Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-19
State In force
Source BWB
artikelen 454
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • het uitvoeren als duiker en bellman van procedures voor in- en uitsluizen (lock-out) en vervoer onder druk (transport under pressure (TUP)) volgens het vereiste programma;
  • het uitvoeren van ten minste drie bounceduiken met de duikklok tot respectievelijk 55, 75 en 100 meter;
  • het uitvoeren van ten minste één saturatieduik;
  • theorie met betrekking tot de duikklok (gassystemen, scrubbers, verwarming, communicatie en het ballasten);
  • het bedienen van de droge duikklok inclusief het uitvoeren van de noodzakelijke controles en noodprocedures;
  • theorie met betrekking tot gasterugwinningssystemen en overlevingsapparatuur;
  • relevante regelgeving.
  • B. Eindtermen ten aanzien van de afgifte van een certificaat duikmedische begeleiding met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht De volgende leerdoelstellingen worden onderscheiden en onderwezen: Ten aanzien van het certificaat EHBO duikarbeid, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 1: Ten aanzien van het certificaat MAD A, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 2: Voor de opleiding tot dit certificaat geldt als eis een EHBO-diploma met cardiopulmonaire resuscitatie aantekening. Ten aanzien van het certificaat MAD B, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 3: Voor de opleiding tot dit certificaat geldt als eis een geldig certificaat MAD A
  • EHBO en cardiopulmonaire resuscitatie;
  • specifieke medische risico's met betrekking tot het duiken;
  • natuurkundige aspecten;
  • anatomie en fysiologie;
  • pathologie en duikerziekten;
  • diagnostiek;
  • preventie;
  • benodigde minimum praktijkervaring.
  • EHBO en cardiopulmonaire resuscitatie;
  • specifieke medische risico's met betrekking tot het duiken;
  • natuurkundige aspecten;
  • anatomie en fysiologie;
  • pathologie en duikerziekten;
  • diagnostiek;
  • neurologisch onderzoek;
  • behandeling (decompressieziekten en longembolie);
  • gebruik zuurstofkoffer;
  • preventie;
  • benodigde minimum praktijkervaring.
  • uitgebreid lichamelijk onderzoek;
  • subcutaan, intramusculair en intraveneus injecteren;
  • hechten van wonden;
  • uitvoering thoraxpunctie;
  • inbrenging blaascatheter;
  • inbrenging intraveneus infuus en uitvoering infuusbeleid;
  • kunstmatig mechanisch beademen;
  • intuberen;
  • inbrenging maagsonde;
  • rectale ontluchting;
  • benodigde minimum praktijkervaring.
  • C. Eindtermen ten aanzien van de afgifte van een certificaat duikploegleider De volgende leerdoelstellingen worden onderscheiden en onderwezen: Vooropleidingseisen duikploegleidersopleiding
  • Wetgeving
  • Relevante mijnbouwregelgeving
  • Relevante Europese regelgeving (Engeland [offshore], Duitsland [binnenwater]).
  • `Natuurkunde
  • Theorie gassen (zuurstof, nitrox);
  • Praktijk gassen (ademgasmeting, zuurstofniveau, gasanalyse-apparatuur);
  • Produktinformatiebladen.
  • Duikmedische kennis/vaardigheden
  • Noodzakelijke EHBO-middelen en personeel;
  • Ongevalsmanagement.
  • Operationele zaken
  • Veiligheid en gezondheid;
  • Kwaliteitszorg;
  • Documentatie en registratie;
  • Materieelbeheer;
  • Uitvoering, contractbewaking en organisatie;
  • Leidinggeven, waaronder leidinggeven in crisissituaties.
  • minimumleeftijd: 24 jaar;
  • certificaat duikarbeid met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht of equivalent;
  • MAD-A-certificaat of equivalent;
  • minimaal 2 jaar ervaring als luchtduiker en tenminste 100 werkduiken;
  • in de 2 jaar voorafgaand aan de cursus tenminste 30 werkduiken hebben gemaakt, of aan tenminste 30 werkduiken leiding hebben gegeven, of een combinatie van beide.
  • D. Eindtermen ten aanzien van de afgifte van certificaten duikerarts met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht Deze eindtermen zijn samengesteld in overeenstemming met "Training standards for Diving and Hyperbaric medicine" van de "Joint Medical Subcommittee" van de "European Diving Technology Committee" (EDTC). 1. Categorieën certificaten: 2. Eindtermen per categorie De duur van de cursus is minimaal voor: 3. Kwaliteitscontrole Ter vernieuwing van het certificaat zijn nodig:
  • certificaat duikerarts A
  • certificaat duikerarts B
  • ad I. Certificaat dat vereist is voor het arbeidsgezondheidskundig onderzoeken van personen die worden belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk, bedoeld in artikel 6.14a, tweede lid, van het besluit.
  • minimaal tien keuringen per jaar en deelname aan minimaal een herhalingscursus per twee jaar;
  • continue ervaring op duikmedisch gebied en deelname aan en/of participatie in een cursus of congres.
I II
1 Fysiologie en Pathologie * A = basis kennis; B = uitgebreide kennis; C = kennis op expert niveau.
Hyperbare fysica B C
- gaswetten en gevolgen op de anatomie
Duikmedische fysiologie B C
- functionele anatomie
- longfunctie
- gehoor- en evenwicht
- warmteregulatie.
Hyperbare pathofysiologie B C
- duikreflex
- blackout mechanisme inclusief apneu
- psychologie
- arbeid en uithoudingsvermogen onder water
- decompressie theorie en ontstaan van bellen
Hyperbare pathologie B C
- acute aandoeningen (barotraumata,decompressieziekte)
- chronische aandoeningen (lange termijn effecten)
Hyperbare zuurstof en behandelingstabellen - C
Zuurstofintoxicatie A C
Inerte-gaseffecten (narcose, HPNS) A C
Medicamenten onder druk B C
Overige pathologie (hypothermie, verdrinking, A C
ongevallen onder water)
Dodelijke duikongevallen A C
2 Duiktechnologie en veiligheid
Kennis van operationele A B
duikprocedures
Kennis van duikapparatuur A C
Kennis van duiktabellen A C
Wetgeving en standaards B C
Veiligheidsplanning en monitoring A C
3 Duikmedische geschiktheid
Medische criteria en contraindicaties voor C C
duikmedische geschiktheid
Diagnostisch onderzoek van de duiker C C
Wetgeving en standaards van de C C
duikmedische keuring nationaal en
internationaal
4 Duikongevallen
Duikongevallen en -incidenten A C
Behandeling van duikongevallen A C
Revalidatie en vervolg na een duikongeval B C
5 Overig
Duikmedisch onderzoek nationaal en internationaal - C
6 Praktische training
Duikmedische geschiktheid voor werken onder overdruk - +
Praktische ervaring in de eerste hulp bij duikongevallen ter - +
plaatse
Praktische ervaring in de behandeling van duikongevallen - +
Introductie en demonstratie professioneel duiken + +
Demonstratie behandeling duikongeval in compressiefaciliteit + +
I 25 lesuren + 3 praktijk uren
--- ---
II 60 lesuren + praktijkstage

Bijlage IXA. behorend bij artikel 6.7

Met betrekking tot het arbeidsgezondheidskundig onderzoek van personen die duikarbeid, caissonarbeid, of overige arbeid onder overdruk verrichten:

Een persoon die wordt belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk:

  • moet onbelemmerd zijn werkzaamheden onder overdruk kunnen uitvoeren, onder fysiek zware omstandigheden kunnen zwemmen/lopen, communiceren en de verantwoordelijkheid psychisch aankunnen;
  • mag zichzelf of een ander lid van het team niet in gevaar brengen door een medische aandoening bij werkzaamheden onder overdruk zoals bewustzijnsverlies, oriëntatieverlies of paniekaanval;
  • mag geen aandoening hebben die ten gevolge van arbeid onder overdruk kan verergeren;
  • mag geen aandoening hebben die aanleiding kan geven tot het ontstaan van een duikerziekte zoals decompressieziekte of barotrauma.

De keuring voor aanvang van de arbeid onder overdruk dient door een duikerarts met het certificaat duikerarts B uitgevoerd te worden in een voldoende toegerust centrum om alle aspecten te kunnen onderzoeken. Periodieke keuringen kunnen ook door artsen met het certificaat duikerarts A worden uitgevoerd. Na een doorgemaakte duikerziekte - zoals decompressieziekte, luchtembolie of aandoening genoemd als absolute contra-indicatie dient het medisch onderzoek plaats te vinden door een duikerarts met het certificaat duikerarts B.

Ten minste dienen de volgende aspecten onderzocht te worden:

CI Onderzoek/Biometrie
1 Infectieziekten
- indien R
onbehandeld
2 Endocriene organen
- diabetes mellitus A
3 Psychische aandoeningen
- Psychosyndromen en psychotische A
toestandsbeelden
- claustrofobie A
4 Zenuwstelsel * baseline
- episoden van bewustzijnsverlies, convulsies, neurologische status
gezichtsverlies, verlies motoriek * visus
en/of oriëntatie A
- duizeligheid A
- epilepsie A
5 Tractus circulatorius * ergometrie
- septumdefecten A
- angina pectoris A
- decompensatio A
cordis
- myocard infarct A
- arrythmiën R
- hypertensie R
6 Tractus respiratorius * 1ste keuring : X-thorax
- luchtembolie A * longfunctieonderzoek
- CARA A
7 Tractus digestivus
- hiatus herniae/abdominale hernia R
- acute en/of chronische hepatitis of - A
pancreatitis
- haemorrhoiden R
8 Tractus urogenitalis * urineonderzoek
- aandoeningen met abnormale A
nierfunctie
9 Keel-Neus-Oor * toonaudiogram
- chronische otitis media A
- middenoor plastieken A
- M. Ménière A
- mastoiditis A
- gebitstoestand (losse elementen) R
10 Haematologie * volledig
- thallassaemia major A bloedbeeld incl. Hb,
Ht en leucocyten
* glucose
* sikkelcel
uitsluiten op indicatie
11 Overige aandoeningen
- maligniteit R

CI (contraindicatie): A = absoluut, R = relatief (meestal tot correctie)

Bijlage VI. behorend bij artikel 4.19, eerste lid

Lijst van wettelijke grenswaarden op grond van artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen

CAS nummer

Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de "Chemical Abstract Service" is geregistreerd.

TGG

Tijd Gewogen Gemiddelde.

H (Huidopname)

Stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregelen ter voorkoming van huidcontact worden genomen.

Inhaleerbaar / respirabel stof

Voor stoffen die ook als deeltjes/aerosolen kunnen voorkomen geldt dat de grenswaarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als "inhaleerbaar stof", tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stof en meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481: 1994.

Respirabele vezels

Respirabele vezels worden als volgt gedefinieerd: vezels die langer zijn dan 5 micrometer, met een diameter kleiner dan 3 micrometer en die een lengte/breedte-verhouding hebben van meer dan 3/1. Voor minerale wolvezels geldt nog het extra criterium dat de vezels korter moeten zijn dan 200 micrometer.

De hieronder vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20° C en een druk van 101,3 kPa.

ISO-naam van de stof CAS nummer TGG 8 uur mg/m3 TGG 15 min mg/m3 H *Huidnotatie
Acetoncyaanhydrine 75-86-5 3,5 35 H
Allyl-2,3-epoxypropylether 106-92-3 0,5
Aniline 62-53-3 1 H
p-Aramide vezels 1Betreft alleen respirabele vezels. 24938-64-5; 1 2Respirabele vezels per cm3 lucht, 8 uur. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999
25035-37-4;
26125-61-1
Arseen en -verbindingen (als As) 3Betreft alleen de verbindingen voorzover niet voorkomend op de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen:
combinatie van alle anorganische verbindingen 0,05 0,1
wateroplosbare anorganische verbindingen 0,025 0,05
Bisfenol A 80-05-7 5 4Voor respirabel stof.
10 5Voor inhaleerbaar stof
Bisfenol A 1675-54-3 5 7Voor respirabel stof.
diclycidylether 6Deze stof kan overgevoeligheid veroorzaken. Huidcontact dient daarom vermeden te worden 10 8Voor inhaleerbaar stof
Broommethaan 74-83-9 1 H
1-Butanol 71-36-3 45
2-Butanon 78-93-3 590 H
2-(2-Butoxy-ethoxy)ethanol 112-34-5 50 H
iso-Butylmethacrylaat 97-86-9 59
n-Butylmethacrylaat 97-88-1 59
Cadmium en anorganische verbindingen (als Cd) 9Voor inhaleerbaar stof. Betreft alleen de verbindingen voorzover niet voorkomend op de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen 7440-43-9 0,005
Calciumsulfaat (respirable vezels) 10101-41-4 0,541Deze waarde treedt in werking met ingang van 1 maart 2004.
Carbonylfluoride en PTFE- pyrolyseproducten (als F) 353-50-4 1
Chloor 7782-50-5 3 10Ceiling; in verband met een snel optredende toxische werking van de stof mag deze waarde op geen enkel moment worden overschreden.
2-Chloor-1,3-butadieen 126-99-8 18 H
Chloordioxide 10049-04-4 0,3
Chloorethaan 75-00-3 2600
Chloorfluorkoolwaterstoffen:
1-chloor-1,1-difluorethaan 75-68-3 8380
chloordifluormethaan 75-45-6 3600
chloorpentafluorethaan 76-15-3 6460
chloortrifluormethaan 75-72-9 8700
dichloordifluormethaan 75-71-8 5040
dichloorfluormethaan 75-43-4 43
1,2-dichloor-1,1,2,2- 76-14-2 7130
tetrafluorethaan
tetrachloordifluorethaan 76-12-0 850
trichloorfluormethaan 75-69-4 5600
1,1,2-trichloor-1,2,2- 76-13-1 1170
trifluorethaan
Chloroform 67-66-3 5 25
Chroom en chroomverbindingen 11Betreft alleen de verbindingen voorzover niet voorkomend op de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen
bij enkelvoudige blootstelling:
Chroom-metallisch 7740-47-3 0,5
Cr(III)-verbindingen 0,5 1
bij gecombineerde blootstelling:
zonder differentiatie naar type chroomverbinding 12Wanneer aannemelijk kan worden gemaakt dat er grotendeels sprake is van oplosbare verbindingen, kan de normstelling voor chroom (VI)-oplosbare verbindingen worden toegepast (zie hiervoor bijlage VI bij deze regeling). 0,01
Cyclohexaan 110-82-7 875
Cyclohexanol 108-93-0 1
Cyclohexanon 108-94-1 50 H
Cyclohexylamine 39Deze waarde geldt met ingang van 1 januari 2004. Tot die datum blijven de bestuurlijke grenswaarden van kracht. 108-91-8 5
1,2-Diaminoethaan 13Deze stof kan overgevoeligheid veroorzaken. Huidcontact dient daarom vermeden te worden 107-15-3 18
1,4-Dichloorbenzeen 106-46-7 150 300
1,1-Dichloorethaan 75-34-3 400
Dichloormethaan 75-09-2 350 1750
Dicyaan (oxalonitril) 460-19-6 241Deze waarde treedt in werking met ingang van 1 maart 2004.
Difenylamine 122-39-4 0,7 14Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
Difenylmethaan-4,4'- diisocyanaat 101-68-8 0,05 0,21
Dimethylamine 124-40-3 1,8
Dimethylformamide 68-12-2 15 H
1,4-Dioxaan 123-91-1 40 80 H
Distikstofmonoxide 15Bij gelijktijdige blootstelling aan verschillende narcosegassen moet de som van alle afzonderlijke blootstellingsconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, kleiner zijn dan één. Deze additieregel treedt in werking met ingang van 1 mei 2000. 10024-97-2 152
Enfluraan 17Bij gelijktijdige blootstelling aan verschillende narcosegassen moet de som van alle afzonderlijke blootstellingsconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, kleiner zijn dan één. Deze waarde geldt met ingang van 1 mei 2000. 13838-16-9 153
2-(2-Ethoxy-ethoxy)ethanol 111-90-0 180 H
ethyl-L-lactaat
Ethylacetaat 141-78-6 550 1100
Ethylacrylaat 140-88-5 20 H
Ethylamine 75-04-7 9
Ethylbenzeen 100-41-4 215 H
Ethyleenthioureum 18Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001. 96-45-7 0,024
Ethylmethacrylaat 97-63-2 48
Fenol 108-95-2 8 H
Fluor 7782-41-4 0,5
Fluoriden (anorganische,oplosbare) (als F) 3,5
Fluorwaterstof (als F) 7664-39-3 2,5
Formamide 75-12-7 16
Fosfine 7803-51-2 0,4 1,5
Ftaalzuuranhydride 85-44-9 1 2
Ftalaatverbindingen 19Betreft o-ftaalzuur en al zijn esters, met uitzondering van (esters van) de gehydrogeneerde vorm van o-ftaalzuur 5 20Voor respirabel stof.
10 21Voor inhaleerbaar stof.
Glycidylmethacrylaat 106-91-2 0,24
Halothaan 151-67-7 0,4141Deze waarde treedt in werking met ingang van 1 maart 2004.
n-Heptaan 142-82-5 1200 1600
2-Heptanon 110-43-0 233
3-Heptanon 106-35-4 163
Hexaan-isomeren (m.u.v. n-Hexaan):
2,2-dimethylbutaan 75-83-2
2,3-dimethylbutaan 79-29-8
2-methylpentaan 107-83-5
3-methylpentaan 96-14-0
n-Hexaan 110-54-3 90
Hexafluoraceton 684-16-2 0,05 H
Hexamethyleen diisocyanaat 822-06-0 0,04 0,14
1,6-Hexanolactam: 105-60-2
damp 20
stof 1
2-Hexanon 591-78-6 2 H
Houtstof 22Betreft houtstof exclusief stof van hardhout. Zie voor de grenswaarde voor hardhoutstof bijlage VI van de Arbeidsomstandighedenregeling. (niet allergeen) 2
2-Hydroxyethylacrylaat 818-61-1 0,24
2-Hydroxyethylmethacrylaat 868-77-9 0,24
2-Hydroxypropylmethacrylaat 923-26-2 0,24
Isofluraan 23Bij gelijktijdige blootstelling aan verschillende narcosegassen moet de som van alle afzonderlijke blootstellingsconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, kleiner zijn dan één. Deze waarde geldt met ingang van 1 mei 2000. 26675-46-7 153
Isoforondiisocyanaat 4098-71-9 0,05 0,19
2-Isopropoxyethanol 109-59-1 44 H
Isopropylglycidylether 4016-14-2 0,5
Koolmonoxide 24Voor arbeidsperioden korter dan 8 uur per dag zijn de volgende concentraties toegestaan:maximaal 174 mg/m3 gedurende 15 minuten;maximaal 139 mg/m3 gedurende 30 minuten;maximaal 70 mg/m3 gedurende 60 minuten;mits gedurende de werkdag bij de arbeid geen verdere blootstelling plaatsvindt. 630-08-0 29
Kwik (metaal) 25Voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd geldt een wettelijke grenswaarde van 0,025 mg/m3 als TGG 8 uur. Kortdurende blootstelling gedurende 15 minuten aan maximaal 0,5 mg/m3 is toegestaan, mits het 8-uurs gemiddelde niet wordt overschreden. 7439-97-6 0,05 0,5
Kwikalkylverbindingen (als Hg) 26Vrouwen in de vruchtbare leeftijd dienen blootstelling zoveel mogelijk te vermijden. 0,01 0,02 H
Kwikverbindingen organisch (fenylkwik en -verbindingen) 0,01 0,03 H
Kwikverbindingen organisch (fenylkwik en -verbindingen)
Kwikzouten anorganisch 0,05 0,15 H
n-butyl-L-lactaat 138-22-7 20
2-ethylhexyl-L-lactaat 186817-80-1 4
ethyl-L-lactaat 97-64-3 20
isobutyl-L-lactaat 702-84-0 20
isopropyl-L-lacaat 63697-00-7 20
propyl-L-lacaat 53651-69-7 20
Lasrook 3,5 27Deze waarde geldt met ingang van 1 januari 2003.
lindaan/HCH gamma-isomeer 58-89-9 4(µg/m3) H
Lood en anorganische 7439-92-1 0,15
loodverbindingen
Mangaan en -verbindingen (als Mn) 7439-96-5 1 3
2-Methoxyethanol 109-86-4 1 H
2-(Methoxyethoxy)-ethanol 111-77-3 45 H
2-Methoxyethylacetaat 110-49-6 1,5 H
1-Methoxy-2-propanol 28Mits het commercieel product niet meer dan 5% van de β-isomeer bevat. 107-98-2 375
1-Methoxy-2-propylacetaat 29Mits het commercieel product niet meer dan 5% van de β-isomeer bevat. 108-65-6 550
Methylacrylaat 96-33-3 18 H
1-Methylbutylacetaat 626-38-0 530
2-Methylbutylacetaat 620-11-1 530
Methylchloride 74-87-3 52
Methylcyclohexanol (alle isomeren) 25639-42-3 50 30Deze waarde geldt met ingang van 1 april 2002.
5-Methyl-2-hexanon 110-12-3 233
5-Methyl-3-heptanon 541-85-5 133
Methylmethacrylaat 31Deze waarde geldt met ingang van 1 december 2001. 80-62-6 40
4-Methyl-2-pentanon 108-10-1 104
Methyl-tert-butylether 1634-04-4 180 360
Minerale wolvezels 32Betreft alleen respirabele vezels., waaronder glaswol, steenwol 2 33Respirabele vezels per cm3 lucht, TGG 8 uur.
en superfijne glasvezels
Naftaleen diisocyanaat 3173-72-6 0,04 0,18
n-Pentaan 109-66-0 1800
Pentaerythritol 115-77-5 5 34Voor respirabel stof. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
10 35Voor inhaleerbaar stof. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
iso-Pentylacetaat 123-92-2 530
n-Pentylacetaat 628-63-7 530
tert-Pentylacetaat 625-16-1 530
perchloormethylmercaptaan 594-42-3 0,01
Polyvinylchloride (stof) 9002-86-2 2,5 36Voor inhaleerbaar stof.
2-Propanol 67-63-0 650
2-Propoxyethanol 2807-30-9 44 H
2-iso-Propoxyethanol 109-59-1 44 H
2-Propoxyethylacetaat 20706-25-6 60 H
Pyridine 110-86-1 0,9
Respirabel PVC-stof 9002-86-2 0,542Deze waarde treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Seleenhexafluoride (als Se) 7783-79-1 0,2
Seleenwaterstof (als Se) 5-7-7783 0,1
Seleen en -verbindingen (als Se) 7782-49-2 0,1
Stikstofdioxide 10102-44-0 4
Styreen 100-42-5 107
Talk (vrij van asbestvezels) 14807-96-6 1 37Voor respirabel talkstof.
o-, m- en p-terfenyl (mengsel) 26140-60-3 0,5
Tetrachloorethyleen 127-18-4 13841Deze waarde treedt in werking met ingang van 1 maart 2004.
Tetrahydrofuraan 109-99-9 300 H
Tetramethylsuccinonitril 40Tetramethylsuccinonitril is een stof die ontstaat als azobisisobutyronitril (AIBIN) ontleedt ten gevolge van verhitting. 3333-52-6 0,2
Thallium en in water oplosbare thalliumverbindingen 7440-28-0 0,0241Deze waarde treedt in werking met ingang van 1 maart 2004. H
Thioureum 62-56-6 0,5 H
Tolueen 108-88-3 150
2,6-Tolueendiisocyanaat 91-08-7 0,04 0,15
2,4-Tolueendiisocyanaat 584-84-9 0,04 0,15
Tricarbonyl(eta- 12079-65-1 0,1 0,3 H
cyclopentadiënyl)mangaan (als Mn)
1,1,1-Trichloorethaan 71-55-6 555
Trichloorethyleen 79-01-6 190 538
Trichloorfenoxyazijnzuur (2,4,5-T) 93-76-5 141Deze waarde treedt in werking met ingang van 1 maart 2004.
Triethylamine 121-44-8 20 40 H
Trimethylamine 75-50-3 1
Vanadium-oxides (als V) 0,01 0,03
Vanadium-halides (als V) 0,01 0,03
Vanadium-sulfaat (als V) 1344-64-5 0,01 0,03
Vanadaten (als V) 0,01 0,03
Vanadium-metaal (als V) 7440-62-2 0,5
Vanadium-legeringen (als V) 0,5
Vanadium-carbide (als V) 12070-10-9 0,5
Xyleen 38Blootstelling van zwangere vrouwen aan xyleen dient vermeden te worden. (o-, m- en p-isomeren) 1330-20-7 210 H
IJzerpantacarbonyl 13463-40-6 0,05
(gemeten als FE)
IJzerzout van dicyclopentadieen 102-54-5 0,141Deze waarde treedt in werking met ingang van 1 maart 2004.
Zwaveldioxide 5-9-7446 5
Zwavelkoolstof 75-15-0 30 H

Bijlage VII. behorend bij artikel 4.20 eerste lid

Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen

CAS nummer

Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de "Chemical Abstract Service" is geregistreerd.

TGG

Tijd Gewogen Gemiddelde.

H (Huidopname)

Stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregelen ter voorkoming van huidcontact worden genomen.

Inhaleerbaar / respirabel stof

Voor stoffen die ook als deeltjes/aerosolen kunnen voorkomen geldt dat de grenswaarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als "inhaleerbaar stof", tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stof en meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481: 1994.

Respirabele vezels

Respirabele vezels worden als volgt gedefinieerd: vezels die langer zijn dan 5 micrometer, met een diameter kleiner dan 3 micrometer en die een lengte/breedte-verhouding hebben van meer dan 3/1. Voor minerale wolvezels geldt nog het extra criterium dat de vezels korter moeten zijn dan 200 micrometer.

De hieronder vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20° C en een druk van 101,3 kPa.

ISO-naam van de stof CAS nummer TGG 8 uur mg/m3 TGG 15 min mg/m3 H
Aflatoxines 0,005 1µg/m3.
Arseenpentoxide (als As) 1303-28-2 0,025 0,05
Arseentrioxide (als As) 1327-53-3 0,025 0,05
Arseenzuur (als As) 7778-39-4 0,025 0,05
in water oplosbare zouten van arseenzuur 0,025 0,05
(als As)
in water onoplosbare zouten van arseenzuur 0,05 0,1
(als As)
Bariumchromaat (als Cr) 10294-40-3 0,025
Benzeen 71-43-2 3,25 H
Benzine 2Als brandstof voor verbrandingsmotoren. 240 480
1,3-Butadieen 106-99-0 46,2
Cadmiumchloride (als 10108-64-2 0,005
Cd)
Cadmiumoxide 1306-19-0 0,005
(rook)(als Cd)
Cadmiumsulfaat (als 10124-36-4 0,005
Cd)
Calciumchromaat (als Cr) 13765-19-0 0,01
Carbadox 5-7-6804 0,003
Chroom III chromaat (als Cr) 24613-89-6 0,01
Chroom (VI)-oplosbare verbindingen 0,025 0,05 H
Chroomtrioxide (als Cr) 1333-82-0 0,025 0,05
1,2-Dibroomethaan 106-93-4 0,002
1,2-Dichloorethaan 107-06-2 7 3Deze waarde geldt niet in perioden waarin productieprocessen worden stilgelegd en opnieuw worden opgestart ten behoeve van het plegen van onderhoud aan de installatie. Tijdens deze perioden dient de blootstellingsconcentratie zo laag mogelijk te zijn, maar in elk geval lager dan 20 mg/m3 (als TGG 8 uur), waarbij tevens aanvullende maatregelen genomen dienen te worden om de gezondheidsrisico's van blootstelling voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
2,2'-Dichloor-4,4'- 101-14-4 0,02 14Deze waarde geldt met ingang van 1 april 2002. H
Methyleendianiline
Epichloorhydrine 106-89-8 1,9 15Deze waarde geldt niet in perioden waarin productieprocessen worden stilgelegd en opnieuw worden opgestart ten behoeve van het plegen van onderhoud aan de installatie. Tijdens deze perioden dient de blootstellingsconcentratie zo laag mogelijk te zijn, maar in elk geval lager dan 20 mg/m3 (als TGG 8 uur), waarbij tevens aanvullende maatregelen genomen dienen te worden om de gezondheidsrisico's van blootstelling voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
1,2-Epoxypropaan 75-56-9 6 4Deze waarde geldt niet in perioden waarin productieprocessen worden stilgelegd en opnieuw worden opgestart ten behoeve van het plegen van onderhoud aan de installatie. Tijdens deze perioden dient de blootstellingsconcentratie zo laag mogelijk te zijn, maar in elk geval lager dan 19 mg/m3 (als TGG 8 uur), waarbij tevens aanvullende maatregelen genomen dienen te worden om de gezondheidsrisico's van blootstelling voor de betrokken werknemers zoveel mogelijk te beperken. Deze waarde treedt in werkin g met ingang van 1 april 2003.
Ethyleenoxide 75-21-8 0,84
Hardhoutstof 5Definitie van hardhout volgens de International Agency for Research on Cancer (IARC) van hout op basis van botanische krakteristiek: hout van bedektzadigen=hardhout. 2
Hexachloorbenzeen 118-74-1 0,03
Keramische vezels 0,5 6Respirabele vezels per cm3 lucht, TGG 8 uur.
Loodchromaat (als Cr) 7758-97-6 0,025
2-Methylaziridine 75-55-8 0,6 10µg/m3., 11Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001.
4,4'- 101-77-9 0,2 H
Methyleendianiline
2-Nitropropaan 79-46-9 0,036 12Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 3,6 mg/m3
N-nitrosodimethylamin e 62-75-9 0,001 13Deze waarde geldt met ingang van 1 januari 2002.
Silicium(di)oxide:
kwarts 14808-60-7 0,075 7Voor respirabel stof. Voor de bouwnijverheid geldt een wettelijke grenswaarde van 0,15 mg/m3.
cristoballiet 14464-46-1 0,075 8Voor respirabel stof.
tridymiet 15468-32-3 0,075 9Voor respirabel stof.
Strontiumchromaat (al Cr) s 7789-06-2 0,01
1,2,3-Trichloorpropaa n 96-18-4 0,108 H
Vinylbromide 593-60-2 0,012
Vinylchloridemonomeer 75-01-4 7,77
Zinkchromaat (als Cr) 13530-65-9 0,01

Bijlage XVII. behorend bij artikel 6.7

Met betrekking tot het arbeidsgezondheidskundig onderzoek van personen die duikarbeid, caissonarbeid, of overige arbeid onder overdruk verrichten:

Een persoon die wordt belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk:

  • moet onbelemmerd zijn werkzaamheden onder overdruk kunnen uitvoeren, onder fysiek zware omstandigheden kunnen zwemmen/lopen, communiceren en de verantwoordelijkheid psychisch aankunnen;
  • mag zichzelf of een ander lid van het team niet in gevaar brengen door een medische aandoening bij werkzaamheden onder overdruk zoals bewustzijnsverlies, oriëntatieverlies of paniekaanval;
  • mag geen aandoening hebben die ten gevolge van arbeid onder overdruk kan verergeren;
  • mag geen aandoening hebben die aanleiding kan geven tot het ontstaan van een duikerziekte zoals decompressieziekte of barotrauma.

De keuring voor aanvang van de arbeid onder overdruk dient door een duikerarts met het certificaat duikerarts B uitgevoerd te worden in een voldoende toegerust centrum om alle aspecten te kunnen onderzoeken. Periodieke keuringen kunnen ook door artsen met het certificaat duikerarts A worden uitgevoerd. Na een doorgemaakte duikerziekte - zoals decompressieziekte, luchtembolie of aandoening genoemd als absolute contra-indicatie dient het medisch onderzoek plaats te vinden door een duikerarts met het certificaat duikerarts B.

Ten minste dienen de volgende aspecten onderzocht te worden:

CI Onderzoek/Biometrie
1 Infectieziekten
- indien R
onbehandeld
2 Endocriene organen
- diabetes mellitus A
3 Psychische aandoeningen
- Psychosyndromen en psychotische A
toestandsbeelden
- claustrofobie A
4 Zenuwstelsel * baseline
- episoden van bewustzijnsverlies, convulsies, neurologische status
gezichtsverlies, verlies motoriek * visus
en/of oriëntatie A
- duizeligheid A
- epilepsie A
5 Tractus circulatorius * ergometrie
- septumdefecten A
- angina pectoris A
- decompensatio A
cordis
- myocard infarct A
- arrythmiën R
- hypertensie R
6 Tractus respiratorius * 1ste keuring : X-thorax
- luchtembolie A * longfunctieonderzoek
- CARA A
7 Tractus digestivus
- hiatus herniae/abdominale hernia R
- acute en/of chronische hepatitis of - A
pancreatitis
- haemorrhoiden R
8 Tractus urogenitalis * urineonderzoek
- aandoeningen met abnormale A
nierfunctie
9 Keel-Neus-Oor * toonaudiogram
- chronische otitis media A
- middenoor plastieken A
- M. Ménière A
- mastoiditis A
- gebitstoestand (losse elementen) R
10 Haematologie * volledig
- thallassaemia major A bloedbeeld incl. Hb,
Ht en leucocyten
* glucose
* sikkelcel
uitsluiten op indicatie
11 Overige aandoeningen
- maligniteit R

CI (contraindicatie): A = absoluut, R = relatief (meestal tot correctie)

Bijlage XVIII. behorend bij artikel 8.10

Intrinsieke kenmerken:

  • rond;
  • zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn. De rode kleur beslaat ten minste 35% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • driehoekig;
  • zwart pictogram op gele achtergrond, zwarte rand. De gele kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • rond;
  • wit pictogram op blauwe achtergrond. De blauwe kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord

Intrinsieke kenmerken:

  • rechthoekig of vierkant;
  • wit pictogram op groene achtergrond. De groene kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • rechthoekig of vierkant;
  • wit pictogram op rode achtergrond. De rode kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Bijlage XIX. behorend bij artikel 8.26

A. Algemene Gebaren A. Algemene Gebaren A. Algemene Gebaren
Betekenis Beschrijving Illustratie
BEGIN Pas op! Begin van commando Beide armen zijn horizontaal gestrekt met de handpalmen naar boven
STOP Onderbreking Einde van de beweging  De rechterhand is opgeheven en de rechterhandpalm naar voren gehouden
EINDE Einde van de werkzaamheden Beide handen zijn ter hoogte van de borst samengevoegd
B. Verticale bewegingen B. Verticale bewegingen B. Verticale bewegingen
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
HIJSEN Met de opgeheven rechterarm en naar voren gebrachte rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt
VIEREN Met de naar beneden gerichte rechterarm en naar binnen gehouden rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt
VERTICALE AFSTAND De afstand wordt met de handen aangegeven
C. Horizontale bewegingen C. Horizontale bewegingen C. Horizontale bewegingen
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
VOORUIT Beide armen worden gebogen, palmen worden naar binnen gehouden en met de voorarmen worden trage bewegingen naar het lichaam toe gemaakt
ACHTERUIT Beide armen worden gebogen, beide handpalmen worden naar buiten gehouden, met de voorarmen worden trage beweging van het lichaam af gemaakt
NAAR RECHTS ten opzichte van de signaalgever Met de ongeveer horizontaal gestrekte rechterarm en de naar beneden gehouden rechterhandpalm worden trage, richting aanwijzende bewegingen gemaakt
NAAR LINKS ten opzichte van de signaalgever Met de ongeveer horizontaal gestrekte linkerarm en de naar beneden gehouden linkerhandpalm worden trage richtingaanwijzende bewegingen gemaakt
HORIZONTALE AFSTAND De afstand wordt met de handen aangegeven
D. Gevaar D. Gevaar D. Gevaar
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
GEVAAR Beide handen opgeheven, handpalmen naar voren
SNELLE BEWEGING De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de beweging worden zeer snel uitgevoerd
TRAGE BEWEGING De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de bewegingen worden zeer langzaam uitgevoerd
Artikel 2.0. Vastlegging preventiebeleid voor zware ongevallen

Bij de vastlegging van het preventiebeleid voor zware ongevallen wordt een beschrijving gegeven van:

  • a. de hoofdlijnen van de aard en de omvang van de risico’s van zware ongevallen;
  • b. de beginselen die ten grondslag liggen aan het veiligheidsbeheerssysteem en die inzicht bieden in de samenhang tussen het beleid en het veiligheids-beheerssysteem;
  • c. de criteria die worden toegepast bij de vaststelling van de risico’s van zware ongevallen; en
  • d. de beginselen die ten grondslag liggen aan de maatregelen die zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen en die inzicht bieden in de samenhang tussen die maatregelen en de risico’s van zware ongevallen.
Artikel 2.0a. Procedures voor de identificatie en evaluatie van de gevaren en risico’s van zware ongevallen
1.

De procedures voor de systematische identificatie en evaluatie van de gevaren en risico’s van zware ongevallen, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, onder a, van het besluit, hebben in ieder geval betrekking op:

  • a. het verrichten van systematisch onderzoek naar de aan een installatie verbonden risico’s van een zwaar ongeval tijdens het ontwerp, de bouw, het gebruik en het onderhoud van de installatie, alsmede bij voorgenomen wijzigingen ervan;
  • b. de criteria voor het bepalen van de methoden voor het onderzoek, bedoeld onder a; en
  • c. de methode voor de evaluatie van de gevaren en risico’s van zware ongevallen.
2.

De onderzoeksmethode, bedoeld in het eerste lid, onder b, is afgestemd op de fasen, bedoeld in het eerste lid, onder a.

3.

De onderzoeksmethode, bedoeld in het eerste lid, onder c, is geschikt om vast te stellen welke maatregelen nodig zijn ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen ervan.

Artikel 2.0b. Beschrijving scenario’s
1.

De beschrijving van de scenario’s, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, onder b, van het besluit, heeft betrekking op de onderdelen van installaties die de grootste risico’s van een zwaar ongeval met zich meebrengen. De identificatie van de betreffende onderdelen van de installaties vindt plaats op basis van een gedocumenteerde methode.

2.

Bij de beschrijving van de scenario’s, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de elementen aan de orde, genoemd in bijlage Ia bij deze regeling.

Artikel 2.0c. Veiligheidsbeheerssysteem

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, eerste lid, van het besluit komen in ieder geval de elementen aan de orde, genoemd in bijlage Ib bij deze regeling.

Paragraaf 2.1. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie

Paragraaf 2.3. Certificatie

Paragraaf 2.4. EG-verklaring

Hoofdstuk 3. Bouwproces en winningsindustrieën met behulp van boringen

Paragraaf 2.4. EG-verklaring

Paragraaf 2.5. Vrijstelling

Hoofdstuk 4. Gevaarlijke Stoffen

Paragraaf 3.3. Winningsindustrieën voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen

Paragraaf 4.2a. Veilig werken met professioneel vuurwerk

Paragraaf 4.3. Beoordeling risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie

Paragraaf 4.1a. Werkpleketikettering

Paragraaf 4.1a. Werkpleketikettering

Paragraaf 4.4b. Kankerverwekkende processen

Paragraaf 4.4. Wettelijke grenswaarden

Paragraaf 4.4b. Kankerverwekkende processen

Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid

Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid

Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen

Paragraaf 6.2. Opleidingen

Paragraaf 6.1. Certificatie

Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en Slotbepalingen

Bijlage I. behorend bij artikel 1.10

1. Werkgever

Naam:

Adres:

(geen Postbusnummer)

Postcode en plaats:

Registratienummer Kamer van Koophandel:

(voorzover van toepassing)

Aantal werkzame personen:

2. Getroffene(n)

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Geboortedatum en geslacht:

Nationaliteit:

De getroffene is: werknemer/stagiair/uitzendkracht/leerling/student/overig *doorhalen wat niet van toepassing is

Datum indiensttreding:

Soort letsel:

Plaats van het letsel:

Noodzaak ziekenhuisopname: ja/nee*

Dodelijke afloop: ja/nee*

Vermoedelijke verzuimduur:

3. Omstandigheden van het arbeidsongeval

Plaats van het arbeidsongeval:

Indien het arbeidsongeval niet plaatsvond op het adres van de werkgever tevens:

Naam bedrijf (voorzover van toepassing):

Adres:

Postcode en plaats:

Datum en tijdstip arbeidsongeval:

Direct voorafgaand aan het arbeidsongeval door getroffene verrichte werkzaamheden:

Aard van het arbeidsongeval:

Eventueel betrokken arbeidsmiddelen of stoffen:

Bijlage I. behorend bij artikel 1.10

1. Werkgever

Naam:

Adres:

(geen Postbusnummer)

Postcode en plaats:

Registratienummer Kamer van Koophandel:

(voorzover van toepassing)

Aantal werkzame personen:

2. Getroffene(n)

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Geboortedatum en geslacht:

Nationaliteit:

De getroffene is: werknemer/stagiair/uitzendkracht/leerling/student/overig *doorhalen wat niet van toepassing is

Datum indiensttreding:

Soort letsel:

Plaats van het letsel:

Noodzaak ziekenhuisopname: ja/nee*

Dodelijke afloop: ja/nee*

Vermoedelijke verzuimduur:

3. Omstandigheden van het arbeidsongeval

Plaats van het arbeidsongeval:

Indien het arbeidsongeval niet plaatsvond op het adres van de werkgever tevens:

Naam bedrijf (voorzover van toepassing):

Adres:

Postcode en plaats:

Datum en tijdstip arbeidsongeval:

Direct voorafgaand aan het arbeidsongeval door getroffene verrichte werkzaamheden:

Aard van het arbeidsongeval:

Eventueel betrokken arbeidsmiddelen of stoffen:

Bijlage I. behorend bij artikel 2.0

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen aan de orde:

  • a. die onderdelen van het algemene managementsysteem waartoe de organisatorische structuur, de verantwoordelijkheden, de gebruiken, de procedures, de toegepaste werkmethoden en productiemethoden en de hulpmiddelen behoren welke het mogelijk maken het beleid ter voorkoming van zware ongevallen te bepalen en uit te voeren;
  • b. de organisatie en het personeel: de taken en verantwoordelijkheden van het personeel dat op alle organisatorische niveaus bij het beheersen van de risico’s van zware ongevallen is betrokken, het onderkennen van de behoeften aan opleiding van dat personeel, de organisatie van die opleiding en de deelname daaraan door het personeel, de aannemers en de onderaannemers;
  • d. het toezicht op de uitvoering: de vaststelling en de toepassing van procedures en instructies voor de beheersing van de veiligheid van de bedrijfsvoering, met inbegrip van het onderhoud van de installaties en de tijdelijke onderbrekingen;
  • e. de wijze waarop wordt gehandeld bij wijzigingen: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de planning van wijzigingen met betrekking tot het bedrijf of de inrichting of een onderdeel daarvan of de toegepaste werkmethoden en productiemethoden dan wel met betrekking tot het ontwerpen van nieuwe werkmethoden of productiemethoden;
  • f. de planning voor noodsituaties: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de systematische identificatie van noodsituaties alsmede voor het uitwerken, beoefenen, en toetsen van de noodplannen. Bij het oefenen van noodplannen worden alle werknemers op de locatie betrokken, met inbegrip van relevante aannemers en onderaannemers;
  • g. het toezicht op de prestaties: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de permanente beoordeling van de inachtneming van de doelstellingen van het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en van het veiligheidsbeheerssysteem, alsmede de invoering van regelingen voor onderzoek en correctie bij het niet in acht nemen daarvan. Tot deze procedures behoren het systeem voor de melding van zware ongevallen en bijna-ongevallen, met name die waarbij de beschermende maatregelen hebben gefaald, het onderzoek daarnaar en de nazorg, een en ander op grond van de ervaringen uit het verleden;
  • h. audits en beoordeling: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de systematische periodieke evaluatie van het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en van de doeltreffendheid en van de deugdelijkheid van het veiligheidsbeheerssysteem alsmede voor de met documenten gestaafde analyse door de werkgever van de resultaten van het gevoerde beleid, van het veiligheidsbeheerssysteem en van de actualisering daarvan.

Bijlage II. behorend bij artikel 2.0c

Het intern noodplan als bedoeld in artikel 2.5c van het besluit bevat de volgende gegevens en beschrijvingen:

  • a. de naam en functie van de personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te laten treden en van de persoon die belast is met de leiding en coördinatie van de maatregelen ter bestrijding van een ongeval binnen het bedrijf of inrichting;
  • b. de naam en functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe noodplan verantwoordelijke autoriteiten;
  • c. voor voorzienbare omstandigheden of gebeurtenissen die een doorslaggevende rol kunnen spelen bij het ontstaan van een zwaar ongeval, een beschrijving van de te nemen maatregelen ter beheersing van de toestand of de gebeurtenis en ter beperking van de gevolgen daarvan, met inbegrip van een beschrijving van de beschikbare veiligheidsuitrusting en middelen;
  • d. de maatregelen ter beperking van het risico voor personen binnen het bedrijf of de inrichting, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;
  • e. de regelingen om de autoriteit die verantwoordelijk is voor het in werking laten treden van het externe noodplan bij een ongeval snel in te lichten, de inlichtingen die onmiddellijk moeten worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger inlichtingen, wanneer deze beschikbaar komen;
  • f. de regelingen om de werknemers op te leiden voor het vervullen van de taken die van hen verwacht worden en indien nodig de coördinatie hiervan met de externe hulpdiensten;
  • g. de regelingen voor de verlening van steun aan externe bestrijdingsmaatregelen.

In enkele gevallen heeft de regeling betrekking op een onderdeel van een groter bedrijfsmiddel. Alleen indien een bepaald type van het beoogde bedrijfsmiddel wordt aangeschaft, komen de kosten daarvan in aanmerking voor een beroep op de regeling; het geheel waartoe het bedrijfsmiddel behoort daarentegen komt niet voor een beroep op de regeling in aanmerking. Om nu in de praktijk verwarring te voorkomen, wordt bij sommige bedrijfsmiddelen het beroep op de regeling aan een maximumbedrag gebonden.

Voor gevaarlijke stoffen die vallen onder de gevarencategorieën opgenomen in kolom 1 van deel 1 van deze lijst, gelden de in kolom 2 van deel 1 van deze lijst opgenomen drempelwaarden.

4. Ondertekening

1. Werkzaamheden

1 TGG 1 minuut

Respirabele vezels

Ondergetekenden,

Artikel 5:. melding door de Certificerende Instelling aan de Nederlandse Arbeidsinspectie van categorie III en IV afwijkingen (bijlage H van SC 530)

De hercertificatie van beperkt duikmedisch begeleider (EHBO Duikarbeid/WSCS-WOD-B-B1)) en duikmedisch begeleider (mad A/WSCS-WOD-B-B2)) wordt beoordeeld door middel van een documentenonderzoek en een theorie- en praktijkexamen. Bij het documentenonderzoek moet een getuigschrift of diploma kunnen worden overlegd van een herhalingsopleiding duikmedisch begeleider dat niet ouder is dan 3 maanden.

Het af te leggen praktijk- en theorie-examen is gelijk als bij initiële certificatie.

De kandidaat moet de documenten volledig aan de certificerende instelling overleggen. De certificerende instelling mag desalniettemin het initiatief nemen om de documenten te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven.

De hercertificatie met de aantekening van uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) wordt beoordeeld door middel van een documentenonderzoek bestaande uit:

De kandidaat moet de documenten volledig aan de certificerende instelling overleggen. De certificerende instelling mag desalniettemin het initiatief nemen om de documenten te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven.

De certificerende instelling controleert jaarlijks of de uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) de ziekenhuisstage onder begeleiding van een arts tijdig heeft herhaald.

Bijlage XVIe. behorend bij Artikel 6.6, 1e lid

Bijlage XIIId. behorend bij Artikel 4.27

Vervallen

Bijlage XVIe. behorend bij Artikel 6.6, 1e lid

Bijlage V. behorende bij artikel 4.16, eerste lid, onder a

Vervallen

Bijlage VA. behorend bij artikel 4.17b, eerste lid, onder a

Vervallen

1. Inleiding

2. Definities

2. Definities

3.1. Algemeen

Indien de definities in dit document afwijken van de definities in NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 en de mandatory documents, gelden de definities van dit document.

Bijlage IXA. behorend bij artikel 6.7

Met betrekking tot het arbeidsgezondheidskundig onderzoek van personen die duikarbeid, caissonarbeid, of overige arbeid onder overdruk verrichten:

Een persoon die wordt belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk:

  • moet onbelemmerd zijn werkzaamheden onder overdruk kunnen uitvoeren, onder fysiek zware omstandigheden kunnen zwemmen/lopen, communiceren en de verantwoordelijkheid psychisch aankunnen;
  • mag zichzelf of een ander lid van het team niet in gevaar brengen door een medische aandoening bij werkzaamheden onder overdruk zoals bewustzijnsverlies, oriëntatieverlies of paniekaanval;
  • mag geen aandoening hebben die ten gevolge van arbeid onder overdruk kan verergeren;
  • mag geen aandoening hebben die aanleiding kan geven tot het ontstaan van een duikerziekte zoals decompressieziekte of barotrauma.

De keuring voor aanvang van de arbeid onder overdruk dient door een duikerarts met het certificaat duikerarts B uitgevoerd te worden in een voldoende toegerust centrum om alle aspecten te kunnen onderzoeken. Periodieke keuringen kunnen ook door artsen met het certificaat duikerarts A worden uitgevoerd. Na een doorgemaakte duikerziekte - zoals decompressieziekte, luchtembolie of aandoening genoemd als absolute contra-indicatie dient het medisch onderzoek plaats te vinden door een duikerarts met het certificaat duikerarts B.

Ten minste dienen de volgende aspecten onderzocht te worden:

CI Onderzoek/Biometrie
1 Infectieziekten
- indien R
onbehandeld
2 Endocriene organen
- diabetes mellitus A
3 Psychische aandoeningen
- Psychosyndromen en psychotische A
toestandsbeelden
- claustrofobie A
4 Zenuwstelsel * baseline
- episoden van bewustzijnsverlies, convulsies, neurologische status
gezichtsverlies, verlies motoriek * visus
en/of oriëntatie A
- duizeligheid A
- epilepsie A
5 Tractus circulatorius * ergometrie
- septumdefecten A
- angina pectoris A
- decompensatio A
cordis
- myocard infarct A
- arrythmiën R
- hypertensie R
6 Tractus respiratorius * 1ste keuring : X-thorax
- luchtembolie A * longfunctieonderzoek
- CARA A
7 Tractus digestivus
- hiatus herniae/abdominale hernia R
- acute en/of chronische hepatitis of - A
pancreatitis
- haemorrhoiden R
8 Tractus urogenitalis * urineonderzoek
- aandoeningen met abnormale A
nierfunctie
9 Keel-Neus-Oor * toonaudiogram
- chronische otitis media A
- middenoor plastieken A
- M. Ménière A
- mastoiditis A
- gebitstoestand (losse elementen) R
10 Haematologie * volledig
- thallassaemia major A bloedbeeld incl. Hb,
Ht en leucocyten
* glucose
* sikkelcel
uitsluiten op indicatie
11 Overige aandoeningen
- maligniteit R

CI (contraindicatie): A = absoluut, R = relatief (meestal tot correctie)

Bijlage IXB

Vervallen

Bijlage XA

Vervallen

Bijlage XB. behorend bij artikel 7.7, eerste lid, onder a

  • Eindtermen met betrekking tot torenkranen van de categorieën mobiele torenkraan, toptorenkraan of loopkat-torenkraan
  • het met torenkranen van de betrokken categorie kunnen uitvoeren van alle bewegingen teneinde werkzaamheden te kunnen verrichten waarvoor deze machines bestemd zijn;
  • het kunnen werken met hijstabellen van torenkranen van de betrokken categorie;
  • het kunnen beoordelen van de bodemgesteldheid onder en in de omgeving van torenkranen;
  • het kunnen werken op en met dragline-schotten;
  • het met torenkranen van de betrokken categorie kunnen uitvoeren van door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins gegeven opdrachten tot het verplaatsen van zich zowel binnen als buiten gezichtsbereik bevindende lasten, in soort en gewicht verschillend, waarbij twee of meer kraanbewegingen tegelijkertijd worden uitgevoerd;
  • het door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins kunnen geven van opdrachten tot het verplaatsen van lasten;
  • het globaal kunnen bepalen van de massa van lasten;
  • het kunnen aanslaan van lasten;
  • het kunnen inschatten van de invloed van weersomstandigheden;
  • het kunnen inspecteren van torenkranen van de betrokken categorie en de ondersteuning (zoals kraanbanen en schotten), met inbegrip van de beveiligingen, alsmede het kunnen onderkennen en lokaliseren van storingen en gebreken aan de betrokken torenkranen, ondersteuning en beveiligingen, en het kunnen verrichten van eenvoudige herstelwerkzaamheden overeenkomstig de fabrikanteninstructies;
  • het kunnen onderkennen van slijtageverschijnselen aan het hijsgereedschap en de hijsmiddelen;
  • het kunnen uitvoeren van de volgende onderhoudswerkzaamheden:
  • 1°. het smeren van torenkranen;
  • 2°. het verversen van de olie, zoals van de verbrandingsmotor en van het hydraulisch systeem;
  • 3°. het schoonmaken van de in diverse systemen voorkomende filters;
  • 4°. het afstellen van in torenkranen voorkomende aandrijfsystemen en remmen;
  • 5°. het vernieuwen van de staalkabels;
  • 6°. het verrichten van eenvoudige herstelwerkzaamheden aan kraanbanen;
  • het kunnen nemen van passende veiligheidsmaatregelen;
  • het kunnen schrijven van een eenvoudig rapport en het kunnen bijhouden van een kraanboek;
  • kennis hebben van:
  • 1°. de beveiliging van torenkranen;
  • 2°. de verschillende soorten torenkranen, de wijze van opstellen en in gebruik stellen hiervan, en de gebruiksmogelijkheden van elke soort;
  • 3°. de aan de ondergrond en kraanbanen, waarop torenkranen werken, te stellen eisen;
  • 4°. het materieel en gereedschappen, zoals die bij het werken met of aan torenkranen werden gebruikt, alsmede het onderhoud van dat materieel en gereedschappen, de normen tot afkeuring daarvan en de voorschriften voor opslag;
  • enige kennis hebben van:
  • 1°. de werking en het onderhoud van de in torenkranen in gebruik zijnde aandrijfsystemen en apparatuur;
  • 2°. de leer van hydrauliek en pneumatiek, de toepassing en het onderhoud van in torenkranen toegepaste hydraulische en pneumatische systemen;
  • 3°. natuurkunde en mechanica;
  • 4°. elektriciteit in het algemeen en elektrische installaties van torenkranen;
  • 5°. het berekenen van lasten;
  • 6°. de invloed van de weersomstandigheden;
  • 7°. de voor een machinist van een torenkraan van belang zijnde wettelijke bepalingen en andere voorschriften zoals normbladen;
  • 8°. de organisatie op bouwplaatsen en de taak, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van een machinist van een torenkraan, een opzichter en een uitvoerder.
  • Eindtermen met betrekking tot mobiele kranen van de categorieën mobiele kraan op rupsen, autotruck/ruwterrein-kraan/wegterreinkraan, grondverzetmachine met hijsfunctie of autolaadkraan
  • Het met mobiele kranen van de betrokken categorie en de daarbij behorende hulpmiddelen, zoals hulpgieken, kunnen uitvoeren van alle bewegingen teneinde werkzaamheden te kunnen verrichten waarvoor deze machines bestemd zijn;
  • het kunnen werken met hijstabellen van mobiele kranen van de betrokken categorie;
  • het kunnen beoordelen van de bodemgesteldheid onder en in de omgeving van mobiele kranen;
  • het kunnen werken op en met dragline-schotten;
  • het met mobiele kranen van de betrokken categorie kunnen uitvoeren van door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins gegeven opdrachten tot het verplaatsen van zich zowel binnen als buiten gezichtsbereik bevindende lasten, in soort en gewicht verschillend, waarbij twee of meer kraanbewegingen tegelijkertijd worden uitgevoerd;
  • het door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins kunnen geven van opdrachten tot het verplaatsen van lasten;
  • het globaal kunnen bepalen van de massa van lasten;
  • het kunnen aanslaan van lasten;
  • het kunnen inschatten van de invloed van weersomstandigheden;
  • het kunnen inspecteren van mobiele kranen van de betrokken categorie met de daarbij behorende hulpmiddelen en de ondersteuning (zoals schotten), met inbegrip van de beveiligingen, alsmede het kunnen onderkennen en lokaliseren van storingen en gebreken aan de betrokken mobiele kranen met de daarbij behorende hulpmiddelen, de ondersteuning en de beveiligingen en het kunnen verrichten van eenvoudige herstelwerkzaamheden overeenkomstig de fabrikanteninstructies;
  • het kunnen onderkennen van slijtageverschijnselen aan het hijsgereedschap en de hijsmiddelen;
  • het kunnen uitvoeren van de volgende onderhoudswerkzaamheden:
  • 1°. het smeren van mobiele kranen;
  • 2°. het verversen van de olie, zoals van de verbrandingsmotor en van het hydraulisch systeem;
  • 3°. het schoonmaken van de in diverse systemen voorkomende filters;
  • 4°. het afstellen van in mobiele kranen voorkomende aandrijfsystemen en remmen;
  • 5°. het vernieuwen van de staalkabels;
  • het kunnen nemen van passende veiligheidsmaatregelen;
  • het kunnen schrijven van een eenvoudig rapport en het kunnen bijhouden van een kraanboek;
  • kennis hebben van:
  • 1°. de beveiliging van mobiele kranen;
  • 2°. de verschillende soorten mobiele kranen, de wijze van opstellen en in gebruik stellen hiervan, en de gebruiksmogelijkheden van elke soort;
  • 3°. de aan de ondergrond, waarop mobiele kranen werken, te stellen eisen;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)