Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-19
State In force
Source BWB
artikelen 454
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Dit werkveldspecifieke certificatieschema wordt aangeduid als WSCS-WOD-B. Het certificatieschema is door de Stichting werken onder overdruk (SWOD), als beheerstichting goedgekeurd en aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het schema vast. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit schema vervangt eerdere versies. Op- en aanmerkingen over het certificatieschema kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’.

De risico’s bij het verrichten van duikwerkzaamheden liggen op het gebied van:

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in water op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn. In de praktijk blijken de naleving van voorschriften in wet- en regelgeving en het gebruik van deugdelijk duik- en caissonmaterieel de belangrijkste factoren ter voorkoming van incidenten te zijn.

De risico’s bij het verrichten van duikwerkzaamheden liggen op het gebied van:

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in water op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn. In de praktijk blijken de naleving van voorschriften in wet- en regelgeving en het gebruik van deugdelijk duik- en caissonmaterieel de belangrijkste factoren ter voorkoming van incidenten te zijn.

Deze incidenten kunnen verder worden voorkomen door:

De persoon die duikarbeid verricht, is afhankelijk van materieel en van de andere leden van de duikploeg. De duiklocatie is vaak ver verwijderd van medische assistentie en in relatie tot duiken kunnen specifieke complicaties optreden. De duikmedisch begeleider in de duikploeg is in staat om in het geval van calamiteiten onmiddellijk assistentie te verlenen.

Een meer omvangrijke risicoanalyse is opgenomen in het document Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op de certificerende instellingen belast met persoonscertificatie op het gebied van werken onder overdruk (WDAT-WOD-P).

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

De aanvrager dient in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag in voor het Persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider bij een certificerende instelling (CKI). Vervolgens verstrekt de certificerende instelling alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de certificerende instelling die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

De aanvrager dient in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag in voor het Persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider bij een certificerende instelling (CKI). Vervolgens verstrekt de certificerende instelling alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

De geldigheidsduur van het certificaat beperkt duikmedische begeleider (EHBO duikarbeid), duikmedisch begeleider (mad A) en uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) is op grond van de risicoanalyse twee kalenderjaren. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Na vier jaar volgt de certificaathouder een herhalingsopleiding en moet opnieuw een theorie- en praktijkexamen afleggen. De herhalingsopleiding en examinering is noodzakelijk, omdat de vakbekwaamheid verrichtingen betreft die slechts in noodsituaties worden toegepast en waarin de certificaathouder normaliter geen praktijkervaring opdoet. Voor de uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) is de geldigheid op basis van andere wet en regelgeving beperkt tot 1 jaar vanwege de voorbehouden medische handelingen.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de certificerende instelling die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden nadere condities gesteld. Als niet aan de condities wordt voldaan, dan heeft dat consequenties voor het certificaat. De condities en de wijze van toezicht daarop door de certificerende instelling worden beschreven in deel II van het certificatieschema.

De geldigheidsduur van het certificaat beperkt duikmedische begeleider (EHBO duikarbeid), duikmedisch begeleider (mad A) en uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) is op grond van de risicoanalyse twee kalenderjaren. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Na vier jaar volgt de certificaathouder een herhalingsopleiding en moet opnieuw een theorie- en praktijkexamen afleggen. De herhalingsopleiding en examinering is noodzakelijk, omdat de vakbekwaamheid verrichtingen betreft die slechts in noodsituaties worden toegepast en waarin de certificaathouder normaliter geen praktijkervaring opdoet. Voor de uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) is de geldigheid op basis van andere wet en regelgeving beperkt tot 1 jaar vanwege de voorbehouden medische handelingen.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden nadere condities gesteld. Als niet aan de condities wordt voldaan, dan heeft dat consequenties voor het certificaat. De condities en de wijze van toezicht daarop door de certificerende instelling worden beschreven in deel II van het certificatieschema.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Algemeen:

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

De certificerende instelling registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de certificerende instelling zal voorschrijven welk digitale formaat de toelevering van gegevens moet hebben, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. De beheerstichting is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

De certificerende instelling registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de certificerende instelling zal voorschrijven welk digitale formaat de toelevering van gegevens moet hebben, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. De beheerstichting is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

De certificerende instelling registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de certificerende instelling zal voorschrijven welk digitale formaat de toelevering van gegevens moet hebben, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. De beheerstichting is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

Het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ moet zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, certificerende instellingen of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan moeten afwijkende interpretaties worden voorgelegd aan het college.

De certificerende instelling registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de certificerende instelling zal voorschrijven welk digitale formaat de toelevering van gegevens moet hebben, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. De beheerstichting is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

De kandidaat die beschikt over een certificaat waarvan de geldigheidsduur is verlopen en/of niet voldoet aan de eisen gesteld aan de procedure tot hercertificatie, moet een initiële certificatie aanvragen. De CKI gaat dan over tot het vaststellen van het theorie-examen en/of praktijkexamen waarmee de vakbekwaamheid van de kandidaat kan worden getoetst. De kandidaat voor uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) dient een praktijkstage in een ziekenhuis te volgen om voorbehouden handelingen te mogen doen gevolgd door een pratijkexamen door de begeleidend arts. De kandidaat dient in elk geval te voldoen aan de gestelde entree-eisen.

Het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ moet zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, certificerende instellingen of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan moeten afwijkende interpretaties worden voorgelegd aan het college.

De CKI houdt hierbij rekening met het volgende:

De kandidaat die beschikt over een certificaat waarvan de geldigheidsduur is verlopen en/of niet voldoet aan de eisen gesteld aan de procedure tot hercertificatie, moet een initiële certificatie aanvragen. De CKI gaat dan over tot het vaststellen van het theorie-examen en/of praktijkexamen waarmee de vakbekwaamheid van de kandidaat kan worden getoetst. De kandidaat voor uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) dient een praktijkstage in een ziekenhuis te volgen om voorbehouden handelingen te mogen doen gevolgd door een pratijkexamen door de begeleidend arts. De kandidaat dient in elk geval te voldoen aan de gestelde entree-eisen.

De CKI houdt hierbij rekening met het volgende:

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het Persoonscertificaat duikmedisch begeleider (WSCS-WOD-B).

Het examenreglement is onderdeel van WSCS-WOD-B. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de certificerende instelling en bestaat uit de volgende onderdelen:

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het Persoonscertificaat duikmedisch begeleider (WSCS-WOD-B).

Het examenreglement is onderdeel van WSCS-WOD-B. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de certificerende instelling en bestaat uit de volgende onderdelen:

Het examen wordt door de certificerende instelling afgenomen.

Het examenpersoneel moet voldoen aan de algemene en vakinhoudelijk eisen alsmede onafhankelijkheidseisen die zijn gesteld in het Werkveldspecifieke document voor aan wijzing en toezicht voor certificerende instellingen bij persoonscertificatie (WDAT-WOD-P).

De certificerende instelling stelt haar werkwijze rond de examens nader vast in een uitvoeringsbesluit ten aanzien van het examenreglement. Het uitvoeringsbesluit bevat ten minste de volgende bepalingen:

In aanvulling op het WDAT-WOD-P gelden voor de examinator die betrokken is bij de beoordeling van de demonstratie van praktische vaardigheden en het praktijkeindexamen de volgende eisen, waaruit de deskundigheid blijkt:

Het examenpersoneel moet voldoen aan de algemene en vakinhoudelijk eisen alsmede onafhankelijkheidseisen die zijn gesteld in het Werkveldspecifieke document voor aan wijzing en toezicht voor certificerende instellingen bij persoonscertificatie (WDAT-WOD-P).

In aanvulling op het WDAT-WOD-P gelden voor de examinator die betrokken is bij de beoordeling van de demonstratie van praktische vaardigheden en het praktijkeindexamen de volgende eisen, waaruit de deskundigheid blijkt:

De medewerkers van de certificerende instelling dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven. De handhaving van de geheimhouding geschiedt vanuit de certificerende instelling.

De eisen die gesteld worden aan de examenlocatie voor het theorie-examen zijn:

De medewerkers van de certificerende instelling dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven. De handhaving van de geheimhouding geschiedt vanuit de certificerende instelling.

De eisen ten aanzien van de examenmiddelen voor het theorie-examen zijn:

De eisen die gesteld worden aan de examenlocatie voor het theorie-examen zijn:

De eisen ten aanzien van de examenmiddelen voor het theorie-examen zijn:

Het theorie-examen wordt afgenomen in de Nederlandse taal. Het theorie-examen wordt in beginsel schriftelijk afgenomen. Het afnemen van een examen op andere wijze behoeft voorafgaande instemming van het Centraal College van Deskundigen. Op indicatie van de certificerende instelling wordt het examen bij kandidaten met buitenlandse voorkwalificaties afgenomen in de Engelse taal.

De eisen ten aanzien van de faciliteiten voor het praktijkexamen worden uitgewerkt door de certificerende instelling. De certificerende instelling ziet toe op de juiste inrichting, het onderhoud en juiste gebruik van de faciliteiten. De certificerende instelling kan hiertoe controles uitvoeren.

Het toezicht heeft tot doel om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De certificerende instelling is verplicht te beoordelen of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen. Alhoewel de certificerende instelling normaliter geen tussentijds toezicht uitvoert vanwege de beperkte geldigheidsduur van twee kalenderjaren, moet de certificerende instelling wel tussentijds toezicht uitvoeren. Voor de uitgebreid duikmedisch begeleider is op grond van andere wet en regelgeving een doorlopende jaarlijkse beroepservaring geëist om voorbehouden medische handelingen te mogen uitvoeren. De CKI dient hierop tussentijds toezicht uit te voeren. Deze situaties zijn nader uitgewerkt in paragraaf 6.2. De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de certificerende instelling, de nationale accreditatie-instelling en de Inspectie SZW.

In de overeenkomst tussen de certificerende instelling en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

Het toezicht heeft tot doel om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De certificerende instelling is verplicht te beoordelen of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen. Alhoewel de certificerende instelling normaliter geen tussentijds toezicht uitvoert vanwege de beperkte geldigheidsduur van twee kalenderjaren, moet de certificerende instelling wel tussentijds toezicht uitvoeren. Voor de uitgebreid duikmedisch begeleider is op grond van andere wet en regelgeving een doorlopende jaarlijkse beroepservaring geëist om voorbehouden medische handelingen te mogen uitvoeren. De CKI dient hierop tussentijds toezicht uit te voeren. Deze situaties zijn nader uitgewerkt in paragraaf 6.2. De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de certificerende instelling, de nationale accreditatie-instelling en de Nederlandse Arbeidsinspectie.

In de overeenkomst tussen de certificerende instelling en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Na twee kalenderjaren volgt de certificaathouder een herhalingsopleiding en moet opnieuw een theorie- en praktijkexamen afleggen. De herhalingsopleiding en examinering is noodzakelijk, omdat de vakbekwaamheid verrichtingen betreft die slechts in noodsituaties worden toegepast en waarin de certificaathouder normaliter geen praktijkervaring opdoet.

De CKI voert indien nodig tussentijdse controles uit. De CKI moet een certificaathouder in elk geval tussentijds controleren in de volgende situaties:

De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Na twee kalenderjaren volgt de certificaathouder een herhalingsopleiding en moet opnieuw een theorie- en praktijkexamen afleggen. De herhalingsopleiding en examinering is noodzakelijk, omdat de vakbekwaamheid verrichtingen betreft die slechts in noodsituaties worden toegepast en waarin de certificaathouder normaliter geen praktijkervaring opdoet.

De CKI maakt een plan voor de uitvoering van een controle zoals bedoeld in paragraaf 6.2.

Het plan beschrijft ten minste:

De CKI maakt een plan voor de uitvoering van een controle zoals bedoeld in paragraaf 6.2.

Het plan beschrijft ten minste:

Het plan wordt schriftelijk aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. De certificaathouder moet binnen zes weken na de aankondiging zijn medewerking verlenen aan de uitvoering van de controle.

Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen en beschrijft tevens het tijdstip en de locatie van de controle.

Indien de certificerende instelling de beoordeling van een praktijkverrichting noodzakelijk acht, dan moet de keuze van de vereiste verrichting beargumenteerd in verhouding staan tot de aanleiding voor de controle en de eindtermen en toetstermen van het certificatieschema.

Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen en beschrijft tevens het tijdstip en de locatie van de controle.

De praktijkverrichting die in de controle betrokken wordt, moet worden beoordeeld volgens de eisen van het certificatieschema.

Het verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Tegen de eventueel opgelegde maatregel kan de certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening indienen.

De certificerende instelling maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de controles in het kader van het tussentijds toezicht. In het verslag wordt ingegaan op:

Het verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Tegen de eventueel opgelegde maatregel kan de certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening indienen.

De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien blijkt dat de certificaathouder een tijdelijke tekortkoming zoals bedoeld onder punt 2 en 3 heeft, dan wordt hij binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. De schorsing wordt opgeheven, indien de certificaathouder de tekortkoming heeft gecorrigeerd.

De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien blijkt dat de certificaathouder een tijdelijke tekortkoming zoals bedoeld onder punt 2 en 3 heeft, dan wordt hij binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. De schorsing wordt opgeheven, indien de certificaathouder de tekortkoming heeft gecorrigeerd.

De schorsing wordt verder opgeheven, indien de certificaathouder heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd onder punt 1 en 4 of het misbruik van het beeldmerk heeft gestaakt en de eventuele schade heeft hersteld. De schorsing alsmede de opheffing van de schorsing wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, moet dezelfde procedure doorlopen worden als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie moet de certificerende instelling aangeven en registreren dat na één kalenderjaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling moet voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register verifiëren of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

De certificerende instelling besluit tot intrekking van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, moet dezelfde procedure doorlopen worden als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie moet de certificerende instelling aangeven en registreren dat na één kalenderjaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling moet voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register verifiëren of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

De intrekking wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De weigering van een hercertificatie wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot weigering van een certificaat, indien de certificaathouder:

De weigering van een hercertificatie wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De vakbekwaamheid die gecertificeerd wordt, betreft de deelname aan een duikploeg als duikmedisch begeleider. De duikmedisch begeleider ondersteunt de duiker bij het verrichten van duikarbeid. Onder duikarbeid wordt in dit document verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

De certificerende instelling moet onmiddellijk bij de Nederlandse Arbeidsinspectie melding maken van de haar bekende feiten ten aanzien van een kandidaat of certificaathouder in de volgende gevallen:

De duikploeg, die de duiker ondersteunt bij het verrichten van duikarbeid bestaat ten minste uit de duiker, een reserveduiker en een duikploegleider. In de duikploeg moet tevens een persoon met de kwalificaties als duikmedisch begeleider aanwezig zijn. Meestal treedt de duikploegleider als duikmedisch begeleider op, maar deze functie kan ook door een ander lid van de duikploeg niet zijnde de duiker of de reserveduiker worden waargenomen.

De vakbekwaamheid die gecertificeerd wordt, betreft de deelname aan een duikploeg als duikmedisch begeleider. De duikmedisch begeleider ondersteunt de duiker bij het verrichten van duikarbeid. Onder duikarbeid wordt in dit document verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

De duikploeg, die de duiker ondersteunt bij het verrichten van duikarbeid bestaat ten minste uit de duiker, een reserveduiker en een duikploegleider. In de duikploeg moet tevens een persoon met de kwalificaties als duikmedisch begeleider aanwezig zijn. Meestal treedt de duikploegleider als duikmedisch begeleider op, maar deze functie kan ook door een ander lid van de duikploeg niet zijnde de duiker of de reserveduiker worden waargenomen.

Het certificatieschema beschrijft de eisen die gesteld worden aan:

Het voldoen aan de entreecriteria voor de duikmedisch begeleider (WSCS-WOD-B-B2) wordt beoordeeld door portfoliobeoordeling van de door de kandidaat overlegde documenten. De documenten bestaan uit:

Voor de certificatie van beperkte duikmedisch begeleiding (WSCS-WOD-B-B1) met beperking tot duikarbeid geldt geen entreecriterium.

Het voldoen aan de entreecriteria voor de duikmedisch begeleider (WSCS-WOD-B-B2) wordt beoordeeld door portfoliobeoordeling van de door de kandidaat overlegde documenten. De documenten bestaan uit:

Ter verkrijging van de aantekening van bevoegdheid tot het uitvoeren van uitgebreide duikmedische begeleiding (WSCS-WOD-B-B3) met voorbehouden medische handelingen (mad B) wordt de portfoliobeoordeling uitgebreid met het onderzoek van de volgende aanvullende documenten:

De certificerende instelling heeft tot taak om te bepalen of en in hoeverre een in het buitenland afgeronde opleiding tot EHBO duikarbeid, mad A dan wel mad B, in Nederland erkend wordt. In het verlengde daarvan kan de certificerende instelling bepalen welke eventuele aanvullingen op het opleidingsniveau van de kandidaat noodzakelijk zijn om ingeschaald te kunnen worden.

De kandidaat moet de documenten volledig aan de certificerende instelling overleggen. Ter voorkoming van fraude met certificaten moet de kandidaat altijd een geldig identiteitsbewijs kunnen overleggen. De certificerende instelling mag desalniettemin het initiatief nemen om de documenten te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven.

De certificerende instelling kan de kandidaat opdragen om van zijn opleiding tot EHBO duikarbeid, mad A, dan wel mad B, nadere gegevens te verstrekken om het niveau van deze opleiding te beoordelen. Deze gegevens kunnen bestaan uit de contactgegevens van de opleidingsinstelling en opleiders en het curriculum van de opleiding. Als de certificerende instelling niet over gegevens voorde beoordeling van het niveau van de opleiding kan beschikken, wordt de opleiding niet erkend.

Voor de duikmedisch begeleider (mad A) gelden de volgende eindtermen (WSCS-WOD-B-B2):

Voor de beperkt duikmedisch begeleider met beperking tot duikarbeid bij bassins (EHBO-duikarbeid) gelden de volgende eindtermen(WSCS-WOD-B-B1):

Voor de duikmedisch begeleider (mad A) gelden de volgende eindtermen (WSCS-WOD-B-B2):

Ter verkrijging van de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) voldoet de kandidaat bovendien de volgende eindtermen (WSCS-WOD-B-B3):

De certificerende instelling hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. Voor de beperkt duikmedisch begeleider (EHBO-duikarbeid) gelden onderstaande toetstermen (WSCS-WOD-B-B1) 2.1 tot en met 2.6, doch met uitzondering van de toetstermen 2.4.2 en 2.5.1.

De vakbekwaamheidseisen zijn weergegeven als eindtermen en worden in het volgende hoofdstuk uitgewerkt in toetstermen. In de omschrijving van de eind- en toetstermen wordt gesproken over elementaire kennis en uitgebreide kennis. Deze indicaties van het kennisniveau worden in dit certificatieschema als volgt geïnterpreteerd:

De vakbekwaamheid van de kandidaat-duikmedisch begeleider (mad A) wordt getoetst aan de volgende toetscriteria(WSCS-WOD-B-B2):

De certificerende instelling hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. Voor de beperkt duikmedisch begeleider (EHBO-duikarbeid) gelden onderstaande toetstermen (WSCS-WOD-B-B1) 2.1 tot en met 2.6, doch met uitzondering van de toetstermen 2.4.2 en 2.5.1.

De vakbekwaamheid van de kandidaat-duikmedisch begeleider (mad A) wordt getoetst aan de volgende toetscriteria(WSCS-WOD-B-B2):

Ter verkrijging van de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) wordt bovendien getoetst aan de volgende toetscriteria (WSCS-WOD-B-B3):

Het theorie-examen voor de duikmedisch begeleider (mad A) bestaat uit 4 vakken, die zijn onderverdeeld in hoofdvakken en bijvakken:

Het voldoen aan de toetstermen wordt beoordeeld door een theorie-examen en een praktijkexamen. Voor de beperkt duikmedisch begeleider (EHBO-duikarbeid) gelden onderstaande toetstermen 2.1 tot en met 2.6, doch met uitzondering van de toetstermen 2.4.2 en 2.5.1.

Het theorie-examen voor de duikmedisch begeleider (mad A) bestaat uit 4 vakken, die zijn onderverdeeld in hoofdvakken en bijvakken:

In de examenvakken moet de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de toetstermen aantonen:

Het theorie-examen wordt schriftelijk en in de Nederlandse taal afgenomen. Het theorie-examen duurt voor ieder vak maximaal 40 minuten en na ieder vak wordt 5 minuten pauze gehouden. Iedere 85 minuten, namelijk na 2 vakken en 1 korte pauze, wordt 15 minuten pauze gehouden. Het theorie-examen wordt in beginsel op 1 dag afgenomen. De eindterm 2.6.1 voor het certificaat EHBO duikarbeid dan wel mad A wordt beoordeeld in een praktijkexamen. De kandidaat toont zijn verrichting voor het praktijkexamen aan door middel van een verrichtingenboekje. Het praktijkexamen wordt uitgevoerd onder toezicht van een examinator. Het praktijkexamen geldt als een hoofdvak.

Ter verkrijging van de aantekening van uitgebreide duikmedische bevoegdheid met het verrichten van voorbehouden medische handelingen moet een specifiek examen worden afgelegd. De kandidaat toont zijn verrichting voor het praktijkexamen aan door middel van een verrichtingenboekje. Dit examen bestaat geheel uit een praktijkexamen onder begeleiding van een arts.

Om bij hercertificatie opnieuw de aantekening van uitgebreid duikmedisch begeleider met de bevoegdheid in het uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) te verkrijgen, moet de kandidaat op grond van andere wet en regelgeving bovendien jaarlijks een ziekenhuisstage onder begeleiding van een arts lopen. De duur van de stage is ten minste 2 weken en de aard van de stage is ter beoordeling van de begeleidende arts.

De uitslagregel van het examen wordt nader uitgewerkt in het uitvoeringsbesluit van de CKI en indien er een centrale itembank is, is het tevens aldaar vastgelegd.

De hercertificatie van EHBO duikarbeid, mad A, dan wel mad Bis gelijk aan de initiële certificatie. De kandidaat moet iedere 2 kalenderjaren een herhalingsopleiding EHBO-duikarbeid of duikmedisch begeleider te volgen en het praktijk- en theorie-examen afleggen.

Om bij hercertificatie opnieuw de aantekening van uitgebreid duikmedisch begeleider met de bevoegdheid in het uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) te verkrijgen, moet de kandidaat op grond van andere wet en regelgeving bovendien jaarlijks een ziekenhuisstage onder begeleiding van een arts lopen. De duur van de stage is ten minste 2 weken en de aard van de stage is ter beoordeling van de begeleidende arts.

De hercertificatie van EHBO duikarbeid, mad A, dan wel mad Bis gelijk aan de initiële certificatie. De kandidaat moet iedere 2 kalenderjaren een herhalingsopleiding EHBO-duikarbeid of duikmedisch begeleider te volgen en het praktijk- en theorie-examen afleggen.

Om bij hercertificatie opnieuw de aantekening van uitgebreid duikmedisch begeleider met de bevoegdheid in het uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) te verkrijgen, moet de kandidaat op grond van andere wet en regelgeving bovendien jaarlijks een ziekenhuisstage onder begeleiding van een arts lopen. De duur van de stage is ten minste 2 weken en de aard van de stage is ter beoordeling van de begeleidende arts.

De hercertificatie van beperkt duikmedisch begeleider (EHBO Duikarbeid/WSCS-WOD-B-B1)) en duikmedisch begeleider (mad A/WSCS-WOD-B-B2)) wordt beoordeeld door middel van een documentenonderzoek en een theorie- en praktijkexamen. Bij het documentenonderzoek moet een getuigschrift of diploma kunnen worden overlegd van een herhalingsopleiding duikmedisch begeleider dat niet ouder is dan 3 maanden.

Het af te leggen praktijk- en theorie-examen is gelijk als bij initiële certificatie.

Bijlage III. behorend bij artikel 3.1

Model kennisgeving bouwwerk

  • Aard van het bouwwerk:
  • Volledig adres van de bouwplaats:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Namen en adressen van de betrokken partijen
  • Opdrachtgever(s)
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Ontwerpende partij(en)
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Coördinator(en) in de ontwerpfase
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Uitvoerende partij(en)
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Coördinator(en) in de uitvoeringsfase
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Vermoedelijke aanvangsdatum van de bouwwerkzaamheden:
  • Vermoedelijke bouwtijd:
  • Vermoedelijke maximum aantal werknemers dat gelijktijdig op de bouwplaats aanwezig zal zijn:
  • Vermoedelijk aantal werkgevers en zelfstandigen op de bouwplaats:
  • Namen van reeds geselecteerde ondernemingen:
  • Datum van kennisgeving:
  • Handtekening opdrachtgever:

Bijlage IIIA. behorend bij artikel 3.9, onderdeel b

De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel b, betreft voor zover van toepassing:

  • a. een locatiekaart waarop de inter- en intrafieldpijpleidingen alsmede de onder water afgewerkte boorgaten zijn aangeduid;
  • c. voor- en zijaanzichten van het mijnbouwwerk;
  • d. een stroomdiagram dat het gehele behandelingsproces van delfstoffen omvat met een massabalans;
  • e. tekeningen van pijpen, instrumentatie voor de processystemen en de ondersteunende systemen (deze tekeningen worden alleen op verzoek van een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet opgestuurd);
  • f. tekeningen van gevarenzones;
  • g. oorzaak- en gevolgtekeningen die behoren bij de alarm- en insluitsystemen;
  • h. tekeningen van de aanleg en situering van brand- en gasdetectiesystemen;
  • i. tekeningen van brandbeschermende voorzieningen;
  • j. tekeningen van reddingsmiddelen en ontsnappingsroutes;
  • k. Heating Ventilation Air Conditioning (HVAC)-tekeningen;
  • l. een diagram van alle oproep-, alarmerings- en communicatiesystemen;
  • m. tekeningen van de indeling van het oproep- en alarmsysteem;
  • n. een beschrijving van het elektrisch systeem aan de hand van een één-lijndiagram waarop de noodsystemen zijn aangegeven;
  • p. de locatie en capaciteit van opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen;
  • q. de locatie van opslagplaatsen voor chemische stoffen, en
  • r. de locatie van opslagplaatsen voor ontplofbare stoffen.

Bijlage IIIB. behorend bij artikel 3.9, onderdeel c

De informatie met betrekking tot het brandbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, betreft:

    1. een plattegrond van het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, en, voor zover nodig, een situatieschets van elk van de op het mijnbouwwerk aanwezige installaties, verblijven of overige lokalen, waarop zijn aangegeven:
  • a. de plaatsen en ruimten waar stoffen, voor welke verhoogd brandgevaar bestaat, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen zomede de plaatsen en ruimten, waar stoffen, die direct of indirect gevaar voor ontploffing kunnen veroorzaken, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, met de naaste omgeving daarvan;
  • b. de plaatsen, waar gas of vloeistof, eventueel ter verbranding, wordt afgevoerd;
  • c. de plaatsen waar handbediende en automatische brandmeldinstallaties met bijbehorende alarmsignalen zijn geïnstalleerd; de soort signalering dient te worden vermeld;
  • d. de plaatsen, waar brandblusinstallaties of grote blusmiddelen zijn opgesteld, met vermelding van type, soort (handbediend of automatisch) en capaciteit van elk der installaties en middelen;
  • e. het globale aantal en de soort handbrandblusapparaten per ruimte; de plaatsen, waar pompen voor de bluswatervoorziening zijn opgesteld, de capaciteit van deze pompen, de plaatsen waar hydranten en brandslangen aanwezig zijn en brandslangen aan de bluswaterleiding kunnen worden aangesloten;
  • indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a: de aanwezigheid van vijvers en sloten, indien bluswater zonodig aan het oppervlaktewater zal worden onttrokken;
    1. de organisatie van de brandbestrijdingsdienst;
    1. de wijze van brandmelding en van alarmering;
    1. de regeling van de hulpverlening bij brand of ontploffing;
    1. gegevens betreffende ademhalingsbeschermingsmiddelen voor de met het bestrijden van brand belaste personen.
    1. Indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a moet op de plattegrond, bedoeld in het eerste lid, onder a, bovendien zijn aangegeven de plaats, waar zich een brandweerkazerne bevindt, en moet het plan gegevens bevatten betreffende het aantal en soort van de grote mobiele brandbluseenheden in die kazerne.

Bijlage IIIC. behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot het mijnbouwwerk op het land, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of iedere vast opgestelde mijnbouwinstallatie, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b betreft ten aanzien van:

  • A. het voorontwerprapport:
  • I. het identificeren en evalueren van gevaren en de daarmee samenhangende risico's van de verschillende overwogen ontwerpopties;
  • II. van het gekozen ontwerp:
  • het vaststellen van beheersmaatregelen die risico's uitsluiten of verminderen;
  • het evalueren van risicoverminderende systemen;
  • het vaststellen van noodzakelijke beheerssystemen, en
  • het evalueren van voorlopige berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies.
  • B. het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik:
  • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het voorontwerprapport;
  • het vaststellen van de soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
  • het aantonen dat de opgeslagen hoeveelheid koolwaterstoffen geminimaliseerd is;
  • het evalueren van definitieve berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies;
  • het aantonen van de doeltreffendheid van de geïnstalleerde systemen;
  • het aantonen dat het risico van brand, hittestraling, ontploffing en het vrijkomen van giftige gassen of dampen geminimaliseerd is;
  • het aantonen dat de veiligheidssystemen doeltreffend beschermd zijn;
  • het aantonen dat de algemene preventie principes in het ontwerp zijn meegenomen;
  • het aantonen dat de kans op binnentreden van rook of gas in de accommodatieruimten geminimaliseerd is;
  • het aantonen dat de kwaliteit van de in te ademen lucht in de accommodatieruimten is gewaarborgd;
  • het aantonen dat de evacuatie-, ontsnappings-, en reddingssystemen doeltreffend zijn;
  • het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van procedures en beheersmaatregelen gedurende de constructie activiteiten;
  • het evalueren van de bestaande systemen van toezicht ten aanzien van de werkzaamheden;
  • het evalueren van de procedures voor het in gebruik nemen van het boorwerk of de vast opgestelde mijnbouwinstallatie.
  • C. het addendum gebruik:
  • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;
  • het nagaan of alle aanbevelingen uit doorlichtingen, inspecties of het onderzoek naar voorvallen, ongevallen en klachten zijn uitgevoerd; en
  • het nagaan of alle veranderingen, bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de verschillende doorlichtingen en inspecties op schrift zijn vastgelegd.
  • D. het addendum grote wijzigingen:
  • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het addendum gebruik;
  • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
  • het uitvoeren van een risico-analyse van de voorgestelde grote wijzigingen;
  • het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van procedures en beheersmaatregelen gedurende de constructie activiteiten; en
  • het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen.
  • E. het addendum verlaten en verwijderen:
  • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
  • het uitvoeren van een risico-analyse van de verwijderingsmethoden en -technieken;
  • het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen; en
  • het aantonen dat de hoeveelheid koolwaterstoffen, toxische stoffen en chemische stoffen geminimaliseerd is.

Bijlage IIID. behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot iedere als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c en iedere andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d betreft ten aanzien van:

  • A. het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik:
  • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
  • het aantonen dat de opgeslagen hoeveelheid koolwaterstoffen geminimaliseerd is;
  • het aantonen van de doeltreffendheid van de geïnstalleerde systemen;
  • het aantonen dat het risico van brand, hittestraling, ontploffing en het vrijkomen van giftige gassen of dampen geminimaliseerd is;
  • het evalueren van definitieve berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies;
  • het aantonen dat de veiligheidssystemen doeltreffend beschermd zijn;
  • het aantonen dat de algemene preventie principes in het ontwerp zijn meegenomen;
  • het aantonen dat de kans op binnentreden van rook of gas in de accommodatieruimten geminimaliseerd is;
  • het aantonen dat de kwaliteit van de in te ademen lucht in de accommodatieruimten is gewaarborgd;
  • het aantonen dat de evacuatie-, ontsnappings-, en reddingssystemen doeltreffend zijn;
  • het evalueren van de bestaande systemen van toezicht ten aanzien van de werkzaamheden;
  • het evalueren van de procedures voor het in gebruik nemen en het verwijderen van de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c of andere verplaatsbare mijnbouwinstallatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d;
  • B. het addendum gebruik:
  • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;
  • het nagaan of alle aanbevelingen uit doorlichtingen, inspecties of het onderzoek naar voorvallen, ongevallen en klachten zijn uitgevoerd; en
  • het nagaan of alle veranderingen, bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de verschillende doorlichtingen en inspecties op schrift zijn vastgelegd.
  • C. het addendum grote wijzigingen:
  • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het addendum gebruik;
  • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
  • het uitvoeren van een risico-analyse van de voorgestelde grote wijzigingen;
  • het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van de procedure en de beheersmaatregelen gedurende de constructieactiviteiten; en
  • het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen.

Bijlage IIIE. behorend bij artikel 3.14

De informatie met betrekking tot het noodplan, bedoeld in artikel 3.14, betreft:

  • a. een beschrijving van de organisatiestructuur van de werkgever en de en verantwoordelijke personen in geval van nood alsmede een overzicht van hun taken en bevoegdheden;
  • b. een beschrijving van de organisatie van de personen belast met het gebruik van en het geoefend zijn in het gebruik van evacuatie-, ontsnappings- en reddingsmiddelen alsmede de personen belast met speciale taken bij het evacueren en redden van personen op een mijnbouwinstallatie;
  • c. de wijze van alarmering;
  • d. de regeling van de hulpverlening;
  • e. het aantal, soort en type evacuatie-, ontsnappings-, en reddingsmiddelen, alsmede de persoonlijke reddingsmiddelen die op de mijnbouwinstallatie in gebruik zijn;
  • f. de criteria voor de capaciteit van bijstandschepen en helikopters, inclusief de reactietijd daarvan;
  • g. het aantal personen, dat ervaren is in het gebruik van het materieel, bedoeld in onderdeel e en f van deze bijlage;
  • h. een schematische overzichtstekening waarop de evacuatie-, ontsnappings- en reddingsmiddelen op de mijnbouwinstallatie zijn aangegeven;
  • i. het soort en de frequentie van de te houden oefeningen;
  • j. de te nemen maatregelen ter verzekering van de veiligheid en gezondheid van met reddingswerk belaste personen, met name met het oog op de aan het verrichten van reddingswerk in een atmosfeer, waarin verstikkende of giftige gassen aanwezig zijn, of in een met radioactieve stoffen besmette atmosfeer verbonden gevaren.

Bijlage III. behorend bij artikel 3.1

Model kennisgeving bouwwerk

  • Aard van het bouwwerk:
  • Volledig adres van de bouwplaats:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Namen en adressen van de betrokken partijen
  • Opdrachtgever(s)
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Ontwerpende partij(en)
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Coördinator(en) in de ontwerpfase
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Uitvoerende partij(en)
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Coördinator(en) in de uitvoeringsfase
  • Naam:
  • Adres:
  • Postcode/plaats:
  • Contactpersoon:
  • Telefoon:
  • Fax:
  • Vermoedelijke aanvangsdatum van de bouwwerkzaamheden:
  • Vermoedelijke bouwtijd:
  • Vermoedelijke maximum aantal werknemers dat gelijktijdig op de bouwplaats aanwezig zal zijn:
  • Vermoedelijk aantal werkgevers en zelfstandigen op de bouwplaats:
  • Namen van reeds geselecteerde ondernemingen:
  • Datum van kennisgeving:
  • Handtekening opdrachtgever:

Bijlage IIIA. behorend bij artikel 3.9, onderdeel b

De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel b, betreft voor zover van toepassing:

  • a. een locatiekaart waarop de inter- en intrafieldpijpleidingen alsmede de onder water afgewerkte boorgaten zijn aangeduid;
  • c. voor- en zijaanzichten van het mijnbouwwerk;
  • d. een stroomdiagram dat het gehele behandelingsproces van delfstoffen omvat met een massabalans;
  • e. tekeningen van pijpen, instrumentatie voor de processystemen en de ondersteunende systemen (deze tekeningen worden alleen op verzoek van een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet opgestuurd);
  • f. tekeningen van gevarenzones;
  • g. oorzaak- en gevolgtekeningen die behoren bij de alarm- en insluitsystemen;
  • h. tekeningen van de aanleg en situering van brand- en gasdetectiesystemen;
  • i. tekeningen van brandbeschermende voorzieningen;
  • j. tekeningen van reddingsmiddelen en ontsnappingsroutes;
  • k. Heating Ventilation Air Conditioning (HVAC)-tekeningen;
  • l. een diagram van alle oproep-, alarmerings- en communicatiesystemen;
  • m. tekeningen van de indeling van het oproep- en alarmsysteem;
  • n. een beschrijving van het elektrisch systeem aan de hand van een één-lijndiagram waarop de noodsystemen zijn aangegeven;
  • p. de locatie en capaciteit van opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen;
  • q. de locatie van opslagplaatsen voor chemische stoffen, en
  • r. de locatie van opslagplaatsen voor ontplofbare stoffen.

Bijlage IIIB. behorend bij artikel 3.9, onderdeel c

De informatie met betrekking tot het brandbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, betreft:

    1. een plattegrond van het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, en, voor zover nodig, een situatieschets van elk van de op het mijnbouwwerk aanwezige installaties, verblijven of overige lokalen, waarop zijn aangegeven:
  • a. de plaatsen en ruimten waar stoffen, voor welke verhoogd brandgevaar bestaat, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen zomede de plaatsen en ruimten, waar stoffen, die direct of indirect gevaar voor ontploffing kunnen veroorzaken, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, met de naaste omgeving daarvan;
  • b. de plaatsen, waar gas of vloeistof, eventueel ter verbranding, wordt afgevoerd;
  • c. de plaatsen waar handbediende en automatische brandmeldinstallaties met bijbehorende alarmsignalen zijn geïnstalleerd; de soort signalering dient te worden vermeld;
  • d. de plaatsen, waar brandblusinstallaties of grote blusmiddelen zijn opgesteld, met vermelding van type, soort (handbediend of automatisch) en capaciteit van elk der installaties en middelen;
  • e. het globale aantal en de soort handbrandblusapparaten per ruimte; de plaatsen, waar pompen voor de bluswatervoorziening zijn opgesteld, de capaciteit van deze pompen, de plaatsen waar hydranten en brandslangen aanwezig zijn en brandslangen aan de bluswaterleiding kunnen worden aangesloten;
  • indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a: de aanwezigheid van vijvers en sloten, indien bluswater zonodig aan het oppervlaktewater zal worden onttrokken;
    1. de organisatie van de brandbestrijdingsdienst;
    1. de wijze van brandmelding en van alarmering;
    1. de regeling van de hulpverlening bij brand of ontploffing;
    1. gegevens betreffende ademhalingsbeschermingsmiddelen voor de met het bestrijden van brand belaste personen.
    1. Indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a moet op de plattegrond, bedoeld in het eerste lid, onder a, bovendien zijn aangegeven de plaats, waar zich een brandweerkazerne bevindt, en moet het plan gegevens bevatten betreffende het aantal en soort van de grote mobiele brandbluseenheden in die kazerne.

Bijlage XIIId. behorend bij Artikel 4.27

Vervallen

Bijlage XVIe. behorend bij Artikel 6.6, 1e lid

Bijlage XVIe. behorend bij Artikel 6.6, 1e lid

Bijlage XVIe. behorend bij Artikel 6.6, 1e lid

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikploegleider bij de brandweer

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikploegleider bij de brandweer

Inhoudsopgave

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikploegleider bij de brandweer

Document: WSCS-WOD-F

Bijlage VB. behorend bij artikel 4.17d

Bijlage VII. behorend bij artikel 4.20 eerste lid

Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen

CAS nummer

Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de "Chemical Abstract Service" is geregistreerd.

TGG

Tijd Gewogen Gemiddelde.

H (Huidopname)

Stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregelen ter voorkoming van huidcontact worden genomen.

Inhaleerbaar / respirabel stof

Voor stoffen die ook als deeltjes/aerosolen kunnen voorkomen geldt dat de grenswaarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als "inhaleerbaar stof", tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stof en meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481: 1994.

Respirabele vezels

Respirabele vezels worden als volgt gedefinieerd: vezels die langer zijn dan 5 micrometer, met een diameter kleiner dan 3 micrometer en die een lengte/breedte-verhouding hebben van meer dan 3/1. Voor minerale wolvezels geldt nog het extra criterium dat de vezels korter moeten zijn dan 200 micrometer.

De hieronder vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20° C en een druk van 101,3 kPa.

ISO-naam van de stof CAS nummer TGG 8 uur mg/m3 TGG 15 min mg/m3 H
Aflatoxines 0,005 1µg/m3.
Arseenpentoxide (als As) 1303-28-2 0,025 0,05
Arseentrioxide (als As) 1327-53-3 0,025 0,05
Arseenzuur (als As) 7778-39-4 0,025 0,05
in water oplosbare zouten van arseenzuur 0,025 0,05
(als As)
in water onoplosbare zouten van arseenzuur 0,05 0,1
(als As)
Bariumchromaat (als Cr) 10294-40-3 0,025
Benzeen 71-43-2 3,25 H
Benzine 2Als brandstof voor verbrandingsmotoren. 240 480
1,3-Butadieen 106-99-0 46,2
Cadmiumchloride (als 10108-64-2 0,005
Cd)
Cadmiumoxide 1306-19-0 0,005
(rook)(als Cd)
Cadmiumsulfaat (als 10124-36-4 0,005
Cd)
Calciumchromaat (als Cr) 13765-19-0 0,01
Carbadox 5-7-6804 0,003
Chroom III chromaat (als Cr) 24613-89-6 0,01
Chroom (VI)-oplosbare verbindingen 0,025 0,05 H
Chroomtrioxide (als Cr) 1333-82-0 0,025 0,05
1,2-Dibroomethaan 106-93-4 0,002
1,2-Dichloorethaan 107-06-2 7 3Deze waarde geldt niet in perioden waarin productieprocessen worden stilgelegd en opnieuw worden opgestart ten behoeve van het plegen van onderhoud aan de installatie. Tijdens deze perioden dient de blootstellingsconcentratie zo laag mogelijk te zijn, maar in elk geval lager dan 20 mg/m3 (als TGG 8 uur), waarbij tevens aanvullende maatregelen genomen dienen te worden om de gezondheidsrisico's van blootstelling voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
2,2'-Dichloor-4,4'- 101-14-4 0,02 14Deze waarde geldt met ingang van 1 april 2002. H
Methyleendianiline
Epichloorhydrine 106-89-8 1,9 15Deze waarde geldt niet in perioden waarin productieprocessen worden stilgelegd en opnieuw worden opgestart ten behoeve van het plegen van onderhoud aan de installatie. Tijdens deze perioden dient de blootstellingsconcentratie zo laag mogelijk te zijn, maar in elk geval lager dan 20 mg/m3 (als TGG 8 uur), waarbij tevens aanvullende maatregelen genomen dienen te worden om de gezondheidsrisico's van blootstelling voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
1,2-Epoxypropaan 75-56-9 6 4Deze waarde geldt niet in perioden waarin productieprocessen worden stilgelegd en opnieuw worden opgestart ten behoeve van het plegen van onderhoud aan de installatie. Tijdens deze perioden dient de blootstellingsconcentratie zo laag mogelijk te zijn, maar in elk geval lager dan 19 mg/m3 (als TGG 8 uur), waarbij tevens aanvullende maatregelen genomen dienen te worden om de gezondheidsrisico's van blootstelling voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken. Deze waarde treedt in werkin g met ingang van 1 april 2003.
Ethyleenoxide 75-21-8 0,84
Hardhoutstof 5Definitie van hardhout volgens de International Agency for Research on Cancer (IARC) van hout op basis van botanische krakteristiek: hout van bedektzadigen=hardhout. 2
Hexachloorbenzeen 118-74-1 0,03
Keramische vezels 0,5 6Respirabele vezels per cm3 lucht, TGG 8 uur.
Loodchromaat (als Cr) 7758-97-6 0,025
2-Methylaziridine 75-55-8 0,6 10µg/m3., 11Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001.
4,4'- 101-77-9 0,2 H
Methyleendianiline
2-Nitropropaan 79-46-9 0,036 12Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 3,6 mg/m3
N-nitrosodimethylamin e 62-75-9 0,001 13Deze waarde geldt met ingang van 1 januari 2002.
Silicium(di)oxide:
kwarts 14808-60-7 0,075 7Voor respirabel stof. Voor de bouwnijverheid geldt een wettelijke grenswaarde van 0,15 mg/m3.
cristoballiet 14464-46-1 0,075 8Voor respirabel stof.
tridymiet 15468-32-3 0,075 9Voor respirabel stof.
Strontiumchromaat (al Cr) s 7789-06-2 0,01
1,2,3-Trichloorpropaa n 96-18-4 0,108 H
Vinylbromide 593-60-2 0,012
Vinylchloridemonomeer 75-01-4 7,77
Zinkchromaat (als Cr) 13530-65-9 0,01

Bijlage VIII. behorend bij artikel 4.27, eerste lid, onder a

Eindtermen

Algemeen

  • De cursist kan de verschillende soorten asbest en asbesthoudend materiaal noemen.
  • De cursist kan de verschillende toepassingen van asbest of asbesthoudend materiaal noemen en kan de situaties waarin het wordt en werd toegepast noemen en herkennen.

Wettelijk kader

    1. De cursist dient kennis te hebben van de bestaande arbeidsbeschermende voorschriften op het gebied van asbest in het algemeen en op het gebied van het slopen of verwijderen van asbest in het bijzonder.
    1. De cursist dient kennis te hebben van de beleidsregels over asbest.
    1. De cursist kan werkzaamheden uitvoeren volgens de eisen uit een V&G-plan.
    1. De cursist kan werkzaamheden uitvoeren conform de eisen uit een sloopvergunning.
    1. De cursist is op de hoogte van de voorschriften voor het omgaan met asbesthoudend afval en kan deze voorschriften toepassen.
    1. De cursist dient kennis te hebben van de milieuvoorschriften die gelden bij het slopen of verwijderen van asbest.
    1. De cursist kan de instanties noemen die de controle op de naleving van voornoemde wettelijke voorschriften uitvoeren.

Taken

    1. De cursist kan de taken van een Deskundig Toezichthouder Asbestsloop noemen, toelichten en verrichten.
    1. De cursist kan een werkplan voor het slopen of verwijderen van asbest samenstellen, beoordelen en toelichten.

Risicoherkenning en -beoordeling

    1. De cursist kan de risico's voor de gezondheid bij het slopen of verwijderen van asbest herkennen en beoordelen.
    1. De cursist kan de risico's voor het milieu bij het slopen of verwijderen van asbest herkennen en beoordelen.

Risicobeheersing

    1. De cursist kan het doel en de werking van maatregelen ter beperking van de emissie van asbeststof bij het slopen of verwijderen van asbest uitleggen, toelichten en deze maatregelen uitvoeren.
    1. De cursist kan het doel en de werking van de maatregelen ter beperking van de blootstelling van werknemers aan asbeststof bij het slopen of verwijderen van asbest uitleggen, toelichten en deze maatregelen uitvoeren.
    1. De cursist kan het deskundig asbestverwijderingsbedrijf positioneren in de wettelijke context.
    1. De cursist kan het doel, de werking en het beoogd effect van de maatregelen ter beperking van de emissie van asbeststof tijdens en na het slopen of verwijderen van asbest in het milieu uitleggen, toelichten en deze maatregelen uitvoeren.

Kwaliteitswaarborging

    1. De cursist kan de systematiek van de kwaliteitswaarborgingssystemen duidelijk maken.
    1. De cursist kan de relaties tussen certificerende instellingen en het gecertificeerde bedrijf mogelijk maken.
    1. De cursist kan de samenhang aangeven tussen de BRL 5050, BRL 5052, het Asbestverwijderingsbesluit en het Arbeidsomstandighedenbesluit.
    1. De cursist kan het beoordelingsprogramma van de certificerende instellingen uiteenzetten.
    1. De cursist kan de kwaliteit van de bij het slopen of verwijderen van asbest gebruikte hulpmiddelen beoordelen.
    1. De cursist is op de hoogte van de systematiek van keuring en beheersing van materiaal zoals vastgelegd in de BRL 5050.
    1. De cursist is op de hoogte van de meldingsplicht en kan de aan de BRL 5050 verbonden meldingsplicht uitvoeren.
    1. De cursist is op de hoogte van het beleid dat door de certificerende instellingen wordt gehanteerd in verband met de (periodieke) kwaliteitscontrole en kan beoordelen of een praktijkaudit aan de formele eisen voldoet.
    1. De cursist kan de betekenis van VCA-certificering aanduiden.
    1. De cursist kan de betekenis van ISO-9000 certificering aanduiden.
    1. De cursist kan de betekenis van BRL 5052-certificering aanduiden.
    1. De cursist kan de betekenis van STERLAB-accreditatie aanduiden

Arbeidshygiëne

    1. De cursist kan globaal de doelstellingen en de uitwerking van de arbeidshygiënische strategie met betrekking tot het slopen of verwijderen van asbest weergeven en toelichten

Milieuhygiëne

    1. De cursist kan globaal de doelstellingen van het milieuhygiënisch beleid met betrekking tot het slopen of verwijderen van asbest weergeven en toelichten.

Technieken

    1. De cursist kan het doel, de werking en de arbeidshygiënische aspecten van verschillende technieken ter verwijdering van asbest of asbesthoudend materiaal uitleggen en deze technieken hanteren.

Metingen

    1. De cursist kan de onderdruk in het containment (de plek waar het verwijderen van asbest wordt verricht en die is afgeschermd van de overige ruimten) bepalen.
    1. De cursist kan een visuele inspectie van een van asbest gesaneerde ruimte verrichten, en kan de waarde van deze inspectie inschatten.
    1. De cursist kan de geldende voorschriften voor monsterneming ten behoeve van de concentratiemeting asbeststof in de lucht en de gehele meetprocedure weergeven en toelichten.

Vaardigheden voor het geven van leiding en het houden van toezicht

    1. De cursist kan werknemers die betrokken zijn bij het verwijderen van asbest volgens het werkplan instrueren.
    1. De cursist kan aan werknemers die betrokken zijn bij het verwijderen van asbest, de risico's van asbeststof en de maatregelen ter beperking van de emissie en de blootstelling duidelijk maken en desbetreffende werknemers corrigeren.
    1. De cursist kan opdrachtgevers en derden voorlichten.
    1. De cursist kan bij het verwijderen van asbest toezicht houden en indien nodig corrigerend optreden. Calamiteiten
    1. De cursist kan in het geval van een calamiteit bij het verwijderen van asbest deze onderkennen, beheersen en handelend optreden.
    1. De cursist kan na het optreden van een calamiteit aanvullende maatregelen ter voorkoming van herhaling nemen.

Bijlage VIIIA. behorend bij artikel 4.32f, tweede lid, onder a en vierde lid

Groepen VOS 1Het VOS-gehalte is bepaald conform de methodiek ASTM – D 3960-96 voor gebruiksklare mengsels. in het gebruiks-/spuitklare mengsel
Spuitenreinigers 850 gr/liter
Oppervlaktereinigers 200 gr/liter
Washprimers 780 gr/liter
Primer surfacer, 540 gr/liter
1 of 2 component
Sealer 540 gr/liter
1-laags aflaksysteem 420 gr/liter
en chassiscoating
2-laagsaflaksysteem bestaande uit: 420 gr/liter 2Het gemiddelde wordt bepaald door het VOSgehalte per laag te hanteren in de formule (a. L1 + b.L2)/ ( a + b)Dit gemiddelde is gelijk aan of minder dan 420 gram/liter spuitklaar product. Hierbij is L1 het VOS-gehalte van de basiskleurlaag en L2 het VOS-gehalte van de blanke lak, waarbij a en b staan voor de aangemaakte hoeveelheid in gram van resp. L1 en L2. De hoeveelheden hebben betrekking op spuitklare producten en géén van de lagen mag méér VOS bevatten dan 480 gr/liter.
basiskleurlak en blanke lak
Speciale producten 3Speciale producten zijn bedoeld voor speciale behandelingen (zoals bijvoorbeeld motorfietskleuren en speciale designkleuren waar inkten voor worden gebruikt die niet met een gewone basecoat gemaakt kunnen worden) en speciale toepassingen (bijvoorbeeld moeilijk hechtende ondergronden). Deze groep producten betreft ook additieven die worden toegevoegd aan bestaande producten om speciale effecten te realiseren zoals ruwheid, mattering, etc. Dit betekent dat producten waar deze specifieke additieven aan zijn toegevoegd het maximum gehalte aan VOS/liter van dat product kunnen overschrijden. Speciale reinigers (siliconen, lakverwijdering) zijn toegevoegd omdat zij niet onder de aangegeven spuitreinigers en oppervlaktereinigers vallen.De groep speciale producten bevat elastificeermiddelen, (ver)harders, versnellers/activeerders, vertragers, matteringsmiddelen, structuurmiddelen, effectmiddelen, antisiliconen, basisverf en inkt ten behoeve van speciale kleuren (design), matte lak, hechtprimer voor speciale kunststof- of metaalondergronden (waar geen gewone (wash)primer gebruikt kan worden), spuitbussen, uitspuitverdunning, kunststofreiniger, siliconenverwijderaar en lakverwijderaar. 840 gr/liter
Overige producten 44 Overige producten zijn: polijst- en poetsmiddelen, vulmiddelen, kitten, lijmen en plamuren. 150 gr/liter

Bijlage IX. Arboregeling behorend bij artikel 6.6

  • A. Eindtermen ten aanzien van de afgifte van een certificaat duikarbeid met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht: Bij de duikopleiding voor de categorie duikarbeid waartoe de cursist wordt opgeleid worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen: Duikarbeid categorie A als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 1: Duikarbeid categorie B als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 2: Duikarbeid categorie C als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 3: Voor de opleiding van deze categorie duikarbeid geldt als minimale vooropleidingseis ten minste één jaar in het bezit zijn van een duikcertificaat categorie B alsmede ten minste 50 uren duikarbeid hebben verricht van deze categorie. Daarnaast worden de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:
  • elementaire natuurkunde, fysiologie, en kennis van duikerziekten en de daaraan verbonden EHBO-procedures;
  • werking en onderhoud van, en duiken met diverse SCUBA-apparatuur volgens het navolgende schema:
  • op een diepte tot 20 meter: ten minste 700 minuten inwatertijd waarvan ten minste 300 minuten op een diepte tussen 10 en 20 meter, en
  • op een diepte van 20 meter of meer: ten minste 200 minuten inwatertijd met ten minste een duik tot op een diepte van meer dan 28 meter;
  • decompressiemethoden;
  • theorie met betrekking tot onderwatertechniek en -veiligheid;
  • bijzondere gevaren onder water en veiligheidsprocedures;
  • zeemanschap bestaande uit: nautische theorie en elementaire meteorologie;
  • onderwatercommunicatie en -navigatie;
  • schiemanswerk en tuigage (rigging);
  • inspectie en rapportage;
  • zoek- en werkmethoden;
  • gebruik van de hefballon (lifting);
  • relevante wet- en regelgeving.
  • De vaardigheden genoemd bij categorie A, uitgebreid met voor het gebruik van luchtvoorziening van de oppervlakte relevante theorie alsmede werking en onderhoud van, en duiken met diverse duikapparatuur met luchtvoorziening van de oppervlakte (SSE), zodanig dat de duikminuten van categorie A en B te zamen ten minste de volgende tijd bedragen:
  • op een diepte tot 20 meter: ten minste 1600 minuten inwatertijd waarvan ten minste 400 minuten tussen 10 en 20 meter,
  • op een diepte tussen 20 en 40 meter: ten minste 250 minuten inwatertijd waarvan ten minste 100 minuten op een diepte tussen 30 en 40 meter in ten minste acht duiken met een bodemtijd van ten minste 10 minuten per duik, en
  • op een diepte tussen 40 en 50 meter: ten minste 150 minuten waarvan ten minste drie duiken in open water en met een totale bodemtijd van ten minste 75 minuten;
  • decompressiemethoden, inclusief werking en bediening van de decompressietank; - meer uitgebreide kennis van schiemanswerk en tuigage (rigging);
  • werken met de videocamera;
  • theorie en gebruik van mechanisch, hydraulisch en elektrisch onderwatergereedschap;
  • duiken uit de natte duikklok en daarbij optreden als duiker en bellman met de daarbij behorende noodprocedures;
  • theorie met betrekking tot dynamische positioneringssystemen;
  • theorie en gebruik van het heetwaterpak;
  • relevante regelgeving.
  • natuurkunde, fysiologie en kennis van duikerziekten met de daaraan verbonden EHBO-procedures voor mengselgasduiken;
  • theorie met betrekking tot decompressietank (gassystemen, gasbewaking, brandbestrijding, sanitaire systemen, communicatie en noodprocedures);
  • het bedienen van een decompressietank en het uitvoeren van alle hiervoor noodzakelijke procedures;
  • werken als lid van de oppervlakte- en de duikploeg bij zowel bounce- als verzadigingsduiken;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)