Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-19
State In force
Source BWB
artikelen 454
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
ISO-naam van de stof CAS nummer TGG 8 uur mg/m3 TGG 15 min mg/m3 H *Huidnotatie
Acetoncyaanhydrine 75-86-5 3,5 35 H
Allyl-2,3-epoxypropylether 106-92-3 0,5
Aniline 62-53-3 1 H
p-Aramide vezels 1Betreft alleen respirabele vezels. 24938-64-5; 1 2Respirabele vezels per cm3 lucht, 8 uur. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999
25035-37-4;
26125-61-1
Arseen en -verbindingen (als As) 3Betreft alleen de verbindingen voorzover niet voorkomend op de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen:
combinatie van alle anorganische verbindingen 0,05 0,1
wateroplosbare anorganische verbindingen 0,025 0,05
Bisfenol A 80-05-7 5 4Voor respirabel stof.
10 5Voor inhaleerbaar stof
Bisfenol A 1675-54-3 5 7Voor respirabel stof.
diclycidylether 6Deze stof kan overgevoeligheid veroorzaken. Huidcontact dient daarom vermeden te worden 10 8Voor inhaleerbaar stof
Broommethaan 74-83-9 1 H
1-Butanol 71-36-3 45
2-Butanon 78-93-3 590 H
2-(2-Butoxy-ethoxy)ethanol 112-34-5 50 H
iso-Butylmethacrylaat 97-86-9 59
n-Butylmethacrylaat 97-88-1 59
Cadmium en anorganische verbindingen (als Cd) 9Voor inhaleerbaar stof. Betreft alleen de verbindingen voorzover niet voorkomend op de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen 7440-43-9 0,005
Carbonylfluoride en PTFE- pyrolyseproducten (als F) 353-50-4 1
Chloor 7782-50-5 3 10Ceiling; in verband met een snel optredende toxische werking van de stof mag deze waarde op geen enkel moment worden overschreden.
2-Chloor-1,3-butadieen 126-99-8 18 H
Chloordioxide 10049-04-4 0,3
Chloorethaan 75-00-3 2600
Chloorfluorkoolwaterstoffen:
1-chloor-1,1-difluorethaan 75-68-3 8380
chloordifluormethaan 75-45-6 3600
chloorpentafluorethaan 76-15-3 6460
chloortrifluormethaan 75-72-9 8700
dichloordifluormethaan 75-71-8 5040
dichloorfluormethaan 75-43-4 43
1,2-dichloor-1,1,2,2- 76-14-2 7130
tetrafluorethaan
tetrachloordifluorethaan 76-12-0 850
trichloorfluormethaan 75-69-4 5600
1,1,2-trichloor-1,2,2- 76-13-1 1170
trifluorethaan
Chloroform 67-66-3 5 25
Chroom en chroomverbindingen 11Betreft alleen de verbindingen voorzover niet voorkomend op de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen
bij enkelvoudige blootstelling:
Chroom-metallisch 7740-47-3 0,5
Cr(III)-verbindingen 0,5 1
bij gecombineerde blootstelling:
zonder differentiatie naar type chroomverbinding 12Wanneer aannemelijk kan worden gemaakt dat er grotendeels sprake is van oplosbare verbindingen, kan de normstelling voor chroom (VI)-oplosbare verbindingen worden toegepast (zie hiervoor bijlage VI bij deze regeling). 0,01
Cyclohexaan 110-82-7 875
Cyclohexanol 108-93-0 1
Cyclohexanon 108-94-1 50 H
Cyclohexylamine 39Deze waarde geldt met ingang van 1 januari 2004. Tot die datum blijven de bestuurlijke grenswaarden van kracht. 108-91-8 5
1,2-Diaminoethaan 13Deze stof kan overgevoeligheid veroorzaken. Huidcontact dient daarom vermeden te worden 107-15-3 18
1,4-Dichloorbenzeen 106-46-7 150 300
1,1-Dichloorethaan 75-34-3 400
Dichloormethaan 75-09-2 350 1750
Difenylamine 122-39-4 0,7 14Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
Difenylmethaan-4,4'- diisocyanaat 101-68-8 0,05 0,21
Dimethylamine 124-40-3 1,8
Dimethylformamide 68-12-2 15 H
1,4-Dioxaan 123-91-1 40 80 H
Distikstofmonoxide 15Bij gelijktijdige blootstelling aan verschillende narcosegassen moet de som van alle afzonderlijke blootstellingsconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, kleiner zijn dan één. Deze additieregel treedt in werking met ingang van 1 mei 2000. 10024-97-2 152
Enfluraan 17Bij gelijktijdige blootstelling aan verschillende narcosegassen moet de som van alle afzonderlijke blootstellingsconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, kleiner zijn dan één. Deze waarde geldt met ingang van 1 mei 2000. 13838-16-9 153
2-(2-Ethoxy-ethoxy)ethanol 111-90-0 180 H
ethyl-L-lactaat
Ethylacetaat 141-78-6 550 1100
Ethylacrylaat 140-88-5 20 H
Ethylamine 75-04-7 9
Ethylbenzeen 100-41-4 215 H
Ethyleenthioureum 18Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001. 96-45-7 0,024
Ethylmethacrylaat 97-63-2 48
Fenol 108-95-2 8 H
Fluor 7782-41-4 0,5
Fluoriden (anorganische,oplosbare) (als F) 3,5
Fluorwaterstof (als F) 7664-39-3 2,5
Formamide 75-12-7 16
Fosfine 7803-51-2 0,4 1,5
Ftaalzuuranhydride 85-44-9 1 2
Ftalaatverbindingen 19Betreft o-ftaalzuur en al zijn esters, met uitzondering van (esters van) de gehydrogeneerde vorm van o-ftaalzuur 5 20Voor respirabel stof.
10 21Voor inhaleerbaar stof.
Glycidylmethacrylaat 106-91-2 0,24
n-Heptaan 142-82-5 1200 1600
2-Heptanon 110-43-0 233
3-Heptanon 106-35-4 163
Hexaan-isomeren (m.u.v. n-Hexaan):
2,2-dimethylbutaan 75-83-2
2,3-dimethylbutaan 79-29-8
2-methylpentaan 107-83-5
3-methylpentaan 96-14-0
n-Hexaan 110-54-3 90
Hexafluoraceton 684-16-2 0,05 H
Hexamethyleen diisocyanaat 822-06-0 0,04 0,14
1,6-Hexanolactam: 105-60-2
damp 20
stof 1
2-Hexanon 591-78-6 2 H
Houtstof 22Betreft houtstof exclusief stof van hardhout. Zie voor de grenswaarde voor hardhoutstof bijlage VI van de Arbeidsomstandighedenregeling. (niet allergeen) 2
2-Hydroxyethylacrylaat 818-61-1 0,24
2-Hydroxyethylmethacrylaat 868-77-9 0,24
2-Hydroxypropylmethacrylaat 923-26-2 0,24
Isofluraan 23Bij gelijktijdige blootstelling aan verschillende narcosegassen moet de som van alle afzonderlijke blootstellingsconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, kleiner zijn dan één. Deze waarde geldt met ingang van 1 mei 2000. 26675-46-7 153
Isoforondiisocyanaat 4098-71-9 0,05 0,19
2-Isopropoxyethanol 109-59-1 44 H
Isopropylglycidylether 4016-14-2 0,5
Koolmonoxide 24Voor arbeidsperioden korter dan 8 uur per dag zijn de volgende concentraties toegestaan:maximaal 174 mg/m3 gedurende 15 minuten;maximaal 139 mg/m3 gedurende 30 minuten;maximaal 70 mg/m3 gedurende 60 minuten;mits gedurende de werkdag bij de arbeid geen verdere blootstelling plaatsvindt. 630-08-0 29
Kwik (metaal) 25Voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd geldt een wettelijke grenswaarde van 0,025 mg/m3 als TGG 8 uur. Kortdurende blootstelling gedurende 15 minuten aan maximaal 0,5 mg/m3 is toegestaan, mits het 8-uurs gemiddelde niet wordt overschreden. 7439-97-6 0,05 0,5
Kwikalkylverbindingen (als Hg) 26Vrouwen in de vruchtbare leeftijd dienen blootstelling zoveel mogelijk te vermijden. 0,01 0,02 H
Kwikverbindingen organisch (fenylkwik en -verbindingen) 0,01 0,03 H
Kwikverbindingen organisch (fenylkwik en -verbindingen)
Kwikzouten anorganisch 0,05 0,15 H
n-butyl-L-lactaat 138-22-7 20
2-ethylhexyl-L-lactaat 186817-80-1 4
ethyl-L-lactaat 97-64-3 20
isobutyl-L-lactaat 702-84-0 20
isopropyl-L-lacaat 63697-00-7 20
propyl-L-lacaat 53651-69-7 20
Lasrook 3,5 27Deze waarde geldt met ingang van 1 januari 2003.
lindaan/HCH gamma-isomeer 58-89-9 4(µg/m3) H
Lood en anorganische 7439-92-1 0,15
loodverbindingen
Mangaan en -verbindingen (als Mn) 7439-96-5 1 3
2-Methoxyethanol 109-86-4 1 H
2-(Methoxyethoxy)-ethanol 111-77-3 45 H
2-Methoxyethylacetaat 110-49-6 1,5 H
1-Methoxy-2-propanol 28Mits het commercieel product niet meer dan 5% van de β-isomeer bevat. 107-98-2 375
1-Methoxy-2-propylacetaat 29Mits het commercieel product niet meer dan 5% van de β-isomeer bevat. 108-65-6 550
Methylacrylaat 96-33-3 18 H
1-Methylbutylacetaat 626-38-0 530
2-Methylbutylacetaat 620-11-1 530
Methylchloride 74-87-3 52
Methylcyclohexanol (alle isomeren) 25639-42-3 50 30Deze waarde geldt met ingang van 1 april 2002.
5-Methyl-2-hexanon 110-12-3 233
5-Methyl-3-heptanon 541-85-5 133
Methylmethacrylaat 31Deze waarde geldt met ingang van 1 december 2001. 80-62-6 40
4-Methyl-2-pentanon 108-10-1 104
Methyl-tert-butylether 1634-04-4 180 360
Minerale wolvezels 32Betreft alleen respirabele vezels., waaronder glaswol, steenwol 2 33Respirabele vezels per cm3 lucht, TGG 8 uur.
en superfijne glasvezels
Naftaleen diisocyanaat 3173-72-6 0,04 0,18
n-Pentaan 109-66-0 1800
Pentaerythritol 115-77-5 5 34Voor respirabel stof. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
10 35Voor inhaleerbaar stof. Deze waarde geldt vanaf 1-3-1999.
iso-Pentylacetaat 123-92-2 530
n-Pentylacetaat 628-63-7 530
tert-Pentylacetaat 625-16-1 530
perchloormethylmercaptaan 594-42-3 0,01
Polyvinylchloride (stof) 9002-86-2 2,5 36Voor inhaleerbaar stof.
2-Propanol 67-63-0 650
2-Propoxyethanol 2807-30-9 44 H
2-iso-Propoxyethanol 109-59-1 44 H
2-Propoxyethylacetaat 20706-25-6 60 H
Pyridine 110-86-1 0,9
Seleenhexafluoride (als Se) 7783-79-1 0,2
Seleenwaterstof (als Se) 5-7-7783 0,1
Seleen en -verbindingen (als Se) 7782-49-2 0,1
Stikstofdioxide 10102-44-0 4
Styreen 100-42-5 107
Talk (vrij van asbestvezels) 14807-96-6 1 37Voor respirabel talkstof.
o-, m- en p-terfenyl (mengsel) 26140-60-3 0,5
Tetrahydrofuraan 109-99-9 300 H
Tetramethylsuccinonitril 40Tetramethylsuccinonitril is een stof die ontstaat als azobisisobutyronitril (AIBIN) ontleedt ten gevolge van verhitting. 3333-52-6 0,2
Thioureum 62-56-6 0,5 H
Tolueen 108-88-3 150
2,6-Tolueendiisocyanaat 91-08-7 0,04 0,15
2,4-Tolueendiisocyanaat 584-84-9 0,04 0,15
Tricarbonyl(eta- 12079-65-1 0,1 0,3 H
cyclopentadiënyl)mangaan (als Mn)
1,1,1-Trichloorethaan 71-55-6 555
Trichloorethyleen 79-01-6 190 538
Triethylamine 121-44-8 20 40 H
Trimethylamine 75-50-3 1
Vanadium-oxides (als V) 0,01 0,03
Vanadium-halides (als V) 0,01 0,03
Vanadium-sulfaat (als V) 1344-64-5 0,01 0,03
Vanadaten (als V) 0,01 0,03
Vanadium-metaal (als V) 7440-62-2 0,5
Vanadium-legeringen (als V) 0,5
Vanadium-carbide (als V) 12070-10-9 0,5
Xyleen 38Blootstelling van zwangere vrouwen aan xyleen dient vermeden te worden. (o-, m- en p-isomeren) 1330-20-7 210 H
IJzerpantacarbonyl 13463-40-6 0,05
(gemeten als FE)
Zwaveldioxide 5-9-7446 5
Zwavelkoolstof 75-15-0 30 H

Bijlage XIIIb. behorend bij Artikel 4.27

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage XIIIc. behorend bij Artikel 4.27

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage XIIId. behorend bij Artikel 4.27

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage XIIIe. behorend bij Artikel 4.28

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage XIIIf. behorend bij Artikel 4.28

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage XIV. behorende bij artikel 4.32a, derde lid, onderdeel a

Belastende situatie in de gebruiksfase Belastingen die een belangrijke toename in de corrosie veroorzaken en/of die hogere eisen stellen aan de prestaties van het verfsysteem nadat het is aangebracht
Beschermingsmaatregel Maatregelen ter bescherming van de gezondheid
Bijzondere belastende omstandigheden Situaties in de gebruikersfase die gelijktijdig een verhoogde kans op corrosie veroorzaken door bij voorbeeld gelijktijdig mechanische en chemische belasting
C1–C5 Corrosiesnelheden gekoppeld aan belastingen met voorbeelden:
C1 Verwarmde gebouwen met een schone atmosfeer b.v. kantoren, winkels, scholen, hotels, woningen.
C2 Onverwarmde gebouwen waar condensatie kan optreden b.v. depots, sporthallen.
C3 Productiehallen met een hoge vochtigheid en enige luchtvervuiling b.v. Voedselverwerkende fabrieken, wasserijen, brouwerijen zuivelindustrie
C4 Productiehallen of gebouwen met een permanente belasting of hoge condensatie b.v. chemische fabrieken, zwembaden
C5 Gebouwen met bijna permanente condensatie of een hoge vervuiling
Dauwpunt De temperatuur waaronder het vocht in de lucht zal condenseren op het oppervlak
Derivaten Afgeleide producten van minerale oliën of combinaties van producten waarin minerale oliën aanwezig zijn
Droge ruimte Een ruimte waarin de relatie luchtvochtigheid en temperatuur van dien aard is dat van een normale geaccepteerde leefomgeving kan worden gesproken, waarin verblijfomstandigheden voor langere duur zijn geaccepteerd
Enige luchtvervuiling Een vervuiling welke incidenteel dan wel permanent wordt gekenmerkt door een chemische verontreiniging welke invloed kan uitoefenen op de kwaliteit van het beschermende verfsysteem
Hoge luchtvervuiling Een vervuiling welke bijna permanent aanwezig is welke gezien de aanwezige chemische stoffen invloed hebben op het verfsysteem en direct negatieve invloed hebben, in corrosieve zin, op een metalen ondergrond
NEN 12944 ( NPR 7452) Norm die de bescherming van metalen door middel van verfsystemen behandelt. In deze norm vertegenwoordigen de aanduidingen C1 t/m C5 corrosiebelastingscategorieën. Aan deze categorie-indeling zijn nu ook vervangings- en beheersmaatregelen gekoppeld.
Onderdompeling langer dan 5 minuten per 24 uur Directe blootstelling aan een vloeistof, welke plaats vindt langer dan 5 minuten en die zoor zijn samenstelling directe deformatie van het beschermende verfsysteem veroorzaakt, dan wel omdat de vloeistof door het verfsysteem heen dringt en dan corrosie van de onderliggende metalen ondergrond veroorzaakt
Schone atmosfeer Een atmosfeer welke zich kenmerkt door zeer weinig of geen verontreiniging en welke gezien wordt als een normale situatie onder normale leefomstandigheden
VOS Vluchtige organische stof. Volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.62a wordt hieronder verstaan: organische verbindingen en mengsels hiervan, die bij 293,15 K (20°C) een dampspanning hebben van ten minste 0,01 kPa, dan wel een overeenkomstige vluchtigheid bij de specifieke gebruiksomstandigheden. Blootstelling aan VOS kan schadelijk zijn voor de gezondheid. VOS moeten zoveel mogelijk worden vervangen. In gevallen waarin vervanging onmogelijk is, moeten beschermingsmaatregelen worden genomen.

Bijlage XV. behorend bij artikel 4.32f, tweede lid, onder a en vierde lid

Groepen VOS 1Het VOS-gehalte is bepaald conform de methodiek ASTM – D 3960-96 voor gebruiksklare mengsels. in het gebruiks-/spuitklare mengsel
Spuitenreinigers 850 gr/liter
Oppervlaktereinigers 200 gr/liter
Washprimers 780 gr/liter
Primer surfacer, 540 gr/liter
1 of 2 component
Sealer 540 gr/liter
1-laags aflaksysteem 420 gr/liter
en chassiscoating
2-laagsaflaksysteem bestaande uit: 420 gr/liter 2Het gemiddelde wordt bepaald door het VOSgehalte per laag te hanteren in de formule (a. L1 + b.L2)/ ( a + b)Dit gemiddelde is gelijk aan of minder dan 420 gram/liter spuitklaar product. Hierbij is L1 het VOS-gehalte van de basiskleurlaag en L2 het VOS-gehalte van de blanke lak, waarbij a en b staan voor de aangemaakte hoeveelheid in gram van resp. L1 en L2. De hoeveelheden hebben betrekking op spuitklare producten en géén van de lagen mag méér VOS bevatten dan 480 gr/liter.
basiskleurlak en blanke lak
Speciale producten 3Speciale producten zijn bedoeld voor speciale behandelingen (zoals bijvoorbeeld motorfietskleuren en speciale designkleuren waar inkten voor worden gebruikt die niet met een gewone basecoat gemaakt kunnen worden) en speciale toepassingen (bijvoorbeeld moeilijk hechtende ondergronden). Deze groep producten betreft ook additieven die worden toegevoegd aan bestaande producten om speciale effecten te realiseren zoals ruwheid, mattering, etc. Dit betekent dat producten waar deze specifieke additieven aan zijn toegevoegd het maximum gehalte aan VOS/liter van dat product kunnen overschrijden. Speciale reinigers (siliconen, lakverwijdering) zijn toegevoegd omdat zij niet onder de aangegeven spuitreinigers en oppervlaktereinigers vallen.De groep speciale producten bevat elastificeermiddelen, (ver)harders, versnellers/activeerders, vertragers, matteringsmiddelen, structuurmiddelen, effectmiddelen, antisiliconen, basisverf en inkt ten behoeve van speciale kleuren (design), matte lak, hechtprimer voor speciale kunststof- of metaalondergronden (waar geen gewone (wash)primer gebruikt kan worden), spuitbussen, uitspuitverdunning, kunststofreiniger, siliconenverwijderaar en lakverwijderaar. 840 gr/liter
Overige producten 44 Overige producten zijn: polijst- en poetsmiddelen, vulmiddelen, kitten, lijmen en plamuren. 150 gr/liter

Bijlage XVI. , behorend bij de artikelen 6.5, tweede lid, en 6.6

Bijlage XB. behorend bij artikel 7.7, eerste lid, onder a

  • Eindtermen met betrekking tot torenkranen van de categorieën mobiele torenkraan, toptorenkraan of loopkat-torenkraan
  • het met torenkranen van de betrokken categorie kunnen uitvoeren van alle bewegingen teneinde werkzaamheden te kunnen verrichten waarvoor deze machines bestemd zijn;
  • het kunnen werken met hijstabellen van torenkranen van de betrokken categorie;
  • het kunnen beoordelen van de bodemgesteldheid onder en in de omgeving van torenkranen;
  • het kunnen werken op en met dragline-schotten;
  • het met torenkranen van de betrokken categorie kunnen uitvoeren van door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins gegeven opdrachten tot het verplaatsen van zich zowel binnen als buiten gezichtsbereik bevindende lasten, in soort en gewicht verschillend, waarbij twee of meer kraanbewegingen tegelijkertijd worden uitgevoerd;
  • het door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins kunnen geven van opdrachten tot het verplaatsen van lasten;
  • het globaal kunnen bepalen van de massa van lasten;
  • het kunnen aanslaan van lasten;
  • het kunnen inschatten van de invloed van weersomstandigheden;
  • het kunnen inspecteren van torenkranen van de betrokken categorie en de ondersteuning (zoals kraanbanen en schotten), met inbegrip van de beveiligingen, alsmede het kunnen onderkennen en lokaliseren van storingen en gebreken aan de betrokken torenkranen, ondersteuning en beveiligingen, en het kunnen verrichten van eenvoudige herstelwerkzaamheden overeenkomstig de fabrikanteninstructies;
  • het kunnen onderkennen van slijtageverschijnselen aan het hijsgereedschap en de hijsmiddelen;
  • het kunnen uitvoeren van de volgende onderhoudswerkzaamheden:
  • 1°. het smeren van torenkranen;
  • 2°. het verversen van de olie, zoals van de verbrandingsmotor en van het hydraulisch systeem;
  • 3°. het schoonmaken van de in diverse systemen voorkomende filters;
  • 4°. het afstellen van in torenkranen voorkomende aandrijfsystemen en remmen;
  • 5°. het vernieuwen van de staalkabels;
  • 6°. het verrichten van eenvoudige herstelwerkzaamheden aan kraanbanen;
  • het kunnen nemen van passende veiligheidsmaatregelen;
  • het kunnen schrijven van een eenvoudig rapport en het kunnen bijhouden van een kraanboek;
  • kennis hebben van:
  • 1°. de beveiliging van torenkranen;
  • 2°. de verschillende soorten torenkranen, de wijze van opstellen en in gebruik stellen hiervan, en de gebruiksmogelijkheden van elke soort;
  • 3°. de aan de ondergrond en kraanbanen, waarop torenkranen werken, te stellen eisen;
  • 4°. het materieel en gereedschappen, zoals die bij het werken met of aan torenkranen werden gebruikt, alsmede het onderhoud van dat materieel en gereedschappen, de normen tot afkeuring daarvan en de voorschriften voor opslag;
  • enige kennis hebben van:
  • 1°. de werking en het onderhoud van de in torenkranen in gebruik zijnde aandrijfsystemen en apparatuur;
  • 2°. de leer van hydrauliek en pneumatiek, de toepassing en het onderhoud van in torenkranen toegepaste hydraulische en pneumatische systemen;
  • 3°. natuurkunde en mechanica;
  • 4°. elektriciteit in het algemeen en elektrische installaties van torenkranen;
  • 5°. het berekenen van lasten;
  • 6°. de invloed van de weersomstandigheden;
  • 7°. de voor een machinist van een torenkraan van belang zijnde wettelijke bepalingen en andere voorschriften zoals normbladen;
  • 8°. de organisatie op bouwplaatsen en de taak, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van een machinist van een torenkraan, een opzichter en een uitvoerder.
  • Eindtermen met betrekking tot mobiele kranen van de categorieën mobiele kraan op rupsen, autotruck/ruwterrein-kraan/wegterreinkraan, grondverzetmachine met hijsfunctie of autolaadkraan
  • Het met mobiele kranen van de betrokken categorie en de daarbij behorende hulpmiddelen, zoals hulpgieken, kunnen uitvoeren van alle bewegingen teneinde werkzaamheden te kunnen verrichten waarvoor deze machines bestemd zijn;
  • het kunnen werken met hijstabellen van mobiele kranen van de betrokken categorie;
  • het kunnen beoordelen van de bodemgesteldheid onder en in de omgeving van mobiele kranen;
  • het kunnen werken op en met dragline-schotten;
  • het met mobiele kranen van de betrokken categorie kunnen uitvoeren van door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins gegeven opdrachten tot het verplaatsen van zich zowel binnen als buiten gezichtsbereik bevindende lasten, in soort en gewicht verschillend, waarbij twee of meer kraanbewegingen tegelijkertijd worden uitgevoerd;
  • het door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins kunnen geven van opdrachten tot het verplaatsen van lasten;
  • het globaal kunnen bepalen van de massa van lasten;
  • het kunnen aanslaan van lasten;
  • het kunnen inschatten van de invloed van weersomstandigheden;
  • het kunnen inspecteren van mobiele kranen van de betrokken categorie met de daarbij behorende hulpmiddelen en de ondersteuning (zoals schotten), met inbegrip van de beveiligingen, alsmede het kunnen onderkennen en lokaliseren van storingen en gebreken aan de betrokken mobiele kranen met de daarbij behorende hulpmiddelen, de ondersteuning en de beveiligingen en het kunnen verrichten van eenvoudige herstelwerkzaamheden overeenkomstig de fabrikanteninstructies;
  • het kunnen onderkennen van slijtageverschijnselen aan het hijsgereedschap en de hijsmiddelen;
  • het kunnen uitvoeren van de volgende onderhoudswerkzaamheden:
  • 1°. het smeren van mobiele kranen;
  • 2°. het verversen van de olie, zoals van de verbrandingsmotor en van het hydraulisch systeem;
  • 3°. het schoonmaken van de in diverse systemen voorkomende filters;
  • 4°. het afstellen van in mobiele kranen voorkomende aandrijfsystemen en remmen;
  • 5°. het vernieuwen van de staalkabels;
  • het kunnen nemen van passende veiligheidsmaatregelen;
  • het kunnen schrijven van een eenvoudig rapport en het kunnen bijhouden van een kraanboek;
  • kennis hebben van:
  • 1°. de beveiliging van mobiele kranen;
  • 2°. de verschillende soorten mobiele kranen, de wijze van opstellen en in gebruik stellen hiervan, en de gebruiksmogelijkheden van elke soort;
  • 3°. de aan de ondergrond, waarop mobiele kranen werken, te stellen eisen;
  • 4°. het materieel en gereedschappen, zoals die bij het werken met of aan mobiele kranen worden gebruikt, alsmede het onderhoud van dat materieel en gereedschappen, de normen tot afkeuring daarvan en de voorschriften voor opslag;
  • enige kennis hebben van:
  • 1°. de werking en het onderhoud van de in mobiele kranen in gebruik zijnde aandrijfsystemen en apparatuur;
  • 2°. de leer van hydrauliek en pneumatiek, de toepassing en het onderhoud van in mobiele kranen toegepaste hydraulische en pneumatische systemen;
  • 3°. natuurkunde en mechanica;
  • 4°. elektriciteit in het algemeen en elektrische installaties van mobiele kranen;
  • 5°. het berekenen van lasten;
  • 6°. de invloed van de weersomstandigheden;
  • 7°. de voor een machinist van een mobiele kraan van belang zijnde wettelijke bepalingen en voorschriften zoals normbladen;
  • 8°. de organisatie op bouwplaatsen en de taak, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van een machinist van een mobiele kraan, een opzichter en een uitvoerder.
  • Eindtermen met betrekking tot mobiele hei-installaties van de categorieën mobiele hei-installatie met leiders, mobiele hei-installatie met makelaar en tafel, mobiele hei-installatie met trilblok of mobiele hei-installatie met schroefboorpaalmachine
  • Het met mobiele hei-installaties van de betrokken categorie kunnen uitvoeren van alle bewegingen teneinde werkzaamheden te kunnen verrichten waarvoor de machines bestemd zijn; hiertoe behoort ook het kunnen bedienen van de bij de betrokken mobiele hei-installaties toegepaste hulpapparatuur zoals diverse typen hei- en trilblokken;
  • het kunnen werken met hijstabellen van mobiele hei-installaties van de betrokken categorie;
  • het kunnen beoordelen van de bodemgesteldheid onder en in de omgeving van mobiele hei-installaties;
  • het kunnen werken op en met dragline-schotten;
  • het met mobiele hei-installaties van de betrokken categorie kunnen uitvoeren van door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins gegeven opdrachten tot het verplaatsen van lasten, in soort en gewicht verschillend;
  • het door middel van genormaliseerde hand- en armseinen en anderszins kunnen geven van opdrachten tot het verplaatsen van lasten;
  • het globaal kunnen bepalen van de massa van lasten;
  • het kunnen aanslaan en onder de stelling van de betrokken categorie brengen van lasten, en het kunnen stellen van heipalen, damwandprofielen, etcetera, zowel voor te lood als voor schoor heien;
  • het kunnen inschatten van de invloed van weersomstandigheden;
  • het kunnen inspecteren van mobiele hei-installaties van de betrokken categorie met de daarbij toegepaste hulpapparatuur en de ondersteuning (zoals schotten), met inbegrip van de beveiligingen, alsmede het kunnen onderkennen en lokaliseren van storingen en gebreken aan de betrokken mobiele hei-installaties met de daarbij toegepaste hulpapparatuur, de ondersteuning en de beveiligingen, en het kunnen verrichten van eenvoudige herstelwerkzaamheden overeenkomstig de fabrikanteninstructies;
  • het kunnen onderkennen van slijtageverschijnselen aan het hijsgereedschap, de hijsmiddelen en de hulpapparatuur zoals de diverse hei- en trilblokken;
  • het kunnen uitvoeren van de volgende onderhoudswerkzaamheden:
  • 1°. het smeren van mobiele hei-installaties en de hulpapparatuur;
  • 2°. het verversen van de olie, zoals van de verbrandingsmotor, van het hydraulische systeem en van de oliesystemen in de hulpapparatuur;
  • 3°. het schoonmaken van de in diverse systemen voorkomende filters;
  • 4°. het afstellen van in mobiele hei-installaties en de hulpapparatuur voorkomende aandrijfsystemen en remmen;
  • 5°. het vernieuwen van de staalkabels;
  • het kunnen nemen van passende veiligheidsmaatregelen;
  • het kunnen schrijven van een eenvoudig rapport en het kunnen bijhouden van een onderhouds-/controlelijst;
  • kennis hebben van:
  • 1°. de beveiliging van mobiele hei-installaties;
  • 2°. de verschillende soorten mobiele hei-installaties, de wijze van opstellen en in gebruik stellen hiervan, en de gebruiksmogelijkheden van elke soort;
  • 3°. de aan de ondergrond, waarop mobiele hei-installaties werken, te stellen eisen;
  • 4°. de beginselen van de grondmechanica, het palenplan, de soorten palen en damwandprofielen met hun toepassingsgebieden, de heimuts, etcetera;
  • 5°. het materieel en gereedschappen, zoals die bij het werken met of aan mobiele hei-installaties worden gebruikt, alsmede het onderhoud van dat materieel en gereedschappen, de normen tot afkeuring daarvan en de voorschriften voor opslag;
  • enige kennis hebben van:
  • 1°. de werking en het onderhoud van de in mobiele hei-installaties in gebruik zijnde aandrijfsystemen en apparatuur;
  • 2°. de werking en het onderhoud van bij mobiele hei-installaties toegepaste hulpapparatuur zoals diverse hei- en trilblokken;
  • 3°. de leer van hydrauliek en pneumatiek, de toepassing en het onderhoud van in mobiele hei-installaties toegepaste hydraulische en pneumatische systemen;
  • 4°. natuurkunde en mechanica;
  • 5°. elektriciteit in het algemeen en elektrische installaties van mobiele hei-installaties;
  • 6°. het berekenen van lasten;
  • 7°. de invloed van de weersomstandigheden;
  • 8°. de voor een machinist van een mobiele hei-installatie van belang zijnde wettelijke bepalingen en andere voorschriften zoals normbladen;
  • 9°. de organisatie op bouwplaatsen en de taak, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van een machinist van een mobiele hei-installatie, een opzichter en een uitvoerder.

Bijlage XIA. behorend bij artikel 8.10

Intrinsieke kenmerken:

  • rond;
  • zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn. De rode kleur beslaat ten minste 35% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • driehoekig;
  • zwart pictogram op gele achtergrond, zwarte rand. De gele kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • rond;
  • wit pictogram op blauwe achtergrond. De blauwe kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord

Intrinsieke kenmerken:

  • rechthoekig of vierkant;
  • wit pictogram op groene achtergrond. De groene kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:

  • rechthoekig of vierkant;
  • wit pictogram op rode achtergrond. De rode kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.
Artikel 3.2a. Bepaling risico’s en grenzen
1.

De risico’s in het kader van de risico-analyse, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel a, worden kwalitatief en, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald.

2.

De grenzen in het kader van bepaling van de acceptatiecriteria, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel b, worden, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald. Voor zover dit niet mogelijk is, worden deze grenzen kwalitatief bepaald.

Hoofdstuk 4. Gevaarlijke Stoffen

Paragraaf 3.2. Winningsindustrieën met behulp van boringen

Paragraaf 4.2. Veilig werken met explosieven

Paragraaf 4.2. Veilig werken met explosieven

Paragraaf 4.2a. Veilig werken met professioneel vuurwerk

Paragraaf 4.2. Veilig werken met explosieven

Paragraaf 4.2. Veilig werken met explosieven

Paragraaf 4.2a. Veilig werken met professioneel vuurwerk

Paragraaf 4.2. Veilig werken met explosieven

Paragraaf 4.4. Wettelijke grenswaarden

Paragraaf 4.3. Beoordeling risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie

Paragraaf 4.2b. Opsporen van ontplofbare oorlogsresten

Paragraaf 4.4a. Nadere voorschriften over het werken met lood

Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid

Hoofdstuk 6. Arbeid onder overdruk

Paragraaf 4.8a. Vluchtige organische stoffen

Paragraaf 6.1. Certificatie

Paragraaf 4.9. Vervallen

Paragraaf 4.9. Vervallen

Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid

Paragraaf 6.2. Opleidingen

Paragraaf 6.1. Certificatie

Paragraaf 6.3. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek duikers

Hoofdstuk 6. Arbeid onder overdruk

Hoofdstuk 9. Overgangs- en Slotbepalingen

Bijlage IA

Vervallen

Categorie-indeling

De met een asterisk gemarkeerde bedrijfsmiddelen dienen, overeenkomstig de daarvoor geldende EEG-richtlijnen, vergezeld te zijn van een EG-verklaring van overeenstemming en van een gebruiksaanwijzing, die beide zijn opgesteld in de Nederlandse taal.

Bedrijfsmiddelen

1.

Deze lijst wordt aangehaald als: Arbolijst 2004.

Voorbeeld 2: U heeft 10 ton van een stof in huis die valt onder categorie H2 toxisch acute toxiciteit categorie 2. Verder heeft u geen andere stoffen in huis die in deel 1 en deel 2 van bijlage 0 staan. De drempelwaarde van deze categorie is 15 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde NIET overschrijdt. Uw bedrijf of inrichting is dus niet ARIE-plichtig.

10/15 + 1/3 + 1/1,5 = 1,65 > 1, dus uw bedrijf of inrichting is ARIE-plichtig.

Bijlage XIV. behorende bij artikel 4.32a, derde lid, onderdeel a

Belastende situatie in de gebruiksfase Belastingen die een belangrijke toename in de corrosie veroorzaken en/of die hogere eisen stellen aan de prestaties van het verfsysteem nadat het is aangebracht
Beschermingsmaatregel Maatregelen ter bescherming van de gezondheid
Bijzondere belastende omstandigheden Situaties in de gebruikersfase die gelijktijdig een verhoogde kans op corrosie veroorzaken door bij voorbeeld gelijktijdig mechanische en chemische belasting
C1–C5 Corrosiesnelheden gekoppeld aan belastingen met voorbeelden:
C1 Verwarmde gebouwen met een schone atmosfeer b.v. kantoren, winkels, scholen, hotels, woningen.
C2 Onverwarmde gebouwen waar condensatie kan optreden b.v. depots, sporthallen.
C3 Productiehallen met een hoge vochtigheid en enige luchtvervuiling b.v. Voedselverwerkende fabrieken, wasserijen, brouwerijen zuivelindustrie
C4 Productiehallen of gebouwen met een permanente belasting of hoge condensatie b.v. chemische fabrieken, zwembaden
C5 Gebouwen met bijna permanente condensatie of een hoge vervuiling
Dauwpunt De temperatuur waaronder het vocht in de lucht zal condenseren op het oppervlak
Derivaten Afgeleide producten van minerale oliën of combinaties van producten waarin minerale oliën aanwezig zijn
Droge ruimte Een ruimte waarin de relatie luchtvochtigheid en temperatuur van dien aard is dat van een normale geaccepteerde leefomgeving kan worden gesproken, waarin verblijfomstandigheden voor langere duur zijn geaccepteerd
Enige luchtvervuiling Een vervuiling welke incidenteel dan wel permanent wordt gekenmerkt door een chemische verontreiniging welke invloed kan uitoefenen op de kwaliteit van het beschermende verfsysteem
Hoge luchtvervuiling Een vervuiling welke bijna permanent aanwezig is welke gezien de aanwezige chemische stoffen invloed hebben op het verfsysteem en direct negatieve invloed hebben, in corrosieve zin, op een metalen ondergrond
NEN 12944 ( NPR 7452) Norm die de bescherming van metalen door middel van verfsystemen behandelt. In deze norm vertegenwoordigen de aanduidingen C1 t/m C5 corrosiebelastingscategorieën. Aan deze categorie-indeling zijn nu ook vervangings- en beheersmaatregelen gekoppeld.
Onderdompeling langer dan 5 minuten per 24 uur Directe blootstelling aan een vloeistof, welke plaats vindt langer dan 5 minuten en die zoor zijn samenstelling directe deformatie van het beschermende verfsysteem veroorzaakt, dan wel omdat de vloeistof door het verfsysteem heen dringt en dan corrosie van de onderliggende metalen ondergrond veroorzaakt
Schone atmosfeer Een atmosfeer welke zich kenmerkt door zeer weinig of geen verontreiniging en welke gezien wordt als een normale situatie onder normale leefomstandigheden
VOS Vluchtige organische stof. Volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.62a wordt hieronder verstaan: organische verbindingen en mengsels hiervan, die bij 293,15 K (20°C) een dampspanning hebben van ten minste 0,01 kPa, dan wel een overeenkomstige vluchtigheid bij de specifieke gebruiksomstandigheden. Blootstelling aan VOS kan schadelijk zijn voor de gezondheid. VOS moeten zoveel mogelijk worden vervangen. In gevallen waarin vervanging onmogelijk is, moeten beschermingsmaatregelen worden genomen.

10.3.2. Groot Vuurwerk (toetstermen 4.1.1 t/m 5.15.1)

Deel C van het examen bestaat uit vijf cases, waarvan één gebaseerd op een toetsterm uit het algemene deel en vier op toetstermen uit het specifieke deel (applicatie Pyrotechnische Speciale Effecten).

Bijlage XIB. behorend bij artikel 8.26

A. Algemene Gebaren A. Algemene Gebaren A. Algemene Gebaren
Betekenis Beschrijving Illustratie
BEGIN Pas op! Begin van commando Beide armen zijn horizontaal gestrekt met de handpalmen naar boven
STOP Onderbreking Einde van de beweging  De rechterhand is opgeheven en de rechterhandpalm naar voren gehouden
EINDE Einde van de werkzaamheden Beide handen zijn ter hoogte van de borst samengevoegd
B. Verticale bewegingen B. Verticale bewegingen B. Verticale bewegingen
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
HIJSEN Met de opgeheven rechterarm en naar voren gebrachte rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt
VIEREN Met de naar beneden gerichte rechterarm en naar binnen gehouden rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt
VERTICALE AFSTAND De afstand wordt met de handen aangegeven
C. Horizontale bewegingen C. Horizontale bewegingen C. Horizontale bewegingen
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
VOORUIT Beide armen worden gebogen, palmen worden naar binnen gehouden en met de voorarmen worden trage bewegingen naar het lichaam toe gemaakt
ACHTERUIT Beide armen worden gebogen, beide handpalmen worden naar buiten gehouden, met de voorarmen worden trage beweging van het lichaam af gemaakt
NAAR RECHTS ten opzichte van de signaalgever Met de ongeveer horizontaal gestrekte rechterarm en de naar beneden gehouden rechterhandpalm worden trage, richting aanwijzende bewegingen gemaakt
NAAR LINKS ten opzichte van de signaalgever Met de ongeveer horizontaal gestrekte linkerarm en de naar beneden gehouden linkerhandpalm worden trage richtingaanwijzende bewegingen gemaakt
HORIZONTALE AFSTAND De afstand wordt met de handen aangegeven
D. Gevaar D. Gevaar D. Gevaar
--- --- ---
Betekenis Beschrijving Illustratie
GEVAAR Beide handen opgeheven, handpalmen naar voren
SNELLE BEWEGING De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de beweging worden zeer snel uitgevoerd
TRAGE BEWEGING De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de bewegingen worden zeer langzaam uitgevoerd
Artikel 4.32h. Gelijkstelling vervangende producten

Met de in de artikelen 4.32a vierde tot en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, 4.32f, vierde lid en 4.32g, derde lid, bedoelde producten worden gelijkgesteld producten, die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Paragraaf 4.4a. Nadere voorschriften over het werken met lood

Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid

Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid

Paragraaf 4.8a. Vluchtige organische stoffen

Paragraaf 4.9. Vervallen

Paragraaf 4.9. Vervallen

Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen

Paragraaf 6.3. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek duikers

Paragraaf 6.3. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek duikers

Paragraaf 6.4. Vrijstelling

Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en Slotbepalingen

Bijlage II. , behorend bij artikel 1.16

2.

De in de bijlage begrepen bedrijfsmiddelen die in aanmerking kunnen komen voor de regeling, dienen de aangegeven bestemming te hebben voor zover aangegeven en ten minste te bestaan uit de bestanddelen vermeld achter ‘en bestaande uit’; indien zij uit deze bestanddelen bestaan mogen de bestanddelen vermeld achter ‘(eventueel)’ daaraan worden toegevoegd. Tot die bestanddelen kunnen tevens gerekend worden voorzieningen (zoals leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) die technisch noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen en derhalve geen zelfstandige betekenis hebben.

3.

De Arbolijst is afgestemd op de VAMIL-lijst. Dit komt onder meer tot uiting in overeenkomstige eisen ten aanzien van geluid en het gebruik van biologisch-afbreekbare olie. Aldus moeten bedrijfsmiddelen waarvoor een beroep wordt gedaan op de regeling en waarvan het eventuele hydraulische systeem meer dan drie liter olie bevat, gevuld zijn met biologisch-afbreekbare en niet-toxische olie (zie in dat verband ook de VAMIL-lijst).

Als onvoldoende voorzorgsmaatregelen worden genomen, kan een aantal bedrijfsmiddelen van de Arbolijst, ongewenste milieu-effecten veroorzaken. Denkbaar is bijvoorbeeld dat – ter voorkoming van de blootstelling van werknemers – schadelijke stoffen worden geloosd in het oppervlaktewater of worden geëmitteerd in de buitenlucht. Bedoelde bedrijfsmiddelen zijn in de Arbolijst gemarkeerd met het symbool #. Het verdient aanbeveling – alvorens men tot aanschaf van zo’n bedrijfsmiddel overgaat – eerst contact op te nemen met de gemeentelijke of provinciale milieudienst.

De met een asterisk gemarkeerde bedrijfsmiddelen dienen, overeenkomstig de daarvoor geldende EEG-richtlijnen, vergezeld te zijn van een EG-verklaring van overeenstemming en van een gebruiksaanwijzing, die beide zijn opgesteld in de Nederlandse taal.

De Arbolijst 2004 bestaat voor een deel uit bedrijfsmiddelen die ook al op de voorgaande Arbolijsten (1998 tot en met 2003) voorkwamen. Nieuwkomers op de lijst zijn met een uitroepteken gemarkeerd (ook bedrijfsmiddelen met een enigszins gewijzigde omschrijving zijn voorzien van een uitroepteken).

Lijst van stoffen, behorend bij artikel 2.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Lijst van stoffen, behorend bij artikel 2.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Voor gevaarlijke stoffen die vallen onder de gevarencategorieën opgenomen in kolom 1 van deel 1 van deze lijst, gelden de in kolom 2 van deel 1 van deze lijst opgenomen drempelwaarden.

Wanneer een gevaarlijke stof onder deel 1 van deze lijst valt en ook is opgenomen in deel 2 van deze lijst, zijn de in de kolom 2 van deel 2 van deze lijst opgenomen drempelwaarden van toepassing.

Categorieën gevaarlijke stoffen

Dit deel beslaat alle gevaarlijke stoffen die in de in kolom 1 vermelde gevarencategorieën vallen:

Gevaarlijke stoffen die met naam genoemd worden

Aantekeningen:

Sommatieregel

In het geval van een bedrijf of inrichting waar geen afzonderlijke gevaarlijke stof aanwezig is in een hoeveelheid van meer dan of gelijk aan de vermelde drempelwaarden, wordt de onderstaande regel toegepast om te bepalen of de inrichting of het bedrijf onder de bepalingen van Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit valt.

De Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het van het Arbeidsomstandighedenbesluit is van toepassing indien de som:

q1/QU1 + q2/QU2 + q3/QU3 + q4/QU4 + q5/QU5 + … groter is dan of gelijk is aan 1,

waarbij qx = de hoeveelheid van gevaarlijke stof x of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van categorie x uit deel 1 of deel 2 van deze bijlage,

en QUX = de voor gevaarlijke stof x of categorie x in kolom 2 van deel 1 of van deel 2 van deze bijlage relevante drempelwaarde.

Deze regel wordt gebruikt ter beoordeling van de gezondheidsgevaren en fysische gevaren. De regel moet daarom tweemaal worden toegepast:

De desbetreffende bepalingen van Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn van toepassing zodra het sommeringsresultaat van a) of b) groter is dan of gelijk is aan 1.

Zoals al is aangegeven in het algemeen deel van de nota van toelichting behorend bij het besluit van 13 december 2022 (Stb. 2022 nr. 501), houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met een nieuwe opzet van de aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie inzake zware ongevallen met gevaarlijke stoffen is wijziging van de oude ARIE-aanwijssystematiek en aansluiting op CLP-drempelwaarden en de systematiek van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (hierna Brzo 2015) of het naar verwachting per 1 juli 2023 in werking tredende Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) noodzakelijk.

Zoals al is aangegeven in het algemeen deel van de nota van toelichting behorend bij het besluit van 13 december 2022 (Stb. 2022 nr. 501), houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met een nieuwe opzet van de aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie inzake zware ongevallen met gevaarlijke stoffen is wijziging van de oude ARIE-aanwijssystematiek en aansluiting op CLP-drempelwaarden en de systematiek van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (hierna Brzo 2015) of het naar verwachting per 1 juli 2023 in werking tredende Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) noodzakelijk.

In de oude ARIE-regeling werden stoffen ingedeeld in vier categorieën stoffen, te weten ARIE ontplofbaar, ARIE brandbaar, ARIE toxisch en ARIE extreem toxisch. Categorisering vond plaats door middel van een rekenmethode (onder meer op basis van omstandigheidsfactoren) die als te moeilijk werd ervaren. Bovendien sloot deze aanwijssystematiek niet meer aan op de CLP-verordening (Verordening (EG) nr. 1272/2008, PbEG 2008, L 353), die oudere EU-wetgeving afstemt op het wereldwijd geharmoniseerde systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen, dat in 2009 in werking is getreden. Ook het Brzo 2015 en het Bal hanteren CLP-categorieën in combinatie met drempelwaarden. Daarmee was aanpassing van de ARIE-regeling op dit systeem vereist.

In de nieuwe ARIE-regeling zal geen gebruik meer worden gemaakt van deze complexe rekenmethodes en omstandigheidsfactoren. Dit gebeurt ook niet in het Bal. Artikel 2.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna Arbobesluit) noopt tot het vaststellen van een lijst van stoffen met bijbehorende drempelwaarden. In deze lijst is zoveel mogelijk aangesloten op bijlage I van de Seveso III Richtlijn (Richtlijn 2012/18/EU, PbEU 2012, L 197). Bij de drempelwaarden wordt uitgegaan van 30% van de drempelwaarden voor lagedrempelinrichtingen van het Brzo 2015 of het Bal. Daarmee wordt bereikt dat de ARIE-regeling geldt voor bedrijven of inrichtingen waar wel een aanzienlijke hoeveelheid gevaarlijke stoffen aanwezig is. Bij het vaststellen van dit percentage is met name gekeken naar het risico van deze gevaarlijke stoffen voor werkenden in dergelijke bedrijven of inrichtingen. Heeft het bedrijf of de inrichting een bepaalde stof in huis waarvan de CLP-categorie van die stof (bijlage 0, deel 1) of een specifieke stof die met naam genoemd worden (bijlage 0, deel 2) is opgenomen in de lijst van stoffen, en overschrijdt het bedrijf of de inrichting qua hoeveelheid de drempelwaarde van deze categorie (of verwacht het bedrijf of de inrichting deze drempelwaarde te overschrijden door toevoer en/of stofvorming door middel van processen), dan valt het bedrijf of de inrichting onder de doelgroep van de ARIE-regeling.

Het RIVM heeft in 2011 een rapport geschreven, dat tijdens het herzieningstraject als hulpmiddel is gebruikt om de terminologie uit de oude ARIE-regeling af te stemmen op het nieuwe CLP-stelsel. Op basis van dit rapport is tijdens het herzieningstraject een nieuwe lijst ontwikkeld, waarbij gepoogd is de categorieën uit de oude ARIE-regeling zoveel mogelijk te vertalen naar de geldende CLP-categorieën. Het uitgangspunt is telkens het acuut gevaaraspect voor de gezondheid en veiligheid van werknemers geweest. Vanwege het gevaar dat deze stoffen kunnen vormen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers, worden ook de CLP-categorieën huidcorrosie categorie 1, sub 1A, 1B en 1C meegenomen in de ARIE. Deze vallen niet onder het Bal, maar worden door het RIVM-rapport aangewezen als hoog-relevant omdat ze wel een risico vormen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers, vanwege inhalatie van corrosieve dampen en chemische brandwonden kunnen veroorzaken.

Naast de in bijlage 0, deel 1 van de lijst van stoffen genoemde CLP-stoffen categorieën met bijbehorende drempelwaarden die onder de ARIE-regeling vallen, is in deel 2 van de lijst van stoffen een overzicht met specifieke stoffen opgenomen waaraan een specifieke drempelwaarde toebedeeld is anders dan de algemene drempelwaarde voor de CLP-categorie waartoe deze stoffen behoren. Bij deze stoffen is afgeweken van de drempelwaarde(n) voor die categorie uit deel 1 van de lijst van stoffen, omdat de stoffen als risicovoller worden beschouwd voor wat betreft het acuut gevaar voor de werknemers.

Ten slotte bevat deel 3 van de lijst van stoffen de zogenoemde sommatieregel. Daarbij gaat het om de situatie waarbij de individuele gevaarlijke stoffen de drempelwaarden niet overschrijden, maar het geheel van de aanwezige stoffen tezamen wel een drempelwaarde overschrijdt. Deze sommatieregel is gebaseerd op de sommatieregel die wordt gehanteerd in de oude ARIE.

Ondanks het feit dat getracht is de bedrijven uit de oude ARIE-systematiek zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de nieuwe ARIE-systematiek, zullen sommige bedrijven en inrichtingen die onder de oude ARIE-regeling vielen niet meer onder de nieuwe regeling vallen, en andersom.

Hieronder wordt kort aan de hand van voorbeelden beschreven hoe kan worden aflezen of uw bedrijf onder de ARIE-regeling valt.

Hieronder wordt kort aan de hand van voorbeelden beschreven hoe kan worden aflezen of uw bedrijf onder de ARIE-regeling valt.

In dit deel van de bijlage vindt u de CLP-categorieën stoffen met daarbij behorende drempelwaarden. Als een stof in uw bedrijf of inrichting aanwezig is – of die wordt verwacht aanwezig te zijn binnen uw bedrijf of inrichting – die valt onder een CLP-categorie opgenomen in deze lijst, en waarvan de hoeveelheid hoger is dan de aangegeven drempelwaarde in deze lijst, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. U moet uw bedrijf of inrichting dan melden als ARIE-plichtig, en aan de bijbehorende verplichtingen voldoen.

In dit deel van de bijlage vindt u de CLP-categorieën stoffen met daarbij behorende drempelwaarden. Als een stof in uw bedrijf of inrichting aanwezig is – of die wordt verwacht aanwezig te zijn binnen uw bedrijf of inrichting – die valt onder een CLP-categorie opgenomen in deze lijst, en waarvan de hoeveelheid hoger is dan de aangegeven drempelwaarde in deze lijst, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. U moet uw bedrijf of inrichting dan melden als ARIE-plichtig, en aan de bijbehorende verplichtingen voldoen.

Voorbeeld 1: U heeft 2 ton van een stof in huis die valt onder categorie H1 acuut toxisch categorie 1. De drempelwaarde van deze categorie is 1,5 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde overstijgt. Uw bedrijf of inrichting is dus ARIE-plichtig.

Voorbeeld 2: U heeft 10 ton van een stof in huis die valt onder categorie H2 toxisch acute toxiciteit categorie 2. Verder heeft u geen andere stoffen in huis die in deel 1 en deel 2 van bijlage 0 staan. De drempelwaarde van deze categorie is 15 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde NIET overschrijdt. Uw bedrijf of inrichting is dus niet ARIE-plichtig.

In dit deel van de bijlage vindt u specifiek met naam genoemde stoffen met daarbij behorende drempelwaarden. Als één van deze stoffen in uw bedrijf of inrichting aanwezig is – of die wordt verwacht aanwezig te zijn binnen uw bedrijf of inrichting – en waarvan de hoeveelheid hoger is dan de aangegeven drempelwaarde in deze lijst, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. Deze stoffen kunnen dus ook onder een CLP-categorie vallen die opgenomen is in deel 1; maar u dient dus de drempelwaarde te hanteren die in deel 2 staat.

In dit deel van de bijlage vindt u specifiek met naam genoemde stoffen met daarbij behorende drempelwaarden. Als één van deze stoffen in uw bedrijf of inrichting aanwezig is – of die wordt verwacht aanwezig te zijn binnen uw bedrijf of inrichting – en waarvan de hoeveelheid hoger is dan de aangegeven drempelwaarde in deze lijst, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. Deze stoffen kunnen dus ook onder een CLP-categorie vallen die opgenomen is in deel 1; maar u dient dus de drempelwaarde te hanteren die in deel 2 staat.

Voorbeeld 3: U heeft 7 ton Broom in huis. De drempelwaarde van Broom is 6 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde overstijgt. Uw bedrijf of inrichting is dus ARIE-plichtig.

In dit deel van de bijlage vindt u de sommatieregel. Hierin wordt uitgelegd hoe u verschillende stoffen die aanwezig (kunnen) zijn in uw bedrijf of inrichting bij elkaar moet optellen, indien ze niet afzonderlijk boven de drempelwaarde vallen. U dient de aanwezige hoeveelheid van een CLP-categorie of de afzonderlijke stof te delen door de drempelwaarde van die categorie/stof. Dat doet u afzonderlijk voor iedere categorie of stof die in deel 1 of 2 in de bijlage staat. Daarna telt u deze uitkomsten bij elkaar op (q1/QU1 + q2/QU2 +.). Is de uitkomst gelijk aan of groter dan 1, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. Is de uitkomst kleiner dan 1, dan is uw bedrijf niet ARIE-plichtig.

In dit deel van de bijlage vindt u de sommatieregel. Hierin wordt uitgelegd hoe u verschillende stoffen die aanwezig (kunnen) zijn in uw bedrijf of inrichting bij elkaar moet optellen, indien ze niet afzonderlijk boven de drempelwaarde vallen. U dient de aanwezige hoeveelheid van een CLP-categorie of de afzonderlijke stof te delen door de drempelwaarde van die categorie/stof. Dat doet u afzonderlijk voor iedere categorie of stof die in deel 1 of 2 in de bijlage staat. Daarna telt u deze uitkomsten bij elkaar op (q1/QU1 + q2/QU2 +.). Is de uitkomst gelijk aan of groter dan 1, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. Is de uitkomst kleiner dan 1, dan is uw bedrijf niet ARIE-plichtig.

Voorbeeld 4: U heeft de volgende stoffen/categorie stoffen met bijbehorende hoeveelheid in uw bedrijf/inrichting:

Elk van deze afzonderlijke stoffen komt niet boven de gestelde drempelwaarde uit, maar het zijn wel alle drie ARIE-stoffen. Hierdoor dient er een sommatieberekening te worden uitgevoerd:

q1/QU1 + q2/QU2 + q3/QU3

waarbij qx = de hoeveelheid van gevaarlijke stof x of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van categorie x uit deel 1 of deel 2 van deze bijlage, en QUX = de voor gevaarlijke stof x of categorie x in kolom 2 van deel 1 of van deel 2 van deze bijlage relevante drempelwaarde.

10/15 + 1/3 + 1/1,5 = 1,65 > 1, dus uw bedrijf of inrichting is ARIE-plichtig.

Voorbeeld 3: U heeft 7 ton Broom in huis. De drempelwaarde van Broom is 6 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde overstijgt. Uw bedrijf of inrichting is dus ARIE-plichtig.

In dit deel van de bijlage vindt u specifiek met naam genoemde stoffen met daarbij behorende drempelwaarden. Als één van deze stoffen in uw bedrijf of inrichting aanwezig is – of die wordt verwacht aanwezig te zijn binnen uw bedrijf of inrichting – en waarvan de hoeveelheid hoger is dan de aangegeven drempelwaarde in deze lijst, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. Deze stoffen kunnen dus ook onder een CLP-categorie vallen die opgenomen is in deel 1; maar u dient dus de drempelwaarde te hanteren die in deel 2 staat.

Voorbeeld 3: U heeft 7 ton Broom in huis. De drempelwaarde van Broom is 6 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde overstijgt. Uw bedrijf of inrichting is dus ARIE-plichtig.

Voorbeeld 4: U heeft de volgende stoffen/categorie stoffen met bijbehorende hoeveelheid in uw bedrijf/inrichting:

In dit deel van de bijlage vindt u de sommatieregel. Hierin wordt uitgelegd hoe u verschillende stoffen die aanwezig (kunnen) zijn in uw bedrijf of inrichting bij elkaar moet optellen, indien ze niet afzonderlijk boven de drempelwaarde vallen. U dient de aanwezige hoeveelheid van een CLP-categorie of de afzonderlijke stof te delen door de drempelwaarde van die categorie/stof. Dat doet u afzonderlijk voor iedere categorie of stof die in deel 1 of 2 in de bijlage staat. Daarna telt u deze uitkomsten bij elkaar op (q1/QU1 + q2/QU2 +.). Is de uitkomst gelijk aan of groter dan 1, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. Is de uitkomst kleiner dan 1, dan is uw bedrijf niet ARIE-plichtig.

Voorbeeld 4: U heeft de volgende stoffen/categorie stoffen met bijbehorende hoeveelheid in uw bedrijf/inrichting:

Elk van deze afzonderlijke stoffen komt niet boven de gestelde drempelwaarde uit, maar het zijn wel alle drie ARIE-stoffen. Hierdoor dient er een sommatieberekening te worden uitgevoerd:

q1/QU1 + q2/QU2 + q3/QU3

Na de acceptatie in het CCvD van wijzigingen in het WSCS, biedt het CCvD het gewijzigde schema aan aan de minister van SZW. De Minister verklaart vervolgens het schema verbindend door middel van een statische verwijzing in de wet- en regelgeving. Indien de Minister overwegende bezwaren heeft tegen één of meer onderdelen treedt hij daarover in overleg met het CCvD. Het CCvD kan de schema’s vervolgens aanpassen. Indien het CCvD zich niet kan vinden in de bezwaren van minister zal zij dit met redenen omkleed aan de minister duidelijk maken. De Minister neemt vervolgens een besluit.

In deze persoonscertificatieregeling voor Arbeidshygiënisten (AH), wordt enerzijds algemene uitgangspunten en bepalingen opgenomen en wordt beschreven binnen welke voorwaarden de afgifte van certificaten dient te gebeuren. Anderzijds worden in het schema de normen vastgelegd waaraan personen dienen te voldoen om een certificaat van vakbekwaamheid te kunnen ontvangen.

Specifiek voor het WSCS-VD, dient de CKI een klachtenregeling en een bezwaarprocedure vast te stellen. Deze regelingen moeten voldoen aan het in het WSCS-VD gestelde. De regelingen dienen te waarborgen dat bezwaarschriften en klachten op een onafhankelijke en onbevooroordeelde wijze worden afgehandeld.

Voorschriften met betrekking tot het handelen van certificaathouders zijn vastgelegd in de Gedragscode Vuurwerkdeskundige, zoals opgenomen in bijlage A van het WSCS-VD. De aanvrager / certificaathouder Vuurwerkdeskundige dient zich hieraan bij certificatie en hercertificatie schriftelijk te conformeren.

De Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet vereist certificering voor ‘Arbeidshygiënisten die RI&E toetsen’. Tevens moet een gecertificeerde Arbodienst beschikken over een gecertificeerde arbeidshygiënist. Uit artikel 2.7 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit volgt dat een arbeidshygiënist alleen beschikt over voldoende deskundigheid en ervaring indien hij in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne uitgereikt door een certificerende instelling.

De toetsmethodiek die wordt toegepast bij het bepalen van de competentie van aanvragers van het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige, is beschreven in de hoofdstukken 9 tot en met 11 van het WSCS-VD. Op basis van rapportages van de CKI (zie verder), bepaalt het CCvD tenminste jaarlijks de voortdurend de eerlijkheid, validiteit, betrouwbaarheid en actualiteit van de toetsmethodiek.

Wijzigingen in de certificatie-eisen Vuurwerkdeskundige, alsmede de daarop van toepassing zijnde overgangsregeling, worden door de CKI bekend gemaakt aan de certificaathouders, bijvoorbeeld door publicatie ervan. De CKI waarborgt dat alle certificaathouders binnen de overgangstermijn worden onderzocht op conformiteit met de gewijzigde certificatie-eisen. De CKI waarborgt dat toegang tot de certificatieprocedure niet wordt beperkt of belemmerd op basis van ongepaste financiële of andere voorwaarden, zoals het lidmaatschap van een beroepsvereniging. De CKI maakt tijdens het certificatieproces geen onderscheid tussen aanvragers van het certificaat Vuurwerkdeskundige, op basis van het feit of deze al dan niet een opleiding of training op het gebied van professioneel vuurwerk hebben gevolgd.

De CKI onderzoekt tenminste jaarlijks de eerlijkheid, validiteit en betrouwbaarheid van de examenmethodiek, en rapporteert hierover schriftelijk aan het CCvD Vuurwerkdeskundige. De CKI dient voor dit onderzoek te beschikken over een beschrijving van de toegepaste methoden (zoals het verzamelen en bewaren van statistische gegevens). In de rapportage beschrijft de CKI verder het algehele verloop van elk examen en op welke wijze eventuele afwijkingen die zich daarbij hebben voorgedaan zijn gecorrigeerd.

Deze certificatieregeling is opgesteld door het betreffende Centraal College van Deskundigen (CCvD ARBO) van de Beheerstichting Certificatie van Deskundigen (stichting BCD). Het schema is door het ministerie van SZW vastgesteld. Pas na vaststelling van deze regeling door de minister van SZW mag de certificatieregeling door de certificatie-instellingen worden toegepast.

Document: WDAT-VD

Document: WDAT-VD

INHOUD

Het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk, het ter plaatse opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen van professioneel vuurwerk, alsmede het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 Vuurwerkbesluit, betreft een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van vuurwerkdeskundigen. Het certificaat wordt onder deze regeling verstrekt door CKI’s. Om certificaten te mogen verstrekken dient een CKI hiertoe te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door een toetsing aan dit WDA&T. In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich dienen te houden.

Het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk, het ter plaatse opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen van professioneel vuurwerk, alsmede het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 Vuurwerkbesluit, betreft een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van vuurwerkdeskundigen. Het certificaat wordt onder deze regeling verstrekt door CKI’s. Om certificaten te mogen verstrekken dient een CKI hiertoe te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door een toetsing aan dit WDA&T. In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich dienen te houden.

Beoordelaar exameninstelling Vuurwerkdeskundige

Beoordelaar persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht (WDAT-VD) heeft betrekking op arbeid in relatie tot professioneel vuurwerk. Het werkveldspecifieke document is door de minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde document vervangt eerdere versies. Op- en/of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen VD.

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht (WDAT-VD) heeft betrekking op arbeid in relatie tot professioneel vuurwerk. Het werkveldspecifieke document is door de minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde document vervangt eerdere versies. Op- en/of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen VD.

Binnen het kader van dit document voor aanwijzing en toezicht zijn bij de opstelling betrokken geweest:

Binnen het kader van dit document voor aanwijzing en toezicht zijn bij de opstelling betrokken geweest:

Persoonscertificatie heeft tot doel aan belanghebbenden vertrouwen te bieden ten aanzien van de competentie van certificaathouders. Dit vertrouwen is gebaseerd op het voldoen door de CKI aan de hierna beschreven principes. Indien hieraan niet wordt voldaan, leidt dit tot risico’s met betrekking tot het functioneren van de CKI en kan het vertrouwen van belanghebbenden in de persoonscertificatieregeling Vuurwerkdeskundige worden geschaad. In het WSCS-VD, alsmede in onderhavig document, is specifiek voor de persoonscertificatieregeling Vuurwerkdeskundige aangegeven op welke wijze aan bedoelde principes invulling moet worden gegeven door de CKI. Dit om te voorkomen dat de risico’s met betrekking tot deze principes zich manifesteren.

Persoonscertificatie heeft tot doel aan belanghebbenden vertrouwen te bieden ten aanzien van de competentie van certificaathouders. Dit vertrouwen is gebaseerd op het voldoen door de CKI aan de hierna beschreven principes. Indien hieraan niet wordt voldaan, leidt dit tot risico’s met betrekking tot het functioneren van de CKI en kan het vertrouwen van belanghebbenden in de persoonscertificatieregeling Vuurwerkdeskundige worden geschaad. In het WSCS-VD, alsmede in onderhavig document, is specifiek voor de persoonscertificatieregeling Vuurwerkdeskundige aangegeven op welke wijze aan bedoelde principes invulling moet worden gegeven door de CKI. Dit om te voorkomen dat de risico’s met betrekking tot deze principes zich manifesteren.

In het beleid en de procedures van de CKI moet zijn vastgelegd dat alle aanvragers van het persoonscertificaat eerlijk en gelijk worden behandeld. De CKI dient zich hierbij te houden aan hetgeen is gesteld in de certificatie-eisen en het certificatiereglement. Het is de CKI verboden aanvragers van het certificaat de toegang tot de certificatieprocedure te verhinderen of belemmeren. Besluiten van de CKI moeten zijn gebaseerd op objectief bewijs van (non-)conformiteit in relatie tot de certificatie-eisen en niet worden beïnvloed door andere belangen of andere partijen.

De CKI moet beschikken over voldoende medewerkers, met inbegrip van een daarvoor verantwoordelijk management, met de benodigde opleiding, training, vakinhoudelijke deskundigheid, houding en ervaring om de certificatietaken met betrekking tot het persooncertificatieschema Vuurwerkdeskundige te kunnen verrichten.

De CKI beschikt over beleid en procedures met betrekking tot het toekennen, handhaven, herverstrekken, opschorten en intrekken van het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige, alsmede met betrekking tot het uitbreiden of beperken van het toepassingsgebied van het persoonscertificaat.

De CKI is ervoor verantwoordelijk dat voor het nemen van een certificatiebesluit voldoende objectief en relevant bewijs wordt verzameld. Wanneer voldoende bewijs van conformiteit met de certificatie-eisen is vergaard, besluit de CKI het persooncertificaat Vuurwerkdeskundige toe te kennen aan de aanvrager in kwestie. Wanneer onvoldoende bewijs van conformiteit is vergaard, leidt dit tot afwijzing van de aanvraag voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige door de CKI.

Indien certificatiewerkzaamheden (bijvoorbeeld examinering) aan een externe partij worden uitbesteed door de CKI, dient hieraan een schriftelijke overeenkomst ten grondslag te liggen. Deze beschrijft de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van beide partijen, alsmede de regelingen met betrekking tot vertrouwelijkheid en het voorkomen van belangenverstrengeling alsmede, voor zover nodig, bezwaar en beroep. Het nemen van een certificatiebesluit kan niet worden uitbesteed door de CKI.

Om het vertrouwen in certificatie te waarborgen, moet de CKI ervoor zorg dragen dat niet-vertrouwelijke informatie over het certificatieproces (bijvoorbeeld onderzoek naar aanleiding van klachten) toegankelijk is voor partijen die daar belang in stellen.

Ten behoeve van het certificatieproces, moet de CKI kunnen beschikken over persoonsgegevens en examenresultaten van aanvragers en certificaathouders. De CKI dient deze informatie vertrouwelijk te behandelen om te voorkomen dat de klanten bezwaar maken tegen het verzamelen en bewaren ervan.

Partijen die belang hebben bij certificatie verwachten dat klachten worden onderzocht en dat deze, als ze terecht zijn, worden gevolgd door passende maatregelen. Een effectieve klachtenbehandeling is van belang voor de bescherming van de CKI, diens klanten en andere belanghebbenden bij certificatie tegen fouten, omissies of onredelijk gedrag. Het vertrouwen dat door belanghebbenden wordt gesteld in certificatie, is mede hiervan afhankelijk.

Persoonscertificatie heeft tot doel aan belanghebbenden vertrouwen te bieden ten aanzien van de competentie van certificaathouders. Dit vertrouwen is gebaseerd op het voldoen door de CKI aan de hierna beschreven principes. Indien hieraan niet wordt voldaan, leidt dit tot risico’s met betrekking tot het functioneren van de CKI en kan het vertrouwen van belanghebbenden in de persoonscertificatieregeling Vuurwerkdeskundige worden geschaad. In het WSCS-VD, alsmede in onderhavig document, is specifiek voor de persoonscertificatieregeling Vuurwerkdeskundige aangegeven op welke wijze aan bedoelde principes invulling moet worden gegeven door de CKI. Dit om te voorkomen dat de risico’s met betrekking tot deze principes zich manifesteren.

Voor het beoordelen en aanwijzen van CKI’s voor het WSCS-VD gelden de eisen van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012, alsmede de eisen die gesteld worden aan de CKI op grond van aanwijzing. Voor zover in dit WDAT-VD niet wordt afgeweken van resp. een nadere uitwerking wordt gegeven van de accreditatienorm NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012, wordt deze norm geacht onverkort van toepassing te zijn.

Voor het beoordelen en aanwijzen van CKI’s voor het WSCS-VD gelden de eisen van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012, alsmede de eisen die gesteld worden aan de CKI op grond van aanwijzing. Voor zover in dit WDAT-VD niet wordt afgeweken van resp. een nadere uitwerking wordt gegeven van de accreditatienorm NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012, wordt deze norm geacht onverkort van toepassing te zijn.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)