Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)
Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van bekwaamheidseisen, vastgesteld op grond van artikel 7.23, vierde lid, of 7.24, tweede lid, aan een school werkzaamheden van onderwijskundig-leidinggevende aard verricht, respectievelijk onderwijsondersteunende werkzaamheden, wordt aangemerkt als op dat tijdstip aan die bekwaamheidseisen te voldoen.
Artikel 12.12. Omzetting lopende aanvragen geschiktheidsonderzoek zij-instroom
Aanvragen tot het uitvoeren van een geschiktheidsonderzoek, op grond van artikel 118l van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 198 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.27.
Artikel 12.13. Omzetting geschiktheidsverklaringen
Op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel nog geldige geschiktheidsverklaringen, afgegeven op grond van artikel 118k, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 197, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, gelden vanaf die inwerkingtreding als te zijn afgegeven op grond van artikel 7.28, eerste lid, indien deze verklaringen vanaf dat tijdstip geldig zouden zijn geweest.
Artikel 12.14. Omzetting bevoegdheid geschiktheidsonderzoek zij-instroom
Instellingen voor hoger onderwijs die bij inwerkingtreding van dit artikel bevoegd zijn tot het verrichten van het geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.29, worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in artikel 7.29.
Artikel 12.15. Omzetting lopende aanvragen bevoegdheid tot uitvoeren geschiktheidsonderzoek zij-instroom
Aanvragen tot het mogen uitvoeren van geschiktheidsonderzoeken, op grond van artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.29.
Artikel 12.16. Omzetting melding zij-instroom
Een gedane melding onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of artikel 202, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, geldt als te zijn gedaan op grond van artikel 7.32, eerste lid.
Artikel 12.17. Omzetting lopende aanvragen bevoegdheid tot uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek zij-instroom
Aanvragen tot het mogen uitvoeren van scholing, begeleiding en het bekwaamheidsonderzoek bij zij-instroom, op grond van artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 202 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.32.
Artikel 12.18. Omzetting lopende experimenten
Algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op grond van artikel 118t van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 205a van de Wet voortgezet onderwijs BES, met betrekking tot experimenten waarvan de duur op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 9.1 nog niet is verstreken, berusten met ingang van dat tijdstip op artikel 9.1 of, indien van toepassing, op artikel 9.2.
Artikel 12.19. Sancties
Besluiten van Onze Minister, genomen op grond van artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 184 van de Wet voortgezet onderwijs BES, berusten met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.1 op dat artikel.
Artikel 12.20. Aanvragen, bezwaren en beroepen over periode voor inwerkingtreding WVO 2020
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, blijven de Wet op het voortgezet onderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, van toepassing op:
- a. aanvragen die op grond van die wet of die voorschriften binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend bij Onze Minister en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen;
- b. bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend met betrekking tot die wet of die voorschriften en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen.
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, blijven de Wet voortgezet onderwijs BES en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, van toepassing op:
- a. aanvragen die op grond van die wet of die voorschriften binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend bij Onze Minister en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen;
- b. bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend met betrekking tot die wet of die voorschriften en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen.
Paragraaf 1. Invoeringsrecht WVO 2020
Artikel 12.21. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- school: school als bedoeld in artikel 1.1, of instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86.
Artikel 12.22. Reikwijdtebepaling hoofdstuk 12, paragraaf 2
Deze paragraaf is alleen van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 12.23. Overgangsrecht voorziening in de huisvesting in Caribisch Nederland
In afwijking van de artikelen 11.62 tot en met 11.68 en met overeenkomstige toepassing van artikel 11.71 gelden tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen in een openbaar lichaam.
Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam zijn tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gezamenlijk verantwoordelijk voor de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen alsmede voor de financiering daarvan.
Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam sluiten ter invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid, namens de Staat der Nederlanden onderscheidenlijk namens het betreffende openbaar lichaam, een of meer convenanten.
Overeenkomstig het convenant of de convenanten, bedoeld in het derde lid, stelt Onze Minister voor elk van de openbare lichamen een plan vast, waarin de voornemens op het terrein van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, alsmede de financiering daarvan, op hoofdlijnen worden beschreven.
Onze Minister stelt de plannen, bedoeld in het vierde lid, vast in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam en na overleg met de betreffende bevoegde gezagsorganen van de scholen.
Onze Minister kan een of meer plannen, bedoeld in het vierde lid, in overeenstemming met het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, wijzigen.
De plannen dan wel een wijziging daarvan, worden aan de betrokken bevoegde gezagsorganen van de scholen en in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 12.25. Benoembaarheid bevoegde leraren Caribisch Nederland
Onverminderd artikel 7.3, kunnen in afwijking van artikel 7.9, eerste lid, en artikel 7.11, eerste lid, aan scholen in een openbaar lichaam leraren worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, die op 31 juli 2011 bevoegd waren tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.
Artikel 12.26. Benoembaarheid leidinggevend personeel Caribisch Nederland
Onverminderd de artikelen 7.3 en 7.23 kan in afwijking van artikel 7.11, eerste lid, aan een school in een openbaar lichaam tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die op 31 juli 2011, bevoegd was tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.
Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Artikel 12.27. Vergoeding restantboekwaarde van investeringen gedaan door bevoegd gezag voor 1997, bij einde gebruik gebouw
Indien artikel 6.20 toepassing vindt, vergoedt de gemeente, indien gedeelten van de gebouwen uit eigen middelen zijn bekostigd en hiervoor geen vergoeding is genoten, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school de restantboekwaarde van die gedeelten, voor zover het gaat om investeringen die hebben plaatsgevonden voor 1 januari 1997.
De restantboekwaarde wordt vastgesteld op basis van de afschrijvingstermijn van een dertigjarige annuïtaire lening. Het bevoegd gezag dient de bekostiging uit eigen middelen aan te tonen door middel van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Artikel 12.28. Overgangsrecht voorziening verticale scholengemeenschap met vakinstelling
Artikel 6.22 is van overeenkomstige toepassing op de school of scholengemeenschap die samen met een vakinstelling als bedoeld in de WEB als verticale scholengemeenschap in de zin van de artikelen 2.6.1 en 12.2.3 van die wet is aangemerkt.
Paragraaf 4. Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Artikel 12.29. Overgangsrecht bestaande bewijzen van bekwaamheid en bestaande bevoegdheden
Degene die op 1 augustus 2006 in het bezit was van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs ingevolge de wettelijke voorschriften zoals luidend op 31 juli 2006, wordt aangemerkt als aan de van toepassing zijnde bekwaamheidseisen voor leraren te voldoen.
Artikel 12.30. Overgangsrecht voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en voor het verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden daarvoor
Degene die op 31 juli 2017 voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een school is benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, alsmede degene die eerder al voor het geven van dat onderwijs benoemd is geweest of tewerkgesteld zonder benoeming, voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het geven van dat onderwijs.
Degene die binnen een periode van vijf jaren gerekend vanaf 1 augustus 2017 voor de eerste keer wordt benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een school, dient binnen een periode van vijf jaren gerekend vanaf het tijdstip van die eerste benoeming of die eerste tewerkstelling zonder benoeming, te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het geven van dat onderwijs om belast te kunnen blijven worden met de desbetreffende werkzaamheden. Bij algemene maatregel van bestuur kan deze periode worden verlengd met een daarbij te bepalen periode indien verlenging noodzakelijk is voor een goede invoering van die bekwaamheidseisen.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die:
- a. onderwijsondersteunende werkzaamheden verricht voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een school, vanaf het moment dat voor die werkzaamheden bekwaamheidseisen worden vastgesteld; of
- b. is aangewezen, eerder was aangewezen respectievelijk voor de eerste keer wordt aangewezen voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid.
Paragraaf 6. Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Artikel 12.31. Overgangsbepaling bevoegdheden combinatievakken
Degene die op 1 augustus 2006 op grond van artikel 9b van de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O., zoals luidend op 31 juli 2006, bevoegd was voor een van de in dat artikel genoemde combinaties van vakken, blijft bevoegd voor de desbetreffende combinatie.
Paragraaf 6. Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Artikel 12.32. Invoering onderhoudsplicht bekwaamheid
Artikel 2.90, onderdeel a, vindt, wat het onderhouden van de bekwaamheid betreft, voor een bepaalde personeelscategorie voor het eerst toepassing met ingang van het tijdstip waarop de bekwaamheidseisen voor die categorie in werking treden.
Paragraaf 7. Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Artikel 12.33. Overgangsrecht aanvullende personele bekostiging nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak
Een bevoegd gezag dat op grond van de Regeling aanvullende personele bekostiging nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak VO voor 1 augustus 2008 aanspraak had op aanvullende personele bekostiging op grond van artikel 85a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde op 31 juli 2008, behoudt deze aanspraak zo lang wordt voldaan aan de voorwaarden die op 31 juli 2008 waren opgenomen in die regeling.
Paragraaf 2. Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Artikel 12.34. Tijdelijke geschillencommissie toelating en verwijdering
De commissie neemt kennis van geschillen tussen ouders en bevoegd gezag van een school die ontstaan bij de toepassing van:
De commissie brengt op verzoek van de ouders binnen tien weken een oordeel uit aan het bevoegd gezag, rekening houdend met het ondersteuningsaanbod van de school en het ondersteuningsplan.
Indien een geschil aanhangig is gemaakt bij de commissie en de ouders bezwaar hebben gemaakt tegen de beslissing over de toelating of de verwijdering, neemt het bevoegd gezag de beslissing op bezwaar pas nadat de commissie heeft geoordeeld. De termijn voor het nemen van de beslissing op bezwaar wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil aanhangig is gemaakt bij de commissie tot de dag waarop de commissie het oordeel heeft uitgebracht.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de commissie, waaronder in elk geval het aantal leden, de wijze van benoeming en ontslag en de deskundigheid van de leden van de commissie.
Paragraaf 2. Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Artikel 12.35. Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs inzake brede benoembaarheid leraren omgangskunde
Personen die in het bezit zijn van een getuigschrift, afgegeven krachtens de WHW, waaruit blijkt dat ten aanzien van het vak omgangskunde is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 7.10, eerste lid, zijn tevens bevoegd tot het geven van praktijkonderwijs en tot het geven van onderwijs aan groepen van uitsluitend leerlingen die zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs in de vakken Nederlands, Engels, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie (incl. kennis der natuur), verzorging, muziek, handvaardigheid (textiele werkvormen) en tekenen.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van personen die:
- a. het in het eerste lid bedoelde getuigschrift hebben behaald na 1 augustus 2006;
- b. voor 1 september 2012 zijn gestart met de opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in het vak omgangskunde aan de Fontys Hogeschool Tilburg, de NHL Hogeschool, de Hogeschool Leiden of de Hogeschool Utrecht; en
- c. uiterlijk op 31 augustus 2016 met goed gevolg de aanvullende opleiding «Leergang omgangskunde in praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs» met een omvang van ten minste 420 uren studie hebben afgerond aan een van de in onderdeel b genoemde hogescholen.
Paragraaf 10. Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Artikel 12.36. Kerndoelen Friese taal en cultuur
Tot het tijdstip waarop voor het eerst kerndoelen Friese taal en cultuur in werking treden die zijn vastgesteld door provinciale staten van Fryslân volgens de procedure daarvoor in de artikelen 2.16 en 2.17, zijn in afwijking van artikel 2.16 de kerndoelen Friese taal en cultuur van toepassing zoals opgenomen in onderdeel II van de bijlage behorende bij artikel 1 bij het Besluit kerndoelen onderbouw VO, zoals dat luidde op 31 juli 2014.
Paragraaf 2. Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 13. Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Artikel 12.40. Overgangsrecht in verband met onderwijsvoorzieningen die op grond van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht
Vervallen
Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4. Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Artikel 12.42. Overgangsrecht lopende aanvragen
Op aanvragen die voor 1 november 2020 zijn ingediend op grond van de artikelen 67, eerste lid, en 74b, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden op 31 oktober 2020, blijft Titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die titel luidde op laatstgenoemde datum van toepassing.
Op besluiten tot bekostiging waarvan de aanvraag voor 1 november 2020 is ingediend op grond van artikel 67 van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft artikel 108 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals dat artikel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing.
Artikel 12.43. Overgangsrecht lopende geschillen in fase bezwaar en beroep
Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor 1 november 2020 op grond van de artikelen 67, vijfde en zevende lid, en 74b, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 oktober 2020, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze golden op die datum. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.
Artikel 12.44. Overgangsrecht fusietoets
Op aanvragen die voor 1 november 2020 zijn ingediend op grond van artikel 53g van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft artikel 53h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals dat artikel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing.
Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor 1 november 2020 op grond van artikel 53f van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend op 31 oktober 2020, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze golden op laatstgenoemde datum. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.
Paragraaf 4. Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Artikel 12.45. Overgangsrecht afschaffing rekentoets eindexamens
De eindexamens omvatten voor leerlingen die geen eindexamen in het vak wiskunde afleggen een schoolexamen rekenen. Bij de vaststelling van de opgaven van dit schoolexamen worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoorten of voor dan wel binnen leerwegen zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent dit schoolexamen nadere voorschriften vastgesteld.
Dit artikel is ook van toepassing op leerlingen die het eindexamen afleggen aan een school die is aangewezen op grond van artikel 2.66.
Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12.46. Overgangsrecht afschaffing rekentoets staatsexamen
Het staatsexamen, bedoeld in artikel 2.72, eerste lid, omvat voor kandidaten die geen staatsexamen in het vak wiskunde afleggen een college-examen rekenen. Bij de vaststelling van de opgaven van dit college-examen worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoorten of voor dan wel binnen leerwegen zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent dit college-examen nadere voorschriften vastgesteld.
Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Paragraaf 7. Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Artikel 12.47. Overgangsrecht toegroeien naar nieuwe bekostiging
De bekostiging voor de scholen van een bevoegd gezag ingaande het kalenderjaar 2022 wordt eenmalig berekend op basis van de telgegevens op 1 oktober 2021:
- a. op grond van de artikelen 5.4 en 5.5 en de daarop gebaseerde regelgeving, en
- b. op grond van de artikelen 84, eerste tot en met derde lid, 84b, 85 en 86, met uitzondering van het derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en de daarop gebaseerde regelgeving, artikel 2, tweede en derde lid, van het Formatiebesluit WVO en artikel 3 van de Regeling aanvullende bekostiging nevenvestiging, nieuwe scholen en samenvoeging vo, zoals die luidden op 30 september 2021.
Het verschil tussen onderdelen a en b van het eerste lid is het herverdeeleffect van een bevoegd gezag.
Bij een positief of negatief herverdeeleffect voor een bevoegd gezag wordt de bekostiging voor de scholen van dat bevoegd gezag in de kalenderjaren 2022 tot en met 2025 verminderd onderscheidenlijk vermeerderd met achtereenvolgens 80%, 60%, 40% en 20% van het herverdeeleffect.
Bij een herverdeeleffect voor een bevoegd gezag van tenminste 3% negatief, ontvangt het bevoegd gezag in de kalenderjaren 2022 tot en met 2025 het verschil tussen 3% negatief en het werkelijke negatieve herverdeeleffect, met dien verstande dat het bevoegd gezag niet meer ontvangt dan maximaal 100% van de berekende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. In het kalenderjaar 2026 ontvangt het bevoegd gezag nog eenmaal 50% van dit verschil.
Het herverdeeleffect, bedoeld in het tweede lid, wordt per bevoegd gezag éénmalig vastgesteld. De bekostiging, bedoeld in het derde en vierde lid, die op grond van dit herverdeeleffect wordt vastgesteld, kan volgens bij ministeriele regeling te stellen regels worden aangepast aan loon-en prijsontwikkelingen, tenzij de toestand van ’s Rijks financiën zich daartegen verzet.
Dit artikel is niet van toepassing op scholen ten aanzien waarvan door Onze Minister toepassing is gegeven aan artikel 4.25, derde lid.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Hoofdstuk 13. Voorhang en evaluaties
Artikel 13.1. Voorhangprocedure
De voordracht voor een krachtens artikel 2.94, vierde lid, artikel 5.9, derde lid, artikel 5.49, vijfde lid, artikel 7.46, eerste of tweede lid, artikel 8.9a, tweede lid, artikel 8.15, achtste lid, artikel 9.1, tweede lid, of artikel 9.2 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Het tweede lid betreft algemene maatregelen van bestuur op grond van:
- –. artikel 2.37;
- –. artikel 7.30, vierde lid; en
Indien de verdeling van de kosten, bedoeld in artikel 5.33, tweede lid, onderdeel c, wordt geregeld bij ministeriële regeling, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Een krachtens artikel 5.9, eerste lid, vast te stellen ministeriële regeling wordt, voor zover die betrekking heeft op aanvullende bekostiging voor geïsoleerde scholen of scholengemeenschappen, aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp. Indien een der Kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt de ministeriële regeling niet vastgesteld en kan niet eerder dan vier weken na het besluit van die Kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.
Artikel 13.3. Evaluatie regels inzake regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Stb. 2001, 636)
Vervallen
Artikel 13.4. Evaluatie om niet ter beschikking stellen lesmaterialen (Stb. 2008, 206)
Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2016 telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het door de scholen om niet ter beschikking stellen van lesmateriaal aan de leerlingen in het voortgezet onderwijs (Stb. 2008, 206). Hierin wordt in ieder geval aandacht besteed aan:
- a. de ontwikkeling van de kosten van het lesmateriaal in relatie tot de hoogte van het bedrag per leerling;
- b. de ontwikkeling van de bijkomende schoolkosten voor de ouders;
- c. de beoogde verbetering van de marktwerking op de educatieve boekenmarkt;
- d. de keuzevrijheid op scholen tot het voorschrijven van lesmateriaal; en
- e. de gevolgen van Europese aanbestedingen in het kader van die wet.
Artikel 13.5. Evaluatie beoordelen kwaliteit onderwijs (Stb. 2010, 80)
Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2015, steeds na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.94 en 2.95 in de praktijk.
Artikel 13.6. Evaluatie Wet zorgplicht veiligheid op school (Stb. 2015, 238)
Onze Minister zendt voor zover het betreft Europees Nederland binnen vijf jaar na 1 augustus 2015 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, tweede lid, onderdeel n, en 3.40 in de praktijk.
Onze Minister zendt voor zover het betreft Caribisch Nederland binnen vijf jaar na de inwerkingtreding voor Caribisch Nederland van de artikelen 2.92 en 3.40 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, tweede lid, onderdeel n, en 3.40 in de praktijk.
Artikel 13.7. Evaluatie Wet lerarenregister en registervoorportaal (Stb. 2017, 85)
Vervallen
Artikel 13.8. Evaluatie Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool (Stb. 2017, 327)
Onze Minister zendt binnen drie jaar na 1 januari 2018 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 3.22 tot en met 3.26 in de praktijk.
Artikel 13.9. Evaluatie Wet pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer (Stb. 2017, 508)
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 februari 2018 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikelen 8.17, negende tot en met twaalfde lid, in de praktijk.
Artikel 13.10. Evaluatie Wet gelijke kans op doorstroom naar havo en vwo (Stb. 2020, 121)
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2020 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 8.9a in de praktijk.
Artikel 13.11. Evaluatie Wet sterk beroepsonderwijs (Stb. 2020, 157)
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2020 aan de Staten-Generaal een verslag van de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Leerplichtwet 1969 in verband met de versterking van het beroepsonderwijs, door het wettelijk mogelijk maken van doorlopende leerroutes vmbo-mbo (sterk beroepsonderwijs) (Stb. 2020, 157) in de praktijk, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de effecten van die wet op de voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten.
Artikel 13.12. Evaluatie Wet meer ruimte voor nieuwe scholen (Stb. 2020, 160)
Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na 1 november 2020 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.
Artikel 13.13. Evaluatie Wet tot wijziging van diverse onderwijswetten teneinde te verbieden dat leerlingen van ouders die geen vrijwillige geldelijke bijdrage hebben voldaan worden buitengesloten van activiteiten (Stb. 2020, 318)
Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zendt binnen drie jaar na 1 augustus 2021 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, eerste lid, onderdeel f, en 8.32 in de praktijk.
Artikel 13.14. Evaluatie Wet vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen (Stb. 2020, 437)
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 oktober 2021, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 5.4 tot en met 5.10, 5.25, 5.27, 5.28 en 11.56 in de praktijk.
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Artikel 14.1. Intrekking WVO en WVO BES
De Wet op het voortgezet onderwijs wordt ingetrokken.
De Wet voortgezet onderwijs BES wordt ingetrokken.
Artikel 14.2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor het Europese deel van Nederland en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 14.3. Horizonbepaling tijdelijke onderwijsvoorziening
Hoofdstuk 9, paragraaf 3, vervalt twee jaren na de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, artikel 9.5 van de Wet tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden.
Bij koninklijk besluit kan voor de in het eerste lid genoemde paragraaf of onderdelen daarvan worden bepaald dat zij op een eerder of later tijdstip vervallen.
De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het tweede lid wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der Kamers der Staten-Generaal binnen die termijn besluit niet in te stemmen met dat ontwerp, wordt ten aanzien van dat ontwerp geen voordracht gedaan. Een besluit als bedoeld in de vorige zin kan worden genomen op voorstel van een of meer leden van een der Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 14.4. Uitfasering tijdelijke onderwijsvoorziening
Na het vervallen van artikel 9.5 regelt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk dat de leerlingen van de tijdelijke onderwijsvoorziening doorstromen naar een school.
Bij ministeriële regeling kunnen na het vervallen van artikel 9.5, regels worden gesteld over de wijze waarop een tijdelijke onderwijsvoorziening wordt opgeheven en binnen welke termijn.
De artikelen 9.6 en 9.10 zoals die luidden na de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel hoofdstuk 9, paragraaf 3, zijn van overeenkomstige toepassing op de ministeriële regeling bedoeld in het tweede lid.
De ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder vastgesteld dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit bepaald tijdstip.
Artikel 14.5. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet voortgezet onderwijs, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 3.38a. Spoedaanwijzing
Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:
- a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
- b. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, volgt; en
- c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.
Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven spoedaanwijzing aan een samenwerkingsverband.
Paragraaf 10. Veiligheid
Paragraaf 10. Veiligheid
Artikel 3.43. Verzending berichten aan bevoegd gezag
Artikel 2:13, eerste lid, Awb is niet van toepassing in het verkeer tussen ouders of leerlingen en het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4. Voorzieningenplanning
Paragraaf 11. Overige bepalingen
Paragraaf 2. Vestigingen
Paragraaf 3. Regionale samenwerking voorzieningenplanning
Paragraaf 4. Beëindiging van de bekostiging
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Hoofdstuk 5. Bekostiging en verantwoording
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen bekostiging
Paragraaf 3. Grondslag bekostiging personeel en exploitatie samenwerkingsverbanden
Paragraaf 4. Rol gemeente
Paragraaf 5. Vaststellen, verstrekken en betalen
Paragraaf 6. Overige voorschriften bekostiging
Paragraaf 7. Verantwoording
Hoofdstuk 6. Huisvesting
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2. Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht
Paragraaf 3. Verordening
Paragraaf 4. Bouwen
Paragraaf 6. Doordecentralisatie; verticale scholengemeenschappen; informatie
Hoofdstuk 7. Personeel
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2. Verantwoordelijkheid, bekwaamheid en bevoegdheid van leraren
Paragraaf 3. Voorwaarden voor tijdelijke benoeming van de onbevoegde, onderbevoegde of andersbevoegde leraar
Paragraaf 4. Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel
Paragraaf 4. Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel
Paragraaf 7. Rechtspositie personeel
Paragraaf 8. Stages
Paragraaf 8. Stages
Paragraaf 11. Registervoorportaal
Hoofdstuk 8. Deelname
Paragraaf 11. Registervoorportaal
Paragraaf 2. Gebruik persoonsgebonden nummer
Paragraaf 2. Gebruik persoonsgebonden nummer
Paragraaf 4. Overige regels
Hoofdstuk 9. Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Paragraaf 1. Experimenten
Paragraaf 1. Experimenten
Hoofdstuk 11. Caribisch Nederland
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2. Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3. Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 6. Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8. Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 9. Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12. Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1. Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2. Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 5. Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4. Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 5. Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6. Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Hoofdstuk 13. Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)