Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 560
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • 4°. de inhoud van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.2; en
  • 5°. de scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, bedoeld in artikel 3.1 en, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7.5, een beschrijving van de over te dragen taken;
  • c. een document waaruit blijkt dat het openbaar lichaam van het eiland van de beoogde plaats van vestiging en de bevoegd gezagsorganen binnen het voedingsgebied van de school of scholengemeenschap zijn gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging; en
  • d. een verklaring omtrent het gedrag van de personen die het bestuur en het intern toezicht vormen en die op het tijdstip van het doen van de aanvraag niet ouder is dan zes maanden.
3.

De aanvraag bevat tevens:

  • a. een beschrijving van het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs;
  • b. een beschrijving van de beoogde samenstelling van de formatie van de school of scholengemeenschap;
  • c. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de voorschriften die worden gesteld aan de bekwaamheid van voorschriften die worden gesteld aan de bekwaamheid van de leraren, onderwijsondersteunende functionarissen, de rector, directeur, conrector of adjunct-directeur;
  • d. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorg voor de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen op school of scholengemeenschap;
  • e. een meerjarenbegroting over de eerste drie schooljaren die gebaseerd is op de bekostiging die de school of scholengemeenschap zal ontvangen gegeven het aantal te verwachten leerlingen in die periode;
  • f. de verwachtingen met betrekking tot de huisvesting;
  • g. informatie over de hoogte van en het beleid ten aanzien van de vrijwillige geldelijke bijdrage die van de ouders zal worden gevraagd en het jaarlijks verwachte totaalbedrag van die bijdragen; en
  • h. een beschrijving van de wijze waarop uitvoering zal worden gegeven aan de medezeggenschap, bedoeld in artikel 11.36.
4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en kan een model voor de aanvraag worden vastgesteld.

Artikel 11.45b. Belangstellingsmeting

1.

De belangstellingsmeting wordt uitgevoerd aan de hand van hetzij:

  • a. ouderverklaringen; dan wel
  • b. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, een marktonderzoek.
2.

De belangstellingsmeting:

  • a. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 11.45, eerste lid; en
  • b. vindt plaats binnen het voedingsgebied dat het eiland omvat van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging.
3.

Het te verwachten aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend overeenkomstig de formule q = (y/x *100%) * w * z, waarbij:

  • a. voor de ouderverklaring geldt: y = aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar van wie in de ouderverklaring is aangegeven belangstelling te hebben voor de beoogde school, scholengemeenschap of nevenvestiging in de aanvraag; x = totaal aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 januari van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b; w = het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 jaar en in de leeftijd van 13 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal verblijfsjaren, die de landelijke verhouding tussen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen in leerjaar 1 weergeeft van de schoolsoort, schoolsoorten of nevenvestiging waarop de aanvraag betrekking heeft; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor.
  • b. voor het marktonderzoek geldt: y = aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar van wie in het marktonderzoek is aangegeven belangstelling te hebben voor de beoogde school, scholengemeenschap of nevenvestiging in de aanvraag; x = totaal aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar die aan het marktonderzoek heeft deelgenomen; w = het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 jaar en in de leeftijd van 13 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal verblijfsjaren, die de landelijke verhouding tussen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen in leerjaar 1 weergeeft van de schoolsoort, schoolsoorten of nevenvestiging waarop de aanvraag betrekking heeft; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor. De aanvraag bevat de berekeningen die tot de uitkomsten van de formules, bedoeld onder a, of b, hebben geleid.
4.

De ouderverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op één leerling in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en wordt ingediend door de ouder van deze leerling.

5.

Het marktonderzoek, bedoeld in het eerste lid:

  • a. heeft betrekking op leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar;
  • b. wordt afgenomen onder de ouders van leerlingen, bedoeld in onderdeel a, op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek;
  • c. wordt uitgevoerd aan de hand van een aselecte steekproef uit de leerlingen, bedoeld in onderdeel a, die aantoonbaar representatief is voor die leerlingen; en
  • d. mag niet ouder zijn dan 24 maanden voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de aanvraag.
6.

Indien uit de belangstellingsmeting van meer dan één aanvraag blijkt dat de voedingsgebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elkaar overlappen en daardoor de som van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied groter is dan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied, worden de aantallen van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied naar evenredigheid verminderd tot de som van het totaal leerlingen in het overlappende voedingsgebied voor wie belangstelling is aangetoond gelijk is aan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de uitvoering van de belangstellingsmeting over:

  • a. de wijze waarop de belangstellingsmeting wordt uitgevoerd; en
  • b. de omvang van het marktonderzoek in relatie tot de minimale verhoudingen tussen de verschillende onderdelen van de formule voor de belangstellingsmeting, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 11.45c. Aanvang bekostiging en vervallen aanspraak bekostiging

1.

De bekostiging vangt aan op 1 augustus.

2.

De aanspraak op bekostiging op grond van de artikelen 11.43 en 11.44 vervalt indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school, scholengemeenschap, nevenvestiging of in het nieuwe profiel wordt gegeven.

3.

In afwijking van het tweede lid en op aanvraag van het bevoegd gezag of het openbaar lichaam van het eiland van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een jaar te handhaven.

Artikel 11.46. Toepassing leerwegondersteunend onderwijs

Artikel 4.8 is niet van toepassing.

Artikel 11.47. Samenvoeging en afsplitsing

1.

Artikel 4.10, eerste lid, is niet van toepassing.

2.

Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen:

  • a. een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen, indien deze binnen hetzelfde openbaar lichaam gevestigd zijn;
  • b. een scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van een scholengemeenschap waarvan een school voor mavo of een school voor vbo deel uitmaakt, met een instelling als bedoeld in de WEB BES die in hetzelfde openbaar lichaam is gevestigd; of
  • c. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap.

Artikel 11.48. Toepassing verticale scholengemeenschappen

Vervallen

Artikel 11.49. Vestigingen

In plaats van de artikelen 4.12 tot en met 4.17 zijn de artikelen 11.50 en 11.51 van toepassing.

Artikel 11.50. Nevenvestiging

1.

Aan een school of scholengemeenschap kan naast een hoofdvestiging ook een nevenvestiging zijn verbonden.

2.

Een nevenvestiging komt tot stand door:

3.

Een nevenvestiging is gelegen in hetzelfde openbaar lichaam als de hoofdvestiging.

4.

Op een nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging.

Artikel 11.51. Verplaatsing vestiging en gevolgen voor bekostigingsaanspraak

De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag een vestiging van een school of scholengemeenschap binnen de grenzen van het openbaar lichaam verplaatst.

Artikel 11.52. Regionale samenwerking voorzieningenplanning

De artikelen 4.18 tot en met 4.23 en 4.26 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.53. Opheffingsnormen

1.

De artikelen 4.24 en 4.25, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing.

2.

Een openbare school of scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap wordt beëindigd als de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren steeds is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan een bij ministeriële regeling vast te stellen aantal.

3.

Bij toepassing van het tweede lid, vindt de opheffing of de beëindiging van de bekostiging plaats met ingang van de eerstvolgende datum van 1 augustus na de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in dat lid.

4.

Het tweede lid blijft buiten toepassing, indien de school of scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van het derde lid en de eerste volzin van dit lid eindigt de bekostiging van de school of scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste een bij ministeriële regeling te bepalen aantal leerlingen zijn ingeschreven.

Artikel 11.54. Toepassing cursussen

Artikel 4.28 is niet van toepassing.

Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4

Artikel 11.55. Bekostigingsregels samenwerkingsverbanden niet van toepassing

Artikel 5.1, eerste lid, en hoofdstuk 5, paragraaf 3, zijn niet van toepassing.

Artikel 11.56. Bekostiging scholen

1.

In afwijking van artikel 5.4, eerste lid, bestaat de bekostiging voor een school uit:

  • a. een bedrag per school; en
  • b. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar schoolsoort, leerjaar, leerweg of profiel.
2.

Artikel 5.4, tweede lid, is niet van toepassing.

3.

Artikel 5.4, vierde lid, onderdeel c, is niet van toepassing. In plaats daarvan wordt de bekostiging van de scholen mede verstrekt voor kosten wegens voorschriften die zijn gegevens bij of krachtens de Ambtenarenwet BES.

4.

De artikelen 5.5 en 5.9, derde lid, zijn niet van toepassing.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging kan worden toegekend.

Artikel 11.57. Aangepaste regels besteden bekostiging door bevoegd gezag

1.

Artikel 5.39, vierde lid, is niet van toepassing.

2.

Het bevoegd gezag kan de bekostiging die is verstrekt voor personeelskosten en exploitatiekosten ook besteden aan de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie van:

  • a. een andere school voor voortgezet onderwijs;
  • b. een scholengemeenschap waarvan een of meer scholen voor voortgezet onderwijs deel uitmaken;
  • c. een school als bedoeld in de WPO BES;
  • d. een instelling als bedoeld in de WEB BES; en
  • e. het expertisecentrum onderwijszorg.

Artikel 11.58. Subsidie Raad onderwijs arbeidsmarkt voor taken leer-werktrajecten

1.

Onze Minister kan aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt subsidie verstrekken voor de taken, geregeld in 11.31. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze van subsidiëring.

2.

De titels 4.1 en 4.2 Awb en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op de subsidie.

Artikel 11.59. Jaarverslag

Voor de toepassing van artikel 5.46, eerste lid, zijn de in dat lid genoemde voorschriften van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4

Artikel 11.60. Huisvesting

In afwijking van hoofdstuk 6 zijn de artikelen 11.61 tot en met 11.80 over huisvesting van toepassing.

Artikel 11.61. Reikwijdte van hoofdstuk 6

De artikelen 11.62 tot en met 11.80 zijn van overeenkomstige toepassing op instellingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86.

Artikel 11.62. Voorziening in huisvesting door het openbaar lichaam

1.

De eilandsraad of het bestuurscollege draagt overeenkomstig deze paragraaf voor de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen en voor de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van het openbaar lichaam.

2.

De huisvesting is zodanig dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in het openbaar lichaam stelt. De eilandsraad of het bestuurscollege behandelt daarbij de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen en de andere scholen op gelijke voet.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten minste bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.

Artikel 11.63. Voorzieningen in de huisvesting

1.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder voorzieningen in de huisvesting verstaan:

  • a. voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:
  • 1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, en eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair;
  • 2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen; en
  • 3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;
  • b. herstel van constructiefouten aan het gebouw of het terrein; of
  • c. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.
2.

De kosten van bouwvoorbereiding kunnen tot de kosten van huisvesting worden gerekend.

Artikel 11.64. Vaststelling door het bestuurscollege van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting

1.

Het bestuurscollege stelt jaarlijks, na overleg met de betrokken bevoegde gezagsorganen, ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:

  • a. basisscholen als bedoeld in de WPO BES; en
  • b. scholen.
2.

Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van het openbaar lichaam.

Artikel 11.65. Indiening aanvraag

1.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient bij het bestuurscollege een aanvraag in voor 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.

De eilandsraad stelt bij verordening de vereisten voor de aanvraag vast.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen.

Artikel 11.66. Beschikkingen op aanvragen

1.

Het bestuurscollege beslist op de aanvraag voor 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Het bestuurscollege geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om een onvolledige aanvraag binnen een door het bestuurscollege te stellen termijn aan te vullen.

2.

Het bestuurscollege kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, als:

  • a. het bevoegd gezag niet heeft voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag in de eilandsverordening, bedoeld in artikel 11.65, tweede lid; of
  • b. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.
3.

Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 11.64, onvoldoende is om alle aanvragen te kunnen inwilligen, wordt de volgorde van de verlening van bekostiging bepaald op basis van de urgentie van de gevraagde voorziening.

4.

De beschikking van het bestuurscollege kan een gedeelte van de gewenste voorziening of een andere voorziening dan gewenst omvatten.

Artikel 11.67. Aanvragen met een spoedeisend karakter

1.

In afwijking van de termijnen in de artikelen 11.65 en 11.66 beslist het bestuurscollege binnen vier weken op een aanvraag voor een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden.

2.

Het bestuurscollege wijst de aanvraag af indien:

  • a. de beslissing over de voorziening kan worden genomen met inachtneming van de termijn, bedoeld in artikel 11.66, eerste lid; of

Artikel 11.68. Weigeringsgronden

1.

Een voorziening in de huisvesting wordt alleen geweigerd als:

  • a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 11.63;
  • b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school al beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd;
  • c. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen;
  • d. op andere wijze dan de aanvrager wenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een al voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt;
  • e. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 11.64, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, van dat artikel; of
  • f. de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.
2.

Een voorziening in de huisvesting kan ook worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 11.69. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op bekostiging

1.

Het bestuurscollege beslist met ingang van welk tijdstip de bekostiging van een voorziening daadwerkelijk kan beginnen, onverminderd artikel 11.70.

2.

De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, als niet binnen een bij de beschikking te bepalen termijn een bouwopdracht is gegeven voor de voorziening, of een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 11.70. Toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden

Voorzieningen komen voor bekostiging in aanmerking op voorwaarde dat op het tijdstip, bedoeld in artikel 11.69, eerste lid,:

  • a. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde regels; en
  • b. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van de beschikking tot verlening niet ingrijpend zijn gewijzigd.

Artikel 11.71. Bouwheerschap

1.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school geeft opdracht om de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 11.66 en 11.67 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door het openbaar lichaam beschikbaar te stellen financiële middelen, tenzij het met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

2.

Als het openbaar lichaam de voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij het bestuurscollege en het bevoegd gezag anders overeenkomen.

3.

Als de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geeft het bestuurscollege deze aan het bevoegd gezag in gebruik.

Artikel 11.72. Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

Als het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de huisvesting, is de instemming van het bestuurscollege vereist voor de bouwplannen en begrotingen, tenzij het bevoegd gezag met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

Artikel 11.73. Totstandbrenging voorziening voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

Het openbaar lichaam brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school alleen tot stand als tussen het bestuurscollege en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Artikel 11.74. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring

1.

Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw, het terrein en de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.

2.

Het zonder toestemming van het bestuurscollege vervreemden of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, anders dan een vervreemding op grond van artikel 3.33, is nietig.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op het recht van opstal voor een door het openbaar lichaam te plaatsen tijdelijke voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.

Artikel 11.75. Vorderingsrecht

1.

Het bestuurscollege is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd te bestemmen als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dat geen voortgezet onderwijs is, of voor educatie als bedoeld in de WEB BES, dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. Het bestuurscollege is daarnaast bevoegd om een gebouw of terrein, of een gedeelte daarvan dat is bedoeld voor onderwijs in lichamelijke opvoeding of expressie-activiteiten, maar daarvoor tijdelijk een deel van de dag of helemaal niet nodig is, gedurende die tijd beschikbaar te stellen als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dat geen voortgezet onderwijs is, voor educatie als bedoeld in de WEB BES of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het bestuurscollege is bevoegd een sportterrein, buiten de tijden dat het terrein voor het voortgezet onderwijs wordt gebruikt, te bestemmen voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden, op zodanige wijze dat het zich verdraagt met het onderwijs dat op het terrein wordt gegeven.

2.

Als het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school, voert het bestuurscollege vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van de andere school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.

Artikel 11.76. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein

1.

Voor zover artikel 11.75 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een gedeelte van een gebouw of terrein niet nodig is voor uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag dat gedeelte verhuren aan een derde. Voorwaarde is dat het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Als het een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van het bestuurscollege vereist.

2.

Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid eindigt:

  • a. wanneer het bestuurscollege gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 11.75 zonder dat enige schadeplicht ontstaat; of
  • b. wanneer het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik door de eigen school.
3.

Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid vindt niet plaats als het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

4.

Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een ingebruikgeving en verhuur op grond van het eerste lid.

5.

Nietig is:

  • a. verhuur van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school zonder toestemming van het bestuurscollege;
  • b. elk met dit artikel strijdig beding dat is opgenomen in een huurovereenkomst voorschoolgebouwen.

Artikel 11.77. Voorziening niet ten laste van het openbaar lichaam

Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur op grond van de artikelen 11.76 of 11.78 door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school komen niet ten laste van het openbaar lichaam.

Artikel 11.78. Einde gebruik gebouw of terrein door niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

1.

Het bestuurscollege en het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden of blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

2.

Bij toepassing van het eerste lid stellen het bestuurscollege en het bevoegd gezag van de betrokken school gezamenlijk vast of voorzieningen in een slechte bouwkundige staat verkeren als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud. Als dat het geval is, worden de daarmee gemoeide kosten verrekend.

3.

De eilandsraad en het bevoegd gezag van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school treffen gezamenlijk een voorziening voor het beslechten van geschillen bij de toepassing van het tweede lid.

4.

De Rijksvertegenwoordiger kan in geval van een geschil over de toepassing van het eerste lid op verzoek besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken. Zowel het bestuurscollege als het bevoegd gezag van de school kunnen de Rijksvertegenwoordiger verzoeken een besluit te nemen.

5.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, meldt dit onverwijld aan het bestuurscollege.

6.

Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, het in het vierde lid bedoelde besluit van de Rijksvertegenwoordiger onherroepelijk is geworden, of in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit respectievelijk de uitspraak, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES. Door de inschrijving verkrijgt het openbaar lichaam de eigendom.

7.

Het bestuurscollege en het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.

8.

De Rijksvertegenwoordiger kan in geval van een geschil over de toepassing van het zevende lid op verzoekbesluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. Zowel het bestuurscollege als het bevoegd gezag van de school kunnen de Rijksvertegenwoordiger verzoeken om een besluit te nemen. Voordat hij een besluit neemt, hoort de Rijksvertegenwoordiger de wederpartij.

9.

Zodra de in het zevende lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, het in het achtste lid bedoelde besluit van de Rijksvertegenwoordiger onherroepelijk is geworden, of in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, die een beslissing inhoudt als bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van het bestuurscollege verhuren.

10.

De toestemming, bedoeld in het negende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste drie jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak steeds worden verlengd met een termijn van ten hoogste drie jaren.

11.

Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een verhuur als bedoeld in het negende lid.

Artikel 11.79. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen

In afwijking van deze paragraaf kan de eilandsraad besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school, voor zover die op het grondgebied van dat openbaar lichaam in stand wordt gehouden. De eilandsraad neemt dat besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag.

Artikel 11.80. Informatieverstrekking aan het bestuurscollege

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school verschaft aan de eilandsraad respectievelijk het bestuurscollege alle inlichtingen die de eilandsraad respectievelijk het bestuurscollege voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze paragraaf noodzakelijk achten.

Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7

Artikel 11.81. Centrale directie

Artikel 7.4 is niet van toepassing.

Artikel 11.82. Beroep van leraar

Artikel 7.8 is niet van toepassing.

Artikel 11.83. Bijhouden geordend geheel personeelsgegevens

In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, heeft de verplichting die daarin is geregeld voor het bevoegd gezag om geordende bekwaamheidsgegevens bij te houden, ook betrekking op de leraren.

Artikel 11.85. Rechtspositieregeling personeel

1.

Artikel 7.34 is niet van toepassing.

2.

De Ambtenarenwet BES en de bepalingen die daarop berusten zijn voor het personeel van een school voor bijzonder onderwijs van overeenkomstige toepassing.

3.

Voor de salarissen en toelagen van het personeel wordt een regeling vastgesteld bij eilandsbesluit.

4.

Het bestuurscollege stelt de regeling of een wijziging daarvan pas vast nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de bevoegde gezagsorganen en met de onderwijsvakbonden of, bij het ontbreken daarvan, met een representatief te achten vertegenwoordiging van het personeel.

5.

Artikel 101 van de Ambtenarenwet BES is niet van toepassing op de vaststelling of wijziging van de regeling.

Artikel 11.86. Georganiseerd overleg

Artikel 7.35 is niet van toepassing.

Artikel 11.87. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger

In afwijking van artikel 7.37 legt de Rijksvertegenwoordiger de disciplinaire straf of de schorsing op of verleent hij het ontslag, als het gaat om een rector, een directeur, een conrector, een adjunct-directeur of een leraar van een openbare school, die ook lid is van de eilandsraad van het openbaar lichaam dat de school in stand houdt.

Artikel 11.87a. Akte van benoeming

1.

Ieder personeelslid van een bijzondere school is in het bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van benoeming.

2.

De akte van benoeming bevat ten minste bepalingen van gelijke inhoud als de bepalingen die zijn vastgesteld in artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES.

Artikel 11.87b. Afschriften bewijsstukken

Artikel 7.37a is niet van toepassing.

Paragraaf 8. Wijze van toepassing hoofdstuk 8

Artikel 11.89. Toelating

Vervallen

Artikel 11.90. Aanmelding

1.
2.

Artikel 8.8, vierde en vijfde lid, is ook van toepassing op openbare scholen.

Artikel 11.91. Toepassing toelating leerlingen die extra ondersteuning behoeven

Artikel 8.9 is niet van toepassing.

Artikel 11.92. Toepassing te verstrekken gegevens bij toelating

In plaats van artikel 8.10 is artikel 11.93 van toepassing.

Artikel 11.93. Te verstrekken gegevens bij toelating

1.

Het bevoegd gezag laat een leerling pas toe tot de school nadat de ouders de volgende gegevens van de leerling hebben verstrekt aan het bevoegd gezag:

  • a. de geslachtsnaam;
  • b. de voorletters;
  • c. de geboortedatum;
  • d. het geslacht; en
  • e. het persoonsgebonden nummer BES.
2.

De gegevens worden overgelegd door middel van een document dat van overheidswege is verstrekt, waarin de betreffende gegevens zijn opgenomen.

3.

Indien de ouders of, indien de leerling meerderjarig is, de leerling aannemelijk maakt dat geen persoonsgebonden nummer BES van de leerling kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot toelating aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de leerling, zijn adres en zijn woonplaats.

4.

Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangt van de melding het administratienummer of het onderwijsnummer van de leerling aan het bevoegd gezag.

Artikel 11.94. Toepassing tijdelijke plaatsing

Artikel 8.13 is niet van toepassing.

Artikel 11.95. Toepassing verwijdering

1.

Artikel 8.15, vierde en vijfde lid, is ook van toepassing op openbare scholen.

Artikel 11.96. Toepassing bestrijding voortijdig schoolverlaten

In afwijking van de artikelen 8.19 tot en met 8.22 is artikel 11.97 van toepassing.

Artikel 11.97. Bestrijding voortijdig schoolverlaten

1.

Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft van de gegevens van degene:

  • a. op wie de Leerplichtwet BES niet meer van toepassing is en die de leeftijd van 25 jaren nog niet heeft bereikt;
  • c. die
  • 1°. het onderwijs aan de school gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een maand of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden, waaronder in ieder geval de redenen, bedoeld in artikel 8.30, vijfde lid, worden verstaan, niet meer volgt; of
  • 2°. bij de school wordt in- of uitgeschreven of van de school wordt verwijderd.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

3.

Bij de verwerking van gegevens als bedoeld in dit artikel, wordt het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene gebruikt.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop gegevens op grond van het eerste lid worden verstrekt en worden die gegevens nader gespecificeerd.

5.

Voor zover het verstrekken van persoonsgegevens nodig is voor de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim, kunnen de gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES omvatten. Daarvan zijn persoonsgegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een vakvereniging, uitgezonderd.

Artikel 11.98. Gegevensverstrekking leerlingen die naar verwachting overstappen naar het middelbaar beroepsonderwijs

Artikel 8.31 is niet van toepassing.

Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7

Artikel 11.99. Beroep en termijn beschikking

1.

In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES kan een belanghebbende beroep instellen bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tegen een besluit op grond van de artikelen 4.4, 4.9, 4.10, 4.17, 4.24, 4.25, 5.10, 5.37, 10.1, 11.43, 11.44, 11.45, 11.45c, 11.47 en 11.50. De artikelen 54 en 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien een beschikking niet kan worden gegeven binnen de termijn, bedoeld in de artikelen 2.67, tweede lid, 4.25, vierde lid, 5.10, derde lid, 9.3, derde lid, of 11.45, vierde lid, of gesteld bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5.47, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Hoofdstuk 12. Invoerings- en overgangsrecht

Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7

Artikel 12.1. Omzetting lopende aanvragen toelating tot praktijkonderwijs

Aanvragen voor de toelaatbaarheid tot praktijkonderwijs op grond van artikel 10g, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.30, tweede lid.

Artikel 12.2. Omzetting lopende aanvragen tot het zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs

Aanvragen tot het zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op grond van artikel 10e, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.43, eerste lid.

Artikel 12.3. Omzetting lopende aanvragen tot aanwijzing school met examenbevoegdheid

Aanvragen om te worden aangewezen als school met examenbevoegdheid op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 112, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.67.

Artikel 12.4. Omzetting lopende aanvragen tot aanwijzing vso-school met examenbevoegdheid

Aanvragen om te worden aangewezen als vso-school met examenbevoegdheid op grond van artikel 59a, eerste lid, in samenhang met artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.71, eerste lid, in samenhang met artikel 2.67.

Artikel 12.5. Handhaving erkenning leerbedrijven

1.

Bedrijven en organisaties die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.105, beschikken over een gunstige beoordeling op grond van artikel 10b4, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op eerstbedoelde datum, worden aangemerkt als leerbedrijven met een erkenning als bedoeld in artikel 2.105, derde lid.

2.

Bedrijven en organisaties die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.31, beschikken over een gunstige beoordeling op grond van artikel 22, tweede lid, eerste volzin, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals luidend op eerstbedoelde datum, behouden die gunstige beoordeling op het moment van inwerkingtreding van artikel 11.31.

Artikel 12.6. Omzetting lopende aanwijzingen in geval van wanbeheer

Een aanwijzing wegens wanbeheer, gegeven op grond van artikel 103g van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 183 van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarover bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, wordt aangemerkt als te zijn gegeven op grond van artikel 3.38, eerste lid.

Artikel 12.7. Aanspraak op bekostiging

1.

In afwijking van artikel 4.1 berust de aanspraak op bekostiging van een school of scholengemeenschap die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel werd bekostigd op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, na de inwerkingtreding van artikel 4.1 op hoofdstuk 4, paragraaf 1, en hoofdstuk 11, paragraaf 4, met dien verstande dat:

2.

De aanspraak op bekostiging van een inrichting voor voortgezet onderwijs als bedoeld in een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld op grond van artikel 117, eerste lid, WVO BES, en van de Saba Comprehensive School, genoemd in artikel 207, onderdeel d, WVO BES berust na de inwerkingtreding van artikel 2.86 op dat artikel.

Artikel 12.8. Voorzieningenplanning

1.

Op aanvragen die op grond van titel III, afdeling I, met uitzondering van artikel 75a, of III, van de Wet op het voortgezet onderwijs of titel III, afdeling I, met uitzondering van artikel 127e, of III van de Wet voortgezet onderwijs BES zijn ingediend bij Onze Minister, waarop nog niet definitief is beslist op het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 11, paragraaf 4, zijn de overeenkomstige regels van dat hoofdstuk, respectievelijk die paragraaf van toepassing.

2.

Besluiten van Onze Minister op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van een school, een afdeling voor havo, een profiel van een school voor vbo, een scholengemeenschap, een cursus of leerwegondersteunend onderwijs, worden aangemerkt als te zijn genomen op grond van de overeenkomstige bepalingen van hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 11, paragraaf 4.

Artikel 12.9. Voortzetting dienstverband personeel

1.

Het dienstverband tussen het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, en een personeelslid dat op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.2 in dienst is bij dat bevoegd gezag wordt met ingang van die inwerkingtreding voortgezet door het bevoegd gezag van die school, voor zover:

  • a. het dienstverband gezien de rechten en verplichtingen die gelden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van artikel 7.2 op die datum zou zijn gehandhaafd, en
  • b. het personeelslid op de dag voor die datum werkzaam was binnen een school van dat bevoegd gezag.
2.

Bij voortzetting van een dienstverband als bedoeld in het eerste lid met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 7.2, worden zoveel mogelijk de rechten en verplichtingen in acht genomen die onder de werking van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES vanaf die datum in dat dienstverband zouden hebben gegolden.

Artikel 12.10. Aanvangsmoment herzieningstermijn bekwaamheidseisen leraren

De termijn van zes jaren, bedoeld in artikel 7.10, vierde lid, vangt aan op het moment waarop voor de laatste maal toepassing is gegeven aan artikel 36, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.10.

Artikel 12.11. Invoeringsrecht benoembaarheid leidinggevend personeel en onderwijsondersteunende werkzaamheden

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)