Wijzigingsgeschiedenis

Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

58 versions · 2026-01-01
2026-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 443 más
2025-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 471 más
2025-02-26
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 469 más
2025-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 465 más
2024-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 462 más
2023-05-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 451 más
2023-05-20
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 4 y 613 más
2023-04-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 454 más
2023-01-01
2022-07-01
Regeling voertuigen — arts. 45, 45
2022-06-22
2022-01-01
2021-10-29
2021-01-21
2021-01-05
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 407 más
2021-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 575 más
2020-12-19
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 441 más
2020-10-15
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 1016 más
2020-09-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 12, 12 y 839 más
2020-08-30
Regeling voertuigen — arts. 1, 1
2020-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 448 más
2018-05-20
Regeling voertuigen — arts. 3, 96, 89 y 172 más
2018-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 498 más
2018-03-31
2018-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 521 más
2017-10-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 515 más
2017-05-07
Regeling voertuigen — art. 2
2017-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 501 más
2017-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2
2016-03-02
Regeling voertuigen — art. 2
2016-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 3 y 532 más
2015-01-01
Regeling voertuigen — arts. 115, 117, 118 y 90 más
2014-10-31
2014-09-03
2014-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 4 y 486 más
2014-03-20
2014-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 2, 2 y 528 más
2013-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 524 más
2013-01-10
2013-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 3, 15 y 265 más
2012-12-31
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 528 más
2012-10-01
2012-04-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 310 más
2012-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 525 más
2011-04-09
Regeling voertuigen — art. 2
2011-04-01
Regeling voertuigen — arts. 5, 6, 100 y 485 más
2011-03-29
Regeling voertuigen — arts. 2, 10
2011-02-24
Regeling voertuigen — art. 2
2011-01-01
Regeling voertuigen — arts. 2, 1, 11 y 420 más
2010-09-28
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 542 más
2010-07-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 468 más
2010-06-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 489 más

Wijzigingen op 2010-06-01

@@ -526,13 +526,13 @@
2. Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.
3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
3. Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=I&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 2.2
1. Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid vermelde datum van eerste toelating wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze zoals vermeld in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=II&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
2. De in het eerste lid vermelde datum van eerste toelating wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze zoals vermeld in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=II&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
3. Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’ een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.
@@ -556,19 +556,19 @@
2. Voertuigen met de voertuigclassificatie M1 moeten voor het verkrijgen van een EG-kleine serie typegoedkeuring voldoen aan [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046).
3. Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
3. Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 3.3
1. Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024).
2. Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
2. Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 3.4
1. Voertuigen met de voertuigclassificatie T1 tot en met T3 moeten voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan [richtlijn 2003/37/EG](32003L0037).
2. Voertuigen met de voertuigclassificatie T4.2 en T5 moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIc&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
2. Voertuigen met de voertuigclassificatie T4.2 en T5 moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in [bijlage IIIC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIc&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 3.5
@@ -586,7 +586,7 @@
##### Artikel 3.7
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O, L, T en zelfbalancerende bromfietsen, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan de eisen gesteld in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bij deze regeling.
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O, L, T en zelfbalancerende bromfietsen, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan de eisen gesteld in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bij deze regeling.
##### Artikel 3.8
@@ -606,11 +606,11 @@
2. Een systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig met de voertuigclassificatie T4.2 of T5 en waarvoor onafhankelijk van een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend moet voor het verkrijgen van een nationale of EG-typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften van de relevante bijzondere EG-richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen in bijlage II, hoofdstuk B, van [richtlijn 2003/37/EG](32003L0037).
3. De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in [bijlage VA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2010-01-01&g=2010-01-01) moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.
4. Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in [bijlage VB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
5. Een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N, O, L en T moet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende onderdeel relevante voorschriften opgenomen in [bijlage IIIA tot en met IIIC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
3. De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in [bijlage VA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Va&z=2010-06-01&g=2010-06-01) moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.
4. Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in [bijlage VB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=Vb&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
5. Een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N, O, L en T moet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende onderdeel relevante voorschriften opgenomen in [bijlage IIIA tot en met IIIC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
### Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
@@ -644,17 +644,17 @@
##### Artikel 3.12
Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.
Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.
##### Artikel 3.13
1. Een taxi met een EG-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-01-01&g=2010-01-01), indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijk gesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
2. Een taxi met een EG-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-01-01&g=2010-01-01). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-01-01&g=2010-01-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkt gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
3. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-01-01&g=2010-01-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde eisen ten aanzien van:
1. Een taxi met een EG-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-06-01&g=2010-06-01), indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijk gesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
2. Een taxi met een EG-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-06-01&g=2010-06-01). De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-06-01&g=2010-06-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkt gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
3. Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan het gestelde in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-06-01&g=2010-06-01). Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
4. Overige taxi’s worden beoordeeld op de in [bijlage VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VI&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
@@ -670,11 +670,11 @@
##### Artikel 3.15
1. Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-01-01&g=2010-01-01), wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
2. Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-01-01&g=2010-01-01), wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, zie bijlage’.
3. Op het kentekenbewijs van het voertuig als bedoeld in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.14&z=2010-01-01&g=2010-01-01) wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie bijlage’.
1. Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-06-01&g=2010-06-01), wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
2. Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in [artikel 3.13, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.13&z=2010-06-01&g=2010-06-01), wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, zie bijlage’.
3. Op het kentekenbewijs van het voertuig als bedoeld in [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&artikel=3.14&z=2010-06-01&g=2010-06-01) wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie bijlage’.
### Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
@@ -726,7 +726,7 @@
##### Artikel 3.22
De [artikelen 3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.16&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.18&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen en technische eenheden.
De [artikelen 3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.16&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.18&z=2010-06-01&g=2010-06-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen en technische eenheden.
##### Artikel 3.23
@@ -736,7 +736,7 @@
##### Artikel 3.24
1. De [artikelen 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.20&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.21&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O en L.
1. De [artikelen 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.20&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.21&z=2010-06-01&g=2010-06-01) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O en L.
2. De fabrikant mag de in [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024) en 2007/46/EG vermelde maximale aantal jaarlijks te verkopen, registreren, of in het verkeer te brengen voertuigen niet overschrijden en doet opgave aan de Dienst Wegverkeer van de per kalenderjaar verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen.
@@ -748,7 +748,7 @@
- a. in [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024), 2003/37/EG of 2007/46/EG, of een hierop gebaseerde bijzondere EG-richtlijn, anders is bepaald, of
- b. [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
- b. [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
2. Een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring is verleend anders is bepaald.
@@ -756,9 +756,9 @@
- a. in 2007/46/EG, of een hierop gebaseerde bijzondere EG-richtlijn, anders is bepaald, of
- b. [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
4. Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
- b. [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.26&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
4. Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
5. Een individuele goedkeuring vervalt zodra zwaardere eisen van kracht worden.
@@ -776,11 +776,11 @@
5. Voltooide voertuigen mogen op grond van een ingevolge [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
6. Met betrekking tot het opnemen van voertuigen in een restantvoorraad, als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, moet worden voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van deze regeling opgenomen voorschriften.
6. Met betrekking tot het opnemen van voertuigen in een restantvoorraad, als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, moet worden voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van deze regeling opgenomen voorschriften.
##### Artikel 3.27
Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) opgenomen voorschriften.
Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in [bijlage VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) opgenomen voorschriften.
### Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
@@ -790,7 +790,7 @@
##### Artikel 4.2
1. Het is verboden een nieuw onderdeel of technische eenheid dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorieën, bedoeld in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), te verkopen of in het verkeer te brengen indien deze niet:
1. Het is verboden een nieuw onderdeel of technische eenheid dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorieën, bedoeld in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), te verkopen of in het verkeer te brengen indien deze niet:
- a. voldoet aan de voorschriften van de relevante bijzondere richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen in bijlage IV of XI van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046), bijlage II, deel 2, van [richtlijn 2002/24/EG](32002L0024), bijlage II, en hoofdstuk B, van [richtlijn 2003/37/EG](32003L0037), of de relevante VN/ECE-reglementen, en
@@ -798,15 +798,15 @@
2. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdelen of technische eenheden die:
- a. speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen als bedoeld in [artikel 3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01);
- b. zijn bedoeld voor montage op voertuigen als bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01);
- c. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van voertuigcategorie M, N, O, L waarvoor uit hoofde van [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
- d. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid, of
- e. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor goedkeuringen zijn verleend als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
- a. speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen als bedoeld in [artikel 3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2010-06-01&g=2010-06-01);
- b. zijn bedoeld voor montage op voertuigen als bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01);
- c. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van voertuigcategorie M, N, O, L waarvoor uit hoofde van [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
- d. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01), goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid, of
- e. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor goedkeuringen zijn verleend als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=3.7&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 4.3
@@ -824,15 +824,15 @@
- b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft, of
- c. niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de [afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde categorieën motorvoertuigen, de in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
- c. niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
2. Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de [afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de [afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde categorieën motorvoertuigen, de in [afdeling 2 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in [afdeling 18 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2010-01-01&g=2010-01-01) ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in [afdeling 18 van dit hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2010-06-01&g=2010-06-01) ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
##### Artikel 5.1.3
@@ -840,7 +840,7 @@
##### Artikel 5.1.4
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in [afdeling 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in [artikel 5.9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=2&artikel=5.9.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01)ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor [artikel 5.10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=2&artikel=5.10.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01) in de plaats treedt.
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in [afdeling 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in [artikel 5.9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=2&artikel=5.9.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01)ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor [artikel 5.10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=2&artikel=5.10.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01) in de plaats treedt.
##### Artikel 5.1.5
@@ -970,7 +970,7 @@
1. De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in [afdeling 18 van hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in [afdeling 18 van hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&z=2010-06-01&g=2010-06-01), bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
##### Artikel 5.1a.3
@@ -1061,7 +1061,7 @@
##### Artikel 5.2.0
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -1069,7 +1069,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. |
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. |
| 2. | De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -1083,7 +1083,7 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.2.4
@@ -1097,7 +1097,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| | Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.2.7
@@ -1112,7 +1112,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor van de personenauto is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld in het kentekenregister. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -1122,7 +1122,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=5.2.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=5.2.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -1135,7 +1135,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=5.2.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=5.2.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | Lid 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -1153,11 +1153,11 @@
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002890&artikel=2) (Stb. 1990, 393). | Leden 3 tot en met 5: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003464&artikel=2) (Stb. 1981, 741). | |
| 5. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 6. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 7. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxyde van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 44 en 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 9. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing. | Visuele controle. |
| 5. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 6. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 7. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxyde van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 44 en 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 9. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.12
@@ -1170,7 +1170,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -1185,7 +1185,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
@@ -1194,10 +1194,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.2.19
@@ -1205,21 +1205,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.2.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.2.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=0&artikel=5.2.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=0&artikel=5.2.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.2.22
@@ -1273,7 +1273,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -1284,11 +1284,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -1303,12 +1303,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 7. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering zonder demontage niet zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld, terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 8. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -1326,19 +1326,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 4. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overberemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing. | Lid 4 en 5: de wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 5. | In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overberemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing. | Lid 4 en 5: de wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 5. | In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.2.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
@@ -1348,13 +1348,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.2.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -1390,7 +1390,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving en op zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.2.47
@@ -1400,14 +1400,14 @@
| 2. | Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 6. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
##### Artikel 5.2.47a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=13&artikel=5.2.78&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=13&artikel=5.2.78&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
##### Artikel 5.2.48
@@ -1430,7 +1430,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -1438,7 +1438,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -1450,8 +1450,8 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; | |
| | p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat: | |
| | 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en | |
| | 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h. | |
@@ -1483,20 +1483,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing | |
| 1. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de personenauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.2.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van personenauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van personenauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.2.57
@@ -1507,24 +1507,24 @@
| | b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | |
| | c. twee extra stadslichten; | |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. parkeerlichten; | |
| | i. één extra mistachterlicht aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | j. extra achteruitrijlichten; | |
| | k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | n. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing is; | |
| | o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing is; | |
| | p. werklichten; | |
| | q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01); | |
| | q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01); | |
| | r. twee dagrijlichten; | |
| | s. verlichte transparanten; | |
| | t. twee bochtlichten; | |
| | u. twee hoeklichten. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.53&z=2010-01-01&g=2010-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.53&z=2010-06-01&g=2010-06-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde en extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste retroreflector aan de zijkant, welke rood mag zijn. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel q, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
@@ -1553,15 +1553,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.2.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten en werklichten. | – |
##### Artikel 5.2.62
@@ -1583,7 +1583,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen personenauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.2.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) of [5.2.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.57a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Personenauto’s niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen personenauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.2.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.2.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.51a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) of [5.2.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=10&artikel=5.2.57a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Personenauto’s niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
@@ -1591,14 +1591,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01). | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01). | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.2.67
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-01-01&g=2010-01-01). | De wijze van keuren bij [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is van toepassing. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-06-01&g=2010-06-01). | De wijze van keuren bij [artikel 5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is van toepassing. |
#### § 12. Diversen
@@ -1617,7 +1617,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een taxi waarvoor blijkens een vermelding in het kentekenregister een bijlage is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de [paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=0&z=2010-01-01&g=2010-01-01) voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 1. | Een taxi waarvoor blijkens een vermelding in het kentekenregister een bijlage is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de [paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=0&z=2010-06-01&g=2010-06-01) voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 2. | Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op personenauto’s bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), hetgeen blijkt uit een vermelding in het kentekenregister. | – |
##### Artikel 5.2.74
@@ -1664,7 +1664,7 @@
##### Artikel 5.3.0
Een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -1672,7 +1672,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. |
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. |
| 2. | De bedrijfsauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bedrijfsauto staat. |
@@ -1687,14 +1687,14 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen; | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing | |
##### Artikel 5.3.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -1702,7 +1702,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: in geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in onderdeel bedoelde maat niet meer dan 1% mag afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is van toepassing. |
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: in geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in onderdeel bedoelde maat niet meer dan 1% mag afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen: | |
| | a. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m, en | |
| | b. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
@@ -1725,7 +1725,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor van de bedrijfsauto is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld in het kentekenregister. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -1735,7 +1735,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=5.3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=5.3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast, die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -1748,7 +1748,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=5.3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=5.3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | Lid 4 en 5: visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -1766,10 +1766,10 @@
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002890&artikel=2) luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393). | Lid 3 en 4: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003464&artikel=2) (Stb. 1981, 741). | |
| 5. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 5. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3.12
@@ -1782,7 +1782,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -1808,7 +1808,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
@@ -1817,10 +1817,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3.19
@@ -1828,21 +1828,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.3.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.3.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=0&artikel=5.3.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=0&artikel=5.3.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: a.15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.3.22
@@ -1890,7 +1890,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bedrijfsauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
@@ -1904,7 +1904,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en zonodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
@@ -1916,11 +1916,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaing van ten hoogste 15°, bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -1935,13 +1935,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
@@ -2012,20 +2012,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 1. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 5. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 6. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 6. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
@@ -2035,13 +2035,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
| 4. | Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -2095,7 +2095,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, bedrijfsauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving en op zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.3.47
@@ -2103,14 +2103,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1.30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt. | Visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een bank geen gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | Visuele controle. |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
##### Artikel 5.3.47a
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=13&artikel=5.2.78&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| | Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in [artikel 5.2.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=13&artikel=5.2.78&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
##### Artikel 5.3.48
@@ -2119,8 +2119,8 @@
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg in gebruik genomen na 31 december 1974, moeten zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 januari 1975 en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor trekkers. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg in gebruik genomen na 31 december 1974, moeten zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 januari 1975 en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor trekkers. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.3.49
@@ -2157,7 +2157,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is blijft verdere controle achterwege. |
| | Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is blijft verdere controle achterwege. |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
@@ -2165,7 +2165,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -2177,11 +2177,11 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | p. een derde remlicht indien de toegestane maximummassa van het voertuig niet meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2012, aangebracht zodanig dat: het derde remlicht is niet verplicht voor chassiscabines, trekkers en voertuigen met een open laadbak; | |
| | q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikel 153, van toepassing. | |
| | q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikel 153, van toepassing; | |
| | r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikel 153, van toepassing. | |
| 2. | Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1), aan de krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel p, moeten twee extra remlichten worden aangebracht indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste lid, onderdelen q en r, is niet van toepassing op trekkers. | |
@@ -2211,20 +2211,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de bedrijfsauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.3.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3.57
@@ -2233,20 +2233,20 @@
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdelen a tot en met r: visuele controle. – Onderdeel s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met z: visuele controle. |
| | c. twee extra stadslichten; | |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. extra achteruitrijlichten; | |
| | j. parkeerlichten; | |
| | k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | |
| | n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing is; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing is; | |
| | q. werklichten; | |
| | r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01); | |
| | r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht is, aangebracht overeenkomstig het gestelde in [artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01); | |
| | s. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
| | t. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | u. twee dagrijlichten; | |
@@ -2254,8 +2254,8 @@
| | w. twee bochtlichten; | |
| | x. twee hoeklichten; | |
| | y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII, artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.53&z=2010-01-01&g=2010-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII, artikel 153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.53&z=2010-06-01&g=2010-06-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Indien het voertuig langer is dan 6,00 m mogen de extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
@@ -2287,15 +2287,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
| 3. | Krachtens [artikel 71 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze of plaats van bevestiging van verlichte transparanten op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1). | – |
@@ -2318,7 +2318,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen bedrijfsauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.3.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) of [5.3.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Bedrijfsauto’s niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen bedrijfsauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.3.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.51a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) of [5.3.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Bedrijfsauto’s niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | |
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
@@ -2327,7 +2327,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-01-01&g=2010-01-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-06-01&g=2010-06-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: | |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
@@ -2377,7 +2377,7 @@
##### Artikel 5.3a.0
1. Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
1. Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld.
@@ -2387,7 +2387,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. |
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. |
| 2. | De bus moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bus staat. |
@@ -2404,14 +2404,14 @@
| --- | --- | --- |
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bussen mogen: | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.3a.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
#### § 2. Afmetingen en massa’s
@@ -2419,12 +2419,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. Ingeval van twijfel wordt de bus gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is van toepassing. |
| 2. | Bussen met 2 assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. Ingeval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is van toepassing. |
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. Ingeval van twijfel wordt de bus gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is van toepassing. |
| 2. | Bussen met 2 assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. Ingeval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is van toepassing. |
| 3. | Bussen met meer dan twee assen mogen niet langer zijn dan 15,00 m. | |
| 4. | Gelede bussen mogen niet langer zijn dan 18,75 m. | |
| 5. | De afmetingen bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn met inbegrip van een skibox. | – |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01). Tijdens de periodieke keuring moet het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01). Tijdens de periodieke keuring moet het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
##### Artikel 5.3a.7
@@ -2439,7 +2439,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bus zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | | – Indien de motor van de bus is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld in het kentekenregister. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -2449,7 +2449,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=3&artikel=5.3a.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=3&artikel=5.3a.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast, die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -2482,10 +2482,10 @@
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002890&artikel=2) (Stb. 1990, 393). | Lid 3 en 4: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Bussen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003464&artikel=2) (Stb. 1981, 741). | |
| 5. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 5. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.3a.12
@@ -2499,7 +2499,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -2525,7 +2525,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
#### § 5. Assen
@@ -2534,10 +2534,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3a.19
@@ -2545,21 +2545,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.3a.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.3a.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) getoetst. |
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van [artikel 5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a.15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg; | |
| | b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | |
@@ -2609,7 +2609,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en van T100-bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bussen mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bus. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve in geval van nood waarbij een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. |
@@ -2624,7 +2624,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen die zijn voorzien van gasvering, en bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en zonodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Knielsystemen van bussen moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het systeem in werking wordt gesteld. |
@@ -2637,11 +2637,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van bussen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaing van ten hoogste 15°, bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -2655,13 +2655,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| | | – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
@@ -2732,19 +2732,19 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 3. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | Bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 5. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 5. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
##### Artikel 5.3a.39
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | De parkeerrem van bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | In geval van een elektrisch bediende parkeerrem, wordt hieraan geacht te zijn voldaan indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
#### § 9. Carrosserie
@@ -2753,7 +2753,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bussen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend, ongeacht of de daarvoor benodigde energievoorziening werkt. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten, indien noodzakelijk met behulp van de aanwezige noodbedienings-inrichtingen. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Indien een deur in een bus, in gebruik genomen na 30 juni 1984, niet rechtstreeks door de chauffeur kan worden waargenomen moet de normale bediening zodanig zijn uitgevoerd dat passagiers deze niet kunnen openen voordat de chauffeur de bediening ervan vanaf de bestuurderszitplaats heeft vrijgegeven. | |
| 4. | Bussen moeten zijn voorzien van voldoende uitgangen. | Visuele controle. Bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer raadplegen. |
| 5. | De hoofddoorgang, de toegang naar de uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en de treden bij de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar zijn. | Visuele controle; waarbij verlichting wordt ingeschakeld. |
@@ -2769,7 +2769,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
| 4. | De bus moet zodanig zijn ingericht of uitgerust dat verblinding van de bestuurder door en weerkaatsing van de binnenverlichting wordt voorkomen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
@@ -2803,9 +2803,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen behorende tot klasse III of klasse B, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is tot 21 oktober 2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10 plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen, onverminderd [artikel 5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.47&z=2010-01-01&g=2010-01-01), zijn voorzien van een hoofdsteun en een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximum aantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is tot 21 oktober 2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10 plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen, onverminderd [artikel 5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.47&z=2010-06-01&g=2010-06-01), zijn voorzien van een hoofdsteun en een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximum aantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 5. | Bussen van klasse I, in gebruik genomen na 12 februari 2005, moeten voorzien zijn van ten minste vier voor mensen met een mobiliteitshandicap gereserveerde zitplaatsen, die voorzien zijn van handgrepen en dichtbij een geschikte bedrijfsdeur. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Op bussen van een andere klasse dan klasse I, die in gebruik genomen na 12 februari 2005 en zijn voorzien van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor personen met een mobiliteitshandicap, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap voor bussen van klasse II en klasse III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en klasse B ten minste één. Een klapstoel mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats. | |
| 7. | Voor bussen als bedoeld in het vijfde en zesde lid geldt, dat bussen van klasse I en klasse II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste één naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld en van merktekens voorzien voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze zitplaatsen moeten dicht bij een voor deze passagiers geschikte ingang zijn geplaatst. | |
@@ -2827,7 +2827,7 @@
| | b. bussen waarbij de klasse niet is vastgesteld en die beschikken over staanplaatsen; | |
| | c. klapstoelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig; | |
| | d. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
##### Artikel 5.3a.48
@@ -2870,7 +2870,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | c. twee stadslichten; | |
| | d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | |
| | e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | |
@@ -2882,8 +2882,8 @@
| | k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| | n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; | |
| | o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.3a.51a
@@ -2909,20 +2909,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in artikel [5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in artikel [5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.3a.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van bussen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van bussen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.3a.57
@@ -2930,18 +2930,18 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; | – Onderdeel a tot en met q: visuele controle. – Onderdeel r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel t tot en met z: visuele controle. |
| | d. twee extra achterlichten; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. extra achteruitrijlichten; | |
| | j. parkeerlichten; | |
| | k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | |
| | n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | |
| | p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn, waarbij [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | |
| | q. werklichten; | |
| | r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | s. In afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | |
@@ -2950,9 +2950,9 @@
| | v. verlichte transparanten die voor het overige verkeer informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De lichten moeten afzonderlijk zijn geschakeld en mogen naar achteren niet rood stralen; | |
| | w. twee bochtlichten; | |
| | x. twee hoeklichten; | |
| | y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing; | |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikel 153, achtste lid, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel [5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| | y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing; | |
| | z. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikel 153, achtste lid, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel [5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bussen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Indien het voertuig langer is dan 6,00 m mogen de extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
@@ -2983,15 +2983,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing | |
| 1. | De in [artikel 5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.3a.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
##### Artikel 5.3a.62
@@ -3013,7 +3013,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen bussen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) of [5.3a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Personenauto’s niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen bussen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.3a.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.3a.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.51a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) of [5.3a.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Personenauto’s niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | |
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
@@ -3022,7 +3022,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=11&artikel=5.3a.68&z=2010-01-01&g=2010-01-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=11&artikel=5.3a.68&z=2010-06-01&g=2010-06-01). Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
##### Artikel 5.3a.67
@@ -3055,7 +3055,7 @@
##### Artikel 5.4.0
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -3091,7 +3091,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 2.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 2.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
| 2. | Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorvoertuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m. | |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -3108,7 +3108,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=5.4.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=5.4.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 4. | De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
@@ -3117,7 +3117,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=5.4.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=3&artikel=5.4.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
| 4. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
@@ -3180,14 +3180,14 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.4.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij [artikel 5.1a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| | De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij [artikel 5.1a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.4.24
@@ -3361,11 +3361,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | De in de [artikelen 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.4.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De retroreflector mag geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloed. | |
| 7. | Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem. | |
@@ -3373,8 +3373,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van motorfietsen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van motorfietsen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.4.57
@@ -3394,7 +3394,7 @@
| | k. één extra achterlicht; | |
| | l. één extra remlicht; | |
| | m. één of twee dagrijlichten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.4.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.53&z=2010-01-01&g=2010-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.4.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.4.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.53&z=2010-06-01&g=2010-06-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 3. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
##### Artikel 5.4.57a
@@ -3436,7 +3436,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=10&artikel=5.4.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -3486,7 +3486,7 @@
##### Artikel 5.5.0
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -3494,7 +3494,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. |
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. |
| 2. | Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) voorgeschreven goedkeuringsmerk. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
@@ -3509,7 +3509,7 @@
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 2. | Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -3525,7 +3525,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
##### Artikel 5.5.7
@@ -3543,7 +3543,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor. |
| | | – Indien het driewielige motorrijtuig is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld in het kentekenregister. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. |
| | | – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
@@ -3553,7 +3553,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=3&artikel=5.5.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=3&artikel=5.5.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -3566,7 +3566,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=3&artikel=5.5.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=3&artikel=5.5.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
@@ -3596,7 +3596,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. | |
#### § 4. Krachtoverbrenging
@@ -3611,7 +3611,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
@@ -3620,10 +3620,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.5.19
@@ -3631,21 +3631,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.5.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.5.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in [artikel 5.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=0&artikel=5.5.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) reeds getoetst. |
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in [artikel 5.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=0&artikel=5.5.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) reeds getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
##### Artikel 5.5.24
@@ -3685,7 +3685,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -3696,11 +3696,11 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -3722,7 +3722,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| | c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. |
| | d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | |
| | e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | |
@@ -3731,7 +3731,7 @@
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| | a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| | a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| | b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel c: visuele controle. |
| | c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
@@ -3783,13 +3783,13 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.5.42
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
@@ -3827,8 +3827,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
##### Artikel 5.5.47
@@ -3837,7 +3837,7 @@
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
##### Artikel 5.5.48
@@ -3897,20 +3897,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijke lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijke lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde lichten en retroreflectoren voor zover het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde lichten en retroreflectoren voor zover het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
##### Artikel 5.5.56
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moet goed zijn afgesteld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 1. | Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moet goed zijn afgesteld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.5.57
@@ -3930,7 +3930,7 @@
| | k. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | l. werklichten; | |
| | m. verlichte transparanten. | |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.5.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.53&z=2010-01-01&g=2010-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Lichten die ingevolge [artikel 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.5.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.53&z=2010-06-01&g=2010-06-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
| 4. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | |
@@ -3956,15 +3956,15 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | **Artikel 5.5.59a** | |
| 1. | De in [artikel 5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.5.61
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de [artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01), zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, mistachterlichten, en werklichten. | – |
##### Artikel 5.5.62
@@ -3984,7 +3984,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen driewielige motorrijtuigen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.5.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) of [5.5.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.57a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen driewielige motorrijtuigen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.5.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.5.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) dan wel bij of krachtens de [artikelen 5.5.51a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.51a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) of [5.5.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=10&artikel=5.5.57a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
@@ -3992,7 +3992,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01). | Visuele controle. |
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01). | Visuele controle. |
| 2. | Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
#### § 12. Diversen
@@ -4012,7 +4012,7 @@
##### Artikel 5.6.0
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -4034,7 +4034,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen, en | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 2. | Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
@@ -4051,7 +4051,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 1.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 1.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m. | |
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
@@ -4060,7 +4060,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 28 en 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 1. | Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 28 en 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 2. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid vermelde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.9
@@ -4075,7 +4075,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=3&artikel=5.6.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=3&artikel=5.6.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
@@ -4088,7 +4088,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=3&artikel=5.6.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd [artikel 5.6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=3&artikel=5.6.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
@@ -4106,8 +4106,8 @@
| 1. | Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Bromfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003722&artikel=2) (**Stb.** 1984, 525). | – |
| 4. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 5. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 4. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 5. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.6.12
@@ -4155,14 +4155,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.6.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.24
@@ -4202,7 +4202,7 @@
| 2. | Van bromfietsen op drie of vier wielen: a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. – Onderdeel c: visuele controle. Terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid. |
| | d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; | – Onderdeel d: visuele controle. – Onderdeel e: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| | e. moeten koppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; | – Onderdeel f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. | – Onderdeel h: visuele controle indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -4234,9 +4234,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen in gebruik genomen voor 1 januari 2007 moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één tenminste op het voorwiel en de ander tenminste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 1. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen in gebruik genomen voor 1 januari 2007 moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één tenminste op het voorwiel en de ander tenminste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage [VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 4. | De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
##### Artikel 5.6.39
@@ -4261,7 +4261,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voorruit en en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
@@ -4355,12 +4355,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De in de artikelen [5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 5. | De in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De in de artikelen [5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem. | |
##### Artikel 5.6.57
@@ -4415,7 +4415,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -4430,7 +4430,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Bromfietsen mogen onverminderd het in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.58&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Bromfietsen mogen onverminderd het in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=10&artikel=5.6.58&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
@@ -4488,7 +4488,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,60 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,60 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen rijdende werktuigen breder zijn dan 2,60 m, doch niet breder dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet breder dan 3,00 m. | |
##### Artikel 5.7.7
@@ -4506,7 +4506,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) voor motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) voor motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.9
@@ -4571,14 +4571,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.7.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.7.24
@@ -4632,7 +4632,7 @@
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle, Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
@@ -4662,7 +4662,7 @@
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem: | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: bij twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| | a. die ten minste op de wielen van één as werkt, en | |
| | b. waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. | |
| 2. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
##### Artikel 5.7.39
@@ -4784,11 +4784,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -4796,7 +4796,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het dimlicht van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| | Het dimlicht van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.7.57
@@ -4809,7 +4809,7 @@
| | d. twee mistvoorlichten; | |
| | e. één of twee mistachterlichten; | |
| | f. twee of vier parkeerlichten; | |
| | g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | |
| | i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | |
| | j. één of twee achteruitrijlichten; | |
@@ -4841,8 +4841,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.7.60
@@ -4865,7 +4865,7 @@
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
| | c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks voor de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.7.51, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01). | |
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.7.51, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01). | |
##### Artikel 5.7.62
@@ -4884,7 +4884,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in [artikel 30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.7.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -4916,7 +4916,7 @@
##### Artikel 5.8.0
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -4955,7 +4955,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.8.7
@@ -5040,14 +5040,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.8.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.8.24
@@ -5101,7 +5101,7 @@
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle, het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw-of bosbouwtrekker op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
@@ -5137,7 +5137,7 @@
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt. | Visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. | |
| 4. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 4. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
##### Artikel 5.8.39
@@ -5247,11 +5247,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -5259,7 +5259,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| | Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.8.57
@@ -5305,8 +5305,8 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing | |
| 1. | De in [artikel 5.7.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=10&artikel=5.7.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.8.60
@@ -5330,7 +5330,7 @@
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich iet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
| | c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. | |
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.8.51, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01). Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.8.51, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01). Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
##### Artikel 5.8.62
@@ -5349,7 +5349,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.8.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.8.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=10&artikel=5.8.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -5381,7 +5381,7 @@
##### Artikel 5.9.0
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -5480,22 +5480,22 @@
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht: a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel; | Onderdelen a tot en met c. visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| | b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, en | |
| | c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m. | |
| 2. | De in [artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), vermelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 2. | De in [artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), vermelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn. | |
##### Artikel 5.9.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.9.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 3. | Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
@@ -5509,7 +5509,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Fietsen mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.9.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
| | Fietsen mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.9.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.9.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.52&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.9.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=9&paragraaf=10&artikel=5.9.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
#### § 12. Diversen
@@ -5523,7 +5523,7 @@
##### Artikel 5.10.0
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -5560,7 +5560,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -5568,7 +5568,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.10.9
@@ -5645,14 +5645,14 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.10.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.10.24
@@ -5689,7 +5689,7 @@
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | |
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 0. Algemeen
##### Artikel 5.10.29
@@ -5700,14 +5700,14 @@
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 4. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 5. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 7. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 8. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.10.31
@@ -5747,7 +5747,7 @@
| 2. | De parkeerrem, van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Bij gehandicaptenvoertuigen, niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend. | Visuele controle. |
#### § 9. Carrosserie
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
##### Artikel 5.10.41
@@ -5860,19 +5860,19 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 1. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 7. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.10.56
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Het dimlicht van gehandicaptenvoertuigen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| | Het dimlicht van gehandicaptenvoertuigen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 113 en 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.10.57
@@ -5917,7 +5917,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -5927,7 +5927,7 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01). | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01). | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen. | |
##### Artikel 5.10.62
@@ -5947,7 +5947,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen onverminderd het in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen onverminderd het in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.10.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.10.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=10&paragraaf=10&artikel=5.10.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 12. Diversen
@@ -5964,9 +5964,9 @@
##### Artikel 5.11.0
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 9. Carrosserie
##### Artikel 5.11.3
@@ -5985,7 +5985,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
#### § 3. Motor
@@ -5993,7 +5993,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
##### Artikel 5.11.9
@@ -6035,7 +6035,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.11.24
@@ -6076,7 +6076,7 @@
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 3. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 4. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| | | b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -6184,7 +6184,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11&paragraaf=10&artikel=5.11.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11&paragraaf=10&artikel=5.11.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -6199,9 +6199,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen onverminderd het in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11&paragraaf=10&artikel=5.11.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11&paragraaf=10&artikel=5.11.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 12. Diversen
| | Gehandicaptenvoertuigen mogen onverminderd het in de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.11.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11&paragraaf=10&artikel=5.11.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.11.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=11&paragraaf=10&artikel=5.11.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.11.71
@@ -6215,15 +6215,15 @@
##### Artikel 5.12.0
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.12.1
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. |
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. |
| 2. | De aanhangwagen moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5) voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de aanhangwagen staat. |
@@ -6239,14 +6239,14 @@
| | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | a. geen breuken of scheuren vertonen; | |
| | b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| | Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.4
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.5
@@ -6261,7 +6261,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is van toepassing. |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mogen: kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
| 3. | Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. | Leden 3 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt. | |
@@ -6285,7 +6285,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
@@ -6295,10 +6295,10 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.19
@@ -6306,21 +6306,21 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
##### Artikel 5.12.20
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.12.21
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is in [artikel 5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=0&artikel=5.12.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) reeds getoetst. |
| | De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is in [artikel 5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=0&artikel=5.12.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) reeds getoetst. |
##### Artikel 5.12.24
@@ -6347,7 +6347,7 @@
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -6356,7 +6356,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en moeten goed werken. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
@@ -6367,11 +6367,11 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| | | a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; |
| | | b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
@@ -6384,7 +6384,7 @@
| 1. | De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze: a. door middel van een hefboom of koevoet, b. dan wel door het chassis te heffen. |
| | | – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
#### § 8. Reminrichting
@@ -6392,9 +6392,9 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze zoals bepaald bij [artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=8&artikel=5.3.31&z=2010-01-01&g=2010-01-01). |
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 53 en 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze zoals bepaald bij [artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=8&artikel=5.3.31&z=2010-06-01&g=2010-06-01). |
| | | – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 55 en 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| | b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | |
| | c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 3. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
@@ -6438,13 +6438,13 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 4. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 4. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
| 5. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bedient en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 6. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden bij de [artikelen 5.12.35, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=8&artikel=5.12.35&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en 5.12.38, zevende lid. |
| 7. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | – |
| 6. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden bij de [artikelen 5.12.35, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=8&artikel=5.12.35&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en 5.12.38, zevende lid. |
| 7. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | – |
##### Artikel 5.12.39
@@ -6478,8 +6478,8 @@
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
##### Artikel 5.12.49
@@ -6495,7 +6495,7 @@
| 6. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. | |
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Brandstofsystemen
##### Artikel 5.12.51
@@ -6509,12 +6509,12 @@
| | f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | g. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; het mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 is gebruik is genomen; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | |
| | k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | |
| | k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | |
| | l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | |
| | m. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | n. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikel 153 van toepassing. | |
| | m. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikel 153 van toepassing; | |
| | n. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikel 153 van toepassing. | |
##### Artikel 5.12.53
@@ -6532,12 +6532,12 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.57
@@ -6548,20 +6548,20 @@
| | b. extra achteruitrijlichten; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | d. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met q: visuele controle |
| | g. twee staaklichten; | |
| | h. één extra mistachterlicht; | |
| | i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | |
| | j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | k. werklichten; | |
| | l. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | |
| | m. in afwijking van onderdeel l mogen twee extra remlichten worden aangebracht; | |
| | n. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; | |
| | o. twee stadslichten; | |
| | p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | |
| | q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), artikel 153, achtste lid, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.12.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.53&z=2010-01-01&g=2010-01-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel h van het eerste lid. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| | q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht is; hierbij is [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), artikel 153, achtste lid, van toepassing. | |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge [artikel 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in [artikel 5.12.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.53&z=2010-06-01&g=2010-06-01) met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel h van het eerste lid. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. | |
| 4. | Indien het voertuig langer is dan 6,00 m mogen de extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
@@ -6588,8 +6588,8 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 1. | De in [artikel 5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
##### Artikel 5.12.61
@@ -6611,7 +6611,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) danwel in of krachtens [artikel 5.12.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.57a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.12.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.12.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) danwel in of krachtens [artikel 5.12.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.57a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | |
#### § 7. Stuurinrichting
@@ -6658,20 +6658,20 @@
| | a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen, en | |
| | b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | |
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien een oplegger is voorzien van een 2 inch koppelingspen of een oplegger is voorzien van een 3,5 inch koppelingspen mag binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen, de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 3,5 mm. bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.12.70
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=11&artikel=5.12.67&z=2010-01-01&g=2010-01-01), zijn de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.66&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.67&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.69&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.66&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.67&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.69&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van de regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de [artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=11&artikel=5.12.67&z=2010-06-01&g=2010-06-01), zijn de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.66&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.67&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.69&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de [artikelen 5.3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.66&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.67&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3.68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.68&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=11&artikel=5.3.69&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van de regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse van deze aanhangwagens, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
##### Artikel 5.13.0
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 0. Algemeen
@@ -6717,7 +6717,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m, dan wel niet langer dan 8,00 m indien het een middenasaanhangwagen betreft; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m, dan wel niet langer dan 8,00 m indien het een middenasaanhangwagen betreft; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
#### § 3. Brandstofsystemen
@@ -6744,7 +6744,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.13.24
@@ -6901,12 +6901,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 5. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.13.57
@@ -6914,9 +6914,9 @@
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met k: visuele controle. |
| | a. twee stadslichten, indien het voertuig breder is dan 1,60 m; | |
| | b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn | |
| | b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn | |
| | e. één of twee achteruitrijlichten; | |
| | f. werklichten; | |
| | g. één derde remlicht; | |
@@ -6950,7 +6950,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -6970,7 +6970,7 @@
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
| | c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01). | |
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01). | |
| 6. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| | a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | |
| | b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | |
@@ -6986,7 +6986,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) danwel in of krachtens [artikel 5.13.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.57a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Onverminderd het bij of krachtens de [artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.13.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.13.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) danwel in of krachtens [artikel 5.13.57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.57a&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens niet in gebruik bij de in [artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29), en [artikel 30b van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30b) bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | |
#### § 5. Assen
@@ -6995,7 +6995,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest. | |
| 4. | Aanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
@@ -7012,11 +7012,11 @@
##### Artikel 5.14.0
1. Een aanhangwagen achter een landbouw- of bosbouwtrekkers of achter een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
1. Een aanhangwagen achter een landbouw- of bosbouwtrekkers of achter een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
2. De in deze afdeling opgenomen eisen zijn van overeenkomstige toepassing op verwisselbare getrokken machines.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
##### Artikel 5.14.3
@@ -7046,7 +7046,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. [Artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
##### Artikel 5.14.7
@@ -7065,7 +7065,7 @@
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
#### § 5. Assen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.14.18
@@ -7081,14 +7081,14 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2 visuele controle. |
| 2. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 2. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
| 3. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
##### Artikel 5.14.20
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.14.24
@@ -7155,7 +7155,7 @@
| 5. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren. | |
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
##### Artikel 5.14.41
@@ -7238,11 +7238,11 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 5. | De in [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.14.57
@@ -7252,8 +7252,8 @@
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. |
| | a. één of twee achteruitrijlichten; | – Onderdeel j: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | b. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | |
| | c. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | d. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verplicht zijn; | |
| | c. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | d. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge [artikel 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verplicht zijn; | |
| | e. twee staaklichten; | |
| | f. één of twee mistachterlichten; | |
| | g. zijmarkeringslichten; | |
@@ -7280,7 +7280,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7289,12 +7289,12 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Op de stadslichten en markeringslichten is [artikel 5.14.54, eerste lid, onderscheidenlijk achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.54&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | Op de stadslichten en markeringslichten is [artikel 5.14.54, eerste lid, onderscheidenlijk achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.54&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| | a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | |
| | b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | |
| | Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01). Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
| 4. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in [artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=13&paragraaf=10&artikel=5.13.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01). Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| | a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | |
| | b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | |
@@ -7310,9 +7310,9 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
| | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.14.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.14.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=14&paragraaf=10&artikel=5.14.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.14.66
@@ -7332,7 +7332,7 @@
##### Artikel 5.15.0
Een aanhangwagen achter een motorfiets of bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een aanhangwagen achter een motorfiets of bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 6. Ophanging
@@ -7371,7 +7371,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m, en b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| | Aanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m, en b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
#### § 5. Assen
@@ -7388,7 +7388,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
##### Artikel 5.15.24
@@ -7398,7 +7398,7 @@
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | |
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.15.27
@@ -7473,18 +7473,18 @@
| 2. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen met inbegrip van de dissel. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen met inbegrip van de dissel. | |
##### Artikel 5.15.55
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 1. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 5. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in [artikel 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
##### Artikel 5.15.57
@@ -7514,7 +7514,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | Visuele controle. |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7539,7 +7539,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.15.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.15.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=15&paragraaf=10&artikel=5.15.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
@@ -7566,9 +7566,9 @@
##### Artikel 5.16.0
Een aanhangwagen achter een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
#### § 2. Afmetingen en massa’s
Een aanhangwagen achter een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 5. Assen
##### Artikel 5.16.6
@@ -7595,17 +7595,17 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16&paragraaf=10&artikel=5.16.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% deel zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16&paragraaf=10&artikel=5.16.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% deel zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | |
##### Artikel 5.16.57
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| | a. één achterlicht dat is voorzien van goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing; | |
| | b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing, en | |
| | a. één achterlicht dat is voorzien van goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing; | |
| | b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 125 en 126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing, en | |
| | c. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 2. | Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
@@ -7619,13 +7619,13 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16&paragraaf=10&artikel=5.16.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.16.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16&paragraaf=10&artikel=5.16.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Aanhangwagens mogen, onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.16.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16&paragraaf=10&artikel=5.16.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.16.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=16&paragraaf=10&artikel=5.16.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
### Afdeling 17. Wagens
##### Artikel 5.17.0
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is.
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is.
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
@@ -7700,7 +7700,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode retroreflectoren welke zijn voorzien van een goedkeuringsmerk, indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m. bedraagt, dan wel één zodanige retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing. | Visuele controle, bij twijfel meten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing. . |
| | Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode retroreflectoren welke zijn voorzien van een goedkeuringsmerk, indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m. bedraagt, dan wel één zodanige retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing. | Visuele controle, bij twijfel meten. Hierbij is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing. . |
##### Artikel 5.17.54
@@ -7742,7 +7742,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De in [artikel 5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17&paragraaf=10&artikel=5.17.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 1. | De in [artikel 5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17&paragraaf=10&artikel=5.17.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
@@ -7757,7 +7757,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| | Wagens mogen onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in [artikelen 5.17.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17&paragraaf=10&artikel=5.17.51&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17&paragraaf=10&artikel=5.17.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
| | Wagens mogen onverminderd het in [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) en [30 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in [artikelen 5.17.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17&paragraaf=10&artikel=5.17.51&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.17.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=17&paragraaf=10&artikel=5.17.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
@@ -7813,9 +7813,9 @@
##### Artikel 5.18.5
1. De spiegels en gezichtveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), vastgesteld weggedeelte kan overzien.
1. De spiegels en gezichtveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), kan overzien.
2. Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in [bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), vastgesteld weggedeelte kan overzien.
##### Artikel 5.18.6
@@ -7831,7 +7831,7 @@
- b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
- c. de lastdrager mag met inbegrip van de goederen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken; [artikel 5.18.14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.14&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is niet van toepassing op op een lastdrager vervoerde fietsen;
- c. de lastdrager mag met inbegrip van de goederen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken; [artikel 5.18.14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.14&z=2010-06-01&g=2010-06-01), is niet van toepassing op op een lastdrager vervoerde fietsen;
- d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd;
@@ -7873,7 +7873,7 @@
- d. de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
- e. de lastdrager dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gestelde eisen.
- e. de lastdrager dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gestelde eisen.
##### Artikel 5.18.8
@@ -7893,7 +7893,7 @@
3. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
#### § 1. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
@@ -7923,13 +7923,13 @@
##### Artikel 5.18.12
1. Onverminderd de [artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=5.3.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=2&artikel=5.12.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2010-01-01&g=2010-01-01), mag de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
1. Onverminderd de [artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=5.3.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.12.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=2&artikel=5.12.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en [5.18.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01), mag de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
- a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
- b. de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
- c. in afwijking van het bepaalde in de [artikelen 5.3.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=9&artikel=5.3.49&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.12.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=9&artikel=5.12.49&z=2010-01-01&g=2010-01-01), een stootbalk moet zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
- c. in afwijking van het bepaalde in de [artikelen 5.3.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=9&artikel=5.3.49&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.12.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=9&artikel=5.12.49&z=2010-06-01&g=2010-06-01), een stootbalk moet zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
- d. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken;
@@ -7955,9 +7955,9 @@
##### Artikel 5.18.13
1. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01) mag, voor zover niet op ander wijze, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01), eerste lid, is toegestaan waarbij:
1. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01) mag, voor zover niet op ander wijze, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01), eerste lid, is toegestaan waarbij:
- 1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 meter achter het voertuig mag uitsteken;
@@ -7969,19 +7969,19 @@
- 5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
- 7°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;
- b. onverminderd onderdeel a, de lengte van een beladen samenstel van trekker en oplegger meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.
2. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01) mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- b. onverminderd onderdeel a, de lengte van een beladen samenstel van trekker en oplegger meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.
2. In afwijking van [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01) mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge [artikel 5.18.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- 1°. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
- 2°. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
- 3°. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m, uitsteekt moet aan de achterzijde zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
- 3°. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m, uitsteekt moet aan de achterzijde zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
3. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
@@ -7991,7 +7991,7 @@
2. De breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, mag meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
3. Lading als bedoeld in het tweede lid, die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
3. Lading als bedoeld in het tweede lid, die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
4. Lading van personenauto’s mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
@@ -8009,7 +8009,7 @@
3. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in [artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in [artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=1&sub-paragraaf=A&artikel=5.18.13&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
5. Ten aanzien van het gesteld in het eerste lid moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanner het voertuig de in het eerste lid beschreven cirkelvormige ruimte in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0.60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.
@@ -8209,7 +8209,7 @@
1. Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.
2. Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximum aantal passagiers dat op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, danwel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is vermeld. Indien het maximum aantal passagiers niet op het kentekenbewijs, in het kentekenregister, danwel de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is vermeld, wordt het maximaal aantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand te delen door 68 kg.
2. Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximum aantal passagiers dat op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, danwel op de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), is vermeld. Indien het maximum aantal passagiers niet op het kentekenbewijs, in het kentekenregister, danwel de plaat als bedoeld in [artikel 5.3a.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), is vermeld, wordt het maximaal aantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand te delen door 68 kg.
##### Artikel 5.18.18
@@ -8295,13 +8295,13 @@
- 2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
- 3°. de lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
- 3°. de lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
3. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. De lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
##### Artikel 5.18.21a
1. De lengte van een motorrijtuig met beperkte snelheid of een landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan in de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=2&artikel=5.7.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=2&artikel=5.8.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is bepaald waarbij:
1. De lengte van een motorrijtuig met beperkte snelheid of een landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan in de [artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=7&paragraaf=2&artikel=5.7.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en [5.8.6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=8&paragraaf=2&artikel=5.8.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01), is bepaald waarbij:
- a. de verwisselbare uitrustingstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt;
@@ -8317,7 +8317,7 @@
2. Op onverharde wegen mag de breedte van walsen, met inbegrip van de lading, niet meer dan 2,60 m bedragen.
3. Ondeelbare lading en verwisselbare uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken zijn voorzien van een markering die voldoet aan de in de in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vastgestelde eisen.
3. Ondeelbare lading en verwisselbare uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken zijn voorzien van een markering die voldoet aan de in de in [bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vastgestelde eisen.
##### Artikel 5.18.23
@@ -8347,11 +8347,11 @@
4. De som van de aslasten van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50.000 kg.
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
##### Artikel 5.18.25a
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
##### Artikel 5.18.26
@@ -8425,7 +8425,7 @@
##### Artikel 5.18.32
Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de [artikelen 5.2.27, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=6&artikel=5.2.27&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3.27, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=5.3.27&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.5.27, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=5&artikel=5.5.27&z=2010-01-01&g=2010-01-01), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de [artikelen 5.2.27, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=6&artikel=5.2.27&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3.27, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=5.3.27&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.5.27, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=5&paragraaf=5&artikel=5.5.27&z=2010-06-01&g=2010-06-01), mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
#### § 3. Reminrichting
@@ -8465,7 +8465,7 @@
##### Artikel 5.18.36a
1. Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een markering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 152](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing is.
1. Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een markering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikel 152](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing is.
2. De markering aan de achterzijde van de bedrijfsauto moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen.
@@ -8481,7 +8481,7 @@
- b. op een hoogte van niet minder van 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
3. De in het eerste lid bedoelde rode retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 123 en 124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van toepassing is.
3. De in het eerste lid bedoelde rode retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in [bijlage VIII, artikelen 123 en 124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van toepassing is.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
@@ -8497,7 +8497,7 @@
##### Artikel 5.18.38a
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van [artikel 5.18.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2010-01-01&g=2010-01-01), alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van [artikel 5.18.38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=B&artikel=5.18.38&z=2010-06-01&g=2010-06-01), alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
@@ -8519,7 +8519,7 @@
##### Artikel 5.18.44
1. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
1. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
@@ -8527,7 +8527,7 @@
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
5. De in [artikel 5.18.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=C&artikel=5.18.43&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.45
@@ -8571,7 +8571,7 @@
##### Artikel 5.18.51
1. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
1. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
@@ -8579,7 +8579,7 @@
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
5. De in [artikel 5.18.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=18&paragraaf=4&sub-paragraaf=E&artikel=5.18.50&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
##### Artikel 5.18.52
@@ -8597,7 +8597,7 @@
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
##### Artikel 5.18.54
@@ -8641,7 +8641,7 @@
##### Artikel 5.18.61
Onverminderd de [artikelen 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=0&artikel=5.3.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=0&artikel=5.12.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) moeten:
Onverminderd de [artikelen 5.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=0&artikel=5.3.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=0&artikel=5.12.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) moeten:
- a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en bestemd voor het vervoer van goederen,
@@ -8673,11 +8673,11 @@
##### Artikel 6.1
1. De in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6&paragraaf=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde wijzigingen in de constructie van gekentekende voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6&paragraaf=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
1. De in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6&paragraaf=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde wijzigingen in de constructie van gekentekende voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=6&paragraaf=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
2. Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie, dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.
3. Indien een kentekenplichtig voertuig gewijzigd wordt in een niet-kentekenplichtig voertuig moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde eisen en indien van toepassing aan de eisen vermeld in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01), zoals die eisen luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
3. Indien een kentekenplichtig voertuig gewijzigd wordt in een niet-kentekenplichtig voertuig moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde eisen en indien van toepassing aan de eisen vermeld in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01), zoals die eisen luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
##### Artikel 6.2
@@ -8689,7 +8689,7 @@
##### Artikel 6.3
1. Bij wijziging in de constructie van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen, en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
1. Bij wijziging in de constructie van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen, en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het aantal assen;
@@ -8741,7 +8741,7 @@
- y. het geluidsniveau bij stilstand en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.
2. In aanvulling op het eerste lid moet voor de volgende wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2010-01-01&g=2010-01-01) opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
2. In aanvulling op het eerste lid moet voor de volgende wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de in [bijlage IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IX&z=2010-06-01&g=2010-06-01) opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
- a. de wielbasis, indien het een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of motorfiets betreft;
@@ -8751,13 +8751,13 @@
- d. het type carrosserie, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie.
3. In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort in een al of niet tot vloeistof verdicht gas het voertuig tevens voldoen aan de in [bijlage X, hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2010-01-01&g=2010-01-01), opgenomen eisen.
4. In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel het voertuig tevens voldoen aan de in [bijlage X, hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2010-01-01&g=2010-01-01), opgenomen eisen.
3. In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort in een al of niet tot vloeistof verdicht gas het voertuig tevens voldoen aan de in [bijlage X, hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2010-06-01&g=2010-06-01), opgenomen eisen.
4. In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel het voertuig tevens voldoen aan de in [bijlage X, hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=X&z=2010-06-01&g=2010-06-01), opgenomen eisen.
##### Artikel 6.4
1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
1. Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het remsysteem van voertuigen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht;
@@ -8771,31 +8771,31 @@
- f. de rolstoelvastzetsystemen en veiligheidssystemen van taxi’s.
2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
2. Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.5
1. Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een motorvoertuig uit een van de voertuigclassificaties, vermeld in [artikel 5.3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=4&artikel=5.3.15&z=2010-01-01&g=2010-01-01), respectievelijk [artikel 5.3a.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=4&artikel=5.3a.15&z=2010-01-01&g=2010-01-01), moet:
- a. het motorvoertuig voldoen aan de in [bijlage IV behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, en
1. Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een motorvoertuig uit een van de voertuigclassificaties, vermeld in [artikel 5.3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=4&artikel=5.3.15&z=2010-06-01&g=2010-06-01), respectievelijk [artikel 5.3a.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=4&artikel=5.3a.15&z=2010-06-01&g=2010-06-01), moet:
- a. het motorvoertuig voldoen aan de in [bijlage IV behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, en
- b. het aanbrengen, het afstellen en het verzegelen plaatsvinden door een door de Dienst Wegverkeer ingevolge [artikel 101 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=101) erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, op de wijze beschreven in de [Regeling aanpassing voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025732).
2. Het eerste lid, onderdeel b, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in [artikel 5.3.15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=4&artikel=5.3.15&z=2010-01-01&g=2010-01-01), respectievelijk [artikel 5.3a.15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=4&artikel=5.3a.15&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
2. Het eerste lid, onderdeel b, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in [artikel 5.3.15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=4&artikel=5.3.15&z=2010-06-01&g=2010-06-01), respectievelijk [artikel 5.3a.15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=4&artikel=5.3a.15&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 6.6
1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2010-01-01&g=2010-01-01) opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2010-01-01&g=2010-01-01), opgenomen eisen en aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2010-01-01&g=2010-01-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
1. Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2010-06-01&g=2010-06-01) opgenomen eisen.
2. Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2010-06-01&g=2010-06-01), opgenomen eisen en aan de in [bijlage XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=XI&z=2010-06-01&g=2010-06-01) opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.7
Indien een koppeling wordt aangebracht op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moet het motorvoertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01), opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Indien een koppeling wordt aangebracht op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moet het motorvoertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01), opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
##### Artikel 6.8
Indien de vering van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01), opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Indien de vering van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in [bijlage IV, behorende bij artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01), opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
@@ -8808,7 +8808,7 @@
| | Eisen | Wijze van keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen. | – |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn van toepassing. | De in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) zijn van toepassing. | De in [hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 3. | Het chassis, frame dan wel de zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering hebben. | Visuele controle. |
| 4. | De wielstanden moeten overeenkomen met de fabrieksgegevens. | Visuele controle. |
| 5. | Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. | Visuele controle. |
@@ -8821,296 +8821,296 @@
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
##### Artikel 8.1.1
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- **aanwijsbereik:** het bereik begrensd door de laagste en hoogste waarde waarvoor het instrument een meetwaarde presenteert of registreert;
- **afleeseenheid:** de waarde, uitgedrukt in de eenheid van de gemeten grootheid, van het verschil tussen de aanwijzingen bij naast elkaar liggende schaaldeelstrepen voor analoog aanwijzende instrumenten of van het kleinste verschil tussen de aanwijzingen bij digitaal aanwijzende meetinstrumenten;
- **analoge aanwijzing:** aanwijzing die de gemeten waarde weergeeft als een continue of nagenoeg continue functie door middel van een index langs een schaalverdeling;
- **certificaat van eerste keuring:** certificaat afgegeven naar aanleiding van de eerste keuring van een bepaald meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met het ingevolge dit hoofdstuk goedgekeurde type wordt bevestigd;
- **certificaat van herkeuring:** certificaat afgegeven naar aanleiding van de herkeuring van een in gebruik genomen meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met de eisen uit dit hoofdstuk wordt herbevestigd;
- **controlecertificaat:** certificaat afgegeven naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
- **datum ingebruikname:** datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde permanente eisen;
- **digitale aanwijzing:** aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
- **eerste keuring:** keuring die voor de eerste maal wordt verricht aan een bepaald meetmiddel. Bij de eerste keuring wordt de overeenstemming met het goedgekeurde type onderzocht alsook de exemplaargebonden eigenschappen;
- **fout:** de afwijking in positieve of in negatieve zin van een aangewezen of geregistreerde waarde van de werkelijke waarde. De fout kan zijn weergegeven als een vaste waarde, uitgedrukt in de meetgrootheid, dan wel zijn weergegeven als een relatieve fout, uitgedrukt in procenten van de werkelijke waarde van de gemeten grootheid;
- **herkeuring:** de keuring die na een vastgestelde periode, dan wel als gevolg van een reparatie of justering moet worden uitgevoerd. Bij deze keuring worden vooral de eigenschappen onderzocht die door gebruik en tijd kunnen wijzigen;
- **hulpinrichting:** inrichting die in combinatie met het meetmiddel kan worden gebruikt, doch die voor de primaire meetfunctie van het meetmiddel niet nodig of voorgeschreven is;
- **invloedsfactor:** een invloedsgrootheid met een waarde liggend binnen de vastgelegde gebruiksomstandigheden;
- **invloedsgrootheid:** een grootheid die geen onderwerp van de meting is, maar die de waarde van de te meten grootheid of de aanwijzing van het instrument beïnvloedt, zoals de omgevingstemperatuur;
- **justering:** handeling die is bedoeld om een instrument in een zodanige toestand te brengen dat het geschikt is voor gebruik;
- **keuring:** de aanduiding voor de typekeuring, de eerste keuring en de herkeuring;
- **keuringscertificaat:** een certificaat van eerste keuring, dan wel van herkeuring;
- **keuringsinstelling:** een op grond van [artikel 71a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71a) aangewezen instelling;
- **maximale fout:** de maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;
- **onderzoeksgerechtigde:** onderneming of instelling die op grond van [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01), van dit hoofdstuk door een keuringsinstantie is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- **primair meetsignaal:** het in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezige analoge of digitale meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;
- **registratie:** vastlegging van een meetresultaat, hetzij getalsmatig of analoog;
- **registratie-inrichting:** inrichting voor het vastleggen van meetresultaten, zoals een afdrukinrichting;
- **testaansluiting:** voorziening in het meetmiddel, waardoor het mogelijk is bij de keuring zowel het primaire meetsignaal van praktijkmetingen te bemonsteren alsook gesimuleerde primaire meetsignalen aan te bieden aan het signaalverwerkende gedeelte van het instrument. Met eventueel noodzakelijke buffering is de testaansluiting opgenomen als een schakel in het normale signaalpad;
- **testcertificaat:** certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaalde hulpinrichting of onderdeel van een meetmiddel, waarin de karakteristieke eigenschappen van die hulpinrichting of dat onderdeel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen van deze regeling wordt bevestigd;
- **typekeuring:** de keuring van een meetmiddel, waarbij de typegebonden eigenschappen worden onderzocht. Een typekeuring vindt eenmaal plaats voor een bepaald type meetmiddel;
- **typekeuringscertificaat:** certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaald meetmiddeltype, waarin de karakteristieke eigenschappen van het desbetreffende meetmiddel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen uit deze regeling wordt bevestigd;
- **vastgelegde gebruiksomstandigheden:** gebruiksomstandigheden beschreven door vastgelegde maximale waarden van invloedsgrootheden waaronder het meetinstrument aan de maximaal fout moet voldoen;
- **verstoring:** invloedsgrootheid met een waarde buiten de vastgelegde gebruiksomstandigheden, dan wel een invloedsgrootheid waarvoor de gebruiksomstandigheden niet zijn vastgelegd;
- **wegweerstand:** sommatie van de bij een bepaalde snelheid optredende rolweerstand en luchtweerstand onder de condities als beschreven in bijlage I van [richtlijn nr. 95/1/EG](31995L0001) van het Europees Parlement en de Raad van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 52).
2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- **richtlijn 2004/22/EG:** [richtlijn nr. 2004/22/EG](32004L0022) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten (PbEG L 135);
- **richtlijn 70/157/EEG:** [richtlijn nr. 70/157/EEG](31970L0157) van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (PbEG L 42).
##### Artikel 8.1.2
1. Met de in dit hoofdstuk opgenomen technische eisen worden gelijkgesteld de technische eisen die in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, zijn vastgesteld en die een beschermingsniveau bieden dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
2. Met de in dit hoofdstuk bedoelde certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die voldoen aan de eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 8.1.3
1. De onder a tot en met h, j en k vermelde meetmiddelen moeten zijn typegoedgekeurd:
- a. roetmeter;
- b. toerenteller;
- c. olietemperatuurmeter;
- d. manometer;
- e. pedaalkrachtmeter;
- f. remvertragingsmeter;
- g. rollenremtestbank;
- h. platenremtestbank;
- i. uitlaatgastester met lambdabepaling;
- j. bromfietsrollentestbank;
- k. geluidsniveaumeter.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.4
Een uitlaatgastester als bedoeld in [artikel 8.3, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01):
- a. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022);
- b. moet zijn voorzien zijn van de documenten als voorgeschreven in [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022) waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de eisen van bijlage I en bijlage MI-010 van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022), en
- c. moet zijn voorzien van een CE-markering, de aanvullende metrologische markering en eventueel het identificatienummer als bedoeld in artikel 17 van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022).
##### Artikel 8.1.4a
1. Meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Uitlaatgastesters met lambdabepaling die zijn typegoedgekeurd voor 31 oktober 2006 mogen tot 1 november 2016 in gebruik worden genomen op grond van de in de [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) voor dit meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.5
1. Meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring.
2. Ten bewijze van een herkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een herkeuringscertificaat afgegeven. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester die is voorzien van de in [artikel 8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde markeringen. Een dergelijke uitlaatgastester moet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat voldoen aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en bijlage MI-010 van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022).
##### Artikel 8.1.6
1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) opgenomen specifieke eisen.
2. Koplamptestapparaten voldoen aan de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) opgenomen specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.7
1. Indien ter uitvoering van de in deze paragraaf bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen nodig zijn of informatie nodig is, kan degene die het meetmiddel ter keuring aanbiedt, worden verzocht deze ter beschikking te stellen.
2. Het niet beschikbaar stellen van noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet goedkeuren van het meetmiddel.
#### § 2.2. Certificaten
##### Artikel 8.1.8
Een typekeuringscertificaat verliest zijn geldigheid indien:
- a. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht, waardoor de meetwaarden zoals deze in de praktijk kunnen worden verkregen niet meer voldoen aan de maximale fout;
- b. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht die in strijd is met het typekeuringscertificaat of de bijbehorende beschrijving;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften;
- d. de in [artikel 1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde termijn is verstreken, waarbinnen de daar bedoelde tijdelijke voorwaarde moet zijn vervallen dan wel moet zijn omgezet in een definitieve voorwaarde.
##### Artikel 8.1.9
1. De geldigheidsduur van een keuringscertificaat bedraagt ten minste 12 maanden.
2. De geldigheidsduur van een keuringscertificaat kan langer zijn dan 12 maanden, indien bij de typegoedkeuring een langere geldigheidsduur wordt vastgesteld.
3. De geldigheidsduur van een keuringscertificaat vangt aan met ingang van de datum van afgifte daarvan.
4. Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de in het eerste lid vermelde termijn verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.
5. Een keuringscertificaat verliest zijn geldigheid indien:
- a. een wijziging of herstel van het meetmiddel heeft plaatsgevonden, waardoor de juistheid kan zijn veranderd;
- b. de verzegeling is verbroken;
- c. een zodanige mechanische of elektrische overbelasting is ontstaan, dat een juist functioneren niet meer gewaarborgd kan worden, of
- d. de geldigheidsduur is verstreken.
6. Specifieke gebruiksomstandigheden van belang bij de keuring en bij het gebruik van het meetmiddel, worden vermeld in het keuringscertificaat.
##### Artikel 8.1.10
1. De aanvraag van een typegoedkeuringscertificaat of certificaat van eerste keuring wordt, met inachtneming van de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
2. De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), met inachtneming van de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde.
3. De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
4. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
##### Artikel 8.1.11
Voorzover dit in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is bepaald, wordt in het typekeuringscertificaat een tijdelijke voorwaarde opgenomen met betrekking tot de daar vermelde aspecten. Deze tijdelijke voorwaarde moet binnen de termijn genoemd in het typegoedkeuringscertificaat zijn komen te vervallen dan wel zijn omgezet in een definitieve voorwaarde op grond van een in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vereist onderzoek naar de gedragingen in de praktijk van een representatief aantal meetmiddelen uitgevoerd door de keuringsinstantie op kosten van de aanvrager van de typekeuring.
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
##### Artikel 8.1.12
1. Elk meetmiddel dat een keuring of herkeuring ondergaat, wordt na iedere keuring voorzien van de verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.
2. Onder verzegeling wordt verstaan:
- a. het aanbrengen van een beveiliging waardoor het verschaffen van toegang tot onderdelen of instellingen van een meetmiddel door een onbevoegde niet kan plaatsvinden zonder dat dit feit achteraf zichtbaar is door beschadiging van een aangebracht beveiligingsmiddel, zoals een loodzegel of een sticker;
- b. een elektronische verzegeling die kan bestaan uit een in de programmatuur opgenomen niet-terugstelbare teller, waarvan de inhoud automatisch wordt verhoogd indien toegang wordt verschaft tot een routine waarin beveiligde parameters kunnen worden aangepast. De inhoud van deze teller moet eenvoudig kunnen worden uitgelezen en moet overeenkomen met de waarde die in het laatste keuringscertificaat is vermeld, zolang de verzegeling niet verbroken is.
3. Na de eerste keuring alsmede na de herkeuring wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht door de keuringsinstantie of, in geval van herkeuring, door een onderzoeksgerechtigde.
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
##### Artikel 8.2.1
1. De aanwijzing door Onze Minister van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-06-01&g=2010-06-01), kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen. Van de aanwijzing van een keuringsinstelling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
2. De in het eerste lid bedoelde keuringsinstelling beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:
- a. het verstrekken van typekeuringscertificaten en certificaten van eerste keuring;
- b. het erkennen van onderzoeksgerechtigden en het door deze verstrekken van certificaten van herkeuring;
- c. het erkennen van instellingen tot het certificeren van kalibratiegas.
3. De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken indien de betrokken keuringsinstelling daarom verzoekt, indien de keuringsinstelling niet meer beschikt over het in het tweede lid vereiste kwaliteitssysteem of indien de keuringsinstelling de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen niet naleeft.
##### Artikel 8.2.2
De in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-06-01&g=2010-06-01), bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
##### Artikel 8.2.3
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), indien wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
2. De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
3. De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.
##### Artikel 8.2.4
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
##### Artikel 8.2.5
De aanvrager van een erkenning als onderzoeksgerechtigde beschikt over een relevant kwaliteitssysteem dat zodanig is opgezet, dat wordt voldaan aan de kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001 in de meest recente versie of dat een naar het oordeel van de keuringsinstelling minimaal gelijkwaardig kwaliteitsniveau biedt. Hieraan wordt in ieder geval voldaan indien de aanvrager het desbetreffende NEN-EN-ISO-certificaat kan overleggen.
##### Artikel 8.2.6
1. In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.
2. Van de beschikking houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 8.2.7
Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde eisen;
- b. de standaarden en andere hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring bevinden zich steeds in goede staat van onderhoud;
- c. elke herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een herkeuring is vastgelegd in het in [artikel 8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- d. na elke herkeuring met een positief resultaat wordt aan de eigenaar of houder van het betrokken meetmiddel een certificaat van herkeuring verstrekt van een door de keuringsinstelling vastgesteld model;
- e. gedurende ten minste twee jaar wordt een afschrift bewaard van elk overeenkomstig onderdeel d afgegeven certificaat;
- f. er worden geen certificaten afgegeven voor meetmiddelen ten aanzien waarvan de erkenning niet geldt, voor meetmiddelen die niet aan de eisen voldoen of voor meetmiddelen waarvoor een certificaat niet vereist wordt.
##### Artikel 8.2.8
Een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, stelt voorafgaand aan de herkeuring van een niet-mechanisch meetmiddel aan de hand van de documentatie, behorende bij de voor dat meetmiddel geldende typegoedkeuring, vast dat het betrokken meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type.
##### Artikel 8.2.9
1. De erkenning wordt door de keuringsinstantie bij beschikking ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) of indien één of meer van de in [artikel 8.2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.7&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde verplichtingen of de financiële verplichting als bedoeld in artikel [8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.10&z=2010-06-01&g=2010-06-01) niet worden nageleefd.
2. Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 8.2.10
De onderzoeksgerechtigde is gehouden tot betaling aan de keuringsinstantie van het door deze keuringsinstelling terzake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
#### § 1. Algemene bepalingen
##### Artikel 8.1.1
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- **aanwijsbereik:** het bereik begrensd door de laagste en hoogste waarde waarvoor het instrument een meetwaarde presenteert of registreert;
- **afleeseenheid:** de waarde, uitgedrukt in de eenheid van de gemeten grootheid, van het verschil tussen de aanwijzingen bij naast elkaar liggende schaaldeelstrepen voor analoog aanwijzende instrumenten of van het kleinste verschil tussen de aanwijzingen bij digitaal aanwijzende meetinstrumenten;
- **analoge aanwijzing:** aanwijzing die de gemeten waarde weergeeft als een continue of nagenoeg continue functie door middel van een index langs een schaalverdeling;
- **certificaat van eerste keuring:** certificaat afgegeven naar aanleiding van de eerste keuring van een bepaald meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met het ingevolge dit hoofdstuk goedgekeurde type wordt bevestigd;
- **certificaat van herkeuring:** certificaat afgegeven naar aanleiding van de herkeuring van een in gebruik genomen meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met de eisen uit dit hoofdstuk wordt herbevestigd;
- **controlecertificaat:** certificaat afgegeven naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
- **datum ingebruikname:** datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde permanente eisen;
- **digitale aanwijzing:** aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
- **eerste keuring:** keuring die voor de eerste maal wordt verricht aan een bepaald meetmiddel. Bij de eerste keuring wordt de overeenstemming met het goedgekeurde type onderzocht alsook de exemplaargebonden eigenschappen;
- **fout:** de afwijking in positieve of in negatieve zin van een aangewezen of geregistreerde waarde van de werkelijke waarde. De fout kan zijn weergegeven als een vaste waarde, uitgedrukt in de meetgrootheid, dan wel zijn weergegeven als een relatieve fout, uitgedrukt in procenten van de werkelijke waarde van de gemeten grootheid;
- **herkeuring:** de keuring die na een vastgestelde periode, dan wel als gevolg van een reparatie of justering moet worden uitgevoerd. Bij deze keuring worden vooral de eigenschappen onderzocht die door gebruik en tijd kunnen wijzigen;
- **hulpinrichting:** inrichting die in combinatie met het meetmiddel kan worden gebruikt, doch die voor de primaire meetfunctie van het meetmiddel niet nodig of voorgeschreven is;
- **invloedsfactor:** een invloedsgrootheid met een waarde liggend binnen de vastgelegde gebruiksomstandigheden;
- **invloedsgrootheid:** een grootheid die geen onderwerp van de meting is, maar die de waarde van de te meten grootheid of de aanwijzing van het instrument beïnvloedt, zoals de omgevingstemperatuur;
- **justering:** handeling die is bedoeld om een instrument in een zodanige toestand te brengen dat het geschikt is voor gebruik;
- **keuring:** de aanduiding voor de typekeuring, de eerste keuring en de herkeuring;
- **keuringscertificaat:** een certificaat van eerste keuring, dan wel van herkeuring;
- **keuringsinstelling:** een op grond van [artikel 71a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71a) aangewezen instelling;
- **maximale fout:** de maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;
- **onderzoeksgerechtigde:** onderneming of instelling die op grond van [afdeling 2, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van dit hoofdstuk door een keuringsinstantie is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- **primair meetsignaal:** het in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezige analoge of digitale meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;
- **registratie:** vastlegging van een meetresultaat, hetzij getalsmatig of analoog;
- **registratie-inrichting:** inrichting voor het vastleggen van meetresultaten, zoals een afdrukinrichting;
- **testaansluiting:** voorziening in het meetmiddel, waardoor het mogelijk is bij de keuring zowel het primaire meetsignaal van praktijkmetingen te bemonsteren alsook gesimuleerde primaire meetsignalen aan te bieden aan het signaalverwerkende gedeelte van het instrument. Met eventueel noodzakelijke buffering is de testaansluiting opgenomen als een schakel in het normale signaalpad;
- **testcertificaat:** certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaalde hulpinrichting of onderdeel van een meetmiddel, waarin de karakteristieke eigenschappen van die hulpinrichting of dat onderdeel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen van deze regeling wordt bevestigd;
- **typekeuring:** de keuring van een meetmiddel, waarbij de typegebonden eigenschappen worden onderzocht. Een typekeuring vindt eenmaal plaats voor een bepaald type meetmiddel;
- **typekeuringscertificaat:** certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaald meetmiddeltype, waarin de karakteristieke eigenschappen van het desbetreffende meetmiddel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen uit deze regeling wordt bevestigd;
- **vastgelegde gebruiksomstandigheden:** gebruiksomstandigheden beschreven door vastgelegde maximale waarden van invloedsgrootheden waaronder het meetinstrument aan de maximaal fout moet voldoen;
- **verstoring:** invloedsgrootheid met een waarde buiten de vastgelegde gebruiksomstandigheden, dan wel een invloedsgrootheid waarvoor de gebruiksomstandigheden niet zijn vastgelegd;
- **wegweerstand:** sommatie van de bij een bepaalde snelheid optredende rolweerstand en luchtweerstand onder de condities als beschreven in bijlage I van [richtlijn nr. 95/1/EG](31995L0001) van het Europees Parlement en de Raad van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 52).
2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- **richtlijn 2004/22/EG:** [richtlijn nr. 2004/22/EG](32004L0022) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten (PbEG L 135);
- **richtlijn 70/157/EEG:** [richtlijn nr. 70/157/EEG](31970L0157) van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (PbEG L 42).
##### Artikel 8.1.2
1. Met de in dit hoofdstuk opgenomen technische eisen worden gelijkgesteld de technische eisen die in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, zijn vastgesteld en die een beschermingsniveau bieden dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
2. Met de in dit hoofdstuk bedoelde certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die voldoen aan de eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
##### Artikel 8.1.3
1. De onder a tot en met h, j en k vermelde meetmiddelen moeten zijn typegoedgekeurd:
- a. roetmeter;
- b. toerenteller;
- c. olietemperatuurmeter;
- d. manometer;
- e. pedaalkrachtmeter;
- f. remvertragingsmeter;
- g. rollenremtestbank;
- h. platenremtestbank;
- i. uitlaatgastester met lambdabepaling;
- j. bromfietsrollentestbank;
- k. geluidsniveaumeter.
2. Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.4
Een uitlaatgastester als bedoeld in [artikel 8.3, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01):
- a. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022);
- b. moet zijn voorzien zijn van de documenten als voorgeschreven in [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022) waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de eisen van bijlage I en bijlage MI-010 van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022), en
- c. moet zijn voorzien van een CE-markering, de aanvullende metrologische markering en eventueel het identificatienummer als bedoeld in artikel 17 van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022).
##### Artikel 8.1.4a
1. Meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
2. Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Uitlaatgastesters met lambdabepaling die zijn typegoedgekeurd voor 31 oktober 2006 mogen tot 1 november 2016 in gebruik worden genomen op grond van de in de [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) voor dit meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.5
1. Meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring.
2. Ten bewijze van een herkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een herkeuringscertificaat afgegeven. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester die is voorzien van de in [artikel 8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde markeringen. Een dergelijke uitlaatgastester moet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat voldoen aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en bijlage MI-010 van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022).
##### Artikel 8.1.6
1. Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) opgenomen specifieke eisen.
2. Koplamptestapparaten voldoen aan de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) opgenomen specifieke eisen.
##### Artikel 8.1.7
1. Indien ter uitvoering van de in deze paragraaf bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen nodig zijn of informatie nodig is, kan degene die het meetmiddel ter keuring aanbiedt, worden verzocht deze ter beschikking te stellen.
2. Het niet beschikbaar stellen van noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet goedkeuren van het meetmiddel.
#### § 2.2. Certificaten
##### Artikel 8.1.8
Een typekeuringscertificaat verliest zijn geldigheid indien:
- a. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht, waardoor de meetwaarden zoals deze in de praktijk kunnen worden verkregen niet meer voldoen aan de maximale fout;
- b. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht die in strijd is met het typekeuringscertificaat of de bijbehorende beschrijving;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften;
- d. de in [artikel 1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde termijn is verstreken, waarbinnen de daar bedoelde tijdelijke voorwaarde moet zijn vervallen dan wel moet zijn omgezet in een definitieve voorwaarde.
##### Artikel 8.1.9
1. De geldigheidsduur van een keuringscertificaat bedraagt ten minste 12 maanden.
2. De geldigheidsduur van een keuringscertificaat kan langer zijn dan 12 maanden, indien bij de typegoedkeuring een langere geldigheidsduur wordt vastgesteld.
3. De geldigheidsduur van een keuringscertificaat vangt aan met ingang van de datum van afgifte daarvan.
4. Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de in het eerste lid vermelde termijn verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.
5. Een keuringscertificaat verliest zijn geldigheid indien:
- a. een wijziging of herstel van het meetmiddel heeft plaatsgevonden, waardoor de juistheid kan zijn veranderd;
- b. de verzegeling is verbroken;
- c. een zodanige mechanische of elektrische overbelasting is ontstaan, dat een juist functioneren niet meer gewaarborgd kan worden, of
- d. de geldigheidsduur is verstreken.
6. Specifieke gebruiksomstandigheden van belang bij de keuring en bij het gebruik van het meetmiddel, worden vermeld in het keuringscertificaat.
##### Artikel 8.1.10
1. De aanvraag van een typegoedkeuringscertificaat of certificaat van eerste keuring wordt, met inachtneming van de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
2. De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), met inachtneming van de in [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde.
3. De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in [artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
4. De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
##### Artikel 8.1.11
Voorzover dit in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is bepaald, wordt in het typekeuringscertificaat een tijdelijke voorwaarde opgenomen met betrekking tot de daar vermelde aspecten. Deze tijdelijke voorwaarde moet binnen de termijn genoemd in het typegoedkeuringscertificaat zijn komen te vervallen dan wel zijn omgezet in een definitieve voorwaarde op grond van een in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vereist onderzoek naar de gedragingen in de praktijk van een representatief aantal meetmiddelen uitgevoerd door de keuringsinstantie op kosten van de aanvrager van de typekeuring.
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
##### Artikel 8.1.12
1. Elk meetmiddel dat een keuring of herkeuring ondergaat, wordt na iedere keuring voorzien van de verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.
2. Onder verzegeling wordt verstaan:
- a. het aanbrengen van een beveiliging waardoor het verschaffen van toegang tot onderdelen of instellingen van een meetmiddel door een onbevoegde niet kan plaatsvinden zonder dat dit feit achteraf zichtbaar is door beschadiging van een aangebracht beveiligingsmiddel, zoals een loodzegel of een sticker;
- b. een elektronische verzegeling die kan bestaan uit een in de programmatuur opgenomen niet-terugstelbare teller, waarvan de inhoud automatisch wordt verhoogd indien toegang wordt verschaft tot een routine waarin beveiligde parameters kunnen worden aangepast. De inhoud van deze teller moet eenvoudig kunnen worden uitgelezen en moet overeenkomen met de waarde die in het laatste keuringscertificaat is vermeld, zolang de verzegeling niet verbroken is.
3. Na de eerste keuring alsmede na de herkeuring wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht door de keuringsinstantie of, in geval van herkeuring, door een onderzoeksgerechtigde.
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
##### Artikel 8.2.1
1. De aanwijzing door Onze Minister van een keuringsinstelling als bedoeld in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-01-01&g=2010-01-01), kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen. Van de aanwijzing van een keuringsinstelling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
2. De in het eerste lid bedoelde keuringsinstelling beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:
- a. het verstrekken van typekeuringscertificaten en certificaten van eerste keuring;
- b. het erkennen van onderzoeksgerechtigden en het door deze verstrekken van certificaten van herkeuring;
- c. het erkennen van instellingen tot het certificeren van kalibratiegas.
3. De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken indien de betrokken keuringsinstelling daarom verzoekt, indien de keuringsinstelling niet meer beschikt over het in het tweede lid vereiste kwaliteitssysteem of indien de keuringsinstelling de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen niet naleeft.
##### Artikel 8.2.2
De in [artikel 8.1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
##### Artikel 8.2.3
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in [artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), indien wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
2. De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
3. De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.
##### Artikel 8.2.4
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de [afdelingen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
##### Artikel 8.2.5
De aanvrager van een erkenning als onderzoeksgerechtigde beschikt over een relevant kwaliteitssysteem dat zodanig is opgezet, dat wordt voldaan aan de kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001 in de meest recente versie of dat een naar het oordeel van de keuringsinstelling minimaal gelijkwaardig kwaliteitsniveau biedt. Hieraan wordt in ieder geval voldaan indien de aanvrager het desbetreffende NEN-EN-ISO-certificaat kan overleggen.
##### Artikel 8.2.6
1. In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.
2. Van de beschikking houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 8.2.7
Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in de [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde eisen;
- b. de standaarden en andere hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring bevinden zich steeds in goede staat van onderhoud;
- c. elke herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een herkeuring is vastgelegd in het in [artikel 8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- d. na elke herkeuring met een positief resultaat wordt aan de eigenaar of houder van het betrokken meetmiddel een certificaat van herkeuring verstrekt van een door de keuringsinstelling vastgesteld model;
- e. gedurende ten minste twee jaar wordt een afschrift bewaard van elk overeenkomstig onderdeel d afgegeven certificaat;
- f. er worden geen certificaten afgegeven voor meetmiddelen ten aanzien waarvan de erkenning niet geldt, voor meetmiddelen die niet aan de eisen voldoen of voor meetmiddelen waarvoor een certificaat niet vereist wordt.
##### Artikel 8.2.8
Een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, stelt voorafgaand aan de herkeuring van een niet-mechanisch meetmiddel aan de hand van de documentatie, behorende bij de voor dat meetmiddel geldende typegoedkeuring, vast dat het betrokken meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type.
##### Artikel 8.2.9
1. De erkenning wordt door de keuringsinstantie bij beschikking ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in [artikelen 8.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [8.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) of indien één of meer van de in [artikel 8.2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde verplichtingen of de financiële verplichting als bedoeld in artikel [8.2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=8.2.10&z=2010-01-01&g=2010-01-01) niet worden nageleefd.
2. Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 8.2.10
De onderzoeksgerechtigde is gehouden tot betaling aan de keuringsinstantie van het door deze keuringsinstelling terzake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
##### Artikel 8.2.11
1. Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas voor uitlaatgastesters worden erkend, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
@@ -9133,19 +9133,19 @@
Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.11&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde eisen;
- a. steeds wordt voldaan aan de in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde eisen;
- b. de standaarden en hulpmiddelen, benodigd voor het certificeren, bevinden zich steeds in een goede staat van onderhoud;
- c. een certificaat wordt slechts afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig het gestelde in artikel 8.4.76 en dat als gecertificeerd kalibratiegas in de handel wordt gebracht;
- d. de gegevens betreffende de uitvoering van het gestelde in [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voorzover van belang met betrekking tot het certificeren, worden vastgelegd;
- d. de gegevens betreffende de uitvoering van het gestelde in [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voorzover van belang met betrekking tot het certificeren, worden vastgelegd;
- e. de gegevens, bedoeld in onderdeel d, worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard.
##### Artikel 8.2.15
1. De erkenning tot het certificeren van kalibratiegas wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.11&z=2010-01-01&g=2010-01-01) of indien één of meer van de in [artikel 8.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.14&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde verplichtingen niet worden nageleefd.
1. De erkenning tot het certificeren van kalibratiegas wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in [artikel 8.2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01) of indien één of meer van de in [artikel 8.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.14&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde verplichtingen niet worden nageleefd.
2. Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -9159,7 +9159,7 @@
##### Artikel 8.3.1
De in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=2&artikel=1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
De in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=2&artikel=1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.2
@@ -9179,11 +9179,11 @@
##### Artikel 8.3.4
1. Indien in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01). Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
1. Indien in de specifieke eisen van [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01). Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
- a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
@@ -9213,7 +9213,7 @@
- h. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden, en
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen a tot en met e tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen f tot en met h zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.
@@ -9225,7 +9225,7 @@
##### Artikel 8.3.6
1. Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding in de Nederlandse taal, tenzij anders is bepaald in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
1. Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding in de Nederlandse taal, tenzij anders is bepaald in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
2. Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de in het eerste lid bedoelde handleiding tenminste:
@@ -9239,17 +9239,17 @@
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat, en
- f. de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde nadere informatie.
- f. de in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde nadere informatie.
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
##### Artikel 8.3.7
Elektronische meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) anders bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
Elektronische meetmiddelen, genoemd in [artikel 8.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.1&artikel=8.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), voldoen, tenzij in [afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) anders bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
##### Artikel 8.3.8
De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan indien het instrument voldoet aan [artikel 8.3.9, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=8.3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan indien het instrument voldoet aan [artikel 8.3.9, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=8.3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 8.3.9
@@ -9259,15 +9259,15 @@
| Omschrijving | Geldende eis | Artikel | Zwaarte |
| --- | --- | --- | --- |
| spanningsvariatie | [8.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) | B.10 | 2 |
| spanningsvariatie | [8.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | [8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) | B.10 | 2 |
- b. indien het meetmiddel is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, voldoet dit aan de eisen gesteld in ISO 7637;
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan genoemd onder a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01);
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan genoemd onder a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01);
- d. in afwijking van het in onderdeel a genoemde storingsniveau geldt voor een bromfietsrollentestbank het storingsniveau 3 van de elektromagnetische instraling.
@@ -9325,7 +9325,7 @@
2. Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.
3. [Artikel 8.1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.8&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 8.1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.8&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.3.14
@@ -9333,7 +9333,7 @@
2. Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.
3. De [artikelen 8.1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [8.2.1 tot en met 8.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=8.2.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De [artikelen 8.1.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [8.2.1 tot en met 8.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=8.2.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
@@ -9367,7 +9367,7 @@
##### Artikel 8.4.2
In de handleiding behorende bij de roetmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01) het volgende zijn opgenomen:
In de handleiding behorende bij de roetmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01) het volgende zijn opgenomen:
- a. de wijze waarop een sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;
@@ -9387,11 +9387,11 @@
- c. een inrichting waarmee de lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;
- d. een software-routine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist indien door middel van software-identificatie als bedoeld in [artikel 8.3.10, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=8.3.10&z=2010-01-01&g=2010-01-01), op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- d. een software-routine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist indien door middel van software-identificatie als bedoeld in [artikel 8.3.10, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=8.3.10&z=2010-06-01&g=2010-06-01), op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=8.1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende tenminste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=8.1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende tenminste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
#### § 1.2.2. Maximale fout
@@ -9429,7 +9429,7 @@
In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.
5. De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
5. De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
@@ -9467,7 +9467,7 @@
2. Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan indien de opening van de sonde zich op een afstand van tenminste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
3. Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01), geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
@@ -9475,7 +9475,7 @@
1. De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
- a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle als bedoeld in [artikel 4.3, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), plaats kunnen vinden;
- a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle als bedoeld in [artikel 4.3, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), plaats kunnen vinden;
- b. de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden weergegeven.
@@ -9525,7 +9525,7 @@
- 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
2. Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
@@ -9535,7 +9535,7 @@
##### Artikel 8.4.11
1. De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van dit hoofdstuk.
1. De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van dit hoofdstuk.
2. Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.
@@ -9543,19 +9543,19 @@
##### Artikel 8.4.12
1. Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, zoals bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2010-01-01&g=2010-01-01), in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
1. Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, zoals bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2010-06-01&g=2010-06-01), in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
2. De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
3. De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
- a. invoeren van de gegevens als bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2010-01-01&g=2010-01-01);
- a. invoeren van de gegevens als bedoeld in [artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.8&artikel=8.4.10&z=2010-06-01&g=2010-06-01);
- b. automatische controle of:
- 1°. alle onder punt a bedoelde gegevens zijn ingevoerd;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, zoals bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, zoals bedoeld in [artikel 8.4.3, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.1&artikel=8.4.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
@@ -9573,7 +9573,7 @@
##### Artikel 8.4.12a
1. In afwijking van [artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01),
1. In afwijking van [artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=1&sub-paragraaf=1.2&sub-paragraaf=1.2.10&artikel=8.4.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01),
- a. mogen tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven de punten d en e van dat artikel ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
@@ -9597,7 +9597,7 @@
##### Artikel 8.4.14
In de handleiding behorende bij de toerenteller moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01) het volgende zijn opgenomen:
In de handleiding behorende bij de toerenteller moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01) het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de toerenteller voorzien is van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;
@@ -9627,704 +9627,704 @@
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. **olietemperatuurmeter:** meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;
- b. **geïntegreerde olietemperatuurmeter:** olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- c. **temperatuuropnemer:** onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
##### Artikel 8.4.19
In de handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01) het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de olietemperatuurmeter voorzien is van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
- b. de wijze waarop de opnemer in de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 1.2.2. Maximale fout
##### Artikel 8.4.18
##### Artikel 8.4.20
De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C. Voor het aanwijsbereik buiten het meettraject van 60 °C tot 90 °C is de maximale fout van de olietemperatuurmeter 8 °C.
##### Artikel 8.4.21
1. De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
2. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.
3. Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet tenminste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.
##### Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
##### Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
##### Artikel 8.4.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. **olietemperatuurmeter:** meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;
- b. **geïntegreerde olietemperatuurmeter:** olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- c. **temperatuuropnemer:** onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
##### Artikel 8.4.19
In de handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01) het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de olietemperatuurmeter voorzien is van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
- b. de wijze waarop de opnemer in de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
#### § 3.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.20
De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C. Voor het aanwijsbereik buiten het meettraject van 60 °C tot 90 °C is de maximale fout van de olietemperatuurmeter 8 °C.
##### Artikel 8.4.21
1. De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
2. De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.
3. Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet tenminste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.
##### Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
##### Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
#### § 4. Manometers
- **manometer:** meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;
- **geïntegreerde manometer:** manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
##### Artikel 8.4.25
In afwijking van het bepaalde in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is een handleiding voor de manometer niet vereist.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende eisen:
- a. de gemeten druk moet worden weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
- b. de gemeten waarde moet door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;
- c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:
- 1°. in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
- 2°. in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%;
- d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.27
1. Onder pedaalkrachtmeter wordt verstaan: meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.
2. De pedaalkrachtmeter is voorzien van een Nederlandstalige handleiding.
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
##### Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:
- a. de aanwijzing van de pedaalkracht dient te geschieden in Newton (N);
- b. de meter heeft een bereik van 0 N tot ten minste 700 N;
- c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
- d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht moet bedragen:
- 1°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
- 2°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht;
- 3°. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
- e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **gemiddelde waarde:** het rekenkundig gemiddelde van, op vaste tijdsafstanden, bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **resulterende meetwaarde:** de gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;
- **standaanwijsinrichting:** aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
- **grenswaarde van de standaanwijsinrichting:** de door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
- **justeerinrichting:** inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
- **standcorrectie-inrichting:** inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
##### Artikel 8.4.30
In de handleiding behorende bij de remvertragingsmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01) de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter worden opgenomen waarbij het volgende nader moet worden belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
- b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;
- c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;
- d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.
#### § 2.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.31
1. De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.
2. De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
##### Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
- b. de remvertragingsmeter is voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;
- b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;
- c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
- d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt, die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s2.
##### Artikel 8.4.34
1. De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt: 0,1 m/s2.
2. De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
3. De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
4. De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
5. De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie zoals bedoeld in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2010-06-01&g=2010-06-01), bedraagt 0,02 m/s2.
##### Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
##### Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat tenminste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.
##### Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
##### Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.
##### Artikel 8.4.39
1. De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over tenminste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
2. Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
3. Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.
4. Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie zoals bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.
##### Artikel 8.4.40
1. Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis genoemd in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2010-06-01&g=2010-06-01), of de eis genoemd in [artikel 8.4.34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.34&z=2010-06-01&g=2010-06-01), moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
2. De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
##### Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
- a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;
- b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
- c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
- A. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a);
- B. bepaal met een interval van 0,1 seconde de 5 gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a) en de 5 gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a);
- C. voer de volgende 6 berekeningen uit:
- i. (a+a+a+a+a+am)/6;
- ii. (a+a+a+a+am+a)/6;
- iii. (a+a+a+a+a+a)/6;
- iv. (a+a+a+a+a+a)/6;
- v. (a+a+a+a+a+a)/6;
- vi. (a+a+a+a+a+a)/6;
- D. de hoogste van de onder C berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die tenminste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.
- d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde voor de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, 1 m/s2 bedraagt.
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **rollenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
- **gemiddelde waarde:** rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **remkracht:** tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **ingestuurde druk:** druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;
- **resulterende meetwaarde:** de door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **extrapolatie-inrichting:** inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
- **extrapolatiedruk (PX):** waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;
- **extrapolatiewaarde:** met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;
- **extrapolatiedruk (PEX):** gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
- **rotatieperiode:** tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
- **remkrachthelling:** verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;
- **berekende remvertraging:** door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;
- **rolweerstand:** kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;
- **klasse I rollenremtestbank:** rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg mits de asdruk van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals aangegeven op de rollenremtestbank;
- **klasse II rollenremtestbank:** rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kg;
- **klasse I/II rollenremtestbank:** rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste aan de definitie geldend voor een klasse I rollenremtestbank en het tweede aan de definitie voor een klasse II rollenremtestbank voldoet.
##### Artikel 8.4.43
In de handleiding behorende bij de rollenremtestbank is opgenomen:
- a. de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01);
- b. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de berekende remvertraging.
##### Artikel 8.4.44
In aanvulling op [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01), wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
#### § 4.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.24
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
##### Artikel 8.4.46
1. Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 7.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) respectievelijk [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van deze afdeling.
#### § 5.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten bedoeld in [artikel 8.4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde genoemd in [artikel 8.4.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
##### Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 7.2.3. Uitvoering
##### Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de gestelde eisen aan remkracht bedoeld in de [paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
##### Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
##### Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan 1/6 maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
##### Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, genoemd in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, genoemd in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, genoemd in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
##### Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
##### Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
##### Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde zoals bedoeld in [artikel 8.4.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.69&z=2010-06-01&g=2010-06-01) , en M is de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
##### Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis gesteld in [artikel 3.7.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.10&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
3. Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting genoemd in [artikel 3.7.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.16&z=2010-06-01&g=2010-06-01), of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.
##### Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
##### Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
##### Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, genoemd in [artikel 8.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01), eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de onder 1 vermelde hoogste gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%.
##### Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
##### Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
##### Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
##### Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de referentiewaarden genoemd in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
##### Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde moet voldoen aan de eisen gesteld in [paragraaf 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01) met uitzondering van [artikel 8.4.65, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.65&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
##### Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee tenminste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie zoals vermeld in [artikel 8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01);
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa c.q. de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in [artikel 8.4.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in [artikel 8.4.64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.64&z=2010-06-01&g=2010-06-01);
- g. de waarschuwing, genoemd in [artikel 8.4.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
2. Andere informatie als bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 7.2.3. Uitvoering
##### Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid voldoen aan de volgende eisen: de maximale fout in plus en min bedraagt bij een kracht:
- 1°. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- 2°. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de datum van afgifte van het certificaat zoals daarop vermeld, worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten na 3 jaar na de in het eerste lid, vermelde datum, voldoen aan de eisen genoemd in dit hoofdstuk met uitzondering van de [artikelen 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [8.3.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=8.3.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [8.4.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.56&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en [8.4.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01) met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 8.4.57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01), de aan het wiel overgedragen remkracht tenminste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van [artikel 8.4.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.62&z=2010-06-01&g=2010-06-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in tenminste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling tenminste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van [artikel 8.4.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.63&z=2010-06-01&g=2010-06-01), het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
##### Artikel 8.4.74
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder platenremtestbank een meetmiddel waarbij de wielen van een voertuig kunnen steunen op vlakke, horizontale platen waarmee de remkracht wordt bepaald uit de reactiekracht die wordt uitgeoefend door een afremmend voertuig dat op de platen tot stilstand wordt gebracht.
2. Platenremtestbanken behoeven niet te voldoen aan [artikel 8.1.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
#### § 8.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.75
De platenremtestbank voldoet aan de volgende eisen:
- a. de platenremtestbank geeft per as voor elk afzonderlijk wiel de gemeten waarden. Zij is op gemakkelijke wijze te bedienen en werkt op veilige wijze;
- b. de wrijvingscoëfficiënt tussen de wielen van een op de platenremtestbank geplaatst voertuig en de platenremtestbank bedraagt in droge toestand ten minste 0,5;
- c. de gemeten remkracht wordt weergegeven in Newton (N);
- d. de gemeten waarden worden door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk en duidelijk aangegeven;
- e. de aanwijs- of registratie-inrichtingen moeten:
- 1°. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- 2°. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
- f. het meetbereik van een platenremtestbank met digitale weergave van de gemeten waarde omvat ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig zijn dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is;
- g. het meetbereik van een analoog aanwijzende of analoog registrerende platenremtestbank omvat ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarden, waarbij de schaalverdeling ten minste op onderling gelijke afstanden, die niet groter zijn dan 20% van het meetbereik, van cijfers is voorzien. De totale lengte van de schaalverdeling, gemeten langs de cirkel die het midden van de deelstrepen verbindt, bedraagt bij een aanwijzende inrichting ten minste 0,15 m en bij een registrerende inrichting ten minste 0,07 m. Een waarde ter grootte van 2% van het meetbereik van de inrichting moet nog gemakkelijk zijn af te lezen;
- h. demping en eigen frequentie van de platenremtestbank zijn zodanig, dat de maximale fouten, bedoeld onder m, niet worden overschreden zolang de toename per tijdseenheid van de gemeten waarde niet de door de fabrikant van de platenremtestbank opgegeven grenswaarde te boven gaat;
- i. de platenremtestbank en een daaraan gekoppelde inrichting voor de verwerking van meetgegevens zijn beveiligd tegen of zijn voldoende ongevoelig voor de onder normale omstandigheden voorkomende thermische, atmosferische, elektrische, magnetische en elektromagnetische invloeden;
- j. een analoog registrerende platenremtestbank is zodanig uitgevoerd dat afwijkingen als gevolg van mogelijke positieverandering van het registratieblad ten hoogste 1% van het meetbereik van de platenremtestbank bedragen. Indien de gemeten waarde wordt geregistreerd in afhankelijkheid van de tijd moet de transportsnelheid van het blad ten minste 0,005 m/s bedragen en mag de transportsnelheid niet meer dan 5% afwijken van de nominale waarde daarvan. Bij cirkelvormige bladen wordt als transportsnelheid aangemerkt de omtreksnelheid, gemeten aan de binnencirkel van het registratieveld;
- k. de weergave van de gemeten waarde die uiterlijk 0,5 seconde nadat de meting is begonnen, wordt verkregen, wordt als maatgevend beschouwd;
- l. de maximale fout in plus en in min, van de aangewezen remkracht bedraagt:
- 1°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 2°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 3°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht: en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- m. bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld onder 1.
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **manometer:** meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;
- **geïntegreerde manometer:** manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
##### Artikel 8.4.25
In afwijking van het bepaalde in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is een handleiding voor de manometer niet vereist.
#### § 1.2.8. Registratie-inrichting
##### Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende eisen:
- a. de gemeten druk moet worden weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
- b. de gemeten waarde moet door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;
- c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:
- 1°. in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
- 2°. in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%;
- d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.27
1. Onder pedaalkrachtmeter wordt verstaan: meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.
2. De pedaalkrachtmeter is voorzien van een Nederlandstalige handleiding.
#### § 5.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:
- a. de aanwijzing van de pedaalkracht dient te geschieden in Newton (N);
- b. de meter heeft een bereik van 0 N tot ten minste 700 N;
- c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
- d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht moet bedragen:
- 1°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
- 2°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht;
- 3°. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
- e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **gemiddelde waarde:** het rekenkundig gemiddelde van, op vaste tijdsafstanden, bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **resulterende meetwaarde:** de gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;
- **standaanwijsinrichting:** aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
- **grenswaarde van de standaanwijsinrichting:** de door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
- **justeerinrichting:** inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
- **standcorrectie-inrichting:** inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
##### Artikel 8.4.30
In de handleiding behorende bij de remvertragingsmeter moet naast de informatie genoemd in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01) de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter worden opgenomen waarbij het volgende nader moet worden belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
- b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;
- c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;
- d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.
#### § 2.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.31
1. De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.
2. De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
##### Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
- b. de remvertragingsmeter is voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
##### Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;
- b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;
- c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
- d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt, die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s2.
##### Artikel 8.4.34
1. De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt: 0,1 m/s2.
2. De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
3. De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
4. De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
5. De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
6. De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie zoals bedoeld in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2010-01-01&g=2010-01-01), bedraagt 0,02 m/s2.
##### Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
##### Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat tenminste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.
##### Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
##### Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.
##### Artikel 8.4.39
1. De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over tenminste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
2. Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
3. Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.
4. Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie zoals bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.
##### Artikel 8.4.40
1. Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis genoemd in [artikel 8.4.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.39&z=2010-01-01&g=2010-01-01), of de eis genoemd in [artikel 8.4.34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=6&sub-paragraaf=6.2&artikel=8.4.34&z=2010-01-01&g=2010-01-01), moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
2. De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
##### Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
- a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;
- b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
- c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
- A. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a);
- B. bepaal met een interval van 0,1 seconde de 5 gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a) en de 5 gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a);
- C. voer de volgende 6 berekeningen uit:
- i. (a+a+a+a+a+am)/6;
- ii. (a+a+a+a+am+a)/6;
- iii. (a+a+a+a+a+a)/6;
- iv. (a+a+a+a+a+a)/6;
- v. (a+a+a+a+a+a)/6;
- vi. (a+a+a+a+a+a)/6;
- D. de hoogste van de onder C berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die tenminste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.
- d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde voor de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, 1 m/s2 bedraagt.
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **rollenremtestbank:** meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
- **gemiddelde waarde:** rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- **remkracht:** tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- **ingestuurde druk:** druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;
- **resulterende meetwaarde:** de door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- **extrapolatie-inrichting:** inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
- **extrapolatiedruk (PX):** waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;
- **extrapolatiewaarde:** met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;
- **extrapolatiedruk (PEX):** gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
- **rotatieperiode:** tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
- **remkrachthelling:** verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;
- **berekende remvertraging:** door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;
- **rolweerstand:** kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;
- **klasse I rollenremtestbank:** rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg mits de asdruk van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals aangegeven op de rollenremtestbank;
- **klasse II rollenremtestbank:** rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kg;
- **klasse I/II rollenremtestbank:** rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste aan de definitie geldend voor een klasse I rollenremtestbank en het tweede aan de definitie voor een klasse II rollenremtestbank voldoet.
##### Artikel 8.4.43
In de handleiding behorende bij de rollenremtestbank is opgenomen:
- a. de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01);
- b. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de berekende remvertraging.
##### Artikel 8.4.44
In aanvulling op [artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01), wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
##### Artikel 8.4.46
1. Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
2. Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
#### § 7.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) respectievelijk [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van deze afdeling.
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
##### Artikel 8.4.48
1. Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
2. Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten bedoeld in [artikel 8.4.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
##### Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde genoemd in [artikel 8.4.48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.2&sub-paragraaf=7.2.2.1&artikel=8.4.48&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
##### Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
#### § 7.2.3. Uitvoering
##### Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de gestelde eisen aan remkracht bedoeld in de [paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.4.53
1. Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
2. Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
##### Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
##### Artikel 8.4.55
1. De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
2. De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
##### Artikel 8.4.56
1. Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan 1/6 maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
2. De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
3. Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
##### Artikel 8.4.57
1. De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
2. Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, genoemd in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
3. Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, genoemd in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
4. Indien de inrichting, genoemd in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
##### Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
##### Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
##### Artikel 8.4.59a
1. Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde zoals bedoeld in [artikel 8.4.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.69&z=2010-01-01&g=2010-01-01) , en M is de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld op het kentekenbewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
##### Artikel 8.4.59b
1. Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
2. Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis gesteld in [artikel 3.7.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=4&artikel=3.10&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
3. Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting genoemd in [artikel 3.7.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=7&paragraaf=1&artikel=3.16&z=2010-01-01&g=2010-01-01), of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
4. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
#### § 7.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.
##### Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
##### Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
##### Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
##### Artikel 8.4.64
1. Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
2. Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, genoemd in [artikel 8.4.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01), eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de onder 1 vermelde hoogste gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%.
##### Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
##### Artikel 8.4.67
1. De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
2. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
##### Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
##### Artikel 8.4.69
1. Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
2. Voor de berekening van de referentiewaarden genoemd in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
##### Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde moet voldoen aan de eisen gesteld in [paragraaf 7.2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01) met uitzondering van [artikel 8.4.65, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.65&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
##### Artikel 8.4.71
1. Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee tenminste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie zoals vermeld in [artikel 8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01);
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa c.q. de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in [artikel 8.4.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in [artikel 8.4.64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.6&artikel=8.4.64&z=2010-01-01&g=2010-01-01);
- g. de waarschuwing, genoemd in [artikel 8.4.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.7&artikel=8.4.67&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
2. Andere informatie als bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
#### § 7.2.3. Uitvoering
##### Artikel 8.4.72
1. Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid voldoen aan de volgende eisen: de maximale fout in plus en min bedraagt bij een kracht:
- 1°. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- 2°. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
##### Artikel 8.4.73
1. Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de datum van afgifte van het certificaat zoals daarop vermeld, worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
2. Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten na 3 jaar na de in het eerste lid, vermelde datum, voldoen aan de eisen genoemd in dit hoofdstuk met uitzondering van de [artikelen 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [8.3.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [8.3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [8.3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=3&artikel=8.3.11&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [8.4.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.56&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [8.4.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01) met dien verstande dat:
- a. in afwijking van [artikel 8.4.57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.3&artikel=8.4.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01), de aan het wiel overgedragen remkracht tenminste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van [artikel 8.4.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.62&z=2010-01-01&g=2010-01-01) het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in tenminste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling tenminste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van [artikel 8.4.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=7&sub-paragraaf=7.2&sub-paragraaf=7.2.5&artikel=8.4.63&z=2010-01-01&g=2010-01-01), het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
##### Artikel 8.4.74
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder platenremtestbank een meetmiddel waarbij de wielen van een voertuig kunnen steunen op vlakke, horizontale platen waarmee de remkracht wordt bepaald uit de reactiekracht die wordt uitgeoefend door een afremmend voertuig dat op de platen tot stilstand wordt gebracht.
2. Platenremtestbanken behoeven niet te voldoen aan [artikel 8.1.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.3&artikel=8.1.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
#### § 8.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.75
De platenremtestbank voldoet aan de volgende eisen:
- a. de platenremtestbank geeft per as voor elk afzonderlijk wiel de gemeten waarden. Zij is op gemakkelijke wijze te bedienen en werkt op veilige wijze;
- b. de wrijvingscoëfficiënt tussen de wielen van een op de platenremtestbank geplaatst voertuig en de platenremtestbank bedraagt in droge toestand ten minste 0,5;
- c. de gemeten remkracht wordt weergegeven in Newton (N);
- d. de gemeten waarden worden door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk en duidelijk aangegeven;
- e. de aanwijs- of registratie-inrichtingen moeten:
- 1°. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- 2°. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
- f. het meetbereik van een platenremtestbank met digitale weergave van de gemeten waarde omvat ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig zijn dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is;
- g. het meetbereik van een analoog aanwijzende of analoog registrerende platenremtestbank omvat ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarden, waarbij de schaalverdeling ten minste op onderling gelijke afstanden, die niet groter zijn dan 20% van het meetbereik, van cijfers is voorzien. De totale lengte van de schaalverdeling, gemeten langs de cirkel die het midden van de deelstrepen verbindt, bedraagt bij een aanwijzende inrichting ten minste 0,15 m en bij een registrerende inrichting ten minste 0,07 m. Een waarde ter grootte van 2% van het meetbereik van de inrichting moet nog gemakkelijk zijn af te lezen;
- h. demping en eigen frequentie van de platenremtestbank zijn zodanig, dat de maximale fouten, bedoeld onder m, niet worden overschreden zolang de toename per tijdseenheid van de gemeten waarde niet de door de fabrikant van de platenremtestbank opgegeven grenswaarde te boven gaat;
- i. de platenremtestbank en een daaraan gekoppelde inrichting voor de verwerking van meetgegevens zijn beveiligd tegen of zijn voldoende ongevoelig voor de onder normale omstandigheden voorkomende thermische, atmosferische, elektrische, magnetische en elektromagnetische invloeden;
- j. een analoog registrerende platenremtestbank is zodanig uitgevoerd dat afwijkingen als gevolg van mogelijke positieverandering van het registratieblad ten hoogste 1% van het meetbereik van de platenremtestbank bedragen. Indien de gemeten waarde wordt geregistreerd in afhankelijkheid van de tijd moet de transportsnelheid van het blad ten minste 0,005 m/s bedragen en mag de transportsnelheid niet meer dan 5% afwijken van de nominale waarde daarvan. Bij cirkelvormige bladen wordt als transportsnelheid aangemerkt de omtreksnelheid, gemeten aan de binnencirkel van het registratieveld;
- k. de weergave van de gemeten waarde die uiterlijk 0,5 seconde nadat de meting is begonnen, wordt verkregen, wordt als maatgevend beschouwd;
- l. de maximale fout in plus en in min, van de aangewezen remkracht bedraagt:
- 1°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 2°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 3°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht: en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- m. bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld onder 1.
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
##### Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- **automatische controle-inrichting:** een controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;
- **automatische justeerinrichting:** voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;
@@ -10373,13 +10373,13 @@
##### Artikel 8.4.79
In de handleiding behorende bij de uitlaatgastester is naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01), het volgende opgenomen:
In de handleiding behorende bij de uitlaatgastester is naast de informatie genoemd in [artikel 8.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01), het volgende opgenomen:
- a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;
- b. de tijdsintervallen tussen de automatische controles op gaskalibratie en lek;
- c. een beschrijving van de procedure voor de lektest. Deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het in [artikel 8.4.85, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=9&sub-paragraaf=9.3&sub-paragraaf=9.3.1&artikel=8.4.85&z=2010-01-01&g=2010-01-01), gespecificeerde lek te detecteren;
- c. een beschrijving van de procedure voor de lektest. Deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het in [artikel 8.4.85, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=9&sub-paragraaf=9.3&sub-paragraaf=9.3.1&artikel=8.4.85&z=2010-06-01&g=2010-06-01), gespecificeerde lek te detecteren;
- d. een instructie aan de gebruiker dat voorafgaande aan elke HC-meting een controle op het HC-residu moet plaatsvinden, inclusief een beschrijving van de procedure voor de controle op het HC-residu;
@@ -10393,7 +10393,7 @@
##### Artikel 8.4.80
1. De uitlaatgastester is, naast de in [artikel 8.3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-01-01&g=2010-01-01), vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het merk en type van de zuurstofbrandstofcel.
1. De uitlaatgastester is, naast de in [artikel 8.3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.5&z=2010-06-01&g=2010-06-01), vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het merk en type van de zuurstofbrandstofcel.
2. Bij elke uitlaatgastester is de waarde van de propaan-equivalentiefactor (PEF) aangebracht op de voorzijde van het instrument of moet zichtbaar gemaakt kunnen worden op de aanwijsinrichting.
@@ -10433,9 +10433,9 @@
##### Artikel 8.4.84
1. De in [artikel 8.4.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.83&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, worden onder de volgende condities niet overschreden:
- a. de in [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), vermelde gebruiksomstandigheden;
1. De in [artikel 8.4.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=9&sub-paragraaf=9.2&artikel=8.4.83&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, worden onder de volgende condities niet overschreden:
- a. de in [artikel 8.3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01), vermelde gebruiksomstandigheden;
- b. relatieve luchtvochtigheid: tot 90% R.V.;
@@ -10457,7 +10457,7 @@
4. De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de maximale fout bij eerste keuring onder gebruiksomstandigheden of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
- a. de in [artikel 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vermelde invloeden;
- a. de in [artikel 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01) vermelde invloeden;
- b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val over 25 mm door een der hoekpunten op een vast oppervlak.
@@ -10488,7 +10488,7 @@
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
##### Artikel 8.4.85
@@ -10536,7 +10536,7 @@
##### Artikel 8.4.86
Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller mits deze voldoet aan de eisen gesteld in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van deze afdeling.
Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller mits deze voldoet aan de eisen gesteld in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van deze afdeling.
#### § 9.3. Technische eisen
@@ -10558,9 +10558,9 @@
3. Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
4. Als tijdelijke voorwaarde als bedoeld in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-01-01&g=2010-01-01) geldt dat een instrument moet worden gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval gelijk aan de helft van de periode die op grond van [artikel 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01), door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven als beoogd justeerinterval.
Deze tijdelijke voorwaarde wordt omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek zoals bedoeld in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-01-01&g=2010-01-01) verricht aan vijf verzegelde instrumenten geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum van drie controles.
4. Als tijdelijke voorwaarde als bedoeld in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01) geldt dat een instrument moet worden gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval gelijk aan de helft van de periode die op grond van [artikel 8.3.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=8.3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01), door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven als beoogd justeerinterval.
Deze tijdelijke voorwaarde wordt omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek zoals bedoeld in [artikel 8.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01) verricht aan vijf verzegelde instrumenten geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum van drie controles.
5. Indien bij dit onderzoek gedurende het beoogde justeerinterval blijkt dat:
@@ -10588,9 +10588,9 @@
De nominale waarde mag ten hoogste 15% afwijken van de vermelde concentraties. De maximale relatieve fout in de opgegeven concentraties bedraagt 2% voor de concentratie van C3H8 in mengsel 2 en 1% voor de overige concentraties.
2. Een gecertificeerd kalibratiegas is vervaardigd door een ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01) erkende inrichting.
3. Een fles met gecertificeerd kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop tenminste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van de ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-01-01&g=2010-01-01) erkende inrichting is vastgelegd.
2. Een gecertificeerd kalibratiegas is vervaardigd door een ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01) erkende inrichting.
3. Een fles met gecertificeerd kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop tenminste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van de ingevolge [artikel 8.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=8.2.12&z=2010-06-01&g=2010-06-01) erkende inrichting is vastgelegd.
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
@@ -10632,7 +10632,7 @@
##### Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout bedoeld in [artikel 8.4.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=10&sub-paragraaf=10.3&artikel=8.4.92&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout bedoeld in [artikel 8.4.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=10&sub-paragraaf=10.3&artikel=8.4.92&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
##### Artikel 8.4.95
@@ -10684,7 +10684,7 @@
Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 9.3. Technische eisen
##### Artikel 8.4.103
@@ -10720,7 +10720,7 @@
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 10.9. Overige
#### § 9.4. Justeringen
##### Artikel 8.4.106
@@ -10732,13 +10732,13 @@
##### Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron worden jaarlijks getoetst aan en gekalibreerd volgens de eisen in [artikel 8.4.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=11&sub-paragraaf=11.2&artikel=8.4.108&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron worden jaarlijks getoetst aan en gekalibreerd volgens de eisen in [artikel 8.4.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=4&paragraaf=11&sub-paragraaf=11.2&artikel=8.4.108&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
#### § 11.2. Technische eisen
##### Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron voldoen tenminste aan [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157). Hiervan zijn verklaringen aanwezig van een door de minister overeenkomstig [artikel 8.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-01-01&g=2010-01-01) aangewezen keuringsinstantie.
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron voldoen tenminste aan [richtlijn 70/157/EEG](31970L0157). Hiervan zijn verklaringen aanwezig van een door de minister overeenkomstig [artikel 8.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=8&afdeling=1&paragraaf=2&sub-paragraaf=2.2&artikel=8.1.10&z=2010-06-01&g=2010-06-01) aangewezen keuringsinstantie.
##### Artikel 8.4.109
@@ -10766,7 +10766,7 @@
##### Artikel 9.1
Onverminderd [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) kan het ingevolge [artikel 149 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de [artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01).
Onverminderd [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) kan het ingevolge [artikel 149 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de [artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01).
#### § 2. Aanvraag ontheffing
@@ -10802,11 +10802,11 @@
##### Artikel 10.1
Overtreding van de [artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is een strafbaar feit.
Overtreding van de [artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en [5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is een strafbaar feit.
##### Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van [artikel 5.1.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), of [artikel 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van [artikel 5.1.1, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), of [artikel 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1&artikel=5.1.2&z=2010-06-01&g=2010-06-01) kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
@@ -10834,7 +10834,7 @@
1. Nationale typegoedkeuringen kunnen worden verleend tot de in bijlage XIX, derde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Nationale typegoedkeuringen als bedoeld in [artikel 11.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=11&artikel=11.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en 11.4, eerste lid, kunnen worden aangepast tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
2. Nationale typegoedkeuringen als bedoeld in [artikel 11.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=11&artikel=11.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en 11.4, eerste lid, kunnen worden aangepast tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van [richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
3. Op de aanvraag, het verlenen en het aanpassen van een nationale typegoedkeuring alsmede het houden van toezicht daarop, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
@@ -10842,11 +10842,11 @@
##### Artikel 11.5
Indien een voor de inwerkingtreding van deze regeling verleende nationale typegoedkeuring vervalt, is [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van overeenkomstige toepassing.
Indien een voor de inwerkingtreding van deze regeling verleende nationale typegoedkeuring vervalt, is [artikel 3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=9&artikel=3.27&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11.6
Bussen die voor 29 april 2009 in Nederland zijn geregistreerd en waarvan de inrichting door de Dienst Wegverkeer niet is gekeurd behoeven tot 1 januari 2015 niet te voldoen aan [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [artikelen 5.3a.1, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=2&artikel=5.3a.6&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.41, derde tot en met twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.41&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.42, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.42&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.43&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.44&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.46, eerste en derde tot en met tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.46&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.47&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.48, vijfde, zevende tot en met negende en vijftiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.48&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01) gestelde eisen betreffende de inrichting van het voertuig.
Bussen die voor 29 april 2009 in Nederland zijn geregistreerd en waarvan de inrichting door de Dienst Wegverkeer niet is gekeurd behoeven tot 1 januari 2015 niet te voldoen aan [hoofdstuk 5, afdeling 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [artikelen 5.3a.1, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=0&artikel=5.3a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=2&artikel=5.3a.6&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.41, derde tot en met twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.41&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.42, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.42&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.43&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.44&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.46, eerste en derde tot en met tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.46&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.47&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.48, vijfde, zevende tot en met negende en vijftiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=9&artikel=5.3a.48&z=2010-06-01&g=2010-06-01), en de in [bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV&z=2010-06-01&g=2010-06-01) gestelde eisen betreffende de inrichting van het voertuig.
##### Artikel 11.7
@@ -10876,17 +10876,17 @@
##### Artikel 11.11
1. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=5.2.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [artikel 5.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=5&artikel=5.2.23&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [artikel 5.3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=5.3.23&z=2010-01-01&g=2010-01-01), of [artikel 5.4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=5&artikel=5.4.21&z=2010-01-01&g=2010-01-01), blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
2. Indien het kentekenregister met betrekking tot een personenauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=5.2.11&z=2010-01-01&g=2010-01-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ten hoogste toegestaan geluidsniveau gehanteerd de ingevolge het [Besluit geluidproduktie motorvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003464) voor het betrokken voertuig vastgestelde waarde, vermeerderd met 2 dB(A).
3. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), worden voor de toepassing van [dat artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01) als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
4. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum massa beladen voertuig’.
5. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=2&artikel=5.12.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’. Als ‘last onder de koppeling’ wordt in dat geval aangemerkt de op het registratiebewijs vermelde ‘druk onder de koppeling’.
6. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=2&artikel=5.12.7&z=2010-01-01&g=2010-01-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op het registratiebewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
1. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.7, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=5.2.7&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [artikel 5.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=5&artikel=5.2.23&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [artikel 5.3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=5&artikel=5.3.23&z=2010-06-01&g=2010-06-01), of [artikel 5.4.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=4&paragraaf=5&artikel=5.4.21&z=2010-06-01&g=2010-06-01), blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
2. Indien het kentekenregister met betrekking tot een personenauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.2.11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=2&paragraaf=3&artikel=5.2.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ten hoogste toegestaan geluidsniveau gehanteerd de ingevolge het [Besluit geluidproduktie motorvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003464) voor het betrokken voertuig vastgestelde waarde, vermeerderd met 2 dB(A).
3. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-06-01&g=2010-06-01), worden voor de toepassing van [dat artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-06-01&g=2010-06-01) als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
4. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=2&artikel=5.3.7&z=2010-06-01&g=2010-06-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum massa beladen voertuig’.
5. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=2&artikel=5.12.7&z=2010-06-01&g=2010-06-01), worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’. Als ‘last onder de koppeling’ wordt in dat geval aangemerkt de op het registratiebewijs vermelde ‘druk onder de koppeling’.
6. Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in [artikel 5.12.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=2&artikel=5.12.7&z=2010-06-01&g=2010-06-01), wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op het registratiebewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
##### Artikel 11.12
@@ -11112,1416 +11112,2454 @@
### § 1. **Algemeen**
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
### § 1. **Algemeen**
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 2. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
### Artikel 10
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 1
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O
### Artikel 1
### Artikel 2. **Algemeen**
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie L
### Artikel 1
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
### Nationale typegoedkeuring voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T4.2 en T5
### Artikel 1
### Artikel 2
### Artikel 3
### Individuele toelating voertuigen voor de categorieën M, N, O, L en T
### Artikel 1
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 4
### Artikel 8
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 6
### Artikel 7
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
### Artikel 9
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### **Annex 1, behorende bij bijlage IV**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 6. **Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
### Artikel 5. **Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen**
### Artikel 6. **Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem**
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 9. **Uitgangen**
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 12. **Deuren; overige eisen**
### Artikel 13. **Deuren; treden**
### Artikel 14. **Toegangen; bedrijfsdeuren**
### Artikel 15. **Toegangen; nooddeuren**
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
### Artikel 17. **Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 20. **Nooduitgangen in het dak; toegang**
### Artikel 4
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 23. **Noodramen; toegang**
### Artikel 26. **Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 24. **Hoofddoorgang**
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 27. **Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen**
### Artikel 28. **Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### Artikel 30. **Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
### Artikel 34. **Handgrepen bij treden**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 36. **Ruiten**
### **Annex 2, behorende bij bijlage IV**
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
### Artikel 38. **Ventilatie en verwarmingsinrichtingen**
### Artikel 39. **Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen**
### **Annex 2, behorende bij bijlage IV**
### **Individuele toelating zelfbalancerende bromfietsen**
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 4
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 3
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 4
### Artikel 5
### Artikel 5
### Artikel 6
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 8
### Artikel 11
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### Artikel 12
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 11
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### Artikel 12
### Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
### Artikel 1
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
Op de retroreflector moet:
### Artikel 1
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 2
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 7
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
### Artikel 10
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 11
### Artikel 14
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 15
### Artikel 13
### Artikel 14
### Artikel 17
### Artikel 15
### Artikel 19
### Artikel 16
### Artikel 17
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Artikel 19
### Artikel 21
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
### Artikel 20
### E. **Warmteproef**
### Artikel 21
### G. **Corrosieproef**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 23
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### Artikel 2. **Algemeen**
### **Annex 1, behorende bij bijlage VB**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### B. **Proef waterpenetratie**
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### F. **Warmteproef**
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### H. **Corrosieproef**
### I. **Sterkte bevestiging**
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
### A. **Proef waterpenetratie**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### E. **Warmteproef**
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
### G. **Corrosieproef**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### B. **Proef waterpenetratie**
### Titel 1. **Algemeen**
### Artikel 2. **Algemeen**
### Toelatingseisen taxi’s
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 2. **Algemeen**
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
### Artikel 4. **Doorgangen**
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
### Restantvoorraden
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
### Artikel 3
### Titel 1. **Algemeen**
### § 1. **Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister**
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### § 1. **Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister**
De volgende gegevens, vermeld in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### § 3. **Kentekenplaat**
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
### Artikel 2
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 3
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 4
### Artikel 5
### Artikel 8
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 8
### Artikel 9
### Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 11
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 13
### Artikel 15
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
### § 1. **Chassisraam**
### Artikel 14
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### § 2. **Overige onderdelen**
### Artikel 16
### Artikel 17
### Artikel 20
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 22
### Artikel 19
### Artikel 20
### Artikel 21
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 24
### Afdeling 3. **Beoordelingsnorm voor roestschadereparaties**
### Artikel 23
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### Artikel 24
### Artikel 25
### Artikel 26
### Afdeling 1. **Constructiesnelheid**
### Artikel 27
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
### Afdeling 1. **Constructiesnelheid**
### Artikel 28
### § 1. **Personenauto’s**
### Artikel 29
### Artikel 31
### Afdeling 2. **Geluid**
### § 1. **Personenauto’s**
### Artikel 30
### Artikel 31
### Artikel 32
### Artikel 35
### § 2. **Motorfietsen**
### Artikel 33
### Artikel 34
### Artikel 35
### Artikel 38
### § 3. **Bromfietsen**
### Artikel 36
### Artikel 37
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### Afdeling 3. **Emissie**
### § 1. **Koolmonoxide**
### Artikel 39. **Aanwezigheid emissiebestrijdingssysteem**
Remslangen mogen:
### Artikel 41. **Koolmonoxide gehalte bij stationair toerental**
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
### Artikel 43. **Wijze van keuren**
### § 2. **Roet**
### Artikel 44. **Eisen Roetmeting**
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 1. **Fusees**
### Artikel 46
### Artikel 47
### § 2. **Draaipunten**
### Artikel 48
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 49
### Titel 5. **Ophanging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### Artikel 50
### Titel 6. **Stuurinrichting**
### § 1. **Stuurkoppeling**
### Artikel 51. **Controle Stuurkoppeling**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 52. **Maximale toegestane speling stuurkogels**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Afdeling 1. **Onderdelen van de reminrichting**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 53
### Artikel 55. **Remslangen**
Remslangen mogen:
### Artikel 54. **Remschijf**
### § 3. **Remslang**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### Artikel 57. **Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
### Artikel 58. **Pedaal- en remkrachten**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 2. **Rollenremtestbank**
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 59. **Bepalen van de remvertraging**
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### § 3. **Platenremtestbank**
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
m tot.geremd = De op de kentekenbewijzen vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet op de kentekenbewijzen vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
Aanvangssnelheid 40 km/h:
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 84. **Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem**
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
### Artikel 91
m ahw = De in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig.
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
### Artikel 91
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Artikel 92
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
### Artikel 94
### Artikel 96
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
### Artikel 97
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
### Artikel 99
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
### § 1. **Wielafscherming**
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
### Artikel 101
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
### § 1. **Wielafscherming**
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
### Artikel 91
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### Artikel 91
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 92
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 94
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 95
### Artikel 97
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
### Artikel 98
### Artikel 99
### Artikel 101
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
### § 1. **Wielafscherming**
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
### Artikel 101
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### § 1. **Wielafscherming**
### Artikel 102
### Artikel 103
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 105
### Artikel 106
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 108
### Artikel 123
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 124
### Artikel 110
### Artikel 112
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 112
### Titel 9. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### Artikel 113
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
### Artikel 115
### Artikel 127a
### Artikel 116
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
### Artikel 117
### Artikel 119
### Artikel 118
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 120
### Artikel 121
### Artikel 123
### Artikel 122
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 134
### Artikel 124
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
### Artikel 127a
### Artikel 129
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Artikel 128
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
### Artikel 129
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 130
### Artikel 133
### Artikel 131
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Titel 2. **Carrosserie**
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Artikel 137
### Artikel 135
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 136
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Artikel 138
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 139
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Artikel 140
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
### Artikel 141
### Artikel 143
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
### § 3. **Breedtespiegel**
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 145
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
### Artikel 146
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 147
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Artikel 150
### Artikel 149
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### § 6. **Wijze van keuren**
### Artikel 150
### Artikel 152
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
In deze annex:
### **Annex 1, behorend bij de artikelen 5 tot en met 7**
### Artikel 152
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
### Artikel 153
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
### **Annex 3, behorend bij de artikelen 17 tot en met 19**
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### Artikel 2
### Titel 1. **Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
In deze annex:
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
In deze annex:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
### Artikel 1.34
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
### Artikel 1.34
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
### Artikel 1.0
### Artikel 1.37
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
### Afdeling 2. **Eisen CNG**
### Artikel 1.29
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
### Artikel 1.30
### Artikel 1.31
### § 2.2. **Inbouwvoorschriften**
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Artikel 1.32
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
### Artikel 1.33
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
### Artikel 1.47
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.34
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Artikel 1.35
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 1.34
### Artikel 1.38
### Artikel 1.35
### Artikel 1.36
### Artikel 1.37
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
### Artikel 1.54
### Artikel 1.39
### Artikel 1.40
### Artikel 1.41
### Artikel 1.42
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
### Artikel 1.43
### Artikel 1.41
### Artikel 1.42
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.43
### Artikel 1.44
### Artikel 1.45
### Artikel 1.46
### Artikel 1.47
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.48
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.49
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.50
### Artikel 1.53
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.53
### Artikel 1.54
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.58
### Artikel 1.56
### Artikel 1.57
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.58
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.75
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.61
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
### Artikel 1.62
### Artikel 1.63
### Artikel 1.64
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.66
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.70
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
### Artikel 1.68
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.70
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
### Artikel 1.72
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 12. Diversen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 12. Diversen
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.18.36c
Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig [artikel 5.3.57, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01), [5.3a.57, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01), of [5.12.57, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-06-01&g=2010-06-01), op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
##### Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### B. Aanhangwagens
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of in een voertuig bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&z=2010-06-01&g=2010-06-01), opgenomen eisen.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 4. Manometers
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### § 2. **Voertuigen**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2009-12-16&g=2009-12-16)
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
### Artikel 7. **Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn**
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
## Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
### Artikel 9. **Wijze van inslag**
### Artikel 10. **Geen inslag van het voertuigidentificatienummer**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
### Nationale typegoedkeuring voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T4.2 en T5
### Wijze van bepalen datum eerste toelating
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 7
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 5
### Artikel 8
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 3. **Massa’s**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 8. **Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen**
### Artikel 11. **Deuren; afmetingen**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 18. **Nooduitgangen in het dak; Afmetingen**
### Artikel 19. **Nooduitgangen in het dak; overige eisen**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 26. **Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 34. **Handgrepen bij treden**
### Artikel 33. **Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 1
### Artikel 2
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 7
### Artikel 9
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 10
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 13
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### § 1. **Begripsomschrijvingen**
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 3
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### Artikel 12
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 18
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Artikel 22
### **Annex 3, behorende bij bijlage VB**
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### H. **Proef sterkte bevestiging**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### **Annex 3, behorende bij bijlage VB**
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### § 2. **Voertuigen**
### Artikel 2. **Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig**
### Artikel 3
### Artikel 3. **Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 4. **Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.**
### Artikel 5. **Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland**
### Artikel 6. **Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd**
### Artikel 8
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
### Artikel 9. **Voertuig is eerder in gebruik genomen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
### Artikel 10. **Nader onderzoek**
### Artikel 11. **Onjuiste datum eerste toelating**
### Artikel 10
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Titel 1. **Algemeen**
### Artikel 1
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie L
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De volgende gegevens, vermeld in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### § 3. **Kentekenplaat**
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24, 25 en 26 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Artikel 12
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 15
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 18
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 22
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 38
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
Remslangen mogen:
### Titel 4. **Assen**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 3. **Wiellagers**
### § 1. **Loadindex**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2. **Stuurkogels**
### Titel 7. **Reminrichting**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2. **Remschijf**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 55. **Remslangen**
Remslangen mogen:
### § 4. **Wijze van keuren**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 62. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
aahw = remvertraging aanhangwagen;
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
### Artikel 81. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
aahw = remvertraging aanhangwagen;
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
m tot.geremd = De in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Titel 8. **Carrosserie**
### Artikel 93
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 95
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
### Artikel 98
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Afdeling 3. **Afscherming**
### Artikel 107
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 97
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 104
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 107
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 109
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 114
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### Artikel 122
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 124
### Artikel 123
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 126
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Artikel 143
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
De markering van in de lengte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### Artikel 133
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 150
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Artikel 137
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### § 2. **Troittoirspiegel**
### Artikel 143
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Verdere verklaring aantal symbolen:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 148
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Artikel 151
### **Annex 2, behorend bij artikel 15, eerste lid**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### **Annex 1, behorend bij de artikelen 5 tot en met 7**
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Titel 1. **Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Titel 2. **Wijziging van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
### Artikel 1
### Artikel 2. **Algemeen**
### Nationale typegoedkeuring voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T4.2 en T5
### Artikel 1
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
### Individuele toelating voertuigen voor de categorieën M, N, O, L en T
### Artikel 1
### Artikel 2
### Artikel 3
### Artikel 4
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
### Artikel 5
### Artikel 6
### Artikel 7
### Artikel 8
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
### Artikel 9
### Artikel 17. **Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
### **Annex 1, behorende bij bijlage IV**
### **Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 26. **Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 3. **Massa’s**
### Artikel 4. **Bestuurderscompartiment**
### Artikel 5. **Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen**
### Artikel 6. **Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 8. **Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen**
### Artikel 9. **Uitgangen**
### Artikel 10. **Deuren; plaats en aantal**
### Artikel 11. **Deuren; afmetingen**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 13. **Deuren; treden**
### Artikel 14. **Toegangen; bedrijfsdeuren**
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 16. **Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten**
### Artikel 17. **Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal**
### Artikel 18. **Nooduitgangen in het dak; Afmetingen**
### **Annex 2, behorende bij bijlage IV**
### Artikel 19. **Nooduitgangen in het dak; overige eisen**
### Artikel 20. **Nooduitgangen in het dak; toegang**
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
### Artikel 21. **Noodramen; afmetingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 23. **Noodramen; toegang**
### Artikel 4
### Artikel 24. **Hoofddoorgang**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 3
### Artikel 26. **Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
### Artikel 27. **Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen**
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### Artikel 29. **Staanplaatsen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 8
### Artikel 31. **Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### Artikel 33. **Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 11
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
### Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 39. **Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen**
### **Annex 2, behorende bij bijlage IV**
### **Individuele toelating zelfbalancerende bromfietsen**
### Artikel 1
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
### Artikel 2
### Artikel 1
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 4
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 3
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 7
### Artikel 8
### Artikel 5
### Artikel 9
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 10
### Artikel 11
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
### Artikel 12
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
### Artikel 13
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
### Artikel 11
### Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
### Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### § 1. **Begripsomschrijvingen**
### Artikel 1
### § 2. **Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
### § 2.1. **Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens**
Op de retroreflector moet:
### Artikel 3
### Artikel 18
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 21
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
### Artikel 7
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
### Artikel 10
### Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### **Annex 1, behorende bij bijlage VB**
### Artikel 12
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 13
### Artikel 14
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
### Artikel 15
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### Artikel 16
### Artikel 17
### Artikel 18
### Artikel 19
### I. **Sterkte bevestiging**
### § 2.3. **Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen**
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### Artikel 21
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### Artikel 22
### E. **Warmteproef**
### Artikel 23
### G. **Corrosieproef**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### **Annex 1, behorende bij bijlage VB**
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
### Artikel 2. **Algemeen**
### C. **Brandstoffenproef voorzijde**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### E. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### F. **Warmteproef**
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
### H. **Corrosieproef**
### I. **Sterkte bevestiging**
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
### A. **Proef waterpenetratie**
### B. **Brandstoffenproef voorzijde**
### C. **Brandstoffenproef achterzijde**
### D. **Smeermiddelenproef voorzijde**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### F. **Proef bestandheid tegen inslag**
### G. **Corrosieproef**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Annex 3, behorende bij bijlage VB**
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### Toelatingseisen taxi’s
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
### Titel 1. **Algemeen**
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 3.1. **Aantal uitgangen**
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
### Artikel 3.2. **Plaats uitgangen**
### Artikel 3.3. **Afmetingen uitgangen**
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### Artikel 3.5. **Handgrepen uitgangen**
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenbewijs**
### Artikel 3.6. **Treden uitgangen**
### Artikel 3.7. **Oprijplateau’s en -goten**
### § 3. **Kentekenplaat**
### Artikel 3.8. **Liftinstallaties**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 5. **Zitplaatsen**
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7. **Ligplaatsen**
### Artikel 8
### Restantvoorraden
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 2
### Artikel 9
### Artikel 3
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
### Artikel 11
### Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### Titel 1. **Algemeen**
### § 1. **Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister**
### Artikel 1
### Artikel 14
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 2
De volgende gegevens, vermeld in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### § 3. **Kentekenplaat**
### Artikel 3
### Titel 2. **Algemene bouwwijze van het voertuig**
### Afdeling 1. **Voertuigen zonder een volledig dragend chassis**
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Artikel 5
### Artikel 21
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 24
### Artikel 7
### Artikel 8
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
### Artikel 11
### Artikel 12
### Artikel 13
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### Afdeling 2. **Voertuigen met een volledig dragend chassis**
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### Artikel 14
### Artikel 15
### § 2. **Overige onderdelen**
### Artikel 16
### Artikel 17
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 18
### Artikel 31
### Artikel 19
### Artikel 20
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 22
### Artikel 34
### Afdeling 3. **Beoordelingsnorm voor roestschadereparaties**
### Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
### Artikel 24
### Artikel 25
### Artikel 26
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### Artikel 27
### § 1. **Koolmonoxide**
### Titel 3. **Motor en brandstofsystemen**
### Afdeling 1. **Constructiesnelheid**
### Artikel 28
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
### Artikel 29
### § 2. **Roet**
### Afdeling 2. **Geluid**
### § 1. **Personenauto’s**
### Artikel 30
### Artikel 31
### Artikel 32
### Artikel 47
### § 2. **Motorfietsen**
### Artikel 33
### Artikel 34
### Artikel 35
### Titel 5. **Ophanging**
### § 3. **Bromfietsen**
### Artikel 36
### Artikel 37
### Artikel 38
### Artikel 51. **Controle Stuurkoppeling**
### Afdeling 3. **Emissie**
### § 1. **Koolmonoxide**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### Artikel 40. **Controle werking emissiebestrijdingssysteem**
### Artikel 41. **Koolmonoxide gehalte bij stationair toerental**
### Artikel 42. **Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental**
### Artikel 43. **Wijze van keuren**
Remslangen mogen:
### Artikel 44. **Eisen Roetmeting**
### Artikel 45. **Wijze van keuren**
### Titel 4. **Assen**
### § 1. **Fusees**
### Artikel 46
### Artikel 47
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 48
### § 3. **Wiellagers**
### Artikel 49
### Titel 5. **Ophanging**
### § 1. **Loadindex**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Titel 6. **Stuurinrichting**
### § 1. **Stuurkoppeling**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2. **Stuurkogels**
### Artikel 52. **Maximale toegestane speling stuurkogels**
### Titel 7. **Reminrichting**
### Afdeling 1. **Onderdelen van de reminrichting**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 53
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2. **Remschijf**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### § 3. **Remslang**
### Artikel 55. **Remslangen**
Remslangen mogen:
### § 4. **Wijze van keuren**
### Artikel 56. **Wijze van keuren**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### § 1. **Wijze van bepaling van remvertraging**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 58. **Pedaal- en remkrachten**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### § 2.1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 59. **Bepalen van de remvertraging**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 61. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 62. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem**
### Artikel 63. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 2.2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
### Artikel 66. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
### Artikel 67. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### § 2.3. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
### Artikel 71. **Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem**
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
### Artikel 72. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### § 2.4. **Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 73. **Bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
### Artikel 75. **Maximale remkrachten bedrijfsrem**
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
m tot.geremd = De op de kentekenbewijzen vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet op de kentekenbewijzen vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
m ahw = De op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa ledig voertuig.
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
Aanvangssnelheid 40 km/h:
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### § 4.2. **Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
aahw = remvertraging aanhangwagen;
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
m tot.geremd = De in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 89. **Afgelegde remweg**
### Artikel 91
Aanvangssnelheid 40 km/h:
### Afdeling 1. **Voorruiten**
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 91
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
### Artikel 92
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
### Artikel 94
### Artikel 96
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
### Artikel 97
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
### Artikel 90. **afgelegde remweg**
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Artikel 99
### Artikel 101
### Artikel 100
### § 1. **Wielafscherming**
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
### Artikel 101
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
### § 1. **Wielafscherming**
### Titel 8. **Carrosserie**
### Afdeling 1. **Voorruiten**
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 91
### Artikel 105
### Artikel 92
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### Artikel 94
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
### Artikel 95
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
### Artikel 1.1
### Artikel 1.30
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.44
### Artikel 1.46
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
### Artikel 1.36
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.38
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
### § 2.2.2. **CNG-tank**
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.64
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### Artikel 1.51
### Artikel 1.52
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.59
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.60
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2. **Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg**
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 110
### Artikel 97
### Artikel 98
### Artikel 99
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
### Titel 9. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### Afdeling 2. **Trottoirspiegel**
### Artikel 101
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
### § 1. **Wielafscherming**
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
### Artikel 103
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
### Artikel 104
### Artikel 105
### Artikel 106
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 107
### Artikel 108
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
### Artikel 109
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
### Artikel 110
### Artikel 123
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 124
### § 3. **Frontbeschermingsinrichting**
### Artikel 112
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Afdeling 1. **Dimlicht**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 125
### Artikel 114
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### Artikel 115
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
### Artikel 117
### Artikel 127a
### Artikel 118
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### § 1. **Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 119
### Artikel 129
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Artikel 121
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
De markering van in de breedte uitstekende lading moet bestaan uit:
### Artikel 133
### § 2. **Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek**
### Artikel 123
### Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### § 3. **Retroreflecterende voorzieningen fietsen**
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 134
### Artikel 126
### Artikel 135
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
### § 5. **Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen**
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 139
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Artikel 128
### Titel 10. **Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen**
### Artikel 129
### Artikel 143
### Hoofdstuk 2. **Gebruikseisen**
### Titel 1. **Afmetingen en massa’s**
### Artikel 130
De markering van in de lengte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### Artikel 131
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 145
### Artikel 133
### Titel 2. **Carrosserie**
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
### Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 135
### Artikel 150
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Artikel 137
### Artikel 138
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
### Artikel 139
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
### Artikel 140
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
### Artikel 141
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
### § 2. **Troittoirspiegel**
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### § 3. **Breedtespiegel**
### Artikel 143
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
### Artikel 145
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### Artikel 147
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
### Artikel 148
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### Artikel 149
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Artikel 150
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
### Artikel 151
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Artikel 152
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
In deze annex:
### **Annex 1, behorend bij de artikelen 5 tot en met 7**
### **Annex, behorende bij bijlage IX, artikel 4, eerste lid, onderdeel a**
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### **Deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 1. **Begripsbepalingen**
### Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Hoofdstuk 2. **Algemeen**
### Artikel 2
### Artikel 1.1
### Hoofdstuk 3. **Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 4. **Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Hoofdstuk 5. **Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister**
### Titel 1. **Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag**
### Titel 2. **Wijziging van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag**
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
### Artikel 1
In deze annex:
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
### Artikel 1.34
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Hoofdstuk 0. **Algemeen**
### Artikel 1.0
### Artikel 1.34
### Hoofdstuk 1. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas**
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
### Artikel 1.1
### Artikel 1.37
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.31
### § 2.2. **Inbouwvoorschriften**
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Artikel 1.32
### Artikel 1.41
### Artikel 1.33
### § 2.2.2. **CNG-tank**
### Artikel 1.43
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
### Artikel 1.45
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
### Artikel 1.47
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.34
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Artikel 1.35
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.37
### Artikel 1.38
### Artikel 1.51
### Artikel 1.39
### Artikel 1.40
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
### Artikel 1.54
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
### Artikel 1.55
### Artikel 1.41
### Artikel 1.42
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.43
### Artikel 1.44
### Artikel 1.45
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.47
### Artikel 1.60
### Artikel 1.48
### Artikel 1.64
### Artikel 1.49
### § 2.2.3. **Tankbanden**
### Artikel 1.50
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
### Artikel 1.51
### Artikel 1.66
### Artikel 1.52
### Artikel 1.53
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.65
### Artikel 1.67
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
### § 2.2.4. **Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank**
### Artikel 1.72
### Artikel 1.71
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.70
### Artikel 1.56
### Artikel 1.57
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### Artikel 1.58
### Artikel 1.59
### Artikel 1.73
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.60
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.75
### § 2.2.7. **Gasleidingen en -slangen**
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.63
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.65
### Artikel 1.66
### Artikel 1.67
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.68
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.70
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 1.71
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
### § 2.2.9. **Vulaansluiting**
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
@@ -12531,1044 +13569,6 @@
### § 2.2.10. **Automatische afsluitklep**
### Artikel 1.74
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 0. Algemeen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 0. Algemeen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 9. Fietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 17. Wagens
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 2. Afmetingen en massa’s
### Afdeling 17. Wagens
#### § 0. Algemeen
#### § 9. Carrosserie
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
##### Artikel 5.18.36c
Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig [artikel 5.3.57, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3&paragraaf=10&artikel=5.3.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [5.3a.57, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=3a&paragraaf=10&artikel=5.3a.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01), of [5.12.57, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=12&paragraaf=10&artikel=5.12.57&z=2010-01-01&g=2010-01-01), op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
##### Artikel 5.18.36d
1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### B. Aanhangwagens
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
##### Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of in een voertuig bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), moet het voertuig voldoen aan de in [hoofdstuk 3, afdeling 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=6&z=2010-01-01&g=2010-01-01), opgenomen eisen.
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.1. Algemeen
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 1.2.4. Temperatuuraspecten
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 4.1. Algemeen
#### § 1.2.10. Meetprogramma
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 5.2. Technische eisen
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 9.3. Technische eisen
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 10.2. Technische eisen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
### Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
### Artikel 1. **Begripsbepalingen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### Artikel 8. **Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
### Hoofdstuk 1. **Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer**
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
### Artikel 3. **Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig**
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
### Artikel 4. **Identificatie**
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
### § 3. **Samengestelde voertuigen**
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2009-12-16&g=2009-12-16)
### Artikel 1
## Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
### § 1. **Algemeen**
## Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
### Artikel 1
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
### Artikel 7. **Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten**
### Artikel 7
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
### Artikel 15. **Toegangen; nooddeuren**
### Artikel 10
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
### Artikel 2. **Algemeen**
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 7. **Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
### Artikel 12. **Deuren; overige eisen**
### Artikel 15. **Toegangen; nooddeuren**
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
### Artikel 39. **Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen**
### Artikel 22. **Noodramen; overige eisen**
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
### Artikel 30. **Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen**
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
### Artikel 32. **Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
### Artikel 34. **Handgrepen bij treden**
### Artikel 36. **Ruiten**
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
### Artikel 37. **Binnenverlichting**
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
## Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
## Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
### Artikel 3
### Artikel 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 9
Op de retroreflector moet:
### § 2.2. **Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen**
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
### Artikel 12
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
### Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 2
### Artikel 4
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
### Artikel 5
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### Artikel 20
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
### Artikel 24
### **Annex 3, behorende bij bijlage VB**
## Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
### D. **Brandstoffenproef achterzijde**
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
### G. **Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht**
### **Annex 2, behorende bij bijlage VB**
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
### E. **Warmteproef**
### H. **Proef sterkte bevestiging**
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
### A. **Meting lichtsterktecoëfficiënt**
### Artikel 2
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
## Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
### Hoofdstuk 1. **Voertuigeisen**
### Artikel 3.4. **Uitvoering uitgangen**
De volgende gegevens in het kentekenregister moeten overeenkomen met de gegevens op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I voor zover op deel IA of deel I vermeld:
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
### Artikel 4. **Doorgangen**
### Artikel 6. **Plaatsen voor rolstoelen**
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 7
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
### § 2. **Overeenstemming voertuig met kentekenregister**
### Artikel 16
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 4
### Artikel 6
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
### Artikel 25
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24, 25 en 26 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### § 1. **Chassisraam**
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
### § 1. **Personenauto’s**
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 21
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 3. **Bromfietsen**
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
### Artikel 39. **Aanwezigheid emissiebestrijdingssysteem**
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
### § 2. **Roet**
Remslangen mogen:
### § 2. **Draaipunten**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### Artikel 50
### Artikel 51. **Controle Stuurkoppeling**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
### § 1. **Remleiding**
### Artikel 65. **Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem**
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 68. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Afdeling 2. **Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
### Artikel 57. **Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens**
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
### § 2. **Rollenremtestbank**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 60. **Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem**
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 64. **Gebruik van de rollenremtestbank**
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
### Artikel 78. **Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem**
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### § 3.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
aahw = remvertraging aanhangwagen;
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
### Afdeling 3. **Remvertraging motorfietsen**
### Artikel 81. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
### Artikel 88. **Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem**
m ahw = De in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig.
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
### Titel 8. **Carrosserie**
### Artikel 93
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### Artikel 95
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
### Artikel 98
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
### Afdeling 3. **Afscherming**
### Artikel 107
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 100
### Artikel 102
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
### § 2. **Zijdelingse afscherming**
### Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 120
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
### Artikel 111
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 113
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
### Afdeling 2. **Gasontladingslichtbronnen**
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 116
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
### Artikel 122
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
### Artikel 124
### Artikel 125
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
### Artikel 137
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
### Artikel 143
### Artikel 132
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
### § 5. **Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem**
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
### Artikel 136
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
### Artikel 150
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
### Titel 3. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### § 4. **Gezichtsveldverbeterende voorziening**
### **Annex 5, behorend bij artikel 50**
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Behalve bovenstaande symbolen en het E en/of e teken gevolgd door de aanduiding van het land dat de goedkeuring heeft toegekend, bevat het goedkeuringsmerk ook een goedkeuringsnummer (de eerste twee cijfers geven de ‘series of amendments’ aan).
Verdere verklaring aantal symbolen:
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
### § 6. **Wijze van keuren**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Artikel 153
### **Annex 2, behorend bij artikel 15, eerste lid**
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### **Annex 3, behorend bij de artikelen 17 tot en met 19**
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
### **Annex, behorende bij bijlage IX, artikel 4, eerste lid, onderdeel a**
### § 2.2.1. **Algemeen**
### Artikel 2. **Algemeen**
### Artikel 1.33
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
### Afdeling 2. **Eisen CNG**
### § 2.1. **Eisen toelating CNG-onderdelen**
### Artikel 1.30
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.44
### Artikel 1.46
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
### Artikel 1.36
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
### Artikel 1.53
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### § 2.2.2. **CNG-tank**
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
### Artikel 1.64
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.54
### Artikel 1.55
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.61
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.62
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.64
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.8. **Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen**
### Artikel 1.69
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
### Artikel 1.72
### Artikel 1.73
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 1.76
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
@@ -13604,7 +13604,7 @@
##### Artikel 5.6.72
In afwijking van [artikel 5.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&artikel=5.6.0&z=2010-01-01&g=2010-01-01) moet een zelfbalancerende bromfiets voldoen aan deze paragraaf en wordt deze beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
In afwijking van [artikel 5.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&artikel=5.6.0&z=2010-06-01&g=2010-06-01) moet een zelfbalancerende bromfiets voldoen aan deze paragraaf en wordt deze beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
##### Artikel 5.6.73
@@ -13616,20 +13616,20 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in [bijlage VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=VIII&z=2010-06-01&g=2010-06-01), hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.75
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 1,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt het voertuig gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van toepassing is. |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 1,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt het voertuig gemeten, waarbij [artikel 5.1a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=1a&artikel=5.1a.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) van toepassing is. |
##### Artikel 5.6.76
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) voor zelfbalancerende bromfietsen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 1. | Zelfbalancerende bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1.1&z=2010-06-01&g=2010-06-01) voor zelfbalancerende bromfietsen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
##### Artikel 5.6.77
@@ -13743,7 +13743,7 @@
| | Eisen | Wijze van Keuren |
| --- | --- | --- |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=13&artikel=5.6.89&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [5.6.90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=13&artikel=5.6.90&z=2010-01-01&g=2010-01-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
| | Zelfbalancerende bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de [artikelen 5.6.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=13&artikel=5.6.89&z=2010-06-01&g=2010-06-01) en [5.6.90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&afdeling=6&paragraaf=13&artikel=5.6.90&z=2010-06-01&g=2010-06-01) is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
##### Artikel 5.6.94
@@ -13879,24 +13879,840 @@
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 3. Reminrichting
#### A. Aanhangwagens
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### B. Aanhangwagens
#### D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
#### E. Wagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 1. Algemeen
#### § 1. Algemeen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
#### § 2.2. Certificaten
#### § 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 3.1. Algemeen
#### § 4. Manometers
#### § 4.1. Algemeen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 4.2. Technische eisen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.1. Algemeen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.2.1. Controle-inrichting
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 8.2. Technische eisen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.1. Constructie
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10.3. De maximale fout
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
#### § 10.8. Registratie-inrichting
#### § 10.9. Overige
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.1. Algemeen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 12. Koplamptestapparaten
#### § 2. Aanvraag ontheffing
#### § 3. Beschikking inzake ontheffing
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 1. **Algemeen**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Artikel 5. **Nader onderzoek**
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
### Artikel 10
### Artikel 22. **Noodramen; overige eisen**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 25. **Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 32. **Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang**
### Artikel 35. **Bagageruimten**
In deze annex wordt verstaan onder:
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
### Artikel 3
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
### Artikel 4
### Artikel 5
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 11
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
### Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 6
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### § 1. **Remleiding**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 80. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een twee-plaatsremtestbank**
### Artikel 80. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een twee-plaatsremtestbank**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 81. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
Aanvangssnelheid 25 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 100
### Artikel 111
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Afdeling 3. **Zijmarkeringslichten en retroreflectoren**
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### Artikel 125
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
De markering van in de breedte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### Artikel 132
### Artikel 142
### Artikel 142
### § 4. **Gezichtsveldverbeterende voorziening**
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
### **Annex 2, behorend bij artikel 15, eerste lid**
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### **Annex, behorende bij bijlage IX, artikel 4, eerste lid, onderdeel a**
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### Afdeling 1. **Eisen LPG**
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### § 2.2.2. **CNG-tank**
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### Artikel 1.55
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.73
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.75
### Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### Artikel 1.77
### Artikel 1.79
### Artikel 1.78
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.79
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.81
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
### **T100-bussen**
### Artikel 2.2
### Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 5.2.79
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 3a. Bussen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 4. Motorfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 6. Bromfietsen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Motor en brandstofsystemen
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
#### § 13. Zelfbalancerende bromfietsen
### Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
#### § 12. Diversen
### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
#### § 0. Algemeen
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
#### § 9. Carrosserie
#### § 12. Diversen
### Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 6. Ophanging
#### § 7. Stuurinrichting
#### § 8. Reminrichting
#### § 12. Diversen
### Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 3. Motor
#### § 4. Krachtoverbrenging
#### § 8. Reminrichting
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 5. Assen
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
#### § 0. Algemeen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
#### § 8. Reminrichting
### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 3. Brandstofsystemen
##### Artikel 5.14.29
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
### Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### § 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
##### Artikel 5.16.59
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Afdeling 17. Wagens
#### § 2. Afmetingen en massa’s
#### § 6. Ophanging
#### § 8. Reminrichting
#### § 9. Carrosserie
#### § 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
### Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
@@ -13905,10 +14721,14 @@
#### § 1. Afmetingen en massa’s
#### A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
#### F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
#### G. Middenasaanhangwagens
#### § 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
@@ -13917,6 +14737,8 @@
#### A. Aanhangwagens
#### § 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
#### A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
#### C. Gehandicaptenvoertuigen
@@ -13925,29 +14747,25 @@
#### E. Wagens
#### § 5. Verbinding tussen voertuigen
#### A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
#### B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
#### C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
#### D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
#### § 6. Diversen
### Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
#### § 1. Algemeen
#### § 2. Eisen wijziging in de constructie
### Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
### Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
### Afdeling 1. Algemeen
#### § 1. Algemene bepalingen
#### § 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
#### § 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
@@ -13957,9 +14775,7 @@
### Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
#### § 1. Keuringsinstellingen
#### § 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
#### § 2. Onderzoeksgerechtigden
### Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
@@ -13967,80 +14783,54 @@
#### § 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
#### § 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
#### § 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
### Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
#### § 1. Roetmeters
#### § 1.1. Algemeen
#### § 1.2. Technische eisen
#### § 1.2.1. Controle-inrichtingen
#### § 1.2.3. Optisch systeem
#### § 1.2.5. Monsternamesysteem
#### § 1.2.6. Functiestanden
#### § 1.2.7. Aanwijsinrichting
#### § 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
#### § 2. Toerentellers
#### § 2.2. Technische eisen
#### § 3. Olietemperatuurmeters
#### § 3.1. Algemeen
#### § 3.2. Technische eisen
#### § 4. Manometers
#### § 4.1. Algemeen
#### § 5. Pedaalkrachtmeters
#### § 5.1. Algemeen
#### § 6. Remvertragingsmeters
#### § 6.2. Technische eisen
#### § 7. Rollenremtestbanken
#### § 7.1. Algemeen
#### § 7.2. Technische eisen
#### § 7.2.2. De maximale fout
#### § 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
#### § 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
#### § 7.2.3. Uitvoering
#### § 7.2.5. Aanwijsinrichting
#### § 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
#### § 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
#### § 7.2.8. Registratie-inrichting
#### § 7.2.9. Overgangsmaatregelen
#### § 8. Platenremtestbanken
#### § 8.1. Algemeen
#### § 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
#### § 9.1. Algemeen
#### § 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
#### § 9.3.2. Beveiligingen
#### § 9.4. Justeringen
#### § 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
#### § 10. Bromfietsrollentestbank
#### § 10.1. Algemeen
@@ -14049,8 +14839,6 @@
#### § 10.4. Uitvoering
#### § 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
#### § 10.6. Aanwijsinrichting
#### § 10.7. Resulterende meetwaarde
@@ -14061,12 +14849,8 @@
#### § 11. Geluidsniveaumeter
#### § 11.1. Algemeen
#### § 11.2. Technische eisen
#### § 12. Koplamptestapparaten
### Hoofdstuk 9. Ontheffingen
#### § 1. Ontheffingen
@@ -14077,125 +14861,93 @@
#### § 4. Tarieven
### Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
### Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
## Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
### Artikel 8. **Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating**
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIId. , behorende bij [artikel 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=5&artikel=3.11&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
In deze annex wordt verstaan onder:
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
### H. **Proef sterkte bevestiging**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
### § 2. **Voertuigen**
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
### Artikel 6. **Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn**
### Hoofdstuk 2. **Inslag voertuigidentificatienummer**
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
## Bijlage IIIa. , behorende bij [artikel 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IIIb. , behorende bij [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IIIc. , behorende bij [artikel 3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=2&paragraaf=1&artikel=3.4&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
### Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
### Artikel 25. **Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen**
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
### Artikel 28. **Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen**
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
### Artikel 35. **Bagageruimten**
### Artikel 38. **Ventilatie en verwarmingsinrichtingen**
In deze annex wordt verstaan onder:
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van [richtlijn 97/24/EG](31997L0024) te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan [richtlijn 97/24/EG](31997L0024).
### Artikel 6
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
## Bijlage Va. , behorende bij [artikel 3.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage Vb. , behorende bij [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=3&afdeling=3&artikel=3.9&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### Artikel 6
### Artikel 8
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
### Artikel 11
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in [richtlijn 76/757/EEG](31976L0757) omtrent de retroreflector van Klasse I.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
### B. **Proef waterpenetratie**
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
## Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
## Bijlage VIII. , behorende bij [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&hoofdstuk=5&z=2010-06-01&g=2010-06-01)
Vervallen.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
### Artikel 9
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
@@ -14207,61 +14959,27 @@
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
### Artikel 54. **Remschijf**
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
### Artikel 69. **Referentieremkracht**
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
### Artikel 74. **Bepaling remkrachten bedrijfsrem**
### § 3. **Platenremtestbank**
### Artikel 77. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 70. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 76. **Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem**
### Artikel 79. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank**
### Artikel 80. **Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een twee-plaatsremtestbank**
### § 4. **Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter**
### § 4.1. **Personenauto, bedrijfsauto of bus**
### Artikel 82. **Pedaalkracht bedrijfsrem**
### Artikel 83. **Bepalen remvertraging**
### Artikel 84. **Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem**
### Artikel 85. **Bepalen remvertraging parkeerrem**
### Artikel 86. **Voorwaarden beproeving bedrijfsrem**
### Artikel 87. **Bepalen remvertraging bedrijfsrem**
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
### Afdeling 4. **Remvertraging bromfietsen**
Aanvangssnelheid 25 km/h:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
### Artikel 88. **Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem**
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
Aanvangssnelheid 40 km/h:
@@ -14269,166 +14987,96 @@
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
### § 1. **Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg**
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
### Artikel 93
### Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Afdeling 3. **Afscherming**
### Titel 9. **Verlichting en retroreflecterende voorzieningen**
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
### Artikel 120
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
### § 4. **Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen**
### Artikel 127a
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling 4. **Beschadigingen en bewerkingen**
De markering van in de breedte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
### § 1. **Linker en rechter buitenspiegel**
### Artikel 142
### Artikel 144
### Artikel 146
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
### **Annex 4, behorend bij artikel 50**
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
## Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
### Artikel 3. **Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig**
### Artikel 4. **Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig**
### Artikel 5. **Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig**
### Artikel 2. **Algemeen**
## Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
### **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig**
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
### Artikel 1.29
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
### Artikel 1.46
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
### § 2.2.5. **Automatische tankafsluiter**
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.6. **Gasdichte behuizing op de tank**
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.75
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### Artikel 1.69
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
### Artikel 1.76
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
### § 2.2.11. **Handafsluiter**
### Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
### Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
### § 2.2.12. **Elektrische voorzieningen**
### Artikel 1.79
### Artikel 1.80
### Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
### Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
### Artikel 1.83
### Hoofdstuk 2. **Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel**
### Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
### Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
## Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
2010-01-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 3 y 491 más
2009-12-16
Regeling voertuigen — art. 3
2009-11-24
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 2 y 503 más
2009-08-21
Regeling voertuigen — arts. 2, 2, 2 y 743 más
2009-05-01
Regeling voertuigen — arts. 1, 1, 1 y 1267 más
2009-05-01
Regeling voertuigen
original version Tekst op deze datum