Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-19
State In force
Source BWB
artikelen 454
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

5.4.1. Beslotenheid

5.4. Eisen te stellen aan het examen

5.4.1. Beslotenheid

5.4.2. Algemene regels

6. Toezicht

6.1. Medewerking aan toezicht

6.2. Frequentie van het toezicht

6.2. Frequentie van het toezicht

6.3. Uitvoering van het toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.5. Maatregelen

6.3.2. Beoordeling van een praktijkverrichting

6.4. Verslag van bevindingen

11.2.1. Hercertificatie

6.4. Verslag van bevindingen

6.5.1. Schorsing

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

6.4.10. Werkplekinspecties

6.5.3. Weigering

7. Onderwerp van de certificatie

7. Onderwerp van de certificatie

9. Eindtermen

8. Entreecriteria

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10.1. Toetstermen

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10.1. Toetstermen

10.2. Beoordelingsmethode

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

11.2. Beoordelingsmethode

10.3. Uitslagregel van het examen

11. Hercertificatie

11. Hercertificatie

11.2.1. Hercertificatie

11.2.1. Hercertificatie

11.2.2. Hercertificatie uitgebreid duikmedische begeleider (WSCS-WOD-B-B3)

13. Geldigheidscondities

11.3. Cesuur van de beoordeling

12. Certificaat

13. Geldigheidscondities

13. Geldigheidscondities

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikploegleider bij de brandweer

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikploegleider bij de brandweer

1. Inleiding

3.1. Algemeen

3. Werkveldspecifieke kenmerken

4.3. Certificatiebeslissing

4.1. Doelstelling

4. Certificatiereglement

4.1. Doelstelling

4.2. Certificatieprocedure

4.4. Geldigheidsduur van het certificaat

4.6. Klachtenregeling

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

4.6.3. Klachtenregeling

4.6.3. Klachtenregeling

1. Inleiding

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.1. Inleiding

4.7.2. Werkwijze

4.7. Bezwaarprocedure

4.7. Bezwaarprocedure

4.7.1. Inleiding

4.7.2. Werkwijze

4.7.3. Procedure

4.7.5. Bestuursrechter

4.9. Norminterpretatie

4.10. Aanvraag van het certificaat bij herintreding

5. Examenreglement

5.1. Algemeen

5.4.1. Beslotenheid

5.2. Uitvoering van het examen

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

5.4.1. Beslotenheid

5.4.2. Algemene regels

4.7. Bezwaarprocedure

6.2. Frequentie van het toezicht

6.3. Uitvoering van het toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

6.3.3. Beoordeling van een praktijkverrichting

6.3.3. Beoordeling van een praktijkverrichting

6.3.4. Beoordeling naar aanleiding van klachten

6.5. Maatregelen

6.5.2. Intrekking

6.5.3. Weigering

8. Entreecriteria

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

7. Onderwerp van de certificatie

7. Onderwerp van de certificatie

8. Entreecriteria

9. Eindtermen

9.2. Duikploegleider

9.2. Duikploegleider

10.1. Toetstermen

10.2. Beoordelingsmethode

10.4. Cesuur van het examen

10.3.2. Toetstermen: Theorie-examen voor duikploegleider

10.4. Cesuur van het examen

10.4. Cesuur van het examen

11. Hercertificatie

11. Hercertificatie

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

11.2. Beoordelingsmethode

11.2. Beoordelingsmethode

11.2.2. Beoordeling duikploegleiderlogboek en toetskaart

11.3. Uitslagregel van de beoordeling

12. Certificaat

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

8. Entreecriteria

9. Eindtermen

8. Entreecriteria

9. Eindtermen

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

11. Hercertificatie

11. Hercertificatie

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

11.2.2. Hercertificatie met aantekening

11.3. Cesuur van de beoordeling

13. Geldigheidscondities

1. Inleiding

2. Definities

3. Werkveldspecifieke kenmerken

3.3. Actieve partijen

4. Certificatiereglement

4.5. Geldigheidscondities

4.6.1. Klachten over de CKI

4.6.3. Klachtenregeling

4.7. Bezwaarprocedure

4.10. Aanvraag van het certificaat bij herintreding

5. Examenreglement

5.1. Algemeen

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

5.4. Eisen te stellen aan het examen

Bijlage XIIa. behorend bij artikel 4.17b

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

6.5.1. Schorsing

6.4. Verslag van bevindingen

6.5.1. Schorsing

6.5.2. Intrekking

6.5.2. Intrekking

6.5.2. Intrekking

6.5.3. Weigering

6.5.3. Weigering

6.5.3. Weigering

6.6. Melding aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

8. Entreecriteria

8. Entreecriteria

9.1. Algemeen

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10.1. Toetstermen

10.1. Toetstermen

10.2. Beoordelingsmethode

10.2. Beoordelingsmethode

10.2.2. Entreecriteria

10.2.3. Algemeen

10.2.3. Algemeen

10.2.5. Theorie-examen voor duikploegleider

10.2.5. Theorie-examen voor duikploegleider

Respirabel/inhaleerbaar stof

10.3. Cesuur van het examen

10.3. Cesuur van het examen

11.3. Uitslagregel van de beoordeling

11.2. Beoordelingsmethode

11.3. Uitslagregel van de beoordeling

12. Certificaat

11.3. Uitslagregel van de beoordeling

13. Geldigheidscondities

12. Certificaat

13. Geldigheidscondities

13. Geldigheidscondities

Hoofdstuk 1. Definities

Hoofdstuk 1. Definities

Paragraaf 4.1. Certificatiereglement

Paragraaf 4.3. Certificatiebeslissing

Paragraaf 5.2. Uitvoering van het examen

Paragraaf 5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

Hoofdstuk 6. Toezicht

Paragraaf 6.2. Frequentie van het toezicht

Paragraaf 6.3. Uitvoering van het toezicht

Paragraaf 6.3.4. Beoordeling naar aanleiding van klachten

Paragraaf 6.3.3. Beoordeling van een praktijkverrichting

Paragraaf 6.5. Maatregelen

Paragraaf 6.5.1. Schorsing

Paragraaf 6.5.4. Waarschuwing

Paragraaf 7.1. Dieper duiken dan aangegeven in de categorie van het certificaat (geldt alleen voor de categorieën A3, B3, B4)

Paragraaf 8.3. C. Gesloten duikklok

Paragraaf 8.3. C. Gesloten duikklok

Paragraaf 8.4.2. Opleidingscurriculum A2 SCUBA (tot en met een diepte van 15 meter)

Paragraaf 8.4.2. Opleidingscurriculum A2 SCUBA (tot en met een diepte van 15 meter)

Paragraaf 8.4.2. Opleidingscurriculum A2 SCUBA (tot en met een diepte van 15 meter)

Paragraaf 8.4.3. Opleidingscurriculum A3 SCUBA (tot en met 30 meter)

Paragraaf 8.4.4. Opleidingscurriculum B0 SSE (geconditioneerde omstandigheden)

Paragraaf 8.4.6. Opleidingscurriculum B2 SSE (tot en met 30 meter)

Paragraaf 8.4.7. Opleidingscurriculum B3 SSE (tot 50 meter)

Paragraaf 8.4.8. Opleidingscurriculum B4 SSE (met open duikklok)

Paragraaf 8.4.8. Opleidingscurriculum B4 SSE (met open duikklok)

Paragraaf 8.4.9. Opleidingscurriculum C Gesloten duikklok (met ademgas)

Paragraaf 8.4.9. Opleidingscurriculum C Gesloten duikklok (met ademgas)

Paragraaf 8.4.9. Opleidingscurriculum C Gesloten duikklok (met ademgas)

Paragraaf 8.6. Beoordeling van de entreecriteria

Paragraaf 8.5. Algemene eisen duiklogboek

Paragraaf 9.1. A. SCUBA

Hoofdstuk 9. Eindtermen

Paragraaf 9.1. A. SCUBA

Paragraaf 9.2. B. SSE

Paragraaf 9.3. C. Gesloten duikklok

Paragraaf 10.1. Toetscriteria

Hoofdstuk 10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

Bijlage XIIId. behorend bij Artikel 4.27

Paragraaf 10.1. Toetscriteria

Paragraaf 10.1.3. C. Gesloten duikklok

Paragraaf 10.2. Beoordeling eindtermen

Paragraaf 10.2.1. Beoordeling opleidingsportfolio

Paragraaf 10.2.2. Theorie-examen A. SCUBA

Paragraaf 10.2.3. Theorie-examen B. SSE

Paragraaf 10.2.4. Theorie-examen C. Gesloten duikklok (met ademgas)

Paragraaf 10.2.5. Uitvoering van het theorie-examen

Paragraaf 10.2.6. Praktijkexamen

Artikel 5. Onpartijdigheid en onafhankelijkheid certificerende instelling

Hoofdstuk 11. Hercertificatie

Paragraaf 11.1. Toetscriteria voor hercertificatie

Paragraaf 11.2.1. Eindtermen doorlopende beroepservaring

Paragraaf 11.5. Ingangsdatum van hercertificatie

Hoofdstuk 12. Certificaat

Hoofdstuk 14. Overgangsbepalingen duikercertificaten

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider

Inhoudsopgave

2. Definities

3.1. Algemeen

2. Definities

3.1. Algemeen

3.4. Risicoanalyse en afbreukcriteria

3.3. Actieve partijen

3.4. Risicoanalyse en afbreukcriteria

4. Certificatiereglement

4.3. Certificatiebeslissing

4.6. Klachtenregeling

4.6.1. Klachten over de CKI

4.6.3. Klachtenregeling

4.6.2. Klachten over het bedrijf of de persoon

4.6.3. Klachtenregeling

4.6.3. Klachtenregeling

6.5.1. Schorsing

4.6.3. Klachtenregeling

6.5.2. Intrekking

6.5.3. Weigering

4.7.1. Inleiding

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

4.7.3. Procedure

4.8. Register voor vakbekwaamheid

4.10. Aanvraag van het certificaat bij herintreding

5.1. Algemeen

5. Examenreglement

5.1. Algemeen

5.1. Algemeen

5.2. Uitvoering van het examen

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

5.4. Eisen te stellen aan het examen

5.4.1. Beslotenheid

5.4.2. Algemene regels

6. Toezicht

6. Toezicht

6.2. Frequentie van het toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.4. Verslag van bevindingen

6.3.2. Beoordeling van een praktijkverrichting

6.4. Verslag van bevindingen

6.4. Verslag van bevindingen

6.5.1. Schorsing

6.5.1. Schorsing

6.5.2. Intrekking

6.5.3. Weigering

6.5.3. Weigering

6.6. Melding aan de Inspectie SZW

7. Onderwerp van de certificatie

8. Entreecriteria

3.3. Actieve partijen

9. Eindtermen

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10.1. Toetstermen

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

10.2. Beoordelingsmethode

10.1. Toetstermen

10.2. Beoordelingsmethode

4.5. Geldigheidscondities

Bijlage XIIIe. behorend bij Artikel 4.28

Bijlage XIIIf. behorend bij Artikel 4.28

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage XIV. behorende bij artikel 4.32a, derde lid, onderdeel a

Belastende situatie in de gebruiksfase Belastingen die een belangrijke toename in de corrosie veroorzaken en/of die hogere eisen stellen aan de prestaties van het verfsysteem nadat het is aangebracht
Beschermingsmaatregel Maatregelen ter bescherming van de gezondheid
Bijzondere belastende omstandigheden Situaties in de gebruikersfase die gelijktijdig een verhoogde kans op corrosie veroorzaken door bij voorbeeld gelijktijdig mechanische en chemische belasting
C1–C5 Corrosiesnelheden gekoppeld aan belastingen met voorbeelden:
C1 Verwarmde gebouwen met een schone atmosfeer b.v. kantoren, winkels, scholen, hotels, woningen.
C2 Onverwarmde gebouwen waar condensatie kan optreden b.v. depots, sporthallen.
C3 Productiehallen met een hoge vochtigheid en enige luchtvervuiling b.v. Voedselverwerkende fabrieken, wasserijen, brouwerijen zuivelindustrie
C4 Productiehallen of gebouwen met een permanente belasting of hoge condensatie b.v. chemische fabrieken, zwembaden
C5 Gebouwen met bijna permanente condensatie of een hoge vervuiling
Dauwpunt De temperatuur waaronder het vocht in de lucht zal condenseren op het oppervlak
Derivaten Afgeleide producten van minerale oliën of combinaties van producten waarin minerale oliën aanwezig zijn
Droge ruimte Een ruimte waarin de relatie luchtvochtigheid en temperatuur van dien aard is dat van een normale geaccepteerde leefomgeving kan worden gesproken, waarin verblijfomstandigheden voor langere duur zijn geaccepteerd
Enige luchtvervuiling Een vervuiling welke incidenteel dan wel permanent wordt gekenmerkt door een chemische verontreiniging welke invloed kan uitoefenen op de kwaliteit van het beschermende verfsysteem
Hoge luchtvervuiling Een vervuiling welke bijna permanent aanwezig is welke gezien de aanwezige chemische stoffen invloed hebben op het verfsysteem en direct negatieve invloed hebben, in corrosieve zin, op een metalen ondergrond
NEN 12944 ( NPR 7452) Norm die de bescherming van metalen door middel van verfsystemen behandelt. In deze norm vertegenwoordigen de aanduidingen C1 t/m C5 corrosiebelastingscategorieën. Aan deze categorie-indeling zijn nu ook vervangings- en beheersmaatregelen gekoppeld.
Onderdompeling langer dan 5 minuten per 24 uur Directe blootstelling aan een vloeistof, welke plaats vindt langer dan 5 minuten en die zoor zijn samenstelling directe deformatie van het beschermende verfsysteem veroorzaakt, dan wel omdat de vloeistof door het verfsysteem heen dringt en dan corrosie van de onderliggende metalen ondergrond veroorzaakt
Schone atmosfeer Een atmosfeer welke zich kenmerkt door zeer weinig of geen verontreiniging en welke gezien wordt als een normale situatie onder normale leefomstandigheden
VOS Vluchtige organische stof. Volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.62a wordt hieronder verstaan: organische verbindingen en mengsels hiervan, die bij 293,15 K (20°C) een dampspanning hebben van ten minste 0,01 kPa, dan wel een overeenkomstige vluchtigheid bij de specifieke gebruiksomstandigheden. Blootstelling aan VOS kan schadelijk zijn voor de gezondheid. VOS moeten zoveel mogelijk worden vervangen. In gevallen waarin vervanging onmogelijk is, moeten beschermingsmaatregelen worden genomen.

Bijlage XV. behorend bij artikel 4.32f, tweede lid, onder a en vierde lid

Groepen VOS 1Het VOS-gehalte is bepaald conform de methodiek ASTM – D 3960-96 voor gebruiksklare mengsels. in het gebruiks-/spuitklare mengsel
Spuitenreinigers 850 gr/liter
Oppervlaktereinigers 200 gr/liter
Washprimers 780 gr/liter
Primer surfacer, 540 gr/liter
1 of 2 component
Sealer 540 gr/liter
1-laags aflaksysteem 420 gr/liter
en chassiscoating
2-laagsaflaksysteem bestaande uit: 420 gr/liter 2Het gemiddelde wordt bepaald door het VOSgehalte per laag te hanteren in de formule (a. L1 + b.L2)/ ( a + b)Dit gemiddelde is gelijk aan of minder dan 420 gram/liter spuitklaar product. Hierbij is L1 het VOS-gehalte van de basiskleurlaag en L2 het VOS-gehalte van de blanke lak, waarbij a en b staan voor de aangemaakte hoeveelheid in gram van resp. L1 en L2. De hoeveelheden hebben betrekking op spuitklare producten en géén van de lagen mag méér VOS bevatten dan 480 gr/liter.
basiskleurlak en blanke lak
Speciale producten 3Speciale producten zijn bedoeld voor speciale behandelingen (zoals bijvoorbeeld motorfietskleuren en speciale designkleuren waar inkten voor worden gebruikt die niet met een gewone basecoat gemaakt kunnen worden) en speciale toepassingen (bijvoorbeeld moeilijk hechtende ondergronden). Deze groep producten betreft ook additieven die worden toegevoegd aan bestaande producten om speciale effecten te realiseren zoals ruwheid, mattering, etc. Dit betekent dat producten waar deze specifieke additieven aan zijn toegevoegd het maximum gehalte aan VOS/liter van dat product kunnen overschrijden. Speciale reinigers (siliconen, lakverwijdering) zijn toegevoegd omdat zij niet onder de aangegeven spuitreinigers en oppervlaktereinigers vallen.De groep speciale producten bevat elastificeermiddelen, (ver)harders, versnellers/activeerders, vertragers, matteringsmiddelen, structuurmiddelen, effectmiddelen, antisiliconen, basisverf en inkt ten behoeve van speciale kleuren (design), matte lak, hechtprimer voor speciale kunststof- of metaalondergronden (waar geen gewone (wash)primer gebruikt kan worden), spuitbussen, uitspuitverdunning, kunststofreiniger, siliconenverwijderaar en lakverwijderaar. 840 gr/liter
Overige producten 44 Overige producten zijn: polijst- en poetsmiddelen, vulmiddelen, kitten, lijmen en plamuren. 150 gr/liter

Bijlage XVI. , behorend bij de artikelen 6.5, tweede lid, en 6.6

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

11.3. Cesuur van de beoordeling

Op het certificaat moeten minimaal de volgende gegevens vermeld zijn:

De cesuur van het praktijk- en theorie-examen is gelijk aan de cesuur bij initiële certificatie.

Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de certificerende instelling verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan eisen van het normdocument WSCS-WOD-B Persoonscertificaat duikmedisch begeleider en dientengevolge als vakbekwaam als duikmedisch begeleider in de categorie die wordt vermeld op certificaat.

Op het certificaat moeten minimaal de volgende gegevens vermeld zijn:

13. Geldigheidscondities

De tekst vermeldt tevens of het certificaat is afgeven op grond van een initiële certificatie of een hercertificatie.

De houder van het certificaat met de aantekening uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B/WSCS-WOD-B-B3) om voorbehouden medische handelingen uit te voeren moet elk kalenderjaar opnieuw zijn ziekenhuisstage herhalen. Het certificaat wordt ingetrokken en vervangen door een certificaat duikmedisch begeleider (mad A/WSCS-WOD-B-B2), indien de kandidaat niet aan deze voorwaarde voldoet.

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat.

De houder van het certificaat met de aantekening uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B/WSCS-WOD-B-B3) om voorbehouden medische handelingen uit te voeren moet elk kalenderjaar opnieuw zijn ziekenhuisstage herhalen. Het certificaat wordt ingetrokken en vervangen door een certificaat duikmedisch begeleider (mad A/WSCS-WOD-B-B2), indien de kandidaat niet aan deze voorwaarde voldoet.

Document: WSCS-WOD-F

De te certificeren vakbekwaamheid betreft het optreden als duikploegleider bij de brandweer. Het certificaat duikploegleider is wettelijk vereist op grond van artikel 6.16 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De duikploegleider geeft leiding aan een duikploeg waarin door ten minste één persoon duikarbeid wordt verricht. Onder duikarbeid wordt in overeenstemming met artikel 6.13 lid 1 onder letter a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ voorgesteld. Het betreft certificatie op het gebied van het leidinggeven aan een duikploeg bij de brandweer. Het bestuur van de Stichting werken onder overdruk (SWOD) heeft het schema goedgekeurd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is het schema vastgesteld. Dit schema vervangt eerdere versies.

De te certificeren vakbekwaamheid betreft het optreden als duikploegleider bij de brandweer. Het certificaat duikploegleider is wettelijk vereist op grond van artikel 6.16 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De duikploegleider geeft leiding aan een duikploeg waarin door ten minste één persoon duikarbeid wordt verricht. Onder duikarbeid wordt in overeenstemming met artikel 6.13 lid 1 onder letter a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

De te certificeren vakbekwaamheid betreft het optreden als duikploegleider bij de brandweer. Het certificaat duikploegleider is wettelijk vereist op grond van artikel 6.16 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De duikploegleider geeft leiding aan een duikploeg waarin door ten minste één persoon duikarbeid wordt verricht. Onder duikarbeid wordt in overeenstemming met artikel 6.13 lid 1 onder letter a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

Het certificatiesysteem van de CKI moet zijn gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit WDAT-WOD-P.

Het is mogelijk dat enkele gedefinieerde begrippen of afkortingen niet letterlijk in de tekst van het certificatieschema voorkomen, maar deze begrippen of afkortingen zijn toch in de definitielijst opgenomen in verband met het feit dat de beheerstichting en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze begrippen of afkortingen in direct verband tot dit certificatieschema kunnen hanteren.

Indien de definities in dit document afwijken van de definities in NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 en de mandatory documents, gelden de definities van dit document.

10.3. Uitslagregel van het examen

11. Hercertificatie

11.1. Toetstermen voor hercertificatie

11.2.1. Hercertificatie

11.2. Beoordelingsmethode

11.2.1. Hercertificatie

11.2.2. Hercertificatie uitgebreid duikmedische begeleider (WSCS-WOD-B-B3)

11.2.2. Hercertificatie uitgebreid duikmedische begeleider (WSCS-WOD-B-B3)

11.3. Cesuur van de beoordeling

12. Certificaat

13. Geldigheidscondities

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Duikploegleider bij de brandweer

Duikarbeid is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van personen die leiding geven aan een duikploeg.

3.1. Algemeen

Duikarbeid is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van personen die leiding geven aan een duikploeg.

Het certificatieschema is door de Stichting werken onder overdruk (SWOD), als beheerstichting goedgekeurd en aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het schema vast en kan wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit schema vervangt eerdere versies.

3.3. Actieve partijen

Het certificatieschema is door de Stichting werken onder overdruk (SWOD), als beheerstichting goedgekeurd en aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het schema vast en kan wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit schema vervangt eerdere versies.

De risico’s bij het verrichten van duikwerkzaamheden liggen op het gebied van:

5.4. Eisen te stellen aan het examen

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in een vloeistof op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn. In de praktijk blijken de naleving van voorschriften en het gebruik van deugdelijk duik- en caissonmaterieel de belangrijkste factoren ter voorkoming van incidenten te zijn.

De risico’s bij het verrichten van duikwerkzaamheden liggen op het gebied van:

4. Certificatiereglement

Deze incidenten kunnen worden voorkomen door:

Het is voor de veiligheid en gezondheid van de duiker van belang dat de arbeids- en rusttijden worden nageleefd en dat onder alle omstandigheden effectief leiding wordt gegeven aan de duikploeg. De duikploegleider ziet toe op het naleven van de verantwoordelijkheid van de reddings- en de veiligheidsduiker dat zij psychisch en fysiek gereed zijn voor de werkzaamheden. De duikploegleider ziet toe op de geldigheid van de certificaten van de duikploeg. De veiligheids- en de reddingsduiker zijn verantwoordelijk dat zij psychisch en fysiek gereed zijn voor de werkzaamheden. Indien de veiligheids- of reddingsduiker twijfels heeft over zijn gereedheid dan wel zeker weet dat hij niet gereed is voor duikwerkzaamheden moet hij dit terstond melden aan de duikploegleider. De persoon die duikarbeid verricht, is daarnaast afhankelijk van materieel en van de andere leden van de duikploeg. De duikploegleider ziet erop toe dat de duikploeg en het duikmaterieel goed worden ingezet.

4. Certificatiereglement

De kandidaat moet in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag indienen voor (her)certificatie voor het persoonscertificaat duikploegleiderbij de brandweer bij de CKI. Vervolgens verstrekt de CKI alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

4.3. Certificatiebeslissing

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

4.4. Geldigheidsduur van het certificaat

4.3. Certificatiebeslissing

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

4.4. Geldigheidsduur van het certificaat

4.6. Klachtenregeling

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

4.6.1. Klachten over de CKI

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

4.6.1. Klachten over de CKI

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

4.6.3. Klachtenregeling

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

4.6.3. Klachtenregeling

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

6.4. Verslag van bevindingen

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

6.4. Verslag van bevindingen

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

6.5. Maatregelen

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

6.5.1. Schorsing

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

4.7. Bezwaarprocedure

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

4.7. Bezwaarprocedure

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

4.7.1. Inleiding

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

4.7.1. Inleiding

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

4.7.2. Werkwijze

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de CKI zal voorschrijven in welk digitaal format de toelevering van gegevens moet plaats vinden, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt. SWOD is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

4.7.4. Beslissing op het bezwaarschrift

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de CKI zal voorschrijven in welk digitaal format de toelevering van gegevens moet plaats vinden, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt. SWOD is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

4.8. Register voor vakbekwaamheid

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de CKI zal voorschrijven in welk digitaal format de toelevering van gegevens moet plaats vinden, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt. SWOD is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

4.9. Norminterpretatie

Het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ moet zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan moeten afwijkende interpretaties worden voorgelegd aan het college.

4.10. Aanvraag van het certificaat bij herintreding

De kandidaat die beschikt over een certificaat waarvan de geldigheidsduur is verlopen en/of niet voldoet aan de eisen gesteld aan de procedure tot hercertificatie, moet een initiële certificatie aanvragen. De CKI gaat dan over tot het vaststellen van het theorie-examen en praktijkexamen waarmee de huidige vakbekwaamheid van de kandidaat kan worden getoetst. De kandidaat dient te voldoen aan de gestelde entree-eisen.

Bijlage XIIIg. behorend bij artikel 4.29 Arbeidsomstandighedenregeling

5. Examenreglement

De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de CKI en bestaat uit de volgende onderdelen:

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het persoonscertificaat duikploegleider bij de brandweer. Het examenreglement is onderdeel van het certificatieschema duikploegleider bij de brandweer (WSCS-WOD-F).

De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de CKI en bestaat uit de volgende onderdelen:

Het examen wordt afgenomen door de CKI.

5.2. Uitvoering van het examen

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

Voor de toepassing van dit certificatieschema is als examenreglement het document ‘Proeve van vakbekwaamheid voor duikploegleider’ zoals vastgesteld door het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) van toepassing.

5.3. Eisen te stellen aan het examenpersoneel

5.4.1. Beslotenheid

5.4. Eisen te stellen aan het examen

5.4.1. Beslotenheid

6. Toezicht

In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

Het document ‘Proeve van vakbekwaamheid voor duikploegleider’ zoals vastgesteld door het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) is van toepassing.

6. Toezicht

In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

6.2. Frequentie van het toezicht

In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

De beoordeling van de relevante beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CKI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

6.3. Uitvoering van het toezicht

6.3.1. Uitvoeringsplan

6.3. Uitvoering van het toezicht

Het plan beschrijft ten minste:

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

Het plan beschrijft ten minste:

Het plan wordt schriftelijk aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. De certificaathouder moet binnen zes weken na de aankondiging zijn medewerking verlenen aan de uitvoering van de controle.

6.3.2. Inzage in het duikploegleiderlogboek

Indien de CKI inzage neemt in het duikploegleiderlogboek van de certificaathouder, dan wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:

Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen met betrekking tot het tijdstip. Het uivoeringsplan beschrijft verder de locatie en de partij die het materieel en de duikploeg ter beschikking stelt en de partij de verantwoordelijkheid over het materieel, de duikploeg en de verrichtingen van de certificaathouder draagt. De partij waarmee wordt samengewerkt is naar keuze van de CKI. De CKI treedt louter op als beoordelaar van de praktijkverrichting en er bestaat uit dien hoofde dan ook geen werkgever-werknemer De bepalingen van paragraaf 4.2 vinden hier overeenkomstige toepassing.

6.3.4. Beoordeling naar aanleiding van klachten

Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen met betrekking tot het tijdstip. Het uivoeringsplan beschrijft verder de locatie en de partij die het materieel en de duikploeg ter beschikking stelt en de partij de verantwoordelijkheid over het materieel, de duikploeg en de verrichtingen van de certificaathouder draagt. De partij waarmee wordt samengewerkt is naar keuze van de CKI. De CKI treedt louter op als beoordelaar van de praktijkverrichting en er bestaat uit dien hoofde dan ook geen werkgever-werknemer De bepalingen van paragraaf 4.2 vinden hier overeenkomstige toepassing.

De praktijkverrichting die in de controle betrokken wordt, moet worden beoordeeld volgens de eisen van het certificatieschema.

6.3.4. Beoordeling naar aanleiding van klachten

Indien de CKI van belanghebbende klachten over de certificaathouder ontvangt, moet de CKI beoordelen of de klacht aanleiding geeft tot een controle. De klager en de certificaathouder worden schriftelijk op de hoogte gesteld van de beslissing. Een eventuele controle wordt uitgevoerd zoals beschreven in paragraaf 6.3.1 tot en met 6.3.3.

Het verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Tegen de eventueel opgelegde maatregel kan de certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening indienen.

6.5. Maatregelen

Het verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Tegen de eventueel opgelegde maatregel kan de certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening indienen.

De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien blijkt dat de certificaathouder een tijdelijke tekortkoming, bedoeld onder de punten 3 en 4, heeft, dan wordt hij binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. De schorsing wordt opgeheven, indien de certificaathouder de tekortkoming heeft gecorrigeerd.

De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

6.5.2. Intrekking

De schorsing wordt verder opgeheven, indien de certificaathouder heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd onder de punten 1, 2 en 5, of het misbruik van het beeldmerk heeft gestaakt en de eventuele schade heeft hersteld.

De schorsing als mede de opheffing van de schorsing wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, wordt dezelfde procedure doorlopen als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie geeft de certificerende instelling aan en registreert hij dat na een periode van één jaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling verifieert voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

De certificerende instelling besluit tot intrekking van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, wordt dezelfde procedure doorlopen als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie geeft de certificerende instelling aan en registreert hij dat na een periode van één jaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling verifieert voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

De intrekking wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De weigering van een hercertificatie wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

6.6. Melding aan de Inspectie SZW

De weigering van een hercertificatie wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De vakbekwaamheid die gecertificeerd wordt, betreft het leiden van een duikploeg bij de brandweer. Het certificatieschema beschrijft de eisen die gesteld worden aan de vakbekwaamheid van de duikploegleider met de expliciete beperking dat leiding wordt gegeven aan een duikploeg bij de uitoefening van de brandweertaak.

De CKI moet onmiddellijk bij de Nederlandse Arbeidsinspectie melding maken van de haar bekende feiten ten aanzien van een kandidaat of certificaathouder in de volgende gevallen:

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieproces ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikploegleider, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

De vakbekwaamheid die gecertificeerd wordt, betreft het leiden van een duikploeg bij de brandweer. Het certificatieschema beschrijft de eisen die gesteld worden aan de vakbekwaamheid van de duikploegleider met de expliciete beperking dat leiding wordt gegeven aan een duikploeg bij de uitoefening van de brandweertaak.

De vakbekwaamheidseisen zijn weergegeven als eindtermen en worden in het volgende hoofdstuk uitgewerkt in toetstermen. In de omschrijving van de eind- en toetstermen wordt gesproken over elementaire kennis en uitgebreide kennis. Deze indicaties van het kennisniveau worden in dit certificatieschema als volgt geïnterpreteerd:

9.1. Algemeen

De vakbekwaamheidseisen zijn weergegeven als eindtermen en worden in het volgende hoofdstuk uitgewerkt in toetstermen. In de omschrijving van de eind- en toetstermen wordt gesproken over elementaire kennis en uitgebreide kennis. Deze indicaties van het kennisniveau worden in dit certificatieschema als volgt geïnterpreteerd:

De kandidaat is vakbekwaam als duikploegleider, indien hij voldoet aan de volgende eindtermen:

10. Toetsmethodiek bij initiële certificatie

De CKI hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de verkrijging van het persoonscertificaat duikploegleider getoetst aan de volgende toetscriteria:

10.1. Toetstermen

De CKI hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de verkrijging van het persoonscertificaat duikploegleider getoetst aan de volgende toetscriteria:

10.1. Toetstermen

De leidinggevende ervaring van de kandidaat wordt beoordeeld aan de hand van gegevens uit het duikploegleiderlogboek, waarin ten minste melding wordt gemaakt van:

10.3. Opbouw van het examen

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CKI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

10.3. Opbouw van het examen

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CKI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

Voor de wijze van beoordelen is naast de toetstermen uit dit schema tevens van toepassing het document ‘Proeve van vakbekwaamheid brandweer duikploegleider’ zoals vastgesteld in het uitvoeringsbesluit van de CKI.

Het examen bestaat ten minste uit:

Voor de wijze van beoordelen is naast de toetstermen uit dit schema tevens van toepassing het document ‘Proeve van vakbekwaamheid brandweer duikploegleider’ zoals vastgesteld in het uitvoeringsbesluit van de CKI.

10.3.1. Praktijkexamen

10.4. Cesuur van het examen

10.3.2. Toetstermen: Theorie-examen voor duikploegleider

Voor de wijze van beoordelen van de toetstermen is het document ‘Proeve van vakbekwaamheid duikploegleider’ zoals vastgesteld door het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) van toepassing.

10.4. Cesuur van het examen

Voor de bepaling van het slagen van de kandidaat is het document ‘Proeve van vakbekwaamheid voor duikploegleider’ zoals vastgesteld door het bestuur van het Nederlands bureau brandweerexamens (Nbbe) van toepassing.

11. Hercertificatie

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CKI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

11.2.1. Algemeen

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CKI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

11.2.1. Algemeen

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CKI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

11.2.2. Beoordeling duikploegleiderlogboek en toetskaart

De hercertificatie na iedere periode van vier jaar wordt beoordeeld door middel van:

11.3. Uitslagregel van de beoordeling

De hercertificatie wordt na een periode van vier jaar verleend, indien aan de hercertificatie-eis na een wordt voldaan en tevens de toetskaart met voldoende resultaat is beoordeeld.

12. Certificaat

Op het certificaat moeten minimaal de volgende gegevens vermeld zijn:

13. Geldigheidscondities

De tekst vermeldt tevens of het certificaat is afgeven op grond van een initiële certificatie of een hercertificatie.

13. Geldigheidscondities

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden:

Paragraaf 8.4. Eisen aan het opleidingscurriculum

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A1 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A1 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Paragraaf 8.3. C. Gesloten duikklok

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onder water op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Paragraaf 8.4.2. Opleidingscurriculum A2 SCUBA (tot en met een diepte van 15 meter)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A2 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie A1 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

4. Certificatiereglement

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onder water op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A3 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie A1 en A2 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

4.1. Doelstelling

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat minimaal 200 duikminuten worden gemaakt waarvan:

Paragraaf 8.4.4. Opleidingscurriculum B0 SSE (geconditioneerde omstandigheden)

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Paragraaf 8.4.4. Opleidingscurriculum B0 SSE (geconditioneerde omstandigheden)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B0 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

4.6.1. Klachten over de CKI

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

Paragraaf 8.4.5. Opleidingscurriculum B1 SSE (tot en met 15 meter)

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B1 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor B0 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

4.7.2. Werkwijze

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening van de oppervlakte (SSE) bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 300 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende specificaties:

Bijlage XIV. behorende bij artikel 4.32a, derde lid, onderdeel a

Belastende situatie in de gebruiksfase Belastingen die een belangrijke toename in de corrosie veroorzaken en/of die hogere eisen stellen aan de prestaties van het verfsysteem nadat het is aangebracht
Beschermingsmaatregel Maatregelen ter bescherming van de gezondheid
Bijzondere belastende omstandigheden Situaties in de gebruikersfase die gelijktijdig een verhoogde kans op corrosie veroorzaken door bij voorbeeld gelijktijdig mechanische en chemische belasting
C1–C5 Corrosiesnelheden gekoppeld aan belastingen met voorbeelden:
C1 Verwarmde gebouwen met een schone atmosfeer b.v. kantoren, winkels, scholen, hotels, woningen.
C2 Onverwarmde gebouwen waar condensatie kan optreden b.v. depots, sporthallen.
C3 Productiehallen met een hoge vochtigheid en enige luchtvervuiling b.v. Voedselverwerkende fabrieken, wasserijen, brouwerijen zuivelindustrie
C4 Productiehallen of gebouwen met een permanente belasting of hoge condensatie b.v. chemische fabrieken, zwembaden
C5 Gebouwen met bijna permanente condensatie of een hoge vervuiling
Dauwpunt De temperatuur waaronder het vocht in de lucht zal condenseren op het oppervlak
Derivaten Afgeleide producten van minerale oliën of combinaties van producten waarin minerale oliën aanwezig zijn
Droge ruimte Een ruimte waarin de relatie luchtvochtigheid en temperatuur van dien aard is dat van een normale geaccepteerde leefomgeving kan worden gesproken, waarin verblijfomstandigheden voor langere duur zijn geaccepteerd
Enige luchtvervuiling Een vervuiling welke incidenteel dan wel permanent wordt gekenmerkt door een chemische verontreiniging welke invloed kan uitoefenen op de kwaliteit van het beschermende verfsysteem
Hoge luchtvervuiling Een vervuiling welke bijna permanent aanwezig is welke gezien de aanwezige chemische stoffen invloed hebben op het verfsysteem en direct negatieve invloed hebben, in corrosieve zin, op een metalen ondergrond
NEN 12944 ( NPR 7452) Norm die de bescherming van metalen door middel van verfsystemen behandelt. In deze norm vertegenwoordigen de aanduidingen C1 t/m C5 corrosiebelastingscategorieën. Aan deze categorie-indeling zijn nu ook vervangings- en beheersmaatregelen gekoppeld.
Onderdompeling langer dan 5 minuten per 24 uur Directe blootstelling aan een vloeistof, welke plaats vindt langer dan 5 minuten en die zoor zijn samenstelling directe deformatie van het beschermende verfsysteem veroorzaakt, dan wel omdat de vloeistof door het verfsysteem heen dringt en dan corrosie van de onderliggende metalen ondergrond veroorzaakt
Schone atmosfeer Een atmosfeer welke zich kenmerkt door zeer weinig of geen verontreiniging en welke gezien wordt als een normale situatie onder normale leefomstandigheden
VOS Vluchtige organische stof. Volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.62a wordt hieronder verstaan: organische verbindingen en mengsels hiervan, die bij 293,15 K (20°C) een dampspanning hebben van ten minste 0,01 kPa, dan wel een overeenkomstige vluchtigheid bij de specifieke gebruiksomstandigheden. Blootstelling aan VOS kan schadelijk zijn voor de gezondheid. VOS moeten zoveel mogelijk worden vervangen. In gevallen waarin vervanging onmogelijk is, moeten beschermingsmaatregelen worden genomen.

Bijlage XV. behorend bij artikel 4.32f, tweede lid, onder a en vierde lid

Groepen VOS 1Het VOS-gehalte is bepaald conform de methodiek ASTM – D 3960-96 voor gebruiksklare mengsels. in het gebruiks-/spuitklare mengsel
Spuitenreinigers 850 gr/liter
Oppervlaktereinigers 200 gr/liter
Washprimers 780 gr/liter
Primer surfacer, 540 gr/liter
1 of 2 component
Sealer 540 gr/liter
1-laags aflaksysteem 420 gr/liter
en chassiscoating
2-laagsaflaksysteem bestaande uit: 420 gr/liter 2Het gemiddelde wordt bepaald door het VOSgehalte per laag te hanteren in de formule (a. L1 + b.L2)/ ( a + b)Dit gemiddelde is gelijk aan of minder dan 420 gram/liter spuitklaar product. Hierbij is L1 het VOS-gehalte van de basiskleurlaag en L2 het VOS-gehalte van de blanke lak, waarbij a en b staan voor de aangemaakte hoeveelheid in gram van resp. L1 en L2. De hoeveelheden hebben betrekking op spuitklare producten en géén van de lagen mag méér VOS bevatten dan 480 gr/liter.
basiskleurlak en blanke lak
Speciale producten 3Speciale producten zijn bedoeld voor speciale behandelingen (zoals bijvoorbeeld motorfietskleuren en speciale designkleuren waar inkten voor worden gebruikt die niet met een gewone basecoat gemaakt kunnen worden) en speciale toepassingen (bijvoorbeeld moeilijk hechtende ondergronden). Deze groep producten betreft ook additieven die worden toegevoegd aan bestaande producten om speciale effecten te realiseren zoals ruwheid, mattering, etc. Dit betekent dat producten waar deze specifieke additieven aan zijn toegevoegd het maximum gehalte aan VOS/liter van dat product kunnen overschrijden. Speciale reinigers (siliconen, lakverwijdering) zijn toegevoegd omdat zij niet onder de aangegeven spuitreinigers en oppervlaktereinigers vallen.De groep speciale producten bevat elastificeermiddelen, (ver)harders, versnellers/activeerders, vertragers, matteringsmiddelen, structuurmiddelen, effectmiddelen, antisiliconen, basisverf en inkt ten behoeve van speciale kleuren (design), matte lak, hechtprimer voor speciale kunststof- of metaalondergronden (waar geen gewone (wash)primer gebruikt kan worden), spuitbussen, uitspuitverdunning, kunststofreiniger, siliconenverwijderaar en lakverwijderaar. 840 gr/liter
Overige producten 44 Overige producten zijn: polijst- en poetsmiddelen, vulmiddelen, kitten, lijmen en plamuren. 150 gr/liter

Bijlage XIIIb. behorend bij Artikel 4.27

4.7.5. Bestuursrechter

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte (SSE) bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 500 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende specificaties:

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B3 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B0, B1 en B2 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B3 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B0, B1 en B2 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening van de oppervlakte (SSE) voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 160 duikminuten worden gemaakt en waarbij de kandidaat minimaal 200 minuten totaal onder druk is geweest en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Voornoemde duikoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B4 worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B0, B1, B2 en B3 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

4.7. Bezwaarprocedure

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening vanaf de oppervlakte (SSE) voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de kandidaat ten minste 220 duikminuten worden gemaakt en de kandidaat ten minste 260 minuten totaal onder druk is geweest en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Voornoemde duikenoefeningen worden uitgevoerd in het verband van een duikploeg. De kandidaat heeft hierbij zowel aan de oppervlakte als onderwater op een zelfstandige wijze werkzaamheden uitgevoerd. Hierdoor heeft hij kennis en ervaring opgedaan met:

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in hoofdcategorie C worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B4 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in hoofdcategorie C worden in aanvulling op de leerdoelstellingen voor subcategorie B4 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

De kandidaat doet ervaring op met het gebruik van een gesloten duikklok bij het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg door het uitvoeren van:

Paragraaf 8.5. Algemene eisen duiklogboek

Voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de kandidaat theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

De certificerende instelling beoordeelt door controle van het portfolio of voldaan wordt aan de entreecriteria, bedoeld in hoofdstuk 8. Het portfolio bestaat voor de respectievelijke categorieën ten minste uit:

De certificerende instelling beoordeelt door controle van het portfolio of voldaan wordt aan de entreecriteria, bedoeld in hoofdstuk 8. Het portfolio bestaat voor de respectievelijke categorieën ten minste uit:

De certificerende instelling beoordeelt door controle van het portfolio of voldaan wordt aan de entreecriteria, bedoeld in hoofdstuk 8. Het portfolio bestaat voor de respectievelijke categorieën ten minste uit:

A. SCUBA:

B. SSE:

C. Gesloten duikklok:

De CKI houdt hierbij rekening met het volgende:

De certificerende instelling beoordeelt door controle van het portfolio of voldaan wordt aan de entreecriteria, bedoeld in hoofdstuk 8. Het portfolio bestaat voor de respectievelijke categorieën ten minste uit:

Paragraaf 9.2. B. SSE

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie C, indien de kandidaat in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 en B4 voldoet aan de volgende eindtermen:

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie C, indien de kandidaat in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 en B4 voldoet aan de volgende eindtermen:

T12C. de kandidaat heeft uitgebreide kennis op het gebied van natuurkunde, fysiologie en acute en chronische duikerziekten in relatie tot duikarbeid waarbij in het lichaam van de duiker saturatie optreedt;

T13C. de kandidaat is in staat voor zichzelf en anderen het materiaal te bedienen dat wordt gebruikt bij duiken met een gesloten duikklok en saturatieduiken;

T14C. de kandidaat heeft kennis van de gevaren van het gebruik van de gesloten duikklok en is in staat de relevante veiligheidsmaatregelen en noodprocedures uit te voeren; en

Bijlage XVII. behorend bij artikel 6.7

Met betrekking tot het arbeidsgezondheidskundig onderzoek van personen die duikarbeid, caissonarbeid, of overige arbeid onder overdruk verrichten:

Een persoon die wordt belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk:

  • moet onbelemmerd zijn werkzaamheden onder overdruk kunnen uitvoeren, onder fysiek zware omstandigheden kunnen zwemmen/lopen, communiceren en de verantwoordelijkheid psychisch aankunnen;
  • mag zichzelf of een ander lid van het team niet in gevaar brengen door een medische aandoening bij werkzaamheden onder overdruk zoals bewustzijnsverlies, oriëntatieverlies of paniekaanval;
  • mag geen aandoening hebben die ten gevolge van arbeid onder overdruk kan verergeren;
  • mag geen aandoening hebben die aanleiding kan geven tot het ontstaan van een duikerziekte zoals decompressieziekte of barotrauma.

De keuring voor aanvang van de arbeid onder overdruk dient door een duikerarts met het certificaat duikerarts B uitgevoerd te worden in een voldoende toegerust centrum om alle aspecten te kunnen onderzoeken. Periodieke keuringen kunnen ook door artsen met het certificaat duikerarts A worden uitgevoerd. Na een doorgemaakte duikerziekte - zoals decompressieziekte, luchtembolie of aandoening genoemd als absolute contra-indicatie dient het medisch onderzoek plaats te vinden door een duikerarts met het certificaat duikerarts B.

Ten minste dienen de volgende aspecten onderzocht te worden:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)