Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)
Indien een raad van toezicht is ingesteld, is deze raad, onverminderd het eerste en tweede lid, belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de bestuursleden en het toepassen van de artikelen 7.34, 7.35, 7.37 en 7.37a en de daarmee verband houdende wettelijke voorschriften op bestuursleden die ook tot het personeel behoren.
De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de medezeggenschapsraad.
Dit artikel is, van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband. In afwijking van het vijfde lid, voert de interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan van het samenwerkingsverband ten minste tweemaal per jaar overleg met de ondersteuningsplanraad, bedoeld in artikel 4a WMS.
Paragraaf 1. Bestuur en intern toezicht
Artikel 3.4. Instelling openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
Een gemeenteraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon instellen die tot doel heeft om een of meer openbare scholen in de gemeente in stand te houden, al dan niet samen met openbare scholen als bedoeld in de WPO, de WPO BES of de WEC. Deze openbare rechtspersoon bezit rechtspersoonlijkheid.
Een openbare rechtspersoon kan ook worden ingesteld door meer dan een gemeenteraad. In dat geval komt de openbare rechtspersoon pas tot stand nadat alle daartoe strekkende verordeningen in werking zijn getreden. Deze verordeningen zijn gelijkluidend voor de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.
De gemeenteraad maakt het voornemen tot het instellen van een openbare rechtspersoon bekend.
Indien een openbare rechtspersoon wordt ingesteld door meer dan een gemeenteraad, wordt voor de toepassing van de deze paragraaf onder «gemeenteraad» mede verstaan: gemeenteraden.
Artikel 3.5. Verordening openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
De verordening regelt in elk geval:
- a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de openbare rechtspersoon;
- b. de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden;
- c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd;
- d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening;
- e. de wijze waarop de gemeenteraad toezicht op het bestuur uitoefent;
- f. de gronden waarop het bestuur kan beslissen de vergaderingen van het bestuur besloten te houden; en
- g. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is.
De verordening verzekert een overheersende invloed van de gemeente in het bestuur.
Artikel 3.6. Taken en bevoegdheden openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. Het verslag besteedt in elk geval aandacht aan de wijze waarop het bestuur gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:
- a. de toegankelijkheid van de openbare school voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging;
- b. de eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij het geven van het openbaar onderwijs; en
- c. de benoembaarheid op gelijke voet van het personeel.
De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.
Artikel 3.7. Gemeentelijke taken en bevoegdheden openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
De gemeenteraad benoemt de bestuursleden van de openbare rechtspersoon. Ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van de bestuursleden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen van de betrokken school of scholen.
De begroting en de jaarrekening van de openbare rechtspersoon worden ter instemming voorgelegd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.
Indien de gemeenteraad voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, niet heeft ingestemd met de begroting, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen.
Indien de openbare rechtspersoon een raad van toezicht heeft, benoemt de gemeenteraad de leden van de raad van toezicht.
De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.
Artikel 3.8. Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs met raad van toezicht
Indien de openbare rechtspersoon een raad van toezicht heeft, is artikel 3.5, eerste lid niet van toepassing en bevat de verordening, onverminderd artikel 3.3 in elk geval een regeling van:
- a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de openbare rechtspersoon;
- b. de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van die leden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen;
- c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd;
- d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening; en
- e. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is.
De verordening verzekert een overheersende invloed van de gemeente in de raad van toezicht
Artikel 3.9. Taakverwaarlozing openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of handelen in strijd met de wet bevoegd om zelf te voorzien in het bestuur van de openbare school en om zo nodig de openbare rechtspersoon te ontbinden.
Paragraaf 3. Stichting voor openbaar onderwijs
Artikel 3.10. Oprichting stichting voor openbaar onderwijs
De stichting wordt opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet samen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
De gemeenteraad maakt het voornemen tot het oprichten van een stichting bekend.
Indien de stichting wordt opgericht door meer dan een gemeente, wordt voor de toepassing van deze paragraaf onder «gemeenteraad» mede verstaan: gemeenteraden.
Artikel 3.11. Statuten stichting voor openbaar onderwijs
Onverminderd artikel 3.22, eerste lid, is het statutaire doel van de stichting uitsluitend het geven van openbaar onderwijs.
De statuten regelen in elk geval:
- a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur;
- b. de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden;
- c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd;
- d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening;
- e. de wijze waarop de gemeenteraad toezicht op het bestuur uitoefent;
- f. de gronden waarop het bestuur kan beslissen de vergaderingen besloten te houden;
- g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is;
- h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
In de statuten is een overheersende invloed van de overheid in het bestuur verzekerd.
Wijziging van de statuten behoeft de instemming van de gemeenteraad.
Artikel 3.12. Taken en bevoegdheden stichting voor openbaar onderwijs
Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. In het verslag wordt in elk geval aandacht geschonken aan de wijze waarop het bestuur gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:
- a. de toegankelijkheid van de openbare school voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging;
- b. de eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij het geven van het openbaar onderwijs; en
- c. de benoembaarheid op gelijke voet van het personeel.
De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.
Artikel 3.13. Gemeentelijke taken en bevoegdheden stichting voor openbaar onderwijs
De gemeenteraad benoemt de bestuursleden van de stichting. Ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van de bestuursleden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen.
De begroting en de jaarrekening van de stichting worden ter instemming voorgelegd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.
Indien de gemeenteraad voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, niet heeft ingestemd met de begroting, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen.
Indien de stichting een raad van toezicht heeft, benoemt de gemeenteraad de leden van de raad van toezicht.
De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.
Artikel 3.14. Stichting voor openbaar onderwijs met raad van toezicht
Indien de stichting een raad van toezicht heeft, is artikel 3.11, tweede lid, niet van toepassing en bevatten de statuten, onverminderd artikel 3.3, in elk geval een regeling van:
- a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de stichting;
- b. de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van die leden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen;
- c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd;
- d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening;
- e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is; en
- f. de bevoegdheid om de stichting te ontbinden.
De statuten verzekeren een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht.
Artikel 3.15. Taakverwaarlozing stichting voor openbaar onderwijs
De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de openbare school en zo nodig de stichting te ontbinden.
Paragraaf 4. Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
Artikel 3.16. Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
De instandhouding van een of meer openbare scholen samen met een of meer bijzondere scholen kan worden opgedragen aan een nieuwe stichting of worden overgedragen aan een bestaande stichting. De besluitvorming van de zijde van de gemeente vindt plaats door de gemeenteraad.
Indien de laatste afzonderlijke openbare school en de laatste afzonderlijke bijzondere school die door de stichting in stand worden gehouden, zijn gefuseerd tot een samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 3.22, kan de instandhouding van die samenwerkingsschool opgedragen blijven aan de stichting.
In deze paragraaf wordt onder gemeenteraad verstaan: gemeenteraad van de gemeente waar de openbare school is gevestigd.
Artikel 3.17. Statuten stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs in afzonderlijke openbare respectievelijk bijzondere scholen.
De statuten regelen in elk geval:
- a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur;
- b. de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden;
- c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd;
- d. de vaststelling van de begroting en jaarrekening na overleg met de gemeenteraad;
- e. de wijze waarop de gemeenteraad toezicht op het bestuur van de openbare school uitoefent;
- f. de gronden waarop het bestuur kan beslissen de vergaderingen besloten te houden;
- g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is;
- h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
De statuten verzekeren een overheersende invloed van de overheid in het bestuur voor zover het openbaar onderwijs betreft.
Wijziging van de statuten behoeft de instemming van de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming slechts onthouden indien overheersende invloed van de gemeente in het bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
Artikel 3.18. Taken en bevoegdheden stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
De stichting brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. Het verslag vermeldt in elk geval de wijze waarop de stichting gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:
- a. de toegankelijkheid van de openbare school voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging;
- b. de eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij het geven van het openbaar onderwijs; en
- c. de benoembaarheid op gelijke voet van het personeel.
De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.
Artikel 3.19. Gemeentelijke bevoegdheid opheffing openbare school
De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.
Artikel 3.20
[Vervallen]
Artikel 3.21. Taakverwaarlozing stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft.
Paragraaf 5. Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
Artikel 3.22. Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
Een samenwerkingsschool is een school waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt aangeboden. Een samenwerkingsschool kan alleen tot stand komen door samenvoeging van een of meer openbare scholen met een of meer bijzondere scholen en wordt in stand gehouden door een stichting, een stichting als bedoeld in artikel 3.16 of een stichting als bedoeld in artikel 3.10 waarvan het statutaire doel in elk geval is het in stand houden van een samenwerkingsschool.
Artikel 3.33 is van overeenkomstige toepassing.
Een samenwerkingsschool kan alleen tot stand komen indien:
- a. met die totstandkoming van de samenwerkingsschool de continuïteit van het openbaar of bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven; en
- b. de betrokken scholen en scholengemeenschappen alle leerjaren omvatten.
Van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is sprake als een van de betrokken scholen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door een aantal leerlingen gelijk aan of minder dan:
- a. 120 leerlingen voor praktijkonderwijs;
- b. 260 leerlingen voor vbo met één profiel;
- c. 160 leerlingen per profiel voor vbo met twee of meer profielen;
- d. 4/3 van het aantal leerlingen voor de overige scholen dat voor de betrokken schoolsoort is genoemd in artikel 4.24, eerste lid, onderdeel e.
Indien sprake is van een scholengemeenschap, is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, sprake indien de betrokken scholen van een van de betrokken scholengemeenschappen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door een aantal leerlingen gelijk aan of minder dan:
- a. 3/2 van het aantal leerlingen genoemd in artikel 4.24, tweede lid, voor praktijkonderwijs, mavo en havo;
- b. 130 leerlingen voor een afdeling voor havo;
- c. 293 leerlingen voor vwo; en
- d. voor scholen voor vbo:
- 1°. 195 leerlingen voor een school met één profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid;
- 2°. 120 leerlingen per profiel voor een school met twee of meer profielen als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid.
Artikel 3.23. Identiteitscommissie en statuten stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
Aan een samenwerkingsschool is een identiteitscommissie verbonden.
De identiteitscommissie adviseert gevraagd en ongevraagd het bevoegd gezag en de rector, directeur of centrale directie over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter en de identiteit van de samenwerkingsschool. De identiteitscommissie kan ook voorstellen doen over die aangelegenheden.
De statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, voorzien in een regeling over de identiteitscommissie waarin in elk geval de samenstelling, benoeming, herbenoeming, ontslag, duur van de benoeming, werkwijze, inrichting en bevoegdheden van de identiteitscommissie zijn vastgelegd en ook een voorziening voor het beslechten van geschillen tussen het bevoegd gezag en de identiteitscommissie. Bij de samenstelling van de identiteitscommissie is sprake van een evenwichtige verdeling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
Wijziging van de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt voor zover die betrekking hebben op de regeling over de identiteitscommissie, is slechts mogelijk indien het bevoegd gezag en de identiteitscommissie daartoe gezamenlijk besluiten. Voor een stichting anders dan een stichting als bedoeld in artikel 3.16 en anders dan bedoeld in artikel 3.10, kan een wijziging als bedoeld in de eerste volzin alleen tot stand komen met instemming van de gemeenteraad van de gemeente waarin de samenwerkingsschool gevestigd is. Instemming kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de gemeente in de identiteitscommissie niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs binnen de samenwerkingsschool betreft.
Artikel 3.24. Taken en bevoegdheden stichting voor instandhouding samenwerkingsschool; overdracht, opheffing of samenvoeging samenwerkingsschool
De stichting anders dan een stichting als bedoeld in artikel 3.16 of in artikel 3.10 brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente waarin de samenwerkingsschool gevestigd is, verslag uit over de werkzaamheden waarbij in elk geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.
Overdracht, opheffing of samenvoeging van de samenwerkingsschool is slechts mogelijk na instemming van de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is.
Artikel 3.25. Overige regels samenwerkingsschool
Samenwerkingsscholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging.
De regels van deze wet en van andere wetten die het voortgezet onderwijs betreffen, en de daarop gebaseerde regelingen, voor zover die regels en regelingen betrekking hebben op een bijzondere school, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsschool als bedoeld in het eerste lid, tenzij het tegendeel blijkt.
Artikel 3.26. Taakverwaarlozing stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en het bevoegd gezag van de samenwerkingsschool gezamenlijk genomen besluit.
Paragraaf 6. Niet bekostigd onderwijs
Artikel 3.27. Kennisgeving oprichting niet bekostigde school
De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3, LPW of artikel 1, onderdeel b, onder 3, LPW BES in stand houdt, stelt Onze Minister binnen vier weken na de oprichting van de school in kennis van die oprichting. De rechtspersoon overlegt daarbij de statuten en de reglementen van de rechtspersoon.
Indien de statuten of reglementen worden gewijzigd of ingetrokken, stelt de rechtspersoon Onze Minister binnen vier weken in kennis van die wijziging of intrekking.
Paragraaf 6. Niet bekostigd onderwijs
Artikel 3.28. Bestuursoverdracht
Een rechtspersoon die een bijzondere school, een bijzondere school als bedoeld in de WPO of in de WEC of een bijzondere instelling als bedoeld in de WEB of in de WHW in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 4.1, tweede lid.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het een overdracht van de instandhouding betreft van:
- a. een openbare school aan:
- 1°. een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4 die is ingesteld door één gemeenteraad; of
- 2°. een stichting als bedoeld in artikel 3.10 die is opgericht door één gemeente;
- b. een bijzondere school aan een verkrijgende rechtspersoon in het kader van een splitsing van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 3.29. Institutionele fusie
Een rechtspersoon kan twee of meer scholen of scholengemeenschappen, die hij in stand houdt, samenvoegen tot een school of scholengemeenschap.
Artikel 3.30. Instemming Minister
Voor de toepassing van dit artikel en artikel 3.31 wordt verstaan onder fusie: een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.28 of een institutionele fusie als bedoeld in artikel 3.29.
Een fusie wordt alleen na instemming van Onze Minister tot stand gebracht.
Onze Minister kan aan een fusie instemming onthouden, indien als gevolg van de fusie:
- a. de variatie van het onderwijsaanbod, waaronder schoolsoort, binnen de gemeenten waarin de leerlingen van de te fuseren scholen of rechtspersonen woonachtig zijn significant wordt belemmerd; of
- b. het aandeel per schoolsoort van de bij de fusie betrokken scholen in het aantal leerlingen in de gemeenten waarin de leerlingen van die scholen woonachtig zijn, een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage overschrijdt.
Onze Minister kan aan een institutionele fusie bovendien instemming onthouden indien de percentages leerlingen die zijn betrokken bij de fusie lager zijn dan de percentages, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid.
Onze Minister vraagt een onafhankelijke adviescommissie advies over het verlenen van de instemming, tenzij de noodzaak daarvoor ontbreekt. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over wanneer dit laatste het geval is.
Onze Minister stelt beleidsregels vast over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid.
Instemming van Onze Minister is niet vereist:
- a. voor de bestuursoverdracht en institutionele fusie die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de samenwerkingsschool, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid;
- b. voor een fusie waarbij een school voor praktijkonderwijs is betrokken, voor zover het die school betreft.
Artikel 3.31. Aanvraag en fusie-effectrapportage
De rechtspersoon dient of de rechtspersonen samen dienen een aanvraag in bij Onze Minister voor de instemming met de fusie. De aanvraag gaat vergezeld van:
- a. een door de rechtspersoon of rechtspersonen opgestelde fusie-effectrapportage, en
- b. een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie van de medezeggenschapsraden of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden, of
- c. een uitspraak van de geschillencommissie als bedoeld in artikel 31, derde lid, WMS, of een uitspraak van de Ondernemingskamer als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van die wet.
Een aanvraag geldt ook als een aanvraag om voor bekostiging in aanmerking te komen als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid.
De fusie-effectrapportage bevat in elk geval een weergave van:
- a. de motieven voor de fusie;
- b. de alternatieven voor de fusie;
- c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd;
- d. de met de fusie te bereiken doelen;
- e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de rechtspersonen en vestigingen van scholen in de gemeenten waarin de huidige leerlingen van die scholen woonachtig zijn, en op de onderwijskundige en bestuurlijke diversiteit van het onderwijsaanbod in de betrokken gemeenten;
- f. de financiële en personele gevolgen en de gevolgen voor leerlingen en hun ouders van de fusie, waaronder begrepen de gevolgen voor de voorzieningen;
- g. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd;
- h. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd;
- i. een advies van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten over de wenselijkheid van de fusie.
Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld.
Artikel 3.32. Beslistermijn; positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen
Onze Minister beslist binnen dertien weken op een aanvraag. De termijn kan met ten hoogste dertien weken worden verlengd. Onze Minister stelt de aanvrager hiervan voorafgaand aan de verlenging in kennis.
Paragraaf 4.1.3.3 Awb is van toepassing.
Artikel 3.33. Overdracht; splitsing
De bestuursoverdracht vindt plaats bij notariële akte. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich ook om de rechten inzake gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt ook als akte van levering, bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.
Bij de akte verbindt de verkrijgende rechtspersoon zich ook om het personeel in gelijke betrekkingen te benoemen met ingang van de datum van overdracht.
Door de overdracht treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle rechten en verplichtingen van de overdragende rechtspersoon met betrekking tot de school die uit de wet voortvloeien, onverminderd wat verder nog voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken.
Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 335 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES van een rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, bepaalt de splitsingsakte dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de school in stand zal houden of aan welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school wordt overgedragen. In het laatste geval zijn het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 8. Centrale diensten
Artikel 3.34. Centrale dienst
Een centrale dienst is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die:
- a. uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag, al dan niet samen met een of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de WPO of de WEC;
- b. zich volgens de statuten of de betrokken gemeenschappelijke regeling uitsluitend ten doel stelt om werkzaamheden te verrichten voor de scholen van de betrokken bevoegde gezagsorganen in het belang van de goede gang van zaken van het onderwijs;
- c. niet het maken van winst beoogt;
- d. wordt gefinancierd uit bijdragen van de bevoegde gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht; en
- e. Onze Minister heeft medegedeeld als centrale dienst werkzaam te willen zijn.
Onder werkzaamheden in het belang van de goede gang van zaken van het onderwijs wordt niet verstaan:
- a. het leiden van de school;
- b. het geven van onderwijs, met uitzondering van het geven van leerwegondersteunend onderwijs;
- c. activiteiten op het gebied van schoolbegeleiding als bedoeld in artikel 1 WPO en WEC.
Op het personeel van een centrale dienst is de rechtspositieregeling, bedoeld in artikel 7.34 van toepassing, behalve op personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld.
De bevoegde gezagsorganen die het bestuur van de centrale dienst vormen, geven Onze Minister en de personen die hij aanwijst op verzoek alle inlichtingen over de centrale dienst en de activiteiten daarvan.
De bevoegde gezagsorganen die het bestuur van de centrale dienst vormen, zien toe op de naleving van de voorgaande leden.
Paragraaf 8. Centrale diensten
Artikel 3.35. Indiening klacht; klachtenregeling
Het bevoegd gezag stelt een klachtenregeling vast waarbij een klachtencommissie wordt ingesteld.
De klachtencommissie bestaat uit ten minste drie leden, onder wie een voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag.
Ouders, leerlingen en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie een klacht indienen over:
- a. gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel, waaronder discriminatie; of
- b. het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bevoegd gezag of het personeel.
De klachtenregeling omvat naast het instellen van de klachtencommissie in elk geval:
- a. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht;
- b. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen;
- c. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, en de wijze waarop bij noodzakelijke afwijking van deze termijn wordt gehandeld; en
- d. waarborgen dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft.
Artikel 3.36. Klachtenbehandeling
De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:
- a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten; en
- b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
De klachtencommissie beoordeelt de gegrondheid van de klacht en deelt het oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie binnen vier weken na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk en gemotiveerd mee of hij het oordeel over de klacht deelt en of en zo ja, welke maatregelen hij zal nemen. Bij afwijking van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, doet het bevoegd gezag daarvan gemotiveerd mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag zijn besluit bekend zal maken.
Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij toegang krijgt tot gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de klachtencommissie en het bevoegd gezag.
Artikel 3.37. Maatregelen
Indien het bevoegd gezag tekort schiet in zijn zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.87, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag, of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag, maatregelen treffen.
Tot de maatregelen hoort de mogelijkheid om het bevoegd gezag te laten bijstaan door een externe deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen worden verstrekt aan de school.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het bevoegd gezag tekortschiet in zijn zorg voor de kwaliteit van de uitoefening van de taken van een samenwerkingsverband en de kwaliteit van het bestuur van een samenwerkingsverband.
Artikel 3.38. Aanwijzing
Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.
Onder wanbeheer wordt verstaan:
- a. financieel wanbeleid;
- b. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 2.87, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;
- c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
- d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
- e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder;
- f. het handelen in strijd met de zorgplicht voor de veiligheid, bedoeld in artikel 3.40, dat leidt of dreigt te leiden tot het toebrengen van ernstige sociale, psychische of fysieke schade aan een of meer leerlingen;
- g. het structureel of flagrant handelen in strijd met de burgerschapsopdracht, bedoeld in artikel 2.2, dat leidt of dreigt te leiden tot ernstige aantasting van een of meer basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven aanwijzing aan een samenwerkingsverband.
Paragraaf 10. Veiligheid
Artikel 3.39. Verplichting tot overleg en aangifte seksuele misdrijven
Indien het een bevoegd gezag bekend is geworden dat een persoon die voor zijn school met taken is belast, zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of in het Tweede Boek, Titel XIV, van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een minderjarige leerling van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 WOT.
Indien uit het overleg blijkt dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de betrokken persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering of artikel 1 juncto artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES. Voordat het bevoegd gezag aangifte doet, stelt het de ouders van de leerling en de betrokken persoon hiervan op de hoogte. Het bevoegd gezag stelt de vertrouwensinspecteur onverwijld in kennis van de aangifte.
Het personeelslid dat bekend is geworden dat een voor de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 3.40. Zorgplicht veiligheid op school
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de veiligheid op school, waarbij het in elk geval:
- a. beleid over de veiligheid voert;
- b. de veiligheid van leerlingen op school monitort met een instrument dat een representatief en actueel beeld hiervan geeft;
- c. ervoor zorg draagt dat bij een persoon in elk geval de volgende taken zijn belegd:
- 1°. het coördineren van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten; en
- 2°. het fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.
Onder veiligheid wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het instrument, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dat door de school wordt vormgegeven of gekozen, waaronder:
- a. de aandachtsgebieden die het instrument inzichtelijk maakt;
- b. de representativiteit van het instrument; en
- c. de frequentie waarmee het instrument wordt ingezet.
Het bevoegd gezag zendt onverwijld de resultaten van de monitor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de inspectie.
Artikel 3.41. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
Het bevoegd gezag stelt voor het personeel een meldcode vast waarin wordt aangegeven op welke wijze met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Het bevoegd gezag bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de elementen waaruit een meldcode in elk geval bestaat.
Paragraaf 11. Overige bepalingen
Artikel 3.42. Overleg onderwijsachterstandenbeleid
Het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente voeren ten minste jaarlijks op overeenstemming gericht overleg over:
- a. het voorkomen van segregatie;
- b. het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden;
- c. de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures;
- d. het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van de in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen.
Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt.
Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkomsten van het overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die, voordat de afspraken tot stand komen, aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijft het college van burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij het college initiatieven neemt tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vraagt het college van burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het vierde lid, om een bindend advies.
Onze Minister stelt een geschillencommissie in.
De geschillencommissie bestaat uit een voorzitter en vier leden, die allen door Onze Minister worden benoemd op voordracht van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De voorzitter is een jurist.
De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend.
De geschillencommissie brengt binnen vier weken aan het college van burgemeester en wethouders of aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies als bedoeld in het derde lid uit. Het college van burgemeester en wethouders deelt dit advies mede aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente.
Hoofdstuk 4. Voorzieningenplanning
Paragraaf 11. Overige bepalingen
Artikel 4.1. Bekostiging en voorzieningenplanning
Bekostiging uit ’s Rijks kas van een school of scholengemeenschap neemt geen aanvang dan krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk.
Een uit ’s Rijks kas bekostigde bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich het geven van voortgezet onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen, en die geen stichting is als bedoeld in artikel 3.10.
Artikel 4:32 Awb is niet van toepassing op de bekostiging van scholen.
Artikel 4.2. Nieuwe school of scholengemeenschap
Onze Minister brengt een openbare of bijzondere school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:
- a. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze school zal worden bezocht door ten minste:
- 1°. 390 leerlingen voor een school voor vwo;
- 2°. 325 leerlingen voor een school voor havo en 130 leerlingen voor een afdeling voor havo;
- 3°. 260 leerlingen voor een school voor mavo;
- 4°. 260 leerlingen voor een school voor vbo met 1 profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid;
- 5°. 160 leerlingen voor elk profiel van een school voor vbo indien meer dan 1 profiel binnen de school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of
- 6°. 120 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs; en
- b. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in deartikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.
Onze Minister brengt een openbare of bijzondere scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:
- a. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid, onder a, genoemde aantal; en
- b. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.
Onze Minister brengt een school of scholengemeenschap die ontstaat na splitsing van een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien wordt voldaan aan de verplichtingen die zijn vastgesteld:
- a. in artikel 4.5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, tweede en derde lid, en artikel 4.5a, eerste lid, tweede lid, onderdelen b, c en d, en derde lid; en
- b. bij ministeriële regeling, waarin deze verplichtingen in elk geval betrekking hebben op:
- 1°. het aantal leerlingen op de teldatum in het jaar voorafgaand aan de aanvraag van de te splitsen school of van een of meer van de samenstellende scholen van de te splitsen scholengemeenschap;
- 2°. het aantal leerlingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze na de splitsing de scholen of de samenstellende scholen van de scholengemeenschap zal bezoeken; en
- 3°. de wijze waarop op basis van de statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, aannemelijk wordt gemaakt dat op 1 januari van het elfde jaar na indiening van de aanvraag de scholen die na splitsing ontstaan, worden bezocht door ten minste het voor de desbetreffende schoolsoort in het eerste lid bedoelde aantal leerlingen.
Onze Minister brengt een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste of tweede lid, is ingediend voor bekostiging in aanmerking, indien voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid, met uitzondering van een document waaruit blijkt dat de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap is gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging. Artikel 4.7 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.2a. Nieuwe nevenvestiging
Onze Minister brengt een nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 4.12, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:
- a. het bevoegd gezag met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat de nevenvestiging ten minste zal worden bezocht door:
- 1°. 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor vwo;
- 2°. 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor havo;
- 3°. 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor mavo;
- 4°. 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor vbo; of
- 5°. 120 leerlingen voor praktijkonderwijs;
- b. het onderwijs op de school waaraan de nevenvestiging wordt verbonden niet zeer zwak is als bedoeld in artikel 2.94, eerste en derde lid, of door de inspectie ingevolge artikel 11 WOT als onvoldoende is beoordeeld; en
- c. het bevoegd gezag voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.
Onze Minister brengt een nevenvestiging van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.12, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:
- a. het bevoegd gezag met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid, onder a, genoemde aantal;
- b. het onderwijs op de scholengemeenschap waaraan de nevenvestiging is verbonden niet zeer zwak is als bedoeld in artikel 2.94, eerste en derde lid, of door de inspectie ingevolge artikel 11 WOT als onvoldoende is beoordeeld; en
- c. het bevoegd gezag voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.
Van het aantal leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging, en van de leerlingen van 1 van de al bestaande vestigingen van de school of scholengemeenschap is ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage afkomstig uit dezelfde postcodegebieden.
Artikel 4.3. Toevoegen profiel vbo of school
Onze Minister brengt een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een al bekostigde school voor vbo voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:
- a. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat dit profiel zal worden bezocht door ten minste:
- 1°. 160 leerlingen indien de school geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap; of
- 2°. 120 leerlingen indien de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap; en
- b. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.
Onze Minister brengt een nieuw te vormen school die wordt toegevoegd aan een al bekostigde school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:
- a. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze nieuwe school zal worden bezocht door ten minste drie kwart van het daarvoor in artikel 4.2, eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal leerlingen; en
- b. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.
De artikelen 4.6 en 4.7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.4. Voldoende openbaar onderwijs
Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de provincie. Zij kunnen een college van burgemeester en wethouders opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen indien de ouders van een naar hun oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij dat wensen en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente deze wens niet heeft ingewilligd.
Onze Minister kan het college van burgemeester en wethouders opdragen een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het eerste lid niet toepassen en de ouders van een naar zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij indiening van een dergelijke aanvraag wensen.
Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld in dit artikel onherroepelijk is geworden, gaat het college van burgemeester en wethouders over tot stichting van de bij het besluit voor bekostiging in aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap.
Artikel 4.5. Aanvraagprocedure nieuwe school, scholengemeenschap, profiel vbo, nevenvestiging of school door splitsing
Het bevoegd gezag dient voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag in om voor bekostiging in aanmerking te brengen:
- a. een school;
- b. een scholengemeenschap;
- c. een nevenvestiging van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.12, aanhef en onderdeel a;
- d. een school of scholengemeenschap die zal ontstaan na splitsing van een school of scholengemeenschap; of
- e. een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een al bekostigde school voor vbo.
Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om een aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in te dienen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister voor 1 juli voorafgaand aan die voorgenomen aanvraag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop deze melding plaatsvindt en kan een model voor de melding worden vastgesteld.
De inspectie adviseert Onze Minister of de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.5a, tweede lid, onderdeel b.
Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting juist en volledig is en besluit voor 1 juni:
- a. met inachtneming van artikel 4.2, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of de school, scholengemeenschap of school of scholengemeenschap na splitsing met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht;
- b. met inachtneming van artikel 4.2a, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of de nevenvestiging met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht;
- c. met inachtneming van artikel 4.3, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of het nieuw te vormen profiel met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of
- d. met inachtneming van artikel 4.2, vierde lid, op een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid of tweede lid, of de openbare school of scholengemeenschap met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.
4a. Indien Onze Minister de aanvraag op grond van de belangstellingsmeting in relatie tot de artikelen 4.2 of 4.2a afwijst, blijft het advies van de inspectie, bedoeld in het derde lid, achterwege.
Onverminderd artikel 4:35 Awb kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien deze is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die voorafgaande aan de aanvraag een of meer scholen in stand heeft gehouden waarop artikel 2.95, eerste lid, van toepassing is geweest of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke school in stand heeft gehouden, welke toepassing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 2.95, eerste lid.
Onverminderd artikel 4:35 Awb kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die reeds een of meer scholen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 3.38, eerste lid.
Onverminderd artikel 3:41 Awb wordt van de besluiten, bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid mededeling gedaan in de Staatscourant.
Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer, van een van de ouders en de leerling waarop de ouderverklaring betrekking heeft.
Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het derde lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Burgemeester en wethouders van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kunnen voor 1 december, volgend op de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.
Artikel 4.5a. Verplichtingen voor aanvraag bekostiging
Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, vermeldt:
- a. de schoolsoort of schoolsoorten;
- b. of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft; en
- c. de beoogde plaats van vestiging van de school, scholen, scholengemeenschap, scholengemeenschappen of nevenvestiging.
De aanvraag gaat vergezeld van:
- a. een belangstellingsmeting;
- b. een beschrijving van het voorgenomen beleid over de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of het profiel, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, zal worden gevoerd, voor zover dit betreft de uitwerking van de wettelijke voorschriften voor:
- 1°. de inrichting van het onderwijs, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid;
- 2°. het totaal aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 zal worden geprogrammeerd;
- 3°. de inhoud van een in onderwijstijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma, geldend voor de schoolsoort en leerweg, bedoeld in de artikelen 2.12 tot en met 2.17, 2.19 tot en met 2.27 en 2.37, en de referentieniveaus, bedoeld in artikel 2 van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, voor zover deze schoolsoort of leerweg van toepassing is op de aanvraag;
- 4°. de inhoud van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.2;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)