Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 560
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Hoofdstuk 2, paragrafen 2 en 5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 4, hoofdstuk 5, paragrafen 2, 3 en 5, hoofdstuk 7, paragrafen 2, 3, 4 en 7, en hoofdstuk 8 zijn niet van toepassing op deze instellingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen deze bepalingen van toepassing of overeenkomstige toepassing worden verklaard dan wel kunnen regels worden gesteld over:

  • a. de inrichting van het onderwijs;
  • b. de examens;
  • c. de rechtpositie van het personeel;
  • d. de benoembaarheidsvereisten van het personeel;
  • e. de aanvang, de wijze en de beëindiging van de bekostiging; en
  • f. de toelating tot het onderwijs.

Paragraaf 9. Kwaliteitszorg en communicatie

Artikel 2.87. Kwaliteit onderwijs

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Daaronder wordt in elk geval verstaan het naleven van de regels die zijn gesteld bij of krachtens deze wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.91.

Artikel 2.88. Schoolplan: typering

1.

Het bevoegd gezag stelt in elk geval eenmaal in de vier jaar het schoolplan vast.

2.

Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid voor de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd. Deze beschrijving omvat in elk geval:

  • a. het onderwijskundig beleid;
  • b. het personeelsbeleid; en
  • c. het stelsel van kwaliteitszorg.
3.

Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid voor het aanvaarden van materiële of financiële bijdragen, niet zijnde de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 8.8, zevende lid, of een andere op de onderwijswetgeving gebaseerde bijdrage, indien het bevoegd gezag bij het aanvaarden van deze bijdragen verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen zullen worden geconfronteerd binnen de schooltijden, tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, en tijdens het overblijven.

4.

Het schoolplan geeft aan, op welke wijze de identiteitscommissie, bedoeld in artikel 3.23, invulling geeft aan het openbare karakter of, voor zover het een samenwerkingsschool betreft, de identiteit ervan, respectievelijk de identiteit van de school voor zover het betreft een samenwerkingsschool.

5.

Het bevoegd gezag zendt het schoolplan of een wijziging daarvan zo spoedig mogelijk na de vaststelling aan de medezeggenschapsraad en de inspectie.

Artikel 2.89. Schoolplan: onderwijskundig beleid

1.

De beschrijving van het onderwijskundig beleid, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel a, omvat in elk geval:

  • a. de uitwerking van de regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over de uitgangspunten, de doelstelling en de inhoud van het onderwijs;
  • b. de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in een onderwijsprogramma;
  • c. het pedagogisch-didactisch klimaat en het schoolklimaat; en
  • d. de wijze waarop wordt zorggedragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40.
2.

Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt ook het ondersteuningsaanbod van de school betrokken.

Artikel 2.90. Schoolplan: personeelsbeleid

De beschrijving van het personeelsbeleid, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel b, omvat in elk geval:

  • a. de wijze waarop wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en de wijze waarop de bekwaamheid wordt onderhouden;
  • b. de maatregelen voor het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de uitvoering van het onderwijskundig beleid;
  • c. het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijspersoneel;
  • d. cijfers over de mate van evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities; en
  • e. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op dat beleid.

Artikel 2.91. Schoolplan: stelsel van kwaliteitszorg

De beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel c, vermeldt in elk geval hoe wordt zorggedragen voor:

  • a. het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en dat het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid; en
  • b. het vaststellen van welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

Artikel 2.92. Schoolgids

1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids voor het eerstvolgende schooljaar vast.

2.

De schoolgids bevat voor ouders en leerlingen informatie over de werkwijze van de school en in elk geval over:

  • a. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het onderwijsleerproces worden bereikt, waaronder, in elk geval voor het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de schoolgids wordt vastgesteld, per schoolsoort voor elk leerjaar:
  • 1°. het percentage leerlingen dat doorstroomt naar een hoger leerjaar of naar een andere schoolsoort; en
  • 2°. het percentage leerlingen dat de school zonder diploma verlaat en het percentage leerlingen dat voor het eindexamen slaagt;
  • b. de basisondersteuningsvoorzieningen en het ondersteuningsaanbod van de school;
  • c. het totale aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38, eerste tot en met vierde lid, wordt geprogrammeerd, de vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd, en het beleid voor lesuitval;
  • d. de inrichting van het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, waarbij wordt aangegeven of sprake is van vakoverstijgende programmaonderdelen en de inzet van het personeel daarbij;
  • e. in voorkomend geval de invulling van de maatschappelijke stage, bedoeld in artikel 2.32;
  • f. de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 8.8, zevende lid, waarbij wordt vermeld dat deze vrijwillig is en dat het niet voldoen van die bijdrage niet leidt tot het uitsluiten van leerlingen van deelname aan activiteiten;
  • g. de rechten en plichten van de ouders, de leerlingen en het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in de artikelen 3.35 en 3.36, waarbij voor de leerlingen kan worden volstaan met het vermelden van de rechten en plichten die zijn opgenomen in het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 2.98;
  • i. het beleid over de veiligheid;
  • j. het leerlingenparticipatiebeleid, waaronder wordt begrepen de wijze waarop leerlingen worden betrokken bij de vorming van het beleid van de school, en ook de wijze waarop deze betrokkenheid wordt gefaciliteerd en gestimuleerd;
  • k. het verzuimbeleid;
  • l. de wijze waarop de identiteitscommissie, bedoeld in artikel 3.23, invulling geeft aan het openbare karakter van de school of aan de identiteit van de school voor zover het gaat om een samenwerkingsschool;
  • m. het samenwerkingsverband en in voorkomend geval de samenwerkingsverbanden waarbij het bevoegd gezag van de school is aangesloten;
  • o. de bevindingen die in het kader van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.91, zijn gedaan en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen; en
3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop in de schoolgids:

  • a. de resultaten worden beschreven die met het onderwijs worden bereikt; en
  • b. de context wordt vermeld waarin deze resultaten dienen te worden geplaatst.
4.

Het bevoegd gezag stelt de schoolgids zo spoedig mogelijk na de vaststelling beschikbaar voor de ouders, dan wel de meerderjarige en handelingsbekwame leerling, de medezeggenschapsraad en de inspectie.

Artikel 2.93. Aanduiding onderwijsaanbod in maatschappelijk verkeer

1.

Het bevoegd gezag vermeldt in de naam van de school de schoolsoort waartoe de school behoort.

2.

Bij een geschil tussen het bevoegd gezag en Onze Minister over de vraag tot welke schoolsoort de school behoort, beslist Onze Minister.

3.

Het bevoegd gezag van een school voor mavo, een school voor vbo, of een scholengemeenschap waarvan in elk geval een school voor mavo of een school voor vbo deel uitmaakt, kan voor die school de vermelding «voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs» of «vmbo» gebruiken.

4.

In het maatschappelijk verkeer brengt het bevoegd gezag tot uitdrukking:

  • a. welk onderwijs dat bij of krachtens deze wet is geregeld, de leerlingen en toekomstige leerlingen volgen respectievelijk kunnen volgen;
  • b. of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft; en
  • c. in voorkomend geval, welk onderwijs de school als contractactiviteit verzorgt.

Artikel 2.94. Zeer zwak onderwijs en beoordeling leerresultaten

1.

De kwaliteit van het onderwijs aan een school heeft de kwalificatie «zeer zwak», indien de leerresultaten van het vwo, het havo, het mavo, het vbo, het vmbo in de theoretische leerweg en de gemengde leerweg, het vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg of het vmbo in de kaderberoepsgerichte leerweg ernstig en langdurig tekortschieten en het bevoegd gezag in verband met dit tekortschieten ook tekortschiet in de naleving van een of meer regels die zijn gesteld bij of krachtens deze wet. Het bevoegd gezag voldoet in elk geval niet aan de wettelijke opdracht om zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.87, indien de kwaliteit van het onderwijs de kwalificatie «zeer zwak» heeft.

2.

Er is sprake van onvoldoende leerresultaten als bedoeld in het eerste lid indien in de schoolsoort of de leerweg, bedoeld in het eerste lid, de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over een periode van drie schooljaren, liggen onder de normering, bedoeld in het vierde lid, die daarvoor geldt in vergelijking tot die leerresultaten over diezelfde schooljaren van dezelfde schoolsoorten of dezelfde leerwegen met een vergelijkbaar leerlingenbestand.

3.

Indien de leerresultaten van het onderwijs niet kunnen worden beoordeeld op grond van de regels die zijn gesteld bij of krachtens het vierde lid, heeft de kwaliteit van het onderwijs de kwalificatie «zeer zwak», indien het bevoegd gezag ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, tekortschiet in de naleving van twee of meer regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld en het bevoegd gezag als gevolg daarvan tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, of in het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen of in het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 1.4.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • a. de wijze waarop leerresultaten worden gemeten;
  • b. de normering, bedoeld in het tweede lid; en
  • c. de aard van en het aantal gegevens over de leerresultaten die ten minste beschikbaar moeten zijn.

Artikel 2.95. Opheffing school of beëindiging bekostiging

1.

In een situatie als bedoeld in artikel 2.94, eerste lid, kan Onze Minister beslissen dat met ingang van een bepaalde datum een in artikel 2.94, eerste lid, bedoelde schoolsoort of leerweg van een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een in artikel 2.94, eerste lid, bedoelde schoolsoort of leerweg van een bijzondere school wordt beëindigd.

2.

Indien de toepassing van het eerste lid ertoe zou leiden dat een school alleen nog onderwijs zou verzorgen in de eerste twee leerjaren, is het eerste lid van toepassing op de gehele school.

3.

Voordat Onze Minister het eerste en tweede lid toepast:

  • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11, derde lid, WOT verricht en aan Onze Minister meegedeeld dat het bevoegd gezag naar aanleiding van dit onderzoek niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel dat uit het onderzoek naar de verbeteringen, bedoeld in artikel 11, vierde lid, WOT blijkt dat sprake is van onvoldoende verbeteringen;
  • c. heeft Onze Minister het bevoegd gezag vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken zijn zienswijze over de voorgenomen opheffing of de voorgenomen beëindiging van de bekostiging naar voren te brengen.
4.

Op een schoolsoort of leerweg die minder dan 2 schooljaren wordt bekostigd en waarvan de kwaliteit van het onderwijs in deze periode zeer zwak is, bedoeld in artikel 2.94, eerste lid, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag:

  • a. tekortschiet in de naleving van drie of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, en dientengevolge
  • b. tekortschiet in het zorgdragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid.
5.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien uit een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht blijkt dat een bevoegd gezag niet of niet volledig heeft voldaan aan een aanwijzing wegens wanbeheer als bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, onderdeel f of g, en dat het wanbeheer niet is beëindigd.

Artikel 2.96. Informeren ouders bij zeer zwak onderwijs

1.

Indien de inspectie in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 WOT, tot het oordeel is gekomen dat de kwaliteit van het onderwijs «zeer zwak» is, als bedoeld in artikel 2.94, eerste of derde lid, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover in elk geval door hen de samenvatting van het inspectierapport toe te zenden die de inspectie heeft opgesteld en die gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld aan het bevoegd gezag. De toezending vindt plaats binnen twee weken nadat het inspectierapport is vastgesteld.

2.

Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig aan deze informatieplicht voldoet, zendt Onze Minister de samenvatting van het inspectierapport in de derde week na vaststelling van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen.

3.

Indien de inspectie tot het oordeel komt, bedoeld in het eerste lid, dan betrekt het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school en de meerderjarige leerlingen bij de maatregelen die het bevoegd gezag voornemens is te treffen ter verbetering van de kwaliteit.

Artikel 2.97. Rapportage vorderingen van leerlingen

Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, dan wel aan de leerlingen zelf als zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

Artikel 2.98. Leerlingenstatuut

1.

Het bevoegd gezag stelt elke twee jaar een leerlingenstatuut vast.

2.

Het leerlingenstatuut vermeldt de rechten en plichten van de leerlingen.

3.

Het leerlingenstatuut bevat in elk geval regels over handhaving van de goede gang van zaken binnen de school, en over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer.

4.

Het bevoegd gezag stelt de actuele versie van het leerlingenstatuut voor de leerlingen beschikbaar.

Paragraaf 10. Onderwijskundige verbanden en samenwerking

Artikel 2.99. Samenwerking tussen scholen onderling en met instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

1.

Het bevoegd gezag kan leerlingen in de gelegenheid stellen om in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven:

  • a. ook onderwijs te ontvangen dat wordt verzorgd door een school van een ander bevoegd gezag of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs; of
2.

Het eerste lid wordt toegepast om:

  • a. leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een diploma als bedoeld in deze wet te behalen;
  • b. leerlingen meer kansen te geven vervolgonderwijs met gunstig resultaat te volgen; of
  • c. onderwijsvoorzieningen doelmatiger te gebruiken.

Artikel 2.100. Samenwerkingsovereenkomst

1.

Voor de toepassing van artikel 2.99 sluit het bevoegd gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst met het bevoegd gezag van de school of instelling die bij de samenwerking is betrokken.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over welke onderwerpen de samenwerkingsovereenkomst in elk geval omvat.

Artikel 2.101. Nadere regels samenwerkingsovereenkomst

1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden artikel 2.99 kan worden toegepast.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld dat leerlingen als bedoeld in het eerste lid worden aangemerkt of ook worden aangemerkt als mbo-student of vavo-student voor de toepassing van daarbij aan te wijzen wettelijke regels.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan bij toepassing van artikel 2.99 voor doelen als bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdelen a en b, worden geregeld van welke bij of krachtens de artikelen 2.21, vierde lid, 2.22 tot en met 2.27, 2.37, 2.51, 2.53, 2.54, 2.56, 2.58, 2.62, 2.72, 2.75, 2.78, derde lid, onder a, 2.80, 2.83, 2.82, 2.105, 7.2, 7.3, en 7.9 tot en met 7.24 vastgestelde regels kan worden afgeweken, en welke regels in plaats daarvan zullen gelden.

Artikel 2.102. Entreeopleiding volgen in plaats van basisberoepsgerichte leerweg vmbo

1.

Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan leerlingen die aan de school zijn ingeschreven en die daarbij naar zijn oordeel gebaat zijn, de gelegenheid geven om een entreeopleiding te volgen, met inachtneming van de artikelen 7.2.7 en 8.1.1, derde lid, WEB, of de artikelen 7.2.6 en 8.1.1, vijfde lid, WEB BES. De entreeopleiding komt geheel of gedeeltelijk in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, onderdeel b.

2.

De entreeopleiding stemt overeen met het programma-aanbod van de beroepsgerichte programma’s van de basisberoepsgerichte leerweg die de school verzorgt.

3.

Het bevoegd gezag is er niet toe verplicht om aan leerlingen die de entreeopleiding volgen, gelegenheid te geven aan de school een eindexamen in de basisberoepsgerichte leerweg af te leggen als bedoeld in artikel 2.51, eerste lid.

4.

Leerlingen die een entreeopleiding volgen, worden wat de toepassing van deze wet en daarop berustende bepalingen betreft aangemerkt als leerlingen van de basisberoepsgerichte leerweg waarvoor de entreeopleiding geheel of gedeeltelijk in de plaats komt.

5.

De entreeopleiding wordt verzorgd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs waarvan het onderwijsaanbod ook deze entreeopleiding omvat.

6.

Bij toepassing van artikel 7.4.4a, derde lid, WEB of artikel 7.4.6, derde lid, WEB BES is het bevoegd gezag belast met de uitvoering van de examinering, bedoeld in die artikelen.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • a. de voorwaarden voor het verzorgen van een entreeopleiding aan leerlingen jonger dan zestien jaar; en
  • b. de onderwerpen die de samenwerkingsovereenkomst in elk geval regelt, of die het bevoegd gezag regelt indien dat gezag zowel de school als de instelling voor beroepsonderwijs in stand houdt.

Artikel 2.103. Leer-werktraject als anders ingerichte basisberoepsgerichte leerweg vmbo

1.

Het bevoegd gezag kan de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, onderdeel b, ook inrichten als leer-werktraject. Een leer-werktraject is gericht op het behalen van een startkwalificatie op het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES.

2.

Een leer-werktraject omvat een buitenschools praktijkgedeelte, dat wordt verzorgd bij een bedrijf of organisatie.

3.

Elke schoolweek in het derde en vierde leerjaar omvat in elk geval binnenschools onderwijs.

4.

Een leer-werktraject omvat in elk geval Nederlandse taal en een beroepsgericht programma. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de leerling of diens ouders, beslissen dat het leer-werktraject voor die leerling ook een of meer andere vakken van de basisberoepsgerichte leerweg omvat.

5.

Het bevoegd gezag stelt bij de inrichting van het leer-werktraject in elk geval vast:

  • a. de organisatie van de leerlingbegeleiding vanwege het bevoegd gezag zowel binnen de school als bij het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgt; en
  • b. de invulling van het buitenschoolse praktijkgedeelte.
6.

Het buitenschoolse praktijkgedeelte omvat niet uitsluitend eenzijdige productie-arbeid. Het wordt verzorgd op grondslag van een leer-werkovereenkomst tussen het bevoegd gezag, de leerling of diens ouders, en het bedrijf dat of de organisatie die dit praktijkgedeelte verzorgt.

7.

In afwijking van artikel 610, tweede lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zijn in geval van strijd als bedoeld in die volzin, van toepassing het zesde lid en de regels voor de uitvoering daarvan.

8.

Voor leerlingen voor wie het bevoegd gezag het volgen van een leer-werktraject het meest geschikt acht, wordt het onderwijs in de eerste twee leerjaren vanwege de in artikel 2.12 bedoelde bevordering van de doorstroming van leerlingen, verzorgd op basis van een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen behoeft te omvatten.

Artikel 2.104. Samenwerkingsovereenkomst bij leer-werktraject vmbo

1.

Leer-werktrajecten worden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs waaraan een basisberoepsopleiding wordt verzorgd als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES.

2.

De samenwerkingsovereenkomst voorziet in elk geval in het inrichten van een doorlopende leerweg tot en met de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES.

Artikel 2.105. Beoordeling kwaliteit en erkenning leerbedrijven bij leer-werktraject vmbo

1.

Het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse praktijkgedeelte van een leer-werktraject verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de leerlingen binnen het bedrijf respectievelijk de organisatie.

2.

Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 WEB, draagt er zorg voor dat bedrijven en organisaties die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen eens in de vier jaren worden beoordeeld aan de hand van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 2.106, onderdeel a. Vanwege bijzondere omstandigheden kan een bedrijf of organisatie vaker worden beoordeeld.

3.

Alleen bedrijven en organisaties met een erkenning zijn bevoegd om het buitenschoolse praktijkgedeelte te verzorgen.

4.

Het bestuur:

  • a. erkent een bedrijf of organisatie als leerbedrijf voor het buitenschoolse praktijkgedeelte; of
  • b. handhaaft de erkenning bij een gunstige beoordeling op grond van het tweede lid.
5.

De erkenning wordt geweigerd of ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 2.106, onderdeel a.

6.

Het bestuur vraagt geen vergoeding voor de kosten van de beoordeling en voor de kosten van de besluiten, bedoeld in het tweede en vierde lid.

7.

De erkenning vervalt van rechtswege indien het leerbedrijf in een aaneengesloten periode van vier jaren geen buitenschools praktijkgedeelte heeft verzorgd.

8.

Het bestuur draagt zorg voor het openbaar maken van een actueel overzicht van bedrijven en organisaties met een erkenning op grond van het derde lid.

Artikel 2.106. Uitvoeringsregels leer-werktrajecten

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het buitenschoolse praktijkgedeelte van leer-werktrajecten. Deze algemene maatregel van bestuur bevat in ieder geval regels over:

  • a. de waarborging en bewaking van de kwaliteit van het buitenschoolse praktijkgedeelte, waaronder kwaliteitseisen aan leer-werkbedrijven; en
  • b. de onderwerpen van de leer-werkovereenkomst.

Artikel 2.107. Vervangende voorziening voor praktijkplaats bij leer-werktraject vmbo

1.

Het bevoegd gezag kan na het sluiten van de leer-werkovereenkomst vaststellen dat:

  • a. de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is;
  • b. de begeleiding tekortschiet of ontbreekt; of
  • c. door andere omstandigheden dan bedoeld in de onderdelen a en b, het buitenschoolse praktijkgedeelte niet volgens de daaraan gestelde eisen zal kunnen worden verzorgd.
2.

Indien het bevoegd gezag na het sluiten van de leer-werkovereenkomst vaststelt dat het buitenschoolse praktijkgedeelte niet naar behoren zal kunnen worden verzorgd, draagt het er zorg voor dat een toereikende voorziening beschikbaar wordt gesteld, na overleg met het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

Artikel 2.107a. Doorlopende leerroute vmbo-mbo

1.

Het bevoegd gezag van een school voor mavo of een school voor vbo kan leerlingen een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden, met inachtneming van de artikelen 2.107b tot en met 2.107k.

2.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo is een onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar aan een school voor mavo of een school voor vbo, dat opleidt tot zowel een diploma vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, als het diploma van een basisberoepsopleiding, vakopleiding of middenkaderopleiding.

3.

In een doorlopende leerroute vmbo-mbo worden tot één onderwijsprogramma geïntegreerd:

  • a. de basisberoepsgerichte leerweg en een basisberoepsopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie;
  • b. de kaderberoepsgerichte leerweg en een vakopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie;
  • c. de kaderberoepsgerichte, gemengde of theoretische leerweg en een middenkaderopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie.
4.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo stemt wat betreft het daarvan onderdeel uitmakende voortgezet onderwijs overeen met een of meer van de profielen, bedoeld in artikel 2.25, 2.26 of 2.27, die aan de school worden verzorgd.

Artikel 2.107b. Samenwerking tussen VO-scholen en MBO-instellingen in het kader van doorlopende leerroutes vmbo-mbo

1.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt op grond van een samenwerkingsovereenkomst gezamenlijk verzorgd door het bevoegd gezag van een school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs.

2.

In de samenwerkingsovereenkomst zijn in elk geval afspraken opgenomen over:

  • a. het profiel en het aanverwante opleidingsdomein of de aanverwante kwalificatie waarin de doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt aangeboden;
  • b. de vormgeving van de leiding over de doorlopende leerroute vmbo-mbo, waaronder de samenstelling en de wijze van benoeming van die leiding en de taken en bevoegdheden die door de bevoegde gezagsorganen van de school en de instelling voor beroepsonderwijs zijn opgedragen aan die leiding;
  • c. de wijze waarop de leiding over de doorlopende leerroute vmbo-mbo inlichtingen verstrekt en verantwoording aflegt aan de bevoegde gezagsorganen van de school en de instelling voor beroepsonderwijs;
  • d. de organisatorische en onderwijskundige inrichting van de doorlopende leerroute, waaronder de inzet van personeel en het gebruik van faciliteiten van de aan de overeenkomst deelnemende partijen;
  • e. in geval van overdracht van een deel van de door de school of instelling voor beroepsonderwijs ontvangen bekostiging met toepassing van artikel 5.42a respectievelijk artikel 9.1.15 WEB of artikel 8.4a.15 WEB BES, de omvang en de bestemming van de over te dragen middelen;
  • g. de wijze waarop het bedrijfsleven zal worden betrokken bij de invulling van de doorlopende leerroute vmbo-mbo;
  • h. de wijze van geschilbeslechting tussen de deelnemende partijen over de uitvoering van de overeenkomst;
  • i. de voorwaarden waaronder een andere school of een andere instelling voor beroepsonderwijs partij kan worden bij de overeenkomst, de voorwaarden waaronder de overeenkomst kan worden opgezegd of ontbonden, alsmede de wijze waarop de overeenkomst in andere gevallen kan worden gewijzigd, telkens met het oog op het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen voor de leerlingen en mbo-studenten; en
  • j. de inrichting van de medezeggenschap door de medezeggenschapsorganen van de school onderscheidenlijk de instelling voor beroepsonderwijs.
3.

Het tweede lid is niet van toepassing indien de doorlopende leerroute vmbo-mbo volledig wordt verzorgd binnen een verticale scholengemeenschap. In plaats daarvan regelt het bevoegd gezag van de verticale scholengemeenschap op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, met uitzondering van de onderdelen h tot en met j van dat lid.

Artikel 2.107c. Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo

Het bevoegd gezag van een school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs melden gezamenlijk aan Onze Minister dat zij een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden.

Artikel 2.107d. Inrichting doorlopende leerroutes vmbo-mbo

1.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt aangeboden op de locatie van de school of van de instelling voor beroepsonderwijs die de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt.

2.

Het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs beschrijven voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per leerjaar. Daarbij wordt vermeld welke delen van het onderwijsprogramma en van het examen:

  • a. voortgezet onderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen vakoverstijgend is;
  • b. beroepsonderwijs betreffen;
  • c. een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen voortgezet onderwijs onderscheidenlijk beroepsonderwijs betreft.
3.

Bij de beschrijving van het onderwijsprogramma wordt tevens vermeld bij welk deel daarvan gebruik wordt gemaakt van een team als bedoeld in artikel 7.13a.

4.

De leerling in een doorlopende leerroute vmbo-mbo kan in de gelegenheid gesteld worden om delen van het onderwijsprogramma te volgen en examens af te leggen die behoren tot de van die doorlopende leerroute deel uitmakende beroepsopleiding.

5.

De school kan aan een voormalige leerling, nadat die ingevolge artikel 2.107e, tweede lid, als mbo-student is ingeschreven aan een instelling voor beroepsonderwijs, delen van het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden, die behoren tot het van die doorlopende leerroute deel uitmakende mavo of vbo.

Artikel 2.107e. Inschrijving doorlopende leerroute vmbo-mbo

1.

Een leerling die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt, wordt gedurende de eerste twee leerjaren van die doorlopende leerroute vmbo-mbo aangemerkt als leerling van de leerweg, bedoeld in artikel 2.21, en het profiel, bedoeld in artikel 2.25, 2.26 of 2.27, die deel uitmaken van de door die leerling gevolgde doorlopende leerroute vmbo-mbo.

2.

Een leerling in een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt met ingang van het derde leerjaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo uitgeschreven als leerling aan de school en wordt ingeschreven als mbo-student bij de instelling voor beroepsonderwijs die het beroepsonderwijs binnen de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt. Het bevoegd gezag van de school overlegt daartoe aan het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs de gegevens van die leerling, bedoeld in artikel 8.1.1a, eerste lid, eerste volzin, WEB of artikel 8.1.3, eerste lid, eerste volzin, WEB BES.

Artikel 2.107f. Verantwoordelijkheid van de school

1.

Het bevoegd gezag van de school draagt de gehele cursusduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo zorg voor:

  • a. de uitvoering van delen van het onderwijsprogramma die behoren tot het mavo of vbo dat deel uitmaakt van het onderwijsprogramma van die doorlopende leerroute vmbo-mbo; en
  • b. de examinering en diplomering betreffende het mavo of vbo dat deel uitmaakt van het onderwijsprogramma van die doorlopende leerroute vmbo-mbo.
2.

Ten aanzien van de onderdelen van een doorlopende leerroute vmbo-mbo, bedoeld in het eerste lid, die in het derde leerjaar van die route plaatsvinden, is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.48, eerste tot en met derde lid en 8.17, eerste, tweede, vijfde, zevende en negende tot en met twaalfde lid, alsmede het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10, 12, 14, 15 en 25 van de Wet register onderwijsdeelnemers van overeenkomstige toepassing.

3.

De artikelen 3.35 en 3.36 zijn van overeenkomstige toepassing op klachten over met de doorlopende leerroute vmbo-mbo verband houdende gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs waarmee een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel is 2.107b, tweede lid, is gesloten, of van het personeel van dat bevoegd gezag. Onverminderd artikel 3.35, tweede lid, is de voorzitter van de klachtencommissie niet werkzaam voor of bij dat bevoegd gezag.

Artikel 2.107g. Cursusduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo

1.

In afwijking van de artikelen 2.6, derde lid, en 2.7, derde lid, en artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid, WEB of artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid, WEB BES bedraagt de cursusduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo vanaf het derde leerjaar aan een school voor mavo of een school voor vbo:

  • a. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een eenjarige basisberoepsopleiding ten minste twee en ten hoogste drie jaren;
  • b. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een tweejarige basisberoepsopleiding of tweejarige vakopleiding ten minste drie en ten hoogste vier jaren;
  • c. voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo die opleidt tot het diploma van een driejarige vakopleiding of de middenkaderopleiding ten minste vier en ten hoogste vijf jaren;
2.

Ten aanzien van de basisberoepsopleiding, vakopleiding of middenkaderopleiding die deel uitmaakt van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder «cursusduur» mede verstaan «studieduur als bedoeld in de WEB of WEB BES» en wordt onder «jaar» mede verstaan «studiejaar als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB, of artikel 1.1.1 WEB BES».

Artikel 2.107h. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL)

1.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, artikel 7.2.7, derde lid, onderdelen b, c en d, en achtste lid, WEB en artikel 7.2.7, derde lid, onderdelen b, c en d, en achtste lid, WEB BES omvat het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, WEB of artikel 7.2.6, derde lid, WEB BES deel uitmaakt:

  • a. bij een cursusduur van twee jaren ten minste 2.000 klokuren, waarvan ten minste 1.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • b. bij een cursusduur van drie jaren ten minste 3.000 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • c. bij een cursusduur van vier jaren ten minste 4.000 klokuren, waarvan ten minste 2.950 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • d. bij een cursusduur van vijf jaren ten minste 5.000 klokuren, waarvan ten minste 3.500 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren aan beroepspraktijkvorming; en
  • e. bij een cursusduur van zes jaren ten minste 6.000 klokuren, waarvan ten minste 4.050 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.350 klokuren aan beroepspraktijkvorming.
2.

Het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de doorlopende leerroute vmbo-mbo aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval dat het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag dit vast in het schoolplan, bedoeld in artikel 2.88 en neemt dit op in de schoolgids, bedoeld in artikel 2.92.

Artikel 2.107i. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL)

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, artikel 7.2.7, vierde lid, eerste volzin, WEB en artikel 7.2.6, vierde lid, WEB BES, en onverminderd artikel 8.1.1, derde lid, WEB en artikel 8.1.1, vijfde lid, WEB BES omvat het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, WEB of artikel 7.2.7, vierde lid, WEB BES deel uitmaakt:

  • a. bij een cursusduur van twee jaren ten minste 1.850 klokuren, waarvan ten minste 900 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • b. bij een cursusduur van drie jaren ten minste 2.850 klokuren, waarvan ten minste 2.200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • c. bij een cursusduur van vier jaren 3.700 klokuren, waarvan ten minste 2.400 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.220 klokuren aan beroepspraktijkvorming;
  • d. bij een cursusduur van vijf jaren ten minste 4.550 klokuren, waarvan ten minste 2.600 begeleide onderwijsuren en ten minste 1.830 klokuren aan beroepspraktijkvorming; en
  • e. bij een cursusduur van zes jaren ten minste 5.400 klokuren, waarvan ten minste 2.800 begeleide onderwijsuren en ten minste 2.300 klokuren aan beroepspraktijkvorming.
    1. Het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de doorlopende leerroute vmbo-mbo aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval dat het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag dit vast in het schoolplan, bedoeld in artikel 2.88 en neemt dit op in de schoolgids, bedoeld in artikel 2.92.

Artikel 2.107j. Examinering en diplomering VO binnen een doorlopende leerroute vmbo-mbo

1.

In afwijking van artikel 2.56, tweede lid, vallen het eerste en tweede tijdvak van het centraal examen, voor leerlingen die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgen, afhankelijk van de inrichting van de doorlopende leerroute vmbo-mbo door het bevoegd gezag, in het tweede of derde leerjaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo. Het bevoegd gezag kan leerlingen in de gelegenheid stellen om in het eerste leerjaar van de doorlopende leerroute vmbo-mbo centraal examen af te leggen in een of meer vakken van het eindexamen.

2.

Het derde tijdvak van het centraal examen wordt afgenomen aansluitend aan het leerjaar waarin de kandidaat centraal examen heeft afgelegd in het eerste of tweede tijdvak.

3.

Het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 2, Paragraaf 5, is van overeenkomstige toepassing op het derde leerjaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo.

4.

Indien een voormalige leerling van de school, nadat die ingevolge artikel 2.107e, tweede lid, als mbo-student is ingeschreven aan de instelling voor beroepsonderwijs waarmee de school gezamenlijk een doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt nog geen volledig eindexamen vmbo heeft afgelegd, meldt het bevoegd gezag van de school hem in het derde leerjaar van de doorlopende leerroute vmbo-mbo aan als kandidaat voor het eindexamen. Het eindexamen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school. De directeur en de examensecretaris van de school stellen de uitslag van het eindexamen vast. De directeur reikt de kandidaat die geslaagd is voor het eindexamen een diploma van de betreffende leerweg uit.

5.

Indien de leerling in het eerste of tweede leerjaar van de doorlopende leerroute vmbo-mbo in één of meer vakken centraal examen heeft afgelegd, en niet is bevorderd tot het volgende leerjaar, vervallen de met dit centrale examen behaalde resultaten.

6.

Indien de leerling is afgewezen voor het eindexamen, treedt de overstapoptie, bedoeld in artikel 2.107k in werking.

Artikel 2.107k. Overstapoptie

1.

Indien deelname van de leerling aan een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt beëindigd voordat hij deze met succes heeft afgerond wordt hij door het bevoegd gezag van de school of het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs in staat gesteld een vmbo-diploma of het diploma van een beroepsopleiding te behalen, passend bij het naar het gezamenlijk oordeel van beide betrokken bevoegde gezagsorganen bereikte onderwijsniveau en de leeftijd van de leerling.

2.

Indien de leerling ingevolge het eerste lid een diploma van een beroepsopleiding wil behalen bij dezelfde instelling voor beroepsonderwijs, zijn de artikelen 8.1.1c, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a WEB en de artikelen 8.1.1b, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a WEB BES niet van toepassing.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de leerling definitief van de school wordt verwijderd als bedoeld in artikel 8.15.

Artikel 2.107l. Geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding

1.

In overleg met de leerling en diens ouders kan het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs leerlingen die daarbij naar zijn oordeel gebaat zijn in de gelegenheid stellen om in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg een geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding te volgen. Het bevoegd gezag besluit hiertoe slechts na overleg met het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs waarmee het een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 9.1.17 WEB of artikel 8.4.3 WEB BES heeft gesloten.

2.

De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding is een onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, dat opleidt tot het diploma van een basisberoepsopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie.

3.

De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding stemt wat betreft het daarvan onderdeel uitmakende voortgezet onderwijs overeen met een of meer van de profielen, bedoeld in artikel 10b, derde lid, die aan de school worden verzorgd.

4.

Het bevoegd gezag is niet gehouden leerlingen die de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding volgen gelegenheid te geven om aan de school een eindexamen in de basisberoepsgerichte leerweg af te leggen als bedoeld in artikel 2.51, eerste lid.

5.

De artikelen 2.107b tot en met 2.107k zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.108. Onderwijs aan een andere school van hetzelfde bevoegd gezag

Indien het bevoegd gezag leerlingen, in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, in staat wil stellen onderwijs te volgen aan een andere school voor voortgezet onderwijs van datzelfde bevoegd gezag, zijn de artikelen 2.99 en 2.100 van overeenkomstige toepassing en regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.100, tweede lid.

Artikel 2.109. Samenwerking aangewezen school met onbekostigde vavo-instelling

1.

Het bevoegd gezag van een school die op grond van artikel 2.66 is aangewezen, kan leerlingen in de gelegenheid stellen om in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, deel te nemen aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB of artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB BES, aan een instelling waarvoor wat die opleiding betreft, artikel 1.4a.1, eerste lid, WEB of artikel 1.4.2 WEB BES is toegepast, en die opleiding af te sluiten met een examen.

2.

Het eerste lid wordt alleen toegepast om leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, te behalen.

3.

Toepassing van het eerste lid is gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en het bevoegd gezag van de instelling, bedoeld in dat lid.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden het eerste lid kan worden toegepast en regels gesteld over welke onderwerpen de samenwerkingsovereenkomst in elk geval moet omvatten.

Artikel 2.109a. Samenwerking met onbekostigd mbo t.b.v. doorlopende leerroute vmbo-mbo

1.

Het bevoegd gezag van een ingevolge artikel 2.66 aangewezen school kan leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven in de gelegenheid stellen een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l te volgen.

2.

Toepassing van het eerste lid berust op een samenwerkingsovereenkomst, gesloten tussen het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, WEB of artikel 1.4.1, eerste lid, WEB BES.

3.

De artikelen 2.107a, 2.107b, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel e, 2.107c tot en met 2.107e, 2.107f, eerste en tweede lid, 2.107g en 2.107j tot en met 2.107l zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «instelling voor beroepsonderwijs» telkens wordt gelezen «instelling als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, WEB of artikel 1.4.1, eerste lid, WEB BES».

Paragraaf 11. Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen

Artikel 2.110. Beschikbaarstelling lesmateriaal aan leerlingen

Het bevoegd gezag van een uit ’s Rijks kas bekostigde school stelt elk leerjaar aan de leerling lesmateriaal ter beschikking zonder dat daarvoor een tegemoetkoming is verschuldigd. Dat lesmateriaal is naar vorm en inhoud gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties en het gebruik ervan binnen het onderwijsaanbod is door het bevoegd gezag specifiek voor dat leerjaar voorgeschreven.

Paragraaf 11. Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen

Artikel 2.111. Beleidsinhoudelijke informatie

1.

Het bevoegd gezag en het samenwerkingsverband dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens voor het beleid van Onze Minister voor het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag en het samenwerkingsverband verlenen op verzoek medewerking aan onderzoek door of namens Onze Minister dat geheel of deels op deze gegevens is gebaseerd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van deze gegevens.

3.

Deze nadere regels hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd.

Hoofdstuk 3. Bestuur

Paragraaf 1. Bestuur en intern toezicht

Artikel 3.1. Goed bestuur; scheiding bestuur en intern toezicht

1.

Het bevoegd gezag draagt, mede in verband met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.87, zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen de functies van het bestuur en het intern toezicht, en met een rechtmatig bestuur en beheer.

2.

De scheiding tussen de functies van bestuur en intern toezicht is functioneel of organiek.

3.

Interne toezichthouders en leden van het interne toezichthoudend orgaan functioneren onafhankelijk van het bestuur.

4.

Het bevoegd gezag benoemt personen in de functies van het bestuur en het intern toezicht op basis van vooraf openbaar gemaakte competentieprofielen. Bij de benoeming van de leden van een raad van toezicht stelt het bevoegd gezag de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 3 WMS, in de gelegenheid een bindende voordracht te doen voor een lid.

5.

Het eerste tot en met het vierde lid, eerste volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband. Bij de benoeming van de leden van een raad van toezicht stelt het samenwerkingsverband de ondersteuningsplanraad, bedoeld in artikel 4a WMS, in de gelegenheid om een bindende voordracht te doen voor een lid.

Artikel 3.2. Code en branchecode goed bestuur

1.

Het bevoegd gezag hanteert voor de school een code goed bestuur. De code bevat in elk geval bepalingen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan:

  • a. een beleid dat inhoudt dat de eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid van het personeel voor de kwaliteit van het onderwijs tot hun recht komen;
  • b. een integere bedrijfsvoering, waaronder voorzieningen om belangenverstrengeling tegen te gaan; en
  • c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binnen en buiten de school.
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed bestuur worden aangewezen.

3.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.

Artikel 3.3. Inhoud intern toezicht

1.

De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur, en staat het bestuur met raad terzijde.

2.

De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan heeft in elk geval tot taak:

  • a. het instemmen met de begroting en het jaarverslag en, indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de school;
  • b. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke voorschriften, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 3.2, en de afwijkingen van die code;
  • c. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school verkregen op grond van deze wet;
  • e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, in het jaarverslag.
3.

De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat een deugdelijk en onafhankelijk toezicht mogelijk is. Indien sprake is van een intern toezichthoudend orgaan of van meer dan een interne toezichthouder, is de samenstelling van het interne toezichthoudend orgaan respectievelijk de combinatie van de interne toezichthouders zodanig dat een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht mogelijk is.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)