesloten accreditatie-instelling in een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
##### Artikel 1.10
De [artikelen 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.8&z=2010-09-28&g=2010-09-28) en [1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=3¶graaf=1&artikel=1.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28) laten onverlet de bevoegdheid tot schorsing of intrekking van de aanwijzing in andere gevallen als omschreven in deze paragraaf.
### Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
### Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg en typegoedkeuring van alcoholsloten
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
#### § 1. Typegoedkeuring
#### § 2. Individuele goedkeuring
### Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken, voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede alcoholsloten
### Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal gebruiksdoel
### Afdeling 6. Goedkeuring taxi
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
#### § 1. Aanvraag en toezicht EG-typegoedkeuring en VN/ECE typegoedkeuring
#### § 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
##### Artikel 3.23a
1. De aanvraag van een nationale typegoedkeuring voor een alcoholslot en de daarbij behorende uitleesapparatuur of een aanvraag voor een goedkeuring voor een productieproces van een alcoholslot wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
2. Bij de aanvraag worden een of meerdere verklaringen gevoegd, afgegeven door de Dienst Wegverkeer of een door de Dienst Wegverkeer aangewezen technische dienst, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2010-09-28&g=2010-09-28) bij deze regeling.
3. Bij de aanvraag wordt een document overgelegd, waaruit blijkt dat de eisen uit artikel 5, tweede lid, van [bijlage XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XII&z=2010-09-28&g=2010-09-28), bij deze regeling zijn getoetst door een laboratorium dat door een bij het Common Criteria Recognition Agreement aangesloten accreditatie-instelling is geaccrediteerdvoor het uitvoeren van common criteria evaluaties.
##### Artikel 3.23b
De Dienst Wegverkeer houdt op door deze dienst te bepalen wijze toezicht op de nationale typegoedkeuring van alcoholsloten en de daarbij behorende uitleesapparatuur, alsmede op de goedkeuring van de productieprocessen van deze alcoholsloten en bijbehorende uitleesapparatuur.
### Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
##### Artikel 3.25a
Een typegoedkeuring voor het alcoholslot verliest zijn geldigheid indien:
- a. een wijziging in het alcoholslot of het productieproces van dat alcoholslot heeft plaatsgevonden, waardoor niet meer aan de voorwaarden voor een afgegeven typegoedkeuring wordt voldaan;
- b. een wijziging in het alcoholslot of in het productieproces van dat alcoholslot is aangebracht die in strijd is met de typegoedkeuring;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het alcoholslot of het productieproces niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
### Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
### Hoofdstuk 5. Permanente eisen
### Afdeling 1. Algemeen
### Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
### Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
### Afdeling 2. Personenauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
### Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen, massa’s en lasten
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### E. Wagens
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5a. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten
##### Artikel 8.4.89a
1. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:
- a. Het kalibratiegas moet zodanig zijn samengesteld dat daarmee de kalibratiecontrole van een alcoholslot op juiste wijze kan worden uitgevoerd. Behalve ten aanzien van het alcoholgehalte is de fabrikant vrij in de keuze van de samenstelling, mits de samenstelling geen invloed heeft op de juiste werking van het alcoholslot;
- b. het kalibratiegas moet een nominale alcoholconcentratie hebben van de door de fabrikant van het alcoholslot gespecificeerde concentratie, plus of min 10%;
- c. het kalibratiegas moet telkens worden bereid met een alcoholconcentratie met een onzekerheid van niet meer dan 3%.
2. Bij de productie van het in het eerste lid bedoelde kalibratiegas:
- a. is de fabrikant vrij in de keuze van de methode van vervaardiging, mits het kalibratiegas voldoet aan de voorschriften van dit artikel;
- b. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het onder de volgende omgevingscondities voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen:
- I. omgevingstemperaturen van 10 graad Celsius tot en met 33 graad Celsius;
- II. luchtdrukken van 970 hPa tot en met 1050 hPa;
- III. relatieve luchtvochtigheid van 5% tot en met 95%;
- c. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen gedurende ten minste 100 kalibraties of gedurende ten minste 200 dagen;
3. [Artikel 8.4.89, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4¶graaf=9&sub-paragraaf=9.5&artikel=8.4.89&z=2010-09-28&g=2010-09-28), is van overeenkomstige toepassing.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
@@ -14896,10 +15800,12 @@
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
@@ -14910,428 +15816,530 @@
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.2&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=1&artikel=3.4&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
3 Voor het overige deel.
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
1 Krabbengang toegestaan.
Ontheffingen worden alleen toegestaan als de fabrikant tot tevredenheid van de Dienst Wegverkeer aantoont dat het voertuig vanwege het speciale doeleinde niet aan alle voorschriften kan voldoen.
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
In deze annex wordt verstaan onder:
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 13
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-09-28&g=2010-09-28)
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 80. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een twee-plaatsremtestbank**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### Artikel 93
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-09-28&g=2010-09-28), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-09-28&g=2010-09-28), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Titel 2. **Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
In deze annex:
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.69
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.74
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Afdeling 3. **Afscherming**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
De markering van in de breedte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### Artikel 134
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 148
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.57
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.65
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.67
### Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.70
### Artikel 1.71
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
### Artikel 1.74
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
### Artikel 1.77
### **T100-bussen**
### Artikel 1
### Artikel 2
## Bijlage XII. , behorend bij [artikel 3.23.a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7¶graaf=2&artikel=3.23a&z=2010-09-28&g=2010-09-28), van de Regeling voertuigen
### Hoofdstuk 1. **Algemene bepalingen**
##### Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in afwijking van punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **ademmonster:** monster dat bij hard uitblazen door de mond in de handset van het alcoholslot wordt genomen en door het alcoholslot wordt gemeten.
2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in aanvulling op punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- **datageheugen:** registratie-eenheid als onderdeel van de vaste eenheid van het alcoholslot, waarin de in Annex 3 bij deze bijlage aangegeven aspecten met datum en tijd worden vastgelegd;
- **erkend installateur:** de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k);
- **erkende medewerker:** de medewerker, bedoeld in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend), die bevoegd is tot het uitvoeren van de in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k) bedoelde werkzaamheden;
- **geldig ademmonster:** een ademmonster dat voldoet aan de in Annex 1, bij deze bijlage vastgestelde eis voor volume en de in NEN-EN 50436-1, vastgestelde eisen voor luchtstroom en uitademtijd;
- **handset:** het al dan niet draadloze deel van het alcoholslot dat wordt gebruikt voor het afnemen en analyseren van het ademmonster;
- **identificatiekenmerk:** het unieke identificatienummer van het alcoholslot dat is samengesteld uit het typegoedkeuringsnummer en het serienummer van het alcoholslot;
- **initieel ademmonster:** het in het kader van het alcoholslotprogramma in de handset afgegeven geldige ademmonster met het oog op het kunnen starten van het motorrijtuig;
- **fabrikant:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ontwerp, de constructie en de productie van het alcoholslot;
- **terugroeping voor onderhoud:** een door het alcoholslot gegenereerde herinnering verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet worden gekalibreerd;
- **uitleesapplicatie:** de applicatie die wordt gebruikt voor het kalibreren, justeren en uitlezen van het alcoholslot, alsmede voor het overbrengen van instellingen naar en voor het vastleggen van gegevens en waarnemingen in het alcoholslot, respectievelijk het overbrengen van gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister;
- **vaste eenheid:** het deel van het alcoholslot dat vast in het motorrijtuig wordt gemonteerd en zorg draagt voor het opslaan van gegevens en dat het starten van het motorrijtuig voorkomt indien er geen geldig ademmonster is afgegeven dat lager is dan de in Annex 1 bij deze bijlage gestelde limiet;
- **vroegtijdige terugroeping:** een door het alcoholslot gegenereerde extra terugroeping in de periode voordat de in Annex 1 vastgestelde uiterste termijn voor onderhoud is verstreken en niet verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd;
- **vrije herstartperiode:** periode gedurende welke geen ademmonster behoeft te worden afgegeven om het motorrijtuig te starten.
### Hoofdstuk 2. **Onderwerp en toepassingsbereik**
##### Artikel 2
1. Alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e) voldoen aan de eisen uit NEN-EN 50436-1, voor zover in deze bijlage niet expliciet die eisen worden aangevuld of van die eisen wordt afgeweken.
2. In aanvulling op NEN-EN 50436-1 voldoen alcoholsloten als bedoeld in [artikel 132e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), aan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde aanvullende parameterinstellingen.
### Hoofdstuk 3. Eisen aan het alcoholslot
### § 1. **Algemene eisen**
##### Artikel 3
In aanvulling op punt 4.1 uit NEN-EN 50436-1 gelden de volgende eisen:
- 1. In het alcoholslot moeten de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde parameterinstellingen kunnen worden ingesteld op waardes die zijn gelegen tussen de in die Annex vastgestelde minimale en maximale waarden.
- 2. De maximale waarde waaronder het startmechanisme wordt gedeblokkeerd, wordt ingesteld op 90 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
- 3. Het alcoholslot waarborgt dat het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart indien:
- a. een geldig initieel ademmonster met een alcoholgehalte lager dan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde limiet wordt afgegeven én de motor van dat motorrijtuig binnen de in die Annex vastgestelde startperiode wordt gestart;
- b. de motor van het desbetreffende motorrijtuig na het uitschakelen van de motor binnen de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde periode van vrije herstart wordt gestart of gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 4 bedoelde overbruggingsfunctie.
- 4. In aanvulling op het derde lid, onderdeel a, wordt, indien er sprake is van een draadloze handset, uitsluitend een ademmonster gegeven als het contact van het motorrijtuig in de accessoire stand staat. Indien het contact is uitgeschakeld, is het afgeven van een ademmonster onmogelijk.
- 5. Alle instelbare functies en parameters kunnen alleen worden ingesteld door de in [artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen](onbekend) bedoelde personen. Wijzigingen in de instellingen van de functies en de parameters worden in het datageheugen vastgelegd.
- 6. Voor zover het alcoholslot over andere, niet in Annex 1 genoemde, instelbare functies en parameters beschikt, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer daarvan in kennis, inclusief de door de fabrikant ingestelde waarde.
- 7. Het alcoholslot is voorzien van een scherm waarop in het Nederlands aanwijzingen aan de gebruiker worden gegeven. Andere talen zijn toegestaan als extra dienstverlening.
- 8. Als een initieel ademmonster niet geldig is, wordt dit op het in het zevende lid bedoelde scherm aangegeven, tezamen met de reden.
- 9. Indien het initiële ademmonster niet geldig is, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel ademmonster mogelijk. Er wordt geen limiet worden gesteld aan het aantal initiële ademmonsters.
- 10. Indien het initiële ademmonster wel geldig is, maar het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan de in Annex 1 bij bijlage XII vastgestelde limiet, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel blaasmonster mogelijk, ongeacht de hoogte van het gemeten alcoholgehalte. Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal initiële ademmonsters. Op het scherm wordt uitsluitend vermeld dat het gemeten ademalcoholgehalte te hoog is. De hoogte van het gemeten ademalcoholgehalte wordt niet vermeld.
- 11. Het alcoholslot beschikt over de mogelijkheid om de periode aan te geven waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd en het motorrijtuig moet zijn teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), en om deze periode aan de gebruiker door middel van een mededeling op het scherm kenbaar te maken. Vanaf een in Annex 1 bij deze bijlage vastgesteld aantal dagen voor het verstrijken van die periode wordt de gebruiker bij het starten van de motor goed waarneembaar geïnformeerd over het verstrijken van die datum. Het startmechanisme kan na een in genoemde Annex vastgesteld aantal dagen na het verstrijken van die periode niet meer door de gebruiker van het motorrijtuig worden gedeblokkeerd. Vanaf het verstrijken van die periode wordt tevens goed waarneembaar aangegeven na hoeveel dagen het startmechanisme niet meer kan worden gedeblokkeerd.
- 12. De handset en de vaste eenheid krijgen tijdens de productie een fabrikant-specifieke unieke identiteit. De identiteit van de handset en de vaste eenheid kunnen niet worden gewijzigd.
- 13. Tijdens installatie wordt één handset logisch gekoppeld aan de vaste eenheid.
### § 2. **Blokkeren en deblokkeren**
##### Artikel 4
In afwijking van punt 4.2 uit NEN-EN 50436-1 is uitsluitend voorzien in een overbruggingsfunctie bestemd voor onderhoud aan het motorrijtuig of het alcoholslot, waarmee het startmechanisme gedurende een in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde maximale periode kan worden gedeblokkeerd zonder dat een initieel ademmonster of een hertest behoeft te worden afgelegd. Het gebruik van deze overbruggingsfunctie is uitsluitend na invoer van een code mogelijk en wordt altijd geregistreerd in het datageheugen. De overbrugging moet op eenvoudige wijze voortijdig kunnen worden beëindigd.
### § 3. **Datageheugen en uitlezen en beoordelen van gegevens**
##### Artikel 5
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1 registreert het datageheugen tenminste de waarnemingen en gebeurtenissen vastgesteld in Annex 2 bij deze bijlage, met de daarbij behorende verplichte velden.
2. Ten aanzien van het alcoholslot en de uitleesapplicatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongeautoriseerd kennisnemen, tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking en om te garanderen dat waarnemingen en gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid onweerlegbaar en integer worden geregistreerd in het alcoholslotregister, bedoeld in [artikel 129a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a).
3. Om aan het tweede lid te voldoen, wordt het alcoholslot alsmede de uitleesapplicatie beschermd door beveiligingsmaatregelen, zoals geformuleerd in het beschermingsprofiel Alcohol Interlock pp, v1.0.
##### Artikel 6
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1 wordt iedere waarneming of gebeurtenis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgelegd in een aparte verslagregel.
2. Een verslagregel bevat tenminste de volgende velden:
- a. datum en tijd in Centraal Europese Tijd, rekening houdend met de zomertijd. Indien een verslagregel betreffende een meting van het ademalcoholgehalte niet onmiddellijk wordt opgeslagen in het datageheugen, bevat de verslagregel ook de datum en tijd van opslag in het datageheugen;
- b. volgnummer, dat oplopend moet zijn;
- c. berichttype;
- d. berichtnummer;
- e. één of meer meetwaarden of veldwaarden, en waar relevant zowel de oude als de nieuwe waarden.
3. De in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde verplichte velden per gegevens record mogen worden gevolgd door niet-gestandaardiseerde aanvullende velden.
4. Zowel verslagregels ontstaan in de handset, als de verslagregels ontstaan in de vaste eenheid, worden opgeslagen in het datageheugen.
5. Het datageheugen heeft een geheugenruimte die voldoende ruimte biedt voor het vastleggen van tenminstealle verslagregels die het alcoholslot bij normaal gebruik genereert in de maximale periode gedurende welke het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, plus de duur van de waarschuwing na het verstrijken van dezer maximale periode, zoals deze zijn vastgesteld in Annex 1 bij bijlage XII.
##### Artikel 7
1. In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1 kunnen de verslagregels uit het datageheugen alleen worden uitgelezen door een in [artikel 66 van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66) bedoelde persoon, met een door de fabrikant van het alcoholslot te leveren en door de RDW goedgekeurde uitleesapplicatie.
2. De uitlezing, bedoeld in het eerste lid vindt plaats met in achtneming van de eisen uit Annex 3 bij deze bijlage.
3. Het datageheugen genereert een beveiligd uitvoerbestand dat onverwijld aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden op de in [artikel 66ss van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66ss) aangegeven wijze overeenkomstig de structuurdefinitie zoals die overeenkomstig [artikel 66f, derde lid, van de Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732&artikel=66f) is vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
5. Het datageheugen wordt pas geschoond nadat van de Dienst Wegverkeer een bevestiging is ontvangen dat het uitvoerbestand op correcte wijze is geregistreerd in het in [artikel 129a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129a) bedoelde alcoholslotregister.
### § 4. **Hertest**
##### Artikel 8
In afwijking van punt 4.7 van NEN-EN 50436-1 gelden voor de hertest de volgende eisen:
- a. het alcoholslot geeft na het deblokkeren van het startmechanisme door goed waarneembare auditieve signalen aan wanneer een hertest dient te worden uitgevoerd;
- b. de eerste keer na het deblokkeren van het startmechanisme vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval, na een instelbare wachtperiode;
- c. elke volgende keer vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval;
- d. het alcoholslot maakt het mogelijk dat de hertest binnen de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde tijdsinterval kan worden afgelegd;
- e. de duur van het auditieve signaal wordt ingesteld op de in Annex 1 bij deze bijlage vastgestelde waarde. Zolang binnen de in onderdelen b of c bedoelde periode geen geldig ademmonster is afgegeven, worden herinneringen afgegeven met tussenpozen van minimaal drie minuten en maximaal vijf minuten;
- f. het is mogelijk de hertest uit te voeren zonder dat de aandacht van de bestuurder voor het verkeer hoeft af te nemen;
- g. indien de bestuurder geen gehoor geeft aan de oproep om een hertest, of indien bij een hertest uit het afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgelegde limiet, roept het alcoholslot de bestuurder op om het motorrijtuig zo snel mogelijk stop te zetten. Hiertoe geeft het alcoholslot goed waarneembare auditieve of visuele signalen af die aan blijven houden totdat de bestuurder de motor van zijn motorrijtuig heeft uitgezet.
### § 5. **Vervroegd terugroepen**
##### Artikel 9
1. In aanvulling op punt 4.8 van NEN-EN 50436-1 geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. minder dan 10 % van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
- b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onrechtmatigheden of technische mankementen zijn;
- c. het alcoholslot na de laatste uitlezing tenminste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd.
2. In aanvulling op het eerste lid geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in [artikel 132k, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132k), indien:
- a. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgelegde limiet;
- b. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;
- c. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in Annex 1 bij deze bijlage vastgelegde limiet.
### § 6. **Manipulatie**
##### Artikel 10
1. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1 is de toegang tot het datageheugen, tot de middelen waarmee de parameters worden ingesteld en tot de mogelijkheden voor afstelling zodanig ontworpen dat onbevoegde of onbedoelde wijziging wordt voorkomen.
2. In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1 is, om manipulatie tegen te gaan, het alcoholslot ingesteld op een blaas-zuigtechniek, waarbij het alcoholslot aansluitend aan de ontvangst van het ademmonster aan de deelnemer vraagt kortstondig aan het alcoholslot te zuigen.
### Hoofdstuk 4. **Etiketteren en markeren**
##### Artikel 11
In aanvulling op punt 5 van NEN-EN 50436-1 gelden de volgende eisen:
- 1. De volgende gegevens van het alcoholslot zijn duidelijk leesbaar aangebracht op een constructieplaat op de vaste eenheid:
- a. fabrikant;
- b. merk;
- c. type;
- d. serienummer van het desbetreffende onderdeel;
- e. typegoedkeuringsnummer van het type alcoholslot, zoals dat overeenkomstig de eisen van Annex 3 is samengesteld.
- 2. In aanvulling op het eerste lid zijn de in het eerste lid, onderdelen d en e, genoemde gegevens in barcode leesbaar. De barcode is samengesteld met in achtneming van Annex 3.
- 3. Het temperatuurbereik waarbinnen het alcoholslot kan worden gebruikt, is voor de gebruiker zichtbaar aangegeven, tenzij het bereik van de zichtbare onderdelen minimaal –45 °C tot en met +85 °C bedraagt.
### Hoofdstuk 5. **Instructies**
##### Artikel 12
1. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1 moet elk alcoholslot zijn voorzien van een instructie voor de installatie in de Nederlandse taal die tenminste de volgende informatie bevat:
- a. de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het desbetreffende alcoholslot;
- b. het type van het alcoholslot;
- c. het Nederlandse typegoedkeuringsnummer.
2. In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1 wordt aan de instructie voor installatie het volgende onderdeel toegevoegd:
Criteria voor plaatsing
Bij de opstelling van de montagehandleiding voor de handset wordt tenminste op de volgende punten ingegaan:
- a. de handset wordt geïnstalleerd op een manier die de goede werking en de veiligheid van het motorrijtuig niet in gevaar brengt;
- b. de plaatsing van de handset leidt in geval van een ongeval niet tot onnodig letsel;
- c. de handset wordt binnen handbereik van de chauffeur geplaatst;
- d. de handset is zodanig gemonteerd dat deze bij het op en neer bewegen van het motorrijtuig, of bij rijden over slechte wegen, of bij het maken van abrupte manoeuvres, niet kan losraken;
- e. de kabel van de handset is op zodanige wijze worden geleid dat hij niet kan interfereren met de veilige werking van het motorrijtuig;
- f. de montagematerialen zijn bestand tegende trillingen, schokken en temperaturen die in het motorrijtuig kunnen voorkomen;
- g. de montage van de handset belemmert geen andere voertuigfuncties;
- h. bij de plaatsing in het voertuig wordt rekening gehouden met de aanwezige airbags;
- i. indien in bij het installeren van de handset rekening moet worden gehouden met beperkingen ten aanzien van de installatie, wordt dit duidelijk en expliciet in de montagehandleiding vermeld;
- j. het alcoholslot onderbreekt na het installeren de spanning tussen contactslot of startknopen de startmotor;
- k. de installatieprocedure garandeert dat een alcoholslot alleen kan interveniëren in de auto wanneer deze wordt gestart. Een reeds draaiende motor wordt niet onderbroken;
- l. de plaats en wijze waarop na inbouw van het alcoholslot de verzegeling van dat alcoholslot moet worden aangebracht.
### Hoofdstuk 6. **Beproevingsprocedures en eisen**
### § 1. **Elektrische proeven**
##### Artikel 13
1. De punten 8.1.1 tot en met 8.1.4 van NEN-EN 50436-1 zijn van overeenkomstige toepassing op losse handsets indien een verbinding van dit apparaat met het stroomcircuit van het desbetreffende motorrijtuig is voorzien.
2. In aanvulling op het eerste lid geldt voor losse handsets dat in delen van het alcoholslot met geïntegreerde batterijen de batterijen gedurende 60 seconden worden geplaatst met omgekeerde polariteit, tenzij een verkeerde polarisatie technisch niet mogelijk is.
### § 2. **Duurzaamheidsproeven**
##### Artikel 14
In aanvulling op punt 8.3.1 van NEN-EN 50436-1 geldt voor losse handsets een omgevingstemperatuur van –20 °C tot +65 °C.
### § 3. **Omgevingsproeven**
##### Artikel 15
In aanvulling op punt 8.4.1 van NEN-EN 50436-1 worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot de omgevingstemperaturen van respectievelijk –5 °C, 0 °C en +65 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze respectievelijke omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot omgevingstemperatuur van –20 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eerste eis van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
##### Artikel 16
In aanvulling op punt 8.4.2 van NEN-EN 50436-1 worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van het alcoholslot de laagste omgevingstemperatuur heeft bereikt die door de fabrikant is gespecificeerd, zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, waarbij de omgevingstemperatuur echter niet hoger is dan –5 °C, met: wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 9V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 16V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 2. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van het alcoholslot een omgevingstemperatuur van 65 °C, heeft bereikt met wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 16V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 32V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 125% van de nominale accuspanning en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. bij een temperatuur van 5 °C onder de laagste omgevingstemperatuur die door de fabrikant is gespecificeerd zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, mag het slot niet gereed zijn voor het afnemen van een ademmonster.
##### Artikel 17
In afwijking van punt 8.4.4. van NEN-EN 50436-1 worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
- 1. bij een omgevingstemperatuur van 20 °C is het alcoholslot na inschakeling vanuit de stand van beperkt energieverbruik binnen één minuut gereed om een ademmonster af te nemen. In deze omgevingsomstandigheid voldoet het alcoholslot aan de eisen van functionele beproeving type 1 van punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- 2. op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van het alcoholslot nadat het alcoholslot in de stand van beperkt energieverbruik in een omgeving met een temperatuur van –5 °C is gebracht, met is het alcoholslot binnen 90 seconden na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
- 3. indien een alcoholslot is gespecificeerd voor een omgevingstemperatuur van –20 °C en op zijn vroegst één uur nadat de behuizing van het alcoholslot in een omgeving met een temperatuur van –20 °C is gebracht, in de stand van beperkt energieverbruik, met : is het alcoholslot binnen drie minuten na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu volgens de accuspecificatie,
### § 4. **Manipulatie**
##### Artikel 18
In aanvulling op punt 8.8. van NEN-EN 50436-1 gelden de volgende eisen:
- 1. het alcoholslot deblokkeert het startmechanisme niet als:
- a. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk met een verstopte luchtuitlaat;
- b. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van het mondstuk totdat de minimale gasstroom is bereikt, waarna in omgekeerde richting wordt gezogen;
- c. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via het mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen;
- d. indien dit mogelijk is, driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via de ademuitgang van het mondstuk respectievelijk het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen.
### Hoofdstuk 7. **Stabiliteit op lange termijn**
##### Artikel 19
In afwijking van de laatste alinea van punt 8.13 van NEN-EN 50436-1 voldoet het alcoholslot gedurende de in Annex 1 aangegeven, of langer indien door de fabrikant een langere termijn is aangegeven als uiterste termijn waarbinnen het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, vermeerderd met de in Annex 1 vastgestelde duur van de waarschuwing nadat deze termijn is verstreken, onder normale omstandigheden aan de eisen van de functionele beproevingen type 1 en type 3 uit punt 7.5.
##### Artikel 20
In aanvulling op hoofdstuk 8 van NEN-EN 50436-1 wordt een eis toegevoegd, luidende:
Nadat een ademmonster is afgegeven, geeft het alcoholslot het dienovereenkomstige uitvoersignaal:
- a. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 10 seconden;
- b. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,250 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 15 seconden;
- c. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,350 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 20 seconden.
### Annex 1. bij bijlage XII, behorend bij de artikelen 3, 4, 8 en 9
De onderstaande tabel geeft aan op welke waarden het alcoholslot instelbaar moet zijn en op welke waarde het alcoholslot bij toepassing in het kader van het alcoholslotprogramma wordt ingesteld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
### Annex 2. bij bijlage XII, behorend bij artikel 5 van de bijlage
### Annex 3. bij bijlage XII, behorend bij artikel 11 van de bijlage
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
2 Voor de cabine.
3 Voor het overige deel.
## Bijlage IV. , behorende bij [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2¶graaf=2&artikel=3.7&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 3 van deze bijlage.
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### **Annex 3, behorende bij bijlage IV**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-07-01&g=2010-07-01)
### Artikel 1
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
### Artikel 84. **Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem**
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 129
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
De lengtemarkering moet bestaan uit:
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 136
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### § 6. **Wijze van keuren**
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Achterlichten van aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, [artikel 6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6¶graaf=2&artikel=6.3&z=2010-07-01&g=2010-07-01), en [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-07-01&g=2010-07-01), artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.73
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.79
### Artikel 1.80
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 1
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2010-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 468 más
2010-06-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 489 más
2010-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 491 más
2009-12-16
Regeling voertuigen — art. 3
2009-11-24
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 503 más
2009-08-21
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 2 y 743 más
2009-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 1267 más
2009-05-01
Regeling voertuigen
original version
Tekst op deze datum