Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 560
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • 5°. leerlingen die extra ondersteuning behoeven, bedoeld in artikel 2.41;
  • 6°. de scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, bedoeld in artikel 3.1 en, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7.5, een beschrijving van de over te dragen taken;
  • c. een document waaruit blijkt dat de gemeente van de beoogde plaats van vestiging, het samenwerkingsverband en de bevoegde gezagsorganen van de scholen en vestigingen binnen het voedingsgebied van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging zijn gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging; en
  • d. een verklaring omtrent het gedrag van de personen die het bestuur en het intern toezicht vormen en die op het tijdstip van het doen van de aanvraag niet ouder is dan zes maanden.
3.

De aanvraag bevat tevens:

  • a. een beschrijving van het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs;
  • b. een beschrijving van de beoogde samenstelling van de formatie van de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of het profiel;
  • c. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan voorschriften die worden gesteld aan de bekwaamheid van de leraren, onderwijsondersteunende functionarissen, de rector, directeur, conrector of adjunct-directeur;
  • d. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorg voor de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen op de school, scholengemeenschap of nevenvestiging;
  • e. een meerjarenbegroting over de eerste drie schooljaren die gebaseerd is op de bekostiging die de school, scholengemeenschap of nevenvestiging zal ontvangen gegeven het aantal te verwachten leerlingen in die periode;
  • f. de verwachtingen met betrekking tot de huisvesting;
  • g. informatie over de hoogte van en het beleid ten aanzien van de vrijwillige geldelijke bijdrage die van de ouders zal worden gevraagd en het jaarlijks verwachte totaalbedrag van die bijdragen;
  • h. informatie over de wijze waarop het bevoegd gezag uitvoering zal geven aan de afspraken, bedoeld in artikel 3.42; en
  • i. een beschrijving van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de WMS.
4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en wordt een model voor de aanvraag vastgesteld.

5.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, bevat een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs een document waaruit blijkt dat deze aanvraag in overeenstemming is met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en wordt deze ingediend na overleg met de gemeente van de beoogde plaats van vestiging.

Artikel 4.6. Belangstellingsmeting

1.

De belangstellingsmeting wordt uitgevoerd aan de hand van hetzij ouderverklaringen dan wel, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, een marktonderzoek.

2.

De belangstellingsmeting:

  • a. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid; en
  • b. vindt plaats binnen het voedingsgebied dat een gebied omvat dat bestaat uit viercijferige postcodegebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen een straal van vijftien kilometer van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging.
3.

Het te verwachten aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend overeenkomstig de formule q = (y/x *100%) * w * z, waarbij:

  • a. voor de ouderverklaring geldt: y = aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar van wie in de ouderverklaring is aangegeven belangstelling te hebben voor de school, scholengemeenschap of nevenvestiging in de aanvraag; x = totaal aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 januari van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b; w = het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 jaar en in de leeftijd van 13 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid, onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal verblijfsjaren, die de landelijke verhouding tussen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen in leerjaar 1 weergeeft van de schoolsoort, schoolsoorten of nevenvestiging waarop de aanvraag betrekking heeft; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor;
  • b. voor het marktonderzoek geldt: y = aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar ten aanzien van wie in het marktonderzoek is aangegeven dat er belangstelling is voor de school, scholengemeenschap of nevenvestiging in de aanvraag; x = totaal aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar ten aanzien van wie aan het marktonderzoek is deelgenomen; w = het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 jaar en in de leeftijd van 13 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid, onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal verblijfsjaren, die de landelijke verhouding tussen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen in leerjaar 1 weergeeft van de schoolsoort, schoolsoorten of nevenvestiging waarop de aanvraag betrekking heeft; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor.

De aanvraag bevat de berekeningen die tot de uitkomsten van de formules, bedoeld onder a, of b, hebben geleid.

4.

De ouderverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op één leerling in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en wordt ingediend door de ouder van deze leerling.

5.

Het marktonderzoek, bedoeld in het eerste lid:

  • a. heeft betrekking op leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar;
  • b. wordt afgenomen onder de ouders van leerlingen, bedoeld in onderdeel a, op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek;
  • c. wordt uitgevoerd aan de hand van een aselecte steekproef uit de leerlingen, bedoeld in onderdeel a, die aantoonbaar representatief is voor die leerlingen; en
  • d. mag niet ouder zijn dan 24 maanden voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de aanvraag.
6.

Indien uit de belangstellingsmeting van meer dan één aanvraag blijkt dat de betrokken postcodegebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elkaar overlappen en daardoor de som van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied groter is dan het totaal aantal leerlingen in de overlappende voedingsgebieden, worden de aantallen van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied naar evenredigheid verminderd tot de som van het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied voor wie belangstelling is aangetoond gelijk is aan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de uitvoering van de belangstellingsmeting over:

  • a. de wijze waarop de belangstellingsmeting wordt uitgevoerd; en
  • b. de omvang van het marktonderzoek in relatie tot de minimale verhoudingen tussen de verschillende onderdelen van de formule voor de belangstellingsmeting, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 4.7. Aanvang bekostiging en vervallen aanspraak bekostiging

1.

De bekostiging vangt aan op 1 augustus.

2.

De aanspraak op bekostiging op grond van de artikelen 4.2, 4.2a en 4.3 vervalt, indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school, scholengemeenschap, nevenvestiging of in het nieuwe profiel wordt gegeven.

3.

In afwijking van het tweede lid en op aanvraag van het bevoegd gezag of de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een jaar te handhaven. De aanspraak op bekostiging vervalt in dat geval, indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het in het tweede lid bedoelde besluit geen onderwijs wordt gegeven.

Artikel 4.8. Leerwegondersteunend onderwijs

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien:

  • a. dat doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van leerwegondersteunend onderwijs; en
  • b. de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het betrokken samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.

Artikel 4.9. Omzetting

1.

Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde openbare school in een gelijksoortige bijzondere school.

2.

Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school.

3.

Onze Minister brengt een bijzondere school waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met onderwijs van een andere richting voor bekostiging in aanmerking.

4.

Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.

5.

Dit artikel is mede van toepassing op een scholengemeenschap.

Artikel 4.10. Samenvoeging scholen of scholengemeenschappen

1.

Met inachtneming van hoofdstuk 3, paragraaf 7, kan Onze Minister een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen voor bekostiging in aanmerking brengen, indien:

  • a. voor alle bij de samenvoeging betrokken scholen of scholengemeenschappen ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van die school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden als de leerlingen van een vestiging van een andere bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap; of
  • b. voor ten minste een van de bij de samenvoeging betrokken scholen of scholengemeenschappen sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4.25, vierde lid.
2.

Indien niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan Onze Minister met inachtneming van hoofdstuk 3, paragraaf 7, een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen voor bekostiging in aanmerking brengen, indien de bij de samenvoeging betrokken vestigingen van de scholen of scholengemeenschappen zijn gelegen in dezelfde gemeente dan wel in aangrenzende gemeenten.

3.

Na een samenvoeging kan op een vestiging in elk geval onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 2.26, tweede lid, en 2.27, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging werd verzorgd.

4.

Samenvoeging vindt plaats met ingang van 1 augustus.

Paragraaf 2. Vestigingen

Artikel 4.12. Vestigingen

Aan een school of scholengemeenschap kan naast een hoofdvestiging zijn verbonden:

  • a. een of meer nevenvestigingen; of
  • b. een of meer tijdelijke nevenvestigingen.

Artikel 4.13. Hoofdvestiging

1.

De eerste vestiging van een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 4.2 voor bekostiging in aanmerking is gebracht, wordt aangeduid als hoofdvestiging.

2.

Naast het onderwijsaanbod dat mag worden verzorgd door het voor bekostiging in aanmerking brengen van een scholengemeenschap, kan op een hoofdvestiging van een scholengemeenschap in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in artikel 4.14, tweede tot en met vierde lid, genoemde leerjaren van de schoolsoorten die de scholengemeenschap omvat.

Artikel 4.14. Nevenvestiging

1.

Een nevenvestiging komt tot stand door een samenvoeging als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, of door vorming van een nieuwe nevenvestiging van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.2a.

2.

Op een nevenvestiging van een school voor vwo of havo kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de eerste 3 leerjaren van die schoolsoort.

3.

Op een nevenvestiging van een school voor mavo of vbo kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de eerste 2 leerjaren van die schoolsoort.

4.

Op een nevenvestiging van een scholengemeenschap kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in het tweede of derde lid genoemde leerjaren van de schoolsoort die ingevolge artikel 4.2a, eerste of tweede lid, voor bekostiging in aanmerking is gebracht.

Artikel 4.15. Uitbreiding onderwijsaanbod vestigingen

Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor mavo of vbo indien:

  • a. op de desbetreffende vestiging onderwijs in de eerste drie respectievelijk twee leerjaren van de desbetreffende schoolsoort wordt verzorgd; en
  • b. de desbetreffende vestiging ligt binnen een hemelsbreed gemeten afstand van 3 kilometer van een andere vestiging van de school waar onderwijs vanaf het vierde respectievelijk derde leerjaar van de desbetreffende schoolsoort wordt verzorgd.

Artikel 4.16. Tijdelijke nevenvestiging

1.

Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in de tijdelijke huisvestingsbehoefte van een hoofdvestiging of nevenvestiging en is gelegen op hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van de hoofdvestiging of nevenvestiging.

2.

Onze Minister brengt een tijdelijke nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag heeft aangetoond dat het college van burgemeester en wethouders de benodigde huisvesting ter beschikking zal stellen. De verplichting in de eerste volzin is niet van toepassing op verticale scholengemeenschappen en scholen waarvoor jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald op grond van artikel 6.21.

3.

Op een tijdelijke nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 2.26, tweede lid, en 2.27, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging of nevenvestiging.

Artikel 4.17. Verplaatsing vestiging en gevolgen voor bekostigingsaanspraak

De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag over hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van het huidige vestigingsadres:

  • a. een vestiging verplaatst; of
  • b. een deel van het onderwijsaanbod op een vestiging verplaatst naar een andere vestiging van dezelfde school of scholengemeenschap.

Paragraaf 3. Regionale samenwerking voorzieningenplanning

Artikel 4.18. Regionale samenwerking

1.

Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan samenwerken met ten minste een ander bevoegd gezag met als doel het onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in hun regio.

2.

Een regio omvat een aaneengesloten grondgebied van een of meer gemeenten, met dien verstande dat:

  • a. op de deelnemende vestigingen van scholen of scholengemeenschappen per gemeente ten minste 60 procent staat ingeschreven van alle leerlingen die op het grondgebied van die gemeente voortgezet onderwijs volgen; en
  • b. ten minste 65 procent van de bevoegde gezagsorganen met een of meer vestigingen van scholen of scholengemeenschappen binnen die gemeente, bij de samenwerking betrokken is.

Artikel 4.19. Regionaal plan onderwijsvoorzieningen

1.

De samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast, dat een gezamenlijk gedragen visie bevat op het onderwijs in de regio.

2.

Het plan omvat in elk geval:

  • a. de omvang en begrenzing van de regio;
  • b. gegevens over het aanbod en gebruik van onderwijsvoorzieningen;
  • c. een overzicht van de onderwijsvoorzieningen die de bevoegde gezagsorganen binnen de looptijd van het plan voor bekostiging in aanmerking willen laten brengen en een prognose van het aantal leerlingen per vestiging;
  • d. de relatie van het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod met het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt; en
  • e. de opvattingen van de deelnemers aan het overleg, bedoeld in het vierde en vijfde lid, over het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting.
3.

Een regionaal plan onderwijsvoorzieningen geldt voor een periode van vijf jaar, die begint op 1 augustus van enig kalenderjaar.

4.

Voordat een regionaal plan onderwijsvoorzieningen wordt vastgesteld, overleggen de samenwerkende bevoegde gezagsorganen over een concept van het plan met:

  • a. de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen of scholengemeenschappen in de regio;
  • b. de desbetreffende provincie of provincies; en
  • c. voor zover het gaat om het vbo, met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de regio en met de bevoegde gezagsorganen van de instellingen voor beroepsonderwijs in de regio.
5.

Voordat de samenwerkende bevoegde gezagsorganen een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vaststellen, wordt over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg gevoerd met de betrokken colleges van burgemeester en wethouders. Daartoe wordt een procedure vastgesteld door de samenwerkende bevoegde gezagsorganen en de colleges van burgemeester en wethouders. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen.

Artikel 4.20. Aanvraag onderwijsvoorzieningen deelnemers RPO

1.

Onverminderd artikel 4.21, brengt Onze Minister voor bekostiging in aanmerking een onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen en indien nodig ook wordt voldaan aan de in die onderdelen genoemde voorwaarden. Een bevoegd gezag kan voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van:

  • a. een vestiging die wordt verplaatst of een deel van het onderwijsaanbod van een vestiging dat wordt verplaatst naar een andere vestiging van dezelfde school, beide over hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer of meer van de huidige vestigingsplaats;
  • b. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap;
  • c. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofd- of nevenvestiging aan een school voor mavo of vbo indien niet binnen hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer een andere vestiging van de school is gelegen waaraan dit onderwijs wordt verzorgd;
  • d. onderwijs in de gemengde leerweg op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor mavo of vbo, indien wordt voldaan aan voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn gesteld; of
2.

Onze Minister kan een onderwijsvoorziening als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, die niet is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen, voor bekostiging in aanmerking brengen indien de overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de regionale samenwerking instemmen met de aanvraag en ook wordt voldaan aan de in die onderdelen genoemde voorwaarden.

3.

Onze Minister beslist voor 1 mei volgend op de aanvraag of de onderwijsvoorziening voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.

4.

Onverminderd artikel 3:41 Awb wordt van een besluit tot bekostiging van een onderwijsvoorziening mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 4.21. Weigeringsgrond

Onze Minister wijst een aanvraag als bedoeld in artikel 4.20 af indien een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking aantoont dat de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan 10 procent leerlingverlies op een vestiging van een school of scholengemeenschap van dat bevoegd gezag.

Artikel 4.22. Huisvesting en aanvang bekostiging onderwijsvoorziening deelnemers RPO

1.

Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 6.4 een aanvraag indient, stelt het college van burgemeester en wethouders uiterlijk op 1 augustus van het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister om een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking te brengen, huisvesting ter beschikking. Het college van burgemeester en wethouders maakt het besluit daartoe uiterlijk een jaar voor het beschikbaar stellen van de huisvesting bekend.

2.

Na een besluit van Onze Minister om een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 4.20 voor bekostiging in aanmerking te brengen vangt de bekostiging van de betrokken onderwijsvoorziening aan op 1 augustus van enig kalenderjaar.

Artikel 4.23. Voorbereiding besluiten

Op de voorbereiding van de besluiten bedoeld in artikel 4.20, eerste en tweede lid, is afdeling 3.4 Awb van toepassing, met uitzondering van artikel 3:18.

Paragraaf 4. Beëindiging van de bekostiging

Artikel 4.24. Opheffingsnormen

1.

Een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd indien de school in elk van drie achtereenvolgende schooljaren op 1 oktober is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan:

  • a. voor een school voor praktijkonderwijs: 70 leerlingen;
  • c. voor een school voor vbo met drie of vier profielen: 240 leerlingen;
  • d. voor een school voor vbo met vijf of meer profielen: 360 leerlingen; en
  • e. voor de overige scholen: 3/4 van het aantal leerlingen dat voor de betrokken schoolsoort is genoemd in artikel 4.2, eerste lid.
2.

Een openbare scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere scholengemeenschap wordt beëindigd indien de scholengemeenschap in elk van drie achtereenvolgende schooljaren is bezocht door een kleiner aantal leerlingen dan de helft van het aantal leerlingen dat op grond van artikel 4.2, eerste lid, is vereist voor stichting van de scholen die deel uitmaken van de scholengemeenschap, met dien verstande dat het voor scholen voor vbo binnen een scholengemeenschap gaat om:

  • a. 130 leerlingen voor een school met een of twee profielen;
  • b. 160 leerlingen voor een school met drie of vier profielen;
  • c. 240 leerlingen voor een school met vijf of zes profielen; en
  • d. 360 leerlingen voor een school met zeven of meer profielen.
3.

Een openbare school binnen een scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school binnen een scholengemeenschap wordt beëindigd indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren:

  • a. door 0 leerlingen is bezocht indien het gaat om een school voor praktijkonderwijs; of
  • b. door 0 leerlingen is bezocht voor zover het gaat om de hoogste twee leerjaren, indien het gaat om een school voor vwo, havo, mavo of vbo.
4.

Een openbare school of scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap wordt beëindigd met ingang van 1 augustus volgend op de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

5.

Indien een profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, of artikel 2.27, tweede lid, aan een school voor vbo gedurende drie achtereenvolgende schooljaren door 0 leerlingen gevolgd is, wordt dat profiel aan een openbare school opgeheven, of eindigt de aanspraak op bekostiging voor dat profiel aan een bijzondere school met ingang van 1 augustus volgend op die drie achtereenvolgende schooljaren.

Artikel 4.25. Grondslag, afbouw en uitzonderingsmogelijkheden

1.

Ontbreekt voor de leerlingen binnen redelijke afstand plaatsruimte op een gelijksoortige school, dan past Onze Minister artikel 4.24 zo toe dat de leerlingen van elk leerjaar het onderwijs kunnen voltooien.

2.

Artikel 4.24 blijft buiten toepassing, indien de school nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen is ingeschreven:

  • 1°. 195 leerlingen voor een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
  • 2°. 195 leerlingen voor een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;
  • 3°. 195 leerlingen voor een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
  • 4°. 195 leerlingen voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met 1 profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid;
  • 5°. 120 leerlingen voor elk profiel voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met meer dan 1 profiel; of
  • 6°. 72 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.
3.

Artikel 4.24 blijft buiten toepassing, indien de scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de langste cursusduur van een van de samenstellende scholen. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school die deel uitmaakt van de scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze scholengemeenschap in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen op de desbetreffende school is ingeschreven:

  • 1°. 146 leerlingen voor een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
  • 2°. 146 leerlingen voor een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;
  • 3°. 146 leerlingen voor een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
  • 4°. 146 leerlingen voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met 1 profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid;
  • 5°. 90 leerlingen voor elk profiel voor een scholengemeenschap met een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met meer dan 1 profiel; of
  • 6°. 54 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.
4.

In bijzondere gevallen kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag toestaan dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder dan in artikel 4.24 is vermeld of op grond van artikel 11.53, tweede of vierde lid, is vastgesteld, dan wel als sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, of derde lid, tweede volzin. De toestemming geldt voor een door Onze Minister te bepalen tijd. Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

5.

Binnen acht weken nadat de aantallen leerlingen per school voor voortgezet onderwijs zijn bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek of door Onze Minister, stellen gedeputeerde staten vast welke scholen uit hun provincie die door de gemeente in stand worden gehouden al een jaar lang niet meer voldoen aan de norm van artikel 4.24 die voor hen geldt. Wanneer gedeputeerde staten van oordeel zijn dat er als gevolg van de opheffing van een school als bedoeld in de vorige volzin, niet meer voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een voldoende aantal scholen, geven gedeputeerde staten aan het college van burgemeester en wethouders de opdracht om een aanvraag te doen op grond van het vierde lid.

Artikel 4.26. Beëindiging bekostiging bij einde looptijd regionaal plan onderwijsvoorzieningen

1.

Bij het verstrijken van de looptijd van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.19 gaat de aanspraak op bekostiging verloren voor zover het gaat om een profiel als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdeel e, al dan niet met gebruikmaking van artikel 4.20, tweede lid. De bekostiging blijft in dat geval nog 1 jaar gehandhaafd voor het onderwijs in het derde leerjaar en nog 2 jaar voor het onderwijs in het vierde leerjaar.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien het betrokken profiel voor bekostiging in aanmerking is gebracht op grond van een aansluitend regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.19 of op grond van artikel 4.3, eerste lid.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een profiel dat met ingang van 1 augustus 2016 voor bekostiging in aanmerking is gebracht op grond van artikel 118bb in samenhang met artikel 118cc, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die wet op die datum luidde.

Artikel 4.27. Beëindiging bekostiging afdelingen voor havo

De artikelen 4.24 en 4.25 zijn, voor zover zij betrekking hebben op scholen voor havo, van overeenkomstige toepassing op afdelingen als bedoeld in artikel 2.5.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 4.28. Cursussen

1.

Onze Minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet onderwijs, voor zover het niet gaat om vbo, geheel of gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging in aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte bestaat.

2.

Onze Minister kan aan de bekostiging verplichtingen verbinden.

3.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels over de verdeling gesteld.

4.

Indien een cursus voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, is artikel 2.110 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.29. Overige uitvoeringsregels voorzieningenplanning

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

  • a. aanvraagprocedures voor onderwijsvoorzieningen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar aanvragen binnen en buiten regionale samenwerking als bedoeld in paragraaf 3;
  • b. meldingen bij omzetting als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, of uitbreiding met een richting als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, opening van een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16, of verplaatsing van een vestiging of van een deel van het onderwijsaanbod van een vestiging over hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan drie kilometer van het huidige vestigingsadres als bedoeld in artikel 4.17; en
  • c. de berekening van leerlingverlies als bedoeld in artikel 4.21.

Hoofdstuk 5. Bekostiging en verantwoording

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 5.1. Algemeen

1.

Het Rijk bekostigt met inachtneming van dit hoofdstuk de scholen of scholengemeenschappen waarvan de bekostiging aanvangt op grond van hoofdstuk 4. De uitgaven, bedoeld in de artikelen 5.23 en 5.24, en de bedragen die de gemeente op grond van deze wet in aanvulling op de rijksbekostiging verstrekt, blijven ten laste van de gemeente.

2.

Het Rijk bekostigt met inachtneming van dit hoofdstuk samenwerkingsverbanden.

3.

Rijksbekostiging aan niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt uitsluitend verstrekt op grond van deze wet.

Artikel 5.2. Bekostiging van school, scholengemeenschap en cursussen

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van dit hoofdstuk, regels worden gesteld over de bekostiging, verantwoording en informatievoorziening van een scholengemeenschap, een verticale scholengemeenschap of een school en de daaraan verbonden cursussen, bedoeld in artikel 4.28.

Artikel 5.3. Toepassing hoofdstuk 5 op openbare scholen in stand gehouden door stichting of openbare rechtspersoon

Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de regels over bijzondere scholen van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4 of door een stichting als bedoeld in artikel 3.10, tenzij anders is bepaald.

Paragraaf 1. Algemene bepalingen bekostiging

Artikel 5.4. Bekostiging scholen en scholengemeenschappen

1.

De bekostiging voor een school of scholengemeenschap bestaat uit:

  • a. een bedrag per vestiging van de school of scholengemeenschap, indien de vestiging voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar het soort vestiging wat betreft het al dan niet in aanmerking komen voor bekostiging en de hoogte van het bedrag; en
  • b. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar schoolsoort, leerjaar, leerweg of profiel.
2.

Indien op één adres vestigingen van verschillende scholen of scholengemeenschappen van hetzelfde bevoegd gezag zijn gehuisvest, wordt aan iedere vestiging een deel van het bedrag per vestiging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verstrekt naar rato van het aantal vestigingen op dat adres, rekening houdend met het soort vestiging.

3.

De bekostiging is bestemd voor kosten voor personeel en exploitatie van een school. De bekostiging wordt per school of scholengemeenschap berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.

4.

De bekostiging van de scholen wordt verstrekt voor:

  • a. salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen voor het personeel;
  • b. bijdragen voor het pensioen voor het personeel en dat van de nagelaten betrekkingen;
  • c. de kosten van vervanging van het personeel, werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet;
  • d. onderhoud van het gebouw en het terrein;
  • e. energie- en waterverbruik;
  • f. middelen waaronder mede wordt verstaan lesmateriaal als bedoeld in artikel 2.110;
  • g. administratie, beheer en bestuur;
  • h. loopbaanoriëntatie en -begeleiding;
  • i. schoonmaken van het gebouw en het terrein; en
  • j. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van belastingen ter zake van onroerende zaken.

Artikel 5.5. Aanvullende bekostiging scholen met leerwegondersteunend onderwijs en scholen voor praktijkonderwijs

1.

Een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 4.8 of 2.48, tweede lid, in aanmerking komt voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, een bedrag per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.

2.

Een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, een bedrag per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.

Artikel 5.6. Bepalen van de hoogte van de bekostiging

1.

Onze Minister stelt de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, zodanig vast dat zij voldoet aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school.

2.

Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de bedragen, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, en 5.5 vastgesteld en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan.

3.

De vastgestelde bedragen gelden voor het kalenderjaar volgend op het tijdstip van vaststelling.

4.

Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, of bij tussentijdse aanpassing van die bedragen, worden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks financiën zich daartegen verzet.

Artikel 5.8. Teldatum aantal leerlingen en vestigingen voor berekening bekostiging

1.

Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, neemt Onze Minister in aanmerking het aantal en het soort vestigingen van de school of scholengemeenschap, alsmede het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft:

  • a. als werkelijk schoolgaand aan de school of scholengemeenschap stond ingeschreven; en
  • b. in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen voor de bekostiging wordt meegeteld.
2.

In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school of scholengemeenschap kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de leerlingen, bedoeld in het eerste lid, op die afwijkende datum toerekenen aan de nieuwe scholen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de leerlingen die niet worden meegeteld voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging.

Artikel 5.9. Verstrekken aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen

1.

Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het verstrekken van aanvullende bekostiging.

2.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het verstrekken van aanvullende bekostiging voor een scholengemeenschap met een hoofd- of nevenvestiging waaraan elk van de schoolsoorten, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met d, wordt verzorgd.

Artikel 5.10. Aanvraag en verstrekken aanvullende bekostiging bij bijzondere omstandigheden

1.

Indien bijzondere omstandigheden van een school daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister aanvullende bekostiging verstrekken.

2.

De verstrekking vindt plaats:

  • a. op aanvraag van het bevoegd gezag;
  • b. indien nodig onder het verbinden van verplichtingen aan het bevoegd gezag aan de verstrekking; en
  • c. voor een bepaalde periode.
3.

De aanvraag wordt ingediend in het kalenderjaar waarin de bijzondere omstandigheden zich voordoen. Onze Minister beslist binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen achttien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis en noemt bij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

4.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

Artikel 5.11. Verstrekken middelen in aanvulling op bekostiging

Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in de artikelen 184 WPO en 163 WEC ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Onze Minister kan aan de beschikbaarstelling voorwaarden verbinden. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.

Artikel 5.12. Verstrekken subsidie godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk onderwijs op openbare scholen

1.

Onze Minister kan aan de kerkelijke gemeenten of de plaatselijke kerken, bedoeld in artikel 2.35, eerste lid, en aan de genootschappen, bedoeld in artikel 2.35, tweede lid, subsidie verstrekken voor het onderwijs, bedoeld in die artikelleden.

2.

De artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat subsidie alleen kan worden verstrekt op grond van een algemene maatregel van bestuur.

Paragraaf 3. Grondslag bekostiging personeel en exploitatie samenwerkingsverbanden

Artikel 5.13. Bekostiging lichte ondersteuning samenwerkingsverband

1.

Aan het samenwerkingsverband wordt bekostiging toegekend voor leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs en regionale ondersteuning. De bekostiging is een bedrag per leerling.

2.

Artikel 5.4, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Het aantal leerlingen voor de bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door:

  • a. het aantal leerlingen op 1 oktober 2012 op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband dat is ingeschreven als leerling die leerwegondersteunend onderwijs ontvangt uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober 2012; en
  • b. het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
4.

Het aantal leerlingen voor de bekostiging voor praktijkonderwijs, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door:

  • a. het aantal leerlingen op 1 oktober 2012 op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband dat is ingeschreven als leerling op een school voor praktijkonderwijs uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober 2012; en
  • b. het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
5.

De bekostiging voor regionale ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een bedrag per leerling die is ingeschreven op een school of vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband.

6.

Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 4.8 of artikel 2.48, tweede lid, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband.

7.

Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband.

8.

Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste, vijfde, zesde en zevende lid vastgesteld.

Artikel 5.14. Vermindering bekostiging bij uitputting lichte ondersteuning samenwerkingsverband

1.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.13, zesde en zevende lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen, waarvan een of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.

2.

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat in mindering wordt gebracht wordt bepaald per school op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 5.13, zesde en zevende lid.

Artikel 5.15. Bekostiging zware ondersteuning samenwerkingsverband

1.

Aan het samenwerkingsverband wordt bekostiging toegekend voor de inrichting van de ondersteuningsstructuur en de ondersteuningsvoorzieningen voor de zware ondersteuning. De bekostiging bestaat uit een bedrag per leerling

2.

Onze Minister gaat bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, uit van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt op de vestigingen van de scholen die op 1 januari zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband.

3.

Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.

4.

Voor elke leerling die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, twaalfde lid, van de WEC toelaatbaar heeft verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs.

5.

Het bedrag, bedoeld in het derde lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en komt overeen met één van de bedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld.

6.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt staan ingeschreven op een school op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WEC, met dien verstande dat het bedrag, bedoeld in artikel 119, derde lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van:

  • a. het samenwerkingsverband:
  • 1°. dat verantwoordelijk is voor de bekostiging tijdens de inschrijving op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, bedoeld in de WEC, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of
  • 2°. waartoe de vestiging van de school behoort waar de leerling was ingeschreven en bekostigd voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling, of
  • b. het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woont, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling niet was ingeschreven en bekostigd op een school of, niet of niet op basis van een toelaatbaarheidsverklaring was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, bedoeld in de WEC.
7.

De artikelen 5.9 en 5.10 zijn van overeenkomstige toepassing op het samenwerkingsverband.

Artikel 5.16. Vermindering bekostiging bij uitputting bekostiging zware ondersteuning samenwerkingsverband

1.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.

2.

Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.

Artikel 5.18. Bekostiging samenwerkingsverband materiële instandhouding

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/109.

Artikel 5.19. Vermindering bekostiging materiële instandhouding bij uitputting bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband

Vervallen

Artikel 5.20. Aanvullende bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband

Vervallen

Artikel 5.21. Vermindering bekostiging materiële instandhouding bij uitputting aanvullende bekostiging samenwerkingsverband

Vervallen

Paragraaf 4. Rol gemeente

Artikel 5.22. Verstrekken bedrag belastingen voor onroerende zaken aan bijzondere school

1.

In geval van een niet door de gemeente in stand gehouden school verstrekt de gemeente aan het bevoegd gezag het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen voor de gebouwen en terreinen die in de gemeente zijn gelegen, indien het bevoegd gezag is onderworpen aan één of meer van de belastingen voor onroerende zaken, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet of artikel 43 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een school die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap.

Artikel 5.23. Gemeentelijk beleid als gemeente geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken

1.

Een gemeente die zelf geen openbare scholen in stand houdt, of waar openbare scholen ontbreken, kan uitgaven doen voor het voortgezet onderwijs die niet door het Rijk worden bekostigd. De gemeenteraad stelt in dat geval bij verordening een regeling voor die uitgaven vast.

2.

De verordening maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en behandelt scholen voor openbaar en bijzonder onderwijs volgens dezelfde maatstaf.

3.

De verordening bevat in elk geval de voorzieningen die het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden school kan aanvragen en de aanvraagprocedure.

4.

De gemeenteraad kan besluiten dat het college van burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kan aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen een week gezonden aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Binnen twaalf weken na de totstandkoming van de aanvulling legt het college van burgemeester en wethouders de aanvulling voor aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen twaalf weken een besluit heeft genomen, wordt de aanvulling gelijkgesteld met een bekrachtigde aanvulling. Wijst de gemeenteraad de aanvulling af, dan heeft dat geen gevolgen voor aanvragen waarop al is beslist of die al zijn ingediend en die gaan over voorzieningen waarop de aanvulling betrekking heeft.

5.

Voor de toepassing van dit artikel geldt een nevenvestiging als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toekennen om, met inachtneming van de regels in die verordening, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente, in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor de voorzieningen die zijn genoemd in de regeling.

6.

Het college van burgemeester en wethouders maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van de voorzieningen die zijn toegekend op grond van de regeling.

7.

De artikelen 5.25 tot en met 5.28 zijn niet van toepassing.

Artikel 5.24. Gemeentelijk beleid als gemeente zelf openbare scholen in stand houdt

1.

Indien een gemeente een of meer openbare scholen in stand houdt en uitgaven wil doen voor het voortgezet onderwijs die niet door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een regeling vaststellen.

2.

Artikel 5.23, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.25. Vaststellen uitgaven en inkomsten personeels- en exploitatiekosten

1.

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die een of meer scholen in stand houdt, stelt jaarlijks voor die scholen voorlopig vast:

  • a. het totaal van de uitgaven voor personeelskosten in het voorafgaande kalenderjaar;
  • b. het totaal van de uitgaven voor exploitatiekosten in het voorafgaande kalenderjaar;
  • d. het totaal van de ontvangen aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10;
  • e. het totaal van de bedragen die de gemeente in het voorgaande kalenderjaar heeft uitgegeven voor de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.32; en
  • f. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld voor het openbaar onderwijs.
2.

Indien de gemeente een deel van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in dat lid, onderdeel a, onderscheidenlijk als een uitgave als bedoeld de onderdelen b of e van dat lid. Indien de gemeente bedragen aan een voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d.

3.

Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c, d en e, blijven buiten beschouwing de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, onderdeel g.

4.

Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e blijven buiten beschouwing:

  • a. de uitgaven die worden gedekt door bijdragen van derden;
  • c. de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school op grond van de regeling, bedoeld in artikel 5.24, een aanvraag bij de gemeente kon indienen, gedurende de periode waarvoor de aanvraag kon worden gedaan.
5.

Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor personeel of exploitatie overdraagt aan een ander bevoegd gezag, geldt dat deel als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of onderdeel b. Indien een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeel en exploitatie overdraagt aan de gemeente, geldt dat deel als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

Artikel 5.26. Vaststellen percentage voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen

1.

Om de vijf jaar stelt het college van burgemeester en wethouders voorlopig het totaal vast van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf kalenderjaren, zoals in artikel 5.25 is aangegeven.

2.

Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar geen school in stand houdt, stelt het college van burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid zo spoedig mogelijk na dat tijdstip voorlopig het totaal vast van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in het deel van de periode van vijf jaar dat aan dit tijdstip voorafgaat.

3.

Na het sluiten van de rekening van de gemeente stelt het college van burgemeester en wethouders de bedragen vast, zo nodig gewijzigd.

4.

Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepaalt het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de overschrijding en drukt het dit bedrag uit in een percentage van het totaal van de ontvangsten. Het percentage wordt afgerond op twee decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats indien de derde decimaal kleiner is dan vijf, en naar boven indien deze decimaal ten minste vijf bedraagt.

Artikel 5.27. Vaststellen overschrijdingsbedrag voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen

1.

In het jaar dat volgt op de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 5.26, derde lid, stelt het college van burgemeester en wethouders het overschrijdingsbedrag vast waarop het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school die gedurende een of meer jaren van de betreffende periode van vijf jaar in de gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. Daartoe vermenigvuldigt het college het percentage, bedoeld in artikel 5.26, vierde lid, met het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is gebaseerd op de bedragen die op grond van de artikelen 5.4 en 5.5 voor die periode zijn vastgesteld. Bij het vaststellen van dit totaal van ontvangsten blijven buiten beschouwing de ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, onderdeel g.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)