Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 560
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 8.22. Inlichtingen aan het college van burgemeester en wethouders

Het bevoegd gezag geeft aan het college van burgemeester en wethouders uiterlijk binnen vier weken alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt alle inlichtingen die het college van burgemeester en wethouders voor de uitvoering van artikel 8.19 in verbinding met hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, van de WEB redelijkerwijs nodig heeft.

Artikel 8.23. Contactgemeente

Vervallen

Artikel 8.24. Specifieke uitkering

Vervallen

Artikel 8.25. Effectrapportage

Vervallen

Artikel 8.26. Informatie over voortijdig schoolverlaten

Vervallen

Artikel 8.27. Regionaal programma, regionaal bestuurlijk overleg en regionale maatregelen

Vervallen

Paragraaf 4. Overige regels

Artikel 8.28. Leerlingenvervoer

Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, op hun aanvraag vergoeding van de vervoerskosten die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op leerlingen die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap voor hun schoolbezoek:

  • a. niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of
  • b. zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer.

Artikel 8.29. Gemeentelijke verordening leerlingenvervoer

1.

De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast over het leerlingenvervoer.

2.

In de verordening wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs en wordt de schoolkeuze van de ouders die berust op godsdienst of levensovertuiging geëerbiedigd.

3.

In de verordening wordt rekening gehouden met de inzet die redelijkerwijs kan worden verlangd van ouders en wordt voorzien in een manier van vervoer die passend is voor de leerling. In de verordening wordt bepaald op welke wijze het college van burgemeester en wethouders advies laat uitbrengen door deskundigen over de manier van vervoer die voor de leerling passend is.

4.

In de verordening wordt bepaald dat het college van burgemeester en wethouders de kosten vergoedt van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de ouders, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de ouders instemmen met het vervoer naar die school. In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in plaats van een vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of laat verzorgen.

5.

In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders kan afwijken van de verordening.

Artikel 8.30. Melding langdurige afwezigheid in verband met WTOS

1.

Indien een leerling op wie hoofdstuk 4 WTOS van toepassing is, ten minste vijf aaneengesloten weken zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister.

2.

Het bevoegd gezag stuurt aan de leerling gelijktijdig met de melding aan Onze Minister een afschrift van de gegevens die aan Onze Minister zijn verstrekt. Het bevoegd gezag geeft daarbij aan dat de afwezigheid gevolgen heeft voor de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten van de leerling op grond van de WTOS.

3.

De leerling kan binnen zes weken na ontvangst van de gegevens bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen de melding.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de vaststelling en melding van de afwezigheid.

5.

Onder afwezigheid met een geldige reden als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan afwezigheid wegens:

  • a. ziekte van de leerling, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts,
  • b. zwangerschap of bevalling van de leerling, welke uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, gedurende een periode van 16 weken die, indien de leerling dat wenst, 6 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat of gedurende een periode van 20 weken die, indien de leerling dat wenst, 10 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, of
  • c. bijzondere familieomstandigheden.
6.

Het bevoegd gezag kan bepalen dat de periode, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt verlengd als dit naar zijn oordeel passend is.

Artikel 8.31. Gegevensverstrekking leerlingen die naar verwachting overstappen naar het middelbaar beroepsonderwijs

1.

Het bevoegd gezag geeft jaarlijks de leerlingen op die aan die school een opleiding praktijkonderwijs of de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte, gemengde of theoretische leerweg volgen, en naar verwachting het aankomend schooljaar hun opleiding zullen vervolgen aan een beroepsopleiding in de zin van de WEB. De opgave wordt gedaan aan het college van burgemeester en wethouders van de woon- of verblijfplaats van deze leerlingen. Deze informatie wordt uitsluitend gebruikt om schooluitval bij de overgang naar het beroepsonderwijs als bedoeld in de WEB, te voorkomen.

2.

Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van het eerste lid regels gesteld, in elk geval ter specificatie van de gegevens die bij de opgave worden geleverd, en over het tijdstip en de wijze waarop deze gegevens worden geleverd.

Artikel 8.32. Deelname leerlingen aan extra activiteiten

1.

De deelname van leerlingen aan activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte onderwijsprogramma en worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, wordt niet afhankelijk gesteld van een bijdrage als bedoeld in artikel 8.8, zevende lid.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan voor de daar bedoelde activiteiten, indien:

  • a. deze activiteiten buiten de kerndoelen, bedoeld in artikel 2.13, of eindtermen en eindexamenprogramma’s langdurig aan leerlingen worden aangeboden door een school die door dat bevoegd gezag in stand gehouden wordt,
  • b. die school is aangesloten bij een verband van scholen die dergelijke activiteiten organiseren, en
  • c. krachtens een door dat verband vastgestelde code een regeling is getroffen voor de leerlingen ten aanzien van wie niet of niet geheel de gevraagde ouderbijdrage wordt betaald.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gesteld aan de scholen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en aan de code, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

Hoofdstuk 9. Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden

Paragraaf 4. Overige regels

Artikel 9.1. Experimenten scholen

1.

Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

2.

Deze algemene maatregel van bestuur regelt in elk geval:

  • a. het doel van het experiment;
  • b. van welke artikelen die in het eerste lid zijn genoemd, kan worden afgeweken en op welke wijze;
  • c. de duur van het experiment; en
  • d. de wijze waarop en de criteria waarmee de effecten worden geëvalueerd die met het experiment zijn beoogd.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

4.

Een experiment duurt maximaal zes jaar, of maximaal acht jaar indien de bijzondere aard van het experiment dat noodzakelijk maakt. Indien een voorstel van wet is ingediend om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling voordat het experiment is afgelopen, kan Onze Minister de duur van het experiment verlengen tot het tijdstip waarop die wettelijke regeling in werking is getreden.

5.

Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, en een standpunt over omzetting van het experiment in een structurele wettelijke regeling.

Artikel 9.2. Experimenten samenwerkende scholen of instellingen

1.

Indien scholen in een experiment samenwerken met scholen als bedoeld in de WPO, scholen of instellingen als bedoeld in de WEC, instellingen als bedoeld in de WEB of instellingen als bedoeld in de WHW, kan met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs, bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke bij of krachtens deze wet, de WPO, de WPO BES, de WEC, de WEB, de WEB BES of de WHW gestelde regels van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

3.

Artikel 9.1 is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2. Bijzondere inrichting

Artikel 9.3. Afwijking regels vanwege bijzondere inrichting onderwijs aan school

1.

Voor de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een bekostigde school kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1, 2 en 5.

2.

Voor de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een school die op grond van artikel 2.66, eerste lid, is aangewezen, kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1 en 2.

3.

Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

Paragraaf 1. Experimenten

Artikel 9.4. Begripsbepalingen

Vervallen

Artikel 9.5. Inrichting en melding van een tijdelijke onderwijsvoorziening

Vervallen

Artikel 9.6. Onderwijsprogramma

Vervallen

Artikel 9.7. Tijdelijke onderwijsvoorziening als tijdelijke nevenvestiging

Vervallen

Artikel 9.8. Onderwijspersoneel

Vervallen

Artikel 9.9. Afstandsonderwijs

Vervallen

Artikel 9.10. Regels over de inrichting

Vervallen

Artikel 9.11. Vaststelling ministeriële regeling

Vervallen

Hoofdstuk 10. Sancties

Artikel 10.1. Opschorting en inhouding bekostiging

1.

Indien het bevoegd gezag in strijd handelt met regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, waaronder ook wordt verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.38 of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 3.38a, kan Onze Minister de bekostiging geheel of gedeeltelijk opschorten of inhouden. Onder bekostiging zijn ook voorschotten begrepen.

2.

Onze Minister kent de bekostiging opnieuw toe indien er geen reden meer is het eerste lid toe te passen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, Awb.

4.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.

Hoofdstuk 10. Sancties

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 11.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • expertisecentrum onderwijszorg: het expertisecentrum onderwijszorg, bedoeld in artikel 11.18;
  • openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
  • samenwerkingsverband CN: het samenwerkingsverband CN, bedoeld in artikel 11.16.

Artikel 11.2. Reikwijdte hoofdstuk 11

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 11.3. Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES

Een beslissing als bedoeld in de artikelen 7.42, vijfde lid, 11.08, tweede lid, en 11.13, vierde lid, van een bevoegd gezag van een openbare school geldt als een beschikking als bedoeld in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Paragraaf 2. Wijze van toepassing hoofdstuk 2

Artikel 11.4. Instructietaal

1.

In afwijking van artikel 2.11, eerste lid, kan het praktijkonderwijs worden gegeven in een andere taal dan het Nederlands.

2.

De gedragscode, bedoeld in artikel 2.11, derde lid, wordt toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.5. Profielen mavo, havo en vwo

In afwijking van de artikelen 2.20, vierde lid, aanhef, en 2.25, tweede lid, aanhef, geeft een school het onderwijs in een of meer van de profielen.

Artikel 11.6. Toepassing praktijkonderwijs

In afwijking van de artikelen 2.29 en 2.30 zijn de artikelen 11.7 en 11.8 van toepassing.

Artikel 11.7. Doelgroep praktijkonderwijs

Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie naar het oordeel van het bevoegd gezag vaststaat dat:

  • a. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden; en
  • b. het volgen van onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in artikel 2.22, eerste lid, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 11.13, niet zal leiden tot het behalen van een diploma of een getuigschrift vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid.

Artikel 11.8. Toelaatbaarheid en toelating praktijkonderwijs

1.

Indien het bevoegd gezag van de school waar een leerling zich aanmeldt, of waaraan de leerling is ingeschreven, redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in staat is een van de leerwegen, genoemd in artikel 2.22, eerste lid, al dan niet in combinatie met leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 11.13 af te sluiten met een diploma of getuigschrift vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, kan het bevoegd gezag aan de ouders van de leerling voorstellen dat de leerling in plaats daarvan praktijkonderwijs volgt.

2.

Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Het hanteert daartoe een indicatieprocedure die is gebaseerd op erkende testen en toetsen.

3.

Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de leerling het praktijkonderwijs wordt gegeven.

Artikel 11.9. Maatschappelijke stage en onderwijs in lichamelijke opvoeding

Artikel 2.32 en artikel 2.33, tweede lid, zijn niet van toepassing.

Artikel 11.10. Bestrijding (taal)achterstand

In aanvulling op artikel 2.34 draagt het bevoegd gezag zorg voor een optimale aansluiting van leerlingen met een moedertaal die niet overeenkomt met de instructietaal die op de scholen wordt gehanteerd.

Artikel 11.10a. Meetellen onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo

Vervallen

Artikel 11.11. Meetellen onderwijstijd bij het EOZ

1.

Indien een leerling in een deel van de week onderwijs ontvangt op een andere school of wordt begeleid bij het expertisecentrum onderwijszorg, telt de tijd dat de leerling dit onderwijs ontvangt mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 3.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:

  • a. regels worden gesteld over de uitvoering van het eerste lid; en
  • b. voorwaarden worden gesteld waaraan scholen en instellingen als bedoeld in het eerste lid moeten voldoen als voorwaarde voor het meetellen van de tijd, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 11.12. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

In afwijking van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 zijn de artikelen 11.13 tot en met 11.23 van toepassing.

Artikel 11.13. Leerwegondersteunend onderwijs

1.

Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven aan de leerling voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is om het onderwijs in een van de leerwegen, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, te kunnen afsluiten.

2.

Leerwegondersteunend onderwijs:

  • a. bereidt de leerling voor op het volgen van onderwijs in een van deze leerwegen, of
  • b. wordt verzorgd tijdens het volgen van dat onderwijs; en
  • c. wordt zodanig in het onderwijs geïntegreerd en ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan volgen dat is gericht op het afsluiten van de leerweg.
3.

Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven indien de leerling met behulp van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, geen ononderbroken ontwikkelingsproces kan doormaken als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

4.

Het bevoegd gezag beslist of een leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. Het hanteert daartoe een indicatieprocedure die is gebaseerd op erkende testen en toetsen. Na overleg met de ouders van de leerling beslist het bevoegd gezag of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.

5.

Het bevoegd gezag stelt, na overleg met de ouders en de leerling, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop aan de leerling het leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven.

Artikel 11.14. Handelingsplan

1.

Het bevoegd gezag van een school waar een leerling met een specifieke onderwijsbehoefte is ingeschreven stelt in overeenstemming met de ouders en met inachtneming van artikel 11.18, derde lid, voor elk schooljaar een handelingsplan op. Indien de leerling wordt ingeschreven op of na 1 augustus, wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk maar uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld.

2.

Het bevoegd gezag stelt het handelingsplan op nadat het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid heeft gesteld op een door de leerling te bepalen wijze vrijelijk zijn mening hierover naar voren te brengen. Het bevoegd gezag biedt de leerling daartoe de ondersteuning die hij nodig heeft.

3.

Het bevoegd gezag beschrijft in het handelingsplan de inbreng van de leerling en hoe deze van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het handelingsplan.

4.

Het bevoegd gezag licht aan de leerling toe op welke wijze diens mening van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het handelingsplan.

5.

Het handelingsplan wordt jaarlijks met de ouders en de leerling geëvalueerd.

Artikel 11.15. Voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen

Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door ziekte thuis verblijven of die zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen ontvangen.

Artikel 11.16. Samenwerkingsverband CN

1.

Het bevoegd gezag is voor elk van zijn scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband CN met, voor zover aanwezig in het openbaar lichaam:

  • a. een of meer scholen;
  • b. een of meer scholen voor basisonderwijs;
  • c. een of meer instellingen als bedoeld in de WEB BES;
  • e. een expertisecentrum onderwijszorg.
2.

In afwijking van het eerste lid kan een samenwerkingsverband CN bestaan uit de betrokkenen, bedoeld in de onderdelen a, b, c of d, die samen een expertisecentrum onderwijszorg in stand houden.

3.

Het samenwerkingsverband CN heeft als doel, het realiseren van een zodanig samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen scholen en in samenwerking met de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, dat zoveel mogelijk leerlingen, vavo-studenten en mbo-studenten een ononderbroken onderwijsloopbaan kunnen doormaken.

4.

Per openbaar lichaam is er één samenwerkingsverband CN.

5.

Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan het samenwerkingsverband CN, wordt deze deelname door de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in het samenwerkingsverband CN niet geweigerd.

6.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop een geschil wordt beslecht tussen de organisaties, bedoeld in het eerste lid, over aangelegenheden die het samenwerkingsverband CN aangaan.

Artikel 11.17. Eilandelijk zorgplan

1.

Het bevoegd gezag stelt samen met de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in een samenwerkingsverband CN en met het expertisecentrum onderwijszorg indien artikel 11.16, tweede lid, van toepassing is, jaarlijks voor 1 mei een gezamenlijk eilandelijk zorgplan vast voor het daaropvolgende schooljaar.

2.

Het eilandelijk zorgplan bevat in elk geval een beschrijving van:

  • b. de wijze, waarop de bekostiging voor de zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 11.23, wordt ingezet;
  • d. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten aanzien van de onderwijskundige opvang van de leerlingen, vavo-studenten en mbo-studenten met een specifieke onderwijsbehoefte;
  • e. de procedures voor de handelingsgerichte diagnose van leerlingen, vavo-studenten en mbo-studenten; en
  • f. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen.
3.

Het eilandelijk zorgplan wordt voor 15 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop het betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.18. Expertisecentrum onderwijszorg

1.

Onze Minister kan op aanvraag een rechtspersoon aanwijzen die naar zijn oordeel in staat is deskundige ondersteuning te bieden aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte waarin binnen de school redelijkerwijs niet kan worden voorzien en waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan:

  • a. het verzorgen van onderwijsondersteunende activiteiten aan leerlingen met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis;
  • b. het verzorgen van ambulante begeleiding voor leerlingen met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis;
  • c. het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek voor de leerlingen op verzoek van het bevoegd gezag, het samenwerkingsverband CN of de ouders; of
  • d. het op verzoek van een bevoegd gezag, het samenwerkingsverband CN of de ouders van leerlingen adviseren en collegiaal consulteren.
2.

De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als expertisecentrum onderwijszorg.

3.

Een leerling die binnen een locatie van het expertisecentrum onderwijszorg wordt begeleid, blijft ingeschreven bij de school. Het bevoegd gezag van deze school blijft verantwoordelijk voor de leerling tijdens het verblijf binnen het expertisecentrum onderwijszorg. Onder deze verantwoordelijkheid valt in elk geval de zorg voor het geven van adequaat onderwijs door een leraar die daartoe bevoegd is op grond van paragraaf 2 van hoofdstuk 7.

Artikel 11.19. Overige regels expertisecentrum onderwijszorg

1.

Met inachtneming van artikel 11.57 vergoedt het bevoegd gezag voor het begeleiden van zijn leerling, bedoeld in artikel 11.18, derde lid, naar redelijkheid en indien dit naar het oordeel van het samenwerkingsverband CN nodig is, de kosten die worden gemaakt door:

  • a. het expertisecentrum onderwijszorg; en
2.

Per openbaar lichaam is er één expertisecentrum onderwijszorg.

3.

Het expertisecentrum onderwijszorg treft een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen en beslissingen van het bestuur van dit centrum of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bestuur of het personeel voor zover het betreft zijn respectievelijk hun werkzaamheden in het kader van het onderwijsproces of de deskundige ondersteuning, bedoeld in artikel 11.18, eerste lid. De artikelen 3.35 en 3.36 zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de taken van het expertisecentrum onderwijszorg.

Artikel 11.20. Subsidie expertisecentrum onderwijszorg

1.

Onze Minister verstrekt het expertisecentrum onderwijszorg subsidie.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg voor de taken, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid.

3.

De titels 4.1 en 4.2 Awb en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op de subsidie.

Artikel 11.21. Toezicht expertisecentrum onderwijszorg

1.

Met het toezicht op de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 11.18, eerste lid, en voor zover van toepassing artikel 11.19 vierde lid, zijn de ambtenaren belast die bij besluit van Onze Minister zijn aangewezen.

2.

De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid Awb zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, Awb ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde toezicht.

Artikel 11.22. Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg

1.

Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen indien het expertisecentrum onderwijszorg naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost.

2.

Deze voorzieningen worden niet eerder getroffen dan nadat het expertisecentrum onderwijszorg in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.

Artikel 11.23. Grondslag bekostiging zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoefte

1.

Het Rijk bekostigt scholen voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 11.24. Gedragscode afnametaal bij toetsen en examens

De gedragscode, bedoeld in artikel 2.52, derde lid, wordt toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.24a. Vaststelling en wijziging examenreglement en pta

De artikelen 2.60, vierde lid, 2.60b, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing, met dien verstande dat het bevoegd gezag de schriftelijke motivering bedoeld in artikel 2.60b, tweede lid, wel zo spoedig mogelijk aan de examencommissie zendt.

Artikel 11.25. Toepassing predicaat zeer zwak onderwijs bij aangewezen scholen

Artikel 2.68, vierde lid, is niet van toepassing.

Artikel 11.26. Staatsexamens

Artikel 11.27. Schoolplan

In afwijking van artikel 2.89, tweede lid, bevat het schoolplan een beschrijving van de wijze waarop het bevoegd gezag de uitwerking van het eilandelijk zorgplan vorm geeft.

Artikel 11.28. Zeer zwak onderwijs

De artikelen 2.94 tot en met 2.96 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.29. Toepassing leer-werktrajecten

In afwijking van de artikelen 2.103, zesde lid, tweede volzin, en zevende lid, 2.105 en 5.45 zijn de artikelen 11.30, 11.31 en 11.58 van toepassing.

Artikel 11.30. Leer-werkovereenkomst

1.

Het buitenschoolse praktijkgedeelte van het leer-werktraject wordt verzorgd door een bedrijf of organisatie, op grondslag van een leer-werkovereenkomst die wordt gesloten door het bevoegd gezag, de betrokken leerling of diens ouders, dat bedrijf of die organisatie, en de Raad onderwijs arbeidsmarkt, die daarmee verklaart:

  • b. voor zover van toepassing, dat de gronden voor dat kwaliteitsoordeel nog steeds aanwezig zijn.
2.

In afwijking van Boek 7A, artikel 1613c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek BES, is bij strijd als bedoeld in dat artikel, het eerste lid van toepassing.

Artikel 11.31. Beoordeling kwaliteit leerbedrijven

1.

Het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse gedeelte van het leer-werktraject verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de leerlingen binnen het bedrijf respectievelijk de organisatie.

2.

De Raad onderwijs arbeidsmarkt draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen, aan de hand van de eisen, bedoeld in artikel 2.106, onderdeel a.

3.

De Raad onderwijs arbeidsmarkt draagt zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling.

4.

Het buitenschoolse praktijkgedeelte van het leer-werktraject wordt alleen verzorgd door bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling.

Artikel 11.32. Vervangende voorziening voor praktijkplaats bij leer-werktraject vmbo

In artikel 2.107, tweede lid, wordt voor «het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven» gelezen «de Raad onderwijs arbeidsmarkt».

Paragraaf 3. Wijze van toepassing hoofdstuk 3

Artikel 11.33. Samenstelling medezeggenschapsraad

1.

Aan een school is een medezeggenschapsraad verbonden.

2.

De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit ten minste vier leden.

3.

De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit leden die:

  • a. uit en door het personeel worden gekozen; en
  • b. deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen worden gekozen.
4.

De aantallen leden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a en onderdeel b, zijn aan elkaar gelijk. Ook zijn de aantallen leden die worden gekozen uit en door de ouders en uit en door de leerlingen aan elkaar gelijk. Indien niet aan de tweede volzin kan worden voldaan, omdat onvoldoende ouders dan wel leerlingen bereid zijn lid te worden, kan de plaats die niet door de desbetreffende groep kan worden vervuld, worden toegedeeld aan de andere groep.

5.

Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of leerlingen en door organisaties van ouders of leerlingen.

Artikel 11.34. Personeelsgeleding medezeggenschapsraad

1.

Indien het bevoegd gezag personeel heeft benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht voor meer dan één school, kan een medezeggenschapsraad worden ingesteld die bestaat uit leden die uit en door dat personeel worden gekozen. De medezeggenschapsraad bestaat in dat geval uit ten minste twee leden.

2.

Personen die deel uitmaken van het bevoegd gezag, kunnen geen lid zijn van de medezeggenschapsraad.

3.

Een personeelslid dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad kan niet ook lid zijn van de medezeggenschapsraad.

Artikel 11.35. Lidmaatschap medezeggenschapsraad

1.

De verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad gebeurt bij geheime schriftelijke stemming.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven over de periode waarin de verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad plaatsvindt.

3.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de leden van de medezeggenschapsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun relatie met het bevoegd gezag tot de school. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op kandidaat-leden en voormalige leden.

4.

De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een lid van het personeel mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de medezeggenschapsraad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met de eerste volzin is nietig.

5.

De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of diens plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Artikel 11.36. Medezeggenschap

1.

Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken.

2.

Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad komen bijeen indien daartoe een gemotiveerd verzoek wordt gedaan door het bevoegd gezag, de vertegenwoordigers van ouders, de vertegenwoordigers van leerlingen of de vertegenwoordigers van personeel. De besprekingen kunnen namens het bevoegd gezag worden gevoerd.

Artikel 11.37. Oprichting openbare rechtspersoon, en stichting voor openbaar onderwijs; totstandkoming samenwerkingsschool

1.

In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, en 3.10, tweede lid, kunnen een openbare rechtspersoon of een stichting voor openbaar onderwijs niet door meer dan door één openbaar lichaam worden ingesteld.

2.

In afwijking van artikel 3.22, derde lid, is van een situatie als bedoeld in dat lid, onderdeel a, sprake indien één van de betrokken scholen of scholengemeenschappen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door zestig of minder leerlingen boven de opheffingsnorm, bedoeld in artikel 11.53.

Artikel 11.38. Fusies

De artikelen 3.29 tot en met 3.32 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.39. Centrale dienst

Artikel 3.34 is niet van toepassing.

Artikel 11.40. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Artikel 3.41 is niet van toepassing.

Artikel 11.41. Overleg onderwijsachterstandenbeleid

Artikel 3.42 is niet van toepassing.

Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4

Artikel 11.42. Toepassing nieuwe school, scholengemeenschap of profiel

In plaats van de artikelen 4.2, 4.2a, 4.3 en 4.5 tot en met 4.7 zijn de artikelen 11.44 tot en met 11.45c van toepassing.

Artikel 11.43. Nieuwe school, scholengemeenschap of nevenvestiging

1.

Onze Minister brengt een openbare of bijzondere school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

  • a. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze school, mede gelet op de hoogte van de bekostiging die krachtens deze wet wordt verstrekt, zal worden bezocht door een aantal leerlingen dat voldoende is om een school van voldoende kwaliteit in stand te houden; en
2.

Onze Minister brengt een openbare of bijzondere scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

  • a. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid bedoelde aantal; en
3.

Onze Minister brengt een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste of tweede lid, is ingediend voor bekostiging in aanmerking, indien voldaan is aan de verplichtingen in artikel 11.45, eerste en tweede lid en artikel 11.45a, eerste en tweede lid, met uitzondering van een document waaruit blijkt dat het openbaar lichaam van het eiland van de beoogde plaats van vestiging is gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging. Artikel 11.45c is van overeenkomstige toepassing.

4.

Onze Minister brengt een openbare of bijzondere nevenvestiging van een school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

  • a. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze nevenvestiging, mede gelet op de hoogte van de bekostiging die krachtens deze titel wordt verstrekt, zal worden bezocht door een aantal leerlingen dat voldoende is om een school van voldoende kwaliteit in stand te houden; en

Artikel 11.44. Toevoegen profiel vbo of school

1.

Artikel 11.43, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een bekostigde school voor vbo.

2.

Onze Minister brengt een nieuw te vormen school die wordt toegevoegd aan een al bekostigde school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

  • a. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze nieuwe school zal worden bezocht door ten minste drie kwart van het daarvoor in artikel 11.43, eerste lid, bedoelde aantal; en

Artikel 11.45. Aanvraagprocedure nieuwe school, scholengemeenschap of profiel vbo

1.

Het bevoegd gezag dient voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag in om voor bekostiging in aanmerking te brengen:

  • a. een school;
  • b. een scholengemeenschap; of
2.

Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om een aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in te dienen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister voor 1 juli voorafgaand aan die voorgenomen aanvraag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop deze melding plaatsvindt en kan een model voor de melding worden vastgesteld.

3.

De inspectie adviseert Onze Minister of de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 11.45a, tweede lid, onderdeel b.

4.

Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting juist en volledig is en besluit voor 1 juni:

  • a. met inachtneming van artikel 11.43, eerste, tweede en vierde lid, en 11.44, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of nieuw te vormen profiel met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of

4a. Indien Onze Minister de aanvraag op grond van de belangstellingsmeting in relatie tot de artikelen 11.43 afwijst, blijft het advies van de inspectie, bedoeld in het derde lid, achterwege.

5.

Van de besluiten, bedoeld in het vierde en achtste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

6.

Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 11.45b, vijfde lid, onderdeel a, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer van een van de ouders en het kind waarop de ouderverklaring betrekking heeft.

7.

Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het derde lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

8.

Onze Minister kan de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een openbaar lichaam, die reeds een of meer scholen of scholengemeenschappen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen, welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 3.38, eerste lid.

9.

Het bestuurscollege van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan voor 1 december, volgend op de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.

Artikel 11.45a. Verplichtingen voor aanvraag bekostiging

1.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, vermeldt:

  • a. de schoolsoort of schoolsoorten;
  • b. of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft; en
  • c. de beoogde plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap.
2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a. een belangstellingsmeting;
  • b. een beschrijving van het voorgenomen beleid over de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of het profiel, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, zal worden gevoerd, voor zover dit betreft de uitwerking van de wettelijke voorschriften voor:
  • 2°. het totaal aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 zal worden geprogrammeerd;
  • 3°. de inhoud van een in onderwijstijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma, geldend voor de schoolsoort en leerweg, bedoeld in de artikelen 2.12 tot en met 2.14, 2.19 tot en met 2.27, en 2.37, voor zover deze schoolsoort of leerweg van toepassing is op de aanvraag;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)