Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)
Tot het geven van onderwijs in de entreeopleiding, bedoeld in artikel 2.102, is ook bevoegd degene die beschikt over een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4, eerste lid, WEB of als bedoeld in artikel 4.2.5, eerste lid, WEB BES, en die bovendien beschikt over een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 WHW.
Degene die voor een vak beschikt over een bevoegdheid voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, is daarmee voor dat vak ook bevoegd voor het overige voortgezet onderwijs.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister aan personen die in een bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid uitmunten, een bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in dit vak of dit onderdeel.
Artikel 7.12. Educatieve minor en educatieve module voor onderwijs in het vbo, het mavo en in de eerste drie leerjaren van het havo en vwo
Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het vbo, het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die in het bezit is van een getuigschrift van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, WHW, waaruit blijkt dat betrokkene:
- a. ten minste 30 studiepunten met goed gevolg heeft besteed aan voorbereiding op het geven van onderwijs in een vak in die leerjaren dat inhoudelijk met zijn opleiding overeenkomt; en
- b. heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat hij zal geven.
Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het vbo, het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die blijkens een verklaring als bedoeld in artikel 7.11, vijfde lid, van de WHW of blijkens een certificaat dat is afgegeven op basis van artikel 27, vierde lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, ten minste 30 studiepunten met goed gevolg heeft besteed aan voorbereiding op het geven van onderwijs in een vak in die leerjaren dat inhoudelijk met zijn opleiding overeenkomt en waaruit blijkt dat de leraar voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat de leraar in dat vak zal geven.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over welke getuigschriften van de bacheloropleidingen, bedoeld in het eerste lid, en over welke verklaringen en certificaten, bedoeld in het tweede lid, de bevoegdheid verlenen tot het geven van de daarbij aan te wijzen vakken.
Artikel 7.13. Werken in teams bij vakoverstijgende programmaonderdelen in de eerste twee leerjaren
Indien in de eerste twee leerjaren vakoverstijgende programmaonderdelen voorkomen, kan worden gewerkt met teams van leraren die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van die onderdelen.
Elk lid van het team beschikt over een bevoegdheid voor voortgezet onderwijs in ten minste een van de vakken binnen het vakoverstijgende onderdeel.
De leraren van het team beschikken samen over de bevoegdheden voor alle vakken binnen het vakoverstijgende onderdeel.
De leraren van het team zijn ieder verantwoordelijk voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijs van het vakoverstijgende onderdeel waarvoor zij beschikken over een bevoegdheid.
Het vakoverstijgende onderdeel kan worden verzorgd door:
- a. leden van het team, al dan niet in combinatie met
- b. andere leraren die daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag geschikt zijn.
Als het vakoverstijgende onderdeel ook wordt verzorgd door andere leraren, stelt het bevoegd gezag met inachtneming van de opvattingen van de leden van het team vast of de inhoudelijke of didactische kennis en vaardigheden van deze leraren voldoende zijn. Indien dat niet het geval is, wordt vastgesteld op welke wijze hierin alsnog wordt voorzien.
Artikel 7.13a. Werken in teams bij vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen in doorlopende leerroutes vmbo-mbo
Indien in het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l sprake is van vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen als bedoeld in artikel 2.107d, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk c, kan worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma voor die vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen.
Elk lid van het team beschikt over een bevoegdheid voor voortgezet onderwijs in ten minste een van de vakken binnen het vak- of secoroverstijgende programmaonderdeel of voldoet aan de vereisten voor benoeming of tewerkstelling als docent als bedoeld in artikel 4.2.1 WEBen artikel 4.2.1 WEB BES.
De leraren en docenten van het team beschikken samen over de bevoegdheden voor alle vakken en programmaonderdelen binnen het vak- en sectoroverstijgende programmaonderdeel.
De leraren en docenten van het team zijn ieder verantwoordelijk voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijs in het desbetreffende vak- en sectoroverstijgende programmaonderdeel waarvoor zij beschikken over een bevoegdheid.
Paragraaf 3. Voorwaarden voor tijdelijke benoeming van de onbevoegde, onderbevoegde of andersbevoegde leraar
Artikel 7.14. Vervanging bij tijdelijke afwezigheid of bij een onvervulbare vacature
Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan deze voor ten hoogste een jaar, met inbegrip van tussenperioden van niet meer dan drie maanden, worden vervangen door iemand die voor dat onderwijs niet bevoegd is.
Indien een vacature niet direct kan worden vervuld door de benoeming van een bevoegde leraar, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
De termijn van een jaar kan met ten hoogste twee jaar worden verlengd indien het bevoegd gezag en de betrokkene schriftelijk overeenkomen dat betrokkene zich ervoor inspant om binnen twee jaar alsnog zijn bevoegdheid te halen voor het door hem gegeven onderwijs. Het bevoegd gezag kan deze termijn onder dezelfde voorwaarde met nog twee jaar verlengen indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk vindt voor de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs op de school.
Artikel 7.15. Benoembaarheid voor ander vak dan waarvoor de bevoegdheid geldt
Het bevoegd gezag kan een leraar die in het bezit is van een bevoegdheid voor enig vak, ten hoogste twee jaar onderwijs laten geven in een vak waarvoor de leraar niet bevoegd is. Deze termijn kan het bevoegd gezag met ten hoogste twee jaar verlengen, indien het bevoegd gezag dit noodzakelijk vindt voor de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs.
Bij toepassing van het eerste lid komen het bevoegd gezag en de betrokken leraar schriftelijk overeen dat de leraar zich ervoor inspant om binnen de genoemde termijnen alsnog de bevoegdheid te halen voor het onderwijs in dat andere vak.
De inspectie kan op aanvraag van het bevoegd gezag in de eerste twee leerjaren ontheffing verlenen van het tweede lid.
Artikel 7.16. Afwijking bevoegdheidseis leraren bovenbouw havo en vwo (voorbereidend hoger onderwijs)
Het bevoegd gezag kan voor maximaal vijf procent van het samenhangende onderwijsprogramma in de periode van voorbereidend hoger onderwijs bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, toestaan dat leraren die voor een vak in het vwo of het havo wel bevoegd zijn voor de eerste drie leerjaren maar niet voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, dat onderwijs voor een periode van ten hoogste een schooljaar ook geven in die hogere leerjaren.
Binnen de betrekkingsomvang van deze leraren moet het grootste deel van hun werkzaamheden zijn gelegen buiten de periode van voorbereidend hoger onderwijs.
Artikel 7.17. Tijdelijke benoembaarheid van de leraar in opleiding
Ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die ten minste 180 studiepunten hebben behaald, of ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een universiteit, kunnen tijdelijk worden benoemd voor het geven van dat onderwijs waarvoor zij in opleiding zijn, voor een periode die ten hoogste een arbeidstijd omvat die overeenkomt met een volledig dienstverband van vijf maanden.
De benoemingsmogelijkheid geldt ook voor een ho-student in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die minder dan 180, maar ten minste 166 studiepunten heeft behaald indien de hogeschool heeft verklaard dat de ho-student beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De tijdelijke benoeming vervalt in dat geval indien de ho-student niet binnen vier weken na begin van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt.
De benoemingsmogelijkheid geldt ook voor ho-studenten die een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs aan een universiteit volgen. In dat geval bedraagt de benoemingsperiode maximaal een schooljaar voor de ho-student die een voltijdse opleiding volgt en maximaal twee schooljaren voor de ho-student die een deeltijdse opleiding volgt.
Bij de tijdelijke benoeming van een ho-student tot leraar voortgezet onderwijs wordt een overeenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7.7, vijfde lid, WHW. De overeenkomst vermeldt de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken ho-student werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht.
Artikel 7.18. Benoembaarheid zij-instromer met geschiktheidsverklaring
Het bevoegd gezag kan degene die in het bezit is van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 7.27 voor ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren tot leraar benoemen. Het bevoegd gezag kan deze periode, al dan niet onder het stellen van voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaar als dat bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht.
Het bevoegd gezag dat betrokkene voor het eerst na afgifte van diens geschiktheidsverklaring tot leraar benoemt, registreert de benoeming en de datum daarvan op de geschiktheidsverklaring.
Artikel 7.19. Overige categorieën benoembare leraren
Het bevoegd gezag kan een gastdocent die naar zijn oordeel bekwaam is op grond van specifieke kennis uit de praktijk, benoemen voor het geven van onderwijs in vakken waarop die kennis betrekking heeft.
Deze gastdocent kan alleen worden belast met lesgevende taken voor een beperkte betrekkingsomvang van in totaal ten hoogste gemiddeld zes uur per week op jaarbasis, onder de verantwoordelijkheid van een leraar die het bevoegd gezag heeft aangewezen.
De vereisten in dit hoofdstuk over bekwaamheid, bevoegdheid of benoembaarheid van leraren, zijn niet van toepassing op de leraar die alleen is belast met contractactiviteiten.
Artikel 7.20. Bekwaamheidsdossier en geordende gegevens over benoeming
Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan voor elk personeelslid met een functie of werkzaamheden waarvoor bekwaamheidseisen als bedoeld in 7.10, eerste lid, artikel 7.23, vierde lid, of artikel 7.24, tweede lid, zijn vastgesteld.
Voor de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inrichting en wijze van ordening van de gegevens.
Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de toepassing van de artikelen 7.14, 7.15 en 7.18.
Artikel 7.21. Maximering benoemingsperiode
De periode waarvoor een leraar op grond van artikel 7.5, 7.13, 7.16, 7.17 of 7.18, eerste lid, maximaal kan worden benoemd, gaat niet opnieuw lopen door eenzelfde benoeming.
Artikel 7.22. Mogelijkheid van afwijkende regels voor leraren in vaste dienst
Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld op welke gronden en volgens welke procedure voor leraren in vaste dienst aan een school kan worden afgeweken van artikel 7.9, eerste lid.
Paragraaf 4. Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel
Artikel 7.23. Benoembaarheid leidinggevend personeel
Het bevoegd gezag kan tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur benoemen degene die:
- a. op grond van artikel 7.11 als leraar bevoegd is tot het geven van voortgezet onderwijs in een van de vakken die aan de school worden onderwezen, en
- b. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op grond van het vierde lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het bezit is van een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, waaruit blijkt dat is voldaan aan die eisen, of
- c. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor de werkzaamheden die hij zal verrichten, of
- d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond.
Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de leden van de centrale directie als bedoeld in artikel 7.4.
Het bevoegd gezag van een school zonder centrale directie kan voor ten hoogste de helft van het aantal personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, aan die school afwijken van het eerste lid, onderdeel a.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bekwaamheidseisen worden vastgesteld voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of die onderwijskundige leiding omvatten.
Onze Minister kan een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht, in de gelegenheid stellen hem een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van het vierde lid kunnen worden vastgesteld.
Artikel 7.24. Benoembaarheid onderwijsondersteunende functionarissen
Het bevoegd gezag kan met onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, belasten degene die:
- a. in het bezit is van een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, de WEB, of de WEB BES waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld op grond van het tweede lid;
- b. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend voor die werkzaamheden; of
- c. volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond.
Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor onderwijsondersteunende werkzaamheden die bij die maatregel worden aangewezen en die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces.
Het bevoegd gezag kan het onderwijsondersteunende personeelslid dat niet voldoet aan het eerste lid, toch voor ten hoogste twee jaar belasten met werkzaamheden waarvoor op grond van het tweede lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld. De eerste volzin wordt alleen toegepast indien het bevoegd gezag en betrokkene schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene zich ervoor inspant om binnen twee jaar alsnog te voldoen aan die bekwaamheidseisen.
Voor ho-studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, WHW en mbo-studenten in de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 WEB of artikel 7.2.2 WEB BES die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van het tweede lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan het bevoegd gezag voor de duur van die werkzaamheden afwijken van het eerste lid.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de onderwijsondersteunende functionaris is belast met contractactiviteiten.
Paragraaf 5. Bijzondere regels voor scholengemeenschappen
Artikel 7.25. Bijzondere regels voor scholengemeenschappen
Bij algemene maatregel voor bestuur worden regels gesteld voor een scholengemeenschap of een verticale scholengemeenschap over de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 4.
Paragraaf 4. Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel
Artikel 7.26. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- instelling voor hoger onderwijs: instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, WHW;
- instellingsbestuur: instellingsbestuur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, WHW.
Artikel 7.27. Geschiktheidsonderzoek
Een geschiktheidsonderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die is erkend op grond van artikel 7.29.
Het geschiktheidsonderzoek kan worden aangevraagd door het bevoegd gezag dat een zij-instromer wil benoemen, of door degene die als zij-instromer wil worden benoemd. Het instellingsbestuur betrekt bij het onderzoek het bevoegd gezag dat de aanvraag indient of, indien de aanvraag door betrokkene zelf is ingediend, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming met de aanvrager wordt uitgenodigd.
Bij de aanvraag wordt aangetoond dat betrokkene beschikt over:
- a. een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor overeenkomstig onderwijs;
- b. een diploma van een vakopleiding, middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, WEB BES, indien betrokkene beoogt onderwijs te geven in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beroepsgerichte vakken, of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor overeenkomstig onderwijs; of
- c. een buitenlands getuigschrift dat naar het oordeel van het bestuur van de instelling die het geschiktheidsonderzoek uitvoert, gelijkwaardig is aan een getuigschrift of diploma als bedoeld onder a of b.
Het geschiktheidsonderzoek bestaat uit:
- a. de beoordeling of de gevolgde opleiding en in samenhang daarmee de maatschappelijke ervaring of de beroepservaring van betrokkene voldoende relevant zijn voor de beoogde werkzaamheden aan een school, en indien dat het geval is;
- b. het onderzoek naar de geschiktheid van betrokkene voor het beroep van leraar; en
- c. de beoordeling van de scholing en begeleiding die betrokkene nodig heeft om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek.
In het onderzoek naar de geschiktheid voor het beroep van leraar wordt vastgesteld of betrokkene over voldoende kennis, inzicht en vaardigheden beschikt om onderwijs te geven dat voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de betrokkene als zij-instromer wordt begeleid en verder wordt geschoold. De kennis, het inzicht en de vaardigheden zijn afgeleid van de bekwaamheidseisen die gelden voor leraren en omvatten in het bijzonder beroepsmatige vaardigheden. In elk geval wordt ook beoordeeld of betrokkene in de feitelijke onderwijssituatie in staat is om verantwoord les te geven.
Bij het geschiktheidsonderzoek zijn in gelijke mate betrokken:
- a. personen die aan een lerarenopleiding onderwijs geven of hebben verzorgd; en
- b. leraren in het betrokken vak of vakgebied die niet werkzaam zijn voor het bevoegd gezag dat is betrokken bij het geschiktheidsonderzoek.
De aanvrager is aan de uitvoerder van het onderzoek een vergoeding verschuldigd, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de uitvoering van het vierde lid, onderdeel b, en het vijfde lid, en kunnen regels worden gesteld ter waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek en van de instellingen die dat onderzoek uitvoeren, regels over de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en regels voor afgifte van de geschiktheidsverklaring.
Artikel 7.28. Geschiktheidsverklaring
Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 7.27 voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat wordt geacht binnen twee jaar na benoeming met goed gevolg deel te nemen aan het bekwaamheidsonderzoek, bedoeld in artikel 7.31, geeft het bestuur van een instelling die daartoe op grond van artikel 7.29 is erkend, een geschiktheidsverklaring af.
Bij ministeriële regeling wordt een model voor de geschiktheidsverklaring vastgesteld.
Artikel 7.29. Uitvoeren geschiktheidsonderzoek
Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur van de instelling besluiten dat een instelling bevoegd is tot:
- a. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek;
- b. het afgeven van geschiktheidsverklaringen; of
- c. het doen van voorstellen over de scholing en begeleiding die volgens het geschiktheidsonderzoek nodig zijn.
Onze Minister erkent de instelling indien het bestuur van die instelling bij de aanvraag voldoende aannemelijk maakt dat de instelling het geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de aanvraag en over de behandeling en beoordeling ervan.
Onze Minister kan voor de behandeling van de aanvraag een vergoeding in rekening brengen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling het geschiktheidsonderzoek naar zijn oordeel niet meer onafhankelijk, deskundig of betrouwbaar uitvoert.
Artikel 7.30. Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom
Degene die in het bezit is van een geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat hem benoemt en het bestuur van de instelling, bedoeld in artikel 7.32, sluiten een scholings- en begeleidingsovereenkomst.
In deze overeenkomst worden de rechten en verplichtingen van de drie betrokken partijen vastgelegd over de scholing en begeleiding die op grond van de afgegeven geschiktheidsverklaring noodzakelijk worden geacht.
Indien blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag respectievelijk het bestuur van de instelling tijdig een toereikende vervangende voorziening.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van het eerste lid, waaronder in elk geval regels ter waarborging van de kwaliteit van de scholings- en begeleidingsovereenkomst.
Voor zover betrokkene de werkzaamheden waarvoor hij in het bezit is van een geschiktheidsverklaring, bij twee of meer bevoegde gezagsorganen verricht, zorgen deze bevoegde gezagsorganen ervoor dat de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, waarbij zij wat de betrokkene betreft partij zijn, op elkaar worden afgestemd. Zo nodig wordt met dat doel een al gesloten overeenkomst gewijzigd.
Artikel 7.31. Bekwaamheidsonderzoek
Het bekwaamheidsonderzoek heeft tot doel vast te stellen of de zij-instromer voldoet aan de in artikel 7.10, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat betrokkene als leraar wil gaan geven.
Artikel 7.32. Uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek
Het bestuur van een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, WHW die opleidt voor bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, en daartoe door het bestuur bij Onze Minister is gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd tot:
- a. het verzorgen of doen verzorgen van de scholing en begeleiding, bedoeld in 7.27, vierde lid, onderdeel c, voor zover deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt; of
- b. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van een bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling opleidt voor het betrokken getuigschrift.
Het bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, biedt degene die zich daarvoor meldt en wiens scholing en begeleiding overeenkomstig de scholings- en begeleidingsovereenkomst zijn afgerond, tijdig de gelegenheid om deel te nemen aan dat onderzoek.
Het bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, kan bepalen dat aan de aanvrager een vergoeding in rekening wordt gebracht voor de uitvoering van het bekwaamheidsonderzoek. Bij ministeriële regeling kan aan deze bijdrage een maximum worden gesteld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de scholing en begeleiding, en over het bekwaamheidsonderzoek, waaronder regels ter waarborging van de kwaliteit.
Artikel 7.33. Kwaliteitsbewaking en inlichtingenplicht
De besturen van instellingen die bevoegd zijn tot het uitvoeren van geschiktheidsonderzoeken, bekwaamheidsonderzoeken of het verzorgen van scholing en begeleiding op grond van geschiktheidsverklaringen, dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden die daarmee samenhangen.
Deze besturen verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig vindt voor een goede naleving van deze paragraaf. Op verzoek van de inspectie zendt het bestuur een overzicht van de geschiktheidsverklaringen die in deze periode zijn afgegeven en van de bekwaamheidsonderzoeken waaraan in die periode met goed gevolg is deelgenomen.
Onze Minister kan beslissen dat aan een instelling een of meer van de in artikel 7.29 of artikel 7.32, eerste lid, bedoelde bevoegdheden wordt ontnomen, indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, of als niet meer wordt voldaan aan regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over de uitoefening van die bevoegdheden. Op de ontneming van bevoegdheden is artikel 6.10, vierde lid, WHW van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 7. Rechtspositie personeel
Artikel 7.34. Rechtspositieregeling personeel
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de rechtspositie van het personeel wordt geregeld.
Artikel 7.35. Georganiseerd overleg
Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 7.34 te treffen regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze.
Artikel 7.36. Personeel voor contractactiviteiten
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat het verrichten van contractactiviteiten er niet toe leidt dat minder dan 51 procent van de personeelskosten van de school uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
Artikel 7.37. Benoeming, schorsing en ontslag; benoeming in algemene dienst
Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat het personeel.
Het bevoegd gezag benoemt het personeel in algemene dienst van het bevoegd gezag.
Onder benoeming in algemene dienst wordt verstaan een benoeming voor het verrichten van werkzaamheden aan scholen die het bevoegd gezag in stand houdt.
Artikel 7.37a. Afschriften bewijsstukken
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat afschriften van de bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag en van de arbeidsovereenkomsten van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld zonder benoeming.
Artikel 7.38. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door gedeputeerde staten
In afwijking van artikel 7.37 leggen gedeputeerde staten van de betrokken provincie de disciplinaire straf of de schorsing op of verlenen zij het ontslag, indien het betreft een rector, een directeur, een conrector, een adjunct-directeur, een lid van de centrale directie of een leraar van een openbare school, die ook lid is van de raad van de gemeente die de school in stand houdt.
Artikel 7.39
[Vervallen]
Artikel 7.40
[Vervallen]
Artikel 7.41. Disciplinaire straf bij niet eerbiedigen godsdienst of levensovertuiging op openbare school
Wie zich bij het geven van onderwijs aan een openbare school schuldig maakt aan plichtsverzuim bij het eerbiedigen van ieders godsdienst of levensovertuiging, kan bij koninklijk besluit voor ten hoogste een jaar en bij herhaling voor onbepaalde tijd worden geschorst in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan een openbare school.
Paragraaf 8. Stages
Artikel 7.42. Bieden van stage door scholen
Het bevoegd gezag laat ho-studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding op grond van de WHW voor het beroep van leraar of die op een andere manier studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen voor een functie in het voortgezet, beroeps- of primair onderwijs tot de school toe om de ervaring in de school te verkrijgen die als onderdeel van hun opleiding is vereist. Van deze verplichting kan Onze Minister het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk ontheffing voor een schooljaar verlenen.
Deze verplichting voor het bevoegd gezag geldt voor in totaal per schooljaar vijf procent van het in uren uitgedrukte aantal lessen en onderdelen van het in schooltijd in dat jaar verzorgde onderwijsprogramma. Bij ministeriële regeling kan het percentage lager worden vastgesteld.
De rector, de directeur of de centrale directie regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de begeleiding van de ho-studenten in de school door de leraren, in overeenstemming met de leraren en de betrokken opleidingsinstellingen.
De scholen waartoe de ho-studenten zijn toegelaten, zijn voor zover dat nodig is voor het toezicht op, of de begeleiding van de praktische vorming van deze ho-studenten, toegankelijk voor:
- a. de inspectie die is belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen;
- b. de directieleden en de docenten van die opleidingsinstellingen, aan te wijzen door de directieleden; en
- c. leden van het College voor toetsen en examen.
Een bevoegd gezag kan een ho-student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien de ho-student in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Het bevoegd gezag motiveert de beslissing tot ontzegging en maakt deze schriftelijk bekend aan de ho-student. Het bevoegd gezag zendt aan het bevoegd gezag van de opleidingsinstelling een afschrift van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school.
Artikel 7.43. Nadere regels stage
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. het maximum aantal lessen in een vak van een schoolsoort waarvoor het bevoegd gezag in enig schooljaar verplicht is ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42 toe te laten, welk maximum niet meer is dan twintig procent;
- b. het maximum aantal ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, dat bij dezelfde les kan worden toegelaten, welk maximum, behalve in bijzondere omstandigheden, niet meer is dan drie; en
- c. de gevolgen van het toelaten van meer dan één ho-student bij dezelfde les voor het maximum, bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, en het maximum, bedoeld in onderdeel a.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de wijze van aanmelden van ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, en de termijn voor de aanmelding die het bevoegd gezag mag stellen;
- b. de wijze waarop de school bekendheid geeft aan opleidingsinstellingen en het College voor toetsen en examens over de beschikbaarheid en de aard van schoolpracticumplaatsen;
- c. de categorieën ho-studenten voor wie de verplichting, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, niet geldt;
- d. regulering in de situatie dat, bij een beperkte beschikbaarheid van schoolpracticumplaatsen aan de school, gelijktijdig ho-studenten die in opleiding zijn voor een functie in het voortgezet onderwijs, en ho-studenten die in opleiding zijn voor een functie in het basisonderwijs, worden aangemeld; of
- e. de vakken van een schoolsoort waarvoor in verband met de geringe omvang van het onderwijs daarin, de verplichting, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, niet geldt.
Paragraaf 9. Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen
Artikel 7.44. Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde school
Voortgezet onderwijs wordt alleen gegeven door wie voldoet aan de artikelen 7.2, eerste lid, 7.3, 7.9, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, en 7.11, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c. De artikelen 7.8, 7.11, eerste lid, onderdeel c, tweede tot en met vierde lid, zevende lid, 7.12 tot en met 7.15, 7.19, eerste en tweede lid, 7.20, tweede lid, en 7.21 zijn van overeenkomstige toepassing.
Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.24 worden voor het algemeen voortgezet onderwijs aan niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen alleen verricht door degene die voldoet aan de artikelen 7.3 en 7.24, eerste lid. Artikel 7.24, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 8. Stages
Artikel 7.46
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.
Artikel 7.54
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.
Artikel 7.55
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.
Paragraaf 10. Lerarenregister
Artikel 7.63
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.
Hoofdstuk 8. Deelname
Paragraaf 10. Lerarenregister
Artikel 8.1. Toepassing begrip «ouders»
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt voor «ouders» gelezen «leerling» als het gaat om een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is.
Artikel 8.2. Toegang tot openbare scholen
Openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naar godsdienst of levensovertuiging.
Artikel 8.3. Toegang tot bekostigde bijzondere scholen
Indien binnen redelijke afstand van de woning van een leerling niet de gelegenheid bestaat om onderwijs aan een openbare school te volgen, kan het bevoegd gezag van een gelijksoortige uit ‘s Rijks kas bekostigde bijzondere school de toelating van de leerling niet weigeren op grond van godsdienst of levensovertuiging, tenzij de school uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd.
Artikel 8.4. Toelaatbaarheid tot het voortgezet onderwijs
Het bevoegd gezag laat als leerling alleen tot de school toe degene van wie de ouders hebben aangetoond dat hij:
- a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijk voorschrift als Nederlander wordt behandeld;
- b. vreemdeling is en jonger is dan achttien jaar op de eerste schooldag waarop het onderwijs in een schoolsoort als bedoeld in artikel 2.1 begint waarvoor voor de eerste maal toelating wordt gevraagd;
- c. vreemdeling is, achttien jaar of ouder is op de eerste schooldag waarop het onderwijs in een schoolsoort als bedoeld in artikel 2.1 begint waarvoor voor de eerste keer toelating wordt gevraagd en op die dag rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 8 Vreemdelingenwet 2000 of de artikelen 3, 5a of 6 Wet toelating en uitzetting BES; of
- d. vreemdeling is, eerder in overeenstemming met onderdeel b of onderdeel c voor het onderwijs in een schoolsoort is toegelaten en deze schoolsoort nog steeds volgt, maar niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd in deze onderdelen.
Indien de toelating niet in overeenstemming met het eerste lid heeft plaatsgevonden, verwijdert het bevoegd gezag de leerling onmiddellijk van de school.
Artikel 8.5. Toelaatbaarheid tot het eerste leerjaar
Het bevoegd gezag laat tot het eerste leerjaar alleen degene toe die afkomstig is van:
- a. een school als bedoeld in artikel 1 WPO, artikel 1 WPO BES of artikel 1 WEC en die naar het oordeel van de directeur van de betrokken school voldoende is voorbereid op het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs;
- b. een school als bedoeld in artikel 1 WPO of artikel 1 WPO BES en die aan het einde van het schooljaar de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt; of
- c. een andere school, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
In gevallen waarin toepassing van het eerste lid niet mogelijk is, kan de inspectie afwijking van dat lid toestaan.
Artikel 8.6. Beslissing toelating tot de school
Het bevoegd gezag beslist over de toelating als leerling tot de school, met inachtneming van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen.
Het bevoegd gezag van een school voor vwo, havo, mavo of vbo baseert zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op het definitieve schooladvies, bedoeld in artikel 45d, derde lid, WPO, artikel 48e, derde lid, WEC of artikel 51d, derde lid, WPO BES.
De toelating tot het eerste leerjaar van een school kan niet voorwaardelijk geschieden.
In gevallen waarin toepassing van het tweede lid niet mogelijk is, kan de inspectie afwijking van dat lid toestaan.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. de beslissing tot toelating tot het eerste leerjaar indien geen definitief schooladvies is vastgesteld; en
- b. de beslissing tot toelating tot het eerste leerjaar indien specifieke kennis of vaardigheden van de leerling noodzakelijk zijn.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het toelaten van leerlingen.
Artikel 8.7. Maximumleeftijd voor volgen praktijkonderwijs
Het bevoegd gezag geeft een leerling na het schooljaar waarin hij de leeftijd van achttien jaar bereikt niet meer de gelegenheid om praktijkonderwijs te volgen.
De inspectie kan op aanvraag van het bevoegd gezag in het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van achttien jaar bereikt, toestaan dat de leerling in het daaropvolgende schooljaar praktijkonderwijs blijft volgen, indien de inspectie van mening is dat de leerling zonder het volgen van een extra schooljaar niet voldoende is voorbereid op de functies, bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onderdeel b.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing in het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van negentien jaar bereikt.
Artikel 8.8. Aanmelding en toelating
De ouders melden de leerling indien mogelijk ten minste tien weken voor de datum met ingang waarvan toelating wordt gevraagd schriftelijk aan. Daarbij geven zij aan bij welke andere school of scholen ook om toelating is verzocht.
Het bevoegd gezag beslist over toelating van een leerling zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen zes weken na de dag van ontvangst van de aanmelding. Indien de beslissing niet binnen zes weken kan worden genomen, deelt het bevoegd gezag dit aan de ouders mee en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beslissing wordt genomen. Deze termijn bedraagt ten hoogste vier weken.
Het bevoegd gezag van een bijzondere school kan beslissen om een aanmelding niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het beoordelen van de aanmelding of voor het voorbereiden van de toelatingsbeslissing. Het bevoegd gezag geeft de ouders de gelegenheid om de aanmelding aan te vullen binnen een termijn die het bevoegd gezag heeft gesteld.
Het bevoegd gezag van een bijzondere school maakt de beslissing over toelating van een leerling schriftelijk en, in geval van weigering van de toelating, voorzien van een deugdelijke motivering, bekend aan de ouders.
Binnen zes weken na de bekendmaking kunnen de ouders bij het bevoegd gezag van een bijzondere school bezwaar maken tegen een beslissing over toelating van een leerling.
Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over toelating van een leerling, beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare school betreft in afwijking van artikel 7:10 Awb, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de leerling in de gelegenheid gesteld, te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing.
Is de leerling jonger dan achttien jaar, dan komen deze rechten ook toe aan diens ouders.
De toelating tot een school wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde financiële bijdrage.
In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, melden de ouders de leerling die afkomstig is van een school als bedoeld in artikel 8.5, eerste lid, en voor wie toelating wordt gevraagd tot het eerste leerjaar, aan in de periode van 25 maart tot en met 31 maart.
Artikel 8.9. Toelating leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben; zorgplicht school
Het bevoegd gezag beoordeelt of de leerling die is aangemeld extra ondersteuning nodig heeft. Voor die beoordeling kan het bevoegd gezag de ouders verzoeken gegevens te overleggen over stoornissen of handicaps van de leerling of beperkingen in de onderwijsparticipatie. Onder extra ondersteuning wordt niet verstaan ondersteuning om de beheersing van de Nederlandse taal te bevorderen voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.
Het bevoegd gezag weigert de toelating van een leerling die extra ondersteuning nodig heeft alleen nadat het ervoor heeft gezorgd dat een andere school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, LPW bereid is om de leerling toe te laten, na overleg met de ouders en met inachtneming van de ondersteuningsbehoefte van de leerling en het ondersteuningsaanbod van de betrokken scholen.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien:
- a. op de school waar de leerling is aangemeld geen plaatsruimte beschikbaar is;
- b. het bevoegd gezag de ouders bij de aanmelding verzoekt te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs op de school zullen respecteren of te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs op de school zullen onderschrijven en de ouders dit weigeren te verklaren; of
- c. de leerling niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating die zijn gesteld bij of krachtens deze wet.
Artikel 8.9a. Doorstroom naar havo en vwo
Het bevoegd gezag weigert een leerling niet de toelating tot het vijfde leerjaar van het vwo dan wel het vierde leerjaar van het havo op grond van zijn oordeel over kennis, vaardigheden of leerhouding van de leerling, indien de leerling in het bezit is van een diploma havo onderscheidenlijk een diploma vmbo in de theoretische of gemengde leerweg.
In afwijking van het eerste lid, mag het bevoegd gezag de toelating weigeren indien de leerling niet voldoet aan voorwaarden die bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld met betrekking tot kennis, vaardigheden of leerhouding van de leerling.
Artikel 8.10. Te verstrekken gegevens bij toelating
Een leerling kan pas tot de school worden toegelaten nadat de ouders de volgende gegevens aan het bevoegd gezag hebben verstrekt:
- a. de geslachtsnaam;
- b. de voorletters;
- c. de geboortedatum;
- d. het geslacht; en
- e. het persoonsgebonden nummer.
De ouders verstrekken de gegevens door middel van:
- a. een van overheidswege verstrekt document waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen; of
- b. een bewijs van uitschrijving dat is verstrekt door een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs.
Indien de ouders aannemelijk maken dat zij geen persoonsgebonden nummer van de leerling kunnen verstrekken, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na de beslissing tot toelating aan Onze Minister:
- a. de beschikbare gegevens van de leerling, bedoeld in het eerste lid;
- b. het adres en de woonplaats van de leerling; en
- c. indien aanwezig, zijn leerlingadministratienummer.
Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding het burgerservicenummer of het onderwijsnummer van de leerling aan het bevoegd gezag.
Artikel 8.11. Leerlingenadministratie
Het bevoegd gezag neemt de gegevens, bedoeld in artikel 8.10, eerste en derde lid, op in de leerlingenadministratie van de school.
Indien aan een leerling een onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, vervangt het bevoegd gezag het onderwijsnummer in de leerlingenadministratie van de school onmiddellijk door het burgerservicenummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het onderwijsnummer en het burgerservicenummer van de leerling.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de leerlingenadministratie.
Artikel 8.12. Inschrijving en uitschrijving
Indien het bevoegd gezag een leerling tot de school toelaat, wordt de leerling door het bevoegd gezag ingeschreven in de leerlingenadministratie van de school.
Indien een leerling de school verlaat, wordt de leerling door het bevoegd gezag uitgeschreven uit de leerlingenadministratie van de school.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het inschrijven en uitschrijven van leerlingen.
Artikel 8.13. Tijdelijke plaatsing
Indien de aanmelding gaat over een leerling die niet is ingeschreven op een andere school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet onderwijs voor wat betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, en het bevoegd gezag de beslissing over de toelating tien weken na de aanmelding nog niet heeft genomen, plaatst het bevoegd gezag de leerling tijdelijk op de school en schrijft het bevoegd gezag hem tijdelijk als leerling in.
De tijdelijke plaatsing gaat in op de dag volgend op de termijn van tien weken, of op de eerstvolgende dag waarop de leerling voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden toegelaten tot de school.
Het bevoegd gezag zet de tijdelijke plaatsing om in een definitieve plaatsing indien de leerling wordt toegelaten.
Weigert het bevoegd gezag de toelating van de leerling of beslist het bevoegd gezag de aanmelding niet te behandelen, dan beëindigt het bevoegd gezag de tijdelijke plaatsing van de leerling en schrijft de leerling uit met ingang van de dag die volgt op de dag waarop het bevoegd gezag de toelating weigert of beslist de aanmelding niet te behandelen.
Artikel 8.14. Schorsing
Het bevoegd gezag kan een leerling voor ten hoogste een week schorsen.
Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot schorsing schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de leerling bekend. Indien de leerling jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.
Het bevoegd gezag meldt een schorsing voor langer dan één dag schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering onverwijld aan de inspectie.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het schorsen van leerlingen.
Artikel 8.15. Verwijdering
Het bevoegd gezag kan een leerling van school verwijderen.
Het bevoegd gezag verwijdert een leerling op wie de LPW of LPW BES van toepassing is pas definitief van de school nadat het bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd dat het bevoegd gezag van een andere school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de LPW of een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de LPW BES bereid is de leerling toe te laten.
Het bevoegd gezag besluit pas tot definitieve verwijdering van een leerling na deze en, indien de leerling jonger dan 18 jaar is, ook diens ouders, in de gelegenheid te hebben gesteld hierover te worden gehoord.
Voordat het bevoegd gezag een leerling op wie de LPW of LPW BES van toepassing is definitief van school verwijdert, overlegt het met de inspectie. Ten tijde van dit overleg kan de leerling worden geschorst. In het overleg wordt ook nagegaan op welke manier de betrokken leerling onderwijs kan volgen.
Het bevoegd gezag stelt de inspectie schriftelijk en gemotiveerd in kennis van een definitieve verwijdering.
Het bevoegd gezag van een bijzondere school maakt de beslissing tot verwijdering van een leerling schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de leerling bekend. Indien de leerling jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.
Binnen zes weken na de bekendmaking kunnen de ouders bij het bevoegd gezag van een bijzondere school bezwaar maken tegen een beslissing tot verwijdering van een leerling.
Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over verwijdering van een leerling, beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare school betreft in afwijking van artikel 7:10 Awb, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de leerling in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing. Is de leerling jonger dan achttien jaar, dan komen deze rechten ook toe aan diens ouders.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwijderen van leerlingen.
Artikel 8.16. Voorwaardelijke bevordering
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het voorwaardelijk bevorderen van leerlingen.
Paragraaf 2. Gebruik persoonsgebonden nummer
Artikel 8.17. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling gebruiken in het contact met de leerling op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de leerling minderjarig is, met de ouders van deze leerling.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling, al dan niet samen met een of meer van de gegevens, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers gebruiken in het contact met Onze Minister over de vaststelling van de bekostiging van de school.
Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, LPW of artikel 1, onderdeel d, LPW BES, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een gemeente in het kader van de LPW of de LPW BES, samen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door de gemeente.
Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 8.21, eerste lid, en artikel 8.30, eerste lid, het persoonsgebonden nummer van een leerling.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het contact met een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs voor de in- en uitschrijving van die leerling of ten behoeve van het volgen van onderwijs in een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l. Onder dit contact wordt ook begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een leerling voor de uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, behalve als het verstrekken noodzakelijk is voor het nakomen van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.
Vervallen.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze leerling met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van leerlingen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd.
Het bevoegd gezag kan het pseudoniem gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een leerling in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het tiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, een ander pseudoniem kan genereren. Daarbij worden in ieder geval de categorieën ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het negende tot en met het elfde lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen.
Artikel 8.18. Gebruik persoonsgebonden nummer door college van burgemeester en wethouders
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde over het gebruik van het burgerservicenummer door het college van burgemeester en wethouders, gebruikt het college van burgemeester en wethouders het persoonsgebonden nummer van een leerling alleen voor:
- a. de registratie van leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de LPW of de LPW BES;
- b. de uitvoering van artikel 8.19 in verbinding met artikel 9.2.5 van de WEB;
- c. het verwerken van de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste en derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.
Paragraaf 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie
Artikel 8.19. Ondersteuning bij de overstap naar onderwijs of arbeidsmarkt
Hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, met uitzondering van de artikelen 9.2.2 en 9.2.3, van de WEB is van overeenkomstige toepassing op het voortgezet onderwijs.
Artikel 8.20. Melding verzuim niet-leerplichtigen
Indien een leerling die voldoet aan artikel 9.2.1, onderdelen a en b, van de WEB het onderwijs aan de school ten minste vier aaneengesloten weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt, ontstaat voor het bevoegd gezag de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.
Onder een geldige reden voor afwezigheid wordt in ieder geval verstaan een van de redenen, bedoeld in artikel 8.30, vijfde lid.
Artikel 8.21. Melding verwijdering niet-leerplichtigen
Indien het bevoegd gezag een leerling die voldoet aan artikel 9.2.1, onderdelen a en b, van de WEB verwijdert van de school, doet het bevoegd gezag onmiddellijk opgave van de gegevens van de leerling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)