Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)
De ondersteuning kan ook bestaan uit het geven van onderwijs aan de leerling, indien daarover overeenstemming bestaat tussen de educatieve voorziening of de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven.
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten ter ondersteuning van het voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor deze bekostiging.
Artikel 2.47. Samenwerkingsverbanden
Het bevoegd gezag van een of meer scholen is voor elke vestiging van die school of scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband als bedoeld in het tweede lid of bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in het achttiende lid.
Een samenwerkingsverband omvat alle binnen een gebied als bedoeld in het derde lid gelegen vestigingen van scholen, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd behorend tot cluster 3 of 4 met uitzondering van de vestigingen waarvoor het bevoegd gezag is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, bedoeld in de vorige volzin, te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.
Bij ministeriële regeling worden voor de samenwerkingsverbanden aaneengesloten gebieden aangewezen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een samenwerkingsverband dat is gelegen aan de landsgrens bij de vervulling van zijn taken kan samenwerken met een school of instelling in België of in een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland.
De bevoegde gezagsorganen van de scholen, bedoeld in het tweede lid, geven het samenwerkingsverband vorm door het oprichten van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk, waarin uitsluitend deze bevoegde gezagsorganen deelnemen, behoudens deelname van een bevoegd gezag op grond van het zesde lid. De statuten van de rechtspersoon bevatten een voorziening voor de beslechting van geschillen.
Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 of 4, waarvan de vestiging of vestigingen zijn gelegen buiten het gebied van een samenwerkingsverband, wenst deel te nemen aan dit samenwerkingsverband, wordt dit bevoegd gezag niet uitgesloten van deelname aan het samenwerkingsverband.
Het samenwerkingsverband heeft in elk geval tot taak:
- a. het vaststellen van een ondersteuningsplan;
- b. het verdelen en toewijzen van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, bedoeld in het tweede lid;
- c. het beoordelen of leerlingen aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs, op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld in het tweede lid waar de leerling is aangemeld of ingeschreven;
- d. het adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld in het tweede lid waar de leerling is aangemeld of ingeschreven.
Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Bij het vaststellen van het ondersteuningsplan kunnen door het samenwerkingsverband slechts beperkingen worden gesteld aan de door de school gewenste invulling van het ondersteuningsaanbod van de school, indien dat voor het samenwerkingsverband met het oog op de beschikbare ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen een onevenredige belasting zou vormen.
Het ondersteuningsplan omvat in elk geval:
- a. de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede lid, tweede volzin, waaronder ook zijn begrepen de basisondersteuningsvoorzieningen;
- b. de procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, bedoeld in het tweede lid, ook bezien in het perspectief van een meerjarenbegroting;
- c. de procedure en criteria voor de plaatsing van leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en de procedure voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs en het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het praktijkonderwijs, voor zover de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het dertiende lid, daarin niet voorziet;
- d. de procedure en het beleid over de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs van leerlingen van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor wie de periode waarop de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40, twaalfde lid, van de WEC betrekking heeft, is verstreken;
- e. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging;
- f. de wijze waarop aan ouders en leerlingen informatie wordt verstrekt over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders en leerlingen;
- g. de wijze waarop wordt vastgesteld of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen met een nieuwe toelaatbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 40, tiende of twaalfde lid, van de WEC, bij de aan het samenwerkingsverband deelnemende scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de periode na 1 februari, en hoe deze scholen hierin tegemoet worden gekomen. Leerlingen als bedoeld in artikel 40, zestiende lid, van de WEC, blijven buiten beschouwing.
Het ondersteuningsplan wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden met het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of gemeenten en overleg heeft plaatsgevonden met het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a WPO, waarvan het gebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het gebied van het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband nodigt het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs met een of meer vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband uit voor het overleg met het college van burgemeester en wethouders over het onderdeel van het ondersteuningsplan, bedoeld in het negende lid, onderdeel a. Het overleg met het college van burgemeester en wethouders vindt plaats overeenkomstig een procedure, vastgesteld door het samenwerkingsverband en het college van burgemeester en wethouders van die gemeente of gemeenten. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen.
Het ondersteuningsplan wordt voor 1 mei voorafgaand aan het eerste schooljaar van de periode waarop het plan betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.
Het samenwerkingsverband kan, met het oog op de doelstelling, bedoeld in het tweede lid, een of meer orthopedagogisch-didactische centra inrichten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder een zodanige voorziening kan worden ingericht.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de procedure en de criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs of het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het praktijkonderwijs.
Het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat deskundigen in elk geval het samenwerkingsverband adviseren over het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs of de toelaatbaarheid van leerlingen tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de noodzakelijke deskundigheid.
Het samenwerkingsverband stelt een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb in, die adviseert over bezwaarschriften over besluiten van het samenwerkingsverband inzake de beoordeling of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs en de toelaatbaarheid van leerlingen tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs.
Het samenwerkingsverband is bevoegd gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken over leerlingen, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in het zevende lid, onderdelen b tot en met d. Het samenwerkingsverband verstrekt de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet aan derden, met uitzondering van het bevoegd gezag van de school waar de betrokken leerling is aangemeld of ingeschreven. Het samenwerkingsverband bewaart de gegevens op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor het samenwerkingsverband en de deskundigen, bedoeld in het veertiende lid. Het samenwerkingsverband bewaart de gegevens tot drie jaar na:
- a. de beoordeling of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs of van het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs;
- b. de advisering over de ondersteuningsbehoefte van de leerling aan het bevoegd gezag van de school waar de leerling is aangemeld of ingeschreven, of
- c. de toewijzing van ondersteuningsmiddelen of ondersteuningsvoorzieningen aan de school, voor zover het voor die toewijzing nodig was gegevens van de leerling als bedoeld in de eerste volzin te verwerken.
Het samenwerkingsverband kent aan elke beslissing als bedoeld in artikel 2.43, eerste lid, en aan elke toelaatbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, en artikel 40, twaalfde lid, WEC een volgnummer toe. Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als bedoeld in het zestiende lid, een afschrift aan de ouders.
Bevoegde gezagsorganen van tot dezelfde richting behorende scholen en scholen als bedoeld in de WEC waaraan voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 wordt verzorgd kunnen aangesloten blijven of kunnen zich aansluiten bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde op 31 oktober 2020. Op een landelijk samenwerkingsverband zijn het tweede, vierde, vijfde, zevende tot en met zeventiende en negentiende lid van overeenkomstige toepassing. Indien een bevoegd gezag scholen heeft met ten minste de richting van de scholen die behoren tot het landelijk samenwerkingsverband bepaalt het bevoegd gezag eenmalig of aansluiting bij het landelijk samenwerkingsverband wordt gevraagd. Het landelijk samenwerkingsverband beslist over de aansluiting.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de samenwerkingsverbanden.
Artikel 2.48. Mogelijkheid afwijken van landelijke criteria, procedure, duur en licenties
In afwijking van artikel 2.30, tweede lid, onderdelen a en b, artikel 2.43, eerste lid, en artikel 2.47, dertiende lid, kan het samenwerkingsverband regels stellen over:
- a. de criteria en de procedure om te beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs;
- b. de duur van deze beoordeling.
Het samenwerkingsverband kan in afwijking van artikel 4.8 een school die is aangesloten bij dit samenwerkingsverband, voordragen aan Onze Minister voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.
Voor gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is de instemming vereist van de bevoegde gezagsorganen met vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid.
Artikel 2.49. Taakverwaarlozing samenwerkingsverband
Indien Onze Minister van oordeel is dat het samenwerkingsverband zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum de noodzakelijke voorzieningen treffen.
De voorzieningen worden, behalve in spoedeisende gevallen, niet eerder getroffen dan nadat het samenwerkingsverband in de gelegenheid is gesteld om binnen een termijn, gesteld door Onze Minister, alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing in het geval de bevoegde gezagsorganen van de scholen, bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, niet of niet tijdig voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in dat artikel.
Paragraaf 5. Toetsen en eindexamens
Artikel 2.50. Reikwijdte
Deze paragraaf heeft betrekking op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo, en op praktijkonderwijs indien dat uitdrukkelijk is bepaald.
Artikel 2.51. Eindexamen
Het bevoegd gezag geeft de leerlingen de gelegenheid om het onderwijs af te sluiten met een eindexamen op de school, tenzij in de plaats daarvan de gelegenheid bestaat tot het afleggen van een eindexamen dat niet vanwege de school wordt afgenomen en het bevoegd gezag in verband hiermee een eindexamen aan de school niet nodig oordeelt.
Het bevoegd gezag kan personen die niet als leerling aan de school zijn ingeschreven, in de gelegenheid stellen een diploma te behalen door hen als extraneus tot het eindexamen toe te laten.
De rector of directeur en de examinatoren nemen het eindexamen af, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Examinatoren kunnen zijn de conrector, adjunct-directeur, leden van de centrale directie en leraren van de school.
Het bevoegd gezag kan een of meer deskundigen aanwijzen die het eindexamen ook afnemen, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toelating van een extraneus tot het eindexamen, waaronder de gevallen waarin een extraneus een financiële bijdrage is verschuldigd en de hoogte daarvan.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over examens die niet vanwege de school worden afgenomen.
Artikel 2.51a. De examensecretaris
De rector of directeur wijst een of meer van de personeelsleden van de school aan tot examensecretaris van het eindexamen.
De rector of directeur en de examensecretaris verrichten gezamenlijk de taken bedoeld in de artikelen 2.57, tweede lid, en 2.58, vierde lid.
De examensecretaris heeft de taak om de rector of directeur te ondersteunen bij:
- a. het organiseren en afnemen van het eindexamen;
- b. de uitvoering van het examenreglement, bedoeld in artikel 2.60, eerste lid;
- c. de uitvoering van het programma van toetsing en afsluiting, bedoeld in artikel 2.60a, eerste lid; en
- d. de verstrekking van de beoordeling van het schoolexamen, bedoeld in artikel 2.55a.
De rector of directeur stelt een taakomschrijving voor de examensecretaris vast waarin in ieder geval de taken bedoeld in het tweede en derde lid worden opgenomen.
De rector of directeur verstrekt de taakomschrijving aan het bevoegd gezag, aan de examensecretaris en aan de examencommissie.
De rector of directeur draagt er zorg voor dat het deskundig functioneren van de examensecretaris is gewaarborgd.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de taken van de examensecretaris.
Artikel 2.52. Afnametaal bij toetsen en examens
De toetsen en examens als onderdeel van het eindexamen worden afgenomen in het Nederlands.
Bij het afnemen van toetsen en examens kan een andere taal dan het Nederlands worden gebruikt als:
- a. de toetsen en examens betrekking hebben op die andere taal;
- b. dat noodzakelijk is vanwege de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs; of
- c. dat noodzakelijk is vanwege de herkomst van de leerlingen.
Het bevoegd gezag stelt voor de school een gedragscode vast voor het gebruik van een andere taal dan het Nederlands bij toetsen en examens in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c.
Artikel 2.53. Inhoud eindexamen
Het bevoegd gezag stelt de examenkandidaat in de gelegenheid met inachtneming van de bij of krachtens deze paragraaf gestelde bepalingen de vakken of andere programmaonderdelen waarin hij eindexamen aflegt te kiezen, voor zover het bevoegd gezag, al dan niet in samenwerking met het bevoegd gezag van een of meer andere scholen, de examenkandidaat in de gelegenheid heeft gesteld zich op het examen in die vakken voor te bereiden.
Het eindexamen bestaat voor elk vak of ander programmaonderdeel uit een schoolexamen of een centraal examen, of uit beide.
Het schoolexamen vwo, havo en vmbo wat de theoretische leerweg en de gemengde leerweg betreft, omvat een profielwerkstuk. Het profielwerkstuk is een werkstuk, een presentatie daaronder begrepen, waarin op geïntegreerde wijze kennis, inzicht en vaardigheden aan de orde komen die van betekenis zijn in het betrokken profiel.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:
- a. de vakken geregeld die het eindexamen in elk geval omvat en worden nadere regels gesteld over de keuze die de examenkandidaat kan of dient te maken uit vakken of andere onderdelen van het eindexamen;
- b. regels gesteld over de mogelijkheid dat de examenkandidaat die is ingeschreven voor de schoolsoort havo, mavo of vbo eindexamen aflegt in vervangende vakken van een hoger niveau dan de schoolsoort of leerweg van zijn inschrijving;
- c. regels gesteld over de mogelijkheid dat de examenkandidaat in extra vakken eindexamen aflegt;
- d. regels gesteld over de onderdelen die het eindexamen bovendien kan omvatten;
- e. regels gesteld over de vrijstelling voor en ontheffing van vakken of andere onderdelen van het eindexamen;
- f. nadere regels gesteld over het profielwerkstuk; en
- g. regels gesteld over de spreiding van het eindexamen voor examenkandidaten die in het laatste leerjaar wegens ziekte of een bijzondere, andere, van de wil van de kandidaat onafhankelijke omstandigheid niet in staat zijn geweest het onderwijs in alle betrokken vakken of andere programmaonderdelen te volgen.
Artikel 2.54. Examenprogramma’s
Bij ministeriële regeling wordt, behalve voor door het bevoegd gezag vast te stellen vakken die onderdeel zijn van het eindexamen, per schoolsoort en leerweg per vak of voor groepen vakken een examenprogramma vastgesteld.
Het examenprogramma bevat in elk geval:
- a. een omschrijving van de examenstof voor ieder eindexamenvak; en
- b. de verdeling van de examenstof over het schoolexamen en het centraal examen, indien in een vak zowel het schoolexamen als het centraal examen wordt afgenomen.
Bij de vaststelling van de examenprogramma’s voor Nederlandse taal en literatuur respectievelijk Nederlandse taal worden de referentieniveaus in acht genomen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
Artikel 2.55. Schoolexamen
Het bevoegd gezag beslist op welk tijdstip het schoolexamen begint.
Het schoolexamen wordt afgesloten voor het begin van het eerste tijdvak van het centraal examen.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het tijdstip van afsluiting van het schoolexamen in een vak in de gevallen dat:
- a. voor het centraal examen in dat vak op grond van de regels, bedoeld in artikel 2.56, derde lid, is afgeweken van de in artikel 2.56, eerste lid, bedoelde afnameperiodes voor het centraal examen; en
- b. het centraal examen in één of meer vakken op grond van de regels, bedoeld in artikel 2.56, vierde lid, wordt afgelegd in het voorlaatste leerjaar of het daaraan voorafgaande leerjaar.
Het bevoegd gezag kan een examenkandidaat die wegens ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen in één of meer vakken niet heeft kunnen afsluiten voor het begin van het eerste tijdvak van het centraal examen, in de gelegenheid stellen het schoolexamen in een vak af te sluiten voor het centraal examen in dat vak of in die vakken, maar na het begin van het eerste tijdvak.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het schoolexamen, waaronder regels over de wijze van examinering en de beoordeling.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de herkansing van een schoolexamen.
Artikel 2.55a. Verstrekking beoordeling schoolexamen
De rector of directeur verstrekt de beoordeling van het schoolexamen aan de examenkandidaat voor aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verstrekken van de beoordeling van het schoolexamen.
Artikel 2.56. Centraal examen
Het centraal examen heeft drie afnameperiodes. Deze worden aangeduid als eerste, tweede en derde tijdvak. Het tweede en derde tijdvak bieden de examenkandidaat volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels gelegenheid om het centraal examen alsnog te voltooien, dan wel het centraal examen te herkansen.
Het eerste en tweede tijdvak vallen in het laatste leerjaar. Het derde tijdvak is aansluitend op het laatste leerjaar.
Het College voor toetsen en examens kan volgens bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels bepalen dat voor een centraal examen wordt afgeweken van de afnameperiodes.
Het bevoegd gezag kan leerlingen volgens bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels de gelegenheid geven om in het voorlaatste leerjaar of in het daaraan voorafgaande leerjaar het centraal examen in een of meer vakken, maar niet in alle vakken, af te leggen.
In afwijking van artikel 2.51, derde lid, wordt het centraal examen in het derde tijdvak afgenomen door het College voor toetsen en examens. In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen kan het centraal examen ook in het tweede tijdvak door dit College worden afgenomen.
Op het examenwerk van het centraal examen vindt een tweede correctie plaats door een gecommitteerde. Bij ministeriële regeling kunnen examens of examenonderdelen worden aangewezen waarbij geen tweede correctie plaatsvindt.
De rector of directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. het afnemen, het beoordelen, het waarderen, het vaststellen van het cijfer en het herkansen van het centraal examen, en de gang van zaken over het centraal examen en de herkansing;
- b. het afnemen van het centraal examen door het College voor toetsen en examens in het tweede en derde tijdvak; en
- c. de aanwijzing, taak en werkwijze van gecommitteerden die de tweede correctie, bedoeld in het zesde lid, uitvoeren.
Artikel 2.57. Vaststelling uitslag eindexamen
De rector of directeur stelt de eindcijfers van het eindexamen vast.
De rector of directeur en de examensecretaris stellen de uitslag van het eindexamen vast. De uitslag luidt «geslaagd» of «afgewezen».
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. het vaststellen van de eindcijfers van en de uitslag voor het eindexamen; en
- b. het toekennen van het judicium cum laude.
Artikel 2.58. Diploma’s, getuigschriften, certificaten en cijferlijsten
De rector of directeur reikt op grond van de definitieve uitslag van het eindexamen aan elke examenkandidaat een cijferlijst uit.
De rector of directeur reikt uit:
- a. een diploma vwo, havo of vmbo aan de examenkandidaat die met goed gevolg het eindexamen heeft afgelegd van de desbetreffende schoolsoort;
- b. een diploma basisberoepsgerichte leerweg/leer-werktraject aan de examenkandidaat die met goed gevolg een leer-werktraject heeft afgesloten;
- c. een getuigschrift vmbo aan de examenkandidaat die met goed gevolg een gedeelte van het eindexamen in de basisberoepsgerichte leerweg heeft afgesloten; of
- d. een certificaat aan de examenkandidaat die is afgewezen voor het eindexamen vmbo, met goed gevolg een of meer vakken van dat eindexamen heeft afgesloten en de school verlaat.
De directeur reikt een schooldiploma praktijkonderwijs uit aan de leerling die een school voor praktijkonderwijs verlaat en naar het oordeel van de directeur in aanmerking komt voor het schooldiploma. De directeur baseert zijn oordeel op een reglement dat door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Een portfolio waarin de behaalde resultaten zijn opgenomen, maakt deel uit van het schooldiploma.
De rector of directeur en de examensecretaris tekenen de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor de cijferlijst, de diploma’s, het schooldiploma, het getuigschrift en het certificaat bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten als bedoeld in het eerste en tweede lid en de uitreiking daarvan;
- b. de verstrekking van vervangende opleidingsdocumenten; en
- c. de uitreiking van het diploma atheneum in plaats van het diploma gymnasium.
Artikel 2.59. Verklaring bij verlaten school en getuigschrift praktijkonderwijs
Het bevoegd gezag verstrekt aan de leerling die een school voor vwo, havo, mavo of vbo verlaat en aan wie geen diploma of getuigschrift wordt uitgereikt, een verklaring waarin in elk geval worden vermeld:
- a. het tijdstip waarop de leerling de school verlaat;
- b. het leerjaar waartoe de leerling het laatst onvoorwaardelijk was bevorderd; en
- c. voor welke vormen van vervolgonderwijs en voor welke leerjaren daarvan de leerling geschikt wordt gevonden.
Het bevoegd gezag verstrekt een verklaring aan de leerling die een deel van het programma heeft voltooid, een school voor praktijkonderwijs verlaat en aan wie niet op grond van artikel 2.58, derde lid, een schooldiploma wordt uitgereikt.
Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de verklaring, bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 2.60. Examenreglement: inhoud en vaststelling
Het bevoegd gezag stelt een examenreglement vast, dat in elk geval bevat:
- a. regels over de organisatie van het eindexamen en de gang van zaken tijdens het eindexamen;
- b. informatie over de toepassing van de maatregelen bedoeld in artikel 2.61, eerste lid;
- c. inhaal- en herkansingsmogelijkheden van het schoolexamen, waarbij in ieder geval wordt voorzien in een inhaalmogelijkheid voor de examenkandidaat die door ziekte of ten gevolge van een bijzondere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid niet in staat is geweest aan een of meer toetsen van het schoolexamen deel te nemen; en
- d. de samenstelling en het adres van de in artikel 2.63 bedoelde commissie van beroep.
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het examenreglement slechts afwijken van het voorstel, bedoeld in artikel 2.60e, eerste lid, onderdeel a:
- a. na overleg met de examencommissie; en
- b. indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd.
Het bevoegd gezag zendt de schriftelijke motivering, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk aan de examencommissie en de medezeggenschapsraad.
Het bevoegd gezag hoeft voor het vaststellen van het examenreglement de instemming van de medezeggenschapsraad van de school voor voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, WMS.
Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 oktober het vastgestelde examenreglement aan de kandidaten en de inspectie.
Artikel 2.60a. Programma van toetsing en afsluiting: de inhoud
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast voor het desbetreffende schooljaar.
Het programma van toetsing en afsluiting vermeldt in ieder geval:
- a. welke examenstof van het examenprogramma in het schoolexamen wordt getoetst;
- b. welke door het bevoegd gezag vast te stellen examenstof in het schoolexamen wordt getoetst;
- c. de inhoud van de toetsen die onderdeel uitmaken van het schoolexamen;
- d. de wijze waarop en tijdvakken waarbinnen de toetsen en herkansingen van het schoolexamen plaatsvinden;
- e. de regels voor de wijze waarop het cijfer voor het schoolexamen voor een examenkandidaat tot stand komt.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat ten aanzien van de toetsen die deel uitmaken van het schoolexamen, in het programma van toetsing en afsluiting duidelijk en herleidbaar wordt aangegeven welke toetsen bijdragen aan de afsluiting van:
- a. de verplichte examenstof van het examenprogramma die behoort bij het schoolexamen;
- b. de examenstof van het examenprogramma die behoort tot de verplichte examenstof van het centraal examen, maar die ook in het schoolexamen zal worden getoetst; en
- c. examenstof die is gekozen door het bevoegd gezag.
Artikel 2.60b. Programma van toetsing en afsluiting: vaststelling
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het programma van toetsing en afsluiting als bedoeld in artikel 2.60a, eerste lid, slechts afwijken van het voorstel van de examencommissie, bedoeld in artikel 2.60e, eerste lid, onderdeel b:
- a. na overleg met de examencommissie; en
- b. indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd.
Het bevoegd gezag zendt de schriftelijke motivering, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk aan de examencommissie en de medezeggenschapsraad.
Het bevoegd gezag behoeft voor het vaststellen van het programma van toetsing en afsluiting de instemming van de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, WMS.
Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 oktober het vastgestelde programma van toetsing en afsluiting voor het desbetreffende schooljaar aan de kandidaten en de inspectie.
Artikel 2.60c. Programma van toetsing en afsluiting: wijziging
Het bevoegd gezag kan het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober slechts wijzigen:
- a. in het geval van een bijzonder onvoorziene omstandigheid die leidt tot praktische onuitvoerbaarheid van het programma van toetsing en afsluiting; of
- b. ter verbetering van een kennelijke onjuistheid of kennelijke onvolledigheid in het programma van toetsing en afsluiting.
De examencommissie wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om te adviseren over een wijziging als bedoeld in het eerste lid.
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting slechts afwijken van het advies van de examencommissie:
- a. na overleg met de examencommissie; en
- b. indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd.
Het derde en vierde lid van artikel 2.60b zijn van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober.
Artikel 2.60d. Benoeming en samenstelling van de examencommissie
Het bevoegd gezag:
- a. stelt een of meer examencommissies in ten behoeve van de borging van de kwaliteit van de schoolexaminering;
- b. benoemt de leden van de examencommissie; en
- c. draagt zorg voor het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie.
De examencommissie heeft een oneven aantal leden en ten minste drie leden.
Niet kunnen worden benoemd tot lid van de examencommissie:
- a. leden van het bevoegd gezag;
- b. de directeur van de school;
- c. leden van de medezeggenschapsraad of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de school als bedoeld in de artikelen 3 en 4 WMS;
- d. leerlingen van de school of hun wettelijk vertegenwoordigers.
Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de examencommissie deskundig is op het gebied van:
- a. de desbetreffende schoolsoort;
- b. de regelgeving over examinering in het voortgezet onderwijs; en
- c. de kwaliteit van examinering.
Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het bevoegd gezag de overige leden van de examencommissie.
Artikel 2.60e. Taken en bevoegdheden van de examencommissie
De examencommissie heeft voor de borging van de kwaliteit van de schoolexaminering de volgende taken en bevoegdheden:
- a. het opstellen van een voorstel voor een examenreglement als bedoeld in artikel 2.60 voor het bevoegd gezag;
- b. het jaarlijks opstellen van een voorstel voor een programma van toetsing en afsluiting als bedoeld in artikel 2.60a voor het bevoegd gezag;
- c. het borgen van het afsluitend karakter en de kwaliteit van het schoolexamen;
- d. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen om te komen tot een beoordeling van het schoolexamen; en
- e. overige door het bevoegd gezag aan de commissie opgedragen taken en bevoegdheden.
De examencommissie stelt regels vast over haar werkwijze.
De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden.
De examencommissie evalueert jaarlijks de kwaliteit van de schoolexaminering en stelt een advies op aan het bevoegd gezag en de directeur over noodzakelijke en wenselijke verbeteringen.
De examencommissie verstrekt de regels over haar werkwijze, het verslag, de evaluatie en het advies, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, aan het bevoegd gezag, aan de directeur en aan de examensecretaris van een school.
Artikel 2.61. Onregelmatigheden; onvoorziene omstandigheden; maatregelen
Indien een examenkandidaat zich bij een onderdeel van het eindexamen of bij een aanspraak op ontheffing aan een onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, of zonder geldige reden afwezig is op het eindexamen, kan de rector of directeur van de school maatregelen nemen.
Indien het centraal examen naar het oordeel van de inspectie niet op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden, kan zij besluiten dat het geheel of gedeeltelijk voor een of meer examenkandidaten opnieuw wordt afgenomen. In dat geval stelt het College voor toetsen en examens op verzoek van de inspectie nieuwe opgaven vast en bepaalt het College op welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.
Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen in een of meer vakken aan een of meer scholen niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, besluit Onze Minister op welke wijze wordt gehandeld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over onregelmatigheden inzake het eindexamen.
Artikel 2.62. Intrekking examenbevoegdheid
Onze Minister kan beslissen dat het bevoegd gezag voor een periode van twee jaren leerlingen niet in de gelegenheid stelt een eindexamen op de school af te leggen in een schoolsoort of leerweg, indien het gemiddelde verschil tussen de cijfers van het centraal examen en het schoolexamen in die schoolsoort of leerweg, gemeten over een periode van drie jaren, groter is dan een half punt.
Onze Minister neemt deze beslissing niet eerder dan drie jaren nadat het bevoegd gezag de gelegenheid heeft gehad om het gemiddelde verschil terug te brengen tot een half punt of minder.
Artikel 2.63. Administratief beroep bij besluiten inzake maatregelen
Een examenkandidaat of diens wettelijk vertegenwoordiger kan tegen een besluit van de rector of directeur als bedoeld in artikel 2.61, eerste lid, administratief beroep instellen bij een commissie van beroep voor de eindexamens die is ingesteld door het bevoegd gezag. De rector of directeur heeft geen zitting in deze commissie.
In afwijking van artikel 6:7 Awb is de termijn voor het indienen van het beroepschrift vijf dagen.
In afwijking van artikel 7:24, eerste, tweede, en vierde tot en met zevende lid, Awb beslist de commissie van beroep voor de eindexamens binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift. Zij kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het besluit van de commissie van beroep voor de eindexamens.
Artikel 2.64. Voorziening bij beslissingen inzake maatregelen
Een examenkandidaat of diens wettelijk vertegenwoordiger kan tegen een beslissing van de rector of directeur als bedoeld in artikel 2.61, eerste lid, die geen besluit is als bedoeld in de Awb, voorziening vragen bij de commissie van beroep voor de eindexamens. De rector of directeur heeft geen zitting in deze commissie.
De termijn voor het indienen van het verzoekschrift is vijf dagen, met ingang van de dag na die waarop de beslissing aan de leerling is uitgereikt of toegezonden.
De commissie van beroep voor de eindexamens beslist binnen twee weken na ontvangst van het verzoekschrift. Zij kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beslissing van de commissie van beroep voor de eindexamens.
Artikel 2.65. Hardheidsclausule
Onze Minister kan regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over eindexamens, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing van die regels gelet op het belang dat deze regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Paragraaf 6. Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Artikel 2.66. Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Onze Minister kan op aanvraag een niet uit ’s Rijks kas bekostigde school waarvan de cursusduur, de opdracht tot bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie, het schoolplan en de bevoegdheid van de leraren overeenkomen met die van een uit ’s Rijks kas bekostigde school voor vwo, havo, mavo of vbo, aanwijzen als bevoegd om aan leerlingen die met goed gevolg een eindexamen aan de school afleggen, het diploma uit te reiken, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid.
Artikel 2.62 is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid om het eindexamen af te nemen.
De bij of krachtens paragraaf 5 van dit hoofdstuk gestelde bepalingen zijn op het eindexamen van toepassing.
Artikel 2.67. Aanvraag tot aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 2.66, eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt:
- a. het schoolplan van de school;
- b. bewijsstukken dat de leraren voldoen aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 7.44; en
- c. de statuten en het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de school in stand houdt.
Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.
Artikel 2.68. Toepasselijke regels aangewezen school met examenbevoegdheid
Het schoolplan van een school die op grond van artikel 2.66, eerste lid, is aangewezen, voldoet in elk geval aan de regels die zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 2.2, 2.12 tot en met 2.27, 2.37, 2.38, en 2.88 tot en met 2.91.
De naam van de school vermeldt de schoolsoort waarin het onderwijs aan de school wordt aangeboden.
De voorwaarden voor de toelating tot de school zijn in elk geval gelijk aan de voorwaarden die voor de toelating zijn vastgesteld op grond van de artikelen 8.4 en 8.16.
Artikel 2.94 is van overeenkomstige toepassing.
Het bevoegd gezag meldt wijziging van het schoolplan onmiddellijk aan de inspectie.
Artikel 2.69. Overige regels aangewezen school met examenbevoegdheid
Op een school die is aangewezen op grond van artikel 2.66, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen:
- a. 5.38;
Artikel 2.70. Intrekking aanwijzing
Onze Minister kan de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.66, eerste lid, intrekken indien:
- a. niet meer wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.66, 2.68 en 2.69, met uitzondering van onderdeel d, en 2.109;
- b. niet of niet meer is voldaan aan de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste, derde en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers;
- c. misbruik van de aanwijzing is gebleken; of
- d. het bevoegd gezag of het personeel van de school in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, Awb.
Artikel 2.71. Aanwijzing scholen voortgezet speciaal onderwijs met examenbevoegdheid
Op scholen als bedoeld in artikel 1 WEC waar voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 2.66, 2.67, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 2.68, 2.70, 2.109, 2.109a en 9.3.
Op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs die door Onze Minister zijn aangewezen op grond van het eerste lid, juncto artikel 2.66, zijn van overeenkomstige toepassing:
- a. de bij of krachtens de artikelen 2.26, derde lid, 2.32 en 2.106 gestelde bepalingen; en
- b. de artikelen 2.102, vijfde en zevende lid, onderdeel b, 2.103 tot en met 2.105, 2.107, 2.107a tot en met 2.107l en 5.45, voor zover het gaat om de basisberoepsgerichte leerweg van het vbo.
Onze Minister kan, onverminderd artikel 2.70, de aanwijzing intrekken indien niet meer wordt voldaan aan het tweede lid.
Voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld die afwijken van de op grond van het eerste en tweede lid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs in aanvulling op de kerndoelen die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.13 kerndoelen worden vastgesteld. Daarbij kan worden bepaald dat het onderwijs na de eerste twee leerjaren ook wordt verzorgd op basis van de kerndoelen die zijn vastgesteld op grond van dit lid.
Voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs kunnen provinciale staten van Fryslân bij verordening kerndoelen Friese taal en cultuur vaststellen in afwijking van de kerndoelen Friese taal en cultuur die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.16. De artikelen 2.15 tot en met 2.17 zijn van overeenkomstige toepassing op de verordening.
Indien een aanvraag op grond van het eerste lid betrekking heeft op het vbo, geeft het bevoegd gezag in de aanvraag aan in welke profielen, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, het onderwijs wordt verzorgd.
Paragraaf 7. Staatsexamens
Artikel 2.72. Staatsexamens en deelstaatsexamens
Het College voor toetsen en examens geeft degenen die zich daarvoor hebben aangemeld, en, indien van toepassing, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels voor toelating tot het staatsexamen, jaarlijks de gelegenheid om een staatsexamen vwo, havo of vmbo of een daarvan onderdeel uitmakend deelstaatsexamen af te leggen.
Het staatsexamen vindt op één van de volgende wijzen plaats:
- a. het afleggen van het staatsexamen ten overstaan van het College voor toetsen en examens; of
- b. het overleggen aan het College voor toetsen en examens van bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bewijsstukken ter verkrijging van een diploma, al dan niet in combinatie met het ten overstaan van het College voor toetsen en examens afleggen van het staatsexamen in een of meer vakken.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke andere staatsexamens dan bedoeld in het eerste lid kunnen worden afgelegd voor het College voor toetsen en examens. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over deze andere staatsexamens.
Examenkandidaten zijn voor het afleggen van een staatsexamen of deelstaatsexamen een financiële bijdrage verschuldigd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over deze bijdrage en de betaling daarvan. Examenkandidaten die zijn ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs zijn geen bijdrage verschuldigd.
Indien de examenkandidaat is ingeschreven op een school of een instelling als bedoeld in de WEB of WEB BES waarvan de examenbevoegdheid is ingetrokken op grond van artikel 2.62 van deze wet respectievelijk op grond van artikel 6a.2.1 WEB of artikel 6.2.2a WEB BES, is de financiële bijdrage niet verschuldigd door de examenkandidaat maar door het bevoegd gezag van die school of instelling.
De mondelinge onderdelen van het staatsexamen worden in het openbaar afgenomen.
Degene die is afgewezen voor het eindexamen van een school of van een school voor voortgezet speciaal onderwijs, wordt niet toegelaten tot het overeenkomstige staatsexamen in hetzelfde jaar.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aanmelding voor en toelating tot het staatsexamen en het deelstaatsexamen.
Artikel 2.73. Identificatie bij staatsexamen
Een ieder die aan het staatsexamen of deelstaatsexamen deelneemt, is verplicht op verzoek van degenen die de examens afnemen of daarop toezicht houden een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.
Artikel 2.74. Afnametaal bij toetsen en examens
De toetsen en examens als onderdeel van het staatsexamen of deelstaatsexamen worden afgenomen in het Nederlands.
Bij het afnemen van de toetsen en examens kan een andere taal dan het Nederlands worden gebruikt als:
- a. de toetsen en examens betrekking hebben op die andere taal;
- b. dat noodzakelijk is vanwege de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs; of
- c. dat noodzakelijk is vanwege de herkomst van de kandidaten.
Het College voor toetsen en examens stelt een gedragscode vast voor het gebruik van een andere taal dan het Nederlands bij toetsen of examens in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c.
Artikel 2.75. Inhoud staatsexamen en deelstaatsexamen
Het College voor toetsen en examens stelt de examenkandidaat in de gelegenheid met inachtneming van de bij of krachtens deze paragraaf gestelde bepalingen de vakken te kiezen waarin hij staatsexamen of deelstaatsexamen aflegt.
Het staatsexamen vmbo in de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg omvat geen beroepsgerichte vakken.
Het staatsexamen of deelstaatsexamen bestaat voor elk vak uit een college-examen of een centraal examen, of uit beide.
Het college-examen vwo, havo en vmbo in de theoretische leerweg of gemengde leerweg omvat een profielwerkstuk als bedoeld in artikel 2.53, derde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:
- a. regels gesteld over de vakken van het staatsexamen en de keuze van de kandidaat voor de vakken waarin hij staatsexamen of deelstaatsexamen aflegt;
- b. regels gesteld over de vrijstelling voor en ontheffing van vakken of andere onderdelen van het staatsexamen; en
- c. nadere regels gesteld over het profielwerkstuk.
Artikel 2.76. Examenprogramma’s
De staatsexamens en deelstaatsexamens worden afgenomen op basis van de examenprogramma’s vwo, havo en vmbo die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.54.
Voor het college-examen geldt dat:
- a. keuzes die volgens een examenprogramma als bedoeld in het eerste lid, moeten of kunnen worden gemaakt door de school, worden gemaakt door het College voor toetsen en examens; en
- b. het College voor toetsen en examens kan afwijken van regels over het schoolexamen die om praktische redenen in het college-examen niet uitvoerbaar zijn, met dien verstande dat het college-examen zoveel mogelijk gelijkwaardig blijft aan het schoolexamen.
Artikel 2.77. College-examen
Het college-examen wordt afgenomen door het College voor toetsen en examens.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het college-examen, waaronder regels over de wijze van examinering en het beoordelen van het college-examen.
Artikel 2.78. Centraal examen van staatsexamen
Het centraal examen van het staatsexamen heeft in elk kalenderjaar drie afnameperiodes. Deze worden aangeduid als eerste, tweede en derde tijdvak. Het tweede en derde tijdvak bieden volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels gelegenheid om het centraal examen van het staatsexamen alsnog te voltooien, dan wel het centraal examen te herkansen. Het College voor toetsen en examens kan bepalen dat een centraal examen op een ander tijdstip plaatsvindt.
Het examenwerk voor het centraal examen wordt beoordeeld door twee of, indien het College voor de toetsen en examens dit noodzakelijk acht, drie correctoren. Het College voor toetsen en examens wijst hen aan.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. het afnemen, beoordelen, vaststellen van het cijfer en herkansen van het centraal examen, en de gang van zaken betreffende het centraal examen en de herkansing;
- b. de mogelijkheid van een vierde afnameperiode; en
- c. de werkwijze van de correctoren, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2.79. Vaststelling van de uitslag
Het College voor toetsen en examens stelt vast:
- a. de eindcijfers voor het staatsexamen of deelstaatsexamen, indien dit staatsexamen of deelstaatsexamen is afgelegd ten overstaan van het College voor toetsen en examens; en
- b. de uitslag van het staatsexamen.
De uitslag van het staatsexamen wordt vastgesteld op basis van:
- a. de eindcijfers, bedoeld in het eerste lid; of
- b. de bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.72, tweede lid, onder b.
De uitslag luidt «geslaagd» of «afgewezen».
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. het vaststellen van de eindcijfers van het staatsexamen en het deelstaatsexamen;
- b. de uitslag van het staatsexamen; en
- c. het toekennen van het judicium cum laude.
Artikel 2.80. Diploma’s, certificaten en cijferlijsten
Het College voor toetsen en examens reikt op grond van de definitieve uitslag van het staatsexamen of deelstaatsexamen aan elke examenkandidaat een cijferlijst uit.
Het College voor toetsen en examens draagt er zorg voor dat op grond van de definitieve uitslag wordt uitgereikt:
- a. het diploma vwo, havo of vmbo aan de examenkandidaat die met goed gevolg het staatsexamen heeft afgelegd van de betrokken schoolsoort of leerweg; of
- b. een certificaat aan de examenkandidaat die met goed gevolg een deelstaatsexamen heeft afgelegd.
Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor de cijferlijst, de diploma’s en het certificaat, bedoeld in het tweede lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. cijferlijsten, diploma’s en certificaten als bedoeld in het eerste en tweede lid, en de uitreiking daarvan; en
- b. de verstrekking van vervangende opleidingsdocumenten.
Artikel 2.81. Examenreglement; programma van toetsing en afsluiting
Het College voor toetsen en examens stelt een examenreglement vast, dat in elk geval bevat:
- a. regels over de organisatie van het staatsexamen en deelstaatsexamen en de gang van zaken tijdens deze examens;
- b. informatie over de maatregelen, bedoeld in artikel 2.82, en de toepassing daarvan; en
- c. regels over de herkansingsmogelijkheden van het college-examen en het centraal examen.
Het College voor toetsen en examens stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast voor de examinering in het daaropvolgende jaar. Het programma vermeldt per vak in elk geval:
- a. de onderdelen van het examenprogramma die worden getoetst;
- b. de inhoud van de verschillende onderdelen;
- c. de wijze en de tijdstippen waarop het centraal examen en de toetsen van het college-examen plaatsvinden, en de duur van de toetsen;
- d. de wijze van herkansing;
- e. de verhindering voor het college-examen; en
- f. de wijze waarop voor een examenkandidaat het cijfer voor het college-examen tot stand komt.
Het College voor toetsen en examens zendt het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting voor 1 januari aan de inspectie en draagt er zorg voor dat ze bij de bevestiging van de aanmelding aan de eindexamenkandidaten worden verstrekt.
Artikel 2.82. Onregelmatigheden; onvoorziene omstandigheden; maatregelen
Indien een examenkandidaat zich bij een onderdeel van het staatsexamen of deelstaatsexamen of bij een aanspraak op ontheffing aan een onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan het College voor toetsen en examens maatregelen nemen.
De examenkandidaat die onaangekondigd afwezig is bij het centraal examen in een vak, dan wel met aankondiging maar zonder een door het College voor toetsen en examens aanvaarde reden, afwezig is bij enig onderdeel van het staatsexamen of deelstaatsexamen, is uitgesloten van verdere deelname aan het centraal examen in dat vak en ook van deelname aan het college-examen in het desbetreffende vak.
Indien het centraal examen van het staatsexamen naar het oordeel van de inspectie niet op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden, kan zij besluiten dat het geheel of gedeeltelijk voor een of meer examenkandidaten opnieuw wordt afgenomen. In dat geval stelt het College voor toetsen en examens op verzoek van de inspectie nieuwe opgaven vast en bepaalt het College op welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.
Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen van het staatsexamen in een of meer vakken niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, besluit het College voor toetsen en examens op welke wijze wordt gehandeld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over maatregelen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.83. Bezwaar bij College voor toetsen en examens
In afwijking van artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit over het deelnemen aan staatsexamens of tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.82, eerste lid, vijf dagen.
In afwijking van artikel 7:24, eerste, tweede, en vierde tot en met zevende lid, Awb beslist het College voor toetsen en examens binnen twee weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Het College voor toetsen en examens kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beslissing van het College voor toetsen en examens op het bezwaarschrift.
Artikel 2.84. Uitvoeringsregels over het staatsexamen
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de documenten van het staatsexamen, de verstrekking van informatie en gegevens aan de inspectie, de gegevensverstrekking aan Onze Minister over de afgelegde staatsexamens en deelstaatsexamens en het bewaren van het examenwerk.
Artikel 2.85. Hardheidsclausule
Het College voor toetsen en examens kan regels over staatsexamens en deelstaatsexamens die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op de bijzondere functie van het staatsexamen en het deelstaatsexamen ook voor kandidaten die in bijzondere omstandigheden verkeren, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Paragraaf 8. Andere vormen van voortgezet onderwijs
Artikel 2.86. Instellingen voor voortgezet onderwijs
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen instellingen worden aangewezen die ander voortgezet onderwijs geven dan voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en die voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking komen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)