Wijzigingsgeschiedenis
Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
100 versions
· 2012-01-01 — 2026-04-03
2026-04-03
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 64, 3, 64 y 58 más
2025-11-19
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 23, 23, 36 y 54 más
2025-11-17
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 31, 23 y 123 más
2025-10-12
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 29 y 94 más
2025-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 29, 3 y 67 más
2025-07-03
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2004, 67, 8 y 21 más
2025-05-31
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2004, 67, 8 y 17 más
2025-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2004, 67, 8 y 12 más
2025-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 29, 3 y 72 más
2024-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 3, 64 y 36 más
2024-08-15
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 3, 6
2024-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 3, 67 y 15 más
2024-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 47 más
2024-02-14
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 51 más
2024-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 55 más
2023-10-09
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 2, 23 y 44 más
2023-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 90, 5 y 15 más
2023-09-15
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 90, 5 y 3 más
2023-08-02
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 5, 6
2023-08-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 90, 5 y 3 más
2023-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 44 más
2023-06-09
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 23 y 43 más
2023-06-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 90, 1 y 3 más
2023-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 1, 64 y 33 más
2023-03-07
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 75 más
2023-02-22
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 31, 23 y 28 más
2023-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 42 más
2022-11-15
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 3, 31 y 38 más
2022-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 3, 3 y 32 más
2022-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 3 y 35 más
2022-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 29, 3, 2 y 8 más
2022-01-06
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 3 y 33 más
2022-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 3, 3 y 35 más
2021-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 3, 3 y 39 más
2021-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 8, 6, 6
2021-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 3 y 16 más
2021-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 29, 3 y 36 más
2020-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 3 y 45 más
2020-07-09
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 8, 6, 2
2020-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 34 más
2020-05-14
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 8, 5, 64 y 14 más
2020-04-02
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — art. 8
2020-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 53 más
2020-02-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 3, 14, 8, 64
2020-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 52 más
2019-11-30
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 14, 8, 64
2019-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 34 más
2019-08-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 14, 8, 64 y 3 más
2019-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 64, 3, 14 y 22 más
2019-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 29, 3 y 36 más
2019-03-09
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 3, 3 y 40 más
2019-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 29, 3 y 38 más
2018-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 35 más
2018-09-03
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 23, 23, 64 y 17 más
2018-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 46 más
2018-05-23
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 8, 5, 2 y 2 más
2018-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 3, 3 y 35 más
2018-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 31, 23 y 18 más
2017-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 3 y 30 más
2017-09-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 3, 31 y 25 más
2017-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 14, 64, 8 y 2 más
2017-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 29, 3 y 22 más
2017-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 32 más
2016-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 29, 2, 36 y 21 más
2016-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 29 y 24 más
2016-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 64, 3, 8 y 3 más
2016-02-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 18 más
2016-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 30 más
2015-11-17
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 8, 2004, 23, 64
2015-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 8, 2004, 23, 64
2015-07-20
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 29, 3 y 31 más
2015-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 29, 3 y 22 más
2015-05-12
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 8, 6
2015-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 31 y 12 más
2014-12-23
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 23, 23, 8 y 10 más
2014-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 31 más
2014-09-15
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 2, 8, 8
2014-09-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 29, 3, 31 y 29 más
2014-08-19
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 28 más
2014-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 8, 5, 64
2014-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 37 más
2014-03-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — art. 3
2014-01-23
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 29, 3 y 15 más
2014-01-11
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 50 más
2014-01-06
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 29, 23, 23 y 7 más
2014-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 29, 23, 23 y 39 más
2013-10-18
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 36, 36, 5, 5
2013-10-10
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 29, 3 y 51 más
2013-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 3, 36, 3, 100
2013-09-20
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 45 más
2013-07-13
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 4, 2, 29 y 28 más
2013-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 2, 2, 31 y 3 más
2013-06-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 53 más
2013-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 2, 29 y 58 más
2013-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 3, 5, 6 y 106 más
2012-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 3, 5, 5 y 6 más
2012-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 160 más
2012-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 4, 2 y 137 más
2012-02-09
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 3, 31 y 130 más
2012-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) — arts. 90, 2, 3 y 131 más
original version
Tekst op deze datum
Wijzigingen op 2012-07-01
@@ -48,5535 +48,5535 @@
De vreemdelingenwet- en regelgeving wordt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van BZK geformuleerd.
De afdeling Publieksvoorlichting van het Ministerie van BZK is ondergebracht bij de Postbus 51 Informatiedienst, welke op werkdagen is te bereiken op het gratis telefoonnummer 0800- 8051 en op internet op de website www.rijksoverheid.nl. Bij Postbus 51 kunnen alle algemene vragen worden gesteld over de rijksoverheid. Voor informatie over verblijfsaanvragen wordt verwezen naar de IND.
De afdeling Publieksvoorlichting van het Ministerie van BZK is ondergebracht bij de Informatiedienst van de Rijksoverheid.
Iedereen kan voor vragen aan de Rijksoverheid op maandag t/m vrijdag van 8.00 tot 20.00 uur bellen naar telefoonnummer 1400.
Voor informatie over verblijfsaanvragen wordt verwezen naar de IND.
Overheidsinstanties die werkzaam zijn binnen de vreemdelingenketen kunnen de website www.vreemdelingenketen.nl bezoeken, welke de onderlinge informatie-uitwisseling tussen deze overheidsinstanties als doel heeft.
Hieronder is een alfabetische lijst opgenomen van organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van het vreemdelingenbeleid, de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving. Daarnaast worden organisaties genoemd met een directe relatie tot de vreemdelingenketen en/of die rechtsbijstand of andere ondersteuning verlenen aan vreemdelingen. In het overzicht zijn opgenomen:
### 2.1.2. Luchtvaart
Het COA is verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers. Het COA zorgt voor onderdak gedurende de asielprocedure en bereidt asielzoekers voor op een verblijf in Nederland, terugkeer naar het land van herkomst of doormigratie.
De DJI is verantwoordelijk voor de uitvoering van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, waaronder de vreemdelingenbewaring.
### 2.2. Verplichtingen
### 2.2.1. Verplichtingen voor personen
De Directie Migratiebeleid van het Ministerie van BZK draagt zorg voor de nationale en internationale beleidsontwikkeling op het asiel- en immigratieterrein, alsmede op het terrein van opvang van asielzoekers. Het aandachtsveld van de directie bestaat aldus uit toelating, verblijf, toezicht, terugkeer, grensbewaking, visumbeleid, opvang en de coördinatie van het beleid tot het tegengaan van illegaal verblijf.
### 2.2.2. Verplichtingen voor de vervoerder
### 2.2.2.1. Algemeen
### 2.2.2.2. Zorg- en afschriftplicht
### 2.2.2.3. Terugvoerplicht
### 2.2.2.4. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 2.2.3. Verplichtingen voor gezagvoerders van luchtvaartuigen
### 2.2.4. Verplichtingen voor gezagvoerders van zeeschepen
Het Ministerie van BuZa is verantwoordelijk voor de behandeling van visumaanvragen voor een verblijf korter dan drie maanden en mvv’s. Indien ambassades en consulaten niet zelfstandig kunnen of mogen beslissen, worden de visumaanvragen voor een verblijf korter dan drie maanden – als het gaat om zakenbezoeken, diplomaten, politieke bezoeken, het verrichten van technische werkzaamheden, deelname aan/bijwonen van een congres, conferentie of sportmanifestatie, bezoeken van wetenschappelijke aard, aanvragen van personen uit de voormalige Sovjetrepublieken, bezoeken van personen die geregistreerd staan in het SIS of op een visumsanctielijst – voorgelegd aan de afdeling Vreemdelingen- en Visumzaken van de directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid van het Ministerie van BuZa (zie voor overige visumaanvragen hierna onder Visadienst).
Het Ministerie van BuZa is tevens verantwoordelijk voor algemene en individuele ambtsberichten, welke door de Minister gebruikt worden als informatiebron onder andere bij de beoordeling van asielaanvragen.
### 3. Minimumcontrole en grondige controle
### 3.1. Minimumcontrole
### 3.2. Grondige controle
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 3.3.2. Versoepeling
### 4. Toegangsvoorwaarden: waarop wordt gecontroleerd?
### 4.1. Het vereiste van een geldig grensoverschrijdingsdocument met benodigd – geldig – visum
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 5. Klachten
De vreemdelingenkamers zijn onderdeel van een rechtbank en houden zich uitsluitend bezig met het behandelen van vreemdelingenrechtelijke geschillen. Formeel behandelt de rechtbank ’s-Gravenhage deze geschillen, maar binnen alle negentien rechtbanken in Nederland zijn zogeheten nevenzittingsplaatsen aangewezen.
### 6. Registratie en Identificatie
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 5. Klachten
### 6. Registratie en Identificatie
### 4.2. Rapportage Vreemdelingenketen
Ten behoeve van analyses, onderzoeken, kamervragen of andere vragen leveren ketenpartners op verzoek gegevens aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De mogelijkheden hiertoe en de procedures die hierbij worden gehanteerd kunnen door de Directeur- Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken met de ketenpartners en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen worden vastgelegd.
Een van de producten die resulteren uit de informatielevering van de ketenpartners is de Rapportage Vreemdelingenketen. Deze rapportage, die inzicht geeft in de belangrijkste ontwikkelingen in de keten, wordt periodiek samengesteld. De rapportage bevat een overzicht van de prestaties van ketenpartners op verschillende processen en een beschrijving van ontwikkelingen. De ketenpartners dragen zorg voor tijdige aanlevering van cijfers en toelichting aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken.
Een van de producten die resulteren uit de informatielevering van de ketenpartners is de Rapportage Vreemdelingenketen. Deze rapportage, die inzicht geeft in de belangrijkste ontwikkelingen in de keten, wordt periodiek samengesteld. De rapportage bevat een overzicht van de prestaties van ketenpartners op verschillende processen en een beschrijving van ontwikkelingen. De ketenpartners dragen zorg voor tijdige aanlevering van cijfers en toelichting aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken.
### 5. Klachten
Een klacht wordt gedefinieerd als iedere uiting van ongenoegen over alle aspecten van gedragingen van het bestuursorgaan of van een persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (zie [artikel 9:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1)). Klachten dienen bij de betreffende bestuursorganen te worden ingediend (zie voor informatie en contactgegevens onder A1/3) en door de bestuursorganen zelf te worden afgedaan. Is de klager ontevreden over de afhandeling van zijn klacht, dan kan hij die daarna voorleggen aan de Nationale ombudsman als externe klachtbehandelaar. In de klachtenregeling van de Awb geldt dat een klacht na ontvangst door het bestuursorgaan binnen zes weken moet zijn afgedaan. Iedere organisatie kan beschikken over een eigen klachtenregeling en/of –procedure. Voor de geldende klachtenregeling en/of -procedure dient contact te worden opgenomen met de betreffende organisatie.
### 6. Registratie en Identificatie
### 6.1. Algemeen
### 6. Registratie en Identificatie
### 6.2. Het PIL
De gegevens die binnen de vreemdelingenketen worden geregistreerd dienen actueel te zijn. Bij elke gelegenheid waarbij een vreemdeling in contact komt met een van de ketenpartners, dient de desbetreffende ketenpartner zoveel mogelijk na te gaan of de geregistreerde gegevens nog met de feitelijke situatie overeenkomen. Wijzigingen dienen door de verantwoordelijke en bevoegde organisatie onverwijld te worden verwerkt.
### 6.2. Het PIL
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
Het PIL beschrijft een gestandaardiseerde werkwijze voor het identificeren, registreren, wijzigen en verifiëren van persoonsgegevens in de vreemdelingenketen. PIL is kaderstellend voor de interne administratieve organisatie van de ketenpartners en is te raadplegen op de website van de vreemdelingenketen, onder producten.
De ketenpartners, die het protocol onderschrijven, verplichten zich daarmee tot het werken volgens het PIL, overeenkomstig hun taken en bevoegdheden in de identificatie en registratie, zoals beschreven in het PIL. De organisaties:
De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het protocol:
### 6.3. De BVV
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 2. Toegang
### 1. Algemeen
### 5.2.5. Aantekening omtrent het weigeren van toegang
### 6.3. De BVV
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 6.5. Archivering
### 6.5. Archivering
### 6.5. Archivering
### 6.5. Archivering
### 1. Algemeen
### 2. Toegang
### 1. Algemeen
### 2. Begrippen
### 6.5. Archivering
In [artikel 1.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.1) is aangegeven wat verstaan wordt onder:
### 3. Ambtenaren belast met grensbewaking, geografische verdeling
### 3. Ambtenaren belast met grensbewaking, geografische verdeling
### 2. Begrippen
### 2. Begrippen
### 4. Overschrijding van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden
### 4.1. Grensdoorlaatposten
### 4. Overschrijding van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden
### 4.1. Grensdoorlaatposten
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument
### 4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument
### 4.1. Grensdoorlaatposten
### 4.1. Grensdoorlaatposten
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument
### 4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument
### 6.2.2. Vrijstelling van visum- en paspoortplicht
### 4.2.3.2. Middelen van bestaan
### 4.2.2. Visum
### 4.2.2. Visum
### 4.2.2. Visum
### 4.2.2. Visum
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
### 4.2.3.1. Reisdoel
### 4.2.3.1. Reisdoel
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
### 4.2.3.2. Middelen van bestaan
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
### 4.2.3.1. Reisdoel
Het door de vreemdeling opgegeven doel en de duur van het voorgenomen verblijf dient de vreemdeling, aannemelijk te maken. Ter staving hiervan dient de vreemdeling alle gegevens te verstrekken en beschikbare documenten te tonen. Een niet-uitputtende lijst van bewijsstukken is opgenomen in bijlage I bij de SGC.
### 4.2.3.1. Reisdoel
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
### 4.2.3.2. Middelen van bestaan
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
### 4.2.3.2. Middelen van bestaan
Als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt voorts het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de aanvrager over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf (zie artikel 21, vijfde lid, Visumcode).
### 4.3.1. Het visumvereiste
Aan vreemdelingen van wie niet zeker is dat zij over voldoende bestaansmiddelen kunnen beschikken voor de duur van het voorgenomen verblijf en/of voor de terugreis/reis naar een derde land, kan onder voorwaarden toegang worden verleend (zie [artikel 2.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.11)). Deze voorwaarden zijn:
In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan tevens een meldplicht worden opgelegd met toepassing van [artikel 4.24, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.24).
Kennisgeving aan de Korpschef van de toegangsverlening onder voorwaarden geschiedt door middel van [model M20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M20&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Zie voor toegang onder voorwaarden ook A2/5.4.
Aan de vreemdeling kan worden verzocht een in zijn bezit zijnde retourpassagebiljet te deponeren tot zekerheidstelling. In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, wijst de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling op de mogelijkheid om alsnog door de luchtvaartmaatschappij een retourpassagebiljet te laten printen. Indien de betreffende luchtvaartmaatschappij hier niet aan kan of wil voldoen, behoudt de ambtenaar belast met de grensbewaking de bevoegdheid tot het stellen van zekerheid. De geldigheid van het retourpassagebiljet moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.
### 4.3.1. Het visumvereiste
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 4.3. Visa en visumafgifte aan de grens
### 4.3.1. Het visumvereiste
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 6.4.2.1. Voorwaarden voor binnenkomst
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 4.2.5. Gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 6.4.4. In de overige Schengen-landen voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.5. Asielzoekers en vluchtelingen
### 4.3. Visa en visumafgifte aan de grens
### 4.3.1. Algemeen
### 4.3. Visa en visumafgifte aan de grens
### 4.3.1. Algemeen
### 6.6.2. Houders van vreemdelingenpaspoorten aan wie (nog) geen lang verblijf in Nederland is toegestaan
Naast de Visumcode is een handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa vastgesteld (verder aangeduid met Praktisch Handboek), dat aanwijzingen en voorbeelden bevat betreffende de praktische toepassing van de Visumcode. Het Praktisch Handboek bevat verder een lijst met bijlagen, die een uniforme toepassing van de Visumcode binnen de lidstaten zal helpen borgen. De bijlagen bij het Praktisch Handboek bevatten onder andere (niet-limitatief):
Bijzondere regels ten aanzien van de behandeling van visumaanvragen kunnen gelden op grond van een visumfacilitatieovereenkomst, welke is afgesloten tussen de EU en een derde land. Een visumfacilitatieovereenkomst vergemakkelijkt de afgifte van visa voor kort verblijf aan onderdanen van derde landen, op basis van wederkerigheid.
Indien de vreemdeling langer dan drie maanden in Nederland wenst te verblijven en mvv-plichtig is, dient hij een D-visum (een mvv) aan te vragen (zie [B1/1](onbekend)).
### 4.3.6.1. Wijziging
Op grond van artikel 1 van Verordening 539/2001 zijn in ieder geval van de visumplicht vrijgesteld houders van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan vluchtelingen, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat. Voorts zijn houders van een geldig, door een Schengenlidstaat afgegeven (verblijfs)document, vrijgesteld van de visumplicht (zie artikel 21 SUO).
In artikel 4 van Verordening 539/2001 is bepaald dat lidstaten in bepaalde gevallen een uitzondering kunnen maken op de visumplicht of de vrijstelling van de visumplicht die uit de Verordening voortvloeit. Dat geldt onder andere voor houders van diplomatieke paspoorten, dienst- of officiële paspoorten en speciale paspoorten, voor civiele vliegtuig- en scheepsbemanningen, voor bepaalde groepen scholieren of personen met een vluchtelingenstatus en staatlozen.
De uitzonderingen op de visumplicht die op grond van artikel 4 van Verordening 539/2001 door de Benelux-landen of Nederland worden gehanteerd, zijn vermeld in de bijlagen bij het Praktisch Handboek behorend bij de Visumcode.
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 6.8.2. Bijzonderheden in verband met toegang en grenscontrole
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.3. Soorten van visa
Op de eerste plaats is een onderscheid te maken tussen Schengenvisa en nationale visa. In de onderstaande paragrafen is uitgewerkt welke soorten visa onder beide ressorteren.
De volgende typen Schengenvisa worden onderscheiden:
Een eenvormig visum (in de vorm van een sticker) is een visum dat geldig is voor het gehele grondgebied van alle Schengenstaten (zie artikel 2, derde lid, Visumcode). Vreemdelingen die houder zijn van een geldig Schengenvisum en die het grondgebied van één van de Schengenstaten op rechtmatige wijze zijn binnengekomen, mogen zich in beginsel vrij verplaatsen op het grondgebied van alle Schengenstaten. Uitzondering hierop vormt het territoriaal beperkte visum, zie hieronder.
### 4.3.5. Kosten
Een visum kan worden afgegeven voor één, twee of meerdere binnenkomsten. Voor houders van visa geldt dat de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijfsperioden meer dan drie maanden per zes maanden, te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst, mag bedragen. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van eerste binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten (zie artikel 2, lid 2 Visumcode).
De geldigheidsduur van een visum voor één reis bedraagt ten hoogste drie maanden. In bepaalde gevallen kan een meervoudig visum met een geldigheidsduur tussen zes maanden en vijf jaar worden toegekend (zie artikel 24, tweede lid, Visumcode).
Het visum wordt in beginsel niet voor langere duur verleend dan waarvoor het is aangevraagd.
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 6.10.1. Passagierende zeelieden
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 4.3.6.1. Wijziging
### 6.12.1. Inleiding
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.4. Vrije termijn
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 6.11.1. Algemeen
Een vreemdeling aan wie het is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier af te wachten, heeft, indien hij na uitreis uit Nederland aanspraak wil maken op wedertoegang tot Nederland, hiervoor een terugkeervisum nodig. Indien de vreemdeling niet visumplichtig is voor Nederland geldt deze eis niet.
### 4.3.5. Kosten
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.5. Kosten
Het terugkeervisum is in deze gevallen slechts geldig voor één reis, tenzij het gaat om vreemdelingen die voor zakelijke doeleinden wensen te reizen. Deze categorie vreemdelingen kan een terugkeervisum voor meerdere reizen krijgen.
Een terugkeervisum kan worden verleend aan een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel (als bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) en [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33)) heeft gedaan en rechtmatig verblijf houdt op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), indien althans aan de hierboven onder 1 tot en met 6 genoemde voorwaarden is voldaan. Echter, deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een terugkeervisum wanneer het de terugkeer vanuit het land van herkomst betreft.
In principe hebben vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier geen terugkeervisum nodig indien zij na een reis naar het buitenland (binnen dan wel buiten het Schengengebied) weer naar Nederland willen terugkeren. Immers, deze vreemdelingen hebben zonder visum toegang tot Nederland indien zij beschikken over:
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 6.13.5. Achtergebleven transitpassagiers
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.8.1. Soorten visa
Indien de vreemdeling die in het bezit is van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, van oordeel is dat hij niet meer behoeft te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst, bijvoorbeeld vanwege een regimewijziging, dan kan hij zich tot de eigen autoriteiten wenden voor het verkrijgen van een nieuw nationaal document voor grensoverschrijding, waarmee hij naar het land van herkomst kan reizen.
### 4.3.5. Kosten
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.5. Kosten
Bij afgifte van een visum kan de verplichting worden opgelegd zich binnen 3 dagen na aankomst bij de vreemdelingenpolitie te melden ([artikel 4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49)). In dat geval wordt onder het visum een aantekening gesteld.
### 4.3.5. Kosten
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
De ZHP maakt de geheven visumgelden in verband met het verlengen en wijzigen van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden tenminste éénmaal per maand over op de rekening van de IND. Het totaalbedrag van elke storting of overschrijving wordt aan de IND gespecificeerd verantwoord.
De (overige) door de KMar en de ZHP aan de grens geheven visumgelden worden wekelijks, vergezeld van een gespecificeerde verantwoording, overgemaakt op de rekening van het ministerie van BuZa.
In artikel 16 Visumcode is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van visumleges. Dit betreft onder andere kinderen jonger dan 6 jaar. Daarnaast biedt het artikel aan lidstaten de mogelijkheid om andere categorieën vrij te stellen van de betaling van leges.
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.4.5. Arbeid verrichten in strijd met de Wav
### 4.3.6. Wijziging van visa
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 4.3.6. Wijziging van visa
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.6.1. Omzetten enkelvoudig visum in een meervoudig visum
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.7. Nietigverklaring en intrekking van visa
### 4.3.8.5. Registratie en informatie
### 4.3.7. Nietigverklaring en intrekking van visa
### 4.4. Vrije termijn
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
### 4.3.8.5. Registratie en informatie
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
Ook aan de grens kan in uitzonderlijke gevallen een visum worden afgegeven (zie artikel 35 Visumcode). Voorts kan aan transiterende zeevarenden aan de grens onder bepaalde voorwaarden visa worden afgegeven (zie artikel 36 Visumcode). Bevoegd inzake visumafgifte aan de grens zijn de ambtenaren belast met grensbewaking.
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
### 4.4.3. Het bepaalde bij en krachtens de Vw
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.8.5. Registratie en informatie
### 4.4. Vrije termijn
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
Het recht op verblijf in de vrije termijn wordt ingevolge dit artikel van rechtswege verkregen zodra de vreemdeling aan de volgende voorwaarden voldoet:
Het recht op verblijf in de vrije termijn vervalt van rechtswege zodra:
Sinds de implementatie op 29 april 2006 van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) wordt ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland die hun recht op vrij verkeer van personen uitoefenen niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (zie A2/6.2.2 en B10).
De termijn van drie maanden wordt berekend door op de datum van inreis in Nederland vast te stellen of de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden in het Schengengebied heeft verbleven. Indien dat niet het geval is kan de volle termijn van drie maanden worden benut vanaf de datum van inreis in Nederland. Indien de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden reeds in het Schengengebied heeft verbleven wordt aan de hand van de datum van inreis in het Schengengebied berekend hoeveel dagen van de in totaal drie maanden vrije termijn resteert, ook al ligt deze datum van inreis vóór de zes maanden vanaf datum binnenkomst. Na deze eerste termijn van zes maanden, gaat er dan een nieuwe termijn van zes maanden lopen waarbinnen een derdelander drie maanden in het Schengengebied mag verblijven. De eerder binnen de tweede termijn verbleven periode wordt dan afgetrokken van de drie maanden vrije termijn. Bij de berekening van de vrije termijn zijn inreisstempels in één van de Schengenlanden leidend.
### 4.4.3. Het bepaalde bij en krachtens de Vw
### 4.4.3. Het bepaalde bij en krachtens de Vw
### 4.4.4. Middelen van bestaan
### 4.4.4. Middelen van bestaan
### 4.4.4. Middelen van bestaan
### 4.4.5. Arbeid verrichten in strijd met de Wav
### 4.4.5. Arbeid verrichten in strijd met de Wav
### 4.4.5. Arbeid verrichten in strijd met de Wav
Het is aan vreemdelingen die gedurende de vrije termijn in Nederland verblijven niet toegestaan arbeid te verrichten in strijd met de Wav.
Van gevaar voor de openbare orde zal sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of als ‘ongewenstverklaarde vreemdeling’. Tevens kan een vreemdeling ter fine van weigering van toegang tot Nederland dan wel het Schengengebied in het (N)SIS geregistreerd staan. Wat betreft bijzonderheden met betrekking tot signaleringen zie A3/9.
Aan vreemdelingen die gevaar opleveren voor de openbare orde of de nationale veiligheid is geen verblijf tijdens de vrije termijn toegestaan. Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen. Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar A2/4.2.5.
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Verblijf in de vrije termijn is toegestaan voor een bij [artikel 3.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3) bepaalde duur, indien en zolang aan de in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
### 5.2.1. Minimumcontrole
### 5.2.1. Minimumcontrole
### 5.2.2. Grondige controle
### 5.2.2. Grondige controle
### 5.3. Stempelen
### 5.3. Stempelen
### 5.4. Toegangsverlening onder voorwaarden
### 5. Toezicht aan de buitengrens, toegangsverlening en toegangsweigering
### 5.1. Algemene aandachtspunten
### 5. Toezicht aan de buitengrens, toegangsverlening en toegangsweigering
### 5.1. Algemene aandachtspunten
### 5.5.1. Algemene bepalingen
### 5.5.1. Algemene bepalingen
### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
### 5.5. Toegangsweigering
### 5.2.1. Minimumcontrole
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 5.2.2. Grondige controle
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 5.3. Stempelen
### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
### 5.4. Toegangsverlening onder voorwaarden
### 5.5. Toegangsweigering
### 5.5.1. Algemene bepalingen
### 5.5. Toegangsweigering
### 5.5.1. Algemene bepalingen
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 5.5.5. De toegang blijft geweigerd
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 5.5.6. Dublinzaken
### 5.5.6. Dublinzaken
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 5.5.5. De toegang blijft geweigerd
### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
### 5.5.6. Dublinzaken
### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
### 5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten
### 5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten
### 5.5.4. Aanwenden van rechtsmiddelen
### 5.5.9. Registratie
### 5.5.4. Aanwenden van rechtsmiddelen
### 5.5.9. Registratie
### 5.5.5. De toegang blijft geweigerd
### 6. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën personen
### 5.5.6. Dublinzaken
### 6.1.1. Zeevaart
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 6.1.2. Luchtvaart
### 6.1.2. Luchtvaart
### 6.2. Specifieke voorschriften voor categorieën personen
### 6.2.1. Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen
### 5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten
### 6.1.1. Zeevaart
### 5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten
### 6.1.2. Luchtvaart
### 6.1.1. Zeevaart
### 5.5.9. Registratie
### 6.2.1. Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen
### 5.5.9. Registratie
### 6.1. Specifieke voorschriften voor grenscontroles
### 6. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën personen
### 6.1. Specifieke voorschriften voor grenscontroles
### 6.1.1. Zeevaart
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.1.2. Luchtvaart
### 6.2.1. Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen
### 6.2. Specifieke voorschriften voor categorieën personen
### 6.2.1. Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
Het toepassingsgebied van het EU-Verdrag betreft de in Europa gelegen grondgebieden van de lidstaten van EU en de EER landen.
[Artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar [B10](onbekend).
De gunstiger regels in verband met toegang voor onderdanen van de EU, EER en Zwitserland, alsmede hun familieleden, zijn in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) verwerkt. Verwezen wordt naar [hoofdstuk 8, Afdeling 2, paragraaf 2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825¶graaf=2). In het kader van toegang en de eerste periode van het rechtmatig verblijf zijn de [artikelen 8.7 tot en met 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10) het meest relevant.
[Artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar [B10](onbekend).
Voor de onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede voor de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), gelden in beginsel de in de [artikelen 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) en [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.4), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.6) en [4.8 tot en met 4.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10) genoemde algemene verplichtingen in verband met grenscontrole. Zij kunnen bij passage van de buitengrens in beginsel (enkel) aan een minimumcontrole worden onderworpen (zie A2/5.2.1).
Voor wat betreft het vereiste om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding geldt voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland dat naast een geldig nationaal paspoort ook een geldige identiteitskaart volstaat.
Het familielid dat onderdaan is van een derde land dient echter, indien er sprake is van een visumplichtige nationaliteit, in beginsel te beschikken over een geldig nationaal paspoort dat is voorzien van een visum (zie A2/4.3.1 voor het visumvereiste). Zoals is aangegeven in A2/4.3.1, zijn (visumplichtige) familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) vrijgesteld van de visumplicht als zij in het bezit zijn van een geldige verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, afgegeven door één van de landen van de EU, de EER of Zwitserland, en samenreizen met of zich voegen bij de betreffende EU-onderdaan.
Ten aanzien van bepaalde categorieën familie- en gezinsleden van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), die ingevolge Verordening 539/2001 visumplichtig zijn, gelden - voor zover zij (nog) niet in het bezit zijn gesteld van een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’ - gunstigere regels met betrekking tot de aanvraag en afgifte van visa. Ongeacht de beoogde verblijfsduur kan voor inreis worden volstaan met een (Schengen)visum kort verblijf. Het familielid hoeft bovendien niet te voldoen aan de criteria voor visumverlening die zien op de tijdige terugkeer naar het land van herkomst en hoeft ook niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie A2/4.3.3.1). Om die redenen is het familielid of gezinslid vrijgesteld van het beantwoorden van vragen op het visum-aanvraagformulier met betrekking tot die criteria. Bovendien dient het visum versneld en kosteloos te worden verstrekt.
Ten aanzien van de kring van familieleden en gezinsleden, voor wie de gunstigere regels gelden, wordt verwezen naar [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7). Het gaat hier uitsluitend om bepaalde familieleden of gezinsleden van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, welke onderdaan gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer. De onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland dient zich te begeven naar of te verblijven in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit en het familielid of gezinslid dient deze onderdaan te begeleiden of zich bij hem te voegen.
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van de gunstigere regels met betrekking tot de aanvraag en afgifte van visa dient de visumplichtige vreemdeling met objectieve bewijzen aan te tonen dat hij familielid of gezinslid is van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7). Indien de familierechtelijke relatie als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb niet overtuigend kan worden aangetoond geldt het reguliere visumbeleid (zie A2/4.2.3).
Een visumplichtige ongehuwde partner (niet zijnde een geregistreerde partner) van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland dient aan te tonen dat hij een duurzame relatie met een burger van de Unie heeft in de zin van [artikel 8.7, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) om als begunstigde te worden aangemerkt. De duurzame relatie zal in ieder geval worden aangenomen indien met deugdelijk bewijs kan worden aangetoond dat de ongehuwde partner en de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren dan wel (recentelijk) hebben gevoerd of indien uit de relatie een kind is geboren.
Om aan te tonen dat sprake is of is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, oftewel samenwoning, valt te denken aan het overleggen van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke basisadministratie, huurcontracten of anderszins aanzienlijke en langlopende juridische/financiële verbintenissen die gezamenlijk zijn aangegaan zoals een hypotheek voor de aankoop van een huis en afschriften van rekeningen op beider naam gedurende die termijn van zes maanden. In alle gevallen dient het om een (nog immer) bestaande relatie te gaan.
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.9. Minderjarigen (inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen)
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.3. Leden van internationale organisaties
### 6.2.3.3. Leden van internationale organisaties
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.3.3. Leden van internationale organisaties
### 6.2.4. Personen die reizen op een collectief reisdocument
### 6.2.3.3. Leden van internationale organisaties
### 6.2.4.1. Soorten collectieve reisdocumenten
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.4. Personen die reizen op een collectief reisdocument
### 6.2.4.1. Soorten collectieve reisdocumenten
### 6.2.4. Personen die reizen op een collectief reisdocument
### 6.2.4.1. Soorten collectieve reisdocumenten
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.9.3. Adoptie(f)- en pleegkinderen
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.9.2. Alleenreizende minderjarigen
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7.2. Zieke zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7.3. Werkzoekende zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7.4. Zieke zeelieden
Wanneer een zeeman niet of niet langer aan de in de SGC neergelegde voorwaarden voor passagieren voldoet, stelt het hoofd van de doorlaatpost daaromtrent een aantekening op de bemanningslijst achter de naam van de zeeman. Bij gevaar voor de openbare orde kan het hoofd van de doorlaatpost/het hoofd van dienst volstaan de vreemdeling de verplichting op te leggen aan boord van het schip te blijven. Zonodig kan hij de zeeman in dit geval ook met toepassing van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) overbrengen naar de vreemdelingenpolitie. Dit laatste geschiedt steeds:
De ambtenaar belast met grensbewaking hoeft geen machtiging te vragen voor het verlenen van een visum aan zeelieden die toegang willen tot andere dan de gemeenten waarin de haven gelegen is waar hun schip is afgemeerd of de daaraan grenzenden gemeenten. Zoals is aangegeven in A2/4.3.8, bestaat met betrekking tot het verlenen van visa aan de grens aan transiterende zeelieden een separate regeling (zie artikel 36 Visumcode).Behalve de daar genoemde voorwaarden gelden voor zelfstandige verlening van een visum in dit geval bovendien de volgende voorwaarden:
### 6.2.7.2. Zieke zeelieden
### 6.2.8.1. Algemene beleidsregels
### 6.2.7.3. Werkzoekende zeelieden
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
Voor wat betreft het vereiste van een geldig grensoverschrijdingsdocument geldt, dat voor werkzoekende zeelieden het zeemansboekje niet in de plaats van het paspoort kan treden.
Indien in het geldig document van grensoverschrijding het benodigde visum ontbreekt, kan aan werkzoekende zeelieden aan de grens een visum met een geldigheid van maximaal vijftien dagen worden afgegeven, mits aan alle overige voorwaarden voor toegang wordt voldaan. Indien nodig kan in uitzonderlijke gevallen na ommekomst van de vijftien dagen termijn een verlenging van de geldigheidsduur van het visum bij de Visadienst, of (voor zover het de in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden betreft) bij de ZHP worden gevraagd.
Deze werkzoekende zeelieden moeten bovendien met een zeemansboekje (-paspoort) of andere bewijsmiddelen kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk het beroep van zeeman uitoefenen.
Als bovenstaande bewijsstukken overlegd kunnen worden en de eventueel noodzakelijke verdere onderzoeken zijn uitgevoerd, zal de vreemdeling in het bezit worden gesteld van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum kan nooit die van het arbeidscontract of het reisdocument te boven gaan.
Als bovenstaande bewijsstukken overlegd kunnen worden en de eventueel noodzakelijke verdere onderzoeken zijn uitgevoerd, zal de vreemdeling in het bezit worden gesteld van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum kan nooit die van het arbeidscontract of het reisdocument te boven gaan.
Vreemdelingen die zich via Nederland naar een boorinstallatie op Nederlands deel van het continentaal plat willen begeven of die komende van een boorinstallatie Nederland willen inreizen moeten voldoen aan alle normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Het verkeer van en naar een boorinstallatie moet steeds plaatsvinden via een grensdoorlaatpost gedurende de tijd dat deze is opengesteld. De normale in- en uitreisformaliteiten worden steeds vervuld.
Wel zijn er ten aanzien van werknemers van boorplatformen en werknemers van ondersteunende bedrijven (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’) enige bijzonderheden, die hieronder worden aangegeven.
Vreemdelingen die zich via Nederland naar een boorinstallatie op Nederlands deel van het continentaal plat willen begeven of die komende van een boorinstallatie Nederland willen inreizen moeten voldoen aan alle normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Het verkeer van en naar een boorinstallatie moet steeds plaatsvinden via een grensdoorlaatpost gedurende de tijd dat deze is opengesteld. De normale in- en uitreisformaliteiten worden steeds vervuld.
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
### 6.2.9. Minderjarigen (inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen)
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.8.3. Walverlof
### 6.2.8.4. Vreemdelingen die werkzaam zijn in de offshoresector
### 6.2.8.3. Walverlof
### 6.2.9.2. Alleenreizende minderjarigen
### 6.2.8.4. Vreemdelingen die werkzaam zijn in de offshoresector
### 6.2.9.3. Adoptie(f)- en pleegkinderen
### 6.2.9. Minderjarigen (inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen)
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.9.2. Alleenreizende minderjarigen
### 6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan
### 6.2.9.2. Alleenreizende minderjarigen
### 6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.9.3. Adoptie(f)- en pleegkinderen
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan
### 6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan
### 6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan
### 6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
Wanneer de vreemdeling niet kan aantonen of aannemelijk kan maken dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan, kan voor vaststelling van zijn verblijfsrechtelijke positie contact worden opgenomen met de vreemdelingenpolitie van de politieregio in welke de gestelde woon- of verblijfplaats van de vreemdeling is gelegen, dan wel met de IND.
Wanneer deze vreemdelingen Nederland verlaten en naderhand weer willen terugkeren, moeten zij in beginsel voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.
Aan vreemdelingen wordt in bepaalde gevallen toegestaan om in Nederland de (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten. Hieromtrent wordt door de IND een aantekening gesteld in het paspoort (zie voor deze aantekening [artikel 4.34, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.34)).
Wanneer deze vreemdelingen Nederland verlaten en naderhand weer willen terugkeren, moeten zij in beginsel voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen
### 6.2.11. Vluchtelingen
### 6.2.11. Vluchtelingen
### 6.2.11.1. Houders van reisdocumenten voor vluchtelingen
### 6.2.11. Vluchtelingen
### 6.2.11.1. Houders van reisdocumenten voor vluchtelingen
### 6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)
### 7.1.1. Inleiding
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen
### 6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen
### 6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)
### 6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen
### 7.1. Verplichtingen voor vervoerders
### 6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)
### 7.1.1. Inleiding
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7. Verplichtingen voor vervoerders, bestuurders en gezagvoerders
### 7. Verplichtingen voor vervoerders, bestuurders en gezagvoerders
### 7.1. Verplichtingen voor vervoerders
### 7. Verplichtingen voor vervoerders, bestuurders en gezagvoerders
### 7.1. Verplichtingen voor vervoerders
### 7.1.1. Inleiding
### 7.1.3. De afschriftplicht
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 1.1. Algemeen
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 7.1.3. De afschriftplicht
Overeenkomstig de daartoe strekkende internationale regelgeving kan de Nederlandse overheid een vervoerder verzoeken, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het vaartuig of luchtvaartuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar kan dan in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming). Dit geschiedt enkel indien daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 7.1.3. De afschriftplicht
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 11.3.6.2. Verwijdering van derde landers naar Bulgarije (artikel 3 van de overeenkomst)
### 3.3. De toepassing
### 5.3.1. Algemeen
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
Blijkens de toelichting bij [artikel 5 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) dient de vervoerder een vreemdeling aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, terug te brengen naar het derde land van waaruit hij werd aangevoerd, dan wel te vervoeren naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd heeft afgegeven, of naar ieder derde land waar zijn toelating is gewaarborgd.
Ingevolge [artikel 65, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) is deze terugvoerplicht van toepassing op de vreemdeling die Nederland onmiddellijk dient te verlaten dan wel die binnen zes maanden na binnenkomst met het oog op uitzetting is aangehouden. Voor de vaststelling van de termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van staande houden. De plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, kan eventueel ook op een later tijdstip plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren indien de vreemdeling kort voor het verstrijken van bedoelde termijn wordt aangetroffen.
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 3.6.1. Onderzoek aan kleding of lichaam en het doorzoeken van zaken
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 3.7. Rechtsbijstand
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 3.2. De bevoegdheid
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.3. De toepassing
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 5.2.1. Algemeen
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 1. Inleiding
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 3. Toezicht
### 3. Toezicht
### 3. Toezicht
### 1. Inleiding
### 1.1. Algemeen
### 3. Toezicht
### 1. Inleiding
### 3. Toezicht
### 1. Inleiding
### 1.1. Algemeen
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 3. Toezicht
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 1.1. Algemeen
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 2.1. Inleiding
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 2. Operationeel vreemdelingentoezicht
### 2.1. Inleiding
### 2. Operationeel vreemdelingentoezicht
### 2.1. Inleiding
### 2.2. Vreemdelingentoezicht en opsporing van strafbare feiten
### 2.2. Vreemdelingentoezicht en opsporing van strafbare feiten
### 2.3. Operationeel toezicht in het binnenland
### 2. Operationeel vreemdelingentoezicht
### 2.3. Operationeel toezicht in het binnenland
### 2.3. Operationeel toezicht in het binnenland
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
In het geval het redelijk vermoeden betrekking heeft op een bepaalde plaats of ruimte geldt als uitgangspunt dat iedereen die zich daar bevindt, daadwerkelijk moet worden gecontroleerd. Daardoor wordt uitgesloten dat degenen die met de controle zijn belast, een keuze op uiterlijke kenmerken moeten maken. Het kan echter zijn dat eisen van redelijkheid of doelmatigheid zich verzetten tegen het controleren van alle aanwezige personen. Dit is onder meer het geval, indien iemands identiteit de politie al uit andere hoofde bekend is.
Om hun toezichthoudende taken goed te kunnen uitoefenen zijn ambtenaren belast met het toezicht op de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) bevoegd:
### 3. Staande houden, overbrengen en ophouden
### 3.1. Het doel
### 3.2. De bevoegdheid
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 3.2. De bevoegdheid
### 3.4. Identiteitsdocumenten
### 3.3. De toepassing
### 3.4. Identiteitsdocumenten
### 3.3. De toepassing
### 3.2. De bevoegdheid
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.3. De toepassing
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.4. Identiteitsdocumenten
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.6. Onderzoek identiteit en verblijfsstatus
### 3.6.1. Onderzoek aan kleding of lichaam en het doorzoeken van zaken
Ambtenaren belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen zijn, voorzover dat voor de vaststelling van de identiteit noodzakelijk is, bevoegd de opgehouden persoon aan kleding of lichaam te onderzoeken. Deze bijzondere op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) toegekende bevoegdheid dient niet verward te worden met een veiligheidsfouillering of arrestantenfouillering op grond van de [Politiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299) of een identiteitsfouillering op grond van het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903).
De staande gehouden persoon mag overgebracht worden naar een plaats bestemd voor verhoor indien:
Ambtenaren belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen zijn, voorzover dat voor de vaststelling van de identiteit noodzakelijk is, bevoegd de opgehouden persoon aan kleding of lichaam te onderzoeken. Deze bijzondere op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) toegekende bevoegdheid dient niet verward te worden met een veiligheidsfouillering of arrestantenfouillering op grond van de [Politiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299) of een identiteitsfouillering op grond van het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903).
Voor de vaststelling van de identiteit van de vreemdeling kan vaak een nuttig gebruik worden gemaakt van de gegevens die bij de DNRI beschikbaar zijn. In het belang van het onderzoek naar de identiteit dienen ook de gegevens van de vreemdelingenadministratie geraadpleegd te worden. Het is namelijk niet uitgesloten dat een vreemdeling reeds eerder in Nederland werd aangetroffen.
### 3.6.1. Onderzoek aan kleding of lichaam en het doorzoeken van zaken
### 3.6.3. Onderzoek verblijfsstatus
### 3.7. Rechtsbijstand
### 3.6.3. Onderzoek verblijfsstatus
### 3.7. Rechtsbijstand
Aan de persoon die met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) overgebracht is naar een plaats bestemd voor verhoor, dient op grond van [artikel 4.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.18) tijdig (dat is op een zodanig tijdstip dat een op zijn verzoek gewaarschuwde raadsman bij het verhoor aanwezig kan zijn) mededeling te worden gedaan van het hem toekomende recht zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman (van zijn keuze). Het feit dat deze mededeling is gedaan dient duidelijk uit de vreemdelingenadministratie te blijken.
Indien de opgehouden vreemdeling dat verzoekt, wordt de door hem gewenste raadsman of een via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp aangewezen raadsman ingelicht. Uiteraard moet de vreemdeling in de gelegenheid worden gesteld onverwijld contact met zijn raadsman op te nemen.
De raadsman heeft vrije toegang tot de opgehouden persoon. Hij kan hem alleen spreken, of indien vereist onder toezicht en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Het toezicht strekt niet verder dan om te verzekeren dat de opgehouden persoon zich niet aan het onderzoek onttrekt of bescheiden die voor het onderzoek van belang zijn, wegmaakt.
Wenst de opgehouden persoon bepaalde vragen niet te beantwoorden voordat hij met zijn raadsman overleg heeft gepleegd, dan wordt die wens zoveel mogelijk gerespecteerd. De raadsman dient bij het verhoor in de gelegenheid te worden gesteld de nodige opmerkingen te maken.
Indien door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de opgehouden persoon mogelijk is, dient de hulp van een tolk te worden ingeroepen, die als voldoende bekwaam en objectief kan worden beschouwd.
### 3.7. Rechtsbijstand
### 3.9. Verlenging ophouding
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
### 3.9. Verlenging ophouding
### 3.8. Het verhoor
De vreemdeling behoeft bij het opleggen van de verlenging van de ophouding niet gehoord te worden. De beschikking tot verlenging dient gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed te zijn. Aan de opgehouden persoon wordt een afschrift daarvan uitgereikt. Hem wordt daarbij (schriftelijk) mededeling gedaan van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel (zie A6/6). Het origineel van dit formulier moet in het archief worden opgeborgen. Het tijdstip waarop de verlenging van een ophouding ingegaan is, dient te worden aangetekend in de vreemdelingenadministratie.
De verlenging van de ophouding wordt ten uitvoer gelegd in een cel van de KMar of een politiebureau.
De opgehouden persoon wordt niet verder beperkt in zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en veiligheid op de plaats bestemd voor verhoor. Dit betekent dat voor een opgehouden persoon op enige punten, bijvoorbeeld ten aanzien van het toezicht bij het ontvangen van bezoek en de beperkingen met betrekking tot correspondentie, een gunstiger regime geldt dan voor – krachtens het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) – gedetineerde verdachten.
De opgehouden persoon kan op zijn verzoek in de gelegenheid worden gesteld contact op te nemen met een hulpverlenende instantie, een tolk of met zijn diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger hier te lande. Van deze mogelijkheid dient hij in kennis te worden gesteld.
De opgehouden persoon wordt niet verder beperkt in zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en veiligheid op de plaats bestemd voor verhoor. Dit betekent dat voor een opgehouden persoon op enige punten, bijvoorbeeld ten aanzien van het toezicht bij het ontvangen van bezoek en de beperkingen met betrekking tot correspondentie, een gunstiger regime geldt dan voor – krachtens het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) – gedetineerde verdachten.
De opgehouden persoon kan op zijn verzoek in de gelegenheid worden gesteld contact op te nemen met een hulpverlenende instantie, een tolk of met zijn diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger hier te lande. Van deze mogelijkheid dient hij in kennis te worden gesteld.
Op verzoek van de vreemdeling worden diens verwanten en diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande in kennis gesteld omtrent de verlenging van de ophoudingstermijn. De opgehouden persoon dient van deze mogelijkheid op de hoogte te worden gesteld.
### 3.8. Het verhoor
Op verzoek van de vreemdeling worden diens verwanten en diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande in kennis gesteld omtrent de verlenging van de ophoudingstermijn. De opgehouden persoon dient van deze mogelijkheid op de hoogte te worden gesteld.
### 3.10.1. Algemeen
### 3.11. Beëindiging van de vrijheidsontneming
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.11. Beëindiging van de vrijheidsontneming
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.10.1. Algemeen
### 4. Onderzoek van vervoermiddelen
### 3.10. Regime waaraan de opgehouden persoon is onderworpen
### 4. Onderzoek van vervoermiddelen
### 3.11. Beëindiging van de vrijheidsontneming
### 3.11. Beëindiging van de vrijheidsontneming
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 5. Bevoegdheden ten aanzien van reis- en verblijfsdocumenten
### 5.1. Algemeen
### 5. Bevoegdheden ten aanzien van reis- en verblijfsdocumenten
### 5.1. Algemeen
### 5.2.1. Algemeen
### 5.2. Stellen van aantekeningen
### 5.2.1. Algemeen
### 5.1. Algemeen
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
### 5.1. Algemeen
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
Op grond van [artikel 52, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) zijn ambtenaren belast met de grensbewaking bevoegd aantekeningen te stellen in reis- en identiteitsdocumenten. In [artikel 4.24 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.24) is vastgelegd dat het onder meer kan gaan om aantekeningen met betrekking tot:
### 5.2.3. Aantekeningen door toezichtsambtenaren
### 5.2.1. Algemeen
De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn mede bevoegd om in de reispapieren van vreemdelingen aantekeningen te stellen omtrent visa (zie A2/4.3). Op grond van [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) moet de aantekening in een aantal gevallen echter worden gesteld op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad (van het in [bijlage 8 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=8) gevoegde model, tevens vermeldende diens naam, voornamen, geboortedatum en een omschrijving van diens identiteitspapier).
Wanneer in het grensoverschrijdingsdocument van een vreemdeling geen inreisstempel is aangebracht, mag hieraan het vermoeden worden verbonden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden inzake de rechtmatige verblijfsduur. Indien de vreemdeling het vermoeden heeft kunnen weerleggen dat hij illegaal in Nederland verblijft, dient de bevoegde ambtenaar in het grensoverschrijdingsdocument van de vreemdeling een aantekening te plaatsen op welke datum en welke plaats hij de buitengrens van één van de Schengenlidstaten heeft overschreden (zie A3/3.6.3).
De vervallenverklaring is voorgeschreven in de gevallen waarin overeenkomstig [artikel 4.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30) of [4.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.31) gebruik is gemaakt van een in het grensoverschrijdingsdocument van de vreemdeling aangebrachte sticker voor verblijfsaantekeningen (zie [bijlagen 7g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g), [7h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7h) en [7i VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7i)).
Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in het reis- en identiteitspapieren van een vreemdeling gestelde aantekening dient te worden gedateerd en van een paraaf te worden voorzien (zie [artikel 4.29, lid 2, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
De vervallenverklaring is voorgeschreven in de gevallen waarin overeenkomstig [artikel 4.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30) of [4.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.31) gebruik is gemaakt van een in het grensoverschrijdingsdocument van de vreemdeling aangebrachte sticker voor verblijfsaantekeningen (zie [bijlagen 7g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g), [7h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7h) en [7i VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7i)).
### 5.3. Tijdelijk in bewaring nemen van reis- en identiteitspapieren
### 5.3.1. Algemeen
Indien daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen op grond van [artikel 52, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) bevoegd tot het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en identiteitspapieren van personen. De bevoegdheid kan niet alleen worden gebruikt jegens vreemdelingen maar jegens alle personen. Dit maakt het mogelijk om ook papieren van een vreemdeling die aan hem zijn afgegeven door derden tijdelijk te bewaren.
### 5.3.1. Algemeen
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 5.2.3. Aantekeningen door toezichtsambtenaren
### 6. Binnentreden
### 6.1. Algemeen
### 6. Binnentreden
### 6.1. Algemeen
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 6. Binnentreden
### 6.1. Algemeen
### 6. Binnentreden
### 6.1. Algemeen
### 6.1. Algemeen
### 6.2. Binnentreden met toestemming van de bewoner
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 6.2. Binnentreden met toestemming van de bewoner
### 6.3. Binnentreden zonder toestemming van de bewoner
### 6. Binnentreden
### 6.3. Binnentreden zonder toestemming van de bewoner
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M2-C. Terugkeervisum
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
## Model M1
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M2-C. Terugkeervisum
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
## Model M3
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M2-C. Terugkeervisum
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of afwijzing van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
## Model M11
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing art. 4.11 Vb
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Garantverklaring zeelieden collectief/permanent
Vervallen
## Model M18. Beschikking art. 8.5 c.q. 8.7 van het Vreemdelingenbesluit
## Model M19. Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge art. 6 lid 1 of lid 1 en 2 van de Vreemdelingenwet
## Model M20. Kennisgeving toegang onder voorwaarden
## Model M21
Vervallen
## Model M22. Bijzonder doorlaatbewijs
Vervallen
## Model M23. Standaard fax-bericht t.b.v. regeling transiterende visumplichtige zeelieden
## Model M24-A. Opdracht tot verwijdering
## Model M24-B. Rapport van overnemen van personen uit België of Duitsland
## Model M25. Fax: Melding incidenten grensbewaking
## Model M26. Bewustverklaring kort verblijf
## Model M27. Guiding Letter: attest inzake vreemdelingen zonder reisdocumenten
## Model M28. Covering Letter: attest inzake vreemdelingen met valse of vervalste reisdocumenten
## Model M29. Aanwijzing terugvoerverplichting luchtvaartmaatschappij
## Model M30. Aanwijzing terugvoerverplichting rederij
## Model M31. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens
## Model M32-M34. Gereserveerd
## Model M35-A. Aanvraag verblijfsvergunning of wijziging beperking zonder Mvv
Vervallen
## Model M35-A-1. Aanvraag verblijfsvergunning met Mvv
Vervallen
## Model M35-B. Aanvraag verlenging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M35-C. Aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-D. Aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-E. Aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht (bewijs van rechtmatig verblijf)
Vervallen
## Model M35-F. Aanvraag van wettelijk vertegenwoordiger tot het verlenen, wijzigen danwel verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-G. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet tevens geldig te verklaren voor inwonende kinderen beneden 12 jaar
Vervallen
## Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-I
Vervallen
## Model M35-J
Vervallen
## Model M35-J-1. Aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd of verlenging bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-K
Vervallen
## Model M36. Afspraakbevestiging
Vervallen
## Model M37. Antecedentenverklaring
Vervallen
## Model M38. TBC-formulier
## Model M39-A. Toestemmingsverklaring medische gegevens
## Model M39-B. Aanvraagformulier DNA-onderzoek
## Model M39-C. Verzoek om een leeftijdsonderzoek in het aanmeldcentrum
## Model M39-D. Verzoek om een leeftijdsonderzoek opvanglocatie
## Model M39-E. Toestemmingsverklaring herhaald leeftijdsonderzoek
## Model M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
## Model M40. Vragenlijst China
## Model M41. Verklaring burgerlijke staat
## Model M42. Relatieverklaring
## Model M43. Bewustverklaring studie
## Model M44. Bewustverklaring Au Pair
Vervallen
## Model M44-A. Overeenkomst Au pair – Gastgezin
## Model M39-C. Verzoek om een leeftijdsonderzoek in het aanmeldcentrum
## Model M39-D. Verzoek om een leeftijdsonderzoek opvanglocatie
## Model M39-E. Toestemmingsverklaring herhaald leeftijdsonderzoek
## Model M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
## Model M40. Vragenlijst China
## Model M41. Verklaring burgerlijke staat
## Model M42. Relatieverklaring
## Model M43. Bewustverklaring studie
## Model M44. Bewustverklaring Au Pair
Vervallen
## Model M44-A. Overeenkomst Au pair – Gastgezin
## Model M56
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel of aanvraag bijzondere aanwijzing
## Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
## Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
## Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
## Model M45. Bewustverklaring geestelijk voorganger / godsdienstleraar
Vervallen
## Model M46-A. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-B. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-C. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-D. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M47. Garantverklaring
Vervallen
## Model M47-A. Garantverklaring verkorte mvv-procedure (bedrijven en onderwijsinstelingen)
## Model M48. Garantverklaring uitwisselingsorganisatie
Vervallen
## Model M45. Bewustverklaring geestelijk voorganger / godsdienstleraar
Vervallen
## Model M46-A. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-B. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-C. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-D. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M47. Garantverklaring
Vervallen
## Model M47-A. Garantverklaring verkorte mvv-procedure (bedrijven en onderwijsinstelingen)
## Model M48. Garantverklaring uitwisselingsorganisatie
Vervallen
## Model M49. Arbeidsongeschiktheidsverklaring
Vervallen
## Model M50. Checklist mvv-vereiste
Vervallen
## Model M51-A. Verklaring ontvangst waarborgsom
## Model M51-B. Verklaring teruggave waarborgsom
Vervallen
## Model M52. Verzoek aan de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M53. Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
## Model M54. Aanvraagformulier verstrekkingen RvA 1997
## Model M55. Kennisgeving aangifte mensenhandel en beroep op regeling B9 Vc2000
## Model M56
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
Vervallen
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
Vervallen
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel of aanvraag bijzondere aanwijzing
## Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
## Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
## Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
## Model M65-C. Beschikking afwijzen aanvraag wijziging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M66. Beschikking intrekking verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M67. Staat van inlichtingen opname ter adoptie
## Model M68. Staat van inlichtingen opname als pleegkind
Vervallen
## Model M69-M74. Gereserveerd
## Model M75-A. Document I
Vervallen
## Model M75-B. Document II
Vervallen
## Model M75-C. Document III
Vervallen
## Model M75-D. Document IV
Vervallen
## Model M75-E. Document EU/EER
Vervallen
## Model M75-F. Document W
Vervallen
## Model M75-G. Document W2
Vervallen
## Model M76. Ontvangstbewijs voor het in ontvangst nemen van een verblijfsdocument
## Model M77-A. Sticker verblijfsaantekeningen Algemeen
Vervallen
## Model M77-B. Sticker verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen
Vervallen
## Model M77-C. Sticker verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures
Vervallen
## Model M77-D
Vervallen
## Model M78-A. Rappelbrief omtrent tijdige aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel)
Vervallen
Aan studenten die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot verlenging van de verleende vergunning kan – indien zij in het kader van hun studie voor langere tijd naar het buitenland moeten reizen – een terugkeervisum worden verleend met een geldigheidsduur van maximaal zes maanden. De student dient de noodzaak en de duur van zijn verblijf in het buitenland met documenten te onderbouwen.
Een terugkeervisum kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd. Zij behoeven hiervoor géén dringende reden aan te dragen. Echter, deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een terugkeervisum wanneer het de terugkeer vanuit het land van herkomst betreft. Het is hierbij niet van belang of het om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd gaat.
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
Visa voor een verblijf van langere duur (type D) zijn visa die door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een Schengenstaat overeenkomstig de eigen wetgeving worden afgegeven. Ingevolge Verordening EU 265/2010 geeft een dergelijk visum de houder, mits hij voldoet aan de in artikel 5, eerste lid, onder a), c), en e) Schengengrenscode bedoelde toegangsvoorwaarden, en niet gesignaleerd staat op de nationale signaleringslijst van de betrokken staat, het recht op inreis in en circulatie binnen het grondgebied van de overige Schengenstaten voor de duur van maximaal drie maanden (90 dagen) per periode van zes maanden(180 dagen).
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
De leges voor een aanvraag tot het verlenen van een visum zijn vastgelegd in artikel 16 Visumcode. Als hoofdregel geldt dat aanvragers een bedrag van 60 euro aan visumleges dienen te voldoen.
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
Ook in visumfacilitatieovereenkomsten kunnen uitzonderingen worden gemaakt op de plicht om leges te betalen. Deze uitzonderingen kunnen bestaan uit zowel een lager legesbedrag of een volledige uitzondering voor bepaalde categorieën personen.
Visa worden op grond van [artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=3) kosteloos verleend aan de vreemdeling die houder is van een diplomatiek paspoort.
Terugkeervisa worden op grond van [artikel 3a, eerste lid, Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a) kosteloos afgegeven aan vreemdelingen op wie de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) van toepassing is, op grond waarvan zij voor terugkeer naar Nederland geen visum behoeven. Verder geldt ingevolge [art 3a, vierde lid onder b, Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a) een verlaagd tarief voor Turkse onderdanen, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel s, onder 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=1). Het betreft hier Turkse onderdanen, die rechten kunnen ontlenen aan de Associatieovereenkomst EG-Turkije.
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
Ingevolge artikel 35, vijfde lid, Visumcode kan aan onderdanen van een land waarvoor voorafgaande raadpleging dient plaats te vinden in beginsel geen visum worden afgegeven. Wanneer dit in bijzondere gevallen toch gebeurt, dient een territoriaal beperkt visum te worden verleend. In die gevallen dienen de betrokken Schengenlidstaten, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, Visumcode, te worden ingelicht.
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
Voorwaarde voor verblijf in de vrije termijn is onder meer dat de vreemdeling heeft voldaan aan de verplichtingen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking. In dit verband wordt verwezen naar het gestelde in A2/4.2.
Voor verblijf in de vrije termijn zijn vooral van belang de:
Met deze voorwaarde voor verblijf in de vrije termijn wordt gedoeld op het feit dat de vreemdeling de verplichtingen in acht neemt waaraan hij in het belang van het toezicht op vreemdelingen is onderworpen (zie A3).
### 5.1. Algemene aandachtspunten
### 4.4.6. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
Van gevaar voor de openbare orde zal sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of als ‘ongewenstverklaarde vreemdeling’. Tevens kan een vreemdeling ter fine van weigering van toegang tot Nederland dan wel het Schengengebied in het (N)SIS geregistreerd staan. Wat betreft bijzonderheden met betrekking tot signaleringen zie A3/9.
### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
Het verblijf in de vrije termijn bedraagt ten hoogste drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden. Het tijdvak van zes maanden vangt aan op het moment van eerste binnenkomst van de vreemdeling in het Schengengebied (eventueel) met het op dat moment geldige visum.
De termijn van drie maanden wordt berekend door op de datum van inreis in Nederland vast te stellen of de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden in het Schengengebied heeft verbleven. Indien dat niet het geval is kan de volle termijn van drie maanden worden benut vanaf de datum van inreis in Nederland. Indien de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden reeds in het Schengengebied heeft verbleven wordt aan de hand van de datum van inreis in het Schengengebied berekend hoeveel dagen van de in totaal drie maanden vrije termijn resteert, ook al ligt deze datum van inreis vóór de zes maanden vanaf datum binnenkomst. Na deze eerste termijn van zes maanden, gaat er dan een nieuwe termijn van zes maanden lopen waarbinnen een derdelander drie maanden in het Schengengebied mag verblijven. De eerder binnen de tweede termijn verbleven periode wordt dan afgetrokken van de drie maanden vrije termijn. Bij de berekening van de vrije termijn zijn inreisstempels in één van de Schengenlanden leidend.
Categorieën van vreemdelingen: duur vrije termijn niet-visumplichtigen: drie maanden (zie [artikel 3.3, eerste lid, aanhef, onder c en d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3));
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
Wanneer overtuigend is aangetoond dat de aanvrager een familielid of een gezinslid is in de zin van [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) kan de aanvraag om een visum slechts worden geweigerd:
In het geval dat een familie- of gezinslid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) aan de grens wordt aangetroffen en verzocht wordt om een visum om de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland te begeleiden of zich bij hem te voegen, wordt dit kosteloos verstrekt.
Er wordt geen in- of uitreisstempel aangebracht in de documenten van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland. Een stempel wordt evenmin aangebracht in de documenten van familieleden bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), op voorwaarde dat zij een door Zwitserland of één van de EU-/EER-landen afgegeven verblijfskaart overleggen (zie [artikel 8.9 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.9)).
### 6.2.7.2. Zieke zeelieden
### 6.2.8. Werknemers van een boorplatform en suppliers
Aan visumplichtige zeelieden die na aankomst in Nederland onmiddellijk in een ziekenhuis moeten worden opgenomen en die niet in het bezit zijn van het vereiste visum, kan door het hoofd van de doorlaatpost, ongeacht hun nationaliteit, zonder voorafgaande machtiging, een visum voor ten hoogste vijftien dagen worden verstrekt, waarvan de geldigheid is beperkt tot Nederland.
Voor wat betreft het vereiste van een geldig grensoverschrijdingsdocument geldt, dat voor werkzoekende zeelieden het zeemansboekje niet in de plaats van het paspoort kan treden.
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
### 6.2.7.4. Zieke zeelieden
### 6.2.7.5. Werkzoekende zeelieden
Wel zijn er ten aanzien van werknemers van boorplatformen en werknemers van ondersteunende bedrijven (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’) enige bijzonderheden, die hieronder worden aangegeven.
Controle op bestaansmiddelen blijft achterwege indien de vreemdeling kan aantonen dat hij op een boorinstallatie is tewerkgesteld.
Voor offshoremedewerkers is een langdurig visum, geldig voor meer inreizen, te verkrijgen op het Consulaat-Generaal te Antwerpen. Daartoe dient de vreemdeling zich in persoon te melden en in het bezit te zijn van de volgende bewijsstukken:
### 6.2.11. Vluchtelingen
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 6.2.11.1. Houders van reisdocumenten voor vluchtelingen
Wanneer deze vreemdelingen in het bezit zijn van een geldig paspoort, voorzien van een geldig visum voor terugkeer, wordt steeds toegang verleend. In verband met de grenscontrole is in dit geval het gestelde onder A2/6.2.10.1 van overeenkomstige toepassing.
De toegang wordt aan houders van een geldige Belgische of Luxemburgse verblijfsvergunning niet geweigerd op de enkele grond dat zij niet tevens in het bezit zijn van hun paspoort. Controle op bestaansmiddelen blijft bij deze vreemdelingen achterwege, wanneer zij in het bezit zijn van geldige reisbiljetten naar de landen waarvoor zij over een geldige verblijfstitel of terugkeervisum beschikken.
Vreemdelingen die houder zijn van een geldig, door een Schengenstaat afgegeven verblijfsdocument zijn vrijgesteld van de visumplicht (zie artikel 21 SUO).
### 7.1.3. De afschriftplicht
De Nederlandse overheid kan op grond van [artikel 2.2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.2) vervoerders verplichten een afschrift te maken van de in het bezit van bepaalde vreemdelingen zijnde documenten. Deze afschriftplicht geldt slechts voor vluchten of vaarten vanaf die plaatsen van vertrek die specifiek, bij ministeriële regeling, zijn aangegeven. Ook kunnen bepaalde specifieke vervoersondernemingen worden aangewezen.
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
In [artikel 65, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) is opgenomen dat de vervoersonderneming op aanwijzing van de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling vervoert naar een plaats buiten Nederland en daartoe zo nodig een ander middel voor terugbrenging vindt. Hiervoor worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie [M30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M30&z=2012-07-01&g=2012-07-01) en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago). Om het terugvoeren naar een plaats buiten Nederland door de vervoerder te faciliteren, wordt indien nodig door de ambtenaar belast met de grensbewaking gebruik gemaakt van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten, bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (zie Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).
Gedurende de gehele periode, vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten Nederland tot aan het moment dat de vreemdeling door de vervoersonderneming daadwerkelijk naar een plaats buiten Nederland, wordt gevoerd, is de vervoerder verantwoordelijk voor de vreemdeling. Dit betekent allereerst dat de vervoerder verantwoordelijk is voor de zorg van een vreemdeling wanneer deze bijvoorbeeld in de internationale lounge van de luchthaven verblijft in afwachting van zijn vertrek. Het betekent voorts dat alle kosten die door de overheid worden gemaakt en voortkomen uit het (feitelijk) verblijf van de vreemdeling in Nederland, ook ten laste kunnen komen van de vervoerder (zie A2/7.1.7).
### 3. Staande houden, overbrengen en ophouden
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
In het belang van een actief en effectief vreemdelingentoezicht kunnen personen staande gehouden worden om hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status (rechtmatig verblijf) vast te stellen. [Artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) biedt daartoe, met inachtneming van de genoemde waarborgen, onder meer de bevoegdheid van staande houden en ophouden.
Een belangrijk instrument voor het daadwerkelijk handhaven van het vreemdelingenbeleid wordt gevormd door een adequaat toezicht op vreemdelingen die hier verblijven. Dit toezicht, dat noodzakelijk is in het kader van de rechtshandhaving, dient uit het oogpunt van rechtsbescherming op non-discriminatoire wijze uitgevoerd te worden.
### 3.6. Onderzoek identiteit en verblijfsstatus
### 3.6.1. Onderzoek aan kleding of lichaam en het doorzoeken van zaken
### 3.4. Identiteitsdocumenten
De opgehouden vreemdeling is op grond van [artikel 4.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.45) verplicht ter vaststelling van zijn identiteit zich te laten fotograferen en vingerafdrukken van zich te laten nemen. Het vingerafdrukkenformulier moet onmiddellijk worden gezonden naar de DNRI.
Voor de vaststelling van de identiteit van de vreemdeling kan vaak een nuttig gebruik worden gemaakt van de gegevens die bij de DNRI beschikbaar zijn. In het belang van het onderzoek naar de identiteit dienen ook de gegevens van de vreemdelingenadministratie geraadpleegd te worden. Het is namelijk niet uitgesloten dat een vreemdeling reeds eerder in Nederland werd aangetroffen.
Tevens dient nagegaan te worden of de vreemdeling onder de opgegeven of vastgestelde identiteit gesignaleerd staat in het OPS en het (N)SIS.
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
### 3.8. Het verhoor
### 3.6.3. Onderzoek verblijfsstatus
Wenst de opgehouden persoon bepaalde vragen niet te beantwoorden voordat hij met zijn raadsman overleg heeft gepleegd, dan wordt die wens zoveel mogelijk gerespecteerd. De raadsman dient bij het verhoor in de gelegenheid te worden gesteld de nodige opmerkingen te maken.
Als het verhoor dient om de identiteit van de opgehouden persoon vast te stellen, moet hij uitvoerig worden verhoord over zijn levensloop, woonplaatsen, bezochte onderwijsinstellingen en dergelijke. Ook bij derden kan informatie worden ingewonnen.
De vreemdeling is op grond van [artikel 54, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) (of indien de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) daartoe geen basis biedt op grond van de [artikelen 5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16), [5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), zie A3/7.3.8) verplicht gegevens te verstrekken bijvoorbeeld over zijn identiteit, nationaliteit, burgerlijke staat, beroep, woon- of verblijfplaats met adres, datum, plaats en wijze van binnenkomst in Nederland, doel en duur van verblijf in Nederland, en de middelen van bestaan. Hij kan daartoe zelfs gevorderd worden. Het niet meewerken aan een verplichting op grond van [artikel 54 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) (en het niet meewerken aan een vordering op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) is strafbaar gesteld in [artikel 184 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=184)). Het feit dat deze vordering is gedaan dient duidelijk uit de vreemdelingenadministratie te blijken.
### 3.10. Regime waaraan de opgehouden persoon is onderworpen
### 3.10.1. Algemeen
### 3.10. Regime waaraan de opgehouden persoon is onderworpen
De Korpschef respectievelijk de Commandant der KMar is in de hierna genoemde gevallen verplicht van zijn beslissing tot verlenging van de ophoudingstermijn kennis te geven aan derden.
Indien de opgehouden persoon minderjarig is, dient de kennisgeving, als daartoe de gelegenheid bestaat, te worden gedaan aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen. Indien dat niet mogelijk is, dient de kennisgeving gedaan te worden aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande.
Ingevolge een tussen Nederland en Groot-Brittannië gesloten overeenkomst dient de betrokken Britse consul steeds – dus ook indien de vreemdeling niet daarom heeft verzocht – terzake te worden geïnformeerd, indien de maatregel tegen een Britse onderdaan wordt getroffen. Dit met het oog op het verlenen van eventuele diplomatieke of consulaire bijstand.
### 5.2. Stellen van aantekeningen
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
### 5.2.4. Doorhaling of vervallenverklaring van aantekeningen
Het doorhalen van een in het grensoverschrijdingsdocument van een vreemdeling gestelde aantekening moet geschieden:
Werd de sticker aangebracht of de aantekening gesteld op een afzonderlijk inlegblad, dan moet dit in de in deze paragraaf bedoelde gevallen worden ingehouden.
Een in bewaring genomen document moet op grond van [artikel 52, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) aan de vreemdeling worden teruggegeven indien hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hij ook daadwerkelijk vertrekt. Ingeval van uitzetting kan het reis- en identiteitspapier worden overgedragen aan de persoon belast met grensbewaking in het land waar de toelating is gewaarborgd.
### 6.1. Algemeen
### 7. Verplichtingen in het kader van toezicht
### 7.1. Inleiding
## Model M78-B. Rappelbrief omtrent tijdige verlenging / wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel aanvraag van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (regulier)
Vervallen
## Model M79. Reizigerslijst voor schoolreizen
Vervallen
## Model M80. EU-staat
Zij zijn voorzien van een officieel document waaruit hun bijzondere status en het aantal pakketten welke de diplomatieke of consulaire tas vormen, blijkt.
### 6.2.8. Werknemers van een boorplatform en suppliers
### 6.2.8.1. Algemene beleidsregels
### 6.2.8.4. Vreemdelingen die werkzaam zijn in de offshoresector
Eerst bij vertrek uit Nederland naar een boorinstallatie kan worden vastgesteld of de vreemdeling aan alle voorwaarden voor binnenkomst en verblijf heeft voldaan.
Voor offshoremedewerkers is een langdurig visum, geldig voor meer inreizen, te verkrijgen op het Consulaat-Generaal te Antwerpen. Daartoe dient de vreemdeling zich in persoon te melden en in het bezit te zijn van de volgende bewijsstukken:
Als bovenstaande bewijsstukken overlegd kunnen worden en de eventueel noodzakelijke verdere onderzoeken zijn uitgevoerd, zal de vreemdeling in het bezit worden gesteld van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum kan nooit die van het arbeidscontract of het reisdocument te boven gaan.
Degene onder wiens begeleiding minderjarige kinderen reizen, is verplicht om op verzoek het mede voor hen geldig document voor grensoverschrijding aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie [artikel 4.5, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)). De zelfstandige identificatieplicht van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) juncto [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) geldt voor deze kinderen niet.
Voor werknemers op boorinstallaties geldt een werktijdenregeling die voorziet in veertien dagen werk en veertien dagen verlof aan de wal. Voor dit walverlof gelden de normale voorwaarden voor kort verblijf in Nederland.
Alleenreizende minderjarigen moeten voldoen aan de normale vereisten voor binnenkomst en verblijf. Indien de toegang tot Nederland aan de alleenreizende minderjarige wordt geweigerd, dient deze te worden teruggebracht naar een derde land waar zijn toelating is gewaarborgd. In dit geval draagt de ambtenaar belast met de grensbewaking de verantwoordelijkheid hiervoor over aan de DT&V.
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
Het bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op vreemdelingen die in het bezit zijn van het vereiste document voor grensoverschrijding en een geldige Belgische of Luxemburgse mvv (autorisation de séjour provisoire), mits in deze machtiging staat vermeld dat zij geldig is voor binnenkomst in het Beneluxgebied.
Vreemdelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen afgegeven door een staat die is aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen (Trb. 1959, nr. 153), en op wiens grondgebied zij regelmatig verblijven zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij ook aan de overige voorwaarden voor binnenkomst voldoen. Het betreft hier een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 28 Vluchtelingenverdrag.
Partij bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen zijn, naast Nederland: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, IJsland, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. Voor Frankrijk geldt de volgende uitzondering: de houder van een reisdocument voor vluchtelingen is voor Frankrijk niet vrijgesteld van de visumplicht, indien het document is afgegeven door een niet-Schengenstaat.
Vreemdelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen afgegeven door een staat die is aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen (Trb. 1959, nr. 153), en op wiens grondgebied zij regelmatig verblijven zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij ook aan de overige voorwaarden voor binnenkomst voldoen. Het betreft hier een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 28 Vluchtelingenverdrag.
De passagiersgegevens die de luchtvervoerder op vordering van de grensbewakingsautoriteiten heeft verzameld, worden niet langer dan 24 uur na aankomst door de vervoerder bewaard. Deze zullen derhalve binnen 24 uur na aankomst worden vernietigd. Dat laat onverlet de mogelijkheid die gegevens langer te bewaren waar die zijn verzameld met het oog op bijvoorbeeld de dienstverlening door de luchtvervoerder.
Evenmin kan de kapitein zich zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de verstekeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. In geval de kapitein zich op dit voorschrift beroept, dienen de omstandigheden waarop hij zich beroept door de ambtenaar belast met de grensbewaking te worden beoordeeld en te worden afgewogen tegen het belang van terugplaatsing van de verstekeling aan boord.
Indien de vervoerder bij een controle constateert dat hij te maken heeft met een vreemdeling die niet of niet juist is gedocumenteerd, dient hij deze in principe niet te vervoeren. Indien de vreemdeling stelt dat zijn leven in het land van waar hij op dat moment wil vertrekken in direct gevaar is, kan de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse vertegenwoordiging zenden om aldaar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘asiel’ in te dienen. Indien de vervoerder in deze situatie overweegt de vreemdeling te vervoeren, dient de vervoerder contact op te nemen met de IND. Het Hoofd van de IND bepaalt dan of de betrokken vreemdeling, ook al is hij niet in het bezit van de juiste reisdocumenten, naar Nederland mag worden gebracht. Als een vervoerder een niet of niet juist gedocumenteerde vreemdeling naar Nederlands grondgebied heeft vervoerd, maar dit heeft gedaan met instemming van de betreffende ambtenaar, geldt geen terugvoerplicht en wordt geen proces-verbaal opgemaakt ter zake van vermoedelijke overtreding van [artikel 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4). Wel dient de vervoerder de feiten en omstandigheden zoals hij die daarbij heeft voorgelegd, deugdelijk schriftelijk vast te leggen.
In [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) worden de documenten genoemd waarmee personen zich in Nederland op grond van [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) kunnen identificeren. Het gaat om de volgende categorieën:
Personen van 14 jaar en ouder, zijn op grond van de [Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297) verplicht een identiteitsbewijs op eerste vordering ter inzage af te geven (toonplicht).
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
### 3.6.3. Onderzoek verblijfsstatus
Zie [artikelen 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.19) en [4.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.20). Indien er nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft, bijvoorbeeld als er nog steeds twijfel is over de identiteit, kan de termijn van ophouding door de Korpschef of door de Commandant der KMar, bevoegd ter plaatse waar de persoon zich bevindt, in het belang van het onderzoek naar de identiteit of het rechtmatig verblijf met ten hoogste achtenveertig uren verlengd worden. Voor de verlenging van de ophouding dient gebruik gemaakt te worden van [model M111-D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M111-D&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.9. Verlenging ophouding
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.10. Regime waaraan de opgehouden persoon is onderworpen
Als de opgehouden persoon meerderjarig is, geldt de plicht tot kennisgeving aan derden slechts wanneer de betrokkene verzoekt zijn naaste verwanten of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land in te lichten. De vreemdeling die gehuwd is, of een levenspartner heeft, dient de gelegenheid te worden geboden die persoon te doen inlichten omtrent zijn vrijheidsontneming. De kennisgeving gebeurt zo mogelijk telefonisch. Indien de kennisgeving moet worden gedaan aan een persoon buiten Nederland, wordt de snelst mogelijke weg gevolgd. In dat geval kan het de betrokkene worden toegestaan te telefoneren of te telefaxen.
De gelegenheid om Nederland te verlaten bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en vlieg- of reistickets (of voldoende middelen van bestaan). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
Zodra de grond van de vrijheidsontneming niet meer aanwezig is, heft de Korpschef respectievelijk de Commandant der KMar de maatregel op. De opheffing moet plaatsvinden:
De gelegenheid om Nederland te verlaten bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en vlieg- of reistickets (of voldoende middelen van bestaan). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
Bij het opheffen van de maatregel dient gebruik gemaakt te worden van [model M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
Met [artikel 51 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51) is beoogd ambtenaren belast met grensbewaking en ambtenaren belast met het toezicht in staat te stellen personen te controleren met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben en die zich in een vervoermiddel bevinden. Van deze bevoegdheid mag gebruik worden gemaakt indien de toezichthouder op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden heeft dat met het te controleren vervoermiddel zo’n persoon wordt vervoerd. Het is daarbij niet noodzakelijk dat de ambtenaar een redelijk vermoeden moet hebben dat de te controleren persoon illegaal in Nederland verblijft. De toezichthoudende taak van de ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht beperkt zich daartoe immers niet. Voor wat betreft het operationele toezicht in het binnenland zal het gebruik van deze bevoegdheid zich echter veelal beperken tot personen van wie een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestaat.
### 5.2.4. Doorhaling of vervallenverklaring van aantekeningen
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
### 5.2.3. Aantekeningen door toezichtsambtenaren
### 5.3. Tijdelijk in bewaring nemen van reis- en identiteitspapieren
Indien daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen op grond van [artikel 52, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) bevoegd tot het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en identiteitspapieren van personen. De bevoegdheid kan niet alleen worden gebruikt jegens vreemdelingen maar jegens alle personen. Dit maakt het mogelijk om ook papieren van een vreemdeling die aan hem zijn afgegeven door derden tijdelijk te bewaren.
Het in bewaring nemen van het grensoverschrijdingsdocument of het verblijfsdocument kan op grond van [artikel 4.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.23) in de onderstaande gevallen plaatsvinden:
In bepaalde gevallen zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd het grensoverschrijdingsdocument of het verblijfsdocument van een persoon in bewaring te nemen. Bij inname van het grensoverschrijdingsdocument of het verblijfsdocument dient aan de vreemdeling een ontvangstbewijs te worden verstrekt (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) alsmede een informatiefolder te worden overhandigd.
Het in bewaring nemen van het grensoverschrijdingsdocument of het verblijfsdocument kan op grond van [artikel 4.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.23) in de onderstaande gevallen plaatsvinden:
Betreden impliceert niet het doorzoeken van de plaats die wordt betreden (bijvoorbeeld het openen van willekeurige kasten, laden en andere bergplaatsen), tenzij het toezicht daarop specifiek betrekking heeft in de zin van [artikel 5:18 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er onderzoek wordt gedaan naar de daadwerkelijke samenwoning van een vreemdeling met een ander persoon. Voor het betreden van de woning moet in dat geval wel toestemming zijn verleend.
### 7. Verplichtingen in het kader van toezicht
### 7.1. Inleiding
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 6.3. Binnentreden zonder toestemming van de bewoner
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 7.1. Inleiding
## Model M81. Geprivilegieerdendocument
## Model M81-A. Geprivilegieerdendocument (toelichting)
## Model M82. Reisdocument voor vluchtelingen
Vervallen
## Model M83. Aanvraag vervanging, vernieuwing of eerste aanvraag vreemdelingendocument
## Model M84-M89. Gereserveerd
## Model M90. Vordering van de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M91. Kennisgeving adreswijziging/vertrek
De ambtenaar belast met grensbewaking informeert de Korpschef van het regionale politiekorps waarin het ziekenhuis is gelegen, omtrent de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
Indien daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kunnen onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), worden onderworpen aan een grondige controle (zie A2/5.2.2). Ook vragen omtrent doel en duur van het verblijf kunnen worden gesteld indien niet vaststaat of het om een onderdaan van de EU, EER en Zwitserland gaat, dan wel de familieleden daarvan, en indien de antwoorden op die vragen noodzakelijk zijn voor het onderzoek naar de status van de betrokken persoon. Controle op bestaansmiddelen vindt echter niet plaats (zie [artikel 4.5, eerste lid, onder a, en derde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)) tenzij de status van de betrokken persoon onduidelijk is en deze controle noodzakelijk is voor de vaststelling van de status van betrokkene.
Ingevolge [artikel 8.8, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8) kan aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), die beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding de toegang slechts worden geweigerd:
Zij zijn voorzien van een officieel document waaruit hun bijzondere status en het aantal pakketten welke de diplomatieke of consulaire tas vormen, blijkt.
### 6.2.7.4. Zieke zeelieden
### 6.2.7.5. Werkzoekende zeelieden
Het bovenstaande kan ook toegepast worden indien de betrokken vreemdeling niet werkzaam is op een boorplatform maar bij een bedrijf dat ondersteunend werkt voor booreilanden (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’).
Voor wat betreft de bijzondere regels voor minderjarigen wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 6, SGC. Minderjarigen worden op dezelfde wijze gecontroleerd als volwassenen, ongeacht of zij alleen reizen dan wel begeleid worden.
Partij bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen zijn, naast Nederland: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, IJsland, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. Voor Frankrijk geldt de volgende uitzondering: de houder van een reisdocument voor vluchtelingen is voor Frankrijk niet vrijgesteld van de visumplicht, indien het document is afgegeven door een niet-Schengenstaat.
Het vorenstaande (inreizen zonder visum) geldt in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden eveneens voor zeelieden-vluchtelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen.
De luchtvervoerder (luchtvaartmaatschappij) informeert de passagier omtrent de naam en de contactgegevens van zijn luchtvaartmaatschappij en de doeleinden van het verzamelen van de gegevens, namelijk het tegengaan van illegale immigratie door middel van betere grenscontroles. Verder dient de passagier door de luchtvaartmaatschappij te worden geïnformeerd over welke gegevens worden verzameld, dat de ontvangers van de gegevens de Nederlandse grensbewakingsautoriteiten zijn, en het feit dat de passagier het recht heeft om kennis te nemen van zijn gegevens en om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken (voor zover de gegevens niet reeds zijn vernietigd).
Het college van procureurs-generaal heeft de [Richtlijn inzake strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de aanvoer van niet of onjuist gedocumenteerde vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030968) vastgesteld. De Richtlijn bevat aanwijzingen voor het OM ten aanzien van het transactie- en vervolgingsbeleid met betrekking tot [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), en [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108). Voor het transactie- en vervolgingsbeleid van artikel 4, derde lid, en artikel 108 Vw bestaat de Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het verstrekken van passagiersgegevens door luchtvaartmaatschappijen.
De vervoerder kan worden vervolgd terzake van overtreding van [artikel 4, eerste, tweede en derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), te weten het veronachtzamen van de zorg-, afschrift- en passagiersinformatieplicht, alsmede terzake van overtreding van [artikel 5, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) en [artikel 65, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65). Ook kan tegen de vervoerder vervolging worden ingesteld terzake van overtreding van [artikel 197a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197a), welk artikel mensensmokkel behelst.
In [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) worden de documenten genoemd waarmee personen zich in Nederland op grond van [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) kunnen identificeren. Het gaat om de volgende categorieën:
Voor andere vreemdelingen is als identiteitsdocument aangewezen een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wel een geldig document voor grensoverschrijding waarin een geldig visum is aangetekend. De voor het hebben van toegang tot Nederland vereiste documenten voor grensoverschrijding zijn aangewezen bij [artikel 2.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3). Deze bepaling is niet alleen van toepassing op vreemdelingen aan wie gedurende de vrije termijn verblijf is toegestaan, maar ook op vreemdelingen die illegaal in ons land verblijven. Enkel in zeer bijzondere omstandigheden, waarbij met name gedacht moet worden aan het feit dat betrokkene al is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan aanleiding bestaan alsnog een W2-document te verstrekken.
Indien de termijn van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) verstreken is, vervalt de vrijheidsbeneming van rechtswege.
Met [artikel 51 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51) is beoogd ambtenaren belast met grensbewaking en ambtenaren belast met het toezicht in staat te stellen personen te controleren met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben en die zich in een vervoermiddel bevinden. Van deze bevoegdheid mag gebruik worden gemaakt indien de toezichthouder op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden heeft dat met het te controleren vervoermiddel zo’n persoon wordt vervoerd. Het is daarbij niet noodzakelijk dat de ambtenaar een redelijk vermoeden moet hebben dat de te controleren persoon illegaal in Nederland verblijft. De toezichthoudende taak van de ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht beperkt zich daartoe immers niet. Voor wat betreft het operationele toezicht in het binnenland zal het gebruik van deze bevoegdheid zich echter veelal beperken tot personen van wie een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestaat.
Een in bewaring genomen document moet op grond van [artikel 52, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) aan de vreemdeling worden teruggegeven indien hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hij ook daadwerkelijk vertrekt. Ingeval van uitzetting kan het reis- en identiteitspapier worden overgedragen aan de persoon belast met grensbewaking in het land waar de toelating is gewaarborgd.
Indien de redenen aan de tijdelijke inbewaringneming van een document ontvallen wordt het zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling geretourneerd. In het geval van een inbewaring gestelde uit te zetten vreemdeling dient de begeleidende ambtenaar de desbetreffende documenten bij het verlaten van Nederland te overhandigen aan de vreemdeling zelf of aan een ambtenaar van de KMar door wiens tussenkomst de vreemdeling aan de buitenlandse autoriteiten wordt overgegeven.
Op grond van [artikel 5:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Daarbij geldt dat uit het evenredigheidsbeginsel van [artikel 5:13 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:13) voortvloeit dat alleen die plaatsen worden betreden waarbij dat voor de uitoefening van het toezicht redelijkerwijs noodzakelijk is.
Betreden impliceert niet het doorzoeken van de plaats die wordt betreden (bijvoorbeeld het openen van willekeurige kasten, laden en andere bergplaatsen), tenzij het toezicht daarop specifiek betrekking heeft in de zin van [artikel 5:18 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er onderzoek wordt gedaan naar de daadwerkelijke samenwoning van een vreemdeling met een ander persoon. Voor het betreden van de woning moet in dat geval wel toestemming zijn verleend.
### 7. Verplichtingen in het kader van toezicht
### 7.3. Verplichting tot het verstrekken van gegevens
## Model M92. Verhuismutaties (melding aan de IND)
## Model M93. Bericht omtrent signalering
Voor transitpassagiers geldt de speciale regeling van [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3). Voor vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsdocument van een andere Schengenstaat geldt dat zij zich voor ten hoogste drie maanden visumvrij in het Schengengebied mogen verplaatsen. Zij dienen hierbij in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (zie A2/4.2)
Indien ambtenaren belast met grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden hebben dat met een vervoermiddel of luchtvaartuig personen worden vervoerd met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben, dan zijn zij bevoegd het vervoermiddel te onderzoeken. De ambtenaren zijn in dat geval bevoegd van de bestuurder van het voertuig, van de schipper van het vaartuig of de gezagvoerder van het luchtvaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hen aangewezen plaats overbrengt teneinde het vervoermiddel te onderzoeken op de aanwezigheid van vreemdelingen. [Artikel 51 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51) is te beschouwen als een aanvulling op [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50). Dit betekent dat indien in het staandegehouden vervoermiddel een vreemdeling wordt aangetroffen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij illegaal in Nederland verblijft, deze vreemdeling kan worden onderworpen aan de dwangmiddelen bedoeld in [artikel 50, tweede tot en met vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) (zie A3/3).
Ingevolge [artikel 5:19 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19) is een toezichthouder bevoegd om vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. Tevens is hij bevoegd om vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken en van de bestuurder inzage van wettelijk voorgeschreven bescheiden te vorderen. Met het oog op deze bevoegdheden kan van de bestuurder van het voertuig of van de schipper van een vaartuig worden gevorderd dat deze zijn voertuig stilhoudt en naar een door de ambtenaar aangewezen plaats overbrengt. Een ieder van wie iets gevorderd wordt, is verplicht medewerking te verlenen ([artikel 5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20)).
De binnentredingsbevoegdheid voortvloeiend uit de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wordt in [artikel 53 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=53) nader aangevuld en verruimd.
### 7.3.1. Algemeen
## Model M94-A. Verklaring ex artikel 25 lid 1 Uitvoeringsovereenkomst Schengen
## Model M94-B. Verklaring ex artikel 25 lid 2 Uitvoeringsovereenkomst Schengen
Op grond van [artikel 5:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Daarbij geldt dat uit het evenredigheidsbeginsel van [artikel 5:13 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:13) voortvloeit dat alleen die plaatsen worden betreden waarbij dat voor de uitoefening van het toezicht redelijkerwijs noodzakelijk is.
Aan jeugdige personen beneden de leeftijd van 21 jaar die reizen op een door één van lidstaten van Europese Overeenkomst van 16 december 1961 afgegeven collectief paspoort of lijst kan toegang worden verleend voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, mits:
Aan visumplichtige transitpassagiers van vliegtuigen die in het bezit zijn van een voor het Benelux-gebied geldig paspoort doch niet van het vereiste visum en die door omstandigheden buiten hun wil hun reis niet kunnen voortzetten, kan onder voorwaarden toegang tot het Benelux-gebied worden verleend.
Zie voor transitpassagiers van vliegtuigen tevens de Benelux Voorschriften Verzameling Deel IV, onder J.
Zeelieden die werk willen zoeken aan boord van een in één van de Schengenhavens liggend schip, zonder dat uit een verklaring van de rederij/scheepsagent de mogelijkheid van aan- of overmonstering blijkt, moeten aan alle voorwaarden voor toegang voldoen.
Deze paragraaf gaat over minderjarigen, inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen, aan wie (nog) geen lang verblijf in Nederland is toegestaan.
Voor wat betreft de bijzondere regels voor minderjarigen wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 6, SGC. Minderjarigen worden op dezelfde wijze gecontroleerd als volwassenen, ongeacht of zij alleen reizen dan wel begeleid worden.
Degene onder wiens begeleiding minderjarige kinderen reizen, is verplicht om op verzoek het mede voor hen geldig document voor grensoverschrijding aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie [artikel 4.5, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)). De zelfstandige identificatieplicht van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) juncto [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) geldt voor deze kinderen niet.
Indien het reisdocument voor vluchtelingen is verlopen maar is afgegeven door één van de staten die zijn aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen, dient de betrokkene te worden overgedragen aan de staat die het verlopen reisdocument heeft afgegeven. Dit geschiedt op grond van artikel 4 van deze overeenkomst. Partij bij deze Overeenkomst zijn: Denemarken, Duitsland, Finland, Italië, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.
Vreemdelingen die in het bezit zijn van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan vluchtelingen en die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat zijn vrijgesteld van de visumplicht op grond van Verordening 539/2001.
Voor houders van elders afgegeven reisdocumenten voor vluchtelingen die niet vallen onder genoemde regelingen, gelden in beginsel geen afwijkingen van de normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Deze vreemdelingen mogen echter in geen geval naar hun land van herkomst worden verwijderd.
Overtreding van [artikel 4, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) (het nalaten van de zorg- of afschriftplicht) kan worden bestraft met een geldboete van de vierde categorie (maximaal € 19.000) of hechtenis van zes maanden ([artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)). Proces-verbaal wordt opgemaakt in alle gevallen waarin als gevolg van het nalaten van de zorg- of afschriftplicht een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling binnen Nederland is gebracht. Alle processen-verbaal worden doorgezonden aan het OM. In beginsel zal eerst een transactie worden aangeboden door het OM.
Overtreding van [artikel 4, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) (het nalaten van de passagiersinformatieplicht) kan worden bestraft met een geldboete van de vierde categorie (maximaal € 19.000) of hechtenis van zes maanden ([artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Het gaat hierbij om de vaststelling van de identiteit, nationaliteit en de rechtmatigheid van het verblijf aan de hand van geldige documenten of bescheiden (zie [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)). Een bekende identiteit is op zichzelf nog geen vastgestelde identiteit.
Ook degene die stelt Nederlander te zijn, maar dat niet kan aantonen, kan worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor (zie [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50)).
### 3.8. Het verhoor
De vreemdeling behoeft bij het opleggen van de verlenging van de ophouding niet gehoord te worden. De beschikking tot verlenging dient gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed te zijn. Aan de opgehouden persoon wordt een afschrift daarvan uitgereikt. Hem wordt daarbij (schriftelijk) mededeling gedaan van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel (zie A6/6). Het origineel van dit formulier moet in het archief worden opgeborgen. Het tijdstip waarop de verlenging van een ophouding ingegaan is, dient te worden aangetekend in de vreemdelingenadministratie.
### 3.10.1. Algemeen
Voor wat betreft het gebruik maken van de bevoegdheid tot het onderzoek van vervoermiddelen wordt voor het operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie verwezen naar A3/2.4.
Voor wat betreft het gebruik maken van de bevoegdheid tot het onderzoek van vervoermiddelen in het kader van het operationele toezicht in het binnenland kunnen onder andere de volgende aanwijzingen aanleiding geven van deze bevoegdheid gebruik te maken:
Indien ambtenaren belast met grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden hebben dat met een vervoermiddel of luchtvaartuig personen worden vervoerd met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben, dan zijn zij bevoegd het vervoermiddel te onderzoeken. De ambtenaren zijn in dat geval bevoegd van de bestuurder van het voertuig, van de schipper van het vaartuig of de gezagvoerder van het luchtvaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hen aangewezen plaats overbrengt teneinde het vervoermiddel te onderzoeken op de aanwezigheid van vreemdelingen. [Artikel 51 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51) is te beschouwen als een aanvulling op [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50). Dit betekent dat indien in het staandegehouden vervoermiddel een vreemdeling wordt aangetroffen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij illegaal in Nederland verblijft, deze vreemdeling kan worden onderworpen aan de dwangmiddelen bedoeld in [artikel 50, tweede tot en met vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) (zie A3/3).
In [artikel 53, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=53) is de mogelijkheid geboden om zonder toestemming van de bewoner een woning te betreden indien er op grond van feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden bestaat dat op deze plaats een vreemdeling verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft. De identiteit van de vreemdeling behoeft voorafgaand aan het betreden van de woning niet bekend te zijn aan de betreffende ambtenaar. Voor wat betreft een uitleg van het begrip ‘redelijk vermoeden’ wordt verwezen naar hetgeen daarover in A3/3.3 is opgemerkt.
Als bewoner van een woning geldt iedereen die tot een huishouden behoort. De ambtenaar die wil binnentreden in een woning mag er van uitgaan dat degene die in de deuropening staat de bewoner is, hetzij namens deze kan spreken.
### 7.3. Verplichting tot het verstrekken van gegevens
### 7.3.1. Algemeen
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 7.1. Inleiding
## Model M95-M99. Gereserveerd
## Model M100. Bericht verwijdering
## Model M101. Ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/of identiteitspapieren
## Model M102. Verzoek tot doorgeleiding met het oog op verwijdering door de lucht (overeenkomstig art. 4 van [Richtlijn 2003/110/EG](32003L0110) van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 (PB L321 van 6.12.2003, blz.26)
## Model M103-M109
De verplichting kan worden opgelegd aan alle hier te lande verblijvende vreemdelingen, dus ook hen, die hier te lande rechtmatig verblijven op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### Overwegingen:
Omtrent het opleggen van de verplichting wordt door de Korpschef de bij [artikel 4.29, eerste lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) voorgeschreven aantekening in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling gesteld, met dien verstande dat in de gevallen, omschreven in het derde lid van [artikel 4.29 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), de aantekening geschiedt op een afzonderlijk inlegblad.
Het niet voldoen aan deze verplichting is ingevolge het bepaalde in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit.
Zie [artikel 4.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.52). In de volgende gevallen is de vreemdeling verplicht het document als bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) in persoon in te leveren bij de Korpschef van het regionale politiekorps waar hij verblijft:
### Artikel 2 – alternatief
### Overwegingen:
Het niet voldoen aan de verplichting van [artikel 4.44 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.44) is ingevolge het bepaalde in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit en kan ertoe leiden dat er geen nieuw document wordt afgegeven.
### Artikel 2 – alternatief
Het niet voldoen aan de verplichting van [artikel 4.44 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.44) is ingevolge het bepaalde in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit en kan ertoe leiden dat er geen nieuw document wordt afgegeven.
### De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
Voorts dient in alle gevallen waarin wordt geconstateerd dat onregelmatigheden zijn gepleegd met door de Nederlandse overheid afgegeven reisdocumenten, daarvan bericht te worden gezonden aan het ministerie van BZK.
De afgifte van documenten als bedoeld in [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) (zowel ingeval van vervanging als van vernieuwing), geschiedt door de IND.
Aanvragen met betrekking tot het vervangen of het vernieuwen van verblijfsdocumenten om redenen als genoemd in [artikel 4.22, eerste lid, van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.22) kunnen worden gezonden naar de IND. De aanvrager kan daartoe een aanvraagformulier aanvragen.
De afgifte van documenten als bedoeld in [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) (zowel ingeval van vervanging als van vernieuwing), geschiedt door de IND.
Documenten worden vervangen indien de vreemdeling aan wie het document werd afgegeven overeenkomstig [artikel 4.44 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.44) aangifte heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie ondeugdelijk worden van het document.
Wordt niet aanstonds tot afgifte van een nieuw document aan de vreemdeling overgegaan dan verdient het aanbeveling een verklaring af te geven waaruit de aangifte blijkt.
### Artikel 2 – alternatief
Een vreemdeling die, bij aanmelding of bij aantreffen, niet (meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dient op grond van [artikel 50, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) te worden staande gehouden en te worden gehoord. Zie ook A3/3. Zijn identiteit dient te worden vastgelegd aan de hand van naamsopgave, foto’s en dactyloscopisch signalement met handtekening van de gedactyloscopeerde.
### Artikel 3 – culturele uitwisseling
Op grond van [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) dient de vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend zich beschikbaar te houden conform de aanwijzingen door de bevoegde autoriteit. Zie A6/3.1.
### Artikel 1 – weekindeling
In [artikel 55, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is de bevoegdheid opgenomen tot een veiligheidsfouillering. Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend door de ambtenaren belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen ten aanzien van asielzoekers aan wie de maatregel van artikel 55, eerste lid, Vw opgelegd is, of ten aanzien van de vreemdeling die zich in een vertrekcentrum bevindt. De bevoegdheid heeft tot doel de veiligheid van de vreemdeling zelf, de in een centrum verblijvende asielzoekers en het daar aanwezige personeel te waarborgen. Bij de beoordeling in welke gevallen zal worden gefouilleerd, bijvoorbeeld bij het van buiten naar binnen komen van een asielzoeker, dient te worden nagegaan of deze fouillering in verhouding staat tot het doel. Dit betekent dat een asielzoeker die in een centrum verblijft niet op ieder moment kan worden onderworpen aan een veiligheidsfouillering, met andere woorden, er moet een reden of aanleiding voor zijn.
De bevoegdheden van documentzoeking en veiligheidsfouillering mogen slechts uitgeoefend worden met inachtneming van de volgende algemene uitgangspunten:
### Artikel 5 – geldigheid
Een vreemdeling die, bij aanmelding of bij aantreffen, niet (meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dient op grond van [artikel 50, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) te worden staande gehouden en te worden gehoord. Zie ook A3/3. Zijn identiteit dient te worden vastgelegd aan de hand van naamsopgave, foto’s en dactyloscopisch signalement met handtekening van de gedactyloscopeerde.
Een signalering is geen zelfstandige maatregel maar een bijzondere aanwijzing van de Minister aan de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen, die gegeven wordt in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid.
In [artikel 55, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is de mogelijkheid tot documentzoeking opgenomen met betrekking tot asielzoekers. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op hen die een afspraak willen maken voor het indienen van een asielaanvraag (zie [C9/2.1.1.1](onbekend)).
In het OPS staan signaleringen uit hoofde van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Andere signaleringen in het OPS hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen en de aanhouding of voorgeleiding van personen die verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging van deze signaleringen behoort niet tot de uitvoering van de Vw. De bevoegdheden terzake berusten op het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en andere wetgeving. Richtlijnen met betrekking tot deze signaleringen worden gegeven door het OM. Ook het OPS bevat aanwijzingen terzake. Daarnaast kunnen vermiste personen in het OPS worden gesignaleerd.
## Model M110-A. Maatregel van bewaring
## Model M110-B. Proces-verbaal van gehoor (art. 59 Vw 2000 jo. art. 5.2 Vb 2000)
## Model M111-A. Proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding
## Model M111-B. Proces-verbaal toepassing art. 50, tweede of derde lid, van de Vw
Vervallen
## Model M111-C. Proces-verbaal art. 50 Vw (mobiel toezicht vreemdelingen)
## Model M111-D. Beschikking verlenging ophouding art. 50, vierde lid van de Vw
## Model M112. Verzoek opneming van een inbewaringgestelde vreemdeling in een huis van bewaring
## Model M113. Opheffing van een aanwijzing/maatregel als bedoeld in artikel 6, 50, 55, 56, 57, 58 of 59* Vw
## Model M114. Verzoek om ontslag uit een justitiële inrichting
## Model M115. Lichtingsverzoek
## Model M116. Aanwijzing ex artikel 58 Vreemdelingenwet
## Model M117-A. Aanwijzing ingevolge artikel 55 en/of meldplicht ingevolge artikel 54 van de Vreemdelingenwet (asielzoekers)
## Model M117-B. Vervolgaanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet (asielzoekers)
## Model M117-C. Aanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet op de aanmeldcentra
## Model M118. Geleidebrief/Checklist i.v.m. toepassing art.6/58/59 Vreemdelingenwet 2000
## Model M119. Dossier vreemdelingenbewaring
## Model M120. (Voortgangs)gegevens met betrekking tot uitzetting (10-dagen)
## Model M122
## Model M123-M129. Gereserveerd
## Model M130. Brochure ongewenstverklaring
Vervallen
## Model M131-A. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Diplomatenverdrag
## Model M131-B. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Consulaire Verdrag
## Model M132. Verzoek om inlichtingen aan de Regionale Directie Arbeidsvoorziening
## Model M133-A. Inlichtingenformulier voor het vragen van inlichtingen conform art. 8.1 Vb
Vervallen
## Model M133-B. Antwoordformulier
Vervallen
## Model M133-C. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M133-D. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M134. Verrekeningsstaat
## Model M135. Declaratie kosten verwijdering
## Model M136. Opgave van ingenomen gelden
### 4.3.5. Kosten
Ten aanzien van de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier (eerste aanleg, bezwaar of beroep) geldt het volgende. Indien de vreemdeling is ingereisd zonder te beschikken over de vereiste mvv welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, en evenmin besloten is dat er sprake is van een gerechtvaardigd beroep op de hardheidsclausule of vrijstelling van het mvv-vereiste, wordt aan hem geen terugkeervisum verleend.
### 4.3.7. Intrekking van visa
Niettemin kan aan deze vreemdelingen op hun verzoek een terugkeervisum worden afgegeven, indien zij dit visum nodig hebben voor de reis door of naar een land gelegen buiten het Schengengebied (bijvoorbeeld ter verkrijging van visumfaciliteiten voor of toegang tot dat land).
Indien de vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, vormt een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum voor terugkeer uit het land van herkomst grond om op basis van [artikel 32, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32) een aanvraag tot verlenging van die verblijfsvergunning af te wijzen. De grond voor verlening is daaraan immers kennelijk ontvallen. Ook de vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd komt niet in aanmerking voor een terugkeervisum voor terugkeer uit het land van herkomst, aangezien diens vluchtelingenpaspoort niet geldig is voor zijn land van herkomst.
De mvv is een nationaal visum dat wordt afgegeven door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland ([artikel 1, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)).
De kosten voor nationale visa zijn nader uitgewerkt in de Regeling van de Minister van BuZa van 12 december 2003, nr. DJZ/BR-1003/2003 tot vaststelling van de tarieven voor consulaire dienstverlening ([Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097)), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 januari 2011, nr. DJZ/BR/0734-2010 (Staatscourant 2011 nr. 597 d.d. 14 januari 2011 ).
### 4.4.4. Middelen van bestaan
Daarnaast zijn vrijgesteld van kosten de in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vw bedoelde familieleden van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht op vrij verkeer uitoefent.
Indien de Korpschef constateert dat de houder van een nog geldig visum niet of niet meer aan de voorwaarden van [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) voldoet, moeten maatregelen getroffen worden ten behoeve van de verwijdering van de vreemdeling in kwestie.
Tevens dient opgave te worden gedaan van de visumstickers die zijn vervallen als gevolg van verschrijvingen of die anderszins onbruikbaar zijn geworden. Bedoelde stickers mogen niet worden vernietigd. Ten aanzien van stickers die onverhoopt toch worden vernietigd, bijvoorbeeld door storingen bij het printen, wordt een proces-verbaal opgemaakt en wordt verslag uitgebracht aan het ministerie van Buza.
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
Voor verblijf in de vrije termijn zijn vooral van belang de:
Zie voor de geldigheidsduur van visa A2/4.3.3.1
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
Van belang is dat de beoordeling uitsluitend gebaseerd mag zijn op het persoonlijk gedrag van betrokkene. Bij de toepassing van deze bepaling moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen ([artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)) en vormen strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf nog geen voldoende grond om toegang te weigeren. Van een dergelijke bedreiging kan onder meer sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of ‘ongewenstverklaard ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)’ of bij bezit van verboden wapens, van verdovende middelen of bij verdenking van mensenhandel. Echter, ook in dat geval zal aan de hand van het persoonlijke gedrag van de vreemdeling moeten worden vastgesteld dat sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.
De pakketten dragen aan de buitenkant duidelijk zichtbare kentekenen, waaruit hun aard blijkt. De koerier geniet persoonlijke onschendbaarheid (de dwangmiddelen uit [artikel 50, tweede, derde, vierde en vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) kunnen niet worden toegepast). De tas mag niet worden geopend of ingenomen.
In de Europese Overeenkomst betreffende het reizen van jeugdige personen op collectieve paspoorten tussen de landen die lid zijn van de Raad van Europa van 16 december 1961 is overeengekomen dat op basis van reciprociteit door de aangesloten landen afgegeven collectieve paspoorten worden erkend als geldig document voor grensoverschrijding. De bij de Overeenkomst aangesloten landen zijn: België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Portugal, Turkije, Verenigd Koninkrijk, IJsland en Zweden. De overeenkomst verplicht overigens niet tot afgifte van collectieve paspoorten. Zo hebben Nederland en België de afgifte van collectieve paspoorten beëindigd.
In beginsel wordt toegang verleend tot het Benelux-gebied indien:
Kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar kunnen, in afwijking van het vereiste dat zelfstandig moet worden beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, Nederland binnenkomen, wanneer zij reizen in gezelschap van een persoon wiens document voor grensoverschrijding mede voor hen geldig is, onder de volgende voorwaarden:
Degene onder wiens begeleiding minderjarige kinderen reizen, is verplicht om op verzoek het mede voor hen geldig document voor grensoverschrijding aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie [artikel 4.5, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)). De zelfstandige identificatieplicht van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) juncto [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) geldt voor deze kinderen niet.
Onderscheid wordt gemaakt tussen adoptie(f)kinderen en pleegkinderen. Adoptie(f)kinderen zijn kinderen die op zeer jeugdige leeftijd, in de regel jonger dan zes jaar, ter adoptie naar Nederland komen. De aspirant-adoptiefouders moeten voor opneming van deze kinderen onder andere in het bezit zijn van een zogenaamde beginseltoestemming van de Minister. Pleegkinderen zijn diegenen die niet voor adoptie maar om andere redenen in hun belang naar Nederland komen om te worden opgenomen in het gezin van naaste familieleden.
Alleenreizende minderjarigen moeten voldoen aan de normale vereisten voor binnenkomst en verblijf. Indien de toegang tot Nederland aan de alleenreizende minderjarige wordt geweigerd, dient deze te worden teruggebracht naar een derde land waar zijn toelating is gewaarborgd. In dit geval draagt de ambtenaar belast met de grensbewaking de verantwoordelijkheid hiervoor over aan de DT&V.
Vreemdelingenpaspoorten worden door de autoriteiten van het land waar zij zijn toegelaten ook wel afgegeven aan personen die om één of andere reden van het land waarvan zij onderdaan zijn geen document voor grensoverschrijding kunnen verkrijgen of een reeds verkregen document voor grensoverschrijding niet kunnen laten verlengen.
Toegang wordt slechts aan houders van vreemdelingenpaspoorten verleend indien uit het vreemdelingenpaspoort of een ander document blijkt dat de wedertoelating van de vreemdeling tot het land van afgifte is gewaarborgd.
Houders van een dergelijk document voor grensoverschrijding zijn bij binnenkomst aan de visumplicht onderworpen. Echter, vreemdelingen die in het bezit zijn van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat zijn op grond van Verordening 539/2001 vrijgesteld van de visumplicht.
Voor de bepalingen met betrekking tot houders van een vreemdelingenpaspoort aan wie lang verblijf in Nederland is toegestaan wordt verwezen naar A2/6.2.10.1.
De IND stuurt de vervoerder vervolgens een rekening die de kosten omvat die door de diverse instanties zijn gemaakt. De instanties die het betreft, ontvangen allen een kopie van de rekening. De vervoerder dient het betreffende bedrag voorts over te maken aan de IND, waarna deze laatste de andere overheidspartijen hun aandeel doet toekomen.
Indien een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, wordt de aansprakelijkheid van de vervoerder voor de kosten voor de duur van de behandeling van de asielaanvraag opgeschort. Er zullen pas weer kosten op de vervoerder worden verhaald nadat de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden en de ambtenaar belast met de grensbewaking de vervoerder de aanwijzing heeft gegeven de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.
De ambtenaren belast met grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd om, ter vervulling van hun taken, reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen, tijdelijk in bewaring te nemen alsmede om hierin aantekeningen te maken.
In andere delen van deze circulaire wordt – voorzover het de daarin behandelde onderwerpen betreft – eveneens aandacht besteed aan voorschriften op het gebied van het stellen of doorhalen van aantekeningen in documenten voor grensoverschrijding van vreemdelingen.
In deze paragraaf worden de terzake geldende voorschriften die van meer algemene aard zijn behandeld.
In andere delen van deze circulaire wordt – voorzover het de daarin behandelde onderwerpen betreft – eveneens aandacht besteed aan voorschriften op het gebied van het stellen of doorhalen van aantekeningen in documenten voor grensoverschrijding van vreemdelingen.
In deze paragraaf worden de terzake geldende voorschriften die van meer algemene aard zijn behandeld.
Als algemene richtlijnen gelden:
De ambtenaren belast met grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd om, ter vervulling van hun taken, reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen, tijdelijk in bewaring te nemen alsmede om hierin aantekeningen te maken.
De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn mede bevoegd om in de reispapieren van vreemdelingen aantekeningen te stellen omtrent visa (zie A2/4.3). Op grond van [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) moet de aantekening in een aantal gevallen echter worden gesteld op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad (van het in [bijlage 8 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=8) gevoegde model, tevens vermeldende diens naam, voornamen, geboortedatum en een omschrijving van diens identiteitspapier).
Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn op grond van [artikel 27, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27), en [artikel 45, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45), na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigener beweging had moeten verlaten eveneens bevoegd elke plaats te betreden, daaronder begrepen de woning zonder toestemming van de bewoner, doch uitsluitend voorzover dat nodig is ter uitzetting van de vreemdeling.
Op grond van [artikel 2 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) is voor het binnentreden een machtiging nodig. Deze machtiging kan aan ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen worden verleend door de burgemeester, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie ([artikel 3 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=3)).
Bij binnentreding van een woning met toestemming van de bewoner kan de toestemming overigens te allen tijde worden ingetrokken. Een ambtenaar zonder machtiging dient dan te vertrekken.
Het is altijd mogelijk een woning te betreden met toestemming van de bewoner. Op grond van [artikel 1, vierde lid, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=1) is het dan noodzakelijk dat de persoon die binnentreedt voorafgaand aan het binnentreden toestemming vraagt aan de bewoner. Op grond van die bepaling moet die toestemming blijken aan degene die wenst binnen te treden. De leeftijd van de bewoner die toestemming verleent om een woning te betreden is niet van belang. Wel dient degene die de toestemming verleent de gevolgen van zijn handelen te kunnen overzien. De gang van zaken bij het binnentreden met toestemming van de bewoner moet worden vastgelegd in een proces-verbaal (bijvoorbeeld worden opgenomen in het proces-verbaal van staandehouden van een vreemdeling).
Bij binnentreding van een woning met toestemming van de bewoner kan de toestemming overigens te allen tijde worden ingetrokken. Een ambtenaar zonder machtiging dient dan te vertrekken.
Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn onder meer de officieren en hulpofficieren van justitie. De machtiging die wordt verleend voor het binnentreden op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zal gewoonlijk worden gegeven voor het binnentreden in één in de machtiging te noemen woning. Zo nodig kan worden bepaald dat de machtiging tevens zal gelden voor ten hoogste drie andere afzonderlijk te noemen woningen.
Degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt daarvan op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op. Voor wat betreft de inhoud van het verslag wordt verwezen naar [artikel 10, tweede lid, onder a tot en met g, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=10). Indien krachtens een machtiging is binnengetreden wordt het verslag uiterlijk op de vierde dag na die waarop in de woning is binnengetreden toegezonden aan de degene die de machtiging heeft gegeven. Indien dit een hulpofficier van justitie is, dan wordt het verslag ook aan de officier van justitie verzonden. Een afschrift van het verslag wordt op de hiervoor bedoelde dag toegezonden of uitgereikt aan de bewoner. Indien het niet mogelijk is het afschrift toe te zenden of uit te reiken dan wordt het verslag gedurende zes maanden voor de bewoner beschikbaar gehouden.
### 7.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens
### 7. Verplichtingen in het kader van toezicht
### 7.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens
### 7.3.1. Algemeen
### 7.3.3. Melding door de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 7.3.4. Kennis geven van het verschaffen van nachtverblijf
### 7.3.5. Verstrekken gegevens over (vroegere) buitenlandse werknemers
### 7.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens
### Artikel 4 – zakgeld
### Artikel 3 – culturele uitwisseling
In [artikel 55, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is de mogelijkheid tot documentzoeking opgenomen met betrekking tot asielzoekers. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op hen die een afspraak willen maken voor het indienen van een asielaanvraag (zie [C9/2.1.1.1](onbekend)).
Een signalering is geen zelfstandige maatregel maar een bijzondere aanwijzing van de Minister aan de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen, die gegeven wordt in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid.
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
### Artikel 5 – geldigheid
Andere signaleringen in het (N)SIS hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen en de aanhouding of voorgeleiding van personen die van een strafbaar feit verdacht worden. Ook kunnen vermiste personen in het (N)SIS worden gesignaleerd.
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
Andere signaleringen in het (N)SIS hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen en de aanhouding of voorgeleiding van personen die van een strafbaar feit verdacht worden. Ook kunnen vermiste personen in het (N)SIS worden gesignaleerd.
In ieder land dat via het (N)SIS een aansluiting heeft op het (N)SIS is een contactbureau gevestigd: de SIRENE. Dit is het enige permanent beschikbare contactpunt voor aanvullende informatie over gegevens die in het (N)SIS zijn opgenomen of moeten worden opgenomen. De afdeling SIRENE Nederland is ondergebracht bij de Dienst IPOL en dient als vraagbaak voor alle zaken die met het (N)SIS te maken hebben. Ook moeten alle ‘hits’ bij de afdeling SIRENE worden gemeld.
### Artikel 7 – geschillenclausule
De IND zal voorstellen tot signalering toetsen aan de voorwaarden voor opnamen in het OPS, dan wel (N)SIS. De politie- en grensbewakingsambtenaren dienen in voorkomende gevallen beide systemen te raadplegen.
Signaleringen in het OPS uit hoofde van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kunnen betrekking hebben op zowel vreemdelingen als EU/EER en Zwitserse onderdanen. In het (N)SIS mogen geen EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen worden gesignaleerd. Zodra een signalering in het (N)SIS wordt opgenomen blijft signalering in het OPS achterwege. Bij bevraging van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen niet behorend tot de EU/EER of de Zwitserse Bondsstaat dient eerst het (N)SIS en vervolgens het OPS te worden geraadpleegd. Controle aan de hand van het OPS blijft achterwege ten aanzien van diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde personen.
De IND zal voorstellen tot signalering toetsen aan de voorwaarden voor opnamen in het OPS, dan wel (N)SIS. De politie- en grensbewakingsambtenaren dienen in voorkomende gevallen beide systemen te raadplegen.
Andere signaleringen in het (N)SIS hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen en de aanhouding of voorgeleiding van personen die van een strafbaar feit verdacht worden. Ook kunnen vermiste personen in het (N)SIS worden gesignaleerd.
## Model M137-A. Formulier restitutie garantiesom
## Model M137-B. Formulier restitutie passagebiljet
## Model M138. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
## Model M139. Verzoek om afgifte van een Machtiging tot voorlopig verblijf
## Model M140. De verklaring van de werkgever
Vervallen
## Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant
## Model M133-D. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M134. Verrekeningsstaat
## Model M135. Declaratie kosten verwijdering
## Model M136. Opgave van ingenomen gelden
## Model M137-A. Formulier restitutie garantiesom
### 4.1.4. Afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens
Ten behoeve van de sturing van de processen in de vreemdelingenketen leveren ketenpartners periodieke rapportages aan in elektronische vorm aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken en de ketenpartners maken afspraken over de inhoud en vorm van de rapportage, alsmede procedurele afspraken.
### 5. Klachten
Een klacht wordt gedefinieerd als iedere uiting van ongenoegen over alle aspecten van gedragingen van het bestuursorgaan of van een persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (zie [artikel 9:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1)). Klachten dienen bij de betreffende bestuursorganen te worden ingediend (zie voor informatie en contactgegevens onder A1/3) en door de bestuursorganen zelf te worden afgedaan. Is de klager ontevreden over de afhandeling van zijn klacht, dan kan hij die daarna voorleggen aan de Nationale ombudsman als externe klachtbehandelaar. In de klachtenregeling van de Awb geldt dat een klacht na ontvangst door het bestuursorgaan binnen zes weken moet zijn afgedaan. Iedere organisatie kan beschikken over een eigen klachtenregeling en/of –procedure. Voor de geldende klachtenregeling en/of -procedure dient contact te worden opgenomen met de betreffende organisatie.
### 6.1. Algemeen
Naast de registratie ten behoeve van de vreemdelingenketen, registreren de afzonderlijke organisaties binnen de vreemdelingenketen en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen gegevens van vreemdelingen ten behoeve van de eigen werkprocessen. Voor informatie hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende organisaties.
### 6.2. Het PIL
Het werken volgens het PIL geeft inhoud aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ketenpartners voor de kwaliteit van de persoonsgegevens.
### 6.3. De BVV
In [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) is aangegeven wat verstaan wordt onder:
### 3. Ambtenaren belast met grensbewaking, geografische verdeling
In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, kan de ambtenaar belast met grensbewaking met toestemming van de vreemdeling inlichtingen inwinnen bij het hiervoor door de betreffende luchtvaartmaatschappij beschikbaar gestelde informatiepunt. Indien de vreemdeling geen toestemming verleent aan de ambtenaar belast met grensbewaking om de bovenbedoelde informatie op te vragen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij en voorts niet anderszins het doel en de duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk kan maken, wijst de ambtenaar de vreemdeling er op dat dit tot toegangsweigering zal leiden.
### 4.2.3.1. Reisdoel
De middelen dienen toereikend te zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in Nederland als in de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang gewaarborgd is. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder de duur van het voorgenomen verblijf, het reisdoel, de persoonlijke omstandigheden en de aard van het gebruikte vervoermiddel. Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak, hetgeen voor Nederland neerkomt op een bedrag van ten minste € 34 per persoon per dag. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang is gewaarborgd.
### 4.2.5. Gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
De middelen dienen toereikend te zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in Nederland als in de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang gewaarborgd is. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder de duur van het voorgenomen verblijf, het reisdoel, de persoonlijke omstandigheden en de aard van het gebruikte vervoermiddel. Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak, hetgeen voor Nederland neerkomt op een bedrag van ten minste € 34 per persoon per dag. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang is gewaarborgd.
### 4.3. Visa en visumafgifte aan de grens
Regels met betrekking tot procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, zijn neergelegd in de Visumcode.
### 4.3.3.1. Schengenvisa
Verordening 539/2001 bepaalt welke onderdanen van derde landen bij het overschrijden van de buitengrenzen in het bezit dienen te zijn van een visum en welke onderdanen van derde landen van de visumplicht zijn vrijgesteld. Voorts is in Bijlage IV van de Visumcode een gemeenschappelijke lijst van onderdanen van derde landen vastgesteld, die in het bezit dienen te zijn van een luchthaventransitvisum wanneer zij door de internationale transitzones van luchthavens op het grondgebied van lidstaten reizen. Naast deze gemeenschappelijke lijst is er ook een lijst van onderdanen van derde landen die door één of meer Schengenlidstaten aan de luchthaventransitvisumplicht zijn onderworpen (Bijlage 7B Praktisch Handboek).
### 6.7.2.3. Anderen
Ten aanzien van de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier (eerste aanleg, bezwaar of beroep) geldt het volgende. Indien de vreemdeling is ingereisd zonder te beschikken over de vereiste mvv welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, en evenmin besloten is dat er sprake is van een gerechtvaardigd beroep op de hardheidsclausule of vrijstelling van het mvv-vereiste, wordt aan hem geen terugkeervisum verleend.
### 6.10.2.2. Toelichting op standaard faxformulier
De volgende typen Schengenvisa worden onderscheiden:
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
Het terugkeervisum wordt voor een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) alleen kort voor het vertrek van de vreemdeling afgegeven. Het terugkeervisum wordt afgegeven met een geldigheidsduur voor het beoogde doel, maar voor ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan na uitreis niet worden gewijzigd of verlengd. De geldigheidsduur van het noodzakelijke document voor grensoverschrijding dient ten minste één maand langer te zijn dan de termijn waarbinnen de vreemdeling op grond van zijn terugkeervisum kan terugkeren.
### 6.13. Toegang voor transitpassagiers van vliegtuigen
Een terugkeervisum kan tevens worden verstrekt aan de vreemdeling die in het bezit is (was) van een verblijfsvergunning, indien hij (tijdig) verlenging of wijziging van de beperking van zijn vergunning heeft gevraagd. In deze gevallen behoeft geen dringende reden te worden aangevoerd. De overige voorwaarden zoals eerder vermeld onder 2 tot en met 6 ‘vreemdeling in procedure’ blijven onverkort van kracht.
Voor de behandeling van een aanvraag voor een terugkeervisum zijn leges verschuldigd (zie verder A2/4.3.5).
De kosten voor nationale visa zijn nader uitgewerkt in de Regeling van de Minister van BuZa van 12 december 2003, nr. DJZ/BR-1003/2003 tot vaststelling van de tarieven voor consulaire dienstverlening ([Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097)), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 januari 2011, nr. DJZ/BR/0734-2010 (Staatscourant 2011 nr. 597 d.d. 14 januari 2011 ).
In geval van een nationale verlenging van de geldigheidsduur van het visum, waarbij de geldigheid van het visum wordt beperkt tot de Benelux, kan de geldigheidsduur van een visum, indien zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, nog eens worden verlengd met maximaal negentig dagen(artikel 25 Visumcode). De duur van het eerste oorspronkelijke visum (inclusief de eventuele eerdere verlenging voor het gehele Schengengebied) en de nationale verlenging mogen samen niet meer dan zes maanden bedragen. Deze zeer bijzondere omstandigheden moeten in ieder geval gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.
In het geval een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd wegens gevaar voor de openbare orde omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking de nodige maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen.
Ten aanzien van diplomatieke en consulaire ambtenaren, hun gezinsleden en personeel, welke slechts op doorreis in Nederland zijn, is de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing voor zover het de doorreis naar of terugkeer van de diplomatieke zending of consulaire post in een derde land betreft. Hetgeen onder a is opgemerkt over de bijzondere status geldt ook hier.
In de laatstgenoemde situatie zal een reisbiljet soms de bijzondere status aannemelijk kunnen maken. In deze gevallen – of indien anderszins twijfel bestaat of de vreemdeling een bijzondere status bezit – dient aanstonds contact te worden opgenomen met het ministerie van BuZa dat hiertoe ook gedurende het weekeinde en feestdagen telefonisch bereikbaar is.
Voor wat betreft het luchthaventransitvisum geldt dat in artikel 3, vijfde lid, Visumcode alsmede in bijlage V van de Visumcode staat opgesomd voor welke vreemdelingen geldt dat zij zijn vrijgesteld van het visumvereiste.
In [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4) zijn bepalingen opgenomen over vreemdelingen die als passagier van een vliegtuig een vliegveld aandoen (transiteren).
Vreemdelingen die zich via Nederland naar een boorinstallatie op Nederlands deel van het continentaal plat willen begeven of die komende van een boorinstallatie Nederland willen inreizen moeten voldoen aan alle normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Het verkeer van en naar een boorinstallatie moet steeds plaatsvinden via een grensdoorlaatpost gedurende de tijd dat deze is opengesteld. De normale in- en uitreisformaliteiten worden steeds vervuld.
Uitgenodigde vluchtelingen zijn vluchtelingen die door de Nederlandse regering als zodanig worden erkend en op verzoek van de UNHCR naar Nederland worden overgebracht.
Het reisdocument voor staatlozen, afgegeven krachtens voornoemd verdrag, wordt voor binnenkomst op het grondgebied van de Schengenstaten als document voor grensoverschrijding erkend.
Onder ‘staatloze’ wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag verstaan: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Deze personen worden in de regel door de autoriteiten van het land waar zij zijn toegelaten in het bezit gesteld van een vreemdelingenpaspoort.
Het reisdocument voor staatlozen, afgegeven krachtens voornoemd verdrag, wordt voor binnenkomst op het grondgebied van de Schengenstaten als document voor grensoverschrijding erkend.
Indien nodig, kan door de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het vreemdelingentoezicht aan de vreemdeling die zal worden teruggevoerd een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.
Indien het niet binnen redelijke tijd mogelijk is de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland te vervoeren, dan kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland, waaronder ook de verblijfskosten kunnen worden begrepen ingevolge [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65), juncto [artikel 6.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.3), op die vervoersonderneming worden verhaald.
Deze kosten omvatten blijkens [artikel 6.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.3) in ieder geval de kosten verbonden aan:
Personen van 14 jaar en ouder, zijn op grond van de [Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297) verplicht een identiteitsbewijs op eerste vordering ter inzage af te geven (toonplicht).
De ambtenaren belast met grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd om, ter vervulling van hun taken, reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen, tijdelijk in bewaring te nemen alsmede om hierin aantekeningen te maken.
In [artikel 53, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=53) is opgenomen dat ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, voorzover dat nodig is ter uitzetting van de vreemdeling dan wel voor de inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59).
Op grond van [artikel 1, eerste lid, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=1) is degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsontneming uitoefent, en uit die hoofde een woning betreedt, verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Ingevolge [artikel 1, tweede lid, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=1) kan van de legitimatie- en mededelingsplicht worden afgezien wanneer dit naar redelijke verwachting onmiddellijk en ernstig gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt.
Het niet voldoen aan deze verplichting is ingevolge het bepaalde in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit.
De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wiens document, bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), waaruit het rechtmatige verblijf blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft is gelegen.
### Artikel 1 – weekindeling
### Artikel 2 – alternatief
Voorts dient in alle gevallen waarin wordt geconstateerd dat onregelmatigheden zijn gepleegd met door de Nederlandse overheid afgegeven reisdocumenten, daarvan bericht te worden gezonden aan het ministerie van BZK.
In [artikel 55, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is de mogelijkheid tot documentzoeking opgenomen met betrekking tot asielzoekers. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op hen die een afspraak willen maken voor het indienen van een asielaanvraag (zie [C9/2.1.1.1](onbekend)).
### Artikel 4 – zakgeld
### Artikel 7 – geschillenclausule
Een aantal signaleringen wordt ook opgenomen in het (N)SIS. Dit gemeenschappelijke opsporingssysteem is gebouwd ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, dat de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen van de Schengenlanden regelt. De centrale computer, waarop ieder Schengenland een aansluiting heeft (voor Nederland het (N)SIS), staat in Straatsburg en kan door alle Schengenlanden geraadpleegd worden. Het (N)SIS is een systeem dat naast de andere systemen (zoals het OPS) opereert. Het is niet zo dat het (N)SIS in de plaats komt van andere nationale systemen. Signaleringen die opgenomen dienen te worden in het (N)SIS, moeten voldoen aan de voorwaarden die vermeld staan in artikelen 95 en 96 SUO.
Verder zal deze afdeling behulpzaam kunnen zijn bij navraag en advies over signaleringen, internationale opsporingsverzoeken en alle andere voorkomende vragen over internationale rechtshulp.
De Minister kan op grond van [artikel 54, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) aan een vreemdeling een individuele verplichting tot periodieke aanmelding bij de Korpschef opleggen. Deze maatregel kan alleen worden opgelegd als dat naar het oordeel van de Minister in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid nodig is.
### Overwegingen:
De Minister kan op grond van [artikel 54, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) aan een vreemdeling een individuele verplichting tot periodieke aanmelding bij de Korpschef opleggen. Deze maatregel kan alleen worden opgelegd als dat naar het oordeel van de Minister in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid nodig is.
Bij de toepassing van deze maatregel geeft de Minister terzake een beschikking af. Op grond van [artikel 75, aanhef en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) kan tegen deze beschikking geen bezwaar worden gemaakt. De vreemdeling kan tegen deze beschikking rechtstreeks in beroep gaan bij de rechtbank.
### De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
### Artikel 1 – weekindeling
De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wiens document, bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), waaruit het rechtmatige verblijf blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft is gelegen.
### Artikel 3 – culturele uitwisseling
Van de aangifte dient proces-verbaal te worden opgemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal dient te worden gezonden aan de IND. De IND zal verder zorgdragen dat het betreffende documentnummer wordt opgenomen in het Verificatie- en Informatiesysteem van de DNRI.
### Overwegingen:
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
Het systeem BVV is een centrale ketentoepassing waarin alle basisgegevens van vreemdelingen in Nederland zijn opgeslagen. De database wordt gevuld en gewijzigd vanuit de systemen van aangesloten partijen in de vreemdelingenketen. Verder kunnen aangesloten ketenpartners gegevens van vreemdelingen opzoeken in de BVV. De BVV is in principe continu beschikbaar voor raadpleging. Informatie over de BVV en documentatie van de BVV kan worden geraadpleegd op de website www.vreemdelingenketen.nl, onder producten.
De BVV bestaat uit de volgende registers:
De aangesloten organisaties dienen alle gegevens te registreren die voor de identificatie en verwijzingen naar activiteiten en de (verblijfs)documentbestellingen noodzakelijk zijn.
De vreemdelingen die in de BVV zijn opgeslagen worden gekenmerkt door het 10-cijferige vreemdelingnummer. Sinds de invoering van de BVV (juni 2003) wordt dit nummer voor nieuw opgevoerde vreemdelingen uitgegeven door de BVV. De vreemdelingen die vóór juni 2003 bekend waren bij de vreemdelingenpolitie en de IND hebben hun toen reeds bestaande centraal vreemdelingenregisternummer behouden. Alle gegevens in de BVV zijn met elkaar verbonden via het vreemdelingennummer, dat ook in de systemen van de aangesloten organisaties wordt gehanteerd.
De GBA is de basisregistratie voor persoonsgegevens. Voor persoonsgegevens van vreemdelingen in de BVV die bij de GBA zijn geregistreerd, is het gebruik van de authentieke GBA-gegevens verplicht. Dat houdt in dat persoonsgegevens van deze vreemdelingen in beginsel niet mogen worden gemuteerd door de aangesloten ketenpartners. Voor afnemers van de GBA-gegevens geldt een verplichting tot terugmelding bij gerede twijfel aan de juistheid van de gegevens. De terugmeldprocedure is beschreven in het PIL.
Voor de gegevens omtrent het rechtmatig verblijf van een vreemdeling is de IND leidend. Deze gegevens worden in de vorm van een zogeheten verblijfstitel doorgegeven aan de GBA en geregistreerd in de BVV.
De BVV is in juni 2003 in gebruik genomen. Het systeem bevat geen historische gegevens die ouder zijn dan deze datum. Vanaf juni 2003 bevat de BVV een volledige mutatiehistorie.
De Regeling Wbp voor de BVV is bekend bij het College voor de Bescherming van Persoonsgegevens onder meldingsnummer m1145769 en is te raadplegen op www.vreemdelingenketen.nl en opvraagbaar bij de stafdirectie Coördinatie Vreemdelingenketen.
Elk in het gegevenswoordenboek opgenomen gegeven wordt gedefinieerd aan de hand van de volgende rubrieken:
Het woordenboek bevat begrippen (gegevensgroepen, samengestelde gegevens en gegevens) en tabellen behorend tot de processen binnen de vreemdelingenketen, waarmee informatie tussen ketenorganisaties wordt uitgewisseld of waarover wordt gecommuniceerd. Het is van toepassing op alle processen en informatiestromen binnen de vreemdelingenketen welke over organisatiegrenzen heen lopen en waarbij gegevens tussen ketenpartners worden uitgewisseld.
Elk in het gegevenswoordenboek opgenomen gegeven wordt gedefinieerd aan de hand van de volgende rubrieken:
In [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) is aangegeven wat verstaan wordt onder:
In [artikel 1.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.1) is aangegeven wat verstaan wordt onder:
In artikel 2 SGC zijn voorts nadere definities vastgesteld in het kader van grensbewaking. Zo introduceert artikel 2, dertiende lid, SGC een in Nederland nieuw begrip, “grenswachter”. Gezien deze definitie, is iedere ambtenaar belast met grensbewaking ex [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) een grenswachter in de zin van de SGC. In de Vc zal gewoon de term ambtenaar belast met de grensbewaking worden gebezigd.
Alle ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zijn bevoegd toezicht uit te oefenen op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking. Binnen deze politieregio zijn deze taken in de eerste plaats toebedeeld aan de ZHP. De ambtenaren van de ZHP zijn belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Rotterdam-Havens, inclusief de benoemde ankerplaatsen. Daarnaast zijn zij belast met het uitoefenen van de grensbewakingstaken in de politieregio Rotterdam-Rijnmond, inclusief de hierin gelegen kust- en binnenwateren.
Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een door Nederland erkende staat. Een uitzondering op deze regel vormt Taiwan. Dit land wordt niet door Nederland erkend terwijl het reisdocument van Taiwan wel wordt erkend als geldig grensoverschrijdingsdocument. Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn voorzien van een goedgelijkende pasfoto van en moet ondertekend zijn door de houder.
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 6.3. Onderdanen van de Beneluxlanden, de lidstaten van de EU/EER en van de Zwitserse Bondsstaat
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
In de regel beheert de Korpschef de bij hem gedeponeerde retourpassagebiljetten en garantiesommen. Retourpassagebiljetten die aan de grens zijn gedeponeerd, worden in de regel toegezonden aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven is gelegen. Garantiesommen die aan de grens zijn gedeponeerd, worden gestort op de rekening van de Korpschef. Dit is alleen anders bij retourpassagebiljetten en garantiesommen die aan de grensdoorlaatposten van Amsterdam Schiphol, (luchthaven) Rotterdam en Rotterdam-Havens zijn gedeponeerd. Deze blijven onder berusting van de KMar en ZHP en worden dus niet doorgestuurd aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven, is gelegen.
Vreemdelingen die Nederland hebben verlaten zonder zich vooraf wederom in het bezit van de garantiesom of het retourpassagebiljet te hebben gesteld, dienen zich tot een in hun land gevestigde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging te wenden met het verzoek om restitutie van de garantiesom respectievelijk teruggave van het retourpassagebiljet. Een vreemdeling die rechtstreeks vanuit het buitenland een verzoek om restitutie indient, moet worden verwezen naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land.
Deze derde stelt zich daarbij garant voor de kosten die voor de Staat of andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.
Het visum wordt in beginsel niet voor langere duur verleend dan waarvoor het is aangevraagd.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder d, SGC kan toegang worden verleend aan vreemdelingen die niet met het oog op weigering van toegang in (N)SIS gesignaleerd staan. Met betrekking tot signaleringen die verband houden met respectievelijk de uitvoering van de Vw en de SUO wordt verwezen naar A3/9.
Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de (goede) internationale betrekkingen.
### 4.3.3. Soorten van visa
### 6.7. Adoptie- en pleegkinderen
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.2.5. voor de openbare orde of nationale veiligheid
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 6.9.1.3. Controle van personen reizend op een collectief paspoort of lijst
Het visum met territoriaal beperkte geldigheid is een visum waarbij verblijf uitsluitend is toegestaan op het grondgebied van één of meer Schengenlidstaten. Zie voor gevallen waarin dergelijke visa kunnen worden afgegeven artikel 25 Visumcode.
, [artikel 3.74, eerste lid, onder a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74),en [artikel 3.75 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) en zijn overeenkomstig van toepassing op de verlening van kort verblijf.
In geval een solvabele derde zich garant stelt voor meer dan één persoon, kunnen aanvullende voorwaarden gesteld worden. In die gevallen kan bijvoorbeeld verlangd worden dat een bankgarantie ter hoogte van het lijnvluchttarief KLM en/of meerdere separate garantverklaringen worden overlegd. Voor elke aanvullend aangedragen visumaanvrager voor wie de solvabele derde zich garant wil stellen geldt, dat de solvabele derde zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan dient te beschikken.
Indien een solvabele derde zich reeds eerder garant heeft gesteld voor een visumaanvrager en hij niet of onvoldoende aannemelijk kan maken dat deze visumaanvrager tijdig is teruggekeerd naar het land van herkomst of een land waar de toelating is gewaarborgd, kan dit mede aanleiding vormen de aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen.
Bij een afwijzende beslissing op een visumaanvraag moeten de redenen van afwijzing van de aanvraag kenbaar worden gemaakt. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode) (zie artikel 32, tweede lid, Visumcode).
Ingevolge artikel 32, derde lid, Visumcode, staat tegen het afwijzen van een visumaanvraag een rechtsmiddel open. De nationale wetgeving is hier van toepassing (zie artikel 32, derde lid, Visumcode).
Een terugkeervisum is een nationaal visum, dat recht geeft op terugkeer naar Nederland (zie [artikel 2.3, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3).)
### 4.3.5. Kosten
Een mvv-verklaring, in de vorm van een voorbedrukt formulier kan in de plaats komen van de mvv gesteld in het paspoort. In dat geval moet de houder van de verklaring steeds in het bezit zijn van het daarin aangegeven reisdocument.
Zie voor bepalingen omtrent aanvraag, afgifte en vrijstellingen van een mvv [B1/1.1](onbekend), [B1/1.2](onbekend) en [B1/4.1.1 van de Vc](onbekend).
Bij afgifte van een visum kan de verplichting worden opgelegd zich binnen 3 dagen na aankomst bij de vreemdelingenpolitie te melden ([artikel 4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49)). In dat geval wordt onder het visum een aantekening gesteld.
Voorts kan de Minister van BuZa in andere gevallen waarin overwegingen van internationale hoffelijkheid of reciprociteit besluiten om visa kosteloos te verstrekken (zie [artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=3)).
Bij de beoordeling van de aanvraag voor het omzetten naar een meervoudig reisvisum wordt allereerst de noodzaak van de omzetting getoetst:
Het gevolg van een omzetting mag in ieder geval niet zijn dat het visum voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt.
Voor verblijf in de vrije termijn zijn vooral van belang de:
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
Het is niet mogelijk om een aanvraag om een mvv dan wel een verblijfsvergunning regulier aan een grensdoorlaatpost of door tussenkomst van een ambtenaar belast met de grensbewaking in te dienen. Dit, om tegen te gaan dat het mvv-vereiste en de bijbehorende aanvraagprocedure vanuit het buitenland worden omzeild.
Alvorens op de verschillende aspecten van toezicht aan de buitengrens wordt ingegaan, wordt een drietal algemene opmerkingen geplaatst.
Het is niet mogelijk om een aanvraag om een mvv dan wel een verblijfsvergunning regulier aan een grensdoorlaatpost of door tussenkomst van een ambtenaar belast met de grensbewaking in te dienen. Dit, om tegen te gaan dat het mvv-vereiste en de bijbehorende aanvraagprocedure vanuit het buitenland worden omzeild.
Indien een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient gehandeld te worden overeenkomstig het gestelde in [C9/2.1.1.1](onbekend).
Een derdelander die lang verblijf wenst, dat wil zeggen langer dan drie maanden in Nederland of het Schengengebied wil verblijven, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3). Tot deze laatste categorie horen ook asielzoekers, die per definitie voor een lange tijd beroep doen op bescherming door de overheid.
Ingevolge artikel 7 SGC zijn er twee basisvormen van grenscontrole te onderscheiden: de minimumcontrole en de grondige controle.
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is. Voor meer bijzonderheden zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.7.4. Zieke zeelieden
Van belang is dat bij de eerdere verwijdering om redenen van openbare orde of nationale veiligheid is geoordeeld dat sprake was van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde of openbare veiligheid. De vreemdeling die eerder om redenen van openbare orde of openbare veiligheid is verwijderd kan na verloop van een redelijke termijn, en in ieder geval na drie jaar gerekend vanaf zijn vertrek, een aanvraag indienen om opheffing van het eerdere besluit om hem uit Nederland te verwijderen. Gelet op het feit dat verblijfsbeëindiging persoonlijk gedrag vereist dat een actuele, werkelijke en (voldoende) ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, ligt het voor de hand dat de vreemdeling tevens ongewenst zal zijn verklaard (zie A5/6). In die gevallen betreft het in de Nederlandse situatie derhalve een aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring. Gedurende de behandeling van deze aanvraag heeft de vreemdeling geen recht van toegang tot Nederland.
Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient bij de vreemdeling die onderdaan is (of stelt te zijn) van de EU, de EER of Zwitserland, voorafgaand aan toegangsweigering de IND te worden geraadpleegd (zie ook [artikel 8.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8), juncto [artikel 8.7, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7)). Indien wordt overgegaan tot toegangsweigering moet een schriftelijke gemotiveerde beschikking worden uitgereikt (zie artikel 8.8, tweede lid, Vb). Hiervoor kan [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2012-07-01&g=2012-07-01) worden gebruikt. De toegang wordt geweigerd ingevolge [artikel 3, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) juncto artikel 8.8 Vb. De motivering moet concreet zijn; er mag niet worden volstaan met de enkele mededeling dat de betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid. Bij de kennisgeving van de toegangsweigering moet worden vermeld dat daartegen binnen vier weken administratief beroep kan worden ingesteld bij de IND. De behandeling van het administratief beroepschrift mag niet in Nederland worden afgewacht. Betrokkene dient Nederland ingevolge [artikel 5, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) onmiddellijk te verlaten, tenzij er sprake is van een (eerste) verzoek om een voorlopige voorziening. Het aanbrengen van een (toegangs)weigeringsstempel is van toepassing op onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en op hun familieleden.
Zoals aangegeven in A2/4.4.1, wordt sedert de implementatie op 29 april 2006 van Richtlijn 2004/38, ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Ingevolge [artikel 8.11, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11) heeft een vreemdeling (EU/EER onderdaan en onderdaan van Zwitserland) rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis indien hij:
Een eerste termijn van drie maanden geldt ten aanzien van familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) die geen onderdaan zijn van de EU, de EER of Zwitserland, met dien verstande dat dat gezinslid in het bezit moet zijn van een geldig paspoort (zie [artikel 8.11, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11)). Andere documenten dan het paspoort worden niet geaccepteerd.
Overigens, een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor grensoverschrijding, kan pas worden uitgezet nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze vast te stellen of te bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet (zie [artikel 8.8, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8)).
Onderdanen van België en Luxemburg mogen Nederland voor kortere of langere duur binnenkomen, ongeacht het doel van hun verblijf, indien zij in het bezit zijn van een paspoort of identiteitsbewijs.
Voor onderdanen van België en Luxemburg geldt in beginsel eveneens hetgeen in A2/6.2.2.2 is gesteld. Voorts geldt voor onderdanen van België en Luxemburg steeds dat ook sinds de inwerkingtreding van de SUO, de bepalingen van de Benelux-overeenkomst van kracht blijven voor zover zij voor de Benelux-onderdanen gunstiger voorwaarden bevatten voor wat betreft grenscontrole, toegang en (lang) verblijf dan het Schengenakkoord aangeeft.
Onderdanen van België en Luxemburg mogen Nederland voor kortere of langere duur binnenkomen, ongeacht het doel van hun verblijf, indien zij in het bezit zijn van een paspoort of identiteitsbewijs.
Op onderdanen van België en Luxemburg die geen gebruik maken van het recht op vrij verkeer van personen geldt dat artikel 8.8, eerste en tweede lid, VV niet van toepassing zijn. Op deze vreemdelingen is [artikel 8.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.5) van toepassing. Uit dat artikel volgt dat aan deze onderdanen van België en Luxemburg, indien zij het vereiste document van grensoverschrijding bezitten, de toegang tot Nederland alleen kan worden geweigerd als zij een actuele bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid vormen. Net als bij andere onderdanen van de EU/EER, dient voorafgaand aan toegangsweigering de IND te worden geraadpleegd (zie A2/5.5.1). Indien wordt overgegaan tot toegangsweigering moet een schriftelijke gemotiveerde beschikking worden uitgereikt. Hiervoor kan [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2012-07-01&g=2012-07-01) worden gebruikt.
BO Leden van het administratief en technisch personeel en hun gezinsleden;
Voor wat betreft de bijzondere regels voor staatshoofden en houders van een diplomatiek, een officieel of een dienstpaspoort en leden van internationale organisaties wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 1. en 4, SGC. Ter toelichting en aanvulling voor de Nederlandse situatie is het volgende van belang.
Op vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten als lid van een diplomatieke zending of consulaire post, hun gezinsleden en hun personeel, is de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing indien zij niet-duurzaam in Nederland verblijven. Op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer en de Consulaire Betrekkingen komt hen een bijzondere status toe. Zij zijn door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van het geprivilegieerdendocument (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
Visumplichtige vreemdelingen die staan vermeld op een reizigerslijst en in het bezit zijn van een individueel geldig document voor grensoverschrijding hoeven niet tevens in het bezit te zijn van een afzonderlijk visum. In A2/4.3.3.1 staat aangegeven aan welke voorwaarden in dit geval moet zijn voldaan.
Bij inreis van gezelschappen die reizen op een collectief paspoort of lijst dient te worden gecontroleerd of alle personen die op het document voorkomen daadwerkelijk deel uitmaken van het gezelschap. Indien een persoon zich niet (meer) bij het gezelschap bevindt of om enigerlei reden de toegang is geweigerd, wordt diens naam op het collectieve paspoort of lijst doorgehaald. Deze doorhaling wordt gedateerd en voorzien van een paraaf.
Toegang wordt verleend aan jeugdige vreemdelingen aan wie ter adoptie(f)- dan wel als pleegkind een mvv is afgegeven. Wanneer niet, uit een mvv, blijkt dat voorafgaand aan de komst naar Nederland toestemming voor verblijf ter adoptie(f)- dan wel als pleegkind is verleend, moet steeds de IND worden geraadpleegd.
Toestemming voor de inreis wordt in deze gevallen slechts verleend:
In beide gevallen wordt een meldplicht opgelegd als bedoeld in [artikel 4.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.26).
In het al tweede geval wordt bovendien van de aspirant-pleegouders verlangd dat zij een garantverklaring (zie de [bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)) ondertekenen. Bij aspirant-adoptie(f)ouders is het ondertekenen van zo’n verklaring niet nodig.
Toegang wordt steeds verleend aan:
Ten aanzien van de tweede voorwaarde geldt voorts dat aan een persoon met een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven paspoort of identiteitskaart die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer van personen (zie [B10](onbekend)) en (vervolgens) verwijderd is door een andere lidstaat om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, door de Nederlandse ambtenaar belast met de grensbewaking zonder formaliteiten toegang dient te worden verleend. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie [artikel 8.10 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10)).
Toegang wordt steeds verleend aan:
Ten aanzien van de tweede voorwaarde geldt voorts dat aan een persoon met een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven paspoort of identiteitskaart die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer van personen (zie [B10](onbekend)) en (vervolgens) verwijderd is door een andere lidstaat om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, door de Nederlandse ambtenaar belast met de grensbewaking zonder formaliteiten toegang dient te worden verleend. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie [artikel 8.10 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10)).
Inwonende kinderen beneden de twaalf jaar zijn meestal opgenomen in de vergunning van hun ouders. Deze kinderen worden ook feitelijk in het bezit gesteld van een verblijfsdocument (zie [artikel 4.21, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)).
Alle hierboven genoemde vreemdelingen zijn in geval van terugkeer naar Nederland vrijgesteld van de visumplicht (zie [bijlage 3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
Op opstapplaatsen waar door de vervoerder bij de controle van vervoersbewijzen al gebruik gemaakt wordt van technische apparatuur, dient de vervoerder deze apparatuur ook voor de controle van reisdocumenten aan te wenden.
De Nederlandse overheid kan de individuele vervoerder aanwijzingen geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen) of het gebruik van technische hulpmiddelen.
Om vervoerders in staat te stellen de verlangde controle zo goed mogelijk te verrichten, houdt het ministerie van BZK hen regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. Tevens zullen aanwijzingen gegeven worden die een meer effectieve en efficiënte controle kunnen bewerkstelligen (bijv. informatie over reisroutes, trends, veel voorkomende vervalsingen etc.).
Nadat een vreemdeling is terugvervoerd, leveren alle overheidsinstanties de IND een overzicht aan van de kosten die zij met betrekking tot de betreffende vreemdeling hebben gemaakt. Zij doen dit aan de hand van onderstaande tarievenlijst. Deze gestandaardiseerde tarieven betreffen de kosten van uitzetting en de kosten van verblijf die de overheid maakt met betrekking tot vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. De tarieven zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten van de diverse betrokken instanties.
De KMar begeleidt de doorgeleiding in het kader van haar grensbewakingstaak ex [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46). Bij de begeleiding van de doorgeleiding beschikt de KMar over bevoegdheden in het belang van de grensbewaking. In overleg met de autoriteiten van de verzoekende lidstaat neemt de KMar in dit kader alle mogelijke en nodige ondersteunende maatregelen. Dit betreft met name de volgende maatregelen:
Op grond van [artikel 4.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.6) is de vreemdeling verplicht zich te houden aan de door de ambtenaar belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van zijn taak, gegeven aanwijzingen. Hieronder vallen tevens de aanwijzingen van deze ambtenaar aan de vreemdeling met betrekking tot de plaats waar de laatste zich dient op te houden. Overtreding van deze aanwijzingen is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
Voor het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner is ingevolge [artikel 2, eerste lid, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) een schriftelijke machtiging vereist. De machtiging wordt zo mogelijk bij het binnentreden getoond. In de [leden 1 en 3 van artikel 2 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) zijn enige uitzonderingen opgenomen op de verplichting om te beschikken over een schriftelijke machtiging, maar deze uitzonderingen doen zich in het geval van binnentreden op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) normaliter niet voor.
Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn onder meer de officieren en hulpofficieren van justitie. De machtiging die wordt verleend voor het binnentreden op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zal gewoonlijk worden gegeven voor het binnentreden in één in de machtiging te noemen woning. Zo nodig kan worden bepaald dat de machtiging tevens zal gelden voor ten hoogste drie andere afzonderlijk te noemen woningen.
Als maatregel van toezicht kunnen aan vreemdelingen geen andere verplichtingen worden opgelegd dan die welke bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn vastgesteld. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
In [artikel 54, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is de grondslag opgenomen voor de verplichtingen die als maatregel van toezicht aan vreemdelingen kunnen worden opgelegd. Indien een vreemdeling bij herhaling opzettelijk niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting kan dit onder omstandigheden aanleiding zijn voor in bewaringstelling ex [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of vrijheidsontneming ex [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of signalering in het OPS of (N)SIS.
Van deze kennisgeving kan aantekening worden gemaakt in het document voor grensoverschrijding (zie [artikel 4.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.32)).
### 7.3.5. Verstrekken gegevens over (vroegere) buitenlandse werknemers
### 7.3.3. Melding door de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
### 7.3.6. Mededeling omtrent zoeken of gaan verrichten van arbeid
### 7.3.4. Kennis geven van het verschaffen van nachtverblijf
### 7.3.6. Mededeling omtrent zoeken of gaan verrichten van arbeid
### De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
### Artikel 2 – alternatief
### Artikel 3 – culturele uitwisseling
### Artikel 4 – zakgeld
### Artikel 5 – geldigheid
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
Deze signalering komt in principe alleen in het (N)SIS voor.
### Artikel 7 – geschillenclausule
Deze signalering komt in principe alleen in het (N)SIS voor.
De signalering ‘IRV op grond van [artikel 66a, zevende lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), dient ter handhaving van het aan de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod op grond van artikel 66a, zevende lid Vw. De termijn waarvoor deze signalering geldt, komt overeen met de termijn van het uitgevaardigde inreisverbod. Het inreisverbod gaat meteen in na bekendmaking. De termijn van een inreisverbod gaat pas in op het moment waarop de vreemdeling uit Nederland en daarmee uit het Schengengebied vertrekt. In [artikel 6.5a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a) worden ten aanzien van de geldigheidsduur van een inreisverbod termijnen onderscheiden.
Opname van deze signalering in het NSIS volgt na uitzetting uit Nederland of indien er geen rechtsmiddel meer aangewend kan worden tegen het opgelegde inreisverbod, dan wel de aangewende rechtsmiddelen niet in Nederland afgewacht mogen worden. Het inreisverbod betekent dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben (zie [artikel 66, sub a, zevende lid , Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)), hetgeen tot gevolg heeft dat deze vreemdelingen – zolang het inreisverbod van kracht blijft – geen toegang en verblijf in Nederland is toegestaan. Een vreemdeling die in Nederland verblijft of er in terugkeert terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, maakt zich schuldig aan een misdrijf (zie [artikel 197 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197)). Zijn aanhouding terzake van dit misdrijf kan dan ook plaatsvinden. In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister op grond van [artikel 6.5c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5c) het inreisverbod tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland. Indien er geen opheffing is verleend en een vreemdeling aan wie een inreisverbod op grond van artikel 66, sub a, zevende lid, Vw is opgelegd zich aan een doorlaatpost meldt en daarbij eigener beweging en uitdrukkelijk om toegang tot Nederland verzoekt, geldt hetgeen beschreven onder A3/9.2.1.
De signalering Inreisverbod dient ter handhaving van het aan de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod op grond van [artikel 66a, eerste tot en met het zesde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a). Deze signalering kan ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen voorkomen. Het betreft de vreemdeling:
## Model M137-B. Formulier restitutie passagebiljet
## Model M138. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
## Model M139. Verzoek om afgifte van een Machtiging tot voorlopig verblijf
## Model M140. De verklaring van de werkgever
Vervallen
## Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant
Aan personen die verklaren staatloos te zijn en die niet in het bezit zijn van een vreemdelingenpaspoort wordt de toegang geweigerd. Houders van vreemdelingenpaspoorten die niet beschikken over de vereiste visa wordt in beginsel eveneens de toegang geweigerd. In bijzondere gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunnen echter aan de grens visumfaciliteiten worden verleend (zie A2/4.3.8).
Overeenkomstig de daartoe strekkende internationale regelgeving kan de Nederlandse overheid een vervoerder verzoeken, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het vaartuig of luchtvaartuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar kan dan in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming). Dit geschiedt enkel indien daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.
Wat onder vervoerder wordt verstaan, staat in artikel 2 SGC. Voor Nederland geldt dat met name de luchtvaart-, cruise- en ferrymaatschappijen, alsmede eigenaars van koopvaardijschepen en eigenaars/gebruikers van pleziervaartuigen, die één of meer vreemdelingen aanvoeren via een plaats waar buitengrenscontrole voor het Schengengebied plaatsvindt, zich aan een aantal verplichtingen moeten houden.
Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de (internationale) luchtvaart wordt verwezen naar [artikel 4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.15) en [4.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.16). Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de zeevaart wordt verwezen naar [artikel 4.9 tot en met 4.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10). Hieruit blijkt onder meer dat in beginsel de gezagvoerders direct bij binnenkomst een passagiers- en bemanningslijst dienen te overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. In het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) zijn voor wat betreft de (internationale) luchtvaart modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen in [bijlage 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=15) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=16). Voor wat betreft de zeevaart zijn modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen in [bijlage 14a tot en met 14d VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14a). De in [bijlage 14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14c) en [14d VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14d) opgenomen passagierslijst wordt gehanteerd voor schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van ten hoogste twaalf passagiers (zie [artikel 4.4 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=4.4)). De passagierslijst kan tevens gebruikt worden voor de opgave van de aanwezigheid van aangetroffen verstekelingen.
De verplichting voor de bestuurder van een voertuig om mee te werken, is geregeld in [artikel 4.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.8) en de [artikelen 5:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20).
De staande gehouden persoon mag overgebracht worden naar een plaats bestemd voor verhoor indien:
Indien de opgehouden vreemdeling dat verzoekt, wordt de door hem gewenste raadsman of een via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp aangewezen raadsman ingelicht. Uiteraard moet de vreemdeling in de gelegenheid worden gesteld onverwijld contact met zijn raadsman op te nemen.
De invoering van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), het daarbij behorende [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825)en het [Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002)op 1 april 2001 hebben geleid tot het opstellen van de Vreemdelingencirculaire 2000. De Vreemdelingencirculaire 2000 is vastgesteld bij beschikking van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en verving op bovengenoemde datum de Vreemdelingencirculaire 1994. De Vreemdelingencirculaire 2000 is in 2006 geheel herzien.
De invoering van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), het daarbij behorende [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825)en het [Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002)op 1 april 2001 hebben geleid tot het opstellen van de Vreemdelingencirculaire 2000. De Vreemdelingencirculaire 2000 is vastgesteld bij beschikking van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en verving op bovengenoemde datum de Vreemdelingencirculaire 1994. De Vreemdelingencirculaire 2000 is in 2006 geheel herzien.
In de Vreemdelingencirculaire 2000 worden vaak voorkomende termen en organisatienamen afgekort en nimmer voluit geschreven. Er wordt dan ook gebruik gemaakt van een afkortingenlijst, welke aan het begin van dit deel A is opgenomen. In tegenstelling tot de hogere vreemdelingenregelgeving ([artikel 124 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=124), [artikel 7.5 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=7.5) en [9.13 Vb)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.13) is hier gekozen voor het afkorten van de termen ‘[Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)’, ‘[Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825)’, het ‘[Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002)’ en ‘Vreemdelingencirculaire 2000’. Hiervoor gelden respectievelijk de afkortingen Vw, Vb, VV en Vc.
In de Vc wordt de Vw uit 1965 aangeduid met “Vw (oud)” en de artikelen uit die wet met “artikel xx Vw (oud)”.
De Vc vormt het geheel van beleidsregels en algemene aanwijzingen aan alle ambtenaren belast met de uitvoering van de vreemdelingenwet- en regelgeving.
De Vc bestaat uit drie delen:
Deel A bevat algemene informatie over de vreemdelingenketen en organisaties die een directe relatie hebben met de keten, bestuurlijke informatievoorziening, de registratie binnen de vreemdelingenketen en het overgangsrecht. Wanneer gesproken wordt over de vreemdelingenketen, worden alle (semi-) overheidsorganen bedoeld die een verantwoordelijkheid hebben in de uitvoering van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823).
In deel A zijn voorts de beleidsregels en algemene aanwijzingen opgenomen in verband met de grensbewaking, de toegang, het toezicht, het vertrek en de uitzetting, de vrijheidsbeperking en -beneming en ongewenstverklaring. In dit deel zijn tevens de modellen van formulieren en documenten opgenomen die door meerdere ketenpartners binnen de vreemdelingenketen worden gebruikt.
Daar waar in deze circulaire wordt verwezen naar de verantwoordelijke bewindspersoon zal deze worden aangeduid als “de Minister”.
De Minister heeft zijn bevoegdheden met betrekking tot de coördinatie, regie en de uitvoering van het gezag binnen de vreemdelingenketen gemandateerd aan de Secretaris-Generaal, die dit op zijn beurt heeft doorgemandateerd aan de Directeur-Generaal Vreemdelingenzaken. Laatstgenoemde geeft op grond van [artikel 48 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=48) namens de Minister aanwijzingen aan de uitvoeringsorganisaties, inclusief aanwijzingen omtrent de behandeling van individuen en bijzondere groepen. In spoedeisende individuele gevallen ligt deze aanwijzingsbevoegdheid bij het Hoofd van de IND teneinde een effectief optreden mogelijk te maken, voor zover dit niet ligt op het terrein van vertrek en uitzetting. De aanwijzingsbevoegdheid ligt waar het gaat om vertrek en uitzetting in spoedeisende individuele gevallen bij de Directeur van de DT&V. Voorts is het geven van een bijzondere aanwijzing in het geval van een voorgenomen toegangsweigering aan een vreemdeling die asiel aanvraagt (zie [artikel 3, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3)) of een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland (zie [artikel 8.8, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8)) een bevoegdheid die aan het Hoofd van de IND is doorgemandateerd. Tevens is de uitvoering van de Vw gemandateerd aan het Hoofd van de IND, voor zover dit ligt op het terrein van toelating. Deze mandatering ziet onder meer op het nemen van beslissingen op toelatingsaanvragen. De uitvoering van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) op het terrein van vertrek en uitzetting is gemandateerd aan de Directeur DT&V. Zie voor de uitwerking van de mandatering binnen het Ministerie van Justitie de [Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018330), nr. 5332529/05/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005, nr. 97), de [Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018331), nr. 5295095/04/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005 nr. 97) en het besluit van het Hoofd van de IND van 24 juni 2005, nr. INDUIT05-4081 (AUB) (Stcrt. d.d. 18 juli 2005, nr. 136).
In [hoofdstuk 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4) is vastgelegd dat de Korpschef en de Commandant der KMar hun bevoegdheden en taken niet uitoefenen naar eigen beleidsinzicht, maar met inachtneming van de (algemene en bijzondere) aanwijzingen van de Minister (zie ook [hoofdstuk 4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4)).
De organisaties die belast zijn met de uitvoering van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving dragen ieder zorg voor het organiseren en geven van specifieke voorlichting over de door hen uit te voeren taken.
De ACVZ is een onafhankelijk adviescollege dat adviezen uitbrengt inzake het vreemdelingenrecht en vreemdelingenbeleid. Zij adviseert daarover gevraagd en ongevraagd aan de Regering en aan het Parlement.
Het COA is verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers. Het COA zorgt voor onderdak gedurende de asielprocedure en bereidt asielzoekers voor op een verblijf in Nederland, terugkeer naar het land van herkomst of doormigratie.
### 2.1.2. Luchtvaart
De directie Inburgering en Integratie van het Ministerie van BZK richt zich op de totstandkoming van een samenleving, waarin de in Nederland verblijvende leden van etnische groepen op basis van volwaardig en gedeeld burgerschap kunnen deelnemen. De directie ontwikkelt onder andere het beleid met betrekking tot de inburgering en de Remigratiewet.
De directie Inburgering en Integratie van het Ministerie van BZK richt zich op de totstandkoming van een samenleving, waarin de in Nederland verblijvende leden van etnische groepen op basis van volwaardig en gedeeld burgerschap kunnen deelnemen. De directie ontwikkelt onder andere het beleid met betrekking tot de inburgering en de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424).
De directie Inburgering en Integratie van het Ministerie van BZK is bereikbaar via:
### 2.2. Verplichtingen
### 2.2.1. Verplichtingen voor personen
De DT&V is als taakorganisatie belast met de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving terzake vertrek en uitzetting. De DT&V bevordert, organiseert en realiseert het daadwerkelijk vertrek uit Nederland van vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Bij het uitvoeren van deze taak staat het stimuleren van het zelfstandig vertrek voorop. Zo nodig bereidt de DT&V het gedwongen vertrek van de vreemdeling uit Nederland voor. De DT&V voert haar taak uit in samenwerking met andere ketenpartners van de overheid die een taak hebben in het vertrekproces. De DT&V regisseert het vertrekproces op operationeel niveau. Taken die wettelijk zijn voorbehouden aan ambtenaren belast met het toezicht of de grensbewaking, worden niet verricht door de DT&V.
Het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel is een samenwerkingsverband tussen de Dienst Nationale Recherche en DNRI van het KLPD, de KMar, de IND en de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst van het Ministerie van SZW.
### 2.2.2. Verplichtingen voor de vervoerder
### 2.2.2.1. Algemeen
### 2.2.2.2. Zorg- en afschriftplicht
### 2.2.2.3. Terugvoerplicht
### 2.2.2.4. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 2.2.3. Verplichtingen voor gezagvoerders van luchtvaartuigen
### 2.2.4. Verplichtingen voor gezagvoerders van zeeschepen
Het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel heeft als doel: het verschaffen van inzicht en overzicht in de criminaliteit in relatie tot mensenhandel & mensensmokkel, ten bate van de opsporing en het tegenhouden van deze en gerelateerde misdrijven.
Daartoe is het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel een centrale plek waar informatie, kennis en ervaring op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel wordt verzameld, veredeld en geëxploiteerd.
De IND is onder meer verantwoordelijk voor de beoordeling van alle aanvragen voor toelating en naturalisatie van vreemdelingen.
IOM richt zich op velerlei migratievraagstukken. Zo biedt IOM ondersteuning aan uitgeprocedeerde vreemdelingen die Nederland vrijwillig willen verlaten, organiseren zij het vervoer van personen naar of uit Nederland en richten zij zich op (her)integratie, bestrijding van mensenhandel, arbeidsmigratie, migratie en ontwikkeling en migratie en gezondheid.
De KMar is op de luchthavens en in de zeehavens in Nederland alsmede op zee belast met de grensbewaking. De grensbewaking in het competentiegebied van politieregio Rotterdam-Rijnmond wordt uitgevoerd door de ZHP (zie hierna onder ZHP), met uitzondering van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/ Europoort. In het kader van de grensbewaking verstrekt de KMar in voorkomende gevallen visa aan de buitengrens. Aan de binnengrens met België en Duitsland en op de luchthavens is de KMar belast met de uitvoering van het MTV. Voorts is de KMar verantwoordelijk voor de uitzetting en begeleiding van uitgeprocedeerde vreemdelingen uit Nederland en van aan de grens geweigerde personen.
Daarnaast is het Ministerie van Buza verantwoordelijk voor het afnemen van het basisexamen inburgering in het buitenland op de Nederlandse posten.
De NVVB biedt een platform aan leidinggevenden en medewerkers van organisaties, die zich binnen en buiten de overheid professioneel bezig houden met het brede terrein van burgerzaken. Onder burgerzaken vallen activiteiten op het terrein van de GBA en de loketfunctie voor vreemdelingen die een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning willen indienen.
### 3. Minimumcontrole en grondige controle
### 3.1. Minimumcontrole
### 3.2. Grondige controle
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 3.3.2. Versoepeling
### 4. Toegangsvoorwaarden: waarop wordt gecontroleerd?
### 4.1. Het vereiste van een geldig grensoverschrijdingsdocument met benodigd – geldig – visum
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 5. Klachten
De NVVB heeft voor haar gemeentelijke leden een adviesfunctie op het gehele terrein van burgerzaken in de vorm van een helpdesk.
De (vreemdelingen)politie houdt toezicht op personen die in Nederland verblijven, maar niet de Nederlandse nationaliteit hebben en is onder meer verantwoordelijk voor het opsporen, staande houden, inbewaring stellen, het vertrek onder toezicht alsmede het vaststellen van de identiteit van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.
De Taakorganisatie Vreemdelingen is een landelijk werkend bureau dat de politie adviseert en ondersteunt bij de ontwikkeling van de visie, de strategie en het beleid van de politiële vreemdelingentaak. Daarbij is zij tevens het landelijk aanspreekpunt van waaruit de belangenbehartiging ten behoeve van de vreemdelingenpolitie plaatsvindt en het knooppunt in de communicatie en informatie-uitwisseling tussen de vreemdelingenpolitie onderling en van en naar ketenpartners.
De RvS is naast onafhankelijk adviseur van de regering over wetgeving en bestuur ook hoogste algemene bestuursrechter van het land. De ABRvS spreekt recht in hoogste instantie in geschillen tussen de burger en de overheid. Sinds de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) geldt dit ook voor vreemdelingrechtelijke geschillen.
De Raden voor Rechtsbijstand geven uitvoering aan de Wet op de rechtsbijstand, waarin de rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen is geregeld. De raden subsidiëren de Stichting Rechtsbijstand Asiel en zien ook toe op de kwaliteit en voldoende beschikbaarheid van de rechtsbijstandverlening. Voor juridische informatie en advies is er het Juridisch Loket.
De Visadienst is onderdeel van het Ministerie van BuZa. De Minister van BuZa heeft het Hoofd van de IND en het plaatsvervangend Hoofd van de IND mandaat verleend voor het nemen en ondertekenen van besluiten die door hen in hun functie van Hoofd van de Visadienst, respectievelijk plaatsvervangend Hoofd van de Visadienst, namens hem worden genomen. Ondermandaat is verleend aan de ambtenaar belast met de grensbewaking en het toezicht en specifieke functionarissen van de IND voorzover zij besluiten nemen of handelingen verrichten namens het Hoofd van de Visadienst.
De Visadienst behandelt namens de Minister van BuZa alle door de ambassades en consulaten voorgelegde aanvragen voor mvv’s en visumaanvragen voor toerisme, familie- en privé-bezoek, artiesten, studenten, personen die gesignaleerd staan in het OPS of SIS, stagiaires en medische bezoeken, met uitzondering van personen uit de voormalige Sovjetrepublieken. De laatste categorie personen dient zich te wenden tot het Ministerie van BuZa (zie hiervoor onder Ministerie van Buza). Bovendien behandelt de Visadienst aanvragen voor visumverlenging en verlening van terugkeervisa.
Het Landelijk Stafbureau Vreemdelingenkamers biedt ondersteuning op het gebied van juridische en organisatorische coördinatie aan de vreemdelingenkamers.
Bij het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken dienen vreemdelingenzaken te worden ingediend, waarop deze door het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken zo evenwichtig mogelijk over de nevenzittingsplaatsen worden verdeeld.
### 6. Registratie en Identificatie
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 4.1. Algemeen
### 6. Registratie en Identificatie
### 4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen
### 4.1. Algemeen
### 5. Klachten
### 6. Registratie en Identificatie
### 4.2. Rapportage Vreemdelingenketen
Een van de producten die resulteren uit de informatielevering van de ketenpartners is de Rapportage Vreemdelingenketen. Deze rapportage, die inzicht geeft in de belangrijkste ontwikkelingen in de keten, wordt periodiek samengesteld. De rapportage bevat een overzicht van de prestaties van ketenpartners op verschillende processen en een beschrijving van ontwikkelingen. De ketenpartners dragen zorg voor tijdige aanlevering van cijfers en toelichting aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken.
Een van de producten die resulteren uit de informatielevering van de ketenpartners is de Rapportage Vreemdelingenketen. Deze rapportage, die inzicht geeft in de belangrijkste ontwikkelingen in de keten, wordt periodiek samengesteld. De rapportage bevat een overzicht van de prestaties van ketenpartners op verschillende processen en een beschrijving van ontwikkelingen. De ketenpartners dragen zorg voor tijdige aanlevering van cijfers en toelichting aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken.
Een klacht wordt gedefinieerd als iedere uiting van ongenoegen over alle aspecten van gedragingen van het bestuursorgaan of van een persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (zie [artikel 9:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1)). Klachten dienen bij de betreffende bestuursorganen te worden ingediend (zie voor informatie en contactgegevens onder A1/3) en door de bestuursorganen zelf te worden afgedaan. Is de klager ontevreden over de afhandeling van zijn klacht, dan kan hij die daarna voorleggen aan de Nationale ombudsman als externe klachtbehandelaar. In de klachtenregeling van de Awb geldt dat een klacht na ontvangst door het bestuursorgaan binnen zes weken moet zijn afgedaan. Iedere organisatie kan beschikken over een eigen klachtenregeling en/of –procedure. Voor de geldende klachtenregeling en/of -procedure dient contact te worden opgenomen met de betreffende organisatie.
### 6. Registratie en Identificatie
Een van de producten die resulteren uit de informatielevering van de ketenpartners is de Rapportage Vreemdelingenketen. Deze rapportage, die inzicht geeft in de belangrijkste ontwikkelingen in de keten, wordt periodiek samengesteld. De rapportage bevat een overzicht van de prestaties van ketenpartners op verschillende processen en een beschrijving van ontwikkelingen. De ketenpartners dragen zorg voor tijdige aanlevering van cijfers en toelichting aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken.
### 6.1. Algemeen
### 5.1. Toegangsverlening
### 6. Registratie en Identificatie
### 6.2. Het PIL
Het werken volgens het PIL geeft inhoud aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ketenpartners voor de kwaliteit van de persoonsgegevens.
### 5.1.3. Procedure bij het verlenen van toegang voor lang verblijf
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het protocol:
De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het protocol:
Het systeem BVV is een centrale ketentoepassing waarin alle basisgegevens van vreemdelingen in Nederland zijn opgeslagen. De database wordt gevuld en gewijzigd vanuit de systemen van aangesloten partijen in de vreemdelingenketen. Verder kunnen aangesloten ketenpartners gegevens van vreemdelingen opzoeken in de BVV. De BVV is in principe continu beschikbaar voor raadpleging. Informatie over de BVV en documentatie van de BVV kan worden geraadpleegd op de website www.vreemdelingenketen.nl, onder producten.
### 6.5. Archivering
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 2. Toegang
### 1. Algemeen
### 5.2.5. Aantekening omtrent het weigeren van toegang
### 6.3. De BVV
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen
### 3. Ambtenaren belast met grensbewaking, geografische verdeling
### 6.5. Archivering
### 6.5. Archivering
### 6.5. Archivering
### 2. Toegang
### 1. Algemeen
### 2. Begrippen
### 2. Begrippen
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 6.5. Archivering
In artikel 2 SGC zijn voorts nadere definities vastgesteld in het kader van grensbewaking. Zo introduceert artikel 2, dertiende lid, SGC een in Nederland nieuw begrip, “grenswachter”. Gezien deze definitie, is iedere ambtenaar belast met grensbewaking ex [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) een grenswachter in de zin van de SGC. In de Vc zal gewoon de term ambtenaar belast met de grensbewaking worden gebezigd.
### 3. Ambtenaren belast met grensbewaking, geografische verdeling
### 1. Algemeen
### 2. Begrippen
### 2. Begrippen
### 4. Overschrijding van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden
### 4.1. Grensdoorlaatposten
### 4.1. Grensdoorlaatposten
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument
### 4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument
### 4. Overschrijding van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden
### 4.1. Grensdoorlaatposten
### 4.1. Grensdoorlaatposten
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen
### 4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument
### 4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument
### 6.2.2. Vrijstelling van visum- en paspoortplicht
### 4.2.3.2. Middelen van bestaan
### 4.2.2. Visum
### 4.2.2. Visum
### 4.2.2. Visum
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
### 4.2.3.1. Reisdoel
### 4.2.3.1. Reisdoel
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
### 4.2.3.2. Middelen van bestaan
### 4.2.3.1. Reisdoel
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
### 4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan
De ZHP is belast met de grensbewaking in het competentiegebied van politieregio Rotterdam-Rijnmond alsmede op zee, het havengerelateerde vreemdelingentoezicht en de bestrijding van (migratie)criminaliteit in de Rotterdamse havens. Daarnaast verzorgt de ZHP in voorkomende gevallen de verlening en verlenging van visa voor in de politieregio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden.
Internet: www.dutch-immigration.nl
Om een goed en actueel beeld te kunnen vormen van het functioneren van de vreemdelingenketen, heeft de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken zowel structurele, als incidentele informatie nodig van alle ketenpartners en organisaties met een directe relatie met de vreemdelingenketen. Met die informatie kunnen trends en ontwikkelingen gevolgd worden. Daarnaast kan beoordeeld worden welke effecten (beleids)beslissingen ten aanzien van bedrijfsvoering en taakuitvoering hebben binnen de keten.
Om een goed en actueel beeld te kunnen vormen van het functioneren van de vreemdelingenketen, heeft de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken zowel structurele, als incidentele informatie nodig van alle ketenpartners en organisaties met een directe relatie met de vreemdelingenketen. Met die informatie kunnen trends en ontwikkelingen gevolgd worden. Daarnaast kan beoordeeld worden welke effecten (beleids)beslissingen ten aanzien van bedrijfsvoering en taakuitvoering hebben binnen de keten.
De door ketenpartners en direct betrokken organisaties aangeleverde informatie mag ten behoeve van de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken door het daartoe aangewezen informatieknooppunt vrij worden bewerkt. Indien de gegevens worden gebruikt of verwerkt met het doel de informatie buiten de vreemdelingenketen te verspreiden, dient hierover vooraf afstemming met de ketenpartners te hebben plaatsgevonden.
De ketenpartners, die belast zijn met de uitvoering van het vreemdelingenbeleid en de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving hebben een gemeenschappelijk belang bij unieke identificatie en registratie van vreemdelingen als bedoeld in [artikel 1, onder m, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)en bij het kunnen delen en uitwisselen van informatie over deze vreemdelingen. Om dat mogelijk te maken is een aantal ketenvoorzieningen ontwikkeld voor gemeenschappelijk gebruik door de ketenpartners, waaronder:
Naast de registratie ten behoeve van de vreemdelingenketen, registreren de afzonderlijke organisaties binnen de vreemdelingenketen en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen gegevens van vreemdelingen ten behoeve van de eigen werkprocessen. Voor informatie hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende organisaties.
De ketenpartners, die belast zijn met de uitvoering van het vreemdelingenbeleid en de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving hebben een gemeenschappelijk belang bij unieke identificatie en registratie van vreemdelingen als bedoeld in [artikel 1, onder m, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)en bij het kunnen delen en uitwisselen van informatie over deze vreemdelingen. Om dat mogelijk te maken is een aantal ketenvoorzieningen ontwikkeld voor gemeenschappelijk gebruik door de ketenpartners, waaronder:
Het PIL beschrijft een gestandaardiseerde werkwijze voor het identificeren, registreren, wijzigen en verifiëren van persoonsgegevens in de vreemdelingenketen. PIL is kaderstellend voor de interne administratieve organisatie van de ketenpartners en is te raadplegen op de website van de vreemdelingenketen, onder producten.
De BVV bestaat uit de volgende registers:
Voor de regelingen omtrent de archivering van bescheiden wordt verwezen naar de Archiefwet 1995. De organisaties belast met de uitvoering van vreemdelingenwet- en regelgeving kunnen daarnaast een aanvullend eigen archiefbeleid voeren, waarin de regels omtrent archivering en vernietiging van archiefbescheiden zijn vastgelegd. Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende organisatie.
Voor de regelingen omtrent de archivering van bescheiden wordt verwezen naar de Archiefwet 1995. De organisaties belast met de uitvoering van vreemdelingenwet- en regelgeving kunnen daarnaast een aanvullend eigen archiefbeleid voeren, waarin de regels omtrent archivering en vernietiging van archiefbescheiden zijn vastgelegd. Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende organisatie.
Het woordenboek bevat begrippen (gegevensgroepen, samengestelde gegevens en gegevens) en tabellen behorend tot de processen binnen de vreemdelingenketen, waarmee informatie tussen ketenorganisaties wordt uitgewisseld of waarover wordt gecommuniceerd. Het is van toepassing op alle processen en informatiestromen binnen de vreemdelingenketen welke over organisatiegrenzen heen lopen en waarbij gegevens tussen ketenpartners worden uitgewisseld.
De met de grensbewaking belaste ambtenaren zijn genoemd in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46). Alle ambtenaren belast met de grensbewaking zijn, zonder territoriale beperkingen, bevoegd deze taak binnen Nederland uit te oefenen. Met het oog op een efficiënte uitoefening van deze taken richten de onderscheiden diensten zich evenwel primair op verschillende gebieden die geografisch als volgt zijn verdeeld.
Alle ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zijn bevoegd toezicht uit te oefenen op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking. Binnen deze politieregio zijn deze taken in de eerste plaats toebedeeld aan de ZHP. De ambtenaren van de ZHP zijn belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Rotterdam-Havens, inclusief de benoemde ankerplaatsen. Daarnaast zijn zij belast met het uitoefenen van de grensbewakingstaken in de politieregio Rotterdam-Rijnmond, inclusief de hierin gelegen kust- en binnenwateren.
Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten (artikel 2, zesde lid, SGC). In de regel worden tijdelijke grensdoorlaatposten bediend door ambtenaren van de KMar.
Aan de buitengrenzen bevinden zich grensdoorlaatposten (zie artikel 2, zesde lid, SGC). In beginsel is iedereen verplicht via deze grensdoorlaatposten te reizen (zie artikel 4, eerste lid, SGC). In Nederland fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. De zee- en luchthavens die zijn aangewezen als grensdoorlaatpost zijn genoemd in [bijlage 4 Vv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=4).
Aan de buitengrenzen bevinden zich grensdoorlaatposten (zie artikel 2, zesde lid, SGC). In beginsel is iedereen verplicht via deze grensdoorlaatposten te reizen (zie artikel 4, eerste lid, SGC). In Nederland fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. De zee- en luchthavens die zijn aangewezen als grensdoorlaatpost zijn genoemd in [bijlage 4 Vv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=4).
Aan de buitengrenzen bevinden zich grensdoorlaatposten (zie artikel 2, zesde lid, SGC). In beginsel is iedereen verplicht via deze grensdoorlaatposten te reizen (zie artikel 4, eerste lid, SGC). In Nederland fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. De zee- en luchthavens die zijn aangewezen als grensdoorlaatpost zijn genoemd in [bijlage 4 Vv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=4).
De voorschriften over toegang worden, zoals aangegeven in A2/1, in sterke mate beheerst door het communautair recht en met name de SGC. In artikel 5, eerste lid, SGC is uitgewerkt onder welke voorwaarden aan onderdanen van derde landen toegang kan worden verleend tot het Schengengebied voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. In [artikel 4.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5) is vastgelegd waartoe een vreemdeling bij in- en uitreis in dit kader verplicht is.
De voorschriften over toegang worden, zoals aangegeven in A2/1, in sterke mate beheerst door het communautair recht en met name de SGC. In artikel 5, eerste lid, SGC is uitgewerkt onder welke voorwaarden aan onderdanen van derde landen toegang kan worden verleend tot het Schengengebied voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. In [artikel 4.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5) is vastgelegd waartoe een vreemdeling bij in- en uitreis in dit kader verplicht is.
Het bezit van een geldig (nationaal) paspoort is een algemeen uitgangspunt. Het paspoortvereiste wordt onder meer gesteld als waarborg voor terugkeer.
Onder paspoort wordt verstaan: een mede in de Engelse of Franse taal gesteld document voor grensoverschrijding op grond waarvan het de houder is toegestaan zich naar het buitenland te begeven en terug te keren naar het land van afgifte.
Voorts dient het grensoverschrijdingsdocument in het algemeen de familienaam, de voorna(a)m(en), de nationaliteit, de geboorteplaats en de geboortedatum van de houder te bevatten. De geldigheidsduur van het paspoort moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.
In bepaalde gevallen kan toegang worden verkregen met andere documenten voor grensoverschrijding. Deze staan vermeld in het overzicht van de door de lidstaten erkende reisdocumenten, welke recht geven op overschrijding van de buitengrenzen en waarin een visum kan worden aangebracht. Op grond van [artikel 2.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3) is in voorkomende gevallen vereist dat de vreemdeling in het bezit is van een geldige mvv of een visum waarin wordt verwezen naar het document dat de vreemdeling bij zich heeft (zie voor visa A2/4.3).
Aan niet-visumplichtige vreemdelingen (voor het visumvereiste zie A2/4.3.1) die bij binnenkomst niet beschikken over het vereiste document voor grensoverschrijding kan aan de grens, met het oog op kort verblijf, een bijzonder doorlaatbewijs worden afgegeven (zie [Model M6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M6&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) Een bijzonder doorlaatbewijs is na afgifte een geldig document voor grensoverschrijding.
De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd om zelfstandig een bijzonder doorlaatbewijs af te geven aan een niet-visumplichtige vreemdeling. Voor afgifte dient steeds aan elk van de volgende voorwaarden te worden voldaan:
Het verlenen van bijzondere doorlaatbewijzen geschiedt gratis.
Voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het visumvereiste en andere visagerelateerde onderwerpen wordt verwezen naar A2/4.3.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder b, SGC en artikel 1 Visumcode dient een vreemdeling voor beoogd verblijf van korter dan drie maanden, indien vereist, te beschikken over een geldig visum.
Voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het visumvereiste en andere visagerelateerde onderwerpen wordt verwezen naar A2/4.3.
Aan het bezit van een visum kan als zodanig geen onherroepelijk recht op binnenkomst worden ontleend (zie artikel 30 Visumcode). Zo dient bij binnenkomst de door de vreemdeling te verstrekken informatie aan de ambtenaar belast met grensbewaking ter ondersteuning van het verzoek om toegang in overeenstemming te zijn met de reeds verstrekte informatie aan de diplomatieke post ter verkrijging van een visum.
Voorts bestaat onder bijzondere omstandigheden de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens indien een geldig visum ontbreekt (zie A2/4.3.8.2).
Voor verblijf van langer dan drie maanden dient men overigens, indien vereist, te beschikken over een mvv. Ook voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het mvv-vereiste wordt verwezen naar A2/4.3.
Als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt voorts het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de aanvrager over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf.
Artikel 5, eerste lid, onder c, SGC ziet zowel op het vereiste het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden, zo nodig met documenten, te kunnen onderbouwen, als op het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, kan de ambtenaar belast met grensbewaking met toestemming van de vreemdeling inlichtingen inwinnen bij het hiervoor door de betreffende luchtvaartmaatschappij beschikbaar gestelde informatiepunt. Indien de vreemdeling geen toestemming verleent aan de ambtenaar belast met grensbewaking om de bovenbedoelde informatie op te vragen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij en voorts niet anderszins het doel en de duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk kan maken, wijst de ambtenaar de vreemdeling er op dat dit tot toegangsweigering zal leiden.
De diplomatieke of consulaire post van de Schengenlidstaat, waarvan de enige bestemming van het (de) bezoek(en) is gelegen, verleent in beginsel het visum voor het hele Schengengebied. Indien het bezoek meer dan een bestemming omvat, verleent de diplomatieke of consulaire post van de Schengenlidstaat waarvan de hoofdbestemming van het (de) bezoek(en) is gelegen qua duur of doel van het verblijf in beginsel het visum. Indien geen hoofdbestemming kan worden vastgesteld, dan verleent in beginsel de diplomatieke of consulaire post van het Schengenlidstaat waarvan de aanvrager voornemens is de buitengrens te overschrijden om het grondgebied van de Schengenlidstaten binnen te komen het visum (zie artikel 5 Visumcode).
### 4.2.3.1. Reisdoel
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
### 4.2.3.2. Middelen van bestaan
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
### 4.2.5. Gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
Aan vreemdelingen van wie niet zeker is dat zij over voldoende bestaansmiddelen kunnen beschikken voor de duur van het voorgenomen verblijf en/of voor de terugreis/reis naar een derde land, kan onder voorwaarden toegang worden verleend (zie [artikel 2.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.11)). Deze voorwaarden zijn:
### 4.3.1. Het visumvereiste
Kennisgeving aan de Korpschef van de toegangsverlening onder voorwaarden geschiedt door middel van [model M20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M20&z=2012-04-01&g=2012-04-01). Zie voor toegang onder voorwaarden ook A2/5.4.
Aan de vreemdeling kan worden verzocht een in zijn bezit zijnde retourpassagebiljet te deponeren tot zekerheidstelling. In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, wijst de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling op de mogelijkheid om alsnog door de luchtvaartmaatschappij een retourpassagebiljet te laten printen. Indien de betreffende luchtvaartmaatschappij hier niet aan kan of wil voldoen, behoudt de ambtenaar belast met de grensbewaking de bevoegdheid tot het stellen van zekerheid. De geldigheid van het retourpassagebiljet moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.
De toegang kan niet worden geweigerd aan een vreemdeling op grond van het enkele feit dat het door hem opgegeven land van hoofdreisdoel niet in overeenstemming is met het land van visumafgifte. Desgevorderd is het wel aan de vreemdeling om het door hem opgegeven doel en de duur van het verblijf alsnog aannemelijk te maken. De ambtenaar belast met de grensbewaking dient de verklaringen van de vreemdeling daartoe te controleren, tenzij aanstonds duidelijk is dat de door de vreemdeling verstrekte informatie niet consistent is of niet strookt met andere (betrouwbare) gegevens die langs andere weg zijn verkregen. De controle omvat in ieder geval een controle van feiten en verklaringen die ten grondslag liggen aan de afgifte van het visum. Hiertoe zal in beginsel contact op moeten worden genomen met de visumafgevende instantie.
De vreemdeling wordt altijd geconfronteerd met afwijkende informatie en wordt in staat gesteld hier een verklaring voor te geven. Indien deze verklaring onvoldoende aannemelijk is en er wordt geconstateerd dat de vreemdeling het visum op onrechtmatige wijze heeft verkregen, wordt de toegang geweigerd en wordt het visum nietig verklaard. Een visum wordt ingetrokken, indien blijkt dat niet langer aan de afgifte voorwaarden voldaan wordt (zie artikel 34 Visumcode en A2/4.3.7).
De vreemdeling kan ook een garantiesom deponeren. Voor de hoogte van de garantiesom zijn de lijnvluchttarieven van de KLM bepalend. Deze tarieven kunnen worden opgevraagd bij de KLM of bij de KMar.
Van de mogelijkheid een garantiesom te deponeren, zal in het bijzonder gebruik kunnen worden gemaakt in de volgende gevallen:
### 4.3.1. Het visumvereiste
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 4.3. Visa en visumafgifte aan de grens
### 4.3.1. Het visumvereiste
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 6.4.2.1. Voorwaarden voor binnenkomst
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.2.5. Gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 6.8.1. Inleiding
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 6.4.4. In de overige Schengen-landen voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.5. Asielzoekers en vluchtelingen
### 4.3. Visa en visumafgifte aan de grens
### 4.3.1. Algemeen
### 6.6. Houders van vreemdelingenpaspoorten; staatlozen
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 6.6.2. Houders van vreemdelingenpaspoorten aan wie (nog) geen lang verblijf in Nederland is toegestaan
Indien de vreemdeling langer dan drie maanden in Nederland wenst te verblijven en mvv-plichtig is, dient hij een D-visum (een mvv) aan te vragen (zie [B1/1](onbekend)).
Verordening 539/2001 bepaalt welke onderdanen van derde landen bij het overschrijden van de buitengrenzen in het bezit dienen te zijn van een visum en welke onderdanen van derde landen van de visumplicht zijn vrijgesteld. Voorts is in Bijlage IV van de Visumcode een gemeenschappelijke lijst van onderdanen van derde landen vastgesteld, die in het bezit dienen te zijn van een luchthaventransitvisum wanneer zij door de internationale transitzones van luchthavens op het grondgebied van lidstaten reizen. Naast deze gemeenschappelijke lijst is er ook een lijst van onderdanen van derde landen die door één of meer Schengenlidstaten aan de luchthaventransitvisumplicht zijn onderworpen (Bijlage 7B Praktisch Handboek).
Op grond van artikel 1 van Verordening 539/2001 zijn in ieder geval van de visumplicht vrijgesteld houders van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan vluchtelingen, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat. Voorts zijn houders van een geldig, door een Schengenlidstaat afgegeven (verblijfs)document, vrijgesteld van de visumplicht (zie artikel 21 SUO).
### 4.3.6.1. Wijziging
De uitzonderingen op de visumplicht die op grond van artikel 4 van Verordening 539/2001 door de Benelux-landen of Nederland worden gehanteerd, zijn vermeld in de bijlagen bij het Praktisch Handboek behorend bij de Visumcode.
Aan vreemdelingen die bij binnenkomst in Nederland een garantiesom of een retourpassagebiljet deponeren, wordt een folder uitgereikt. Hierin wordt informatie verschaft over ontvangst, beheer en teruggave van aan de grens gedeponeerde garantiesommen en retourpassagebiljetten.
Over gedeponeerde garantiesommen wordt geen rente vergoed.
De vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom heeft gedeponeerd, moet zich voor teruggave daarvan rechtstreeks wenden tot de beherende instantie. Hetzelfde geldt voor derden die een garantiesom ten behoeve van een vreemdeling hebben gedeponeerd.
De garantiesom dan wel het retourpassagebiljet wordt aan de betrokkene teruggegeven op vertoon van het ontvangstbewijs, indien:
Garantiesommen gedeponeerd door derden worden op vertoon van het ontvangstbewijs gerestitueerd na vertrek van de vreemdeling uit het Schengengebied.
Bij teruggave van de garantiesom dan wel het retourpassagebiljet moet het ontvangstbewijs worden ingenomen.
Ook kan zekerheid worden gesteld doordat een hier te lande wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een verklaring (zie [bijlage 6a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6a)tot en met bijlage 6d VV/artikel 14 , vierde lid, Visumcode). In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen van bestaan beschikt kan desondanks toegang worden verleend wanneer een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant heeft gesteld. Zie voor een nadere uitwerking van solvabele derde A2/4.3.3.1.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder e, SGC kan toegang worden verleend aan vreemdelingen die niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.
Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de (goede) internationale betrekkingen.
Van gevaar voor de volksgezondheid kan sprake zijn in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen (zie [artikel 8.8, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8)). Daarbij kan, naast de in gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts, ook worden gedacht aan nieuwere ziekten als Sars. Verwezen wordt naar [artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684&artikel=2) (zie tevens A2/5.5.3 (toegangsweigering)).
Indien een vreemdeling gesignaleerd staat, waarbij verwezen wordt naar hetgeen vermeld staat onder A2/4.2.4, is dat een indicatie dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.
Indien er gegronde reden is te vrezen voor (politieke) activiteiten die gevaar opleveren voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen, vindt met het oog op het toelatingsvraagstuk over de vreemdeling in kwestie afstemming met de IND plaats.
Regels met betrekking tot procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, zijn neergelegd in de Visumcode.
In aanvulling op bovenstaande kan een vreemdeling op grond van een visumfacilitatieovereenkomst worden vrijgesteld van de visumplicht. Veelal geldt dit voor houders van diplomatieke paspoorten.
In [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4) zijn bepalingen opgenomen over de omstandigheden waaronder (transit)passagiers van vliegtuigen, zonder in het bezit te zijn van het vereiste visum, toegang kan worden verleend (zie A2/6.2.6).
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.3.2. Plaats van afgifte visa
### 6.8.2. Bijzonderheden in verband met toegang en grenscontrole
### 6.8.2.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.3. Soorten van visa
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.3.1. Schengenvisa
Een eenvormig visum (in de vorm van een sticker) is een visum dat geldig is voor het gehele grondgebied van alle Schengenstaten (zie artikel 2, derde lid, Visumcode). Vreemdelingen die houder zijn van een geldig Schengenvisum en die het grondgebied van één van de Schengenstaten op rechtmatige wijze zijn binnengekomen, mogen zich in beginsel vrij verplaatsen op het grondgebied van alle Schengenstaten. Uitzondering hierop vormt het territoriaal beperkte visum, zie hieronder.
De volgende typen Schengenvisa worden onderscheiden:
Een visum kan worden afgegeven voor één, twee of meerdere binnenkomsten. Voor houders van visa geldt dat de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijfsperioden meer dan drie maanden per zes maanden, te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst, mag bedragen. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van eerste binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten (zie artikel 2, lid 2 Visumcode).
### 4.3.5. Kosten
Het visum wordt in beginsel niet voor langere duur verleend dan waarvoor het is aangevraagd.
Het visum met territoriaal beperkte geldigheid is een visum waarbij verblijf uitsluitend is toegestaan op het grondgebied van één of meer Schengenlidstaten. Zie voor gevallen waarin dergelijke visa kunnen worden afgegeven artikel 25 Visumcode.
In de regel wordt het visum in een reisdocument aangebracht. In artikel 12 Visumcode is neergelegd waaraan het reisdocument dient te voldoen. In bepaalde gevallen worden het luchthaventransitvisum en het visum niet in het paspoort, maar op een afzonderlijk blad aangebracht: een visumverklaring (zie artikel 2, achtste lid, Visumcode). Aan een visumverklaring wordt dezelfde betekenis toegekend als aan een visum, met dien verstande, dat de houder van een dergelijke visumverklaring te allen tijde in het bezit dient te zijn van het identiteitsdocument waarnaar in het visum wordt verwezen. Deze visumverklaringen kunnen geldig gemaakt worden voor één of meerdere Schengenstaten. Een visum dient in de vorm van een visumverklaring te worden afgegeven wanneer het reisdocument door de lidstaat die het visum afgeeft niet wordt erkend.
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 6.10.1. Passagierende zeelieden
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 4.3.6.1. Wijziging
### 6.12.1. Inleiding
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 4.4. Vrije termijn
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 6.11.1. Algemeen
Tot slot, zoals is neergelegd in [artikel 8.9 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.9), zijn personen die normaal gesproken visumplichtig zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij een familielid zijn als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht inzake vrij verkeer uitoefent. Hierbij geldt als voorwaarde dat zij in het bezit moeten zijn van een geldige verblijfskaart afgegeven door één van de EU-/EER-landen of Zwitserland en samen reizen dan wel zich voegen bij de betreffende EU-onderdaan. (Hier wordt gedoeld op het document vermeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.)
Onder bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens (zie A2/4.3.8), indien een geldig visum ontbreekt.
In een aantal gevallen dienen visumaanvragen te worden voorgelegd aan een nationale dienst. In Nederland wordt deze machtiging ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen gegeven door de directie Consulaire zaken en Migratiebeleid van het ministerie van BuZa. Voor andere categorieën vreemdelingen wordt de machtiging gegeven door de Visadienst.
Aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, kan ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994 (94/75/JBZ). Bij dit besluit is een standaard gemeenschappelijk formulier toegevoegd van een reizigerslijst. De reizigerslijst is opgenomen in [model M7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M7&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
Met de reizigerslijst kunnen scholieren uit derde landen die rechtmatig verblijf hebben in een van de lidstaten in de eerste plaats visumvrij reizen tussen de lidstaten, maar zij moeten wel nog voldoen aan de overige voorwaarden voor toegang. Lidstaten kunnen dan ook scholieren, die niet aan de nationale voorwaarden voor toegang voldoen, de toegang weigeren.
Daarnaast hebben de lidstaten van de EU de lijst tevens erkend als geldig document voor grensoverschrijding, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De criteria voor visumverlening zijn in beginsel gelijk aan de algemene criteria die gelden voor toegang zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, SGC. De criteria voor visumverlening zijn nader uitgewerkt in artikel 21 Visumcode. Een van de basiscriteria bij visumverlening is het voorkomen van illegale immigratie (zie artikel 21, eerste lid, Visumcode). Hierbij is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken – zo nodig door middel van het overleggen van documenten – dat de tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd.
In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen beschikt, kan desondanks aan het middelenvereiste worden voldaan, indien een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant stelt voor de kosten die voor de staat of voor andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd (zie [bijlage 6a VV tot en met bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6a)). Deze derde kan aangemerkt worden als solvabel indien hij zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende wordt in dit kader verstaan een bruto maandinkomen minimaal gelijk aan het minimumloon in de zin van de Wet op het minimumloon en minimum vakantiebijslag (Wml). De begrippen zelfstandig, hoogte en duurzaam zijn nader uitgewerkt in [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73)
De beslistermijn voor een aanvraag om een visum kort verblijf is neergelegd in artikel 23 Visumcode. Uitgangspunt is dat er wordt beslist binnen vijftien kalenderdagen na de datum van indiening van een ontvankelijke aanvraag (zie artikel 23, eerste lid, Visumcode). In individuele gevallen kan de beslistermijn worden verlengd tot ten hoogste dertig kalenderdagen (zie artikel 23, tweede lid, Visumcode) en in uitzonderlijke gevallen kan de beslistermijn worden verlengd tot ten hoogste zestig dagen (zie artikel 23, derde lid, Visumcode).
Er kunnen twee soorten nationale visa worden onderscheiden:
Een terugkeervisum is een nationaal visum, dat recht geeft op terugkeer naar Nederland (zie [artikel 2.3, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3).)
Een dergelijk visum kan onder bepaalde voorwaarden door de Visadienst, aan vreemdelingen die daarom verzoeken, worden afgegeven indien:
De indiening van een verzoek om een terugkeervisum geschiedt op dezelfde wijze als een verzoek tot wijziging of verlenging van een visum.
Het model van de aanvraag om verlening van een terugkeervisum wordt beheerd door de IND. Dit geldt ook voor de modellen van de beschikkingen tot afwijzing van deze aanvraag. De Hoofddirecteur van de IND stelt op grond van het basismodel aantekeningensticker het model voor het terugkeervisum vast (zie [bijlage 7 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7) en de website van de IND).
De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), én met de vereiste mvv is ingereisd, welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, komt in aanmerking voor een terugkeervisum, indien:
### 4.3.5. Kosten
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.5. Kosten
In principe hebben vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier geen terugkeervisum nodig indien zij na een reis naar het buitenland (binnen dan wel buiten het Schengengebied) weer naar Nederland willen terugkeren. Immers, deze vreemdelingen hebben zonder visum toegang tot Nederland indien zij beschikken over:
Niettemin kan aan deze vreemdelingen op hun verzoek een terugkeervisum worden afgegeven, indien zij dit visum nodig hebben voor de reis door of naar een land gelegen buiten het Schengengebied (bijvoorbeeld ter verkrijging van visumfaciliteiten voor of toegang tot dat land).
In de volgende gevallen is er sprake van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen:
Daarnaast kunnen vreemdelingen die voor zakelijke doeleinden wensen te reizen in aanmerking komen voor een terugkeervisum, ongeacht het feit of er sprake is van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen. Deze categorie vreemdelingen dient wel te voldoen aan de voorwaarden 2 tot en met 6 zoals hierboven opgesomd. Bovendien moeten zij kunnen aantonen dat zij een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning hebben ingediend en hiervoor leges hebben betaald.
Het vorenstaande geldt ook voor:
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
### 6.13.5. Achtergebleven transitpassagiers
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.8.1. Soorten visa
Visa voor een verblijf van langere duur (type D) zijn visa die door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een Schengenstaat overeenkomstig de eigen wetgeving worden afgegeven. Ingevolge Verordening EU 265/2010 geeft een dergelijk visum de houder, mits hij voldoet aan de in artikel 5, eerste lid, onder a), c), en e) Schengengrenscode bedoelde toegangsvoorwaarden, en niet gesignaleerd staat op de nationale signaleringslijst van de betrokken staat, het recht op inreis in en circulatie binnen het grondgebied van de overige Schengenstaten voor de duur van maximaal drie maanden (90 dagen) per periode van zes maanden(180 dagen).
### 4.3.5. Kosten
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
Zij behoeven hiervoor géén dringende reden aan te dragen.
De geldigheidsduur van zowel het grensoverschrijdingsdocument als de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning dient de duur van het terugkeervisum met ten minste één maand te overschrijden.
Het terugkeervisum wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Dit is slechts anders ten aanzien van Molukkers die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) (Stb. 1976, 468) als Nederlander worden behandeld. Aan hen kan voor een periode van langer dan 1 jaar een terugkeervisum worden verleend. Dit laat onverlet dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland mag vestigen. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan na uitreis niet worden gewijzigd of verlengd. Het terugkeervisum kan, voor de hiervoor genoemde vreemdelingen, worden verleend voor één of meerdere reizen.
Vreemdelingen aan wie verblijf in de vrije termijn is toegestaan en die naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, zijn in beginsel verplicht zich binnen drie dagen in persoon te melden bij de vreemdelingenpolitie van de gemeente waar zij verblijven (zie [artikel 4.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.48)). Het kan daarbij zowel om niet-visumplichtige als om visumplichtige vreemdelingen gaan. De verplichting tot aanmelding bij de vreemdelingenpolitie voor deze laatste groep hoeft niet expliciet op de visumsticker te zijn vermeld. Niet nakoming van een verplichting tot aanmelding is een strafbaar feit (zie [artikel 108, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Onder wijziging van een visum wordt begrepen:
Bij het omzetten wordt terughoudendheid betracht, aangezien de integriteit en betrouwbaarheid van de aanvrager in principe slechts in het land van herkomst afdoende kan worden getoetst. Het omzetten naar een meervoudig visum kan worden gezien als een verlenging van de geldigheidsduur: het maakt de facto een langer verblijf in het Schengengebied mogelijk dan indien het visum niet zou worden omgezet.
Een visum dat is afgegeven door één van de Schengenlidstaten voor één binnenkomst kan, indien zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen, bij wijze van uitzondering worden omgezet naar een visum voor meer binnenkomsten. De Visadienst zet deze visa om. Het omzetten van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden geschiedt door de ZHP.
De aanvraag van het omzetten van enkelvoudige naar meervoudige visa ziet in het bijzonder op overmacht, humanitaire, ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen.
Vervolgens worden de bijzondere redenen getoetst die worden aangevoerd voor het omzetten naar een visum voor meer binnenkomsten. Hiervan is sprake indien de aanvrager aantoont aan dat hij om bijzondere redenen belang heeft bij de mogelijkheid meer dan een keer het Schengengebied binnen te reizen en de aangevoerde redenen, die kunnen zijn gelegen in de zakelijke of persoonlijke omstandigheden, van voldoende zwaarwegende aard zijn.
Tenslotte worden bij de omzetting de overige voorwaarden voor de afgifte van een visum (nogmaals) getoetst:
Het gevolg van een omzetting mag niet zijn dat, meer dan op grond van de aangevoerde omstandigheid noodzakelijk wordt geacht, gebruik kan worden gemaakt van meervoudige binnenkomsten en van de initieel toegekende vrije termijn.
Het gevolg van een omzetting mag evenmin zijn dat de duur aangegeven in initieel visum wordt overschreden of bij de herhaalde binnenkomst meer dan drie maanden per zes maanden in het Schengengebied wordt verbleven.
Indien een reisvisum voor meer reizen geldig gemaakt wordt, wordt in het reisdocument van de vreemdeling een nieuw Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring, wordt de visumsticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.
Het verblijf op basis van een Schengenvisum kan in geen geval de termijn van drie maanden overschrijden. Ook bij verlenging is die maximale termijn van drie maanden relevant, dat wil zeggen de duur van het oorspronkelijke visum met inbegrip van de verlenging. Dit is alleen anders bij een nationale verlenging (zie hieronder). Voor de in te vullen aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een visum, wordt verwezen naar model [M5-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M5-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01). Voor de beschikking waarmee een dergelijke aanvraag wordt afgewezen, wordt verwezen naar model [M5-C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M5-C&z=2012-04-01&g=2012-04-01).
In artikel 33 Visumcode is bepaald in welke gevallen de geldigheidsduur van en/of de duur van het verblijf van een afgegeven visum kan worden verlengd. Dit is mogelijk in gevallen van overmacht of humanitaire redenen en vanwege zwaarwegende persoonlijke redenen. Wanneer een visum wordt verlengd vanwege overmacht of humanitaire redenen, gebeurt dit kosteloos. Wanneer een visum wordt verlengd vanwege zwaarwegende persoonlijke redenen kost dit 30 euro.
Het verblijf op basis van een Schengenvisum kan in geen geval de termijn van drie maanden overschrijden. Ook bij verlenging is die maximale termijn van drie maanden relevant, dat wil zeggen de duur van het oorspronkelijke visum met inbegrip van de verlenging. Dit is alleen anders bij een nationale verlenging (zie hieronder). Voor de in te vullen aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een visum, wordt verwezen naar model [M5-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M5-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Voor de beschikking waarmee een dergelijke aanvraag wordt afgewezen, wordt verwezen naar model [M5-C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M5-C&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
Verlenging van een visum dient achterwege te blijven in geval de vreemdeling niet (of niet meer) voldoet of zal kunnen voldoen aan de voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn (zie [artikel 12, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12)). Een visumverlenging mag nimmer leiden tot oneigenlijk gebruik van het visum.
Het verlengen van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden geschiedt bij de doorlaatpost Rotterdam-Havens door de ZHP.
De geldigheid van het visum wordt hier beperkt tot Nederland. In deze gevallen dient soepel met de nationale verlenging met nog eens negentig dagen te worden omgegaan. Hiervoor geldt dat de duur van het eerste visum en de nationale verlenging samen niet meer dan zes maanden mogen bedragen, voor zover het verblijf boven de drie maanden is ingegeven door voorafgaande verblijven in andere Schengenlanden, waardoor niet zou kunnen worden voldaan aan het criterium van drie maanden verblijf per periode van zes maanden.
Studenten die op basis van het Erasmus Mundus programma langer in het Schengengebied willen verblijven en deelnemers van internationale gezelschappen zoals Cirque du Soleil worden in dit verband aangemerkt als zeer bijzondere gevallen. Verlenging boven de drie maanden is in die gevallen dan ook noodzakelijk ten einde het programma of voorstelling ook hier te lande te kunnen volbrengen c.q. geven. In de overige gevallen dient er sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden die gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.
In geval van visumverlenging wordt in het reisdocument van de vreemdeling een Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring wordt de sticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.
In artikel 34 Visumcode zijn de regels met betrekking tot nietigverklaring en intrekking van visa neergelegd.
Een visum wordt nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden voldaan was, met name indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige wijze is verkregen. Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig worden verklaard; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de nietigverklaring in kennis gesteld (zie artikel 34, eerste lid, Visumcode).
Een visum wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden wordt voldaan. Een visum wordt in beginsel ingetrokken door de bevoegde autoriteiten die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat worden ingetrokken; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de intrekking in kennis gesteld (zie artikel 34, tweede lid, Visumcode).
In Nederland zijn de Korpschef (Vreemdelingenpolitie), de KMar en de ZHP bevoegd om visa nietig te verklaren en in te trekken. Alvorens een visum in te trekken of nietig te verklaren, dient in beginsel contact te worden opgenomen met de IND.
De belangrijkste voorwaarde voor verlening van een visum aan de grens is de voorwaarde dat de aanvrager niet op voorhand in de gelegenheid is geweest om een visum aan te vragen. Op verzoek dient betrokkene dit met bewijsstukken te staven.
De belangrijkste voorwaarde voor verlening van een visum aan de grens is de voorwaarde dat de aanvrager niet op voorhand in de gelegenheid is geweest om een visum aan te vragen. Op verzoek dient betrokkene dit met bewijsstukken te staven.
Een aan de buitengrens afgegeven visum is een eenvormig visum dat de houder het recht geeft op een verblijf van ten hoogste vijftien dagen, naargelang het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf. Voor een doorreis komt de duur van het toegestane verblijf overeen met de tijd die voor doorreis is vereist (zie artikel 35, derde lid, Visumcode).
Aan de grens kunnen (in individuele of collectieve vorm) onder bepaalde voorwaarden (zie [Verordening 415/2003](32003R0415) en BNL-bijlage I GVI) worden afgegeven:
Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.
Het is aan vreemdelingen die gedurende de vrije termijn in Nederland verblijven niet toegestaan arbeid te verrichten in strijd met de Wav.
Het recht op verblijf in de vrije termijn wordt ingevolge dit artikel van rechtswege verkregen zodra de vreemdeling aan de volgende voorwaarden voldoet:
Verblijf in de vrije termijn is van rechtswege toegestaan aan vreemdelingen, indien en zolang zij voldoen aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden.
Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.
Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar het gestelde in A2/4.2.3.2. In aanvulling daarop wordt in het kader van verblijf in de vrije termijn opgemerkt dat voldoende middelen van bestaan ook blijken uit inkomsten uit hier te lande te verrichten werkzaamheden of te verlenen diensten. Voor bepaalde werknemers is een tewerkstellingsvergunning vereist, zie hiervoor [B5](onbekend). De duur van de te verrichten werkzaamheden of diensten zal die van de vrije termijn niet mogen overschrijden.
Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.
Voor niet-visumplichtige vreemdelingen en houders van een reisvisum die aanvankelijk naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, verstrijkt de vrije termijn uiterlijk op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij het voornemen hebben langer dan drie maanden in Nederland te verblijven (zie [artikel 3.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)). Dit voornemen kan bijvoorbeeld blijken uit het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, het huren van woonruimte of het aanvaarden van werk voor langer dan drie maanden.
Op grond van artikel 3.3, derde lid, Vb kan de vrije termijn van niet-visumplichtige vreemdelingen in geval van bijzondere omstandigheden worden verlengd tot zes maanden. De Minister voor I&A is hiertoe bevoegd. Hierbij kan worden gedacht aan situaties van overmacht, zoals ernstige ziekte van familieleden of van de vreemdeling zelf of een zeer gewichtige zakelijk belang, waardoor een verblijf ná de drie maanden van de vrije termijn gewenst is. Ook op grond van het criterium wezenlijk Nederlands belang, zoals dat bij verlenging van de geldigheidsduur van visa staat beschreven (zie A2/4.3.6.2), kan tot verlenging van de vrije termijn tot zes maanden worden overgegaan.
Vreemdelingen die een verblijf in Nederland beogen van langer dan drie maanden moeten in beginsel in het bezit zijn van een geldige mvv. Bij ontbreken van de vereiste mvv komt de vreemdeling in beginsel niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking (zie [artikel 16, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)).
Voor niet-visumplichtige vreemdelingen en houders van een reisvisum die aanvankelijk naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, verstrijkt de vrije termijn uiterlijk op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij het voornemen hebben langer dan drie maanden in Nederland te verblijven (zie [artikel 3.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)). Dit voornemen kan bijvoorbeeld blijken uit het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, het huren van woonruimte of het aanvaarden van werk voor langer dan drie maanden.
Alvorens op de verschillende aspecten van toezicht aan de buitengrens wordt ingegaan, wordt een drietal algemene opmerkingen geplaatst.
In het weigeringsformulier conform het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC en als [model M17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M17&z=2011-06-19&g=2011-06-19) overgenomen als bijlage van de Vc, worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang wordt geweigerd. Verder dient op het weigeringsformulier melding te worden gemaakt van:
In het standaard weigeringsformulier zoals opgenomen in [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2011-06-19&g=2011-06-19) worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang tot Nederland is geweigerd. De toepasselijke bepaling van de vigerende nationale wetgeving (in casu [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3), alsmede de eerdergenoemde nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep).
Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen (zie A2/1) aan een grondige controle onderworpen. Wat een grondige controle bij inreis en een grondige controle bij uitreis behelst, is uitgewerkt in artikel 7 derde lid, respectievelijk artikel 7, vierde lid, SGC.
Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (inclusief familieleden) wordt verwezen naar A2/6.2.2.2. Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van België en Luxemburg wordt verwezen naar A2/6.2.2.3.
Op grond van artikel 10 SGC dient bij overschrijding van de buitengrenzen van het Schengengebied in de in artikel 5, eerste lid, onder a, SGC bedoelde reisdocumenten van onderdanen van derde landen systematisch een in- of uitreisstempel te worden aangebracht.
Indien daarvoor in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan bij inreis eveneens een van de andere aantekeningen die zijn opgenomen in [artikel 4.24, eerste lid, onder b, c en e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.24) (doel en duur voorgenomen verblijf en de toepassing van de [artikelen 2.4 tot en met 2.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4)) in het document voor grensoverschrijding worden gesteld.
Er kan door ambtenaren belast met grensbewaking ‘toegang onder voorwaarden’ worden verleend:
Indien daarvoor in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan bij inreis eveneens een van de andere aantekeningen die zijn opgenomen in [artikel 4.24, eerste lid, onder b, c en e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.24) (doel en duur voorgenomen verblijf en de toepassing van de [artikelen 2.4 tot en met 2.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4)) in het document voor grensoverschrijding worden gesteld.
Aan iedereen die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet, wordt de toegang geweigerd. De weigering van toegang is:
Ingevolge [artikel 3, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) dient in het geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen vragen, een voornemen tot toegangsweigering te worden voorgelegd aan het Hoofd van de IND. Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling in kwestie. In beginsel zal de toegang worden geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd ex [artikel 6, eerste en tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), waarna de vreemdeling, ter behandeling van het asielverzoek, zal worden geplaatst in AC Schiphol.
Een derdelander die lang verblijf wenst, dat wil zeggen langer dan drie maanden in Nederland of het Schengengebied wil verblijven, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3). Tot deze laatste categorie horen ook asielzoekers, die per definitie voor een lange tijd beroep doen op bescherming door de overheid.
De toegangsweigering van een onderdaan van een derde land geschiedt schriftelijk door uitreiking van een standaardformulier. Een derdelander die het oogmerk heeft om kort, dat wil zeggen drie maanden of korter in een periode van zes maanden, in Nederland of elders in het Schengengebied te verblijven wordt de toegang tot het Schengengebied geweigerd ingevolge artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, SGC.
Ook onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland alsmede hun familieleden die het recht van vrije verkeer hebben op het grondgebied van de lidstaten, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3). Aan derdelanders die om toegang verzoeken als familielid van een EU-burger wordt, indien de familieband ter plaatse niet kan worden aangetoond, de toegang tot Nederland geweigerd ingevolge artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, SGC.
Gedetailleerde voorschriften inzake weigering van toegang zijn opgenomen in bijlage V, deel A, SGC.
In het standaard weigeringsformulier zoals opgenomen in [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2012-07-01&g=2012-07-01) worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang tot Nederland is geweigerd. De toepasselijke bepaling van de vigerende nationale wetgeving (in casu [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3), alsmede de eerdergenoemde nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep).
Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (inclusief familieleden) wordt verwezen naar A2/6.2.2.2. Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van België en Luxemburg wordt verwezen naar A2/6.2.2.3.
Indien de ziekte behandeling in een ziekenhuis verlangt of ingevolge de Infectieziektewet en Quarantainewet aanleiding geeft tot quarantaine, wordt de toegang geweigerd door de ambtenaar belast met de grensbewaking en wordt een maatregel ingevolge [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opgelegd met als aangewezen ruimte het ziekenhuis alwaar de behandeling of de quarantaine plaats zal vinden (zie [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
Indien de ziekte behandeling in een ziekenhuis verlangt of ingevolge de Infectieziektewet en Quarantainewet aanleiding geeft tot quarantaine, wordt de toegang geweigerd door de ambtenaar belast met de grensbewaking en wordt een maatregel ingevolge [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opgelegd met als aangewezen ruimte het ziekenhuis alwaar de behandeling of de quarantaine plaats zal vinden (zie [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-07-01&g=2012-07-01) en [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
Na behandeling van de ziekte of na de periode van quarantaine, wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeeld of aan de betrokken vreemdeling alsnog toegang tot het grondgebied kan worden verleend.
De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling administratief beroep kan instellen. Met het oog hierop dient in geval van toegangsweigering de vreemdeling naast het uitgereikte standaardformulier ook in het bezit te worden gesteld van een folder ‘Rechtsmiddelen’.
Iedere weigering van toegang (onder opgave van de personalia, de nationaliteit, het grensoverschrijdingsdocument, de reden en de datum van weigering van toegang alsmede het tijdstip van uitreiking van de folder ‘Rechtsmiddelen’) dient te worden geregistreerd.
Indien de vreemdeling Nederland niet onmiddellijk kan verlaten, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel ex [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), of vrijheidsontnemende maatregel ex [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opgelegd. In het laatste geval wordt de vreemdeling in afwachting van het vertrek geplaatst in een grenslogies (zie ook A5/2.2)
Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen – ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen – voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.
Indien een vreemdeling de toegang wordt geweigerd heeft dat niet alleen betrekking op toegang tot Nederland, maar – behoudens uitzonderingen – op het hele Schengengebied. Wanneer de toegang geweigerd wordt, betrokkene een asielaanvraag indient en er naar aanleiding daarvan op grond van de Dublin Verordening een verzoek tot overname van de asielaanvraag ingediend wordt bij een andere staat, kan de situatie anders zijn.
Deze aanwijzingen kunnen onder meer betreffen het afwachten van vertrek op de grensdoorlaatpost, de weg die de vreemdeling bij het verlaten van het land moet volgen of het aan boord gaan van een schip of vliegtuig. Overtreding van deze aanwijzingen is een strafbaar feit (zie [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Deze aanwijzingen kunnen onder meer betreffen het afwachten van vertrek op de grensdoorlaatpost, de weg die de vreemdeling bij het verlaten van het land moet volgen of het aan boord gaan van een schip of vliegtuig. Overtreding van deze aanwijzingen is een strafbaar feit (zie [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
De vervoerder is verplicht een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd onverwijld terug te nemen. Voorts dient de vervoerder, op verzoek van de grensbewakingsautoriteiten, de vreemdeling terug te brengen naar het derde land van waaruit hij werd aangevoerd, naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd heeft afgegeven of naar ieder derde land waar zijn toelating is gewaarborgd. Indien dit niet binnen redelijke termijn mogelijk is, kunnen de met de verwijdering gepaard gaande kosten, waaronder ook de verblijfskosten kunnen worden begrepen, op de vervoerder worden verhaald (zie A2/7.1.7).
Tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging dienen geweigerde vreemdelingen zich op te houden in de hun daartoe door een met de grensbewaking belaste ambtenaar aangewezen ruimte, die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit. Dit teneinde illegale binnenkomst te verhinderen.
Indien de uitzetting van een vreemdeling aan wie ten tijde van de uitzetting de toegang was geweigerd, mislukt en hij terugkeert nadat hij aan boord van een vliegtuig of schip het Nederlands grondgebied had verlaten, dient opnieuw te worden bekeken of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang. Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zal de toegang tot Nederland opnieuw moeten worden geweigerd. Tevens zal, ingeval de vreemdeling op grond van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) is verwijderd, de vervoerder een nieuwe aanwijzing krijgen om de vreemdeling om niet terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie [M30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M30&z=2012-07-01&g=2012-07-01) en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).
De situatie is anders bij de vreemdeling die Nederland uit eigen beweging verlaat, maar aan wie door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit de toegang wordt geweigerd en wordt teruggezonden. De vreemdeling dient bij terugkomst in Nederland wel te voldoen aan de voorwaarden voor toegang, en als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zal de toegang tot Nederland worden geweigerd, maar de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling terug naar Nederland is vervoerd kan in dat geval niet de verplichting van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) worden opgelegd tot het vervoeren van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland.
Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen – ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen – voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.
De verplichtingen omschreven in [artikel 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) en de [artikelen 4.8 tot en met 4.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10) (verplichtingen voor vervoerders) zijn eveneens van toepassing op Nederlanders.
Iedere weigering van toegang (onder opgave van de personalia, de nationaliteit, het grensoverschrijdingsdocument, de reden en de datum van weigering van toegang alsmede het tijdstip van uitreiking van de folder ‘Rechtsmiddelen’) dient te worden geregistreerd.
Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, vindt in beginsel geen controle plaats in het kader van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Slechts wanneer het vermoeden bestaat dat betrokkene vreemdeling is, kan hiervan sprake zijn en kan betrokkene op grond van [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7) worden verzocht zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken door het tonen van reis- of identiteitspapieren of op andere wijze.
Voor de definities van de volgende begrippen wordt verwezen naar artikel 2, SGC:
Voor wat betreft de ambtenaren van de KMar is een en ander vastgelegd in de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=30) en [32 Paspoortuitvoeringsregeling KMar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=32).
Voor de definities van de volgende begrippen wordt verwezen naar artikel 2, SGC:
Voor de definities van de begrippen ‘interne vlucht’ en ‘vervoerder’ wordt verwezen naar artikel 2, SGC.
Een persoon die beweert Nederlander te zijn, kan op grond van [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7) worden verplicht op een of andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken. Zonodig kan, voor vaststelling van de nationaliteit, contact worden opgenomen met de bevolkingsadministratie van de gemeente waar de betrokkene zegt te zijn ingeschreven.
Het bezit van de Nederlandse nationaliteit mag onder meer worden aangenomen op grond van onderstaande documenten:
Een persoon die beweert Nederlander te zijn, kan op grond van [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7) worden verplicht op een of andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken. Zonodig kan, voor vaststelling van de nationaliteit, contact worden opgenomen met de bevolkingsadministratie van de gemeente waar de betrokkene zegt te zijn ingeschreven.
Het bezit van de Nederlandse nationaliteit mag onder meer worden aangenomen op grond van onderstaande documenten:
Voor de personen die niet onder de [Faciliteitenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) vallen, is de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) onverkort van toepassing. Voor deze Molukkers gelden de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen en voorschriften.
Personen op wie de [Faciliteitenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) van toepassing is, worden als Nederlander behandeld en zijn derhalve geen vreemdeling in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) (zie ook [artikel 1, aanhef en onder m, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)).
Voor de verkrijging van een behandeling als Nederlander en een beschrijving van de documenten, waarmee Molukkers de behandeling als Nederlander dienen aan te tonen, wordt verwezen naar de Handleiding voor de toepassing van de [Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Nederlanders moeten de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaren in acht nemen (zie [artikel 4.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.6)). Nederlanders moeten desgevorderd hun document voor grensoverschrijding tonen en overhandigen of op andere wijze hun Nederlanderschap aannemelijk maken (zie [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7)).
Aan Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen kan de toegang niet worden geweigerd. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie [artikel 8.10 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10)). Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich er op beroept Nederlander (of een daarmee gelijkgestelde persoon) te zijn, eerst contact op te worden genomen met de IND.
Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, vindt in beginsel geen controle plaats in het kader van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Slechts wanneer het vermoeden bestaat dat betrokkene vreemdeling is, kan hiervan sprake zijn en kan betrokkene op grond van [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7) worden verzocht zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken door het tonen van reis- of identiteitspapieren of op andere wijze.
Voor wat betreft de ambtenaren van de KMar is een en ander vastgelegd in de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=30) en [32 Paspoortuitvoeringsregeling KMar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=32).
Uitsluitend documenten die zijn ingeleverd wegens het verstrijken van de geldigheidsduur kunnen onbruikbaar worden gemaakt (zie [artikel 32, vierde en vijfde lid, Paspoortuitvoeringsregeling KMar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=32)) en aan de houder worden teruggegeven. Ten behoeve van de kennisgeving aan de Minister van BZK is een apart standaardformulier ontworpen.
Indien een document voor grensoverschrijding wordt ingehouden in de gevallen als bedoeld onder b, dan wel indien het een ingeleverd of gevonden document voor grensoverschrijding betreft, wordt het document per aangetekende post en met een begeleidende brief doorgezonden aan de burgemeester van de woonplaats van de houder. De begeleidende brief vermeldt de volgende gegevens:
Er wordt terstond contact opgenomen met het Ministerie van BZK indien:
De houder van het ingehouden of ingeleverde document voor grensoverschrijding wordt een ontvangstbewijs verstrekt.
Voor onderdanen van de Benelux-landen alsmede onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en hun familieleden) gelden op grond van de ter zake gesloten internationale overeenkomsten afwijkende – gunstigere – regels voor wat betreft toelating en verblijf. Ditzelfde geldt voor toegang en grenscontrole, waarvan de weigering van de toegang een bijzonder aspect is. Deze afwijkende regels vloeien voort uit:
Het toepassingsgebied van het EU-Verdrag betreft de in Europa gelegen grondgebieden van de lidstaten van EU en de EER landen.
Het gaat hier enkel om potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen. Daarbij kan, naast de in gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts, ook worden gedacht aan nieuwere ziekten als Sars. Verwezen wordt naar [artikel 2 Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684&artikel=2).
De vreemdelingen van de categorie waarop de bepalingen van dit onderdeel betrekking hebben, dienen te worden onderscheiden in drie groepen:
Op vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten als lid van een diplomatieke zending of consulaire post, hun gezinsleden en hun personeel, is de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing indien zij niet-duurzaam in Nederland verblijven. Op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer en de Consulaire Betrekkingen komt hen een bijzondere status toe. Zij zijn door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van het geprivilegieerdendocument (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
De bijzondere status houdt onder meer in dat de maatregelen van uitzetting krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) op hen niet kunnen worden toegepast. Hun toegang, toelating en verblijf hier te lande richten zich naar de algemene regelen van volkenrecht.
Op vreemdelingen die reeds een jaar of meer op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verblijven, die gerechtigd zijn arbeid al dan niet in loondienst te verrichten en in dienst treden van een diplomatieke missie of consulaire post, blijft de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) in volle omvang van toepassing. Het betreft met name vreemdelingen die door de diplomatieke zending of consulaire post lokaal zijn geworven.
Vreemdelingen van deze categorie ontvangen wel een geprivilegieerdendocument afgegeven door het ministerie van BuZa. Daarop komt echter een lettercode voor, met een verklaring waaruit bovengenoemde, niet-bijzondere status blijkt:
De afwijkende codering die kan voorkomen is ZF (=zelfstandige functie). Aan deze codering kunnen geen rechten worden ontleend aan privileges of immuniteiten. Nederlanders in dienst van genoemde instellingen worden onderscheiden door achter de bovengenoemde codering de aanduiding /NL te plaatsen. Duurzaam in Nederland verblijvende vreemdelingen krijgen de toevoeging /DV. Parttimers in dienst van genoemde instellingen krijgen de toevoeging /PT.
Lokaal geworven personeel dat vóór 1 augustus 1987, vanaf welke datum het onderscheid tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijf wordt gemaakt, in het bezit was van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa, behoudt de verworven bijzondere status tot beëindiging van het dienstverband.
Deze vreemdelingen zijn óf beroepskoeriers óf als zodanig voor één reis aangewezen.
Zolang niet duidelijk is geworden dat de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing is, kan gebruik worden gemaakt van de in [artikel 50, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) toegekende bevoegdheid tot het overbrengen naar en het zich ophouden op een plaats bestemd voor verhoor. Daarbij dient wel met enige voorzichtigheid te worden gehandeld.
Naast hetgeen hieromtrent is opgenomen in bepaling 4.4. Bijlage VII, SCG, geldt dat de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) in het algemeen niet van toepassing is op vreemdelingen die een bijzondere status bezitten krachtens een zetelovereenkomst gesloten met een internationale organisatie waarin is bepaald dat de zetel, dat wil zeggen hoofdkantoor, in Nederland is gevestigd en waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Zij zijn in het bezit van het eerdergenoemde geprivilegieerdendocument (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81&z=2012-07-01&g=2012-07-01)). Voor deze categorie geldt hetgeen hierboven bij a (niet-duurzaam verblijf) is opgemerkt over de bijzondere status (zie ook [B12/3.2](onbekend)).
In de laatstgenoemde situatie zal een reisbiljet soms de bijzondere status aannemelijk kunnen maken. In deze gevallen – of indien anderszins twijfel bestaat of de vreemdeling een bijzondere status bezit – dient aanstonds contact te worden opgenomen met het ministerie van BuZa dat hiertoe ook gedurende het weekeinde en feestdagen telefonisch bereikbaar is.
Op vreemdelingen van wie niet is gebleken dat zij tot een van de hierboven genoemde categorieën behoren, kunnen de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden toegepast. Het kan voorkomen dat een vreemdeling die op grond van [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) staande is gehouden ter vaststelling van zijn identiteit, zich beroept op een bijzondere status, maar niet terstond door het tonen van een legitimatiebewijs of ander document aannemelijk kan maken dat hij die status inderdaad bezit. Dit kan met name het geval zijn ten aanzien van personen die behoren tot de categorieën a en c, bij eerste binnenkomst in Nederland en bij functionarissen, hun gezinsleden en personeel op doorreis.
Zolang niet duidelijk is geworden dat de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing is, kan gebruik worden gemaakt van de in [artikel 50, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) toegekende bevoegdheid tot het overbrengen naar en het zich ophouden op een plaats bestemd voor verhoor. Daarbij dient wel met enige voorzichtigheid te worden gehandeld.
In de Europese Overeenkomst betreffende het reizen van jeugdige personen op collectieve paspoorten tussen de landen die lid zijn van de Raad van Europa van 16 december 1961 is overeengekomen dat op basis van reciprociteit door de aangesloten landen afgegeven collectieve paspoorten worden erkend als geldig document voor grensoverschrijding. De bij de Overeenkomst aangesloten landen zijn: België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Portugal, Turkije, Verenigd Koninkrijk, IJsland en Zweden. De overeenkomst verplicht overigens niet tot afgifte van collectieve paspoorten. Zo hebben Nederland en België de afgifte van collectieve paspoorten beëindigd.
Aan jeugdige personen beneden de leeftijd van 21 jaar die reizen op een door één van lidstaten van Europese Overeenkomst van 16 december 1961 afgegeven collectief paspoort of lijst kan toegang worden verleend voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, mits:
Wanneer in een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk of Ierland ook in die landen gevestigde jeugdige vluchtelingen of staatlozen voorkomen, moet dit uit het document blijken. Deze deelnemers moeten wel beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto. Deelnemers die reizen op een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hoeven – behoudens bij grenspassage – niet in groepsverband te reizen, op voorwaarde dat zij zich kunnen legitimeren en de reisleider steeds beschikbaar blijft.
Indien de deelnemers niet in het bezit zijn van een individueel document voor grensoverschrijding, kan de reizigerslijst bovendien als (collectief) document voor grensoverschrijding dienen. In A2/4.3.3.1 staat aangegeven aan welke voorwaarden in dit geval moet zijn voldaan.
De vorm van de reizigerslijst is vastgesteld (zie [M7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M7&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
De groepsleider, of begeleidende leerkracht in het geval van schoolreizen, dient altijd te beschikken over een individueel geldig document voor grensoverschrijding en aan het geheel van voorwaarden voor toegang te voldoen. De groepsleider of leerkracht houdt het collectief document onder zich, is verantwoordelijk voor het vervullen van de grensformaliteiten en draagt er zorg voor dat de deelnemers van het gezelschap gedurende het verblijf bij elkaar blijven. Voorts informeert de groepsleider terstond de bevoegde autoriteiten omtrent het niet kunnen of willen voortzetten van de groepsreis door een van de deelnemers.
Voor de controle van de personen op de collectieve paspoorten of lijsten gelden de onderstaande bijzondere bepalingen.
De groepsleider, of begeleidende leerkracht in het geval van schoolreizen, dient altijd te beschikken over een individueel geldig document voor grensoverschrijding en aan het geheel van voorwaarden voor toegang te voldoen. De groepsleider of leerkracht houdt het collectief document onder zich, is verantwoordelijk voor het vervullen van de grensformaliteiten en draagt er zorg voor dat de deelnemers van het gezelschap gedurende het verblijf bij elkaar blijven. Voorts informeert de groepsleider terstond de bevoegde autoriteiten omtrent het niet kunnen of willen voortzetten van de groepsreis door een van de deelnemers.
In beginsel dienen de deelnemers te beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een goedgelijkende foto.
Deelnemers aan collectieve paspoorten voor jeugdige personen hoeven niet te beschikken over een individueel identiteitsbewijs, maar dienen zo nodig wel hun identiteit aannemelijk te kunnen maken. Wanneer in een collectief paspoort of lijst voor jeugdige personen afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk of Ierland ook in die landen gevestigde jeugdige vluchtelingen of staatlozen voorkomen, moeten deze deelnemers wel beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto.
Deelnemers aan een reizigerslijst voor scholieren hoeven in beginsel niet te beschikken over een individueel identiteitsbewijs.
In bepaalde of bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij schoolreizen, reisgezelschappen van ouderen, pelgrims of bedevaartgangers, kan de inreiscontrole tot een toetsing aan de hand van een bezettingslijst of een steekproefsgewijze toetsing van de deelnemers worden beperkt.
Naast de gebruikelijke controlehandelingen, wordt bij uitreis van personen die reizen op een collectief paspoort of collectieve lijst eveneens gecontroleerd of de in het document voorkomende personen nog deel uitmaken van het gezelschap. Indien een of meerdere personen niet meer bij het gezelschap zijn, moet de reden daarvan bij de reisleider worden nagegaan. Zonodig worden de bevoegde autoriteiten van het Schengenstaat waar de ontbrekende persoon is achtergebleven hiervan in kennis gesteld. Op grond van het ontbreken van een van de deelnemers kan de uitreis van de overige deelnemers niet worden belet. In geval een persoon ontbreekt, wordt hieromtrent bij de (uitreis)stempel tevens een aantekening gesteld.
Ook in het geval van gezelschappen die reizen op een collectief paspoort of lijst dienen, wanneer het gaat om onderdanen van derde landen, bij in- en bij uitreisstempels te worden geplaatst. Bij de stempel wordt, zoals hiervoor reeds aangegeven, een aantekening gesteld omtrent het aantal personen dat is in- respectievelijk uitgereisd.
In beginsel wordt toegang verleend tot het Benelux-gebied indien:
Voor wat betreft het luchthaventransitvisum geldt dat in artikel 3, vijfde lid, Visumcode alsmede in bijlage V van de Visumcode staat opgesomd voor welke vreemdelingen geldt dat zij zijn vrijgesteld van het visumvereiste.
De toegang wordt verleend voor de duur die noodzakelijk is om de doorreis per eerstvolgende gelegenheid te kunnen voortzetten. De toegang kan worden geweigerd aan personen ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat zij toegang vragen voor een ander doel dan waarvoor deze regeling bedoeld is.
Als blijk van de verleende toegang aan de transitpassagier, wordt in het reisdocument van de transitpassagier een aantekening gesteld. De tekst van deze aantekening luidt:
‘Toegang tot het Benelux-gebied verleend van geldig tot , (vermelding relevante artikel en lid).’ Voorts wordt een territoriaal beperkt visum verleend voor de duur die noodzakelijk is om de doorreis te kunnen voortzetten. Daarbij komt een inreisstempel en handtekening van de ambtenaar die toegang verleent.
In plaats van het stellen van een aantekening kan, in het geval van toegangverlening aan de transitpassagier van een vliegtuig, een afzonderlijke verklaring aan de vreemdeling worden verstrekt (zie [bijlage 5 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=5)).
De territoriale geldigheid van de toegang wordt beperkt wanneer het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling niet geldig is voor België of Luxemburg. In dat geval wordt bij de aantekening aangegeven voor welk(e) Benelux-land(en) deze geldig is.
Indien de vreemdeling aan wie toegang is verleend niet op het voorgeschreven tijdstip is vertrokken, moet hiervan onmiddellijk kennis worden gegeven aan de ambtenaren der KMar belast met het toezicht op vreemdelingen, alsmede aan de vreemdelingenpolitie.
Aan visumplichtige zeelieden die na aankomst in Nederland onmiddellijk in een ziekenhuis moeten worden opgenomen en die niet in het bezit zijn van het vereiste visum, kan door het hoofd van de doorlaatpost, ongeacht hun nationaliteit, zonder voorafgaande machtiging, een visum voor ten hoogste vijftien dagen worden verstrekt, waarvan de geldigheid is beperkt tot Nederland.
Voor wat betreft de bijzondere regels voor zeelieden wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 3, SGC. Ter toelichting en aanvulling voor de Nederlandse situatie is het volgende van belang.
Wanneer een zeeman niet of niet langer aan de in de SGC neergelegde voorwaarden voor passagieren voldoet, stelt het hoofd van de doorlaatpost daaromtrent een aantekening op de bemanningslijst achter de naam van de zeeman. Bij gevaar voor de openbare orde kan het hoofd van de doorlaatpost/het hoofd van dienst volstaan de vreemdeling de verplichting op te leggen aan boord van het schip te blijven. Zonodig kan hij de zeeman in dit geval ook met toepassing van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) overbrengen naar de vreemdelingenpolitie. Dit laatste geschiedt steeds:
Op grond van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is een politieambtenaar bevoegd tot het vorderen van een identiteitsbewijs voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor zijn taakuitoefening. In dat geval dienen ook passagierende zeelieden een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Een geldig grensoverschrijdingsdocument is in dat geval voldoende. Zeelieden kunnen eveneens aan een grensbewakingscontrole worden onderworpen voordat zij het vaartuig, verlaten dan wel betreden.
Onderscheid wordt gemaakt tussen adoptie(f)kinderen en pleegkinderen. Adoptie(f)kinderen zijn kinderen die op zeer jeugdige leeftijd, in de regel jonger dan zes jaar, ter adoptie naar Nederland komen. De aspirant-adoptiefouders moeten voor opneming van deze kinderen onder andere in het bezit zijn van een zogenaamde beginseltoestemming van de Minister. Pleegkinderen zijn diegenen die niet voor adoptie maar om andere redenen in hun belang naar Nederland komen om te worden opgenomen in het gezin van naaste familieleden.
Voor binnenkomst met het oog op verblijf ter adoptie(f)- dan wel als pleegkind is onder meer het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding vereist. Dit is in beginsel een geldig paspoort, indien vereist, voorzien van een geldige mvv.
Vreemdelingen aan wie lang verblijf in Nederland is toegestaan zijn bij in- en uitreis verplicht om het in hun bezit zijnde document voor grensoverschrijding desgevraagd aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie [artikel 4.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)).
Ten aanzien van vreemdelingen die kunnen aantonen dat hen lang verblijf in Nederland is toegestaan blijft controle op bestaansmiddelen achterwege. Hen wordt niet gevraagd naar doel en duur van het verblijf. Wel kan controle aan de hand van het OPS plaatsvinden, met name met het oog op tenuitvoerlegging van signaleringen die verband houden met de Vw (zie A3/9).
Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich er op beroept dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan, eerst contact op te worden genomen met de IND.
Uit een signalering in het OPS kan blijken dat de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd is ingetrokken dan wel de geldigheidsduur is verstreken. Aan de houder van een geldig paspoort en van een verblijfsvergunning waarvan de geldigheidsduur nog maar korte tijd is verstreken kan, wanneer hij een redelijke grond kan aanvoeren voor zijn verlate terugkeer, toegang worden verleend. In ieder geval dient de grensbewakingsambtenaar zo veel mogelijk direct de verblijfsrechtelijke status na te gaan. Indien de vreemdeling wordt doorgelaten dient met toepassing van [artikel 4.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.26) een meldplicht te worden opgelegd.
De toegang wordt aan houders van een geldige Belgische of Luxemburgse verblijfsvergunning niet geweigerd op de enkele grond dat zij niet tevens in het bezit zijn van hun paspoort. Controle op bestaansmiddelen blijft bij deze vreemdelingen achterwege, wanneer zij in het bezit zijn van geldige reisbiljetten naar de landen waarvoor zij over een geldige verblijfstitel of terugkeervisum beschikken.
Aan personen die verklaren staatloos te zijn en die niet in het bezit zijn van een vreemdelingenpaspoort wordt de toegang geweigerd. Houders van vreemdelingenpaspoorten die niet beschikken over de vereiste visa wordt in beginsel eveneens de toegang geweigerd. In bijzondere gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunnen echter aan de grens visumfaciliteiten worden verleend (zie A2/4.3.8).
Wat onder vervoerder wordt verstaan, staat in artikel 2 SGC. Voor Nederland geldt dat met name de luchtvaart-, cruise- en ferrymaatschappijen, alsmede eigenaars van koopvaardijschepen en eigenaars/gebruikers van pleziervaartuigen, die één of meer vreemdelingen aanvoeren via een plaats waar buitengrenscontrole voor het Schengengebied plaatsvindt, zich aan een aantal verplichtingen moeten houden.
Voor de vaststelling of een document voor grensoverschrijding geldig is, moet een vervoerder zodanige maatregelen treffen dat zijn personeel, waaronder ook begrepen wordt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht, dusdanig wordt geïnstrueerd dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland.
De vervoerder dient zodanige voorzorgsmaatregelen te nemen dat de aanvoer van niet of niet juist gedocumenteerde vreemdelingen wordt voorkomen. Als dergelijke vreemdelingen zonder voorafgaande toestemming van bevoegde autoriteiten (zie hierna) toch worden aangevoerd, kan de vervoerder strafbaar zijn. In ieder geval zal terzake een proces-verbaal worden opgemaakt.
De hierboven bedoelde controle houdt minimaal het volgende in:
De passagiersgegevens die op vordering van de grensbewakingsautoriteiten door de luchtvervoerder dienen te worden aangeleverd bevatten:
Op grond van [artikel 2.2a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.2a) dient de luchtvervoerder die passagiers van buiten de EU of het Schengengebied naar Nederland vervoert desgevraagd passagiersgegevens te verzamelen en aan de Nederlandse grensbewakingsautoriteiten te verstrekken.
De passagiersgegevens worden elektronisch door de luchtvervoerder verstrekt. De luchtvervoerder zendt de verzamelde passagiersgegevens elektronisch aan de ambtenaar belast met de grensbewaking aan het door die ambtenaar aangegeven adres (zie [artikel 2.1a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=2.1a)). De passagiersgegevens dienen verzonden te worden met gebruikmaking van het International Air Transport Association (IATA)-berichtenformat, type B, met de structuur die is gebaseerd op de vanwege de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties vastgestelde indeling voor elektronische gegevensuitwisseling voor overheid, handel en vervoer, gepubliceerd onder de titel: Electronic Data Interchange For Administration, Commerce and Transport (EDIFACT) Passenger List Message (PAXLST). Het IATA-adres waar de gegevens naartoe verzonden dienen te worden, is HDQKMXH. Er is tevens een implementatiegids opgesteld voor de luchtvaartmaatschappijen waarin de vereiste berichtstructuur wordt gespecificeerd. De door de luchtvervoerder verzamelde gegevens dienen voor het einde van de instapcontrole, de zogenaamde ‘flightclosure’, te worden overgelegd.
Voor de ambtenaar belast met de grensbewaking geldt in beginsel eveneens een bewaartermijn van 24 uur. Dit is slechts anders indien de passagiersgegevens langer nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van de terugvoerplicht zoals beschreven in [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) (zie A2/7.1.5). Hieruit volgt dat de passagiersgegevens van vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd bewaard kunnen worden zolang de mogelijkheid van toepassing van artikel 65, eerste lid, onder b, Vw nog openstaat. Nu de op grond van artikel 65 Vw bestaande verplichting na ten hoogste zes maanden eindigt zal in dat geval de bewaartermijn niet langer dan zes maanden beslaan.
Blijkens de toelichting bij [artikel 5 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) dient de vervoerder een vreemdeling aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, terug te brengen naar het derde land van waaruit hij werd aangevoerd, dan wel te vervoeren naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd heeft afgegeven, of naar ieder derde land waar zijn toelating is gewaarborgd.
De vervoerder heeft de verplichting om een vreemdeling die hij naar Nederland heeft vervoerd en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd terug te brengen naar een plaats buiten Nederland (zie artikel 26 SUO en [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) juncto [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65)).
In afwachting van het daadwerkelijke vertrek van de verstekeling blijft de verantwoordelijkheid voor de verstekeling bij de vervoerder liggen. In overleg met de vervoerder kan de ambtenaar belast met de grensbewaking evenwel besluiten de verstekeling tijdelijk van boord te halen en de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw op te leggen (zie model [M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-07-01&g=2012-07-01) en model [M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-07-01&g=2012-07-01)). De vervoerder blijft echter gehouden de verstekeling zo snel als mogelijk te laten vertrekken van het Nederlands grondgebied. De vervoerder wordt tijdig geïnformeerd omtrent de plaatsing aan boord van de verstekeling ter uitvoering van zijn verplichting.
In plaats van terugplaatsing aan boord kan de verstekeling, eveneens op kosten van de vervoerder, op een andere wijze worden terugvervoerd naar het land waar hij aan boord is gegaan, dan wel worden vervoerd naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven, of een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd. Een dergelijke wijze van terugvervoeren is alleen mogelijk als deze praktisch uitvoerbaar is. Hiertoe dient de verstekeling in beginsel voldoende gedocumenteerd te zijn. Indien dit niet het geval is, dient de identiteit en/ of nationaliteit vastgesteld te worden en aan de verstekeling een vervangend reisdocument te worden verstrekt door de diplomatieke/ consulaire vertegenwoordiging van het land van bestemming. De vaststelling van de nationaliteit en identiteit en de afgifte van de vervangende reisdocumenten dient te geschieden alvorens het schip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag evenwel niet ten koste gaan van een unieke verwijdermogelijkheid.
Gezagvoerders van zeeschepen kunnen zich niet onttrekken aan hun verplichtingen als bedoeld in [artikel 65, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65), door een beroep te doen op [artikel 371a Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=371a). In dat artikel is onder meer sprake van een bevoegdheid van de kapitein om een verstekeling bij de eerste gelegenheid die zich voordoet van boord te verwijderen. Onder ‘gelegenheid’ dient hier namelijk te worden verstaan een wettelijk geoorloofde gelegenheid, dat wil zeggen het van boord zetten van een vreemdeling mag slechts plaatsvinden na verkregen toestemming van de bevoegde autoriteiten.
Het college van procureurs-generaal heeft de [Richtlijn inzake strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de aanvoer van niet of onjuist gedocumenteerde vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030968) vastgesteld. De Richtlijn bevat aanwijzingen voor het OM ten aanzien van het transactie- en vervolgingsbeleid met betrekking tot [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), en [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108). Voor het transactie- en vervolgingsbeleid van artikel 4, derde lid, en artikel 108 Vw bestaat de Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het verstrekken van passagiersgegevens door luchtvaartmaatschappijen.
Overtreding van de [artikelen 5, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) en [artikel 65, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie (maximaal € 3.800) of een hechtenis van ten hoogste zes maanden ([artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Het misdrijf van [artikel 197a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197a) (mensensmokkel) kan worden bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie (maximaal €76.000). Het derde lid van het artikel bevat de mogelijkheid tot strafverzwaring indien het feit is begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep. Ingeval van verdenking van mensensmokkel wordt in ieder geval proces-verbaal opgemaakt en zal in beginsel onmiddellijk tot dagvaarden worden overgegaan.
Onder de kosten van uitzetting zijn ook begrepen de kosten van de handelingen, zoals het presenteren van een vreemdeling op de ambassade ter verkrijging van een vervangend reisdocument. De kosten waarvoor de vervoersonderneming op basis van het hiervoor genoemde onder a tot en met c aansprakelijk is, zijn opgenomen in de tarievenlijst.
Ook indien het uiteindelijk niet mogelijk blijkt de vreemdeling uit te zetten is de vervoerder aansprakelijk voor de kosten die gemaakt worden met betrekking tot de door hem aangevoerde geweigerde vreemdeling.
Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de (internationale) luchtvaart wordt verwezen naar [artikel 4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.15) en [4.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.16). Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de zeevaart wordt verwezen naar [artikel 4.9 tot en met 4.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10). Hieruit blijkt onder meer dat in beginsel de gezagvoerders direct bij binnenkomst een passagiers- en bemanningslijst dienen te overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. In het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) zijn voor wat betreft de (internationale) luchtvaart modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen in [bijlage 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=15) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=16). Voor wat betreft de zeevaart zijn modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen in [bijlage 14a tot en met 14d VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14a). De in [bijlage 14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14c) en [14d VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14d) opgenomen passagierslijst wordt gehanteerd voor schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van ten hoogste twaalf passagiers (zie [artikel 4.4 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=4.4)). De passagierslijst kan tevens gebruikt worden voor de opgave van de aanwezigheid van aangetroffen verstekelingen.
Indien de lidstaat die een persoon wenst terug te zenden om redelijke en praktische motieven geen gebruik kan maken van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan hij verzoeken om doorgeleiding door de lucht via Nederland. Een schriftelijk verzoek om doorgeleiding van een andere lidstaat moet worden ingediend bij de KMar te Schiphol. Het verzoek dient zo vroeg mogelijk te worden ingediend, en ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding bij de KMar aan te komen. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen mag deze termijn korter zijn. Het verzoek moet worden ingediend door middel van het daartoe in de Richtlijn vastgelegde formulier.
Indien de lidstaat die een persoon wenst terug te zenden om redelijke en praktische motieven geen gebruik kan maken van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan hij verzoeken om doorgeleiding door de lucht via Nederland. Een schriftelijk verzoek om doorgeleiding van een andere lidstaat moet worden ingediend bij de KMar te Schiphol. Het verzoek dient zo vroeg mogelijk te worden ingediend, en ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding bij de KMar aan te komen. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen mag deze termijn korter zijn. Het verzoek moet worden ingediend door middel van het daartoe in de Richtlijn vastgelegde formulier.
Een verzoek om doorgeleiding door de lucht kan worden geweigerd wanneer:
De KMar stelt de verzoekende lidstaat onmiddellijk, in ieder geval binnen twee dagen, in kennis van de beslissing op het verzoek om doorgeleiding. Deze termijn kan, in naar behoren gemotiveerde gevallen, met ten hoogste 48 uur worden verlengd. Zonder instemming van Nederland mag de verzoekende lidstaat niet met de doorgeleiding beginnen. Als echter niet binnen de gestelde termijn wordt geantwoord, kan de verzoekende lidstaat beginnen met de doorgeleiding door middel van een kennisgeving aan de KMar.
De doorgeleiding dient binnen de kortst mogelijke tijdspanne plaats te vinden, en maximaal binnen 24 uur. Dit betekent dat de vreemdeling de luchthaven binnen 24 uur weer moet hebben verlaten. Deze termijn kan, op verzoek van en in overleg met de verzoekende lidstaat, worden verlengd tot maximaal 48 uur in gevallen waarin de voltooiing van de doorgeleiding niet kan worden gewaarborgd. Tijdens de gehele doorgeleiding dient de KMar bereikbaar te zijn voor de betrokken autoriteiten van de verzoekende lidstaat.
De ambtenaren van de KMar die (tevens) zijn aangewezen als ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht, beschikken in het kader van ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht, indien noodzakelijk, over de bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming op grond van [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59). Voor zover de betrokken vreemdeling de toegang is geweigerd door de verzoekende lidstaat, kan [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) worden toegepast (zie model [M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M119&z=2012-07-01&g=2012-07-01) en model [M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-07-01&g=2012-07-01)). Voor toepassing van maatregelen van vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming wordt verwezen naar A6. Bevoegdheden kunnen ook zijn gerelateerd aan de algemene politietaak van de KMar op Schiphol op grond van [artikel 2 Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=2).
Ten aanzien van het gebruik van hulpmiddelen om de vreemdeling in zijn bewegingsvrijheid te beperken, wordt verwezen naar A4. De bepalingen van deze paragraaf zijn hier onverkort van toepassing.
Begeleiders van de autoriteiten van de verzoekende lidstaat moeten in alle omstandigheden de Nederlandse regelgeving naleven. Zij hebben derhalve geen verdergaande bevoegdheden dan de Nederlandse regelgeving toelaat. De begeleiders dragen tijdens de doorgeleiding door de lucht geen wapens en zijn gekleed in burgerkleding. Op verzoek dienen zij passende identificatiemiddelen te overleggen, waaronder de toestemming voor doorgeleiding die door Nederland is afgegeven, of, in geval niet tijdig een toestemming is afgegeven, een kennisgeving van doorgeleiding.
Ook is een adequaat vreemdelingentoezicht vereist in het kader van het te voeren vreemdelingenbeleid omdat het daarvoor noodzakelijk is om over betrouwbare gegevens te kunnen beschikken. Te denken valt hierbij aan de aantallen van de hier te lande verblijvende vreemdelingen, de plaatsen waar zij zich bevinden, het doel van hun verblijf en de omstandigheden waaronder zij leven.
Door de grote omvang en de toename van het internationale personenverkeer nemen de mogelijkheden tot onregelmatige binnenkomst en illegaal verblijf van vreemdelingen toe. In het bijzonder met het oog hierop is een efficiënt vreemdelingentoezicht vereist. Voorts kan het in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zijn, dat inzicht wordt verkregen in de activiteiten van vreemdelingen die zich op legale wijze in Nederland bevinden.
Ook is een adequaat vreemdelingentoezicht vereist in het kader van het te voeren vreemdelingenbeleid omdat het daarvoor noodzakelijk is om over betrouwbare gegevens te kunnen beschikken. Te denken valt hierbij aan de aantallen van de hier te lande verblijvende vreemdelingen, de plaatsen waar zij zich bevinden, het doel van hun verblijf en de omstandigheden waaronder zij leven.
Teneinde het vreemdelingentoezicht op doelmatige wijze te kunnen uitoefenen, voorziet de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) in de mogelijkheid tot het treffen van bepaalde maatregelen van toezicht en het opleggen van bepaalde verplichtingen aan vreemdelingen of aan derden.
Er kunnen twee vormen van vreemdelingentoezicht worden onderscheiden, namelijk het administratieve toezicht en het operationele toezicht. Het operationele toezicht is weer onder te verdelen in toezicht ter bestrijding van illegale immigratie en toezicht in het binnenland. Bij het administratieve toezicht moet men in het bijzonder denken aan de controles voortvloeiende uit de vreemdelingenregistratie.
Ambtenaren van de KMar zijn eveneens belast met het toezicht op vreemdelingen (zie [artikel 47, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47)). Zij oefenen hun toezichtstaken (in casu: het MTV) uit onder leiding van de Commandant der KMar.
De ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (zie [artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3)) zijn belast met het toezicht op vreemdelingen (zie [artikel 47, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47)). Hieronder wordt ingevolge [artikel 3, tweede lid, Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3) mede begrepen de Rijksrecherche. Zij voeren hun werkzaamheden uit onder leiding van de Korpschef.
Ambtenaren van de KMar zijn eveneens belast met het toezicht op vreemdelingen (zie [artikel 47, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47)). Zij oefenen hun toezichtstaken (in casu: het MTV) uit onder leiding van de Commandant der KMar.
Op grond van [artikel 47, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47) kan de Minister bij besluit ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het toezicht op vreemdelingen. De Minister heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door de in [artikel 142 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) bedoelde ambtenaren, die zijn belast met opsporingsbevoegdheid voor één of meer strafbare feiten ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), aan te wijzen.
Ambtenaren belast met toezicht beschikken over de bevoegdheden die ingevolge de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) aan toezichthouders toekomen (zie [artikelen 5:11 tot en met 5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11)). Deze bevoegdheden en de aanvullende bevoegdheden die op grond van de Vw aan de ambtenaren belast met toezicht op vreemdelingen toekomen, worden nader uitgewerkt in A3/2.
Bevoegd tot het opsporen van bij die wetsbepaling strafbaar gestelde feiten zijn behalve de met het vreemdelingentoezicht belaste ambtenaren (zie [artikel 1:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3)) tevens de ambtenaren belast met de grensbewaking, alsmede alle bij [artikel 141 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) in het algemeen met de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
Bevoegd tot het opsporen van bij die wetsbepaling strafbaar gestelde feiten zijn behalve de met het vreemdelingentoezicht belaste ambtenaren (zie [artikel 1:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3)) tevens de ambtenaren belast met de grensbewaking, alsmede alle bij [artikel 141 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) in het algemeen met de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
Het algemeen belang vergt dat wordt opgetreden tegen vreemdelingen die zich in strijd met de wettelijke bepalingen in Nederland bevinden. Een vreemdelingenbeleid is immers niet te voeren indien degenen die volgens dit beleid niet in Nederland mogen verblijven, ongemoeid worden gelaten. Bovendien kunnen uit illegaal verblijf misstanden voortvloeien, onder meer met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, de volksgezondheid en de huisvesting. Om deze redenen dient nauwlettend toezicht te worden gehouden op de binnenkomst en aanwezigheid van illegale vreemdelingen.
Toezicht dient te worden onderscheiden van opsporing. In de praktijk is het onderscheid tussen toezicht en opsporing vooral van belang voor de vraag op welk moment de toezichthouder aan iemand moet mededelen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Indien tijdens het toezicht op de naleving van de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) blijkt dat ten aanzien van de persoon die is onderworpen aan het toezicht sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, dan dient aan deze persoon – die dan als verdachte in de zin van [artikel 27 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27) dient te worden beschouwd – op grond van [artikel 29 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=29) te worden medegedeeld dat hij niet tot (verder) antwoorden is verplicht. Achterwege laten van deze mededeling (‘cautie’) kan met zich meebrengen dat de verkregen informatie in een latere strafzaak als onrechtmatig bewijs wordt aangemerkt.
Het is niet uitgesloten dat een vreemdeling die in een later stadium als verdachte wordt aangemerkt, ter voldoening aan zijn plicht gegevens te verstrekken of mee te werken (zie [artikel 54 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54)) feiten aandraagt die in een latere fase aanleiding kunnen vormen voor een strafvervolging. Deze feiten mogen dan binnen de wettelijke randvoorwaarden worden betrokken in het opsporingsonderzoek. Deze feiten zijn immers verkregen in een fase waarin er nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit zodat aan de betrokken vreemdeling nog niet behoefde te worden medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Wel is het zo dat de betrokken vreemdeling zodra hij is betrokken in een opsporingsonderzoek en hij derhalve op grond van [artikel 29 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=29) niet tot antwoorden is verplicht, geen nadere mededelingen meer behoeft te doen ter zake van de feiten waarvan hij wordt verdacht, ook niet meer ter zake van de feiten waarover hij in de fase waarin hij tot medewerking verplicht was mededelingen heeft gedaan.
Toezicht dient te worden onderscheiden van opsporing. In de praktijk is het onderscheid tussen toezicht en opsporing vooral van belang voor de vraag op welk moment de toezichthouder aan iemand moet mededelen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Indien tijdens het toezicht op de naleving van de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) blijkt dat ten aanzien van de persoon die is onderworpen aan het toezicht sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, dan dient aan deze persoon – die dan als verdachte in de zin van [artikel 27 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27) dient te worden beschouwd – op grond van [artikel 29 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=29) te worden medegedeeld dat hij niet tot (verder) antwoorden is verplicht. Achterwege laten van deze mededeling (‘cautie’) kan met zich meebrengen dat de verkregen informatie in een latere strafzaak als onrechtmatig bewijs wordt aangemerkt.
Het is niet uitgesloten dat een vreemdeling die in een later stadium als verdachte wordt aangemerkt, ter voldoening aan zijn plicht gegevens te verstrekken of mee te werken (zie [artikel 54 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54)) feiten aandraagt die in een latere fase aanleiding kunnen vormen voor een strafvervolging. Deze feiten mogen dan binnen de wettelijke randvoorwaarden worden betrokken in het opsporingsonderzoek. Deze feiten zijn immers verkregen in een fase waarin er nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit zodat aan de betrokken vreemdeling nog niet behoefde te worden medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Wel is het zo dat de betrokken vreemdeling zodra hij is betrokken in een opsporingsonderzoek en hij derhalve op grond van [artikel 29 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=29) niet tot antwoorden is verplicht, geen nadere mededelingen meer behoeft te doen ter zake van de feiten waarvan hij wordt verdacht, ook niet meer ter zake van de feiten waarover hij in de fase waarin hij tot medewerking verplicht was mededelingen heeft gedaan.
Illegaal verblijf als zodanig is in ons land niet strafbaar gesteld, maar de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, kan strafbaar zijn wegens het niet voldoen aan de verplichting tot het doen van mededeling van zijn aanwezigheid (zie [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39)). Ook kan een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft en die bij herhaling een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar feit heeft begaan op grond van [artikel 67, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst worden verklaard. Het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven is wel een strafbaar feit (zie [artikel 197 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=197)).
Indien de politie bij de uitoefening van haar taken toch al persoonsgegevens van burgers verifieert, dient zij als regel ook de nationaliteit en, bij een niet-Nederlandse nationaliteit, de verblijfsstatus te controleren. Een uitzondering kan gelden, indien het belang van de uitvoering van een taak (bijvoorbeeld hulpverlening) rechtvaardigt dat niet of niet onmiddellijk tot vreemdelingentoezicht wordt overgegaan. Indien bij verificatie van persoonsgegevens blijkt dat de bestuurder van een voertuig illegaal in Nederland verblijft, rechtvaardigt dit dat ook de eventueel overige inzittenden van dat voertuig naar hun verblijfsrechtelijke positie wordt gevraagd.
Indien de politie bij de uitoefening van haar taken toch al persoonsgegevens van burgers verifieert, dient zij als regel ook de nationaliteit en, bij een niet-Nederlandse nationaliteit, de verblijfsstatus te controleren. Een uitzondering kan gelden, indien het belang van de uitvoering van een taak (bijvoorbeeld hulpverlening) rechtvaardigt dat niet of niet onmiddellijk tot vreemdelingentoezicht wordt overgegaan. Indien bij verificatie van persoonsgegevens blijkt dat de bestuurder van een voertuig illegaal in Nederland verblijft, rechtvaardigt dit dat ook de eventueel overige inzittenden van dat voertuig naar hun verblijfsrechtelijke positie wordt gevraagd.
Een belangrijk instrument voor het daadwerkelijk handhaven van het vreemdelingenbeleid wordt gevormd door een adequaat toezicht op vreemdelingen die hier verblijven. Dit toezicht, dat noodzakelijk is in het kader van de rechtshandhaving, dient uit het oogpunt van rechtsbescherming op non-discriminatoire wijze uitgevoerd te worden.
In het belang van een actief en effectief vreemdelingentoezicht kunnen personen staande gehouden worden om hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status (rechtmatig verblijf) vast te stellen. [Artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) biedt daartoe, met inachtneming van de genoemde waarborgen, onder meer de bevoegdheid van staande houden en ophouden.
Het toezicht ter bestrijding van illegale immigratie is erop gericht illegaal verblijf, al dan niet in georganiseerd verband, in een zo vroeg mogelijk stadium tegen te gaan. Dit toezicht is tevens gericht op preventie en ontmoediging van toekomstige illegale immigratie.
Ambtenaren belast met de grensbewaking en ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd tot het staande houden en ophouden van personen. De ambtenaren belast met grensbewaking staan genoemd in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46), de ambtenaren belast met het toezicht zijn te vinden in [artikel 47 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47). Voor de ambtenaren belast met toezicht zie tevens A3/1.2.
Het gaat hierbij om de vaststelling van de identiteit, nationaliteit en de rechtmatigheid van het verblijf aan de hand van geldige documenten of bescheiden (zie [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)). Een bekende identiteit is op zichzelf nog geen vastgestelde identiteit.
De termijn van ophouding vangt aan op het moment dat de staande gehouden persoon op de plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. De ophouding kan maximaal zes uren duren waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend.
Aan de persoon die met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) overgebracht is naar een plaats bestemd voor verhoor, dient op grond van [artikel 4.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.18) tijdig (dat is op een zodanig tijdstip dat een op zijn verzoek gewaarschuwde raadsman bij het verhoor aanwezig kan zijn) mededeling te worden gedaan van het hem toekomende recht zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman (van zijn keuze). Het feit dat deze mededeling is gedaan dient duidelijk uit de vreemdelingenadministratie te blijken.
De [artikelen 4.29 tot en met 4.36 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) zijn in dit kader met name relevant.
Als maatregel van toezicht kunnen aan vreemdelingen geen andere verplichtingen worden opgelegd dan die welke bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn vastgesteld. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
In [artikel 54, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is de grondslag opgenomen voor de verplichtingen die als maatregel van toezicht aan vreemdelingen kunnen worden opgelegd. Indien een vreemdeling bij herhaling opzettelijk niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting kan dit onder omstandigheden aanleiding zijn voor in bewaringstelling ex [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of vrijheidsontneming ex [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of signalering in het OPS of (N)SIS.
De in [artikel 4.37, eerste lid, onder a, b en d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37) bedoelde kennisgevingen hoeven niet in persoon te worden gedaan. Aan de vreemdeling kan daartoe een kaart worden verstrekt.
Van deze kennisgeving kan aantekening worden gemaakt in het document voor grensoverschrijding (zie [artikel 4.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.32)).
Ten aanzien van vreemdelingen kan worden voorzien in een verplichting tot het – zonodig in persoon – verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Hieronder zal eerst worden ingegaan op de verplichtingen die aan de vreemdeling kunnen worden opgelegd op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Niet alle verplichtingen voor de vreemdeling vloeien echter voort uit het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Het is mogelijk dat de ambtenaren belast met toezicht gegevens (of bescheiden) van de vreemdeling nodig hebben die niet een basis vinden in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) maar die wel noodzakelijk zijn in het kader van de toezichthoudende taak. In die gevallen kan de vreemdeling worden verplicht medewerking te verlenen aan het verkrijgen van die gegevens (of bescheiden) op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Hieraan wordt aandacht besteed in A3/7.3.8.
De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle hier te lande aanwezige vreemdelingen, ongeacht of zij legaal of illegaal in ons land verblijven. De vordering is steeds gericht tot de vreemdeling zelf, tenzij het kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar betreft. Ten aanzien van vreemdelingen beneden de leeftijd van twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijk vertegenwoordiger (zie [artikel 4.38, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38)).
Ten aanzien van vreemdelingen kan worden voorzien in een verplichting tot het – zonodig in persoon – verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Hieronder zal eerst worden ingegaan op de verplichtingen die aan de vreemdeling kunnen worden opgelegd op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Niet alle verplichtingen voor de vreemdeling vloeien echter voort uit het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Het is mogelijk dat de ambtenaren belast met toezicht gegevens (of bescheiden) van de vreemdeling nodig hebben die niet een basis vinden in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) maar die wel noodzakelijk zijn in het kader van de toezichthoudende taak. In die gevallen kan de vreemdeling worden verplicht medewerking te verlenen aan het verkrijgen van die gegevens (of bescheiden) op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Hieraan wordt aandacht besteed in A3/7.3.8.
De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle hier te lande aanwezige vreemdelingen, ongeacht of zij legaal of illegaal in ons land verblijven. De vordering is steeds gericht tot de vreemdeling zelf, tenzij het kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar betreft. Ten aanzien van vreemdelingen beneden de leeftijd van twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijk vertegenwoordiger (zie [artikel 4.38, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38)).
Niet alleen de vreemdeling zelf maar ook anderen (met inbegrip van Nederlanders) kunnen in bepaalde gevallen worden verplicht gegevens over vreemdelingen te verstrekken (zie A3/7.3.4 en A3/7.6.1).
Het niet voldoen aan de verplichting van [artikel 4.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38) is ingevolge het bepaalde in [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) juncto [108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit.
Vreemdelingen zijn verplicht op vordering van de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar zij wonen of verblijven, binnen de in de vordering aangegeven tijd de gegevens te verstrekken die de Korpschef in het belang van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vraagt (zie [artikel 4.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38)) voorzover het de gegevens betreft die worden bedoeld in de [artikelen 4.39 tot en met 4.44 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39). Er dient steeds een rechtstreeks verband te bestaan tussen het vragen van de gegevens en de toepassing van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), dan wel van de uitvoeringsbepalingen daarvan. Voorts kan een vordering tot het verstrekken van gegevens bijvoorbeeld worden gedaan met het oog op het bijhouden van de vreemdelingenadministratie.
Ten aanzien van vreemdelingen kan worden voorzien in een verplichting tot het – zonodig in persoon – verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Hieronder zal eerst worden ingegaan op de verplichtingen die aan de vreemdeling kunnen worden opgelegd op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Niet alle verplichtingen voor de vreemdeling vloeien echter voort uit het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Het is mogelijk dat de ambtenaren belast met toezicht gegevens (of bescheiden) van de vreemdeling nodig hebben die niet een basis vinden in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) maar die wel noodzakelijk zijn in het kader van de toezichthoudende taak. In die gevallen kan de vreemdeling worden verplicht medewerking te verlenen aan het verkrijgen van die gegevens (of bescheiden) op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Hieraan wordt aandacht besteed in A3/7.3.8.
Zie [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39). Deze bepaling richt zich tot vreemdelingen die op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen of die na beëindiging van hun eerdere rechtmatige verblijf als bedoeld in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) zonder toestemming in Nederland zijn achtergebleven. Deze bepaling geldt ook voor passagierende zeelieden en transitpassagiers van vliegtuigen en zeeschepen die niet tijdig uit Nederland zijn vertrokken (zie [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4)). De in [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39) bedoelde kennisgeving moet in persoon worden gedaan.
Zie [artikel 4.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.40). Niet alleen de vreemdeling zelf moet van zijn aanwezigheid onmiddellijk mededeling doen aan de Korpschef indien hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Ook degene die nachtverblijf verschaft aan een vreemdeling van wie hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze niet rechtmatig in Nederland verblijft, moet daarvan onmiddellijk mededeling doen aan de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen.
Degene op wie deze verplichting rust kan zowel Nederlander als vreemdeling zijn. Er zijn geen voorschriften gegeven voor de vorm waarin deze mededeling moet worden gedaan. De strekking van deze bepaling is om de opsporing van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen te vergemakkelijken en om hen, die – te kwader trouw – aan dit illegale verblijf medewerking verlenen, strafbaar te stellen (zie [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
De Korpschef dient een vordering tot het verstrekken van inlichtingen aan de werkgever te betekenen of per aangetekende brief te verzenden. Deze vordering dient te worden onderscheiden van vorderingen die aan een vreemdeling kunnen worden gedaan om in persoon gegevens te verstrekken.
In een aantal gevallen zijn werkgevers verplicht, ten aanzien van vreemdelingen die bij hen te werk gesteld worden, in dienst zijn of in dienst zijn geweest, desgevraagd gegevens te verstrekken aan de Korpschef (zie [artikel 4.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41)).
De Korpschef dient een vordering tot het verstrekken van inlichtingen aan de werkgever te betekenen of per aangetekende brief te verzenden. Deze vordering dient te worden onderscheiden van vorderingen die aan een vreemdeling kunnen worden gedaan om in persoon gegevens te verstrekken.
Een vordering tot het verstrekken van gegevens, zal in de regel moeten worden gedaan door de Korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, ressorteert. Met het oog op de omstandigheid dat vele buitenlandse arbeidskrachten niet wonen in de plaats waar zij hun arbeid verrichten, maar in omringende gemeente, dient nauw overleg tussen de betrokken Korpschef te worden gepleegd, en dienen de van belang zijnde gegevens omtrent de hier bedoelde vreemdelingen te worden uitgewisseld.
Zie [artikel 4.42 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42). De vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijft gedurende de vrije termijn bedoeld in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006855&artikel=12) zolang het verblijf bij of krachtens dat artikel is toegestaan – en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten – is verplicht daarvan onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef van het regionale politiekorps van de gemeente waar hij verblijft. Een aantal categorieën, genoemd in [artikel 4.42, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42), is vrijgesteld van deze verplichting.
De beperking die in het derde lid van [artikel 4.42 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42) is opgenomen vloeit voort uit [artikel 3.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.32), waarin is bepaald dat geen verblijfsvergunning wordt verstrekt indien de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden. Het ligt voor de hand in dit geval evenmin vrijstelling van de meldplicht te verlenen.
Voldoet een vreemdeling niet meer aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend dan kan deze worden ingetrokken, dan wel kan de beperking worden gewijzigd of opgeheven.
### 7.3.8. Verplichtingen op grond van de Awb
Voldoet een vreemdeling niet meer aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend dan kan deze worden ingetrokken, dan wel kan de beperking worden gewijzigd of opgeheven.
De in het kader van het verstrekken van inlichtingen en het tonen van bescheiden van belang zijnde artikelen zijn [5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16), [5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20).
Zoals hierboven al is aangegeven, kan het voorkomen dat een ambtenaar belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen gegevens nodig heeft van een vreemdeling, maar dat het verstrekken van die gegevens niet kan worden gevorderd op basis van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). In die gevallen kan een vordering de benodigde gegevens te verstrekken of bescheiden te tonen, worden gebaseerd op de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Voorwaarde daarvoor is dat de vordering verband houdt met de uitoefening van de toezichthoudende taak van de ambtenaar. Voorts dient in het oog gehouden te worden dat van de bevoegdheden alleen gebruik wordt gemaakt indien dit voor de vervulling van de taak redelijkerwijs noodzakelijk is (het evenredigheidsbeginsel).
De in het kader van het verstrekken van inlichtingen en het tonen van bescheiden van belang zijnde artikelen zijn [5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16), [5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20).
### 7.4. Verlenen van medewerking aan identificatie
De medewerkingsplicht van [artikel 5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) houdt in dat de vreemdeling verplicht is tot het verstrekken van de gevraagde inlichtingen en tot afgifte van de gevorderde gegevens en bescheiden. Het weigeren van de vereiste medewerking is strafbaar gesteld in [artikel 184 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184).
De strekking van [artikel 54, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is om de tot opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren, als zij bij de uitoefening van hun taken in aanraking komen met vreemdelingen, in staat te stellen de beschikking te krijgen over de primaire gegevens die nodig zijn om te kunnen vaststellen met welke vreemdeling zij te doen hebben, of deze vreemdeling op regelmatige wijze is binnengekomen en of het hem is toegestaan in Nederland te verblijven.
In dit verband moet niet alleen worden gedacht aan ambtenaren die specifiek taken uitoefenen op het terrein van het vreemdelingentoezicht, maar ook aan politieambtenaren die bij de uitoefening van andere taken, zoals het houden van verkeerscontroles, met vreemdelingen in aanraking komen.
### 7.3.8. Verplichtingen op grond van de Awb
### 7.3.6. Mededeling omtrent zoeken of gaan verrichten van arbeid
Uiteraard dienen aan de vreemdeling bij het uitoefenen van de identiteitscontrole slechts die gegevens te worden gevraagd die voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) van belang zijn.
Vreemdelingen die beschikken over een verblijfsdocument dienen niet verplicht te worden nadere inlichtingen te verstrekken. Slechts als er gegronde aanleiding is te veronderstellen dat zij de voorschriften op het gebied van toezicht op vreemdelingen niet zijn nagekomen, dient de vreemdeling daaromtrent te worden ondervraagd.
### 7.4.2. Foto’s en vingerafdrukken
Zie [artikel 4.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.45). De verplichtingen gelden tegenover de met de grensbewaking belaste ambtenaren en tegenover ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht.
De strekking van [artikel 54, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is om de tot opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren, als zij bij de uitoefening van hun taken in aanraking komen met vreemdelingen, in staat te stellen de beschikking te krijgen over de primaire gegevens die nodig zijn om te kunnen vaststellen met welke vreemdeling zij te doen hebben, of deze vreemdeling op regelmatige wijze is binnengekomen en of het hem is toegestaan in Nederland te verblijven.
De vreemdeling die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden is ingevolge [artikel 4.46, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.46) verplicht om een TBC- onderzoek te ondergaan (zie [B1/4.5](onbekend) voor de procedure). Deze verplichting geldt niet voor de in [artikel 4.46, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.46) bedoelde vreemdelingen.
Zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47). De vreemdeling die rechtmatig verblijft gedurende de vrije termijn bedoeld in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens dat artikel is toegestaan, en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden is verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen. Voor de berekening van het verblijf worden voorgaande verblijven in Nederland binnen een tijdvak van zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst mede in aanmerking genomen.
In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht. Dit kan derhalve ook een Nederlander zijn.
### 7.4.2. Foto’s en vingerafdrukken
In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht. Dit kan derhalve ook een Nederlander zijn.
De verplichting tot aanmelding (dat wil zeggen: melding van hun aanwezigheid hier te lande) geldt niet voor EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen. Wel geldt dat zij zich in de vierde maand na binnenkomst dienen te melden bij de IND ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie (en daarmee in de BVV) (zie [B10](onbekend)).
Na aanmelding wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling daarvan een aantekening gesteld (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), juncto [4.30, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30)). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een speciale sticker (zie [bijlage 7 bij het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7)). In een aantal gevallen dient deze aantekening op een afzonderlijk inlegblad te worden gesteld (zie [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht. Dit kan derhalve ook een Nederlander zijn.
### 7.6.1. Verblijf langer dan drie maanden
In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht. Dit kan derhalve ook een Nederlander zijn.
De verplichting tot aanmelding geldt niet voor EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en voor de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.
Na aanmelding wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling daarvan een aantekening gesteld (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), juncto [4.30, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30)). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een speciale sticker (zie [bijlage 7 bij het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7)). In een aantal gevallen dient deze aantekening op een afzonderlijk inlegblad te worden gesteld (zie [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
Na aanmelding wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling daarvan een aantekening gesteld (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), juncto [4.30, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30)). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een speciale sticker (zie [bijlage 7 bij het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7)). In een aantal gevallen dient deze aantekening op een afzonderlijk inlegblad te worden gesteld (zie [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
Periodieke aanmelding bij de Korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente van verblijf van de vreemdeling is gelegen, is verplicht voor de vreemdeling:
### 7.7.1.1. Algemeen
### 7.6. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
De vreemdeling dient zich wekelijks te melden, tenzij de Korpschef een andere termijn stelt.
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
### 7.7. Periodieke aanmeldingen
Ten aanzien van asielzoekers geldt dat ontheffing van de meldplicht gedurende het afwachten van de beslissing in eerste aanleg alleen wordt verleend in overleg met de IND. Voorts zijn niet Amv’s beneden de leeftijd van twaalf jaar ontheven van de meldplicht.
De Korpschef kan ontheffing van de meldplicht verlenen. Voorts kan hij een andere meldingstermijn dan de wekelijkse aan de meldplicht verbinden. Indien de Korpschef van mening is dat ontheffing niet langer gewenst is, kan hij de ontheffing beëindigen. De vreemdeling dient steeds op hem aangaande wijzigingen betreffende de meldplicht te worden gewezen.
Ten aanzien van asielzoekers geldt dat ontheffing van de meldplicht gedurende het afwachten van de beslissing in eerste aanleg alleen wordt verleend in overleg met de IND. Voorts zijn niet Amv’s beneden de leeftijd van twaalf jaar ontheven van de meldplicht.
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
Aanleiding om ontheffing te verlenen bestaat in zijn algemeenheid indien het de vreemdeling is toegestaan om de beslissing op zijn aanvraag in eerste aanleg hier in Nederland af te wachten (uitzondering: negatief advies en asielzoekers, zie hierna).
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
Aanleiding om een maandelijkse meldplicht op te leggen bestaat in zijn algemeenheid:
De gedachte hierachter is dat een zeker toezichtsregime met betrekking tot de meldplicht wenselijk is, gezien de verwachting dat het de vreemdeling uiteindelijk niet zal worden toegestaan in Nederland te blijven. In verband met de bij bovengenoemde categorieën minder grote noodzaak om de vreemdeling voortdurend nabij te hebben (bijvoorbeeld voor het vragen van nadere informatie voor de afhandeling van zijn aanvraag), kan evenwel een ruimere – lees maandelijkse – meldingstermijn worden gesteld.
Geen aanleiding om (nog langer) ontheffing te verlenen bestaat in zijn algemeenheid indien;
### 7.7.1.1. Algemeen
In afwijking van het bovenstaande wordt een asielzoeker in de opvanglocatie in het bezit gesteld van een registratiekaart meldplicht asielzoekers (zie [C12/5.4](onbekend)).
Ten bewijze van het opleggen en het voldoen aan de verplichting tot periodieke aanmelding wordt daarvan in het reisdocument van de vreemdeling een aantekening gesteld als volgt:
In afwijking van het bovenstaande wordt een asielzoeker in de opvanglocatie in het bezit gesteld van een registratiekaart meldplicht asielzoekers (zie [C12/5.4](onbekend)).
### 7.7.2. Individuele verplichting tot periodieke aanmelding
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 7.7.2. Individuele verplichting tot periodieke aanmelding
### 7.9. Toezicht op documenten
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 7.9.3. Gedragslijn bij vreemdelingen zonder documenten
### 7.9. Toezicht op documenten
### 9. Signaleringen
### 9.1. Inleiding
### 9. Signaleringen
### 9.1.2. Het OPS
### 9.1.4. Verhouding OPS en (N)SIS
### 9.2.2. Signalering IRV op grond van [artikel 66a, zevende lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)’(inreisverbod op grond van artikel 66a, lid 7 Vw)
### 9.2.4. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
De signalering Inreisverbod dient ter handhaving van het aan de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod op grond van [artikel 66a, eerste tot en met het zesde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a). Deze signalering kan ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen voorkomen. Het betreft de vreemdeling:
### 9.2.4. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
Deze signalering kan onder de hieronder genoemde voorwaarden in zowel OPS als in het (N)SIS voorkomen. De signalering ‘OVR’ is een uitvoeringsmaatregel die genomen wordt in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid. Deze signalering wordt toegepast ten aanzien van de vreemdeling aan wie geen inreisverbod ex [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan worden opgelegd en op wie evenmin de maatregel ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) van toepassing is. Aan als ongewenst gesignaleerde vreemdelingen is op grond van [artikel 12, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) geen verblijf in de vrije termijn toegestaan. De termijn waarvoor de signalering ‘OVR’ geldt, is afhankelijk van de omstandigheden die aanleiding zijn tot de signalering.
De signalering wordt onder de volgende voorwaarden toegepast:
### 9.2.3. Signalering inreisverbod (inreisverbod anders dan op grond van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a))
Deze signaleringsgrond is er met name op gericht vreemdelingen met banden met terroristische netwerken te weren. Hiermee wordt aangesloten bij de wens in verschillende resoluties van de VN om de bewegingsvrijheid van terroristen aan banden te leggen, met name in het kader van grensbewaking. De signaleringsgrond ziet op vreemdelingen aan wie op grond van [artikel 3, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) de toegang moet worden geweigerd en aan wie op grond van [artikel 12, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) geen verblijf in de vrije termijn is toegestaan. In deze gevallen dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De signalering hoeft niet gerelateerd te zijn aan daadwerkelijk verblijf in Nederland van de vreemdeling in het verleden, noch aan een daadwerkelijke komst naar Nederland in de toekomst.
Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.
### 9.2.4. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
Voor de personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen (zie [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7)) geldt dat de signalering ‘OVR’ niet is toegestaan. Voor hen geldt uitsluitend het gestelde in A3/9.2.1 (zie ook A5/6).
In de gevallen bedoeld in A3/9.2.2 en A3/9.2.3 vangt de termijn van signalering aan op de datum dat de betrokken vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, dan wel hem de toegang is geweigerd. In het geval bedoeld in A3/9.2.3 onder b vangt de termijn van de signalering aan op de datum dat de Minister de bijzondere aanwijzing heeft gegeven.
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
Artikel 25 SUO legt de verdragspartners de verplichting op om overleg te plegen met een Schengenstaat die een vreemdeling, niet zijnde een EU/EER-onderdaan of een Zwitserse onderdaan, heeft opgenomen in het (N)SIS ter fine van weigering van toegang, indien het voornemen bestaat aan een dergelijke vreemdeling een verblijfstitel te verlenen.
Indien de IND bij een aanvraag om een verblijfsvergunning constateert dat de vreemdeling door een Schengenstaat ter fine van weigering van de toegang is gesignaleerd in het (N)SIS, wordt ten behoeve van de aanvraag vooroverleg gepleegd met de desbetreffende Schengenstaat. Ingeval van een dergelijke SIS- signalering kan verblijf worden verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard of internationale verplichtingen. Indien verblijf wordt toegestaan zal de IND de signalerende staat verzoeken de signalering uit het (N)SIS te verwijderen. De signalerende staat kan de vreemdeling desgewenst wel opnemen op de nationale signaleringslijst.
### 9.2.2. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
Indien de IND bij een aanvraag om een verblijfsvergunning constateert dat de vreemdeling door een Schengenstaat ter fine van weigering van de toegang is gesignaleerd in het (N)SIS, wordt ten behoeve van de aanvraag vooroverleg gepleegd met de desbetreffende Schengenstaat. Ingeval van een dergelijke SIS- signalering kan verblijf worden verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard of internationale verplichtingen. Indien verblijf wordt toegestaan zal de IND de signalerende staat verzoeken de signalering uit het (N)SIS te verwijderen. De signalerende staat kan de vreemdeling desgewenst wel opnemen op de nationale signaleringslijst.
In de praktijk kunnen in het kader van (N)SIS-signalering de navolgende vreemdelingen worden aangetroffen:
De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar dient Bureau SIRENE van de KLPD te allen tijde in kennis te stellen van een hitmelding. Het Bureau SIRENE Nederland stelt vervolgens de IND in kennis. Het Bureau SIRENE registreert hitmeldingen in het (N)SIS en legt onder meer vast wanneer de IND een raadpleegprocedure ten aanzien van een vreemdeling start. Na (middels bovengenoemde raadpleegprocedure, zoals genoemd in artikel 25 SUO) geïnformeerd te hebben bij de betreffende Schengenstaat, licht de IND Bureau SIRENE in. Bij een positieve beschikking verzoekt de IND de signalerende staat de signalering uit het (N)SIS te verwijderen en het eventueel opgelegde inreisverbod op te heffen. Desgewenst kan het signalerende land betrokkene opnemen op de nationale signaleringslijst.
Voor de bovengenoemde categorieën geldt daarnaast nog het volgende:
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
De IND beslist op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning. Bij een negatieve beschikking waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan, dient de vreemdeling te worden verwijderd. Bij een positieve beschikking dient het inreisverbod te worden opgeheven en de (N)SIS-signalering te vervallen. De IND verwijdert de signalering uit het (N)SIS.
Het Bureau SIRENE Nederland stelt naast de IND ook het Bureau SIRENE van het desbetreffende land in kennis. De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadpleegprocedure toe.
De IND beslist op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning. Na het indienen van voornoemde aanvraag kan aan betrokkene door de IND een verklaring worden uitgereikt waarin is vermeld dat betrokkene een aanvraag tot verblijf heeft ingediend terwijl deze ter fine van weigering van de toegang gesignaleerd staat. De vreemdeling dient deze verklaring bij zich te dragen en bij controle te overleggen. Het Hoofd van de IND stelt een model voor deze verklaring vast.
Bij een negatieve beschikking waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan, dient betrokkene te worden verwijderd. Bij een positieve beschikking kan de toelatingsprocedure worden voortgezet.
### 9.5.2. Asielaanvraag
De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar die de betrokkene aantreft, doet navraag naar de rechtmatige afgifte van de (tijdelijke) verblijfstitel bij de IND. Wanneer bij navraag blijkt dat de verblijfstitel rechtens is verstrekt, dient betrokkene zijn weg te vervolgen.
Wanneer de signalering bij afgifte van de verblijfstitel dan wel bij de verlenging van die titel (nog) niet bekend was bij de IND maakt de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar die de vreemdeling heeft aangetroffen proces-verbaal van bevindingen op. Hierbij maakt hij een kopie van alle documenten die nog niet bekend waren bij de IND. De IND handelt conform ad c de hitmelding af en reikt aan betrokkene een verklaring uit. De vreemdeling dient deze verklaring bij zich te dragen en bij controle te overleggen. Het Hoofd van de IND stelt een model voor deze verklaring vast.
Betrokkene dient uit het Schengengebied te worden uitgezet. De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar legt een nieuw inreisverbod op conform [art 6.5a, vierde lid onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a). De IND zorgt voor aanpassing van de signalering in (N)SIS.
Betrokkene dient uit het Schengengebied te worden uitgezet. De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar legt een nieuw inreisverbod op conform [art 6.5a, vierde lid onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a). De IND zorgt voor aanpassing van de signalering in (N)SIS.
Indien een vreemdeling geen geldige verblijfstitel voor Nederland of een van de andere Schengenstaten bezit en ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staat in OPS of (N)SIS, dient aan hem de toegang te worden geweigerd. De ambtenaar belast met de grensbewaking meldt de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2).
### 9.5.1. Algemeen
Indien een vreemdeling geen geldige verblijfstitel voor Nederland of een van de andere Schengenstaten bezit en ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staat in OPS of (N)SIS, dient aan hem de toegang te worden geweigerd. De ambtenaar belast met de grensbewaking meldt de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2).
### 9.5.2. Asielaanvraag
### 9.5.3. Bezit geldige verblijfstitel/(N)SIS-signalering
Indien een vreemdeling die in Nederland of een ander Schengenland een geldige verblijfstitel bezit en in het (N)SIS gesignaleerd staat, meldt de ambtenaar belast met de grensbewaking de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2) en licht de IND in. De vreemdeling dient in beginsel te worden doorgelaten dan wel doorreis te worden verleend. Bij twijfel over de verblijfsrechtelijke positie dient de ambtenaar alvorens de vreemdeling door te laten, na te gaan bij de IND of de Nederlandse verblijfstitel nog steeds geldig is.
De raadplegingsprocedure met het betreffende Schengenland wordt vervolgens door de IND opgestart.
Indien sprake is van een Dublinclaim, neemt het verantwoordelijke land de behandeling over en blijft de (N)SIS-signalering vooralsnog gehandhaafd. Een uiteindelijke beslissing over het handhaven dan wel laten vervallen van de signalering wordt genomen door de Schengenstaat die de betrokken vreemdeling heeft gesignaleerd.
Aan een vreemdeling die in het bezit is van een voor een andere Schengenstaat geldige verblijfstitel en in het OPS gesignaleerd staat, kan in beginsel de toegang worden geweigerd. Hierover dient contact te worden opgenomen met de IND. De ambtenaar belast met de grensbewaking meldt de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2).
### 9.6. Opneming en vervallen van signaleringen
De signaleringen zijn aan termijnen gebonden, die automatisch beëindigd worden, tenzij zich in die periode wijzigingen hebben voorgedaan die leiden tot een nieuwe signalering of (voortijdige) vervallenverklaring.
Opneming en vervallenverklaring van de in dit hoofdstuk genoemde signaleringen geschiedt door de IND. De IND bepaalt ook, op grond van de SUO welke signaleringen in het (N)SIS worden opgenomen.
De signaleringen zijn aan termijnen gebonden, die automatisch beëindigd worden, tenzij zich in die periode wijzigingen hebben voorgedaan die leiden tot een nieuwe signalering of (voortijdige) vervallenverklaring.
Voor een voorstel tot signalering zoals bedoeld onder 9.2.3 (OVR) of een vervallenverklaring dient gebruik te worden gemaakt van het standaardformulier (zie model [M93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M93&z=2012-07-01&g=2012-07-01)). Dit formulier dient verzonden te worden aan de IND. Bij het model M93 dienen vingerafdrukken en, indien aanwezig, kopieën van identiteitsdocumenten te worden meegezonden. Tevens dient het nummer van het proces-verbaal, het proces-verbaal zelf of de registratiekaart te worden meegezonden. Indien geen sprake is van een proces-verbaal dienen andere stukken die de signaleringsgrond ondersteunen, te worden meegezonden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een bericht van vertrek (zie A4/6.10), een proces-verbaal of een ambtsbericht.
### 9.6.2. Opnemen van signaleringen
### 9.6.3. Behandeling van het verzoek om opheffing van signalering
### 9.6.3.1. Opheffing van signaleringen in het (N)SIS
Ingevolge artikel 111 SUO heeft een ieder het recht op het grondgebied van elk der overeenkomstsluitende partijen bij de naar nationaal recht bevoegde rechter of instantie een beroep in te stellen wegens een hem betreffende signalering. In het bijzonder kan dit beroep zijn gericht op verbetering, verwijdering of kennisneming van de signalering of op schadevergoeding. Om opheffing van een signalering kan door de vreemdeling worden verzocht bij de staat die verantwoordelijk is voor de signalering. In Nederland dient de vreemdeling zich met een dergelijk gemotiveerd verzoek te richten tot de Dienst IPOL. Verwezen wordt naar [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36). Verzoeken tot opheffing van door Nederland opgenomen signaleringen en ingediende bezwaarschriften kunnen rechtstreeks worden gestuurd aan de IND. Binnen vier weken nadat het verzoek ontvangen is, wordt door de IND schriftelijk op het verzoek beslist.
Een signalering wordt in ieder geval uit het (N)SIS verwijderd als de signaleringstermijn is verstreken. Verzoeken tot opheffing richten zich dus op opheffing voordat de signaleringstermijn is verlopen. Een signalering kan worden opgeheven als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, die nopen tot opheffing. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:
Ingevolge artikel 111 SUO heeft een ieder het recht op het grondgebied van elk der overeenkomstsluitende partijen bij de naar nationaal recht bevoegde rechter of instantie een beroep in te stellen wegens een hem betreffende signalering. In het bijzonder kan dit beroep zijn gericht op verbetering, verwijdering of kennisneming van de signalering of op schadevergoeding. Om opheffing van een signalering kan door de vreemdeling worden verzocht bij de staat die verantwoordelijk is voor de signalering. In Nederland dient de vreemdeling zich met een dergelijk gemotiveerd verzoek te richten tot de Dienst IPOL. Verwezen wordt naar [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36). Verzoeken tot opheffing van door Nederland opgenomen signaleringen en ingediende bezwaarschriften kunnen rechtstreeks worden gestuurd aan de IND. Binnen vier weken nadat het verzoek ontvangen is, wordt door de IND schriftelijk op het verzoek beslist.
Een signalering wordt in ieder geval uit het (N)SIS verwijderd als de signaleringstermijn is verstreken. Verzoeken tot opheffing richten zich dus op opheffing voordat de signaleringstermijn is verlopen. Een signalering kan worden opgeheven als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, die nopen tot opheffing. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:
### 9.6.3.2. Opheffing van signaleringen in het OPS
Het kan voorkomen dat een andere Schengenstaat voornemens is een door Nederland gesignaleerde vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen. In die gevallen zal het Nederlandse bureau SIRENE door die staat worden verzocht de signalering op te heffen. Ook in deze gevallen stuurt het bureau SIRENE het verzoek om opheffing van de signalering door naar de IND. De signalering dient dan uit het (N)SIS te worden verwijderd. In ieder individueel geval moet worden bezien of de signalering vervolgens in het OPS wordt opgenomen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het verblijfsdoel van de vreemdeling in de staat waar hem verblijf wordt toegestaan. Immers, in sommige gevallen kan de vreemdeling onder de werking van het Gemeenschapsrecht komen te vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij vreemdelingen die verblijf wordt toegestaan bij een familielid dat EU-/EER of Zwitsers onderdaan is.
Humanitaire omstandigheden zijn op zichzelf geen reden om te besluiten tot opheffing van de signalering. Als sprake is van kortdurende humanitaire omstandigheden kan een gesignaleerde vreemdeling op grond van artikel 5, vierde lid, onder c, SGC verzoeken toegang te verkrijgen tot Nederland voor de duur van maximaal drie maanden zoals ook is uitgewerkt in [artikel 2.9 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.9) (zie A3/9.6.4). Als de vreemdeling zich beroept op langduriger omstandigheden als gezinsleven of vrees voor vervolging in het land van herkomst, dan dient hij een verblijfsvergunning voor het betreffende doel aan te vragen. Als de verblijfsvergunning wordt verleend, dient de signalering te worden opgeheven.
Een signalering wordt uit het OPS verwijderd als de signaleringstermijn is verstreken. Verzoeken tot opheffing richten zich dus op opheffing voordat de signaleringstermijn is verstreken. Een signalering in het OPS kan worden opgeheven als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, die nopen tot opheffing. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:
Een persoon die is geregistreerd in het OPS heeft het recht een verzoek in te dienen om gegevens te verwijderen uit het systeem. Het gemotiveerde verzoek dient schriftelijk te worden gericht aan de Dienst IPOL. Verwezen wordt naar [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36). Het verzoek wordt doorgezonden aan de IND en binnen vier weken nadat het verzoek ontvangen is, wordt door de IND schriftelijk op het verzoek beslist.
Een signalering wordt uit het OPS verwijderd als de signaleringstermijn is verstreken. Verzoeken tot opheffing richten zich dus op opheffing voordat de signaleringstermijn is verstreken. Een signalering in het OPS kan worden opgeheven als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, die nopen tot opheffing. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:
Verwezen wordt naar A3/9.4. Indien de vreemdeling verblijf wordt toegestaan in Nederland, wordt de signalerende staat verzocht om opheffing van de signalering of verwijdert Nederland de eigen signalering.
Een signalering is geen zelfstandige maatregel maar een feitelijke handeling waartegen geen rechtsmiddel open staat. Een beslissing op een aanvraag om opheffing van de signalering dient echter te worden aangemerkt als een besluit in de zin van [artikel 1:3, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Dit brengt met zich dat tegen het besluit het rechtsmiddel bezwaar kan worden aangewend.
Politieke activiteiten van een vreemdeling die gevaar opleveren voor de openbare orde (met inbegrip van de goede internationale betrekkingen) of de nationale veiligheid kunnen grond vormen hem (voortgezet) verblijf te ontzeggen. Indien er naar het oordeel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar gebleken is van – of gegronde reden is te vrezen voor – deze politieke activiteiten, moet contact worden opgenomen met de IND teneinde te vernemen hoe moet worden gehandeld. In voorkomende gevallen kan aan de vreemdeling de bijzondere aanwijzing worden gegeven dat hij zich dient te onthouden van activiteiten of uitlatingen die een gevaar opleveren voor de openbare orde.
### 10. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten
Politieke activiteiten van een vreemdeling die gevaar opleveren voor de openbare orde (met inbegrip van de goede internationale betrekkingen) of de nationale veiligheid kunnen grond vormen hem (voortgezet) verblijf te ontzeggen. Indien er naar het oordeel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar gebleken is van – of gegronde reden is te vrezen voor – deze politieke activiteiten, moet contact worden opgenomen met de IND teneinde te vernemen hoe moet worden gehandeld. In voorkomende gevallen kan aan de vreemdeling de bijzondere aanwijzing worden gegeven dat hij zich dient te onthouden van activiteiten of uitlatingen die een gevaar opleveren voor de openbare orde.
In [hoofdstuk 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4) zijn regels opgenomen over onder meer het vertrek en de uitzetting van de vreemdeling. Deze regels zijn deels ook van toepassing op EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en de vreemdelingen als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, Vb, die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. Er dient echter wel rekening mee te worden gehouden dat op EU-/EER-onderdanen toch nog het Europees Vestigingsverdrag (zie [B11/4](onbekend)) van toepassing kan zijn. Dit Verdrag verschaft de onderdanen van alle verdragsluitende partijen (in de praktijk alleen de Turkse onderdanen) (extra) procedurele waarborgen in geval van voorgenomen verblijfsbeëindiging bij rechtmatig verblijf van ten minste twee respectievelijk tien jaar.
### 1. Inleiding
In [hoofdstuk 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4) zijn regels opgenomen over onder meer het vertrek en de uitzetting van de vreemdeling. Deze regels zijn deels ook van toepassing op EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en de vreemdelingen als bedoeld in [artikel 8.7, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. Er dient echter wel rekening mee te worden gehouden dat op EU-/EER-onderdanen toch nog het Europees Vestigingsverdrag (zie [B11/4](onbekend)) van toepassing kan zijn. Dit Verdrag verschaft de onderdanen van alle verdragsluitende partijen (in de praktijk alleen de Turkse onderdanen) (extra) procedurele waarborgen in geval van voorgenomen verblijfsbeëindiging bij rechtmatig verblijf van ten minste twee respectievelijk tien jaar.
Ten aanzien van vreemdelingen die dienen te vertrekken naar een land buiten de Unie geldt dat zij een schriftelijk terugkeerbesluit dienen te ontvangen, waaruit blijkt dat de vreemdeling de Unie dient te verlaten. Het terugkeerbesluit kan tevens een inreisverbod inhouden ([artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), zie ook A5/1).
### 10. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten
Van vertrek is sprake indien een vreemdeling, al dan niet aantoonbaar, zelfstandig of gedwongen vertrekt uit Nederland. Zelfstandig vertrek wordt onder andere gefaciliteerd door IOM in Nederland. Hiertoe biedt IOM een vertrekregeling aan (zie A4/5).
De wet bevat geen definitie van het begrip uitzetting. De term uitzetting wordt gebruikt voor alle gevallen van ‘verwijdering met de sterke arm uit Nederland’. Dit impliceert dat er geen sprake is van uitzetting als een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld ons land op een door hem verkozen wijze te verlaten.
Het begrip verwijdering, dat niet voorkomt in de Vw, omvat alle overheidshandelingen en handelingen van vervoerders die erop gericht zijn om een vreemdeling die Nederland moet verlaten daadwerkelijk te doen vertrekken. Hieronder vallen de begrippen (zelfstandig) vertrek en uitzetting. De handelingen van vervoerders zien enkel op vreemdelingen ten aanzien van wie zij op grond van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) een terugvoerverplichting hebben.
De administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of die illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgelegd. Onder terugkeer wordt verstaan: terugkeer naar een derde land, gelegen buiten de Europese Unie (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland), de Europese Economische Ruimte en Zwitserland.
### 2.1. De rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten
Uitgangspunt in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in Nederland (meer) heeft, Nederland uit eigen beweging moet verlaten. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor zijn vertrek uit Nederland. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in [artikel 61, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61). De verplichting om Nederland te verlaten is ingevolge dat artikel afhankelijk van de rechtmatigheid van het verblijf. Welke vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, is opgenomen in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De rechtsplicht om Nederland te verlaten ontstaat op het moment waarop het rechtmatig verblijf eindigt. Dit wordt in voorkomende gevallen door middel van een meeromvattende beschikking die tevens geldt als een terugkeerbesluit aan de vreemdeling kenbaar gemaakt. Conform [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27) en [45 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45) heeft deze meeromvattende beschikking een vertrekplicht tot gevolg. De termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland moet verlaten is vastgesteld in [artikel 62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62). De vreemdeling die na afloop van de termijn die vermeld is in het terugkeerbesluit Nederland niet zelfstandig heeft verlaten kan worden uitgezet. In aanvulling op het genomen terugkeerbesluit krijgt hij in overeenstemming met A5/1 een inreisverbod opgelegd (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1). In het geval uitzetting niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling zich aan toezicht heeft onttrokken, wordt eveneens in aanvulling op het terugkeerbesluit een inreisverbod uitgevaardigd. In dat geval moet van de beschikking mededeling worden gedaan in de Stcrt (artikel 66a, vijfde lid, Vw). Voor personen die Nederland legaal zijn ingereisd voor een bepaalde duur, en waarvan de termijn voor verblijf in Nederland is verlopen, geldt ook dat een terugkeerbesluit wordt uitgereikt, dat tevens een inreisverbod (zie artikel 66a Vw en zie A5/1) zal inhouden.
### 3. Vertrektermijnen
### 2.4. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst
Vreemdelingen die nooit rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad en zich dus illegaal toegang tot Nederland hebben verschaft, krijgen in geval van aantreffen een terugkeerbesluit, waarmee zij van de op hen rustende vertrekplicht in kennis worden gesteld. Alvorens tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt overgegaan, wordt de vreemdeling eerst hieromtrent gehoord. Als uit dat gehoor blijkt dat het voornemen van de vreemdeling bestaat asiel te vragen wordt de vreemdeling de gelegenheid gegeven een dergelijke aanvraag in te dienen en wordt pas een terugkeerbesluit uitgevaardigd als hij van deze mogelijkheid geen gebruik maakt. Voor zover blijkt dat vreemdeling om andere redenen verblijf hier te lande wenst, wordt de vreemdeling erop gewezen dat een verblijfsvergunning regulier ingediend kan worden. In laatstgenoemde situatie bestaat er geen aanleiding om het uitbrengen van een terugkeerbesluit achterwege te laten. In het terugkeerbesluit kan worden bepaald dat de vreemdeling de Unie – en daarmee ook Nederland – moet verlaten binnen vier weken. De vreemdeling die na afloop van de termijn vermeld in het terugkeerbesluit Nederland niet zelfstandig heeft verlaten kan worden uitgezet en krijgt onder intrekking of wijziging van het genomen terugkeerbesluit een nieuw terugkeerbesluit dat tevens een inreisverbod inhoudt (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1).
Ingeval echter een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, kan een vertrektermijn worden onthouden. In dat geval moet de vreemdeling de Unie onmiddellijk verlaten en wordt in het terugkeerbesluit als regel een inreisverbod opgenomen (zie A5/1).
Voor vreemdelingen die een aanvraag hebben ingediend, maar waarvan de aanvraag is afgewezen en het bezwaar of beroep de werking van de bestreden beschikking niet opschort, ontstaat de rechtsplicht na afwijzing van de aanvraag. Als bezwaar of beroep de werking van de bestreden beschikking opschort, dan ontstaat de rechtsplicht nadat de opschorting is geëindigd. Hetzelfde geldt indien het rechtsmiddel (waaronder hoger beroep) op grond van een rechterlijk oordeel mag worden afgewacht.
Voor vreemdelingen uit derde landen die illegaal in Nederland verblijven en in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, geldt dat zij een aanzegging krijgen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Wanneer deze aanzegging niet wordt nageleefd, of uit de verklaringen of gedragingen van de vreemdeling aannemelijk kan worden geacht dat hij deze aanzegging niet zal opvolgen of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdelingen vereist is, zal wel een terugkeerbesluit worden uitgereikt. Van openbare orde aspecten in de vorige zin is in ieder geval sprake indien de vreemdeling is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit. Dat de nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek vereist kan ondermeer uit een ambtsbericht van de AIVD volgen. Nadat de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgereikt, zal een terugkeerprocedure worden opgestart die in beginsel is gericht op de terugkeer naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling alsnog – al dan niet gefaciliteerd door de overheid – bereid en in staat is terug te keren naar de lidstaat die hem een vergunning heeft verleend, dan wordt hij begeleid in de terugkeer naar dat land. Op dit punt wordt in dat geval ten gunste van de vreemdeling afgeweken van de richtlijn 2008/115.
### 3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
Vreemdelingen uit derde landen die illegaal in Nederland verblijven en kunnen worden overgedragen aan een andere lidstaat op grond van een bilaterale overeenkomst of regeling, die al van kracht was op 13 januari 2009, ontvangen ook geen terugkeerbesluit, omdat zij de Unie niet verlaten.
Vreemdelingen die voldoen aan de uit het terugkeerbesluit voortvloeiende terugkeerverplichting en die opnieuw Nederland binnenkomen krijgen een nieuw terugkeerbesluit, voor zover hun verblijfsrechtelijke positie daar aanleiding toe geeft, bijvoorbeeld indien een verblijfsaanvraag wordt afgewezen, maar ook indien de vreemdeling zonder het indienen van een aanvraag als illegaal wordt aangetroffen.
Vreemdelingen wier verblijfsvergunning wordt ingetrokken of van wie de geldigheidsduur van hun verblijfsvergunning niet wordt verlengd, krijgen eveneens een terugkeerbesluit.
Zie [B14](onbekend) in geval de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
### 2.2. Het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van vertrek
Indien bij beschikking een verblijfsaanvraag is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van die beschikking is opgeschort, dan kan op grond van [artikel 61, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) desalniettemin medewerking van de vreemdeling worden gevorderd aan de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. Deze regeling maakt het onder meer mogelijk om ten aanzien van asielzoekers medewerking te verlangen aan de voorbereiding van het vertrek uit Nederland wanneer de eerste beslissing op de asielaanvraag negatief is, zodat, ingeval de bestreden beschikking in de rechterlijke procedure wordt bevestigd, het vertrek zo snel mogelijk kan plaatsvinden. Van de vreemdeling kan derhalve worden verlangd dat hij zich inspant om vervangende reisdocumenten te verkrijgen op het moment dat hij nog in afwachting is van de rechterlijke procedure. Dat betekent niet dat de vreemdeling zich dient te wenden tot autoriteiten van zijn land van herkomst. Hij kan bijvoorbeeld ook via familieleden of vrienden in het land van herkomst trachten om identiteitsdocumenten of andere schriftelijke stukken waaruit zijn nationaliteit en identiteit blijkt, te verkrijgen. De vreemdeling kan zonodig op grond van [artikel 4.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38) door de ambtenaar belast met het toezicht worden gevorderd om te verschijnen teneinde gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. Steeds dient door de ambtenaar belast met het toezicht aan de vreemdeling duidelijk te worden gemaakt wat er van hem in dit kader wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie vindt hiervan registratie plaats.
Vreemdelingen uit derde landen die illegaal in Nederland verblijven en kunnen worden overgedragen aan een andere lidstaat op grond van een bilaterale overeenkomst of regeling, die al van kracht was op 13 januari 2009, ontvangen ook geen terugkeerbesluit, omdat zij de Unie niet verlaten.
In het [derde lid van artikel 61 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61)is neergelegd dat het indienen van een klacht als bedoeld in [artikel 9:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1) de verplichting om Nederland uit eigen beweging te verlaten niet opschort. Als de vreemdeling wordt uitgezet, kan hij, indien de klacht in behandeling zal worden genomen, in het buitenland over zijn klacht worden gehoord. De omstandigheid dat de vreemdeling in het buitenland kan worden gehoord, maakt het mogelijk dat, indien de vreemdeling vooraf of tijdens de uitzetting kenbaar maakt een klacht te willen indienen, de uitzetting doorgang kan vinden. Ook is het mogelijk dat de klacht schriftelijk wordt afgehandeld (zie [artikel 9:10, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:10)) of dat de vreemdeling een klacht laat indienen door een vertegenwoordiger in Nederland (zie [artikel 9:1, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1)).
### 2.4. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst
Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op burgers van de Unie en hun gezinsleden wier rechtmatig verblijf bij beschikking is beëindigd.
Het betreft de volgende categorieën:
Indien de vreemdeling de beroepstermijn ongebruikt laat, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie [artikel 73, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)). Omdat de beroepstermijn in het algemeen vier weken bedraagt, dient de vreemdeling in deze gevallen na het verstrijken van de ongebruikte beroepstermijn Nederland onmiddellijk te verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling reeds voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen nemen.
De vreemdeling wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, dient Nederland binnen vier weken op eigen gelegenheid te verlaten op grond van [artikel 62, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62). De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) is geëindigd. De vreemdeling dient Nederland binnen deze termijn op eigen gelegenheid te verlaten. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.
### 2.5. Verwijdering van gezinsleden
### 3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
### 3.1. Toekennen van een vertrektermijn voor zelfstandig vertrek
Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
De vertrektermijn wordt op grond van [artikel 62, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), onthouden indien:
Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken wordt op grond van [artikel 6.1, lid 1en 2, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.1) aangenomen ten minste twee van de feiten of omstandigheden als bedoeld in [artikel 5.1b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b) op de vreemdeling van toepassing zijn. Een dergelijk risico zal niet worden aangenomen bij een eerste asielaanvraag.
Bij de uitleg van voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 5.1b, lid 1 onder j, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b) wordt aangesloten bij de bestaande invulling van dit begrip in [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en [Vc B1/4.3.3](onbekend).
Van de mogelijkheid om de vertrektermijn te onthouden wegens kennelijke ongegrondheid van de verblijfsaanvraag wordt geen gebruik gemaakt, aangezien kennelijke ongegrondheid van de verblijfsaanvraag als afwijzingsgrond niet is beschreven in de nationale wetgeving.
### 3.4. Verlengen van de vrijwillige vertrektermijn
Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
Bij EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), is verkorting of onthouding van de vertrektermijn alleen mogelijk in naar behoren aantoonbare dringende gevallen (zie [artikel 8.24, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24) en A6/5.3.3.7). Hiervan is slechts sprake bij een actuele, werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging van de openbare orde
### 3.4.2. Procedure
### 4.2.1. De diplomatieke vertegenwoordiging wijst de aanvraag af
Het verkorten of onthouden van de vertrektermijn heeft overigens geen gevolg voor de termijn waarbinnen de vreemdeling bezwaar of beroep kan instellen. Deze termijn blijft in genoemde situaties in het algemeen vier weken, tenzij de aanvraag in de algemene asielprocedure wordt afgedaan, in welk geval de beroepstermijn een week bedraagt (zie [artikel 69, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69)).
De vreemdeling die reeds eerder een terugkeerbesluit heeft gehad en niet heeft voldaan aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting (inclusief vertrektermijn) krijgt op grond van [artikel 62a, eerste lid, en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a) in beginsel niet opnieuw een vertrektermijn. De gedachte hierachter is dat deze vreemdeling een eerder opgelegde vertrektermijn ongebruikt heeft laten verstrijken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een vreemdeling die een opvolgende aanvraag indient, terwijl niet gebleken is dat hij gehoor heeft gegeven aan een eerder opgelegd terugkeerbesluit met vertrektermijn. Indien de aanvraag van de vreemdeling wordt afgewezen, wordt een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin de vertrektermijn wordt onthouden en een inreisverbod wordt opgelegd in overeenstemming met A5/1 (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1).
Een vreemdeling kan een verzoek in persoon indienen bij één van de loketten van de IND. Voor het maken van een afspraak bij één van deze loketten maakt de vreemdeling een telefonische afspraak via de Afdeling Telefonie van de IND (0900-12345).
Van belang is dat de beambte die de beslissing over de verlenging neemt de vreemdeling (mondeling) in de gelegenheid kan stellen om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. Gezien de aard van het verzoek en de geldende termijnen wordt hiervoor niet afzonderlijk herstel verzuim geboden, zodat zo mogelijk direct een beschikking kan worden gegeven.
Op grond van [artikel 62, derde lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), wordt zo nodig de termijn voor het zelfstandig vertrek met een passende periode verlengd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval.
Op grond van [artikel 62, derde lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), wordt zo nodig de termijn voor het zelfstandig vertrek met een passende periode verlengd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval.
### 3.4.2. Procedure
Het indienen dan wel het inwilligen van een verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn levert geen rechtmatig verblijf op. De bevoegdheid om tot uitzetting over te gaan wordt bij inwilliging van het verzoek opgeschort tot het einde van de verlengde vertrektermijn. De vreemdeling blijft echter gehouden om gedurende deze verlengde periode zelfstandig aan zijn vertrek te werken.
De individuele omstandigheden kunnen gelegen zijn in de verblijfsduur, het feit dat er schoolgaande kinderen zijn, en het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden. Hierbij kan worden gedacht aan de begrafenis van een familielid of het vertrek tijdens schoolvakanties. Hierbij dient echter ook voldaan te worden aan het overigens gestelde in deze paragraaf.
Een vreemdeling kan een verzoek in persoon indienen bij één van de loketten van de IND. Voor het maken van een afspraak bij één van deze loketten maakt de vreemdeling een telefonische afspraak via de Afdeling Telefonie van de IND (0900-12345).
Van belang is dat de beambte die de beslissing over de verlenging neemt de vreemdeling (mondeling) in de gelegenheid kan stellen om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. Gezien de aard van het verzoek en de geldende termijnen wordt hiervoor niet afzonderlijk herstel verzuim geboden, zodat zo mogelijk direct een beschikking kan worden gegeven.
Ook kan een verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn per brief worden ingediend bij de DT&V, tijdens vertrekgesprekken met de regievoerder. De DT&V verzorgt dan de doorgeleiding naar de IND.
Tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn staat op grond van [artikel 75 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) beroep bij de rechtbank open. Het indienen van een beroepschrift schort de vertrektermijn niet op. Ook een eventueel in te dienen verzoek om voorlopige voorziening schort de vertrektermijn niet op.
De voorwaarden voor het verlengen van de vrijwillige vertrektermijn staan beschreven in [artikel 6.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=6.3). Het verlengen van de vrijwillige vertrektermijn is bedoeld voor de vreemdeling, die zijn terugkeermogelijkheid in de vrijwillige vertrektermijn heeft gerealiseerd, maar vanwege individuele omstandigheden tijdelijk nog niet kan vertrekken. De verlenging van de vrijwillige vertrektermijn zal daarom ook slechts voor beperkte duur plaatsvinden.
Indien voorzienbaar is dat de reden voor het vragen van uitstel van het vertrek betrekking heeft op een langere tijd, volgt uit het systeem van de wet dat voor dat doel een verblijfsvergunning dient te worden aangevraagd. Om die reden kan in beginsel geen verlenging van de vertrektermijn voor meer dan drie maanden aan de orde zijn. Indien vertrek binnen de beoogde vertrektermijn niet voldoende verzekerd is, wordt het verzoek om een langere vertrektermijn afgewezen.
De individuele omstandigheden kunnen gelegen zijn in de verblijfsduur, het feit dat er schoolgaande kinderen zijn en het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden. Hierbij kan worden gedacht aan de begrafenis van een familielid of het vertrek tijdens schoolvakanties. Hierbij dient echter ook voldaan te worden aan het overigens gestelde in deze paragraaf.
De vreemdeling dient (op korte termijn) te beschikken over documenten, waarmee hij daadwerkelijk Nederland uit kan reizen. De verlenging van de vrijwillige vertrektermijn is niet bedoeld om voor onbepaalde duur te werken aan het verkrijgen van reisdocumenten. Wanneer een (vervangend) reisdocument aanwezig is en de geldigheidsduur van het betreffende document beperkt is, zal de vertrektermijn in beginsel niet langer verlengd worden dan tot enkele dagen voor het aflopen van de geldigheid van dit (vervangende) reisdocument.
### 6. Uitzetting
De vertrektermijn wordt niet verlengd om redenen van medische aard. Indien er een medisch beletsel is om te vertrekken, wordt de procedure inzake [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) doorlopen.
Tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn staat bezwaar open. Het indienen van een bezwaarschrift schort de vertrektermijn niet op. Ook een eventueel in te dienen verzoek om voorlopige voorziening schort de vertrektermijn niet op.
In de gevallen waarin onmiddellijke uitzetting door middel van overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten of door plaatsing aan boord van een schip of een vliegtuig mogelijk is (zie A4/8) zal in beginsel geen (vervangend) reisdocument en de eventueel benodigde (transit)visa en re-entry permit bij de betreffende buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging worden aangevraagd. Indien de uitzetting van een vreemdeling als hier bedoeld niet op de voorgeschreven wijze kan worden geëffectueerd, dient contact te worden opgenomen met de DT&V.
Voor het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument wordt veelal door de betreffende buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging verlangd dat de vreemdeling in persoon bij haar verschijnt. Ten behoeve van een presentatie aan de betreffende diplomatieke vertegenwoordiging kan de vreemdeling door de DT&V worden uitgenodigd, dan wel door de vreemdelingenpolitie of KMar worden gevorderd te verschijnen (zie [M90A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M90-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)). Met deze presentatie wordt beoogd de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen en een (vervangend) reisdocument te verkrijgen. Op grond van [artikel 63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) is de vreemdeling gehouden medewerking te verlenen aan de presentatie en het interview met de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging.
### 4.1. Aanvragen reisdocumenten
Wanneer een vreemdeling niet zelfstandig Nederland verlaat, kan uitzetting aan de orde komen (zie A4/6).
In het kader van een uitzetting van een vreemdeling die niet beschikt over een (geldig) reisdocument, wordt pas een (vervangend) reisdocument aangevraagd wanneer de uitzetting niet geëffectueerd kan worden op basis van een terug- of overnameovereenkomst of werkafspraken dan wel een claim op een vervoerder ([artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65)).
In een aantal gevallen is uitzetting van een vreemdeling aan wie geen (verder) verblijf in Nederland is toegestaan niet onmiddellijk uitvoerbaar, omdat deze niet over een (geldig) reisdocument beschikt op grond waarvan zijn toegang tot zijn land van herkomst of een ander land is gewaarborgd. Om na te gaan of de vreemdeling bij een andere ketenpartner bekend is, dient in die gevallen de vreemdelingenadministratie te worden geraadpleegd. Ter vaststelling van de nationaliteit en identiteit kan hier onder andere worden gedacht aan het vergelijken van foto’s en vingerafdrukken. Ter vaststelling van de nationaliteit van een vreemdeling kan in bijzondere gevallen gebruik worden gemaakt van de bij de IND aanwezige expertise op het gebied van taalanalyse.
Indien de uit te zetten vreemdeling niet in het bezit is van een (geldig) reisdocument of re-entry permit op grond waarvan de toegang tot het land van bestemming en zijn eventuele doorreis door een derde land is gewaarborgd, kan de DT&V zo spoedig mogelijk een (vervangend) reisdocument en de eventueel benodigde (transit)visa en re-entry permit aanvragen bij de betreffende buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging. Het verzoek tot een vervangend reisdocument wordt opgemaakt door de DT&V bij voorkeur in gezamenlijkheid met de betreffende vreemdeling. Indien de vreemdeling beschikt over (kopieën van) documenten die zijn identiteit of nationaliteit kunnen onderbouwen worden kopieën hiervan bij het verzoek gevoegd. In geen geval wordt in het verzoek om een (vervangend) reisdocument asielgerelateerde informatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging verstrekt.
In de gevallen waarin onmiddellijke uitzetting door middel van overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten of door plaatsing aan boord van een schip of een vliegtuig mogelijk is (zie A4/8) zal in beginsel geen (vervangend) reisdocument en de eventueel benodigde (transit)visa en re-entry permit bij de betreffende buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging worden aangevraagd. Indien de uitzetting van een vreemdeling als hier bedoeld niet op de voorgeschreven wijze kan worden geëffectueerd, dient contact te worden opgenomen met de DT&V.
Voor het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument wordt veelal door de betreffende buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging verlangd dat de vreemdeling in persoon bij haar verschijnt. Ten behoeve van een presentatie aan de betreffende diplomatieke vertegenwoordiging kan de vreemdeling door de DT&V worden uitgenodigd, dan wel door de vreemdelingenpolitie of KMar worden gevorderd te verschijnen (zie [M90A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M90-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01)). Met deze presentatie wordt beoogd de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen en een (vervangend) reisdocument te verkrijgen. Op grond van [artikel 63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) is de vreemdeling gehouden medewerking te verlenen aan de presentatie en het interview met de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging.
De diplomatieke vertegenwoordiging wordt, evenals andere autoriteiten van het (vermoedelijke land van herkomst), nimmer op de hoogte gesteld van het feit dat de vreemdeling eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland of in enig ander land. Er kan slechts worden aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en om die reden Nederland dient te verlaten dan wel dat hij gehouden is om medewerking te verlenen aan de voorbereiding van zijn vertrek. Voorafgaande aan de presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging zal de vreemdeling in een vertrekgesprek met de DT&V en door middel van een informatiebulletin worden geïnformeerd omtrent het feit dat hij niet is gehouden om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de reden van zijn verblijf hier te lande. Aan de vreemdeling zal een kopie worden verstrekt van de aanvraag om een (vervangend) reisdocument, zoals deze is ingediend bij de diplomatieke vertegenwoordiging.
Bij contacten met de diplomatieke vertegenwoordiging ter verkrijgen van de voor het vertrek benodigde (vervangende) reisdocumenten past enige terughoudendheid in de fase dat nog niet door de rechter is beslist op een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag.
Dit betekent in beginsel dat het aanvragen van een (vervangend) reisdocument, re-entry permit, of identiteitsonderzoek alsook de presentatie (in persoon) van de vreemdeling bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst, indien het om een asielzoeker gaat, pas dient te geschieden na een uitspraak van de rechter in beroep, of, wanneer het indienen van een rechtsmiddel geen opschortende werking heeft (hoger beroep), tot het moment waarop de rechter heeft geoordeeld over het eventuele verzoek om een voorlopige voorziening.
### 4.2.1. De diplomatieke vertegenwoordiging wijst de aanvraag af
### 6. Uitzetting
De situatie waarin er sprake is van een vrijheidsontnemende maatregel vormt daarop eveneens een uitzondering. Ook in dat geval kan de DT&V, ook indien de rechter nog niet heeft beslist op een door een asielzoeker ingediend verzoek om een voorlopige voorziening en/of ingesteld beroep, zich voor het aanvragen van een (vervangend) reisdocument, re-entry permit of identiteitsonderzoek wenden tot de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst.
### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
Is de vreemdeling in een huis van bewaring, een gevangenis, een TBS-inrichting of een soortgelijke inrichting opgenomen, dan dient het (vervangend) reisdocument zo mogelijk reeds tijdens zijn verblijf in die inrichting te worden aangevraagd, opdat de uitzetting zo spoedig mogelijk, bij voorkeur onverwijld, na het ontslag kan plaatsvinden (zie A4/10.1).
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en de betrokken ambtenaren van de IND zien erop toe dat nimmer aantekeningen in reis- of identiteitsdocumenten van asielzoekers worden geplaatst.
Indien inlegbladen en identiteitsdocumenten als hier bedoeld bij de vreemdelingen worden aangetroffen, dienen deze te worden ingehouden en door tussenkomst van de DT&V te worden toegezonden aan de betrokken ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Bij inname van het reis- of identiteitsdocument dient aan de vreemdeling een ontvangstbewijs te worden verstrekt (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) alsmede een informatiefolder te worden overhandigd.
Indien niet aannemelijk is geworden dat betrokkene zich zelfstandig kan handhaven (zie [B14/2.2.3](onbekend)), dient bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld te zijn, tenzij in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten van het land van herkomst of een ander land waar betrokkene redelijkerwijs heen kan gaan, zorgdragen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen. In dat geval rust op de Nederlandse overheid geen taak om te treden in de wijze van opvang van de minderjarigen.
Indien de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een (vervangend) reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging en hij overigens niet aan de buitenlandse grensautoriteiten kan worden overgegeven, dan wel uit Nederland worden verwijderd door middel van plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig (zie A4/8) en er daarnaast geen sprake is van de situatie dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (zie [B14/3](onbekend)), dient hem te worden aangezegd dat hij Nederland moet verlaten.
### 4.2.2. Afgifte van een EU-staat
In voorkomende gevallen kan het vertrek uit Nederland plaatsvinden met behulp van een EU-staat als bedoeld in de Aanbeveling van de Raad van 30 november 1994 betreffende de aanneming van een standaard-reisdocument voor de verwijdering van onderdanen van derde landen (Publicatieblad Nr. C 274 van 19/09/1996 blz. 18-19, zie [model M80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M80&z=2012-07-01&g=2012-07-01)). Dit document wordt afgegeven door de Nederlandse overheid indien de nationaliteit van de vreemdeling voldoende aannemelijk is. De EU-staat kan worden gebruikt bij terugkeer naar het land van herkomst, maar in voorkomende gevallen ook bij de terugkeer naar een ander land. Tevens kan het document worden gebruikt als ondersteunend reisdocument bij overdracht naar andere Europese landen.
Aantekeningen omtrent verwijdering mogen nimmer worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:
### 4.3. Het inhouden van documenten
Indien inlegbladen en identiteitsdocumenten als hier bedoeld bij de vreemdelingen worden aangetroffen, dienen deze te worden ingehouden en door tussenkomst van de DT&V te worden toegezonden aan de betrokken ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Bij inname van het reis- of identiteitsdocument dient aan de vreemdeling een ontvangstbewijs te worden verstrekt (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) alsmede een informatiefolder te worden overhandigd.
### 4.4. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
### 4.4. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
Gevaar voor moeilijkheden met het oog op doorreis, door of toelating tot, derde landen zal niet bestaan indien:
Bij uitzetting van een vreemdeling door middel van overgave aan de Belgische grensautoriteiten blijft – tenzij de Minister een andersluidende aanwijzing heeft gegeven – het stellen van een aantekening omtrent verwijdering in het reisdocument steeds achterwege indien de vreemdeling bestemd is om uit het Beneluxgebied te worden verwijderd.
Aantekeningen omtrent verwijdering mogen nimmer worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
Voor de eventuele intrekking van de resterende geldigheidsduur van een visum, zie A2/4.3.7.
De IOM in Nederland bemiddelt bij het zelfstandig vertrek of hervestiging van vreemdelingen die Nederland willen verlaten en biedt daartoe het REAN-programma aan. Het REAN-programma is gericht op de uitvoering van een humaan en effectief beleid voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging van bepaalde categorieën vreemdelingen. Om dit doel te bereiken, gebaseerd op haar mandaat en afhankelijk van de beschikbare middelen, heeft de IOM-missie in Nederland tot taak voorlichting te geven, aanvragen voor vertrek in behandeling te nemen, de reis te arrangeren en het vertrek te begeleiden. Indien het vertrek of de hervestiging feitelijk kan worden gerealiseerd, draagt de IOM ook zorg voor het uitkeren van financiële bijdragen voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging in een derde land. Voorts kan de IOM voor bepaalde categorieën vertrekkers, zoals Amv’s, specifieke voorzieningen treffen.
### 5.2. Procedure
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
Het hoofd van de desbetreffende grensdoorlaatpost of het overgaveovernamepunt geeft het reisdocument aan de vreemdeling terug nadat deze het ontvangstbewijs voor terugontvangst (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) heeft ondertekend en controleert of de vreemdeling inderdaad het land verlaat. Vervolgens stelt het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt op het ingehouden ontvangstbewijs een verklaring waaruit blijkt dat het vertrek van de vreemdeling is gecontroleerd en zendt hij het ontvangstbewijs terug aan de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die het heeft afgegeven.
Indien de vreemdeling zich niet op de afgesproken tijd en plaats bij het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt heeft vervoegd, of indien de uitreis van de vreemdeling vertraging ondervindt, dan wel op moeilijkheden stuit, geeft het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt aanstonds kennis aan de betrokken vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar, teneinde overleg te plegen omtrent de ter zake te volgen gedragslijn.
Indien een aanvraag is goedgekeurd, organiseert IOM de reis en stelt de eventueel uit te keren financiële bijdrage voor de eerste kosten van levensonderhoud vast. De vreemdeling is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten. Indien de DT&V, vreemdelingenpolitie, de ZHP, de KMar of de IND in het bezit is van (vervangende) reisdocumenten, worden deze zoveel mogelijk gebruikt in het zelfstandige vertrektraject dat wordt gefaciliteerd door IOM.
Indien de vreemdeling in het bezit is van een (elektronisch) W-document dient hij dit voorafgaand aan zijn vertrek bij de vreemdelingenpolitie in te leveren.
De IOM in Nederland bemiddelt bij het zelfstandig vertrek of hervestiging van vreemdelingen die Nederland willen verlaten en biedt daartoe het REAN-programma aan. Het REAN-programma is gericht op de uitvoering van een humaan en effectief beleid voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging van bepaalde categorieën vreemdelingen. Om dit doel te bereiken, gebaseerd op haar mandaat en afhankelijk van de beschikbare middelen, heeft de IOM-missie in Nederland tot taak voorlichting te geven, aanvragen voor vertrek in behandeling te nemen, de reis te arrangeren en het vertrek te begeleiden. Indien het vertrek of de hervestiging feitelijk kan worden gerealiseerd, draagt de IOM ook zorg voor het uitkeren van financiële bijdragen voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging in een derde land. Voorts kan de IOM voor bepaalde categorieën vertrekkers, zoals Amv’s, specifieke voorzieningen treffen.
### 5.2. Procedure
De procedure voor vertrek onder het REAN-programma is hieronder kort samengevat en toegelicht:
IOM informeert de vreemdeling over de ondersteuning die IOM kan verlenen bij terugkeer naar het land van herkomst en doormigratie. Indien de vreemdeling gebruik wenst te maken van de ondersteuning van IOM kan deze een aanvraag voor vertrek indienen. Gelijktijdig wordt door de vreemdeling het formulier ondertekend waarin hij verklaart geen bezwaar te hebben tegen het uitwisselen van voor het vertrek relevante gegevens tussen IOM, de IND en de DT&V.
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
Indien een aanvraag is goedgekeurd, organiseert IOM de reis en stelt de eventueel uit te keren financiële bijdrage voor de eerste kosten van levensonderhoud vast. De vreemdeling is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten. Indien de DT&V, vreemdelingenpolitie, de ZHP, de KMar of de IND in het bezit is van (vervangende) reisdocumenten, worden deze zoveel mogelijk gebruikt in het zelfstandige vertrektraject dat wordt gefaciliteerd door IOM.
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
De uitreisformaliteiten op de luchthaven worden afgehandeld door IOM. Indien sprake is van vrijheidsbeperkende maatregelen, of wanneer de vreemdeling vanuit vreemdelingenbewaring vertrekt, wordt de vreemdeling door de KMar overgedragen aan IOM. Voor overgave aan IOM heft de ambtenaar belast met de grensbewaking de vrijheidsbeperkende maatregel of de vreemdelingenbewaring op. In die gevallen ontvangt de KMar schriftelijk bericht van IOM dat de vreemdeling daadwerkelijk is vertrokken.
Alvorens tot uitzetting over te gaan van een Amv van wie de asielaanvraag is afgewezen, dient contact opgenomen te worden met de DT&V en de IND. De voogd wordt op de hoogte gesteld van het besluit dat de betrokkene wordt uitgezet en van de wijze waarop de uitzetting zal plaatsvinden.
Indien het hoofd van een gezin uit Nederland moet worden verwijderd, geldt als algemene regel dat de tot zijn gezin behorende vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer krachtens een van de bepalingen van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) is toegestaan in Nederland te verblijven, zoveel mogelijk met het hoofd van het gezin verwijderd dienen te worden. Indien al dan niet door toedoen van een gezinslid gezamenlijk vertrek van het gezin niet mogelijk is, kan gescheiden verwijdering pas plaatsvinden nadat de zaak is beoordeeld en getoetst door de DT&V.
Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is van rechtswege het gevolg van het niet verlenen, niet verlengen of intrekken van de vergunning, het eindigen van het rechtmatig verblijf, of het niet rechtmatige verblijf. In de [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45) en [63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet indien hij Nederland niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan op het moment van het doen van zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, is met die uitspraak bevestigd dat de vreemdeling Nederland dient te verlaten.
### 7.1. Beleid
Van belang is dat in het kader van de uitzetting nimmer aan de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling, noch aan autoriteiten van het land van doorreis of bestemming, mag worden medegedeeld, of documenten mogen worden verstrekt waaruit blijkt dat de vreemdeling eerder een asielaanvraag heeft ingediend. Om te voorkomen dat deze informatie de genoemde autoriteiten bereikt, mag ook nimmer aan het personeel van de vervoersmaatschappij waarmee de vreemdeling wordt uitgezet, worden medegedeeld dat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Er kan slechts worden aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland (meer) heeft en om die reden Nederland dient te verlaten.
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
Alvorens tot uitzetting over te gaan van een Amv van wie de asielaanvraag is afgewezen, dient contact opgenomen te worden met de DT&V en de IND. De voogd wordt op de hoogte gesteld van het besluit dat de betrokkene wordt uitgezet en van de wijze waarop de uitzetting zal plaatsvinden.
Indien het hoofd van een gezin uit Nederland moet worden verwijderd, geldt als algemene regel dat de tot zijn gezin behorende vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer krachtens een van de bepalingen van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) is toegestaan in Nederland te verblijven, zoveel mogelijk met het hoofd van het gezin verwijderd dienen te worden. Indien al dan niet door toedoen van een gezinslid gezamenlijk vertrek van het gezin niet mogelijk is, kan gescheiden verwijdering pas plaatsvinden nadat de zaak is beoordeeld en getoetst door de DT&V.
Ten aanzien van vreemdelingen die door de KMar in het kader van het MTV zijn aangetroffen, is de Commandant der KMar verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de overdracht aan Duitsland of België via de landsgrenzen. Vreemdelingen die in het kader van het vreemdelingentoezicht worden aangetroffen en die zonder formaliteiten via de landgrenzen met België of Duitsland kunnen worden overgedragen, worden door de politie aan de KMar overgedragen. De KMar zorgt voor de overdracht. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin na toegangsweigering door de ambtenaar belast met de grensbewaking, de KMar of ZHP in staat is binnen afzienbare tijd te realiseren dat de vreemdeling wordt verwijderd. In alle andere gevallen is de DT&V verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de uitzetting.
In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:
De uitzetting van een onderdaan van de EU/EER of van Zwitserland, die na beëindiging van het verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of gezondheid, tijdig een voorlopige voorziening heeft ingediend blijft achterwege. Hierop zijn de volgende uitzonderingen mogelijk (zie [artikel 8.24, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24)):
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
### 7.2. Procedure
In het algemeen zal bij ongewenstverklaring sprake zijn van zowel de onder a als b beschreven situatie (zie [artikel 8.24, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24)).
De DT&V is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. Hierop gelden een paar uitzonderingen.
Ten aanzien van vreemdelingen die door de KMar in het kader van het MTV zijn aangetroffen, is de Commandant der KMar verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de overdracht aan Duitsland of België via de landsgrenzen. Vreemdelingen die in het kader van het vreemdelingentoezicht worden aangetroffen en die zonder formaliteiten via de landgrenzen met België of Duitsland kunnen worden overgedragen, worden door de politie aan de KMar overgedragen. De KMar zorgt voor de overdracht. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin na toegangsweigering door de ambtenaar belast met de grensbewaking, de KMar of ZHP in staat is binnen afzienbare tijd te realiseren dat de vreemdeling wordt verwijderd. In alle andere gevallen is de DT&V verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de uitzetting.
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
Over het algemeen vindt uitzetting plaats via één van de uitzetcentra, ook als het gaat om een groepsgewijze uitzetting per overheidsvlucht. Vreemdelingen die zijn aangetroffen in het grensgebied in het kader van het MTV of in het kader van het binnenlands vreemdelingentoezicht kunnen ook zonder plaatsing in een uitzetcentrum worden uitgezet (zie A4/6.3).
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
Middels [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-07-01&g=2012-07-01) worden aan de KMar of ZHP vooraf alle omstandigheden gemeld, waaronder het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht.
### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
In [artikel 23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23a) en [23b Ambtsinstructie voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23b) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.
[Artikel 23a Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23a) bevat de voorwaarden waaronder hulpmiddelen kunnen worden ingezet.
### 6.11. Bericht van ontruiming
De informatie over het gedrag van de vreemdeling opgenomen in de checklist/ geleidebrief (zie [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) dient bij deze inschatting te worden betrokken. De gezagvoerder van het luchtvaartuig dient vooraf, in een zo vroeg mogelijk stadium, te worden geïnformeerd in geval van aanwending hulpmiddelen bij het aan boord brengen van de vreemdeling. Na het sluiten van de vliegtuigdeuren kan enkel in overleg met en na toestemming van de gezagvoerder van het luchtvaartuig worden overgegaan tot het aanwenden van hulpmiddelen.
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 7.1. Beleid
Aan de vreemdeling wordt in overeenstemming met hetgeen is gesteld in artikel 19, derde lid en artikel 20, eerste lid, onder d, [Verordening 343/2003](32003R0343), zodra hierover meer bekend is, de datum van overdracht bekend gemaakt.
### 6.7. Uitzetting via transitluchthaven in een EU-lidstaat
Het verzoek om al dan niet begeleide doorgeleiding door de lucht en de daarmee verbonden ondersteuningsmaatregelen moet door de KMar schriftelijk worden ingediend bij de aangezochte lidstaat. Hiertoe dient gebruik te worden gemaakt van het formulier dat is opgenomen in de bijlage bij [richtlijn 2003/110](32003L0110). Het verzoek moet zo vroeg mogelijk, doch ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding, in de aangezochte lidstaat aankomen. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen mag deze termijn korter zijn. De aangezochte lidstaat dient onmiddellijk, in ieder geval binnen twee dagen, een beslissing op het verzoek bekend te maken. Deze termijn kan, in gemotiveerde gevallen, met ten hoogste 48 uur worden verlengd. Zonder instemming van de aangezochte staat wordt niet met de doorgeleiding door de lucht begonnen. Indien de aangezochte lidstaat niet binnen de gestelde termijn antwoordt, kan met de doorreis worden begonnen door middel van een kennisgeving.
### 6.11. Bericht van ontruiming
Vreemdelingen worden onmiddellijk teruggenomen van de aangezochte lidstaat wanneer:
Aan de asielzoeker wordt verstrekt:
Indien in het kader van de [Verordening 343/2003](32003R0343) een claim is gehonoreerd en het asielverzoek derhalve op grond van [artikel 30, eerste lid onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) wordt afgewezen, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling uitgereikt en wordt hem mededeling gedaan door welk land zijn asielverzoek zal worden behandeld. Voorts wordt hem meegedeeld dat hij krachtens de [Verordening 343/2003](32003R0343) en met inachtneming van de nationale regelgeving zal worden overgedragen.
Aan de vreemdeling wordt in overeenstemming met hetgeen is gesteld in artikel 19, derde lid en artikel 20, eerste lid, onder d, [Verordening 343/2003](32003R0343), zodra hierover meer bekend is, de datum van overdracht bekend gemaakt.
Op grond van artikel 19, derde lid, of artikel 20, eerste lid, onder d, [Verordening 343/2003](32003R0343) wordt de vreemdeling, zodra het praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening – wanneer dit opschortende werking heeft – overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Ingevolge artikel 19, vierde lid, of artikel 20, tweede lid, [Verordening 343/2003](32003R0343) kan de termijn tot overdacht tot maximaal één jaar worden verlengd indien de overdracht wegens detentie niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd. De termijn tot overdracht kan tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd wegens onderduiking van de asielzoeker.
De DT&V dient derhalve de overdracht zo spoedig mogelijk en bij voorkeur binnen deze termijn van zes maanden te regelen. Het feit dat een eventuele overdracht nog niet rond is, doet geen (verlengd) recht op opvang ontstaan. De vreemdeling is na een geaccordeerd verzoek immers op de hoogte welke lidstaat zijn asielverzoek in behandeling neemt en kan een beroep doen op de daar geldende faciliteiten.
### 7.3. Inwilliging
Nederland heeft internationaal de verplichting er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de asielzoeker zich niet zal onttrekken aan de overdracht. De Commandant der KMar en/of de DT&V beoordeelt daarom of de asielzoeker zich zelfstandig of begeleid naar het land van bestemming dient te begeven. De IND heeft hierin een adviserende rol. Vaak blijkt ook uit het geaccordeerde verzoek of begeleide overdracht gewenst is.
Aan de asielzoeker wordt verstrekt:
Naar het land van bestemming wordt gezonden:
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
### 7.2. Procedure
Het onder begeleiding uit Nederland doen vertrekken van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, die zich zelfstandig heeft gemeld bij de KMar of de ZHP op een luchthaven of zeehaven voor het verkrijgen van reisdocumenten.
Verwijderde vreemdelingen kunnen worden gesignaleerd in het (N)SIS of het OPS, zie hiervoor A3/9. De vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar dient hiertoe een voorstel tot signalering in bij de IND (model [M93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M93&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
Het met de sterke arm in persoon overdragen aan de autoriteiten van het aangrenzende Schengenland (Duitsland of België) van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die bij een MTV-controle is aangetroffen.
De vreemdelingenpolitie (in de hieronder genoemde gevallen onder g t/m i) of de KMar (in de hieronder genoemde gevallen onder a t/m g en j) dient het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit Nederland door toezending van een bericht (zie [model M100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) aan de IND en de DT&V en, indien van toepassing, aan de opvangverlenende instantie, te melden. Indien het vertrek is gefaciliteerd door de IOM, blijft toezending van dit bericht achterwege (zie A4/5). De IND verstrekt dan wel voorafgaand aan het vertrek informatie aan de IOM over eventuele ketenpartners die door de IOM van het uiteindelijke vertrek op de hoogte moeten worden gesteld.
Bij toezending van het formulier Bericht van vertrek (zie [model M100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) dient te worden aangegeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken. De vertrekcategorieën zijn:
Verwijdering met de sterke arm uit Nederland van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling (inclusief Dublinclaimanten en personen vallende onder andere overdrachtsovereenkomsten). Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
Verwijdering met de sterke arm uit Nederland van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die is aangehouden op grond van verdenking van het plegen van strafbare feiten (zijnde misdrijven en overtredingen). Zie hiervoor A4/10.1. Tot deze vertrekcategorie behoort ook de vreemdeling die voorafgaand aan zijn uitzetting op een bepaald moment vanuit het strafrechttraject in vreemdelingenbewaring is gesteld. De verwijderde geweigerde vreemdeling die strafrechtelijk is of wordt vervolgd, valt niet onder deze vertrekcategorie.
Het onder begeleiding uit Nederland doen vertrekken van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, die zich zelfstandig heeft gemeld bij de KMar of de ZHP op een luchthaven of zeehaven voor het verkrijgen van reisdocumenten.
Het met de sterke arm aan de landgrenzen doen vertrekken van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die tijdens een MTV-controle is aangetroffen. De vreemdeling wordt hierbij niet in persoon overgedragen aan de autoriteiten van België of Duitsland.
Het met de sterke arm in persoon overdragen aan de autoriteiten van het aangrenzende Schengenland (Duitsland of België) van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die bij een MTV-controle is aangetroffen.
Het doen van de aanzegging Nederland te verlaten bij het opheffen van de vreemdelingenbewaring van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling. De aanzegging dient te worden gegeven na opheffing van de inbewaringstelling aan vreemdelingen die weliswaar Nederland moeten verlaten, maar niet de Unie hoeven te verlaten.
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
In of na de vertrektermijn van de asielprocedure of reguliere procedure bij adrescontrole constateren dat de woonruimte van de vreemdeling definitief verlaten is. Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
Zelfstandig vertrek van een vreemdeling die, al dan niet na afloop van de vrije termijn, illegaal in Nederland heeft verbleven en die is aangetroffen bij uitreiscontrole aan de buitengrens. Voorzover de vreemdeling dit nog niet eerder heeft ontvangen, ontvangt de vreemdeling een terugkeerbesluit met een inreisverbod.
Als gezinsleden worden in dit verband aangemerkt:
Het COA dient de ontruiming van een vreemdeling uit de opvangvoorzieningen door toezending van een bericht (zie model [M100a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) aan de IND en de DT&V te melden.
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
In een aantal gevallen is uitzetting niet mogelijk, omdat de vreemdeling niet langer op zijn woonadres verblijft. Wanneer dit na een adrescontrole of op andere wijze duidelijk is gebleken, dient de vreemdelingenpolitie een bericht te zenden aan de IND en de DT&V (zie model [M100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100&z=2012-07-01&g=2012-07-01)). De in dit formulier opgenomen rubrieken dienen zo volledig mogelijk te worden ingevuld. De vreemdelingenpolitie doet hierbij een voorstel tot signalering (zie A3/9). Hierbij is van belang dat nagegaan wordt door de IND of de vreemdeling inmiddels rechtmatig verblijf heeft gekregen.
Als de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onvoldoende vast is komen te staan vraagt de IND, uitsluitend met het oog op de bepaling in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), slechts een gedeeltelijk advies op bij de medisch adviseur van BMA. De IND stelt aan de medisch adviseur slechts de vraag of de vreemdeling kan reizen en of er bij terugkeer in het land een medische noodsituatie ontstaat. De medisch adviseur zal in die gevallen geen advies worden gevraagd omtrent de vraag of medische behandeling in het land van herkomst mogelijk is. Aangezien het onderzoek naar de behandelmogelijkheden wordt gefrustreerd, door het niet kunnen aantonen van de identiteit en nationaliteit, wordt uitgegaan van het bestaan van behandelmogelijkheden.
De bescherming tegen uitzetting in deze gevallen moet uitdrukkelijk worden onderscheiden van de situatie waarin de vreemdeling medische behandeling in Nederland stelt te behoeven en om die reden in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning (zie [B8/2.1](onbekend)).
### 7.1. Beleid
Als gezinsleden worden in dit verband aangemerkt:
In de situatie dat ten aanzien van een minderjarig kind sprake is van het achterwege laten van de uitzetting, worden als gezinsleden aangemerkt:
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
De vreemdeling die een verzoek om toepassing [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) indient, overlegt bij voorkeur een geldig grensoverschrijdingsdocument. Indien het voor de vreemdeling niet mogelijk is een grensoverschrijdingsdocument te overleggen, dient de vreemdeling (op andere wijze) voldoende inzicht in zijn identiteit en nationaliteit te verschaffen middels aanvullende gegevens en bescheiden.
Als de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onvoldoende vast is komen te staan vraagt de IND, uitsluitend met het oog op de bepaling in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), slechts een gedeeltelijk advies op bij de medisch adviseur van BMA. De IND stelt aan de medisch adviseur slechts de vraag of de vreemdeling kan reizen en of er bij terugkeer in het land een medische noodsituatie ontstaat. De medisch adviseur zal in die gevallen geen advies worden gevraagd omtrent de vraag of medische behandeling in het land van herkomst mogelijk is. Aangezien het onderzoek naar de behandelmogelijkheden wordt gefrustreerd, door het niet kunnen aantonen van de identiteit en nationaliteit, wordt uitgegaan van het bestaan van behandelmogelijkheden.
De bescherming tegen uitzetting in deze gevallen moet uitdrukkelijk worden onderscheiden van de situatie waarin de vreemdeling medische behandeling in Nederland stelt te behoeven en om die reden in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning (zie [B8/2.1](onbekend)).
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling (zie [B8/3.4](onbekend)).
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan onder bepaalde voorwaarden ook toegepast worden in afwachting van de definitieve besluitvorming op het artikel 64 Vw verzoek (zie A4/ 7.3.1 en A4/7.3.2).
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) betreft een tijdelijke maatregel, enkel gericht op de opschorting van de uitzetting en/of de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Artikel 64 Vw geeft rechtmatig verblijf, maar geen verblijfsvergunning.
De vraag of op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) uitzetting achterwege moet blijven, kan zich niet eerder voordoen dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Derhalve kan de bescherming van artikel 64 Vw niet intreden indien en zolang de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft ingevolge [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Uitzondering hierop is de ambtshalve toets die de IND uit kan voeren in de parallelle procedure (zie A4/7.3.2).
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
Een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen en het rechtmatig verblijf ex [artikel 8, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) toe te kennen, wordt echter afgewezen ingeval het inreisverbod is gegeven met toepassing van [artikel 66a, zevende lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a).
De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan desalniettemin, gelet op de strekking van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), aanleiding zijn om tijdelijk geen gevolg te geven aan de bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten.
In dat geval blijft de uitzetting achterwege zonder dat sprake is van rechtmatig verblijf en zonder dat het inreisverbod wordt opgeheven. In dit geval gebeurt dit naar de ratio van (en niet ingevolge) [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64). Het stellen van een aantekening in het grensoverschrijdingsdocument blijft in deze gevallen achterwege.
### 7.2. Procedure
De redelijke termijn voor het indienen van de ontbrekende, relevante medische stukken bedraagt in beginsel een week, maar kan korter zijn in het geval de uitzetting op (zeer) korte termijn gepland is.
Een beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is, gelet op [artikel 1:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), een aanvraag in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). De aanvraag wordt, met uitzondering van de procedure beschreven in A4/7.2.1.1, schriftelijk gedaan bij de IND en dient steeds onderbouwd te zijn met alle gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling van de vraag of de uitzetting gelet op de gezondheid van betrokkene kan worden geëffectueerd.
Vreemdelingen die een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) willen indienen en nog niet bekend zijn bij de IND of eerder met onbekende bestemming zijn vertrokken, worden verzocht contact op te nemen met de IND over de te volgen procedure. Deze vreemdelingen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek om toepassing van artikel 64 Vw in persoon aan het IND-loket in te dienen. In het geval er reeds een schriftelijke aanvraag is ingediend, zal de vreemdeling worden verzocht zijn aanvraag aan het IND-loket aan te vullen door het aldaar laten vaststellen van zijn verblijfplaats in Nederland. De vraag of op grond van artikel 64 Vw uitzetting achterwege moet blijven, kan zich niet eerder voordoen dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Derhalve kan het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw zich niet voordoen zolang niet is gebleken van verblijf in Nederland. Het niet in persoon aan het IND-loket verschijnen kan derhalve reden zijn om het verzoek af te wijzen.
Het beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) moet de vreemdeling in ieder geval onderbouwen met:
Het bewijs omtrent de medische situatie vreemdeling mag op het moment van overleggen niet ouder zijn dan een maand.
Met uitsluitend mededelingen van de vreemdeling zelf wordt in beginsel geen genoegen genomen. Dit is slechts anders indien bij de DT&V of bij de ambtenaar belast met de uitzetting, dan wel ontruiming, reeds aanstonds en wegens concrete aanwijzingen het vermoeden rijst dat de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen. In dat geval zal de ambtenaar belast met de uitzetting dan wel de DT&V ook zonder nadere onderbouwing van het beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) zich ervan moeten vergewissen of de uitzetting achterwege moet blijven en hiertoe bij de IND een onderzoek (laten) instellen. In de meeste gevallen zal de medisch adviseur van het BMA door de IND om een advies worden gevraagd (zie B8/3).
Indien er geen medische stukken ter onderbouwing van de aanvraag worden ingediend en een ingevulde toestemmingsverklaring (zie [model M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) ontbreekt, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld binnen een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen en dit verzuim te herstellen. Indien de vreemdeling hier niet aan voldoet, kan de aanvraag worden afgewezen.
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 7.3.2. Inwilliging in de parallelle procedure in afwachting van definitieve besluitvorming
Een beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kent geen wettelijke beslistermijn in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Daarom is [artikel 4:13 tweede lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:13) van toepassing, waaruit volgt dat dient te worden beslist binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Deze redelijke termijn is in ieder geval na 8 weken verstreken. Ingevolge [artikel 4:14 derde lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14) kan deze beslistermijn eenmalig worden verlengd met een concreet benoemde termijn. Deze verlenging moet gezien de omstandigheden redelijk zijn. De verlenging van de beslistermijn is in deze gevallen in ieder geval redelijk omdat een medisch adviseur van BMA onderzoek bij derden moet doen naar de medische problematiek van de vreemdeling. Gelet hierop is een verlenging van de beslistermijn met 13 weken redelijk. Aan de vreemdeling wordt bekendgemaakt binnen welke termijn een beslissing op het verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan worden verwacht. De verlenging van de beslistermijn op basis van artikel 4.14 derde lid Awb staat los van opschorten van de beslistermijn als bedoeld in [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) juncto [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15).
Als gevolg van het medische advies dat in de rust en voorbereidingstermijn kan worden opgesteld, kunnen medische omstandigheden eerder worden onderkend. Deze omstandigheden worden zoveel mogelijk (ambtshalve) meegenomen tijdens de asielprocedure. Dit kan ook gelden voor medische omstandigheden die later in de procedure tot uiting komen, indien dit is onderbouwd. Bij een afwijzing van de asielaanvraag wordt in de meeromvattende beschikking beoordeeld of de medische omstandigheden grond zijn voor toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
Een uitgeprocedeerde asielzoeker kan in afwachting van een beslissing op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) krijgen, waardoor ingevolge de Rva recht op opvang ontstaat, indien door de vreemdeling, in afwijking van paragraaf 7.2.1.1, onderstaande procedure wordt gevolgd.
De vreemdeling neemt contact op met de IND over de te volgen procedure. De relevante medische gegevens van de vreemdeling worden, alvorens de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt ingediend, in een gesloten envelop voorzien van een stempel of aantekening “medisch geheim”, door de vreemdeling of de medische behandelaar aangeleverd aan de IND. Deze gegevens worden samen met een recente volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie [model M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01)), een recente verklaring omtrent de medische situatie van de vreemdeling, opgesteld door een behandelaar die, hetzij in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg, hetzij in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven en een kopie van een geldig reis- en/of identiteitsdocument naar de IND gestuurd.
### 6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring
Indien de IND de ontvangen stukken als compleet heeft beoordeeld, wordt de gesloten envelop met de medische gegevens naar het BMA gezonden. Tevens wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om ongeveer twee weken later een aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in persoon in te dienen bij de IND. Pas op het moment dat de aanvraag formeel is ingediend gaat de beslistermijn, ingevolge de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), lopen.
Deze periode is nodig om te kunnen vaststellen of de overgelegde relevante medische gegevens compleet zijn en of, gelet hierop, wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor opvang in afwachting van een beslissing op de aanvraag.
### 7.2.1.2. Medische aspecten parallel aan de asielprocedure
Als gevolg van het medische advies dat in de rust en voorbereidingstermijn kan worden opgesteld, kunnen medische omstandigheden eerder worden onderkend. Deze omstandigheden worden zoveel mogelijk (ambtshalve) meegenomen tijdens de asielprocedure. Dit kan ook gelden voor medische omstandigheden die later in de procedure tot uiting komen, indien dit is onderbouwd. Bij een afwijzing van de asielaanvraag wordt in de meeromvattende beschikking beoordeeld of de medische omstandigheden grond zijn voor toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
De IND toetst ambtshalve [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) parallel aan de asielprocedure wanneer hier aan de hand van voornoemd medisch advies danwel andere medisch relevante gegevens, die later in de procedure ingebracht worden, aanwijzingen voor zijn. Hierbij is het wel noodzakelijk dat de vreemdeling een recente, volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie [model M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) en bijvoorkeur een kopie van een geldig grensoverschrijdingsdocument heeft overgelegd. Indien het voor de vreemdeling niet mogelijk is een geldig grensoverschrijdingsdocument te overleggen dan dient de vreemdeling (op andere wijze) voldoende inzicht in zijn identiteit en nationaliteit te verschaffen middels aanvullende gegevens en bescheiden.
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt in beginsel niet toegepast wanneer de vreemdeling op grond van de verordening 343/2003 (Dublin verordening) overgedragen kan worden aan een bij de Dublinverordening aangesloten land waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen, omdat de medische voorzieningen vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten, tenzij de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat (zie hiervoor [C3/ 2.3.6.4](onbekend)).
### 7.5. Rechtsmiddelen
In beginsel zal echter geen gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot uitzetting, zolang op de aanvraag niet is beslist.
Het indienen van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen schort evenmin de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva op (zie [C23/2.3.3](onbekend)).
Bij de beoordeling van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen wordt indien nodig door de IND de medisch adviseur van het BMA geraadpleegd. De IND zendt de voor het opstarten van een medisch advies relevante stukken naar het BMA met het verzoek om een advies uit te brengen. Het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door de medisch adviseur van het BMA dan wel een andere arts die door de medisch adviseur hiertoe wordt ingeschakeld.
Als de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onvoldoende vast is komen te staan, vraagt de IND, uitsluitend met het oog op de bepaling in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), slechts een gedeeltelijk advies op bij de medisch adviseur van BMA. De IND stelt aan de medisch adviseur slechts de vraag of de vreemdeling kan reizen en of er sprake is van medische noodsituatie. De medisch adviseur zal in die gevallen geen advies worden gevraagd omtrent de vraag of medische behandeling in het land van herkomst mogelijk is.
Indien een uitgeprocedeerde asielzoeker in afwachting van de besluitvorming op een aanvraag om toepassing [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) opvang wenst dient hij/zij, zoals aangegeven in paragraaf 7.2.1.1, voorafgaand aan het indienen van de aanvraag zijn/haar relevante medische gegevens te overleggen. Het BMA beoordeelt of de relevante medische gegevens compleet zijn. Indien deze compleet zijn wordt het adviestraject gestart. Indien deze niet compleet zijn informeert de IND de vreemdeling hierover mondeling en/of schriftelijk.
De vreemdeling en zijn gezinsleden krijgen krachtens [artikel 8, aanhef en onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (wederom) rechtmatig verblijf. De vertrekplicht en de bevoegdheid tot uitzetting worden ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) opgeschort.
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
In beginsel zal echter geen gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot uitzetting, zolang op de aanvraag niet is beslist.
Het indienen van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen schort evenmin de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva op (zie [C23/2.3.3](onbekend)).
Voor de procedure omtrent toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming wordt verwezen naar A4/7.2.1.1.
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt het volgende.
### 7.3. Inwilliging
De vreemdeling en zijn gezinsleden krijgen krachtens [artikel 8, aanhef en onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (wederom) rechtmatig verblijf. De vertrekplicht en de bevoegdheid tot uitzetting worden ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) opgeschort.
De IND informeert de DT&V dat de uitzetting tijdelijk achterwege wordt gelaten. Ingeval de vreemdeling aanspraak wenst te maken op de Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA.
In het geval dat onomstotelijk vaststaat dat de vreemdeling om medische redenen niet in staat is om te reizen, bijvoorbeeld bij een acute opname in een ziekenhuis, kan het achterwege laten van de uitzetting ingevolge [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) door de IND, op advies van de DT&V, zonder onderliggende aanvraag worden vastgesteld en verleend. In dat geval kan ook het beroep van de vreemdeling op artikel 64 Vw ingewilligd worden zonder dat daarvoor eerst een advies wordt ingewonnen van het BMA. In een dergelijk geval volstaat een bewijs van ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs, of een advies van de DT&V waaraan een dergelijk bewijs ten grondslag heeft gelegen.
Een forensisch geneeskundige van de GG&GD dient altijd te worden ingeschakeld wanneer sprake is van een acuut besmettingsgevaar.
Indien de vreemdeling beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door de IND een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) geplaatst, onder vermelding van de duur van de opschorting van het vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt het volgende.
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
In de gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, wordt door de IND aan de vreemdeling een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen, uitgereikt (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). De geldigheidsduur van het document W2 is altijd gelijk aan de periode dat de uitzetting achterwege wordt gelaten.
Na afloop van deze periode ontstaat van rechtswege (wederom) de rechtsplicht voor de vreemdeling om Nederland binnen vier weken te verlaten alsmede de bevoegdheid tot uitzetting. Er is derhalve geen nieuw besluit nodig. Dit is slechts anders indien de uitzetting achterwege blijft zonder dat daarbij een eindtermijn werd gesteld. In dat geval dient per separaat besluit te worden vastgesteld dat de uitzetting niet langer achterwege wordt gelaten, dan wel dat de uitzetting voor een bepaalde periode wederom achterwege zal blijven.
Na afloop van deze periode ontstaat van rechtswege (wederom) de rechtsplicht voor de vreemdeling om Nederland binnen vier weken te verlaten alsmede de bevoegdheid tot uitzetting. Er is derhalve geen nieuw besluit nodig. Dit is slechts anders indien de uitzetting achterwege blijft zonder dat daarbij een eindtermijn werd gesteld. In dat geval dient per separaat besluit te worden vastgesteld dat de uitzetting niet langer achterwege wordt gelaten, dan wel dat de uitzetting voor een bepaalde periode wederom achterwege zal blijven.
Indien aan de voorwaarden van paragraaf A4/7.2.1.1 is voldaan kan [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) voorts worden toegepast ten aanzien van uitgeprocedeerde asielzoekers die een aanvraag hebben ingediend om toepassing van artikel 64 Vw, in afwachting van de definitieve besluitvorming.
### 3.3. Uitreiking van de beschikking
In deze situatie wordt [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) verleend voor maximaal drie maanden of zoveel korter totdat een beslissing op de aanvraag is genomen. Artikel 64 Vw vervalt van rechtswege na ommekomst van de termijn of de bekendmaking van de beslissing op de aanvraag. Indien na drie maanden nog geen inhoudelijke beslissing is genomen, wordt de toepassing van artikel 64 Vw ambtshalve voor maximaal drie maanden opnieuw verleend.
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wordt de vreemdeling enkel in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), voor een periode van drie maanden of zoveel korter tot dat een beslissing op de aanvraag wordt genomen.
Indien [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is toegepast in afwachting van de definitieve besluitvorming geldt na afloop van de periode van de opschorting van het vertrek een vertrektermijn van vier weken.
In de verlengde procedure wordt de asielaanvraag niet eerder afgewezen dan het BMA-advies klaar is. Dit geldt bij voorkeur ook wanneer de medische problematiek zich gedurende de asielprocedure openbaart. In de verlengde procedure zal in beginsel geen [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) procedure in afwachting van de definitieve besluitvorming plaatsvinden. De beslistermijn kan conform [artikel 42 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=42) met maximaal 6 maanden verlengd worden.
Wanneer in de algemene procedure de asielaanvraag kan worden afgewezen maar BMA-onderzoek in het kader van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is opgestart of zal worden opgestart kan er in beginsel op de asielaanvraag worden beslist. Aan de vreemdeling zal in afwachting van een beslissing om toepassing van artikel 64 Vw, rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) worden verleend, ongeacht de mogelijkheid die de vreemdeling heeft tot indienen van beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel.
Vreemdelingen in vreemdelingenbewaring komen niet in aanmerking voor toepassing [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van de definitieve besluitvorming.
In deze situatie wordt [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) verleend voor maximaal drie maanden of zoveel korter totdat een ambtshalve beslissing is genomen. Artikel 64 Vw vervalt van rechtswege na ommekomst van de termijn of de bekendmaking van de ambtshalve toetsing. Indien na drie maanden nog geen inhoudelijke beslissing is genomen, wordt de toepassing van artikel 64 Vw ambtshalve voor maximaal drie maanden opnieuw verleend.
Indien de vreemdeling beschikt over een ingevolge de Vw vereist geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door deIND een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) geplaatst, onder vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), voor een periode van drie maanden of zoveel korter tot dat een ambtshalve beslissing wordt genomen.
Indien [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is toegepast in afwachting van de definitieve besluitvorming geldt na afloop van de periode van de opschorting van het vertrek een vertrektermijn van vier weken.
In de verlengde procedure wordt de asielaanvraag niet eerder afgewezen dan het BMA-advies klaar is. Dit geldt bij voorkeur ook wanneer de medische problematiek zich gedurende de asielprocedure openbaart. In de verlengde procedure zal in beginsel geen [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) procedure in afwachting van de definitieve besluitvorming plaatsvinden. De beslistermijn kan conform [artikel 42 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=42) met maximaal 6 maanden verlengd worden.
De behandeling van een eerste, tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening mag in beginsel in Nederland worden afgewacht. Een verzoek om een voorlopige voorziening dient binnen 24 uur te zijn ingediend. Het indienen van dit verzoek levert geen rechtmatig verblijf op ingevolge [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en betekent evenmin dat de vreemdeling aanspraak maakt op de verstrekkingen ingevolge de Rva. De behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening mag niet hier te lande worden afgewacht indien redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich daartegen verzetten of het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst verloren zou gaan.
Indien naar het oordeel van de IND geen reisbeletselen bestaan, wordt de vreemdeling hiervan onder verwijzing naar het medisch advies schriftelijk op de hoogte gebracht.
Het komt voor dat de medisch adviseur in zijn advies aangeeft dat de vreemdeling in staat is om te reizen, doch dat dit onder bepaalde voorwaarden dient te geschieden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een voorraad aan medicijnen van de vreemdeling tijdens en na de reis of het meenemen van medische gegevens.
### 9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
De DT&V ziet erop toe dat aan deze voorwaarden is voldaan voordat de vreemdeling wordt uitgezet. Het opvragen en meenemen van het medisch dossier betreft een verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf. De vreemdeling of zijn raadsman wordt hierop gewezen door de DT&V.
### 7.5.1. Algemeen
### 4.3.5. Kosten
De leges voor een aanvraag tot het verlenen van een visum zijn vastgelegd in artikel 16 Visumcode. Als hoofdregel geldt dat aanvragers een bedrag van 60 euro aan visumleges dienen te voldoen.
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
In artikel 16 Visumcode is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van visumleges. Dit betreft onder andere kinderen jonger dan 6 jaar. Daarnaast biedt het artikel aan lidstaten de mogelijkheid om andere categorieën vrij te stellen van de betaling van leges.
Ook in visumfacilitatieovereenkomsten kunnen uitzonderingen worden gemaakt op de plicht om leges te betalen. Deze uitzonderingen kunnen bestaan uit zowel een lager legesbedrag of een volledige uitzondering voor bepaalde categorieën personen.
Visa worden op grond van [artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=3) kosteloos verleend aan de vreemdeling die houder is van een diplomatiek paspoort.
### 4.3.6.1. Wijziging
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.4.5. Arbeid verrichten in strijd met de Wav
### 4.3.6. Wijziging van visa
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 4.3.6.1. Omzetten enkelvoudig visum in een meervoudig visum
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 4.3.7. Intrekking van visa
### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.7. Nietigverklaring en intrekking van visa
### 4.3.8.5. Registratie en informatie
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.4. Vrije termijn
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
### 4.3.8.5. Registratie en informatie
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
Een aan de buitengrens afgegeven visum is een eenvormig visum dat de houder het recht geeft op een verblijf van ten hoogste vijftien dagen, naargelang het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf. Voor een doorreis komt de duur van het toegestane verblijf overeen met de tijd die voor doorreis is vereist (zie artikel 35, derde lid, Visumcode).
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
### 4.4.3. Het bepaalde bij en krachtens de Vw
### 4.3.8.1. Soorten visa
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
### 4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens
### 4.3.8.3. Praktische handelingen
### 4.3.8.4. Annulering van visa
### 4.3.8.5. Registratie en informatie
### 4.4. Vrije termijn
### 4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn
### 4.4.6. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid
### 4.4.4. Middelen van bestaan
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
Sinds de implementatie op 29 april 2006 van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) wordt ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland die hun recht op vrij verkeer van personen uitoefenen niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (zie A2/6.2.2 en B10).
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Voorwaarde voor verblijf in de vrije termijn is onder meer dat de vreemdeling heeft voldaan aan de verplichtingen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking. In dit verband wordt verwezen naar het gestelde in A2/4.2.
De termijn van drie maanden wordt berekend door op de datum van inreis in Nederland vast te stellen of de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden in het Schengengebied heeft verbleven. Indien dat niet het geval is kan de volle termijn van drie maanden worden benut vanaf de datum van inreis in Nederland. Indien de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden reeds in het Schengengebied heeft verbleven wordt aan de hand van de datum van inreis in het Schengengebied berekend hoeveel dagen van de in totaal drie maanden vrije termijn resteert, ook al ligt deze datum van inreis vóór de zes maanden vanaf datum binnenkomst. Na deze eerste termijn van zes maanden, gaat er dan een nieuwe termijn van zes maanden lopen waarbinnen een derdelander drie maanden in het Schengengebied mag verblijven. De eerder binnen de tweede termijn verbleven periode wordt dan afgetrokken van de drie maanden vrije termijn. Bij de berekening van de vrije termijn zijn inreisstempels in één van de Schengenlanden leidend.
### 4.4.3. Het bepaalde bij en krachtens de Vw
### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
### 4.4.4. Middelen van bestaan
### 4.4.4. Middelen van bestaan
### 5.5.9. Registratie
### 4.4.5. Arbeid verrichten in strijd met de Wav
### 4.4.5. Arbeid verrichten in strijd met de Wav
### 4.4.6. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid
Aan vreemdelingen die gevaar opleveren voor de openbare orde of de nationale veiligheid is geen verblijf tijdens de vrije termijn toegestaan. Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen. Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar A2/4.2.5.
Van gevaar voor de openbare orde zal sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of als ‘ongewenstverklaarde vreemdeling’. Tevens kan een vreemdeling ter fine van weigering van toegang tot Nederland dan wel het Schengengebied in het (N)SIS geregistreerd staan. Wat betreft bijzonderheden met betrekking tot signaleringen zie A3/9.
Het is niet mogelijk om een aanvraag om een mvv dan wel een verblijfsvergunning regulier aan een grensdoorlaatpost of door tussenkomst van een ambtenaar belast met de grensbewaking in te dienen. Dit, om tegen te gaan dat het mvv-vereiste en de bijbehorende aanvraagprocedure vanuit het buitenland worden omzeild.
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Het verblijf in de vrije termijn bedraagt ten hoogste drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden. Het tijdvak van zes maanden vangt aan op het moment van eerste binnenkomst van de vreemdeling in het Schengengebied (eventueel) met het op dat moment geldige visum.
De termijn van drie maanden wordt berekend door op de datum van inreis in Nederland vast te stellen of de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden in het Schengengebied heeft verbleven. Indien dat niet het geval is kan de volle termijn van drie maanden worden benut vanaf de datum van inreis in Nederland. Indien de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden reeds in het Schengengebied heeft verbleven wordt aan de hand van de datum van inreis in het Schengengebied berekend hoeveel dagen van de in totaal drie maanden vrije termijn resteert, ook al ligt deze datum van inreis vóór de zes maanden vanaf datum binnenkomst. Na deze eerste termijn van zes maanden, gaat er dan een nieuwe termijn van zes maanden lopen waarbinnen een derdelander drie maanden in het Schengengebied mag verblijven. De eerder binnen de tweede termijn verbleven periode wordt dan afgetrokken van de drie maanden vrije termijn. Bij de berekening van de vrije termijn zijn inreisstempels in één van de Schengenlanden leidend.
### 5.2.1. Minimumcontrole
### 5.2.1. Minimumcontrole
### 5.2.2. Grondige controle
### 5.2.2. Grondige controle
### 5.3. Stempelen
### 5.3. Stempelen
### 5.4. Toegangsverlening onder voorwaarden
### 5. Toezicht aan de buitengrens, toegangsverlening en toegangsweigering
### 5.1. Algemene aandachtspunten
### 5.5. Toegangsweigering
### 5.5.1. Algemene bepalingen
### 5.5.1. Algemene bepalingen
### 5.5.1. Algemene bepalingen
### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 5.2.1. Minimumcontrole
### 5.5. Toegangsweigering
### 5.2.2. Grondige controle
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 5.3. Stempelen
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 5.4. Toegangsverlening onder voorwaarden
### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
### 5.5. Toegangsweigering
### 5.5.1. Algemene bepalingen
### 5.5.4. Aanwenden van rechtsmiddelen
### 5.5.4. Aanwenden van rechtsmiddelen
### 5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens
### 5.5.5. De toegang blijft geweigerd
### 5.5.5. De toegang blijft geweigerd
### 5.5.6. Dublinzaken
### 5.5.6. Dublinzaken
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 5.5.5. De toegang blijft geweigerd
### 5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid
### 5.5.6. Dublinzaken
### 5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten
### 5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten
### 5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten
### 5.5.4. Aanwenden van rechtsmiddelen
### 5.5.9. Registratie
### 5.5.5. De toegang blijft geweigerd
### 5.5.9. Registratie
### 5.5.6. Dublinzaken
### 6. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën personen
### 5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder
### 6.1.1. Zeevaart
### 6.1.1. Zeevaart
### 6.1.2. Luchtvaart
### 6.1.2. Luchtvaart
### 6.2. Specifieke voorschriften voor categorieën personen
### 6.2.1. Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen
### 5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten
### 6.1.1. Zeevaart
### 6. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën personen
### 6.1.2. Luchtvaart
### 6.1.1. Zeevaart
### 5.5.9. Registratie
### 6.2.1. Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen
### 6. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën personen
### 6.1. Specifieke voorschriften voor grenscontroles
### 6.1.1. Zeevaart
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.1.2. Luchtvaart
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2. Specifieke voorschriften voor categorieën personen
### 6.2.1. Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
### 6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland
### 6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied
### 6.2.3.3. Leden van internationale organisaties
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)
De gunstiger regels in verband met toegang voor onderdanen van de EU, EER en Zwitserland, alsmede hun familieleden, zijn in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) verwerkt. Verwezen wordt naar [hoofdstuk 8, Afdeling 2, paragraaf 2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825¶graaf=2). In het kader van toegang en de eerste periode van het rechtmatig verblijf zijn de [artikelen 8.7 tot en met 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10) het meest relevant.
[Artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar [B10](onbekend).
Voor de onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede voor de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), gelden in beginsel de in de [artikelen 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) en [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.4), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.6) en [4.8 tot en met 4.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10) genoemde algemene verplichtingen in verband met grenscontrole. Zij kunnen bij passage van de buitengrens in beginsel (enkel) aan een minimumcontrole worden onderworpen (zie A2/5.2.1).
Voor wat betreft het vereiste om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding geldt voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland dat naast een geldig nationaal paspoort ook een geldige identiteitskaart volstaat.
Het familielid dat onderdaan is van een derde land dient echter, indien er sprake is van een visumplichtige nationaliteit, in beginsel te beschikken over een geldig nationaal paspoort dat is voorzien van een visum (zie A2/4.3.1 voor het visumvereiste). Zoals is aangegeven in A2/4.3.1, zijn (visumplichtige) familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) vrijgesteld van de visumplicht als zij in het bezit zijn van een geldige verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, afgegeven door één van de landen van de EU, de EER of Zwitserland, en samenreizen met of zich voegen bij de betreffende EU-onderdaan.
Ten aanzien van bepaalde categorieën familie- en gezinsleden van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), die ingevolge Verordening 539/2001 visumplichtig zijn, gelden - voor zover zij (nog) niet in het bezit zijn gesteld van een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’ - gunstigere regels met betrekking tot de aanvraag en afgifte van visa. Ongeacht de beoogde verblijfsduur kan voor inreis worden volstaan met een (Schengen)visum kort verblijf. Het familielid hoeft bovendien niet te voldoen aan de criteria voor visumverlening die zien op de tijdige terugkeer naar het land van herkomst en hoeft ook niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie A2/4.3.3.1). Om die redenen is het familielid of gezinslid vrijgesteld van het beantwoorden van vragen op het visum-aanvraagformulier met betrekking tot die criteria. Bovendien dient het visum versneld en kosteloos te worden verstrekt.
Ten aanzien van de kring van familieleden en gezinsleden, voor wie de gunstigere regels gelden, wordt verwezen naar [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7). Het gaat hier uitsluitend om bepaalde familieleden of gezinsleden van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, welke onderdaan gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer. De onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland dient zich te begeven naar of te verblijven in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit en het familielid of gezinslid dient deze onderdaan te begeleiden of zich bij hem te voegen.
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van de gunstigere regels met betrekking tot de aanvraag en afgifte van visa dient de visumplichtige vreemdeling met objectieve bewijzen aan te tonen dat hij familielid of gezinslid is van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7). Indien de familierechtelijke relatie als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb niet overtuigend kan worden aangetoond geldt het reguliere visumbeleid (zie A2/4.2.3).
Een visumplichtige ongehuwde partner (niet zijnde een geregistreerde partner) van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland dient aan te tonen dat hij een duurzame relatie met een burger van de Unie heeft in de zin van [artikel 8.7, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) om als begunstigde te worden aangemerkt. De duurzame relatie zal in ieder geval worden aangenomen indien met deugdelijk bewijs kan worden aangetoond dat de ongehuwde partner en de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren dan wel (recentelijk) hebben gevoerd of indien uit de relatie een kind is geboren.
Om aan te tonen dat sprake is of is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, oftewel samenwoning, valt te denken aan het overleggen van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke basisadministratie, huurcontracten of anderszins aanzienlijke en langlopende juridische/financiële verbintenissen die gezamenlijk zijn aangegaan zoals een hypotheek voor de aankoop van een huis en afschriften van rekeningen op beider naam gedurende die termijn van zes maanden. In alle gevallen dient het om een (nog immer) bestaande relatie te gaan.
Wanneer overtuigend is aangetoond dat de aanvrager een familielid of een gezinslid is in de zin van [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) kan de aanvraag om een visum slechts worden geweigerd:
In het geval dat een familie- of gezinslid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) aan de grens wordt aangetroffen en verzocht wordt om een visum om de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland te begeleiden of zich bij hem te voegen, wordt dit kosteloos verstrekt.
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.9. Minderjarigen (inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen)
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.3. Leden van internationale organisaties
### 6.2.3.3. Leden van internationale organisaties
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.3.3. Leden van internationale organisaties
### 6.2.4. Personen die reizen op een collectief reisdocument
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.4.1. Soorten collectieve reisdocumenten
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel
### 6.2.4. Personen die reizen op een collectief reisdocument
### 6.2.4.1. Soorten collectieve reisdocumenten
### 6.2.4. Personen die reizen op een collectief reisdocument
### 6.2.4.1. Soorten collectieve reisdocumenten
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.9.3. Adoptie(f)- en pleegkinderen
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.9.2. Alleenreizende minderjarigen
### 6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7. Zeelieden
### 6.2.7.2. Zieke zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7.3. Werkzoekende zeelieden
### 6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden
### 6.2.7.4. Zieke zeelieden
Wanneer een zeeman niet of niet langer aan de in de SGC neergelegde voorwaarden voor passagieren voldoet, stelt het hoofd van de doorlaatpost daaromtrent een aantekening op de bemanningslijst achter de naam van de zeeman. Bij gevaar voor de openbare orde kan het hoofd van de doorlaatpost/het hoofd van dienst volstaan de vreemdeling de verplichting op te leggen aan boord van het schip te blijven. Zonodig kan hij de zeeman in dit geval ook met toepassing van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) overbrengen naar de vreemdelingenpolitie. Dit laatste geschiedt steeds:
Aan visumplichtige zeelieden die na aankomst in Nederland onmiddellijk in een ziekenhuis moeten worden opgenomen en die niet in het bezit zijn van het vereiste visum, kan door het hoofd van de doorlaatpost, ongeacht hun nationaliteit, zonder voorafgaande machtiging, een visum voor ten hoogste vijftien dagen worden verstrekt, waarvan de geldigheid is beperkt tot Nederland.
### 6.2.7.3. Werkzoekende zeelieden
### 6.2.8.1. Algemene beleidsregels
### 6.2.7.3. Werkzoekende zeelieden
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
Deze werkzoekende zeelieden moeten bovendien met een zeemansboekje (-paspoort) of andere bewijsmiddelen kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk het beroep van zeeman uitoefenen.
Indien in het geldig document van grensoverschrijding het benodigde visum ontbreekt, kan aan werkzoekende zeelieden aan de grens een visum met een geldigheid van maximaal vijftien dagen worden afgegeven, mits aan alle overige voorwaarden voor toegang wordt voldaan. Indien nodig kan in uitzonderlijke gevallen na ommekomst van de vijftien dagen termijn een verlenging van de geldigheidsduur van het visum bij de Visadienst, of (voor zover het de in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden betreft) bij de ZHP worden gevraagd.
Deze werkzoekende zeelieden moeten bovendien met een zeemansboekje (-paspoort) of andere bewijsmiddelen kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk het beroep van zeeman uitoefenen.
Als bovenstaande bewijsstukken overlegd kunnen worden en de eventueel noodzakelijke verdere onderzoeken zijn uitgevoerd, zal de vreemdeling in het bezit worden gesteld van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum kan nooit die van het arbeidscontract of het reisdocument te boven gaan.
Als bovenstaande bewijsstukken overlegd kunnen worden en de eventueel noodzakelijke verdere onderzoeken zijn uitgevoerd, zal de vreemdeling in het bezit worden gesteld van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum kan nooit die van het arbeidscontract of het reisdocument te boven gaan.
Vreemdelingen die zich via Nederland naar een boorinstallatie op Nederlands deel van het continentaal plat willen begeven of die komende van een boorinstallatie Nederland willen inreizen moeten voldoen aan alle normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Het verkeer van en naar een boorinstallatie moet steeds plaatsvinden via een grensdoorlaatpost gedurende de tijd dat deze is opengesteld. De normale in- en uitreisformaliteiten worden steeds vervuld.
Wel zijn er ten aanzien van werknemers van boorplatformen en werknemers van ondersteunende bedrijven (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’) enige bijzonderheden, die hieronder worden aangegeven.
Controle op bestaansmiddelen blijft achterwege indien de vreemdeling kan aantonen dat hij op een boorinstallatie is tewerkgesteld.
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
### 6.2.9. Minderjarigen (inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen)
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.8.3. Walverlof
### 6.2.8.4. Vreemdelingen die werkzaam zijn in de offshoresector
### 6.2.8.4. Vreemdelingen die werkzaam zijn in de offshoresector
### 6.2.9.2. Alleenreizende minderjarigen
### 6.2.9. Minderjarigen (inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen)
### 6.2.9.3. Adoptie(f)- en pleegkinderen
### 6.2.9. Minderjarigen (inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen)
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding
### 6.2.9.2. Alleenreizende minderjarigen
### 6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan
### 6.2.9.3. Adoptie(f)- en pleegkinderen
### 6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.9.3. Adoptie(f)- en pleegkinderen
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan
### 6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan
### 6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan
### 6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
Aan vreemdelingen wordt in bepaalde gevallen toegestaan om in Nederland de (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten. Hieromtrent wordt door de IND een aantekening gesteld in het paspoort (zie voor deze aantekening [artikel 4.34, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.34)).
Wanneer deze vreemdelingen Nederland verlaten en naderhand weer willen terugkeren, moeten zij in beginsel voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.
Wanneer deze vreemdelingen in het bezit zijn van een geldig paspoort, voorzien van een geldig visum voor terugkeer, wordt steeds toegang verleend. In verband met de grenscontrole is in dit geval het gestelde onder A2/6.2.10.1 van overeenkomstige toepassing.
Wanneer deze vreemdelingen Nederland verlaten en naderhand weer willen terugkeren, moeten zij in beginsel voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
### 6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen
### 6.2.11. Vluchtelingen
### 6.2.11. Vluchtelingen
### 6.2.11.1. Houders van reisdocumenten voor vluchtelingen
### 6.2.11. Vluchtelingen
### 6.2.11.1. Houders van reisdocumenten voor vluchtelingen
### 6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)
### 7.1.1. Inleiding
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen
### 6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen
### 6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)
### 6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)
### 7.1. Verplichtingen voor vervoerders
### 6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)
### 7.1.1. Inleiding
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7. Verplichtingen voor vervoerders, bestuurders en gezagvoerders
### 7. Verplichtingen voor vervoerders, bestuurders en gezagvoerders
### 7.1. Verplichtingen voor vervoerders
### 7.1.1. Inleiding
### 7.1. Verplichtingen voor vervoerders
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7.1.3. De afschriftplicht
### 7.1.2. De zorgplicht
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 1.1. Algemeen
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 7.1.3. De afschriftplicht
Overeenkomstig de daartoe strekkende internationale regelgeving kan de Nederlandse overheid een vervoerder verzoeken, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het vaartuig of luchtvaartuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar kan dan in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming). Dit geschiedt enkel indien daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.4. De passagiersinformatieplicht
### 11.3.6.2. Verwijdering van derde landers naar Bulgarije (artikel 3 van de overeenkomst)
### 3.3. De toepassing
### 5.3.1. Algemeen
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.5. Terugvoerplicht
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
De terugvoerplicht is niet alleen van toepassing op vreemdelingen aan wie bij binnenkomst aanstonds de toegang is geweigerd, maar ook op vreemdelingen – bijvoorbeeld bemanningsleden van schepen of transitpassagiers van vliegtuigen – aan wie aanvankelijk toegang is verleend maar die op illegale wijze zijn achtergebleven. De terugvoerplicht geldt niet alleen bij weigeringen van vreemdelingen die niet beschikken over (de juiste) documenten voor grensoverschrijding, maar ook bij weigeringen op basis van één van de andere gronden van artikel 5 SGC, zoals het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan of het vormen van een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid.
In [artikel 65, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) is opgenomen dat de vervoersonderneming op aanwijzing van de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling vervoert naar een plaats buiten Nederland en daartoe zo nodig een ander middel voor terugbrenging vindt. Hiervoor worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie [M30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M30&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago). Om het terugvoeren naar een plaats buiten Nederland door de vervoerder te faciliteren, wordt indien nodig door de ambtenaar belast met de grensbewaking gebruik gemaakt van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten, bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (zie Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 3.6.1. Onderzoek aan kleding of lichaam en het doorzoeken van zaken
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 3.7. Rechtsbijstand
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 3.2. De bevoegdheid
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.3. De toepassing
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 5.2.1. Algemeen
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 1. Inleiding
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht
### 3. Toezicht
### 3. Toezicht
### 3. Toezicht
### 1. Inleiding
### 1.1. Algemeen
### 3. Toezicht
### 1. Inleiding
### 1.1. Algemeen
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 3. Toezicht
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 3. Toezicht
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 1.1. Algemeen
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 2.1. Inleiding
### 1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
### 2. Operationeel vreemdelingentoezicht
### 2.1. Inleiding
### 2.2. Vreemdelingentoezicht en opsporing van strafbare feiten
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 1.3. Opsporing van de bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gestelde feiten
### 2.2. Vreemdelingentoezicht en opsporing van strafbare feiten
### 2.3. Operationeel toezicht in het binnenland
### 2. Operationeel vreemdelingentoezicht
### 2.2. Vreemdelingentoezicht en opsporing van strafbare feiten
### 2.3. Operationeel toezicht in het binnenland
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
Illegaal verblijf als zodanig is in ons land niet strafbaar gesteld, maar de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, kan strafbaar zijn wegens het niet voldoen aan de verplichting tot het doen van mededeling van zijn aanwezigheid (zie [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39)). Ook kan een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft en die bij herhaling een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar feit heeft begaan op grond van [artikel 67, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst worden verklaard. Het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven is wel een strafbaar feit (zie [artikel 197 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=197)).
Om hun toezichthoudende taken goed te kunnen uitoefenen zijn ambtenaren belast met het toezicht op de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) bevoegd:
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 3.2. De bevoegdheid
### 2.4. Operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie
### 3.3. De toepassing
### 3.4. Identiteitsdocumenten
### 3.1. Het doel
### 3.2. De bevoegdheid
### 3.3. De toepassing
### 3.2. De bevoegdheid
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.3. De toepassing
### 3. Staande houden, overbrengen en ophouden
### 3.4. Identiteitsdocumenten
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.6. Onderzoek identiteit en verblijfsstatus
### 3.6.1. Onderzoek aan kleding of lichaam en het doorzoeken van zaken
Ambtenaren belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen zijn, voorzover dat voor de vaststelling van de identiteit noodzakelijk is, bevoegd de opgehouden persoon aan kleding of lichaam te onderzoeken. Deze bijzondere op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) toegekende bevoegdheid dient niet verward te worden met een veiligheidsfouillering of arrestantenfouillering op grond van de [Politiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299) of een identiteitsfouillering op grond van het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903).
De staande gehouden persoon mag overgebracht worden naar een plaats bestemd voor verhoor indien:
De opgehouden vreemdeling is op grond van [artikel 4.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.45) verplicht ter vaststelling van zijn identiteit zich te laten fotograferen en vingerafdrukken van zich te laten nemen. Het vingerafdrukkenformulier moet onmiddellijk worden gezonden naar de DNRI.
Voor de vaststelling van de identiteit van de vreemdeling kan vaak een nuttig gebruik worden gemaakt van de gegevens die bij de DNRI beschikbaar zijn. In het belang van het onderzoek naar de identiteit dienen ook de gegevens van de vreemdelingenadministratie geraadpleegd te worden. Het is namelijk niet uitgesloten dat een vreemdeling reeds eerder in Nederland werd aangetroffen.
### 3.6.1. Onderzoek aan kleding of lichaam en het doorzoeken van zaken
### 3.6.3. Onderzoek verblijfsstatus
### 3.7. Rechtsbijstand
### 3.6.1. Onderzoek aan kleding of lichaam en het doorzoeken van zaken
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
De raadsman heeft vrije toegang tot de opgehouden persoon. Hij kan hem alleen spreken, of indien vereist onder toezicht en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Het toezicht strekt niet verder dan om te verzekeren dat de opgehouden persoon zich niet aan het onderzoek onttrekt of bescheiden die voor het onderzoek van belang zijn, wegmaakt.
De opgehouden vreemdeling is op grond van [artikel 4.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.45) verplicht ter vaststelling van zijn identiteit zich te laten fotograferen en vingerafdrukken van zich te laten nemen. Het vingerafdrukkenformulier moet onmiddellijk worden gezonden naar de DNRI.
Indien door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de opgehouden persoon mogelijk is, dient de hulp van een tolk te worden ingeroepen, die als voldoende bekwaam en objectief kan worden beschouwd.
Wenst de opgehouden persoon bepaalde vragen niet te beantwoorden voordat hij met zijn raadsman overleg heeft gepleegd, dan wordt die wens zoveel mogelijk gerespecteerd. De raadsman dient bij het verhoor in de gelegenheid te worden gesteld de nodige opmerkingen te maken.
Als het verhoor dient om de identiteit van de opgehouden persoon vast te stellen, moet hij uitvoerig worden verhoord over zijn levensloop, woonplaatsen, bezochte onderwijsinstellingen en dergelijke. Ook bij derden kan informatie worden ingewonnen.
### 3.7. Rechtsbijstand
### 3.9. Verlenging ophouding
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
### 3.8. Het verhoor
### 3.8. Het verhoor
Indien door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de opgehouden persoon mogelijk is, dient de hulp van een tolk te worden ingeroepen, die als voldoende bekwaam en objectief kan worden beschouwd.
Wenst de opgehouden persoon bepaalde vragen niet te beantwoorden voordat hij met zijn raadsman overleg heeft gepleegd, dan wordt die wens zoveel mogelijk gerespecteerd. De raadsman dient bij het verhoor in de gelegenheid te worden gesteld de nodige opmerkingen te maken.
De opgehouden persoon wordt niet verder beperkt in zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en veiligheid op de plaats bestemd voor verhoor. Dit betekent dat voor een opgehouden persoon op enige punten, bijvoorbeeld ten aanzien van het toezicht bij het ontvangen van bezoek en de beperkingen met betrekking tot correspondentie, een gunstiger regime geldt dan voor – krachtens het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) – gedetineerde verdachten.
De opgehouden persoon kan op zijn verzoek in de gelegenheid worden gesteld contact op te nemen met een hulpverlenende instantie, een tolk of met zijn diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger hier te lande. Van deze mogelijkheid dient hij in kennis te worden gesteld.
De vreemdeling is op grond van [artikel 54, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) (of indien de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) daartoe geen basis biedt op grond van de [artikelen 5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16), [5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), zie A3/7.3.8) verplicht gegevens te verstrekken bijvoorbeeld over zijn identiteit, nationaliteit, burgerlijke staat, beroep, woon- of verblijfplaats met adres, datum, plaats en wijze van binnenkomst in Nederland, doel en duur van verblijf in Nederland, en de middelen van bestaan. Hij kan daartoe zelfs gevorderd worden. Het niet meewerken aan een verplichting op grond van [artikel 54 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) (en het niet meewerken aan een vordering op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) is strafbaar gesteld in [artikel 184 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=184)). Het feit dat deze vordering is gedaan dient duidelijk uit de vreemdelingenadministratie te blijken.
De Korpschef respectievelijk de Commandant der KMar is in de hierna genoemde gevallen verplicht van zijn beslissing tot verlenging van de ophoudingstermijn kennis te geven aan derden.
Op verzoek van de vreemdeling worden diens verwanten en diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande in kennis gesteld omtrent de verlenging van de ophoudingstermijn. De opgehouden persoon dient van deze mogelijkheid op de hoogte te worden gesteld.
### 3.8. Het verhoor
Als de opgehouden persoon meerderjarig is, geldt de plicht tot kennisgeving aan derden slechts wanneer de betrokkene verzoekt zijn naaste verwanten of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land in te lichten. De vreemdeling die gehuwd is, of een levenspartner heeft, dient de gelegenheid te worden geboden die persoon te doen inlichten omtrent zijn vrijheidsontneming. De kennisgeving gebeurt zo mogelijk telefonisch. Indien de kennisgeving moet worden gedaan aan een persoon buiten Nederland, wordt de snelst mogelijke weg gevolgd. In dat geval kan het de betrokkene worden toegestaan te telefoneren of te telefaxen.
### 3.10.1. Algemeen
### 3.11. Beëindiging van de vrijheidsontneming
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.10.1. Algemeen
### 4. Onderzoek van vervoermiddelen
### 3.10. Regime waaraan de opgehouden persoon is onderworpen
### 3.10.1. Algemeen
### 3.11. Beëindiging van de vrijheidsontneming
### 3.11. Beëindiging van de vrijheidsontneming
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 5. Bevoegdheden ten aanzien van reis- en verblijfsdocumenten
### 5.1. Algemeen
### 4. Onderzoek van vervoermiddelen
### 5.2. Stellen van aantekeningen
### 5.2.1. Algemeen
### 3.11. Beëindiging van de vrijheidsontneming
### 5. Bevoegdheden ten aanzien van reis- en verblijfsdocumenten
### 5.1. Algemeen
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
### 5.1. Algemeen
### 5.2.3. Aantekeningen door toezichtsambtenaren
De [artikelen 4.29 tot en met 4.36 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) zijn in dit kader met name relevant.
### 5.2.1. Algemeen
### 5.2.1. Algemeen
In deze paragraaf worden de terzake geldende voorschriften die van meer algemene aard zijn behandeld.
Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in het reis- en identiteitspapieren van een vreemdeling gestelde aantekening dient te worden gedateerd en van een paraaf te worden voorzien (zie [artikel 4.29, lid 2, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
De vervallenverklaring is voorgeschreven in de gevallen waarin overeenkomstig [artikel 4.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30) of [4.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.31) gebruik is gemaakt van een in het grensoverschrijdingsdocument van de vreemdeling aangebrachte sticker voor verblijfsaantekeningen (zie [bijlagen 7g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g), [7h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7h) en [7i VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7i)).
Het doorhalen van een in het grensoverschrijdingsdocument van een vreemdeling gestelde aantekening moet geschieden:
Werd de sticker aangebracht of de aantekening gesteld op een afzonderlijk inlegblad, dan moet dit in de in deze paragraaf bedoelde gevallen worden ingehouden.
### 5.3. Tijdelijk in bewaring nemen van reis- en identiteitspapieren
### 5.3.1. Algemeen
Indien daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen op grond van [artikel 52, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) bevoegd tot het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en identiteitspapieren van personen. De bevoegdheid kan niet alleen worden gebruikt jegens vreemdelingen maar jegens alle personen. Dit maakt het mogelijk om ook papieren van een vreemdeling die aan hem zijn afgegeven door derden tijdelijk te bewaren.
### 5.2.4. Doorhaling of vervallenverklaring van aantekeningen
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
### 5.3. Tijdelijk in bewaring nemen van reis- en identiteitspapieren
### 5.2.3. Aantekeningen door toezichtsambtenaren
### 6. Binnentreden
### 6.1. Algemeen
### 5.3.1. Algemeen
### 5.2.4. Doorhaling of vervallenverklaring van aantekeningen
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 6. Binnentreden
### 6.1. Algemeen
### 6. Binnentreden
### 6.1. Algemeen
### 6.1. Algemeen
### 6.2. Binnentreden met toestemming van de bewoner
### 5.3.2. Gevallen waarin tijdelijke bewaring geoorloofd is
### 6. Binnentreden
### 6.3. Binnentreden zonder toestemming van de bewoner
### 6. Binnentreden
### 6. Binnentreden
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M2-C. Terugkeervisum
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
## Model M1
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M2-C. Terugkeervisum
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
## Model M3
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M2-C. Terugkeervisum
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of afwijzing van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
## Model M11
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing art. 4.11 Vb
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Garantverklaring zeelieden collectief/permanent
Vervallen
## Model M18. Beschikking art. 8.5 c.q. 8.7 van het Vreemdelingenbesluit
## Model M19. Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge art. 6 lid 1 of lid 1 en 2 van de Vreemdelingenwet
## Model M20. Kennisgeving toegang onder voorwaarden
## Model M21
Vervallen
## Model M22. Bijzonder doorlaatbewijs
Vervallen
## Model M23. Standaard fax-bericht t.b.v. regeling transiterende visumplichtige zeelieden
## Model M24-A. Opdracht tot verwijdering
## Model M24-B. Rapport van overnemen van personen uit België of Duitsland
## Model M25. Fax: Melding incidenten grensbewaking
## Model M26. Bewustverklaring kort verblijf
## Model M27. Guiding Letter: attest inzake vreemdelingen zonder reisdocumenten
## Model M28. Covering Letter: attest inzake vreemdelingen met valse of vervalste reisdocumenten
## Model M29. Aanwijzing terugvoerverplichting luchtvaartmaatschappij
## Model M30. Aanwijzing terugvoerverplichting rederij
## Model M31. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens
## Model M32-M34. Gereserveerd
## Model M35-A. Aanvraag verblijfsvergunning of wijziging beperking zonder Mvv
Vervallen
## Model M35-A-1. Aanvraag verblijfsvergunning met Mvv
Vervallen
## Model M35-B. Aanvraag verlenging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M35-C. Aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-D. Aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-E. Aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht (bewijs van rechtmatig verblijf)
Vervallen
## Model M35-F. Aanvraag van wettelijk vertegenwoordiger tot het verlenen, wijzigen danwel verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-G. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet tevens geldig te verklaren voor inwonende kinderen beneden 12 jaar
Vervallen
## Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-I
Vervallen
## Model M35-J
Vervallen
## Model M35-J-1. Aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd of verlenging bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-K
Vervallen
## Model M36. Afspraakbevestiging
Vervallen
## Model M37. Antecedentenverklaring
Vervallen
## Model M38. TBC-formulier
## Model M39-A. Toestemmingsverklaring medische gegevens
## Model M39-B. Aanvraagformulier DNA-onderzoek
## Model M39-C. Verzoek om een leeftijdsonderzoek in het aanmeldcentrum
## Model M39-D. Verzoek om een leeftijdsonderzoek opvanglocatie
## Model M39-E. Toestemmingsverklaring herhaald leeftijdsonderzoek
## Model M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
## Model M40. Vragenlijst China
## Model M41. Verklaring burgerlijke staat
## Model M42. Relatieverklaring
## Model M43. Bewustverklaring studie
## Model M44. Bewustverklaring Au Pair
Vervallen
## Model M44-A. Overeenkomst Au pair – Gastgezin
## Model M39-C. Verzoek om een leeftijdsonderzoek in het aanmeldcentrum
## Model M39-D. Verzoek om een leeftijdsonderzoek opvanglocatie
## Model M39-E. Toestemmingsverklaring herhaald leeftijdsonderzoek
## Model M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
## Model M40. Vragenlijst China
## Model M41. Verklaring burgerlijke staat
## Model M42. Relatieverklaring
## Model M43. Bewustverklaring studie
## Model M44. Bewustverklaring Au Pair
Vervallen
## Model M44-A. Overeenkomst Au pair – Gastgezin
## Model M56
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel of aanvraag bijzondere aanwijzing
## Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
## Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
## Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
## Model M45. Bewustverklaring geestelijk voorganger / godsdienstleraar
Vervallen
## Model M46-A. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-B. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-C. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-D. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M47. Garantverklaring
Vervallen
## Model M47-A. Garantverklaring verkorte mvv-procedure (bedrijven en onderwijsinstelingen)
## Model M48. Garantverklaring uitwisselingsorganisatie
Vervallen
## Model M45. Bewustverklaring geestelijk voorganger / godsdienstleraar
Vervallen
## Model M46-A. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-B. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-C. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-D. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M47. Garantverklaring
Vervallen
## Model M47-A. Garantverklaring verkorte mvv-procedure (bedrijven en onderwijsinstelingen)
## Model M48. Garantverklaring uitwisselingsorganisatie
Vervallen
## Model M49. Arbeidsongeschiktheidsverklaring
Vervallen
## Model M50. Checklist mvv-vereiste
Vervallen
## Model M51-A. Verklaring ontvangst waarborgsom
## Model M51-B. Verklaring teruggave waarborgsom
Vervallen
## Model M52. Verzoek aan de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M53. Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
## Model M54. Aanvraagformulier verstrekkingen RvA 1997
## Model M55. Kennisgeving aangifte mensenhandel en beroep op regeling B9 Vc2000
## Model M56
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
Vervallen
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
Vervallen
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel of aanvraag bijzondere aanwijzing
## Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
## Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
## Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
## Model M65-C. Beschikking afwijzen aanvraag wijziging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M66. Beschikking intrekking verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M67. Staat van inlichtingen opname ter adoptie
## Model M68. Staat van inlichtingen opname als pleegkind
Vervallen
## Model M69-M74. Gereserveerd
## Model M75-A. Document I
Vervallen
## Model M75-B. Document II
Vervallen
## Model M75-C. Document III
Vervallen
## Model M75-D. Document IV
Vervallen
## Model M75-E. Document EU/EER
Vervallen
## Model M75-F. Document W
Vervallen
## Model M75-G. Document W2
Vervallen
## Model M76. Ontvangstbewijs voor het in ontvangst nemen van een verblijfsdocument
## Model M77-A. Sticker verblijfsaantekeningen Algemeen
Vervallen
## Model M77-B. Sticker verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen
Vervallen
## Model M77-C. Sticker verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures
Vervallen
## Model M77-D
Vervallen
## Model M78-A. Rappelbrief omtrent tijdige aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel)
Vervallen
Indien de vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, vormt een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum voor terugkeer uit het land van herkomst grond om op basis van [artikel 32, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32) een aanvraag tot verlenging van die verblijfsvergunning af te wijzen. De grond voor verlening is daaraan immers kennelijk ontvallen. Ook de vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd komt niet in aanmerking voor een terugkeervisum voor terugkeer uit het land van herkomst, aangezien diens vluchtelingenpaspoort niet geldig is voor zijn land van herkomst.
Indien de vreemdeling die in het bezit is van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, van oordeel is dat hij niet meer behoeft te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst, bijvoorbeeld vanwege een regimewijziging, dan kan hij zich tot de eigen autoriteiten wenden voor het verkrijgen van een nieuw nationaal document voor grensoverschrijding, waarmee hij naar het land van herkomst kan reizen.
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
Een mvv-verklaring, in de vorm van een voorbedrukt formulier kan in de plaats komen van de mvv gesteld in het paspoort. In dat geval moet de houder van de verklaring steeds in het bezit zijn van het daarin aangegeven reisdocument.
### 4.3.6. Wijziging en verlenging van visa
De ZHP maakt de geheven visumgelden in verband met het verlengen en wijzigen van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden tenminste éénmaal per maand over op de rekening van de IND. Het totaalbedrag van elke storting of overschrijving wordt aan de IND gespecificeerd verantwoord.
### 4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
Daarnaast zijn vrijgesteld van kosten de in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vw bedoelde familieleden van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht op vrij verkeer uitoefent.
Voorts kan de Minister van BuZa in andere gevallen waarin overwegingen van internationale hoffelijkheid of reciprociteit besluiten om visa kosteloos te verstrekken (zie [artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=3)).
Onder wijziging van een visum wordt begrepen:
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
Met deze voorwaarde voor verblijf in de vrije termijn wordt gedoeld op het feit dat de vreemdeling de verplichtingen in acht neemt waaraan hij in het belang van het toezicht op vreemdelingen is onderworpen (zie A3).
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
### 4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding
Met deze voorwaarde voor verblijf in de vrije termijn wordt gedoeld op het feit dat de vreemdeling de verplichtingen in acht neemt waaraan hij in het belang van het toezicht op vreemdelingen is onderworpen (zie A3).
Voor verblijf in de vrije termijn zijn vooral van belang de:
Op grond van [artikel 3.3, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3) kan de vrije termijn van niet-visumplichtige vreemdelingen in geval van bijzondere omstandigheden worden verlengd tot zes maanden. De Minister voor I&A is hiertoe bevoegd. Hierbij kan worden gedacht aan situaties van overmacht, zoals ernstige ziekte van familieleden of van de vreemdeling zelf of een zeer gewichtige zakelijk belang, waardoor een verblijf ná de drie maanden van de vrije termijn gewenst is. Ook op grond van het criterium wezenlijk Nederlands belang, zoals dat bij verlenging van de geldigheidsduur van visa staat beschreven (zie A2/4.3.6.2), kan tot verlenging van de vrije termijn tot zes maanden worden overgegaan.
### 5.1. Algemene aandachtspunten
### 5.1. Algemene aandachtspunten
### 4.4.7. De duur van de vrije termijn
Verblijf in de vrije termijn is toegestaan voor een bij [artikel 3.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3) bepaalde duur, indien en zolang aan de in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) gestelde voorwaarden wordt voldaan.
### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
Categorieën van vreemdelingen: duur vrije termijn niet-visumplichtigen: drie maanden (zie [artikel 3.3, eerste lid, aanhef, onder c en d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3));
Zie voor de geldigheidsduur van visa A2/4.3.3.1
Op grond van artikel 3.3, derde lid, Vb kan de vrije termijn van niet-visumplichtige vreemdelingen in geval van bijzondere omstandigheden worden verlengd tot zes maanden. De Minister voor I&A is hiertoe bevoegd. Hierbij kan worden gedacht aan situaties van overmacht, zoals ernstige ziekte van familieleden of van de vreemdeling zelf of een zeer gewichtige zakelijk belang, waardoor een verblijf ná de drie maanden van de vrije termijn gewenst is. Ook op grond van het criterium wezenlijk Nederlands belang, zoals dat bij verlenging van de geldigheidsduur van visa staat beschreven (zie A2/4.3.6.2), kan tot verlenging van de vrije termijn tot zes maanden worden overgegaan.
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
Er wordt geen in- of uitreisstempel aangebracht in de documenten van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland. Een stempel wordt evenmin aangebracht in de documenten van familieleden bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), op voorwaarde dat zij een door Zwitserland of één van de EU-/EER-landen afgegeven verblijfskaart overleggen (zie [artikel 8.9 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.9)).
Indien daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kunnen onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), worden onderworpen aan een grondige controle (zie A2/5.2.2). Ook vragen omtrent doel en duur van het verblijf kunnen worden gesteld indien niet vaststaat of het om een onderdaan van de EU, EER en Zwitserland gaat, dan wel de familieleden daarvan, en indien de antwoorden op die vragen noodzakelijk zijn voor het onderzoek naar de status van de betrokken persoon. Controle op bestaansmiddelen vindt echter niet plaats (zie [artikel 4.5, eerste lid, onder a, en derde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)) tenzij de status van de betrokken persoon onduidelijk is en deze controle noodzakelijk is voor de vaststelling van de status van betrokkene.
Ingevolge [artikel 8.8, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8) kan aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), die beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding de toegang slechts worden geweigerd:
### 6.2.7.2. Zieke zeelieden
### 6.2.8. Werknemers van een boorplatform en suppliers
Zeelieden die werk willen zoeken aan boord van een in één van de Schengenhavens liggend schip, zonder dat uit een verklaring van de rederij/scheepsagent de mogelijkheid van aan- of overmonstering blijkt, moeten aan alle voorwaarden voor toegang voldoen.
Voor wat betreft het vereiste van een geldig grensoverschrijdingsdocument geldt, dat voor werkzoekende zeelieden het zeemansboekje niet in de plaats van het paspoort kan treden.
### 6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie
### 6.2.7.4. Zieke zeelieden
### 6.2.7.5. Werkzoekende zeelieden
Wel zijn er ten aanzien van werknemers van boorplatformen en werknemers van ondersteunende bedrijven (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’) enige bijzonderheden, die hieronder worden aangegeven.
Eerst bij vertrek uit Nederland naar een boorinstallatie kan worden vastgesteld of de vreemdeling aan alle voorwaarden voor binnenkomst en verblijf heeft voldaan.
Voor offshoremedewerkers is een langdurig visum, geldig voor meer inreizen, te verkrijgen op het Consulaat-Generaal te Antwerpen. Daartoe dient de vreemdeling zich in persoon te melden en in het bezit te zijn van de volgende bewijsstukken:
### 6.2.11. Vluchtelingen
### 6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten
### 6.2.11.1. Houders van reisdocumenten voor vluchtelingen
Vreemdelingen die houder zijn van een geldig, door een Schengenstaat afgegeven verblijfsdocument zijn vrijgesteld van de visumplicht (zie artikel 21 SUO).
De toegang wordt aan houders van een geldige Belgische of Luxemburgse verblijfsvergunning niet geweigerd op de enkele grond dat zij niet tevens in het bezit zijn van hun paspoort. Controle op bestaansmiddelen blijft bij deze vreemdelingen achterwege, wanneer zij in het bezit zijn van geldige reisbiljetten naar de landen waarvoor zij over een geldige verblijfstitel of terugkeervisum beschikken.
Toegang wordt geweigerd wanneer gevaar voor de Nederlandse openbare orde of nationale veiligheid daartoe aanleiding geeft, met name wanneer de vreemdeling is gesignaleerd als ongewenst vreemdeling of als ongewenstverklaard vreemdeling (ongewenstverklaard ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)).
### 7.1.3. De afschriftplicht
Op grond van [artikel 2.2a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.2a) dient de luchtvervoerder die passagiers van buiten de EU of het Schengengebied naar Nederland vervoert desgevraagd passagiersgegevens te verzamelen en aan de Nederlandse grensbewakingsautoriteiten te verstrekken.
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
### 7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
Indien nodig, kan door de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het vreemdelingentoezicht aan de vreemdeling die zal worden teruggevoerd een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.
In afwachting van het daadwerkelijke vertrek van de verstekeling blijft de verantwoordelijkheid voor de verstekeling bij de vervoerder liggen. In overleg met de vervoerder kan de ambtenaar belast met de grensbewaking evenwel besluiten de verstekeling tijdelijk van boord te halen en de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw op te leggen (zie model [M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en model [M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-04-01&g=2012-04-01)). De vervoerder blijft echter gehouden de verstekeling zo snel als mogelijk te laten vertrekken van het Nederlands grondgebied. De vervoerder wordt tijdig geïnformeerd omtrent de plaatsing aan boord van de verstekeling ter uitvoering van zijn verplichting.
### 3. Staande houden, overbrengen en ophouden
### 3.1. Het doel
In het belang van een actief en effectief vreemdelingentoezicht kunnen personen staande gehouden worden om hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status (rechtmatig verblijf) vast te stellen. [Artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) biedt daartoe, met inachtneming van de genoemde waarborgen, onder meer de bevoegdheid van staande houden en ophouden.
In het geval het redelijk vermoeden betrekking heeft op een bepaalde plaats of ruimte geldt als uitgangspunt dat iedereen die zich daar bevindt, daadwerkelijk moet worden gecontroleerd. Daardoor wordt uitgesloten dat degenen die met de controle zijn belast, een keuze op uiterlijke kenmerken moeten maken. Het kan echter zijn dat eisen van redelijkheid of doelmatigheid zich verzetten tegen het controleren van alle aanwezige personen. Dit is onder meer het geval, indien iemands identiteit de politie al uit andere hoofde bekend is.
### 3.5. Overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
### 3.4. Identiteitsdocumenten
Tevens dient nagegaan te worden of de vreemdeling onder de opgegeven of vastgestelde identiteit gesignaleerd staat in het OPS en het (N)SIS.
De termijn van ophouding vangt aan op het moment dat de staande gehouden persoon op de plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. De ophouding kan maximaal zes uren duren waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend.
Voor transitpassagiers geldt de speciale regeling van [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3). Voor vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsdocument van een andere Schengenstaat geldt dat zij zich voor ten hoogste drie maanden visumvrij in het Schengengebied mogen verplaatsen. Zij dienen hierbij in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (zie A2/4.2)
### 3.6.2. Onderzoek identiteit
### 3.8. Het verhoor
### 3.6.3. Onderzoek verblijfsstatus
De vreemdeling is op grond van [artikel 54, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) (of indien de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) daartoe geen basis biedt op grond van de [artikelen 5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16), [5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), zie A3/7.3.8) verplicht gegevens te verstrekken bijvoorbeeld over zijn identiteit, nationaliteit, burgerlijke staat, beroep, woon- of verblijfplaats met adres, datum, plaats en wijze van binnenkomst in Nederland, doel en duur van verblijf in Nederland, en de middelen van bestaan. Hij kan daartoe zelfs gevorderd worden. Het niet meewerken aan een verplichting op grond van [artikel 54 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) (en het niet meewerken aan een vordering op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) is strafbaar gesteld in [artikel 184 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=184)). Het feit dat deze vordering is gedaan dient duidelijk uit de vreemdelingenadministratie te blijken.
Aan de persoon die met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) overgebracht is naar een plaats bestemd voor verhoor, dient op grond van [artikel 4.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.18) tijdig (dat is op een zodanig tijdstip dat een op zijn verzoek gewaarschuwde raadsman bij het verhoor aanwezig kan zijn) mededeling te worden gedaan van het hem toekomende recht zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman (van zijn keuze). Het feit dat deze mededeling is gedaan dient duidelijk uit de vreemdelingenadministratie te blijken.
Zie [artikelen 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.19) en [4.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.20). Indien er nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft, bijvoorbeeld als er nog steeds twijfel is over de identiteit, kan de termijn van ophouding door de Korpschef of door de Commandant der KMar, bevoegd ter plaatse waar de persoon zich bevindt, in het belang van het onderzoek naar de identiteit of het rechtmatig verblijf met ten hoogste achtenveertig uren verlengd worden. Voor de verlenging van de ophouding dient gebruik gemaakt te worden van [model M111-D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M111-D&z=2012-04-01&g=2012-04-01).
### 3.10. Regime waaraan de opgehouden persoon is onderworpen
### 3.10.1. Algemeen
### 3.9. Verlenging ophouding
Indien de opgehouden persoon minderjarig is, dient de kennisgeving, als daartoe de gelegenheid bestaat, te worden gedaan aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen. Indien dat niet mogelijk is, dient de kennisgeving gedaan te worden aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande.
Ingevolge een tussen Nederland en Groot-Brittannië gesloten overeenkomst dient de betrokken Britse consul steeds – dus ook indien de vreemdeling niet daarom heeft verzocht – terzake te worden geïnformeerd, indien de maatregel tegen een Britse onderdaan wordt getroffen. Dit met het oog op het verlenen van eventuele diplomatieke of consulaire bijstand.
Zodra de grond van de vrijheidsontneming niet meer aanwezig is, heft de Korpschef respectievelijk de Commandant der KMar de maatregel op. De opheffing moet plaatsvinden:
### 5.2. Stellen van aantekeningen
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
De [artikelen 4.29 tot en met 4.36 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) zijn in dit kader met name relevant.
De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn mede bevoegd om in de reispapieren van vreemdelingen aantekeningen te stellen omtrent visa (zie A2/4.3). Op grond van [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) moet de aantekening in een aantal gevallen echter worden gesteld op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad (van het in [bijlage 8 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=8) gevoegde model, tevens vermeldende diens naam, voornamen, geboortedatum en een omschrijving van diens identiteitspapier).
In bepaalde gevallen zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd het grensoverschrijdingsdocument of het verblijfsdocument van een persoon in bewaring te nemen. Bij inname van het grensoverschrijdingsdocument of het verblijfsdocument dient aan de vreemdeling een ontvangstbewijs te worden verstrekt (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) alsmede een informatiefolder te worden overhandigd.
### 6.1. Algemeen
### 7. Verplichtingen in het kader van toezicht
### 7.1. Inleiding
## Model M78-B. Rappelbrief omtrent tijdige verlenging / wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel aanvraag van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (regulier)
Vervallen
## Model M79. Reizigerslijst voor schoolreizen
Vervallen
## Model M80. EU-staat
Zij zijn voorzien van een officieel document waaruit hun bijzondere status en het aantal pakketten welke de diplomatieke of consulaire tas vormen, blijkt.
### 6.2.8. Werknemers van een boorplatform en suppliers
### 6.2.8.1. Algemene beleidsregels
### 6.2.8.4. Vreemdelingen die werkzaam zijn in de offshoresector
Als bovenstaande bewijsstukken overlegd kunnen worden en de eventueel noodzakelijke verdere onderzoeken zijn uitgevoerd, zal de vreemdeling in het bezit worden gesteld van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum kan nooit die van het arbeidscontract of het reisdocument te boven gaan.
Voor offshoremedewerkers is een langdurig visum, geldig voor meer inreizen, te verkrijgen op het Consulaat-Generaal te Antwerpen. Daartoe dient de vreemdeling zich in persoon te melden en in het bezit te zijn van de volgende bewijsstukken:
Voor werknemers op boorinstallaties geldt een werktijdenregeling die voorziet in veertien dagen werk en veertien dagen verlof aan de wal. Voor dit walverlof gelden de normale voorwaarden voor kort verblijf in Nederland.
Degene onder wiens begeleiding minderjarige kinderen reizen, is verplicht om op verzoek het mede voor hen geldig document voor grensoverschrijding aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie [artikel 4.5, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)). De zelfstandige identificatieplicht van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) juncto [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) geldt voor deze kinderen niet.
Het bovenstaande kan ook toegepast worden indien de betrokken vreemdeling niet werkzaam is op een boorplatform maar bij een bedrijf dat ondersteunend werkt voor booreilanden (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’).
Alleenreizende minderjarigen moeten voldoen aan de normale vereisten voor binnenkomst en verblijf. Indien de toegang tot Nederland aan de alleenreizende minderjarige wordt geweigerd, dient deze te worden teruggebracht naar een derde land waar zijn toelating is gewaarborgd. In dit geval draagt de ambtenaar belast met de grensbewaking de verantwoordelijkheid hiervoor over aan de DT&V.
### 6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen
Het bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op vreemdelingen die in het bezit zijn van het vereiste document voor grensoverschrijding en een geldige Belgische of Luxemburgse mvv (autorisation de séjour provisoire), mits in deze machtiging staat vermeld dat zij geldig is voor binnenkomst in het Beneluxgebied.
Vreemdelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen afgegeven door een staat die is aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen (Trb. 1959, nr. 153), en op wiens grondgebied zij regelmatig verblijven zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij ook aan de overige voorwaarden voor binnenkomst voldoen. Het betreft hier een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 28 Vluchtelingenverdrag.
Partij bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen zijn, naast Nederland: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, IJsland, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. Voor Frankrijk geldt de volgende uitzondering: de houder van een reisdocument voor vluchtelingen is voor Frankrijk niet vrijgesteld van de visumplicht, indien het document is afgegeven door een niet-Schengenstaat.
Het vorenstaande (inreizen zonder visum) geldt in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden eveneens voor zeelieden-vluchtelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen.
De luchtvervoerder (luchtvaartmaatschappij) informeert de passagier omtrent de naam en de contactgegevens van zijn luchtvaartmaatschappij en de doeleinden van het verzamelen van de gegevens, namelijk het tegengaan van illegale immigratie door middel van betere grenscontroles. Verder dient de passagier door de luchtvaartmaatschappij te worden geïnformeerd over welke gegevens worden verzameld, dat de ontvangers van de gegevens de Nederlandse grensbewakingsautoriteiten zijn, en het feit dat de passagier het recht heeft om kennis te nemen van zijn gegevens en om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken (voor zover de gegevens niet reeds zijn vernietigd).
Evenmin kan de kapitein zich zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de verstekeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. In geval de kapitein zich op dit voorschrift beroept, dienen de omstandigheden waarop hij zich beroept door de ambtenaar belast met de grensbewaking te worden beoordeeld en te worden afgewogen tegen het belang van terugplaatsing van de verstekeling aan boord.
De vervoerder kan worden vervolgd terzake van overtreding van [artikel 4, eerste, tweede en derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), te weten het veronachtzamen van de zorg-, afschrift- en passagiersinformatieplicht, alsmede terzake van overtreding van [artikel 5, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) en [artikel 65, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65). Ook kan tegen de vervoerder vervolging worden ingesteld terzake van overtreding van [artikel 197a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197a), welk artikel mensensmokkel behelst.
In [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) worden de documenten genoemd waarmee personen zich in Nederland op grond van [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) kunnen identificeren. Het gaat om de volgende categorieën:
Voor andere vreemdelingen is als identiteitsdocument aangewezen een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wel een geldig document voor grensoverschrijding waarin een geldig visum is aangetekend. De voor het hebben van toegang tot Nederland vereiste documenten voor grensoverschrijding zijn aangewezen bij [artikel 2.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3). Deze bepaling is niet alleen van toepassing op vreemdelingen aan wie gedurende de vrije termijn verblijf is toegestaan, maar ook op vreemdelingen die illegaal in ons land verblijven. Enkel in zeer bijzondere omstandigheden, waarbij met name gedacht moet worden aan het feit dat betrokkene al is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan aanleiding bestaan alsnog een W2-document te verstrekken.
### 3.6. Onderzoek identiteit en verblijfsstatus
### 3.6.3. Onderzoek verblijfsstatus
De verlenging van de ophouding wordt ten uitvoer gelegd in een cel van de KMar of een politiebureau.
### 3.10.2. Kennisgeving aan derden
### 3.9. Verlenging ophouding
### 3.10. Regime waaraan de opgehouden persoon is onderworpen
### 3.10. Regime waaraan de opgehouden persoon is onderworpen
De opgehouden persoon wordt niet verder beperkt in zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en veiligheid op de plaats bestemd voor verhoor. Dit betekent dat voor een opgehouden persoon op enige punten, bijvoorbeeld ten aanzien van het toezicht bij het ontvangen van bezoek en de beperkingen met betrekking tot correspondentie, een gunstiger regime geldt dan voor – krachtens het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) – gedetineerde verdachten.
De gelegenheid om Nederland te verlaten bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en vlieg- of reistickets (of voldoende middelen van bestaan). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
Bij het opheffen van de maatregel dient gebruik gemaakt te worden van [model M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-04-01&g=2012-04-01).
Indien de termijn van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) verstreken is, vervalt de vrijheidsbeneming van rechtswege.
Indien de opgehouden persoon minderjarig is, dient de kennisgeving, als daartoe de gelegenheid bestaat, te worden gedaan aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen. Indien dat niet mogelijk is, dient de kennisgeving gedaan te worden aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande.
Met [artikel 51 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51) is beoogd ambtenaren belast met grensbewaking en ambtenaren belast met het toezicht in staat te stellen personen te controleren met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben en die zich in een vervoermiddel bevinden. Van deze bevoegdheid mag gebruik worden gemaakt indien de toezichthouder op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden heeft dat met het te controleren vervoermiddel zo’n persoon wordt vervoerd. Het is daarbij niet noodzakelijk dat de ambtenaar een redelijk vermoeden moet hebben dat de te controleren persoon illegaal in Nederland verblijft. De toezichthoudende taak van de ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht beperkt zich daartoe immers niet. Voor wat betreft het operationele toezicht in het binnenland zal het gebruik van deze bevoegdheid zich echter veelal beperken tot personen van wie een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestaat.
### 5.2.4. Doorhaling of vervallenverklaring van aantekeningen
### 5.2.2. Aantekeningen door grensbewakingsambtenaren
### 5.2.3. Aantekeningen door toezichtsambtenaren
### 5.2.4. Doorhaling of vervallenverklaring van aantekeningen
Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in het reis- en identiteitspapieren van een vreemdeling gestelde aantekening dient te worden gedateerd en van een paraaf te worden voorzien (zie [artikel 4.29, lid 2, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
Het in bewaring nemen van het grensoverschrijdingsdocument of het verblijfsdocument kan op grond van [artikel 4.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.23) in de onderstaande gevallen plaatsvinden:
Indien de redenen aan de tijdelijke inbewaringneming van een document ontvallen wordt het zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling geretourneerd. In het geval van een inbewaring gestelde uit te zetten vreemdeling dient de begeleidende ambtenaar de desbetreffende documenten bij het verlaten van Nederland te overhandigen aan de vreemdeling zelf of aan een ambtenaar van de KMar door wiens tussenkomst de vreemdeling aan de buitenlandse autoriteiten wordt overgegeven.
Werd de sticker aangebracht of de aantekening gesteld op een afzonderlijk inlegblad, dan moet dit in de in deze paragraaf bedoelde gevallen worden ingehouden.
Betreden impliceert niet het doorzoeken van de plaats die wordt betreden (bijvoorbeeld het openen van willekeurige kasten, laden en andere bergplaatsen), tenzij het toezicht daarop specifiek betrekking heeft in de zin van [artikel 5:18 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er onderzoek wordt gedaan naar de daadwerkelijke samenwoning van een vreemdeling met een ander persoon. Voor het betreden van de woning moet in dat geval wel toestemming zijn verleend.
### 6.2. Binnentreden met toestemming van de bewoner
### 6.3. Binnentreden zonder toestemming van de bewoner
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 6.3. Binnentreden zonder toestemming van de bewoner
### 7. Verplichtingen in het kader van toezicht
### 7.1. Inleiding
## Model M81. Geprivilegieerdendocument
## Model M81-A. Geprivilegieerdendocument (toelichting)
## Model M82. Reisdocument voor vluchtelingen
Vervallen
## Model M83. Aanvraag vervanging, vernieuwing of eerste aanvraag vreemdelingendocument
## Model M84-M89. Gereserveerd
## Model M90. Vordering van de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M91. Kennisgeving adreswijziging/vertrek
De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling administratief beroep kan instellen. Met het oog hierop dient in geval van toegangsweigering de vreemdeling naast het uitgereikte standaardformulier ook in het bezit te worden gesteld van een folder ‘Rechtsmiddelen’.
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
Van belang is dat de beoordeling uitsluitend gebaseerd mag zijn op het persoonlijk gedrag van betrokkene. Bij de toepassing van deze bepaling moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen ([artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)) en vormen strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf nog geen voldoende grond om toegang te weigeren. Van een dergelijke bedreiging kan onder meer sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of ‘ongewenstverklaard ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)’ of bij bezit van verboden wapens, van verdovende middelen of bij verdenking van mensenhandel. Echter, ook in dat geval zal aan de hand van het persoonlijke gedrag van de vreemdeling moeten worden vastgesteld dat sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Het gaat hier enkel om potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen. Daarbij kan, naast de in gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts, ook worden gedacht aan nieuwere ziekten als Sars. Verwezen wordt naar [artikel 2 Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684&artikel=2).
Zij zijn voorzien van een officieel document waaruit hun bijzondere status en het aantal pakketten welke de diplomatieke of consulaire tas vormen, blijkt.
### 6.2.8. Werknemers van een boorplatform en suppliers
### 6.2.8.1. Algemene beleidsregels
Deze paragraaf gaat over minderjarigen, inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen, aan wie (nog) geen lang verblijf in Nederland is toegestaan.
Voor wat betreft de bijzondere regels voor minderjarigen wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 6, SGC. Minderjarigen worden op dezelfde wijze gecontroleerd als volwassenen, ongeacht of zij alleen reizen dan wel begeleid worden.
Indien het reisdocument voor vluchtelingen is verlopen maar is afgegeven door één van de staten die zijn aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen, dient de betrokkene te worden overgedragen aan de staat die het verlopen reisdocument heeft afgegeven. Dit geschiedt op grond van artikel 4 van deze overeenkomst. Partij bij deze Overeenkomst zijn: Denemarken, Duitsland, Finland, Italië, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.
Vreemdelingen die in het bezit zijn van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan vluchtelingen en die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat zijn vrijgesteld van de visumplicht op grond van Verordening 539/2001.
De vervoerder heeft de verplichting om een vreemdeling die hij naar Nederland heeft vervoerd en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd terug te brengen naar een plaats buiten Nederland (zie artikel 26 SUO en [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) juncto [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65)).
Het college van procureurs-generaal heeft de [Richtlijn inzake strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de aanvoer van niet of onjuist gedocumenteerde vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030968) vastgesteld. De Richtlijn bevat aanwijzingen voor het OM ten aanzien van het transactie- en vervolgingsbeleid met betrekking tot [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), en [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108). Voor het transactie- en vervolgingsbeleid van artikel 4, derde lid, en artikel 108 Vw bestaat de Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het verstrekken van passagiersgegevens door luchtvaartmaatschappijen.
Overtreding van [artikel 4, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) (het nalaten van de zorg- of afschriftplicht) kan worden bestraft met een geldboete van de vierde categorie (maximaal € 19.000) of hechtenis van zes maanden ([artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)). Proces-verbaal wordt opgemaakt in alle gevallen waarin als gevolg van het nalaten van de zorg- of afschriftplicht een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling binnen Nederland is gebracht. Alle processen-verbaal worden doorgezonden aan het OM. In beginsel zal eerst een transactie worden aangeboden door het OM.
Voor transitpassagiers geldt de speciale regeling van [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3). Voor vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsdocument van een andere Schengenstaat geldt dat zij zich voor ten hoogste drie maanden visumvrij in het Schengengebied mogen verplaatsen. Zij dienen hierbij in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (zie A2/4.2)
Ambtenaren belast met de grensbewaking en ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd tot het staande houden en ophouden van personen. De ambtenaren belast met grensbewaking staan genoemd in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46), de ambtenaren belast met het toezicht zijn te vinden in [artikel 47 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47). Voor de ambtenaren belast met toezicht zie tevens A3/1.2.
Indien ambtenaren belast met grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden hebben dat met een vervoermiddel of luchtvaartuig personen worden vervoerd met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben, dan zijn zij bevoegd het vervoermiddel te onderzoeken. De ambtenaren zijn in dat geval bevoegd van de bestuurder van het voertuig, van de schipper van het vaartuig of de gezagvoerder van het luchtvaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hen aangewezen plaats overbrengt teneinde het vervoermiddel te onderzoeken op de aanwezigheid van vreemdelingen. [Artikel 51 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51) is te beschouwen als een aanvulling op [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50). Dit betekent dat indien in het staandegehouden vervoermiddel een vreemdeling wordt aangetroffen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij illegaal in Nederland verblijft, deze vreemdeling kan worden onderworpen aan de dwangmiddelen bedoeld in [artikel 50, tweede tot en met vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) (zie A3/3).
Voor wat betreft het gebruik maken van de bevoegdheid tot het onderzoek van vervoermiddelen wordt voor het operationeel toezicht ter bestrijding van illegale immigratie verwezen naar A3/2.4.
Een in bewaring genomen document moet op grond van [artikel 52, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) aan de vreemdeling worden teruggegeven indien hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hij ook daadwerkelijk vertrekt. Ingeval van uitzetting kan het reis- en identiteitspapier worden overgedragen aan de persoon belast met grensbewaking in het land waar de toelating is gewaarborgd.
De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn mede bevoegd om in de reispapieren van vreemdelingen aantekeningen te stellen omtrent visa (zie A2/4.3). Op grond van [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) moet de aantekening in een aantal gevallen echter worden gesteld op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad (van het in [bijlage 8 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=8) gevoegde model, tevens vermeldende diens naam, voornamen, geboortedatum en een omschrijving van diens identiteitspapier).
Op grond van [artikel 5:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Daarbij geldt dat uit het evenredigheidsbeginsel van [artikel 5:13 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:13) voortvloeit dat alleen die plaatsen worden betreden waarbij dat voor de uitoefening van het toezicht redelijkerwijs noodzakelijk is.
In [artikel 53, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=53) is de mogelijkheid geboden om zonder toestemming van de bewoner een woning te betreden indien er op grond van feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden bestaat dat op deze plaats een vreemdeling verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft. De identiteit van de vreemdeling behoeft voorafgaand aan het betreden van de woning niet bekend te zijn aan de betreffende ambtenaar. Voor wat betreft een uitleg van het begrip ‘redelijk vermoeden’ wordt verwezen naar hetgeen daarover in A3/3.3 is opgemerkt.
### 7. Verplichtingen in het kader van toezicht
### 7.3. Verplichting tot het verstrekken van gegevens
## Model M92. Verhuismutaties (melding aan de IND)
## Model M93. Bericht omtrent signalering
De staande gehouden persoon mag overgebracht worden naar een plaats bestemd voor verhoor indien:
Ingevolge [artikel 5:19 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19) is een toezichthouder bevoegd om vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. Tevens is hij bevoegd om vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken en van de bestuurder inzage van wettelijk voorgeschreven bescheiden te vorderen. Met het oog op deze bevoegdheden kan van de bestuurder van het voertuig of van de schipper van een vaartuig worden gevorderd dat deze zijn voertuig stilhoudt en naar een door de ambtenaar aangewezen plaats overbrengt. Een ieder van wie iets gevorderd wordt, is verplicht medewerking te verlenen ([artikel 5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20)).
Voor wat betreft het gebruik maken van de bevoegdheid tot het onderzoek van vervoermiddelen in het kader van het operationele toezicht in het binnenland kunnen onder andere de volgende aanwijzingen aanleiding geven van deze bevoegdheid gebruik te maken:
In [artikel 53, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=53) is opgenomen dat ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, voorzover dat nodig is ter uitzetting van de vreemdeling dan wel voor de inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59).
### 7.3.1. Algemeen
## Model M94-A. Verklaring ex artikel 25 lid 1 Uitvoeringsovereenkomst Schengen
## Model M94-B. Verklaring ex artikel 25 lid 2 Uitvoeringsovereenkomst Schengen
De binnentredingsbevoegdheid voortvloeiend uit de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wordt in [artikel 53 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=53) nader aangevuld en verruimd.
Aan jeugdige personen beneden de leeftijd van 21 jaar die reizen op een door één van lidstaten van Europese Overeenkomst van 16 december 1961 afgegeven collectief paspoort of lijst kan toegang worden verleend voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, mits:
In beginsel wordt toegang verleend tot het Benelux-gebied indien:
De toegang wordt verleend voor de duur die noodzakelijk is om de doorreis per eerstvolgende gelegenheid te kunnen voortzetten. De toegang kan worden geweigerd aan personen ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat zij toegang vragen voor een ander doel dan waarvoor deze regeling bedoeld is.
Indien in het geldig document van grensoverschrijding het benodigde visum ontbreekt, kan aan werkzoekende zeelieden aan de grens een visum met een geldigheid van maximaal vijftien dagen worden afgegeven, mits aan alle overige voorwaarden voor toegang wordt voldaan. Indien nodig kan in uitzonderlijke gevallen na ommekomst van de vijftien dagen termijn een verlenging van de geldigheidsduur van het visum bij de Visadienst, of (voor zover het de in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden betreft) bij de ZHP worden gevraagd.
Deze paragraaf gaat over minderjarigen, inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen, aan wie (nog) geen lang verblijf in Nederland is toegestaan.
Kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar kunnen, in afwijking van het vereiste dat zelfstandig moet worden beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, Nederland binnenkomen, wanneer zij reizen in gezelschap van een persoon wiens document voor grensoverschrijding mede voor hen geldig is, onder de volgende voorwaarden:
Degene onder wiens begeleiding minderjarige kinderen reizen, is verplicht om op verzoek het mede voor hen geldig document voor grensoverschrijding aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie [artikel 4.5, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)). De zelfstandige identificatieplicht van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) juncto [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) geldt voor deze kinderen niet.
Voor houders van elders afgegeven reisdocumenten voor vluchtelingen die niet vallen onder genoemde regelingen, gelden in beginsel geen afwijkingen van de normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Deze vreemdelingen mogen echter in geen geval naar hun land van herkomst worden verwijderd.
Vreemdelingen die in het bezit zijn van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan vluchtelingen en die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat zijn vrijgesteld van de visumplicht op grond van Verordening 539/2001.
Uitgenodigde vluchtelingen zijn vluchtelingen die door de Nederlandse regering als zodanig worden erkend en op verzoek van de UNHCR naar Nederland worden overgebracht.
Overtreding van de [artikelen 5, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) en [artikel 65, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie (maximaal € 3.800) of een hechtenis van ten hoogste zes maanden ([artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Het misdrijf van [artikel 197a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197a) (mensensmokkel) kan worden bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie (maximaal €76.000). Het derde lid van het artikel bevat de mogelijkheid tot strafverzwaring indien het feit is begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep. Ingeval van verdenking van mensensmokkel wordt in ieder geval proces-verbaal opgemaakt en zal in beginsel onmiddellijk tot dagvaarden worden overgegaan.
[Artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) verschaft een titel van vrijheidsontneming om vreemdelingen na een strafrechtelijke detentie en ter inbewaringstelling te vervoeren, dan wel over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor. Als plaats bestemd voor verhoor kunnen in dit verband worden aangemerkt een politiebureau, een brigade of celruimte bij een doorlaatpost van de KMar of een huis van bewaring. Zie voor de toepassing van [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) tevens A6/5.3.7.1.
De termijn van ophouding vangt aan op het moment dat de staande gehouden persoon op de plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. De ophouding kan maximaal zes uren duren waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend.
### 3.7. Rechtsbijstand
De vreemdeling behoeft bij het opleggen van de verlenging van de ophouding niet gehoord te worden. De beschikking tot verlenging dient gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed te zijn. Aan de opgehouden persoon wordt een afschrift daarvan uitgereikt. Hem wordt daarbij (schriftelijk) mededeling gedaan van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel (zie A6/6). Het origineel van dit formulier moet in het archief worden opgeborgen. Het tijdstip waarop de verlenging van een ophouding ingegaan is, dient te worden aangetekend in de vreemdelingenadministratie.
### 3.7. Rechtsbijstand
Bij het opheffen van de maatregel dient gebruik gemaakt te worden van [model M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-02-09&g=2012-02-09).
Indien de termijn van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) verstreken is, vervalt de vrijheidsbeneming van rechtswege.
Indien ambtenaren belast met grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden hebben dat met een vervoermiddel of luchtvaartuig personen worden vervoerd met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben, dan zijn zij bevoegd het vervoermiddel te onderzoeken. De ambtenaren zijn in dat geval bevoegd van de bestuurder van het voertuig, van de schipper van het vaartuig of de gezagvoerder van het luchtvaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hen aangewezen plaats overbrengt teneinde het vervoermiddel te onderzoeken op de aanwezigheid van vreemdelingen. [Artikel 51 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51) is te beschouwen als een aanvulling op [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50). Dit betekent dat indien in het staandegehouden vervoermiddel een vreemdeling wordt aangetroffen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij illegaal in Nederland verblijft, deze vreemdeling kan worden onderworpen aan de dwangmiddelen bedoeld in [artikel 50, tweede tot en met vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) (zie A3/3).
Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn op grond van [artikel 27, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27), en [artikel 45, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45), na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigener beweging had moeten verlaten eveneens bevoegd elke plaats te betreden, daaronder begrepen de woning zonder toestemming van de bewoner, doch uitsluitend voorzover dat nodig is ter uitzetting van de vreemdeling.
Op grond van [artikel 2 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) is voor het binnentreden een machtiging nodig. Deze machtiging kan aan ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen worden verleend door de burgemeester, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie ([artikel 3 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=3)).
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 7.1. Inleiding
## Model M95-M99. Gereserveerd
## Model M100. Bericht verwijdering
## Model M101. Ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/of identiteitspapieren
## Model M102. Verzoek tot doorgeleiding met het oog op verwijdering door de lucht (overeenkomstig art. 4 van [Richtlijn 2003/110/EG](32003L0110) van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 (PB L321 van 6.12.2003, blz.26)
## Model M103-M109
Omtrent het opleggen van de verplichting wordt door de Korpschef de bij [artikel 4.29, eerste lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) voorgeschreven aantekening in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling gesteld, met dien verstande dat in de gevallen, omschreven in het derde lid van [artikel 4.29 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), de aantekening geschiedt op een afzonderlijk inlegblad.
### Overwegingen:
Zie [artikel 4.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.52). In de volgende gevallen is de vreemdeling verplicht het document als bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) in persoon in te leveren bij de Korpschef van het regionale politiekorps waar hij verblijft:
Het niet voldoen aan deze verplichting is ingevolge het bepaalde in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit.
Aanleiding om een maandelijkse meldplicht op te leggen bestaat in zijn algemeenheid:
### Artikel 2 – alternatief
### Overwegingen:
Het niet voldoen aan de verplichting van [artikel 4.44 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.44) is ingevolge het bepaalde in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit en kan ertoe leiden dat er geen nieuw document wordt afgegeven.
### Artikel 2 – alternatief
Voorts dient in alle gevallen waarin wordt geconstateerd dat onregelmatigheden zijn gepleegd met door de Nederlandse overheid afgegeven reisdocumenten, daarvan bericht te worden gezonden aan het ministerie van BZK.
### De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
Aanvragen met betrekking tot het vervangen of het vernieuwen van verblijfsdocumenten om redenen als genoemd in [artikel 4.22, eerste lid, van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.22) kunnen worden gezonden naar de IND. De aanvrager kan daartoe een aanvraagformulier aanvragen.
De afgifte van documenten als bedoeld in [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) (zowel ingeval van vervanging als van vernieuwing), geschiedt door de IND.
Documenten worden vervangen indien de vreemdeling aan wie het document werd afgegeven overeenkomstig [artikel 4.44 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.44) aangifte heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie ondeugdelijk worden van het document.
Wordt niet aanstonds tot afgifte van een nieuw document aan de vreemdeling overgegaan dan verdient het aanbeveling een verklaring af te geven waaruit de aangifte blijkt.
Het niet voldoen aan de verplichting van [artikel 4.44 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.44) is ingevolge het bepaalde in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit en kan ertoe leiden dat er geen nieuw document wordt afgegeven.
Een vreemdeling die, bij aanmelding of bij aantreffen, niet (meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dient op grond van [artikel 50, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) te worden staande gehouden en te worden gehoord. Zie ook A3/3. Zijn identiteit dient te worden vastgelegd aan de hand van naamsopgave, foto’s en dactyloscopisch signalement met handtekening van de gedactyloscopeerde.
### Artikel 2 – alternatief
Op grond van [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) dient de vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend zich beschikbaar te houden conform de aanwijzingen door de bevoegde autoriteit. Zie A6/3.1.
### Artikel 3 – culturele uitwisseling
In [artikel 55, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is de bevoegdheid opgenomen tot een veiligheidsfouillering. Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend door de ambtenaren belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen ten aanzien van asielzoekers aan wie de maatregel van artikel 55, eerste lid, Vw opgelegd is, of ten aanzien van de vreemdeling die zich in een vertrekcentrum bevindt. De bevoegdheid heeft tot doel de veiligheid van de vreemdeling zelf, de in een centrum verblijvende asielzoekers en het daar aanwezige personeel te waarborgen. Bij de beoordeling in welke gevallen zal worden gefouilleerd, bijvoorbeeld bij het van buiten naar binnen komen van een asielzoeker, dient te worden nagegaan of deze fouillering in verhouding staat tot het doel. Dit betekent dat een asielzoeker die in een centrum verblijft niet op ieder moment kan worden onderworpen aan een veiligheidsfouillering, met andere woorden, er moet een reden of aanleiding voor zijn.
### Artikel 1 – weekindeling
Wordt niet aanstonds tot afgifte van een nieuw document aan de vreemdeling overgegaan dan verdient het aanbeveling een verklaring af te geven waaruit de aangifte blijkt.
Wordt niet aanstonds tot afgifte van een nieuw document aan de vreemdeling overgegaan dan verdient het aanbeveling een verklaring af te geven waaruit de aangifte blijkt.
### Artikel 5 – geldigheid
Een vreemdeling die, bij aanmelding of bij aantreffen, niet (meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dient op grond van [artikel 50, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) te worden staande gehouden en te worden gehoord. Zie ook A3/3. Zijn identiteit dient te worden vastgelegd aan de hand van naamsopgave, foto’s en dactyloscopisch signalement met handtekening van de gedactyloscopeerde.
In het OPS staan signaleringen uit hoofde van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Andere signaleringen in het OPS hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen en de aanhouding of voorgeleiding van personen die verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging van deze signaleringen behoort niet tot de uitvoering van de Vw. De bevoegdheden terzake berusten op het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en andere wetgeving. Richtlijnen met betrekking tot deze signaleringen worden gegeven door het OM. Ook het OPS bevat aanwijzingen terzake. Daarnaast kunnen vermiste personen in het OPS worden gesignaleerd.
In [artikel 55, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is de mogelijkheid tot documentzoeking opgenomen met betrekking tot asielzoekers. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op hen die een afspraak willen maken voor het indienen van een asielaanvraag (zie [C9/2.1.1.1](onbekend)).
Een aantal signaleringen wordt ook opgenomen in het (N)SIS. Dit gemeenschappelijke opsporingssysteem is gebouwd ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, dat de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen van de Schengenlanden regelt. De centrale computer, waarop ieder Schengenland een aansluiting heeft (voor Nederland het (N)SIS), staat in Straatsburg en kan door alle Schengenlanden geraadpleegd worden. Het (N)SIS is een systeem dat naast de andere systemen (zoals het OPS) opereert. Het is niet zo dat het (N)SIS in de plaats komt van andere nationale systemen. Signaleringen die opgenomen dienen te worden in het (N)SIS, moeten voldoen aan de voorwaarden die vermeld staan in artikelen 95 en 96 SUO.
## Model M110-A. Maatregel van bewaring
## Model M110-B. Proces-verbaal van gehoor (art. 59 Vw 2000 jo. art. 5.2 Vb 2000)
## Model M111-A. Proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding
## Model M111-B. Proces-verbaal toepassing art. 50, tweede of derde lid, van de Vw
Vervallen
## Model M111-C. Proces-verbaal art. 50 Vw (mobiel toezicht vreemdelingen)
## Model M111-D. Beschikking verlenging ophouding art. 50, vierde lid van de Vw
## Model M112. Verzoek opneming van een inbewaringgestelde vreemdeling in een huis van bewaring
## Model M113. Opheffing van een aanwijzing/maatregel als bedoeld in artikel 6, 50, 55, 56, 57, 58 of 59* Vw
## Model M114. Verzoek om ontslag uit een justitiële inrichting
## Model M115. Lichtingsverzoek
## Model M116. Aanwijzing ex artikel 58 Vreemdelingenwet
## Model M117-A. Aanwijzing ingevolge artikel 55 en/of meldplicht ingevolge artikel 54 van de Vreemdelingenwet (asielzoekers)
## Model M117-B. Vervolgaanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet (asielzoekers)
## Model M117-C. Aanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet op de aanmeldcentra
## Model M118. Geleidebrief/Checklist i.v.m. toepassing art.6/58/59 Vreemdelingenwet 2000
## Model M119. Dossier vreemdelingenbewaring
## Model M120. (Voortgangs)gegevens met betrekking tot uitzetting (10-dagen)
## Model M122
## Model M123-M129. Gereserveerd
## Model M130. Brochure ongewenstverklaring
Vervallen
## Model M131-A. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Diplomatenverdrag
## Model M131-B. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Consulaire Verdrag
## Model M132. Verzoek om inlichtingen aan de Regionale Directie Arbeidsvoorziening
## Model M133-A. Inlichtingenformulier voor het vragen van inlichtingen conform art. 8.1 Vb
Vervallen
## Model M133-B. Antwoordformulier
Vervallen
## Model M133-C. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M133-D. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M134. Verrekeningsstaat
## Model M135. Declaratie kosten verwijdering
## Model M136. Opgave van ingenomen gelden
### 4.3.5. Kosten
In de volgende gevallen is er sprake van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen:
### 4.3.7. Intrekking van visa
Zij behoeven hiervoor géén dringende reden aan te dragen.
Voor de behandeling van een aanvraag voor een terugkeervisum zijn leges verschuldigd (zie verder A2/4.3.5).
Zie voor bepalingen omtrent aanvraag, afgifte en vrijstellingen van een mvv [B1/1.1](onbekend), [B1/1.2](onbekend) en [B1/4.1.1 van de Vc](onbekend).
De (overige) door de KMar en de ZHP aan de grens geheven visumgelden worden wekelijks, vergezeld van een gespecificeerde verantwoording, overgemaakt op de rekening van het ministerie van BuZa.
### 4.4.4. Middelen van bestaan
Terugkeervisa worden op grond van [artikel 3a, eerste lid, Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a) kosteloos afgegeven aan vreemdelingen op wie de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) van toepassing is, op grond waarvan zij voor terugkeer naar Nederland geen visum behoeven. Verder geldt ingevolge [art 3a, vierde lid onder b, Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a) een verlaagd tarief voor Turkse onderdanen, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel s, onder 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=1). Het betreft hier Turkse onderdanen, die rechten kunnen ontlenen aan de Associatieovereenkomst EG-Turkije.
Indien de Korpschef constateert dat de houder van een nog geldig visum niet of niet meer aan de voorwaarden van [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) voldoet, moeten maatregelen getroffen worden ten behoeve van de verwijdering van de vreemdeling in kwestie.
Aan de grens kunnen (in individuele of collectieve vorm) onder bepaalde voorwaarden (zie [Verordening 415/2003](32003R0415) en BNL-bijlage I GVI) worden afgegeven:
### 4.4.3. Het bepaalde bij en krachtens de Vw
Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar het gestelde in A2/4.2.3.2. In aanvulling daarop wordt in het kader van verblijf in de vrije termijn opgemerkt dat voldoende middelen van bestaan ook blijken uit inkomsten uit hier te lande te verrichten werkzaamheden of te verlenen diensten. Voor bepaalde werknemers is een tewerkstellingsvergunning vereist, zie hiervoor [B5](onbekend). De duur van de te verrichten werkzaamheden of diensten zal die van de vrije termijn niet mogen overschrijden.
Om deze verlenging van de vrije termijn zichtbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de sticker verblijfsaantekening algemeen, die in het paspoort wordt aangebracht. Voor deze verlenging van de vrije termijn worden geen kosten in rekening gebracht.
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
Van belang is dat bij de eerdere verwijdering om redenen van openbare orde of nationale veiligheid is geoordeeld dat sprake was van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde of openbare veiligheid. De vreemdeling die eerder om redenen van openbare orde of openbare veiligheid is verwijderd kan na verloop van een redelijke termijn, en in ieder geval na drie jaar gerekend vanaf zijn vertrek, een aanvraag indienen om opheffing van het eerdere besluit om hem uit Nederland te verwijderen. Gelet op het feit dat verblijfsbeëindiging persoonlijk gedrag vereist dat een actuele, werkelijke en (voldoende) ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, ligt het voor de hand dat de vreemdeling tevens ongewenst zal zijn verklaard (zie A5/6). In die gevallen betreft het in de Nederlandse situatie derhalve een aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring. Gedurende de behandeling van deze aanvraag heeft de vreemdeling geen recht van toegang tot Nederland.
Naast hetgeen hieromtrent is opgenomen in bepaling 4.4. Bijlage VII, SCG, geldt dat de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) in het algemeen niet van toepassing is op vreemdelingen die een bijzondere status bezitten krachtens een zetelovereenkomst gesloten met een internationale organisatie waarin is bepaald dat de zetel, dat wil zeggen hoofdkantoor, in Nederland is gevestigd en waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Zij zijn in het bezit van het eerdergenoemde geprivilegieerdendocument (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81&z=2012-04-01&g=2012-04-01)). Voor deze categorie geldt hetgeen hierboven bij a (niet-duurzaam verblijf) is opgemerkt over de bijzondere status (zie ook [B12/3.2](onbekend)).
Wanneer in een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk of Ierland ook in die landen gevestigde jeugdige vluchtelingen of staatlozen voorkomen, moet dit uit het document blijken. Deze deelnemers moeten wel beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto. Deelnemers die reizen op een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hoeven – behoudens bij grenspassage – niet in groepsverband te reizen, op voorwaarde dat zij zich kunnen legitimeren en de reisleider steeds beschikbaar blijft.
Als blijk van de verleende toegang aan de transitpassagier, wordt in het reisdocument van de transitpassagier een aantekening gesteld. De tekst van deze aantekening luidt:
Kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar kunnen, in afwijking van het vereiste dat zelfstandig moet worden beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, Nederland binnenkomen, wanneer zij reizen in gezelschap van een persoon wiens document voor grensoverschrijding mede voor hen geldig is, onder de volgende voorwaarden:
Alleenreizende minderjarigen moeten voldoen aan de normale vereisten voor binnenkomst en verblijf. Indien de toegang tot Nederland aan de alleenreizende minderjarige wordt geweigerd, dient deze te worden teruggebracht naar een derde land waar zijn toelating is gewaarborgd. In dit geval draagt de ambtenaar belast met de grensbewaking de verantwoordelijkheid hiervoor over aan de DT&V.
Onderscheid wordt gemaakt tussen adoptie(f)kinderen en pleegkinderen. Adoptie(f)kinderen zijn kinderen die op zeer jeugdige leeftijd, in de regel jonger dan zes jaar, ter adoptie naar Nederland komen. De aspirant-adoptiefouders moeten voor opneming van deze kinderen onder andere in het bezit zijn van een zogenaamde beginseltoestemming van de Minister. Pleegkinderen zijn diegenen die niet voor adoptie maar om andere redenen in hun belang naar Nederland komen om te worden opgenomen in het gezin van naaste familieleden.
Onderscheid wordt gemaakt tussen adoptie(f)kinderen en pleegkinderen. Adoptie(f)kinderen zijn kinderen die op zeer jeugdige leeftijd, in de regel jonger dan zes jaar, ter adoptie naar Nederland komen. De aspirant-adoptiefouders moeten voor opneming van deze kinderen onder andere in het bezit zijn van een zogenaamde beginseltoestemming van de Minister. Pleegkinderen zijn diegenen die niet voor adoptie maar om andere redenen in hun belang naar Nederland komen om te worden opgenomen in het gezin van naaste familieleden.
Houders van een dergelijk document voor grensoverschrijding zijn bij binnenkomst aan de visumplicht onderworpen. Echter, vreemdelingen die in het bezit zijn van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat zijn op grond van Verordening 539/2001 vrijgesteld van de visumplicht.
Voor de bepalingen met betrekking tot houders van een vreemdelingenpaspoort aan wie lang verblijf in Nederland is toegestaan wordt verwezen naar A2/6.2.10.1.
Aan personen die verklaren staatloos te zijn en die niet in het bezit zijn van een vreemdelingenpaspoort wordt de toegang geweigerd. Houders van vreemdelingenpaspoorten die niet beschikken over de vereiste visa wordt in beginsel eveneens de toegang geweigerd. In bijzondere gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunnen echter aan de grens visumfaciliteiten worden verleend (zie A2/4.3.8).
Voor de bepalingen met betrekking tot houders van een vreemdelingenpaspoort aan wie lang verblijf in Nederland is toegestaan wordt verwezen naar A2/6.2.10.1.
Ook indien het uiteindelijk niet mogelijk blijkt de vreemdeling uit te zetten is de vervoerder aansprakelijk voor de kosten die gemaakt worden met betrekking tot de door hem aangevoerde geweigerde vreemdeling.
Ook indien het uiteindelijk niet mogelijk blijkt de vreemdeling uit te zetten is de vervoerder aansprakelijk voor de kosten die gemaakt worden met betrekking tot de door hem aangevoerde geweigerde vreemdeling.
Met [artikel 51 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=51) is beoogd ambtenaren belast met grensbewaking en ambtenaren belast met het toezicht in staat te stellen personen te controleren met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben en die zich in een vervoermiddel bevinden. Van deze bevoegdheid mag gebruik worden gemaakt indien de toezichthouder op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden heeft dat met het te controleren vervoermiddel zo’n persoon wordt vervoerd. Het is daarbij niet noodzakelijk dat de ambtenaar een redelijk vermoeden moet hebben dat de te controleren persoon illegaal in Nederland verblijft. De toezichthoudende taak van de ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht beperkt zich daartoe immers niet. Voor wat betreft het operationele toezicht in het binnenland zal het gebruik van deze bevoegdheid zich echter veelal beperken tot personen van wie een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestaat.
In andere delen van deze circulaire wordt – voorzover het de daarin behandelde onderwerpen betreft – eveneens aandacht besteed aan voorschriften op het gebied van het stellen of doorhalen van aantekeningen in documenten voor grensoverschrijding van vreemdelingen.
In deze paragraaf worden de terzake geldende voorschriften die van meer algemene aard zijn behandeld.
Als algemene richtlijnen gelden:
Voor wat betreft het gebruik maken van de bevoegdheid tot het onderzoek van vervoermiddelen in het kader van het operationele toezicht in het binnenland kunnen onder andere de volgende aanwijzingen aanleiding geven van deze bevoegdheid gebruik te maken:
Op grond van [artikel 52, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=52) zijn ambtenaren belast met de grensbewaking bevoegd aantekeningen te stellen in reis- en identiteitsdocumenten. In [artikel 4.24 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.24) is vastgelegd dat het onder meer kan gaan om aantekeningen met betrekking tot:
De ambtenaren belast met grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd om, ter vervulling van hun taken, reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen, tijdelijk in bewaring te nemen alsmede om hierin aantekeningen te maken.
De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn mede bevoegd om in de reispapieren van vreemdelingen aantekeningen te stellen omtrent visa (zie A2/4.3). Op grond van [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) moet de aantekening in een aantal gevallen echter worden gesteld op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad (van het in [bijlage 8 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=8) gevoegde model, tevens vermeldende diens naam, voornamen, geboortedatum en een omschrijving van diens identiteitspapier).
Op grond van [artikel 1, eerste lid, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=1) is degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsontneming uitoefent, en uit die hoofde een woning betreedt, verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Ingevolge [artikel 1, tweede lid, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=1) kan van de legitimatie- en mededelingsplicht worden afgezien wanneer dit naar redelijke verwachting onmiddellijk en ernstig gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt.
Het is altijd mogelijk een woning te betreden met toestemming van de bewoner. Op grond van [artikel 1, vierde lid, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=1) is het dan noodzakelijk dat de persoon die binnentreedt voorafgaand aan het binnentreden toestemming vraagt aan de bewoner. Op grond van die bepaling moet die toestemming blijken aan degene die wenst binnen te treden. De leeftijd van de bewoner die toestemming verleent om een woning te betreden is niet van belang. Wel dient degene die de toestemming verleent de gevolgen van zijn handelen te kunnen overzien. De gang van zaken bij het binnentreden met toestemming van de bewoner moet worden vastgelegd in een proces-verbaal (bijvoorbeeld worden opgenomen in het proces-verbaal van staandehouden van een vreemdeling).
Bij binnentreding van een woning met toestemming van de bewoner kan de toestemming overigens te allen tijde worden ingetrokken. Een ambtenaar zonder machtiging dient dan te vertrekken.
In [artikel 53, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=53) is opgenomen dat ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, voorzover dat nodig is ter uitzetting van de vreemdeling dan wel voor de inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59).
Voor het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner is ingevolge [artikel 2, eerste lid, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) een schriftelijke machtiging vereist. De machtiging wordt zo mogelijk bij het binnentreden getoond. In de [leden 1 en 3 van artikel 2 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) zijn enige uitzonderingen opgenomen op de verplichting om te beschikken over een schriftelijke machtiging, maar deze uitzonderingen doen zich in het geval van binnentreden op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) normaliter niet voor.
Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn onder meer de officieren en hulpofficieren van justitie. De machtiging die wordt verleend voor het binnentreden op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zal gewoonlijk worden gegeven voor het binnentreden in één in de machtiging te noemen woning. Zo nodig kan worden bepaald dat de machtiging tevens zal gelden voor ten hoogste drie andere afzonderlijk te noemen woningen.
Op grond van [artikel 2 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) is voor het binnentreden een machtiging nodig. Deze machtiging kan aan ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen worden verleend door de burgemeester, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie ([artikel 3 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=3)).
### 7.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens
### 7. Verplichtingen in het kader van toezicht
### 7.3.3. Melding door de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
### 7.3.1. Algemeen
### 7.3.4. Kennis geven van het verschaffen van nachtverblijf
### 7.2. Verplichting tot opgave van verhuizing
### 7.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens
### 7.3.5. Verstrekken gegevens over (vroegere) buitenlandse werknemers
### 7.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens
### Artikel 4 – zakgeld
### Artikel 3 – culturele uitwisseling
De bevoegdheden van documentzoeking en veiligheidsfouillering mogen slechts uitgeoefend worden met inachtneming van de volgende algemene uitgangspunten:
Een signalering is geen zelfstandige maatregel maar een bijzondere aanwijzing van de Minister aan de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen, die gegeven wordt in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid.
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
### Artikel 5 – geldigheid
Andere signaleringen in het (N)SIS hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen en de aanhouding of voorgeleiding van personen die van een strafbaar feit verdacht worden. Ook kunnen vermiste personen in het (N)SIS worden gesignaleerd.
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
Verder zal deze afdeling behulpzaam kunnen zijn bij navraag en advies over signaleringen, internationale opsporingsverzoeken en alle andere voorkomende vragen over internationale rechtshulp.
Een signalering is geen zelfstandige maatregel maar een bijzondere aanwijzing van de Minister aan de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen, die gegeven wordt in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid.
### Artikel 7 – geschillenclausule
De IND zal voorstellen tot signalering toetsen aan de voorwaarden voor opnamen in het OPS, dan wel (N)SIS. De politie- en grensbewakingsambtenaren dienen in voorkomende gevallen beide systemen te raadplegen.
In [artikel 55, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is de mogelijkheid tot documentzoeking opgenomen met betrekking tot asielzoekers. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op hen die een afspraak willen maken voor het indienen van een asielaanvraag (zie [C9/2.1.1.1](onbekend)).
Een aantal signaleringen wordt ook opgenomen in het (N)SIS. Dit gemeenschappelijke opsporingssysteem is gebouwd ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, dat de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen van de Schengenlanden regelt. De centrale computer, waarop ieder Schengenland een aansluiting heeft (voor Nederland het (N)SIS), staat in Straatsburg en kan door alle Schengenlanden geraadpleegd worden. Het (N)SIS is een systeem dat naast de andere systemen (zoals het OPS) opereert. Het is niet zo dat het (N)SIS in de plaats komt van andere nationale systemen. Signaleringen die opgenomen dienen te worden in het (N)SIS, moeten voldoen aan de voorwaarden die vermeld staan in artikelen 95 en 96 SUO.
Andere signaleringen in het (N)SIS hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen en de aanhouding of voorgeleiding van personen die van een strafbaar feit verdacht worden. Ook kunnen vermiste personen in het (N)SIS worden gesignaleerd.
## Model M137-A. Formulier restitutie garantiesom
## Model M137-B. Formulier restitutie passagebiljet
## Model M138. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
## Model M139. Verzoek om afgifte van een Machtiging tot voorlopig verblijf
## Model M140. De verklaring van de werkgever
Vervallen
## Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant
## Model M133-D. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M134. Verrekeningsstaat
## Model M135. Declaratie kosten verwijdering
## Model M136. Opgave van ingenomen gelden
## Model M137-A. Formulier restitutie garantiesom
### 4.1.4. Afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens
Ten behoeve van analyses, onderzoeken, kamervragen of andere vragen leveren ketenpartners op verzoek gegevens aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De mogelijkheden hiertoe en de procedures die hierbij worden gehanteerd kunnen door de Directeur- Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken met de ketenpartners en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen worden vastgelegd.
### 5. Klachten
Een klacht wordt gedefinieerd als iedere uiting van ongenoegen over alle aspecten van gedragingen van het bestuursorgaan of van een persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (zie [artikel 9:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1)). Klachten dienen bij de betreffende bestuursorganen te worden ingediend (zie voor informatie en contactgegevens onder A1/3) en door de bestuursorganen zelf te worden afgedaan. Is de klager ontevreden over de afhandeling van zijn klacht, dan kan hij die daarna voorleggen aan de Nationale ombudsman als externe klachtbehandelaar. In de klachtenregeling van de Awb geldt dat een klacht na ontvangst door het bestuursorgaan binnen zes weken moet zijn afgedaan. Iedere organisatie kan beschikken over een eigen klachtenregeling en/of –procedure. Voor de geldende klachtenregeling en/of -procedure dient contact te worden opgenomen met de betreffende organisatie.
### 6.1. Algemeen
De gegevens die binnen de vreemdelingenketen worden geregistreerd dienen actueel te zijn. Bij elke gelegenheid waarbij een vreemdeling in contact komt met een van de ketenpartners, dient de desbetreffende ketenpartner zoveel mogelijk na te gaan of de geregistreerde gegevens nog met de feitelijke situatie overeenkomen. Wijzigingen dienen door de verantwoordelijke en bevoegde organisatie onverwijld te worden verwerkt.
### 6.2. Het PIL
De ketenpartners, die het protocol onderschrijven, verplichten zich daarmee tot het werken volgens het PIL, overeenkomstig hun taken en bevoegdheden in de identificatie en registratie, zoals beschreven in het PIL. De organisaties:
### 6.3. De BVV
In artikel 2 SGC zijn voorts nadere definities vastgesteld in het kader van grensbewaking. Zo introduceert artikel 2, dertiende lid, SGC een in Nederland nieuw begrip, “grenswachter”. Gezien deze definitie, is iedere ambtenaar belast met grensbewaking ex [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) een grenswachter in de zin van de SGC. In de Vc zal gewoon de term ambtenaar belast met de grensbewaking worden gebezigd.
### 3. Ambtenaren belast met grensbewaking, geografische verdeling
In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, kan de ambtenaar belast met grensbewaking met toestemming van de vreemdeling inlichtingen inwinnen bij het hiervoor door de betreffende luchtvaartmaatschappij beschikbaar gestelde informatiepunt. Indien de vreemdeling geen toestemming verleent aan de ambtenaar belast met grensbewaking om de bovenbedoelde informatie op te vragen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij en voorts niet anderszins het doel en de duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk kan maken, wijst de ambtenaar de vreemdeling er op dat dit tot toegangsweigering zal leiden.
### 4.2.3.1. Reisdoel
De middelen dienen toereikend te zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in Nederland als in de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang gewaarborgd is. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder de duur van het voorgenomen verblijf, het reisdoel, de persoonlijke omstandigheden en de aard van het gebruikte vervoermiddel. Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak, hetgeen voor Nederland neerkomt op een bedrag van ten minste € 34 per persoon per dag. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang is gewaarborgd.
### 4.2.5. Gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan tevens een meldplicht worden opgelegd met toepassing van [artikel 4.24, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.24).
### 4.3. Visa en visumafgifte aan de grens
Bijzondere regels ten aanzien van de behandeling van visumaanvragen kunnen gelden op grond van een visumfacilitatieovereenkomst, welke is afgesloten tussen de EU en een derde land. Een visumfacilitatieovereenkomst vergemakkelijkt de afgifte van visa voor kort verblijf aan onderdanen van derde landen, op basis van wederkerigheid.
### 4.3.3.1. Schengenvisa
In artikel 4 van Verordening 539/2001 is bepaald dat lidstaten in bepaalde gevallen een uitzondering kunnen maken op de visumplicht of de vrijstelling van de visumplicht die uit de Verordening voortvloeit. Dat geldt onder andere voor houders van diplomatieke paspoorten, dienst- of officiële paspoorten en speciale paspoorten, voor civiele vliegtuig- en scheepsbemanningen, voor bepaalde groepen scholieren of personen met een vluchtelingenstatus en staatlozen.
### 6.7.2.3. Anderen
Ten aanzien van de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier (eerste aanleg, bezwaar of beroep) geldt het volgende. Indien de vreemdeling is ingereisd zonder te beschikken over de vereiste mvv welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, en evenmin besloten is dat er sprake is van een gerechtvaardigd beroep op de hardheidsclausule of vrijstelling van het mvv-vereiste, wordt aan hem geen terugkeervisum verleend.
### 6.10.2.2. Toelichting op standaard faxformulier
De geldigheidsduur van een visum voor één reis bedraagt ten hoogste drie maanden. In bepaalde gevallen kan een meervoudig visum met een geldigheidsduur tussen zes maanden en vijf jaar worden toegekend (zie artikel 24, tweede lid, Visumcode).
### 4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens
Een terugkeervisum kan worden verleend aan een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel (als bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) en [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33)) heeft gedaan en rechtmatig verblijf houdt op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), indien althans aan de hierboven onder 1 tot en met 6 genoemde voorwaarden is voldaan. Echter, deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een terugkeervisum wanneer het de terugkeer vanuit het land van herkomst betreft.
### 6.13. Toegang voor transitpassagiers van vliegtuigen
Een terugkeervisum kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd. Zij behoeven hiervoor géén dringende reden aan te dragen. Echter, deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een terugkeervisum wanneer het de terugkeer vanuit het land van herkomst betreft. Het is hierbij niet van belang of het om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd gaat.
De mvv is een nationaal visum dat wordt afgegeven door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland ([artikel 1, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)).
De kosten voor nationale visa zijn nader uitgewerkt in de Regeling van de Minister van BuZa van 12 december 2003, nr. DJZ/BR-1003/2003 tot vaststelling van de tarieven voor consulaire dienstverlening ([Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097)), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 januari 2011, nr. DJZ/BR/0734-2010 (Staatscourant 2011 nr. 597 d.d. 14 januari 2011 ).
De geldigheid van het visum wordt hier beperkt tot Nederland. In deze gevallen dient soepel met de nationale verlenging met nog eens negentig dagen te worden omgegaan. Hiervoor geldt dat de duur van het eerste visum en de nationale verlenging samen niet meer dan zes maanden mogen bedragen, voor zover het verblijf boven de drie maanden is ingegeven door voorafgaande verblijven in andere Schengenlanden, waardoor niet zou kunnen worden voldaan aan het criterium van drie maanden verblijf per periode van zes maanden.
Na behandeling van de ziekte of na de periode van quarantaine, wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeeld of aan de betrokken vreemdeling alsnog toegang tot het grondgebied kan worden verleend.
Deze vreemdelingen zijn óf beroepskoeriers óf als zodanig voor één reis aangewezen.
In de laatstgenoemde situatie zal een reisbiljet soms de bijzondere status aannemelijk kunnen maken. In deze gevallen – of indien anderszins twijfel bestaat of de vreemdeling een bijzondere status bezit – dient aanstonds contact te worden opgenomen met het ministerie van BuZa dat hiertoe ook gedurende het weekeinde en feestdagen telefonisch bereikbaar is.
Voor wat betreft het luchthaventransitvisum geldt dat in artikel 3, vijfde lid, Visumcode alsmede in bijlage V van de Visumcode staat opgesomd voor welke vreemdelingen geldt dat zij zijn vrijgesteld van het visumvereiste.
Aan visumplichtige transitpassagiers van vliegtuigen die in het bezit zijn van een voor het Benelux-gebied geldig paspoort doch niet van het vereiste visum en die door omstandigheden buiten hun wil hun reis niet kunnen voortzetten, kan onder voorwaarden toegang tot het Benelux-gebied worden verleend.
Vreemdelingen die zich via Nederland naar een boorinstallatie op Nederlands deel van het continentaal plat willen begeven of die komende van een boorinstallatie Nederland willen inreizen moeten voldoen aan alle normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Het verkeer van en naar een boorinstallatie moet steeds plaatsvinden via een grensdoorlaatpost gedurende de tijd dat deze is opengesteld. De normale in- en uitreisformaliteiten worden steeds vervuld.
Onder ‘staatloze’ wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag verstaan: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Deze personen worden in de regel door de autoriteiten van het land waar zij zijn toegelaten in het bezit gesteld van een vreemdelingenpaspoort.
Het reisdocument voor staatlozen, afgegeven krachtens voornoemd verdrag, wordt voor binnenkomst op het grondgebied van de Schengenstaten als document voor grensoverschrijding erkend.
Vreemdelingenpaspoorten worden door de autoriteiten van het land waar zij zijn toegelaten ook wel afgegeven aan personen die om één of andere reden van het land waarvan zij onderdaan zijn geen document voor grensoverschrijding kunnen verkrijgen of een reeds verkregen document voor grensoverschrijding niet kunnen laten verlengen.
Toegang wordt slechts aan houders van vreemdelingenpaspoorten verleend indien uit het vreemdelingenpaspoort of een ander document blijkt dat de wedertoelating van de vreemdeling tot het land van afgifte is gewaarborgd.
In plaats van terugplaatsing aan boord kan de verstekeling, eveneens op kosten van de vervoerder, op een andere wijze worden terugvervoerd naar het land waar hij aan boord is gegaan, dan wel worden vervoerd naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven, of een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd. Een dergelijke wijze van terugvervoeren is alleen mogelijk als deze praktisch uitvoerbaar is. Hiertoe dient de verstekeling in beginsel voldoende gedocumenteerd te zijn. Indien dit niet het geval is, dient de identiteit en/ of nationaliteit vastgesteld te worden en aan de verstekeling een vervangend reisdocument te worden verstrekt door de diplomatieke/ consulaire vertegenwoordiging van het land van bestemming. De vaststelling van de nationaliteit en identiteit en de afgifte van de vervangende reisdocumenten dient te geschieden alvorens het schip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag evenwel niet ten koste gaan van een unieke verwijdermogelijkheid.
Onder de kosten van uitzetting zijn ook begrepen de kosten van de handelingen, zoals het presenteren van een vreemdeling op de ambassade ter verkrijging van een vervangend reisdocument. De kosten waarvoor de vervoersonderneming op basis van het hiervoor genoemde onder a tot en met c aansprakelijk is, zijn opgenomen in de tarievenlijst.
Nadat een vreemdeling is terugvervoerd, leveren alle overheidsinstanties de IND een overzicht aan van de kosten die zij met betrekking tot de betreffende vreemdeling hebben gemaakt. Zij doen dit aan de hand van onderstaande tarievenlijst. Deze gestandaardiseerde tarieven betreffen de kosten van uitzetting en de kosten van verblijf die de overheid maakt met betrekking tot vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. De tarieven zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten van de diverse betrokken instanties.
Personen van 14 jaar en ouder, zijn op grond van de [Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297) verplicht een identiteitsbewijs op eerste vordering ter inzage af te geven (toonplicht).
De ambtenaren belast met grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd om, ter vervulling van hun taken, reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen, tijdelijk in bewaring te nemen alsmede om hierin aantekeningen te maken.
Als bewoner van een woning geldt iedereen die tot een huishouden behoort. De ambtenaar die wil binnentreden in een woning mag er van uitgaan dat degene die in de deuropening staat de bewoner is, hetzij namens deze kan spreken.
Betreden impliceert niet het doorzoeken van de plaats die wordt betreden (bijvoorbeeld het openen van willekeurige kasten, laden en andere bergplaatsen), tenzij het toezicht daarop specifiek betrekking heeft in de zin van [artikel 5:18 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er onderzoek wordt gedaan naar de daadwerkelijke samenwoning van een vreemdeling met een ander persoon. Voor het betreden van de woning moet in dat geval wel toestemming zijn verleend.
De Minister kan op grond van [artikel 54, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) aan een vreemdeling een individuele verplichting tot periodieke aanmelding bij de Korpschef opleggen. Deze maatregel kan alleen worden opgelegd als dat naar het oordeel van de Minister in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid nodig is.
Van de aangifte dient proces-verbaal te worden opgemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal dient te worden gezonden aan de IND. De IND zal verder zorgdragen dat het betreffende documentnummer wordt opgenomen in het Verificatie- en Informatiesysteem van de DNRI.
### Artikel 1 – weekindeling
### Artikel 2 – alternatief
Voorts dient in alle gevallen waarin wordt geconstateerd dat onregelmatigheden zijn gepleegd met door de Nederlandse overheid afgegeven reisdocumenten, daarvan bericht te worden gezonden aan het ministerie van BZK.
In [artikel 55, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is de mogelijkheid tot documentzoeking opgenomen met betrekking tot asielzoekers. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op hen die een afspraak willen maken voor het indienen van een asielaanvraag (zie [C9/2.1.1.1](onbekend)).
### Artikel 4 – zakgeld
### Artikel 7 – geschillenclausule
In ieder land dat via het (N)SIS een aansluiting heeft op het (N)SIS is een contactbureau gevestigd: de SIRENE. Dit is het enige permanent beschikbare contactpunt voor aanvullende informatie over gegevens die in het (N)SIS zijn opgenomen of moeten worden opgenomen. De afdeling SIRENE Nederland is ondergebracht bij de Dienst IPOL en dient als vraagbaak voor alle zaken die met het (N)SIS te maken hebben. Ook moeten alle ‘hits’ bij de afdeling SIRENE worden gemeld.
Signaleringen in het OPS uit hoofde van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kunnen betrekking hebben op zowel vreemdelingen als EU/EER en Zwitserse onderdanen. In het (N)SIS mogen geen EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen worden gesignaleerd. Zodra een signalering in het (N)SIS wordt opgenomen blijft signalering in het OPS achterwege. Bij bevraging van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen niet behorend tot de EU/EER of de Zwitserse Bondsstaat dient eerst het (N)SIS en vervolgens het OPS te worden geraadpleegd. Controle aan de hand van het OPS blijft achterwege ten aanzien van diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde personen.
De Minister kan op grond van [artikel 54, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) aan een vreemdeling een individuele verplichting tot periodieke aanmelding bij de Korpschef opleggen. Deze maatregel kan alleen worden opgelegd als dat naar het oordeel van de Minister in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid nodig is.
### Overwegingen:
Bij de toepassing van deze maatregel geeft de Minister terzake een beschikking af. Op grond van [artikel 75, aanhef en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) kan tegen deze beschikking geen bezwaar worden gemaakt. De vreemdeling kan tegen deze beschikking rechtstreeks in beroep gaan bij de rechtbank.
Ten bewijze van het opleggen en het voldoen aan de verplichting tot periodieke aanmelding wordt daarvan in het reisdocument van de vreemdeling een aantekening gesteld als volgt:
### De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
### Artikel 1 – weekindeling
De vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wiens document, bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), waaruit het rechtmatige verblijf blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft is gelegen.
### Artikel 3 – culturele uitwisseling
Zie [artikel 4.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.52). In de volgende gevallen is de vreemdeling verplicht het document als bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) in persoon in te leveren bij de Korpschef van het regionale politiekorps waar hij verblijft:
### Overwegingen:
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
De aangesloten organisaties dienen alle gegevens te registreren die voor de identificatie en verwijzingen naar activiteiten en de (verblijfs)documentbestellingen noodzakelijk zijn.
De vreemdelingen die in de BVV zijn opgeslagen worden gekenmerkt door het 10-cijferige vreemdelingnummer. Sinds de invoering van de BVV (juni 2003) wordt dit nummer voor nieuw opgevoerde vreemdelingen uitgegeven door de BVV. De vreemdelingen die vóór juni 2003 bekend waren bij de vreemdelingenpolitie en de IND hebben hun toen reeds bestaande centraal vreemdelingenregisternummer behouden. Alle gegevens in de BVV zijn met elkaar verbonden via het vreemdelingennummer, dat ook in de systemen van de aangesloten organisaties wordt gehanteerd.
De GBA is de basisregistratie voor persoonsgegevens. Voor persoonsgegevens van vreemdelingen in de BVV die bij de GBA zijn geregistreerd, is het gebruik van de authentieke GBA-gegevens verplicht. Dat houdt in dat persoonsgegevens van deze vreemdelingen in beginsel niet mogen worden gemuteerd door de aangesloten ketenpartners. Voor afnemers van de GBA-gegevens geldt een verplichting tot terugmelding bij gerede twijfel aan de juistheid van de gegevens. De terugmeldprocedure is beschreven in het PIL.
Voor de gegevens omtrent het rechtmatig verblijf van een vreemdeling is de IND leidend. Deze gegevens worden in de vorm van een zogeheten verblijfstitel doorgegeven aan de GBA en geregistreerd in de BVV.
De BVV is in juni 2003 in gebruik genomen. Het systeem bevat geen historische gegevens die ouder zijn dan deze datum. Vanaf juni 2003 bevat de BVV een volledige mutatiehistorie.
De Regeling Wbp voor de BVV is bekend bij het College voor de Bescherming van Persoonsgegevens onder meldingsnummer m1145769 en is te raadplegen op www.vreemdelingenketen.nl en opvraagbaar bij de stafdirectie Coördinatie Vreemdelingenketen.
De Regeling Wbp voor de BVV is bekend bij het College voor de Bescherming van Persoonsgegevens onder meldingsnummer m1145769 en is te raadplegen op www.vreemdelingenketen.nl en opvraagbaar bij de stafdirectie Coördinatie Vreemdelingenketen.
Het woordenboek bevat begrippen (gegevensgroepen, samengestelde gegevens en gegevens) en tabellen behorend tot de processen binnen de vreemdelingenketen, waarmee informatie tussen ketenorganisaties wordt uitgewisseld of waarover wordt gecommuniceerd. Het is van toepassing op alle processen en informatiestromen binnen de vreemdelingenketen welke over organisatiegrenzen heen lopen en waarbij gegevens tussen ketenpartners worden uitgewisseld.
Elk in het gegevenswoordenboek opgenomen gegeven wordt gedefinieerd aan de hand van de volgende rubrieken:
Ketenpartners verplichten zich het woordenboek als standaard te hanteren bij uitwisseling van gegevens. Het gegevenswoordenboek is te raadplegen op de volgende websites: www.vreemdelingenketen.nl
Ketenpartners verplichten zich het woordenboek als standaard te hanteren bij uitwisseling van gegevens. Het gegevenswoordenboek is te raadplegen op de volgende websites: www.vreemdelingenketen.nl
In [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) is aangegeven wat verstaan wordt onder:
In [artikel 1.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.1) is aangegeven wat verstaan wordt onder:
De met de grensbewaking belaste ambtenaren zijn genoemd in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46). Alle ambtenaren belast met de grensbewaking zijn, zonder territoriale beperkingen, bevoegd deze taak binnen Nederland uit te oefenen. Met het oog op een efficiënte uitoefening van deze taken richten de onderscheiden diensten zich evenwel primair op verschillende gebieden die geografisch als volgt zijn verdeeld.
Alle ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zijn bevoegd toezicht uit te oefenen op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking. Binnen deze politieregio zijn deze taken in de eerste plaats toebedeeld aan de ZHP. De ambtenaren van de ZHP zijn belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Rotterdam-Havens, inclusief de benoemde ankerplaatsen. Daarnaast zijn zij belast met het uitoefenen van de grensbewakingstaken in de politieregio Rotterdam-Rijnmond, inclusief de hierin gelegen kust- en binnenwateren.
De criteria waaraan een reisdocument moet voldoen zijn opgenomen in artikel 12 Visumcode.
### 4.3.3.1. Schengenvisa
### 6.3. Onderdanen van de Beneluxlanden, de lidstaten van de EU/EER en van de Zwitserse Bondsstaat
### 4.2.4. Signalering ter fine van weigering
De vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom heeft gedeponeerd, moet zich voor teruggave daarvan rechtstreeks wenden tot de beherende instantie. Hetzelfde geldt voor derden die een garantiesom ten behoeve van een vreemdeling hebben gedeponeerd.
Deze derde stelt zich daarbij garant voor de kosten die voor de Staat of andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder d, SGC kan toegang worden verleend aan vreemdelingen die niet met het oog op weigering van toegang in (N)SIS gesignaleerd staan. Met betrekking tot signaleringen die verband houden met respectievelijk de uitvoering van de Vw en de SUO wordt verwezen naar A3/9.
Het visum wordt in beginsel niet voor langere duur verleend dan waarvoor het is aangevraagd.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder e, SGC kan toegang worden verleend aan vreemdelingen die niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.
Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de (goede) internationale betrekkingen.
### 4.3.3. Soorten van visa
### 6.7. Adoptie- en pleegkinderen
### 4.3.3.2. Nationale visa
### 4.2.5. voor de openbare orde of nationale veiligheid
### 4.3.4. Verplichting tot aanmelding
### 6.9.1.3. Controle van personen reizend op een collectief paspoort of lijst
Aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, kan ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994 (94/75/JBZ). Bij dit besluit is een standaard gemeenschappelijk formulier toegevoegd van een reizigerslijst. De reizigerslijst is opgenomen in [model M7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M7&z=2012-04-01&g=2012-04-01).
Indien een solvabele derde zich reeds eerder garant heeft gesteld voor een visumaanvrager en hij niet of onvoldoende aannemelijk kan maken dat deze visumaanvrager tijdig is teruggekeerd naar het land van herkomst of een land waar de toelating is gewaarborgd, kan dit mede aanleiding vormen de aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen.
De beslistermijn voor een aanvraag om een visum kort verblijf is neergelegd in artikel 23 Visumcode. Uitgangspunt is dat er wordt beslist binnen vijftien kalenderdagen na de datum van indiening van een ontvankelijke aanvraag (zie artikel 23, eerste lid, Visumcode). In individuele gevallen kan de beslistermijn worden verlengd tot ten hoogste dertig kalenderdagen (zie artikel 23, tweede lid, Visumcode) en in uitzonderlijke gevallen kan de beslistermijn worden verlengd tot ten hoogste zestig dagen (zie artikel 23, derde lid, Visumcode).
Bij een afwijzende beslissing op een visumaanvraag moeten de redenen van afwijzing van de aanvraag kenbaar worden gemaakt. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode) (zie artikel 32, tweede lid, Visumcode).
De mvv is een nationaal visum dat wordt afgegeven door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland ([artikel 1, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)).
Er kunnen twee soorten nationale visa worden onderscheiden:
Een terugkeervisum is een nationaal visum, dat recht geeft op terugkeer naar Nederland (zie [artikel 2.3, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3).)
### 4.3.5. Kosten
Het gevolg van een omzetting mag niet zijn dat, meer dan op grond van de aangevoerde omstandigheid noodzakelijk wordt geacht, gebruik kan worden gemaakt van meervoudige binnenkomsten en van de initieel toegekende vrije termijn.
Vreemdelingen aan wie verblijf in de vrije termijn is toegestaan en die naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, zijn in beginsel verplicht zich binnen drie dagen in persoon te melden bij de vreemdelingenpolitie van de gemeente waar zij verblijven (zie [artikel 4.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.48)). Het kan daarbij zowel om niet-visumplichtige als om visumplichtige vreemdelingen gaan. De verplichting tot aanmelding bij de vreemdelingenpolitie voor deze laatste groep hoeft niet expliciet op de visumsticker te zijn vermeld. Niet nakoming van een verplichting tot aanmelding is een strafbaar feit (zie [artikel 108, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Bij afgifte van een visum kan de verplichting worden opgelegd zich binnen 3 dagen na aankomst bij de vreemdelingenpolitie te melden ([artikel 4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49)). In dat geval wordt onder het visum een aantekening gesteld.
In geval van visumverlenging wordt in het reisdocument van de vreemdeling een Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring wordt de sticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.
Vervolgens worden de bijzondere redenen getoetst die worden aangevoerd voor het omzetten naar een visum voor meer binnenkomsten. Hiervan is sprake indien de aanvrager aantoont aan dat hij om bijzondere redenen belang heeft bij de mogelijkheid meer dan een keer het Schengengebied binnen te reizen en de aangevoerde redenen, die kunnen zijn gelegen in de zakelijke of persoonlijke omstandigheden, van voldoende zwaarwegende aard zijn.
Aan de grens kunnen (in individuele of collectieve vorm) onder bepaalde voorwaarden (zie [Verordening 415/2003](32003R0415) en BNL-bijlage I GVI) worden afgegeven:
Voor verblijf in de vrije termijn zijn vooral van belang de:
### 5.5. Toegangsweigering
Het is niet mogelijk om een aanvraag om een mvv dan wel een verblijfsvergunning regulier aan een grensdoorlaatpost of door tussenkomst van een ambtenaar belast met de grensbewaking in te dienen. Dit, om tegen te gaan dat het mvv-vereiste en de bijbehorende aanvraagprocedure vanuit het buitenland worden omzeild.
Het bovenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om aangifte te doen inzake mensenhandel. Een dergelijke aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. De procedure als beschreven in [B9](onbekend) is van toepassing.
Indien een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient gehandeld te worden overeenkomstig het gestelde in [C9/2.1.1.1](onbekend).
Ingevolge artikel 7 SGC zijn er twee basisvormen van grenscontrole te onderscheiden: de minimumcontrole en de grondige controle.
Een derdelander die lang verblijf wenst, dat wil zeggen langer dan drie maanden in Nederland of het Schengengebied wil verblijven, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3). Tot deze laatste categorie horen ook asielzoekers, die per definitie voor een lange tijd beroep doen op bescherming door de overheid.
Een ieder dient bij in- en uitreis aan een minimumcontrole te worden onderworpen.
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is. Voor meer bijzonderheden zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.
### 6.2.3. Bijzondere categorieën personen
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
### 6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg
### 6.2.7.4. Zieke zeelieden
Zoals aangegeven in A2/4.4.1, wordt sedert de implementatie op 29 april 2006 van Richtlijn 2004/38, ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Ingevolge [artikel 8.11, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11) heeft een vreemdeling (EU/EER onderdaan en onderdaan van Zwitserland) rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis indien hij:
Een eerste termijn van drie maanden geldt ten aanzien van familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) die geen onderdaan zijn van de EU, de EER of Zwitserland, met dien verstande dat dat gezinslid in het bezit moet zijn van een geldig paspoort (zie [artikel 8.11, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11)). Andere documenten dan het paspoort worden niet geaccepteerd.
Overigens, een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor grensoverschrijding, kan pas worden uitgezet nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze vast te stellen of te bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet (zie [artikel 8.8, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8)).
Een eerste termijn van drie maanden geldt ten aanzien van familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) die geen onderdaan zijn van de EU, de EER of Zwitserland, met dien verstande dat dat gezinslid in het bezit moet zijn van een geldig paspoort (zie [artikel 8.11, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11)). Andere documenten dan het paspoort worden niet geaccepteerd.
Voor onderdanen van België en Luxemburg geldt in beginsel eveneens hetgeen in A2/6.2.2.2 is gesteld. Voorts geldt voor onderdanen van België en Luxemburg steeds dat ook sinds de inwerkingtreding van de SUO, de bepalingen van de Benelux-overeenkomst van kracht blijven voor zover zij voor de Benelux-onderdanen gunstiger voorwaarden bevatten voor wat betreft grenscontrole, toegang en (lang) verblijf dan het Schengenakkoord aangeeft.
Onderdanen van België en Luxemburg mogen Nederland voor kortere of langere duur binnenkomen, ongeacht het doel van hun verblijf, indien zij in het bezit zijn van een paspoort of identiteitsbewijs.
Op onderdanen van België en Luxemburg die geen gebruik maken van het recht op vrij verkeer van personen geldt dat artikel 8.8, eerste en tweede lid, VV niet van toepassing zijn. Op deze vreemdelingen is [artikel 8.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.5) van toepassing. Uit dat artikel volgt dat aan deze onderdanen van België en Luxemburg, indien zij het vereiste document van grensoverschrijding bezitten, de toegang tot Nederland alleen kan worden geweigerd als zij een actuele bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid vormen. Net als bij andere onderdanen van de EU/EER, dient voorafgaand aan toegangsweigering de IND te worden geraadpleegd (zie A2/5.5.1). Indien wordt overgegaan tot toegangsweigering moet een schriftelijke gemotiveerde beschikking worden uitgereikt. Hiervoor kan [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2012-04-01&g=2012-04-01) worden gebruikt.
Onderdanen van België en Luxemburg mogen Nederland voor kortere of langere duur binnenkomen, ongeacht het doel van hun verblijf, indien zij in het bezit zijn van een paspoort of identiteitsbewijs.
Voor wat betreft de bijzondere regels voor staatshoofden en houders van een diplomatiek, een officieel of een dienstpaspoort en leden van internationale organisaties wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 1. en 4, SGC. Ter toelichting en aanvulling voor de Nederlandse situatie is het volgende van belang.
BO Leden van het administratief en technisch personeel en hun gezinsleden;
De vreemdelingen van de categorie waarop de bepalingen van dit onderdeel betrekking hebben, dienen te worden onderscheiden in drie groepen:
Op vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten als lid van een diplomatieke zending of consulaire post, hun gezinsleden en hun personeel, is de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing indien zij niet-duurzaam in Nederland verblijven. Op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer en de Consulaire Betrekkingen komt hen een bijzondere status toe. Zij zijn door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van het geprivilegieerdendocument (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
De vorm van de reizigerslijst is vastgesteld (zie [M7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M7&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
Naast de gebruikelijke controlehandelingen, wordt bij uitreis van personen die reizen op een collectief paspoort of collectieve lijst eveneens gecontroleerd of de in het document voorkomende personen nog deel uitmaken van het gezelschap. Indien een of meerdere personen niet meer bij het gezelschap zijn, moet de reden daarvan bij de reisleider worden nagegaan. Zonodig worden de bevoegde autoriteiten van het Schengenstaat waar de ontbrekende persoon is achtergebleven hiervan in kennis gesteld. Op grond van het ontbreken van een van de deelnemers kan de uitreis van de overige deelnemers niet worden belet. In geval een persoon ontbreekt, wordt hieromtrent bij de (uitreis)stempel tevens een aantekening gesteld.
In beide gevallen wordt een meldplicht opgelegd als bedoeld in [artikel 4.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.26).
In het al tweede geval wordt bovendien van de aspirant-pleegouders verlangd dat zij een garantverklaring (zie de [bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)) ondertekenen. Bij aspirant-adoptie(f)ouders is het ondertekenen van zo’n verklaring niet nodig.
In beide gevallen wordt een meldplicht opgelegd als bedoeld in [artikel 4.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.26).
In het al tweede geval wordt bovendien van de aspirant-pleegouders verlangd dat zij een garantverklaring (zie de [bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)) ondertekenen. Bij aspirant-adoptie(f)ouders is het ondertekenen van zo’n verklaring niet nodig.
Toegang wordt steeds verleend aan:
Ten aanzien van de tweede voorwaarde geldt voorts dat aan een persoon met een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven paspoort of identiteitskaart die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer van personen (zie [B10](onbekend)) en (vervolgens) verwijderd is door een andere lidstaat om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, door de Nederlandse ambtenaar belast met de grensbewaking zonder formaliteiten toegang dient te worden verleend. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie [artikel 8.10 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10)).
Inwonende kinderen beneden de twaalf jaar zijn meestal opgenomen in de vergunning van hun ouders. Deze kinderen worden ook feitelijk in het bezit gesteld van een verblijfsdocument (zie [artikel 4.21, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)).
Alle hierboven genoemde vreemdelingen zijn in geval van terugkeer naar Nederland vrijgesteld van de visumplicht (zie [bijlage 3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
Vreemdelingen aan wie lang verblijf in Nederland is toegestaan zijn bij in- en uitreis verplicht om het in hun bezit zijnde document voor grensoverschrijding desgevraagd aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie [artikel 4.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5)).
Ten aanzien van vreemdelingen die kunnen aantonen dat hen lang verblijf in Nederland is toegestaan blijft controle op bestaansmiddelen achterwege. Hen wordt niet gevraagd naar doel en duur van het verblijf. Wel kan controle aan de hand van het OPS plaatsvinden, met name met het oog op tenuitvoerlegging van signaleringen die verband houden met de Vw (zie A3/9).
Overeenkomstig de daartoe strekkende internationale regelgeving kan de Nederlandse overheid een vervoerder verzoeken, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het vaartuig of luchtvaartuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar kan dan in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming). Dit geschiedt enkel indien daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.
Om vervoerders in staat te stellen de verlangde controle zo goed mogelijk te verrichten, houdt het ministerie van BZK hen regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. Tevens zullen aanwijzingen gegeven worden die een meer effectieve en efficiënte controle kunnen bewerkstelligen (bijv. informatie over reisroutes, trends, veel voorkomende vervalsingen etc.).
De Nederlandse overheid kan op grond van [artikel 2.2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.2) vervoerders verplichten een afschrift te maken van de in het bezit van bepaalde vreemdelingen zijnde documenten. Deze afschriftplicht geldt slechts voor vluchten of vaarten vanaf die plaatsen van vertrek die specifiek, bij ministeriële regeling, zijn aangegeven. Ook kunnen bepaalde specifieke vervoersondernemingen worden aangewezen.
Indien een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, wordt de aansprakelijkheid van de vervoerder voor de kosten voor de duur van de behandeling van de asielaanvraag opgeschort. Er zullen pas weer kosten op de vervoerder worden verhaald nadat de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden en de ambtenaar belast met de grensbewaking de vervoerder de aanwijzing heeft gegeven de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.
De ambtenaren van de KMar die (tevens) zijn aangewezen als ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht, beschikken in het kader van ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht, indien noodzakelijk, over de bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming op grond van [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59). Voor zover de betrokken vreemdeling de toegang is geweigerd door de verzoekende lidstaat, kan [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) worden toegepast (zie model [M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M119&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en model [M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-04-01&g=2012-04-01)). Voor toepassing van maatregelen van vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming wordt verwezen naar A6. Bevoegdheden kunnen ook zijn gerelateerd aan de algemene politietaak van de KMar op Schiphol op grond van [artikel 2 Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=2).
Ten aanzien van het gebruik van hulpmiddelen om de vreemdeling in zijn bewegingsvrijheid te beperken, wordt verwezen naar A4. De bepalingen van deze paragraaf zijn hier onverkort van toepassing.
Degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt daarvan op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op. Voor wat betreft de inhoud van het verslag wordt verwezen naar [artikel 10, tweede lid, onder a tot en met g, Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=10). Indien krachtens een machtiging is binnengetreden wordt het verslag uiterlijk op de vierde dag na die waarop in de woning is binnengetreden toegezonden aan de degene die de machtiging heeft gegeven. Indien dit een hulpofficier van justitie is, dan wordt het verslag ook aan de officier van justitie verzonden. Een afschrift van het verslag wordt op de hiervoor bedoelde dag toegezonden of uitgereikt aan de bewoner. Indien het niet mogelijk is het afschrift toe te zenden of uit te reiken dan wordt het verslag gedurende zes maanden voor de bewoner beschikbaar gehouden.
Op grond van [artikel 2 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) is voor het binnentreden een machtiging nodig. Deze machtiging kan aan ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen worden verleend door de burgemeester, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie ([artikel 3 Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=3)).
Als maatregel van toezicht kunnen aan vreemdelingen geen andere verplichtingen worden opgelegd dan die welke bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn vastgesteld. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
In [artikel 54, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is de grondslag opgenomen voor de verplichtingen die als maatregel van toezicht aan vreemdelingen kunnen worden opgelegd. Indien een vreemdeling bij herhaling opzettelijk niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting kan dit onder omstandigheden aanleiding zijn voor in bewaringstelling ex [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of vrijheidsontneming ex [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of signalering in het OPS of (N)SIS.
Van deze kennisgeving kan aantekening worden gemaakt in het document voor grensoverschrijding (zie [artikel 4.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.32)).
### 7.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens
### 7.3.3. Melding door de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
### 7.3.6. Mededeling omtrent zoeken of gaan verrichten van arbeid
### 7.3.4. Kennis geven van het verschaffen van nachtverblijf
### 7.3.4. Kennis geven van het verschaffen van nachtverblijf
### De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
### Artikel 2 – alternatief
### Artikel 3 – culturele uitwisseling
### Artikel 4 – zakgeld
### Artikel 5 – geldigheid
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
Deze signalering komt in principe alleen in het (N)SIS voor.
### Artikel 7 – geschillenclausule
Opname van deze signalering in het NSIS volgt na uitzetting uit Nederland of indien er geen rechtsmiddel meer aangewend kan worden tegen het opgelegde inreisverbod, dan wel de aangewende rechtsmiddelen niet in Nederland afgewacht mogen worden. Het inreisverbod betekent dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben (zie [artikel 66, sub a, zevende lid , Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)), hetgeen tot gevolg heeft dat deze vreemdelingen – zolang het inreisverbod van kracht blijft – geen toegang en verblijf in Nederland is toegestaan. Een vreemdeling die in Nederland verblijft of er in terugkeert terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, maakt zich schuldig aan een misdrijf (zie [artikel 197 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197)). Zijn aanhouding terzake van dit misdrijf kan dan ook plaatsvinden. In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister op grond van [artikel 6.5c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5c) het inreisverbod tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland. Indien er geen opheffing is verleend en een vreemdeling aan wie een inreisverbod op grond van artikel 66, sub a, zevende lid, Vw is opgelegd zich aan een doorlaatpost meldt en daarbij eigener beweging en uitdrukkelijk om toegang tot Nederland verzoekt, geldt hetgeen beschreven onder A3/9.2.1.
Signaleringen in het OPS uit hoofde van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kunnen betrekking hebben op zowel vreemdelingen als EU/EER en Zwitserse onderdanen. In het (N)SIS mogen geen EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen worden gesignaleerd. Zodra een signalering in het (N)SIS wordt opgenomen blijft signalering in het OPS achterwege. Bij bevraging van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen niet behorend tot de EU/EER of de Zwitserse Bondsstaat dient eerst het (N)SIS en vervolgens het OPS te worden geraadpleegd. Controle aan de hand van het OPS blijft achterwege ten aanzien van diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde personen.
Deze signalering komt in principe alleen in het (N)SIS voor.
De signalering Inreisverbod dient ter handhaving van het aan de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod op grond van [artikel 66a, eerste tot en met het zesde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a). Deze signalering kan ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen voorkomen. Het betreft de vreemdeling:
## Model M137-B. Formulier restitutie passagebiljet
## Model M138. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
## Model M139. Verzoek om afgifte van een Machtiging tot voorlopig verblijf
## Model M140. De verklaring van de werkgever
Vervallen
## Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant
Aan personen die verklaren staatloos te zijn en die niet in het bezit zijn van een vreemdelingenpaspoort wordt de toegang geweigerd. Houders van vreemdelingenpaspoorten die niet beschikken over de vereiste visa wordt in beginsel eveneens de toegang geweigerd. In bijzondere gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunnen echter aan de grens visumfaciliteiten worden verleend (zie A2/4.3.8).
Overeenkomstig de daartoe strekkende internationale regelgeving kan de Nederlandse overheid een vervoerder verzoeken, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het vaartuig of luchtvaartuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar kan dan in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming). Dit geschiedt enkel indien daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.
Wat onder vervoerder wordt verstaan, staat in artikel 2 SGC. Voor Nederland geldt dat met name de luchtvaart-, cruise- en ferrymaatschappijen, alsmede eigenaars van koopvaardijschepen en eigenaars/gebruikers van pleziervaartuigen, die één of meer vreemdelingen aanvoeren via een plaats waar buitengrenscontrole voor het Schengengebied plaatsvindt, zich aan een aantal verplichtingen moeten houden.
Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de (internationale) luchtvaart wordt verwezen naar [artikel 4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.15) en [4.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.16). Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de zeevaart wordt verwezen naar [artikel 4.9 tot en met 4.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10). Hieruit blijkt onder meer dat in beginsel de gezagvoerders direct bij binnenkomst een passagiers- en bemanningslijst dienen te overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. In het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) zijn voor wat betreft de (internationale) luchtvaart modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen in [bijlage 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=15) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=16). Voor wat betreft de zeevaart zijn modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen in [bijlage 14a tot en met 14d VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14a). De in [bijlage 14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14c) en [14d VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=14d) opgenomen passagierslijst wordt gehanteerd voor schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van ten hoogste twaalf passagiers (zie [artikel 4.4 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=4.4)). De passagierslijst kan tevens gebruikt worden voor de opgave van de aanwezigheid van aangetroffen verstekelingen.
De verplichting voor de bestuurder van een voertuig om mee te werken, is geregeld in [artikel 4.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.8) en de [artikelen 5:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20).
Ook degene die stelt Nederlander te zijn, maar dat niet kan aantonen, kan worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor (zie [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50)).
Indien de opgehouden vreemdeling dat verzoekt, wordt de door hem gewenste raadsman of een via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp aangewezen raadsman ingelicht. Uiteraard moet de vreemdeling in de gelegenheid worden gesteld onverwijld contact met zijn raadsman op te nemen.
De invoering van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), het daarbij behorende [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825)en het [Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002)op 1 april 2001 hebben geleid tot het opstellen van de Vreemdelingencirculaire 2000. De Vreemdelingencirculaire 2000 is vastgesteld bij beschikking van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en verving op bovengenoemde datum de Vreemdelingencirculaire 1994. De Vreemdelingencirculaire 2000 is in 2006 geheel herzien.
De invoering van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), het daarbij behorende [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825)en het [Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002)op 1 april 2001 hebben geleid tot het opstellen van de Vreemdelingencirculaire 2000. De Vreemdelingencirculaire 2000 is vastgesteld bij beschikking van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en verving op bovengenoemde datum de Vreemdelingencirculaire 1994. De Vreemdelingencirculaire 2000 is in 2006 geheel herzien.
In de Vreemdelingencirculaire 2000 worden vaak voorkomende termen en organisatienamen afgekort en nimmer voluit geschreven. Er wordt dan ook gebruik gemaakt van een afkortingenlijst, welke aan het begin van dit deel A is opgenomen. In tegenstelling tot de hogere vreemdelingenregelgeving ([artikel 124 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=124), [artikel 7.5 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=7.5) en [9.13 Vb)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.13) is hier gekozen voor het afkorten van de termen ‘[Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)’, ‘[Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825)’, het ‘[Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002)’ en ‘Vreemdelingencirculaire 2000’. Hiervoor gelden respectievelijk de afkortingen Vw, Vb, VV en Vc.
In de Vc wordt de Vw uit 1965 aangeduid met “Vw (oud)” en de artikelen uit die wet met “artikel xx Vw (oud)”.
De Vc vormt het geheel van beleidsregels en algemene aanwijzingen aan alle ambtenaren belast met de uitvoering van de vreemdelingenwet- en regelgeving.
De Vc bestaat uit drie delen:
Deel A bevat algemene informatie over de vreemdelingenketen en organisaties die een directe relatie hebben met de keten, bestuurlijke informatievoorziening, de registratie binnen de vreemdelingenketen en het overgangsrecht. Wanneer gesproken wordt over de vreemdelingenketen, worden alle (semi-) overheidsorganen bedoeld die een verantwoordelijkheid hebben in de uitvoering van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823).
In deel A zijn voorts de beleidsregels en algemene aanwijzingen opgenomen in verband met de grensbewaking, de toegang, het toezicht, het vertrek en de uitzetting, de vrijheidsbeperking en -beneming en ongewenstverklaring. In dit deel zijn tevens de modellen van formulieren en documenten opgenomen die door meerdere ketenpartners binnen de vreemdelingenketen worden gebruikt.
Daar waar in deze circulaire wordt verwezen naar de verantwoordelijke bewindspersoon zal deze worden aangeduid als “de Minister”.
De Minister heeft zijn bevoegdheden met betrekking tot de coördinatie, regie en de uitvoering van het gezag binnen de vreemdelingenketen gemandateerd aan de Secretaris-Generaal, die dit op zijn beurt heeft doorgemandateerd aan de Directeur-Generaal Vreemdelingenzaken. Laatstgenoemde geeft op grond van [artikel 48 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=48) namens de Minister aanwijzingen aan de uitvoeringsorganisaties, inclusief aanwijzingen omtrent de behandeling van individuen en bijzondere groepen. In spoedeisende individuele gevallen ligt deze aanwijzingsbevoegdheid bij het Hoofd van de IND teneinde een effectief optreden mogelijk te maken, voor zover dit niet ligt op het terrein van vertrek en uitzetting. De aanwijzingsbevoegdheid ligt waar het gaat om vertrek en uitzetting in spoedeisende individuele gevallen bij de Directeur van de DT&V. Voorts is het geven van een bijzondere aanwijzing in het geval van een voorgenomen toegangsweigering aan een vreemdeling die asiel aanvraagt (zie [artikel 3, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3)) of een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland (zie [artikel 8.8, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8)) een bevoegdheid die aan het Hoofd van de IND is doorgemandateerd. Tevens is de uitvoering van de Vw gemandateerd aan het Hoofd van de IND, voor zover dit ligt op het terrein van toelating. Deze mandatering ziet onder meer op het nemen van beslissingen op toelatingsaanvragen. De uitvoering van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) op het terrein van vertrek en uitzetting is gemandateerd aan de Directeur DT&V. Zie voor de uitwerking van de mandatering binnen het Ministerie van Justitie de [Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018330), nr. 5332529/05/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005, nr. 97), de [Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018331), nr. 5295095/04/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005 nr. 97) en het besluit van het Hoofd van de IND van 24 juni 2005, nr. INDUIT05-4081 (AUB) (Stcrt. d.d. 18 juli 2005, nr. 136).
In [hoofdstuk 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4) is vastgelegd dat de Korpschef en de Commandant der KMar hun bevoegdheden en taken niet uitoefenen naar eigen beleidsinzicht, maar met inachtneming van de (algemene en bijzondere) aanwijzingen van de Minister (zie ook [hoofdstuk 4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&hoofdstuk=4)).
De organisaties die belast zijn met de uitvoering van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving dragen ieder zorg voor het organiseren en geven van specifieke voorlichting over de door hen uit te voeren taken.
De DJI is verantwoordelijk voor de uitvoering van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, waaronder de vreemdelingenbewaring.
De Directie Migratiebeleid van het Ministerie van BZK draagt zorg voor de nationale en internationale beleidsontwikkeling op het asiel- en immigratieterrein, alsmede op het terrein van opvang van asielzoekers. Het aandachtsveld van de directie bestaat aldus uit toelating, verblijf, toezicht, terugkeer, grensbewaking, visumbeleid, opvang en de coördinatie van het beleid tot het tegengaan van illegaal verblijf.
De DT&V is als taakorganisatie belast met de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving terzake vertrek en uitzetting. De DT&V bevordert, organiseert en realiseert het daadwerkelijk vertrek uit Nederland van vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Bij het uitvoeren van deze taak staat het stimuleren van het zelfstandig vertrek voorop. Zo nodig bereidt de DT&V het gedwongen vertrek van de vreemdeling uit Nederland voor. De DT&V voert haar taak uit in samenwerking met andere ketenpartners van de overheid die een taak hebben in het vertrekproces. De DT&V regisseert het vertrekproces op operationeel niveau. Taken die wettelijk zijn voorbehouden aan ambtenaren belast met het toezicht of de grensbewaking, worden niet verricht door de DT&V.
Het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel heeft als doel: het verschaffen van inzicht en overzicht in de criminaliteit in relatie tot mensenhandel & mensensmokkel, ten bate van de opsporing en het tegenhouden van deze en gerelateerde misdrijven.
Daartoe is het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel een centrale plek waar informatie, kennis en ervaring op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel wordt verzameld, veredeld en geëxploiteerd.
De IND is onder meer verantwoordelijk voor de beoordeling van alle aanvragen voor toelating en naturalisatie van vreemdelingen.
IOM richt zich op velerlei migratievraagstukken. Zo biedt IOM ondersteuning aan uitgeprocedeerde vreemdelingen die Nederland vrijwillig willen verlaten, organiseren zij het vervoer van personen naar of uit Nederland en richten zij zich op (her)integratie, bestrijding van mensenhandel, arbeidsmigratie, migratie en ontwikkeling en migratie en gezondheid.
De KMar is op de luchthavens en in de zeehavens in Nederland alsmede op zee belast met de grensbewaking. De grensbewaking in het competentiegebied van politieregio Rotterdam-Rijnmond wordt uitgevoerd door de ZHP (zie hierna onder ZHP), met uitzondering van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/ Europoort. In het kader van de grensbewaking verstrekt de KMar in voorkomende gevallen visa aan de buitengrens. Aan de binnengrens met België en Duitsland en op de luchthavens is de KMar belast met de uitvoering van het MTV. Voorts is de KMar verantwoordelijk voor de uitzetting en begeleiding van uitgeprocedeerde vreemdelingen uit Nederland en van aan de grens geweigerde personen.
Het Ministerie van BuZa is verantwoordelijk voor de behandeling van visumaanvragen voor een verblijf korter dan drie maanden en mvv’s. Indien ambassades en consulaten niet zelfstandig kunnen of mogen beslissen, worden de visumaanvragen voor een verblijf korter dan drie maanden – als het gaat om zakenbezoeken, diplomaten, politieke bezoeken, het verrichten van technische werkzaamheden, deelname aan/bijwonen van een congres, conferentie of sportmanifestatie, bezoeken van wetenschappelijke aard, aanvragen van personen uit de voormalige Sovjetrepublieken, bezoeken van personen die geregistreerd staan in het SIS of op een visumsanctielijst – voorgelegd aan de afdeling Vreemdelingen- en Visumzaken van de directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid van het Ministerie van BuZa (zie voor overige visumaanvragen hierna onder Visadienst).
Het Ministerie van BuZa is tevens verantwoordelijk voor algemene en individuele ambtsberichten, welke door de Minister gebruikt worden als informatiebron onder andere bij de beoordeling van asielaanvragen.
De NVVB heeft voor haar gemeentelijke leden een adviesfunctie op het gehele terrein van burgerzaken in de vorm van een helpdesk.
De (vreemdelingen)politie houdt toezicht op personen die in Nederland verblijven, maar niet de Nederlandse nationaliteit hebben en is onder meer verantwoordelijk voor het opsporen, staande houden, inbewaring stellen, het vertrek onder toezicht alsmede het vaststellen van de identiteit van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.
De Taakorganisatie Vreemdelingen is een landelijk werkend bureau dat de politie adviseert en ondersteunt bij de ontwikkeling van de visie, de strategie en het beleid van de politiële vreemdelingentaak. Daarbij is zij tevens het landelijk aanspreekpunt van waaruit de belangenbehartiging ten behoeve van de vreemdelingenpolitie plaatsvindt en het knooppunt in de communicatie en informatie-uitwisseling tussen de vreemdelingenpolitie onderling en van en naar ketenpartners.
De RvS is naast onafhankelijk adviseur van de regering over wetgeving en bestuur ook hoogste algemene bestuursrechter van het land. De ABRvS spreekt recht in hoogste instantie in geschillen tussen de burger en de overheid. Sinds de inwerkingtreding van de Vw geldt dit ook voor vreemdelingrechtelijke geschillen.
De Raden voor Rechtsbijstand geven uitvoering aan de Wet op de rechtsbijstand, waarin de rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen is geregeld. De raden subsidiëren de Stichting Rechtsbijstand Asiel en zien ook toe op de kwaliteit en voldoende beschikbaarheid van de rechtsbijstandverlening. Voor juridische informatie en advies is er het Juridisch Loket.
De Visadienst is onderdeel van het Ministerie van BuZa. De Minister van BuZa heeft het Hoofd van de IND en het plaatsvervangend Hoofd van de IND mandaat verleend voor het nemen en ondertekenen van besluiten die door hen in hun functie van Hoofd van de Visadienst, respectievelijk plaatsvervangend Hoofd van de Visadienst, namens hem worden genomen. Ondermandaat is verleend aan de ambtenaar belast met de grensbewaking en het toezicht en specifieke functionarissen van de IND voorzover zij besluiten nemen of handelingen verrichten namens het Hoofd van de Visadienst.
De Visadienst behandelt namens de Minister van BuZa alle door de ambassades en consulaten voorgelegde aanvragen voor mvv’s en visumaanvragen voor toerisme, familie- en privé-bezoek, artiesten, studenten, personen die gesignaleerd staan in het OPS of SIS, stagiaires en medische bezoeken, met uitzondering van personen uit de voormalige Sovjet republieken. De laatste categorie personen dient zich te wenden tot het Ministerie van BuZa (zie hiervoor onder Ministerie van Buza). Bovendien behandelt de Visadienst aanvragen voor visumverlenging en verlening van terugkeervisa.
De VNG verzorgt de belangenbehartiging van alle gemeenten bij andere overheden. Bij de gemeenten worden aanvragen voor verblijfsvergunningen regulier en naturalisatie ingediend. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor de registratie van persoonsgegevens in de GBA.
De Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland behartigt de belangen van vluchtelingen en asielzoekers die zich in Nederland bevinden.
De ZHP is belast met de grensbewaking in het competentiegebied van politieregio Rotterdam-Rijnmond alsmede op zee, het havengerelateerde vreemdelingentoezicht en de bestrijding van (migratie)criminaliteit in de Rotterdamse havens. Daarnaast verzorgt de ZHP in voorkomende gevallen de verlening en verlenging van visa voor in de politieregio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden.
Internet: www.dutch-immigration.nl
Internet: www.dutch-immigration.nl
Het Landelijk Stafbureau Vreemdelingenkamers biedt ondersteuning op het gebied van juridische en organisatorische coördinatie aan de vreemdelingenkamers.
Om een goed en actueel beeld te kunnen vormen van het functioneren van de vreemdelingenketen, heeft de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken zowel structurele, als incidentele informatie nodig van alle ketenpartners en organisaties met een directe relatie met de vreemdelingenketen. Met die informatie kunnen trends en ontwikkelingen gevolgd worden. Daarnaast kan beoordeeld worden welke effecten (beleids)beslissingen ten aanzien van bedrijfsvoering en taakuitvoering hebben binnen de keten.
De door ketenpartners en direct betrokken organisaties aangeleverde informatie mag ten behoeve van de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken door het daartoe aangewezen informatieknooppunt vrij worden bewerkt. Indien de gegevens worden gebruikt of verwerkt met het doel de informatie buiten de vreemdelingenketen te verspreiden, dient hierover vooraf afstemming met de ketenpartners te hebben plaatsgevonden.
Ten behoeve van de sturing van de processen in de vreemdelingenketen leveren ketenpartners periodieke rapportages aan in elektronische vorm aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken en de ketenpartners maken afspraken over de inhoud en vorm van de rapportage, alsmede procedurele afspraken.
De ketenpartners, die belast zijn met de uitvoering van het vreemdelingenbeleid en de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving hebben een gemeenschappelijk belang bij unieke identificatie en registratie van vreemdelingen als bedoeld in [artikel 1, onder m, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)en bij het kunnen delen en uitwisselen van informatie over deze vreemdelingen. Om dat mogelijk te maken is een aantal ketenvoorzieningen ontwikkeld voor gemeenschappelijk gebruik door de ketenpartners, waaronder:
Naast de registratie ten behoeve van de vreemdelingenketen, registreren de afzonderlijke organisaties binnen de vreemdelingenketen en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen gegevens van vreemdelingen ten behoeve van de eigen werkprocessen. Voor informatie hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende organisaties.
De gegevens die binnen de vreemdelingenketen worden geregistreerd dienen actueel te zijn. Bij elke gelegenheid waarbij een vreemdeling in contact komt met een van de ketenpartners, dient de desbetreffende ketenpartner zoveel mogelijk na te gaan of de geregistreerde gegevens nog met de feitelijke situatie overeenkomen. Wijzigingen dienen door de verantwoordelijke en bevoegde organisatie onverwijld te worden verwerkt.
Het PIL beschrijft een gestandaardiseerde werkwijze voor het identificeren, registreren, wijzigen en verifiëren van persoonsgegevens in de vreemdelingenketen. PIL is kaderstellend voor de interne administratieve organisatie van de ketenpartners en is te raadplegen op de website van de vreemdelingenketen, onder producten.
De BVV bestaat uit de volgende registers:
Voor de regelingen omtrent de archivering van bescheiden wordt verwezen naar de Archiefwet 1995. De organisaties belast met de uitvoering van vreemdelingenwet- en regelgeving kunnen daarnaast een aanvullend eigen archiefbeleid voeren, waarin de regels omtrent archivering en vernietiging van archiefbescheiden zijn vastgelegd. Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende organisatie.
In Nederland worden aan de grensdoorlaatposten grenscontroles verricht, om na te gaan of de betrokken personen, hun vervoermiddelen en de voorwerpen in hun bezit Nederland mogen binnenkomen dan wel verlaten. Daarnaast vindt buiten de grensdoorlaatposten om grensbewaking plaats, teneinde te voorkomen dat personen zich aan de grenscontroles onttrekken.
Het woordenboek bevat begrippen (gegevensgroepen, samengestelde gegevens en gegevens) en tabellen behorend tot de processen binnen de vreemdelingenketen, waarmee informatie tussen ketenorganisaties wordt uitgewisseld of waarover wordt gecommuniceerd. Het is van toepassing op alle processen en informatiestromen binnen de vreemdelingenketen welke over organisatiegrenzen heen lopen en waarbij gegevens tussen ketenpartners worden uitgewisseld.
De ambtenaren van de KMar zijn belast met de bediening van alle overige grensdoorlaatposten in Nederland en met het uitoefenen van grensbewakingstaken in de rest van Nederland. In de politieregio Rotterdam-Rijnmond zijn zij tevens belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/Europoort.
Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten (artikel 2, zesde lid, SGC). In de regel worden tijdelijke grensdoorlaatposten bediend door ambtenaren van de KMar.
In artikel 2 SGC zijn voorts nadere definities vastgesteld in het kader van grensbewaking. Zo introduceert artikel 2, dertiende lid, SGC een in Nederland nieuw begrip, “grenswachter”. Gezien deze definitie, is iedere ambtenaar belast met grensbewaking ex [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) een grenswachter in de zin van de SGC. In de Vc zal gewoon de term ambtenaar belast met de grensbewaking worden gebezigd.
Aan de buitengrenzen bevinden zich grensdoorlaatposten (zie artikel 2, zesde lid, SGC). In beginsel is iedereen verplicht via deze grensdoorlaatposten te reizen (zie artikel 4, eerste lid, SGC). In Nederland fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. De zee- en luchthavens die zijn aangewezen als grensdoorlaatpost zijn genoemd in [bijlage 4 Vv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=4).
Aan de buitengrenzen bevinden zich grensdoorlaatposten (zie artikel 2, zesde lid, SGC). In beginsel is iedereen verplicht via deze grensdoorlaatposten te reizen (zie artikel 4, eerste lid, SGC). In Nederland fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. De zee- en luchthavens die zijn aangewezen als grensdoorlaatpost zijn genoemd in [bijlage 4 Vv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=4).
De voorschriften over toegang worden, zoals aangegeven in A2/1, in sterke mate beheerst door het communautair recht en met name de SGC. In artikel 5, eerste lid, SGC is uitgewerkt onder welke voorwaarden aan onderdanen van derde landen toegang kan worden verleend tot het Schengengebied voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. In [artikel 4.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5) is vastgelegd waartoe een vreemdeling bij in- en uitreis in dit kader verplicht is.
De voorschriften over toegang worden, zoals aangegeven in A2/1, in sterke mate beheerst door het communautair recht en met name de SGC. In artikel 5, eerste lid, SGC is uitgewerkt onder welke voorwaarden aan onderdanen van derde landen toegang kan worden verleend tot het Schengengebied voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. In [artikel 4.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.5) is vastgelegd waartoe een vreemdeling bij in- en uitreis in dit kader verplicht is.
In artikel 5, eerste lid, onder a, SGC is opgenomen dat men in het bezit moet zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument. Voor de nadere uitwerking van de voorwaarde om te beschikken over een geldig document van grensoverschrijding wordt verder verwezen naar [artikel 2.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3).
Het bezit van een geldig (nationaal) paspoort is een algemeen uitgangspunt. Het paspoortvereiste wordt onder meer gesteld als waarborg voor terugkeer.
Voorts dient het grensoverschrijdingsdocument in het algemeen de familienaam, de voorna(a)m(en), de nationaliteit, de geboorteplaats en de geboortedatum van de houder te bevatten. De geldigheidsduur van het paspoort moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.
In bepaalde gevallen kan toegang worden verkregen met andere documenten voor grensoverschrijding. Deze staan vermeld in het overzicht van de door de lidstaten erkende reisdocumenten, welke recht geven op overschrijding van de buitengrenzen en waarin een visum kan worden aangebracht. Op grond van [artikel 2.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3) is in voorkomende gevallen vereist dat de vreemdeling in het bezit is van een geldige mvv of een visum waarin wordt verwezen naar het document dat de vreemdeling bij zich heeft (zie voor visa A2/4.3).
Het afgeven van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens is een Benelux-aangelegenheid. Naar gelang het reisdoel en de plaats van bestemming kan het bijzondere doorlaatbewijs worden afgegeven voor alle drie de Benelux-landen of voor één of twee van deze landen.
De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd om zelfstandig een bijzonder doorlaatbewijs af te geven aan een niet-visumplichtige vreemdeling. Voor afgifte dient steeds aan elk van de volgende voorwaarden te worden voldaan:
Het verlenen van bijzondere doorlaatbewijzen geschiedt gratis.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder b, SGC en artikel 1 Visumcode dient een vreemdeling voor beoogd verblijf van korter dan drie maanden, indien vereist, te beschikken over een geldig visum.
Voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het visumvereiste en andere visagerelateerde onderwerpen wordt verwezen naar A2/4.3.
Aan het bezit van een visum kan als zodanig geen onherroepelijk recht op binnenkomst worden ontleend (zie artikel 30 Visumcode). Zo dient bij binnenkomst de door de vreemdeling te verstrekken informatie aan de ambtenaar belast met grensbewaking ter ondersteuning van het verzoek om toegang in overeenstemming te zijn met de reeds verstrekte informatie aan de diplomatieke post ter verkrijging van een visum.
Voorts bestaat onder bijzondere omstandigheden de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens indien een geldig visum ontbreekt (zie A2/4.3.8.2).
Voor verblijf van langer dan drie maanden dient men overigens, indien vereist, te beschikken over een mvv. Ook voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het mvv-vereiste wordt verwezen naar A2/4.3.
De diplomatieke of consulaire post van de Schengenstaat op wiens grondgebied het hoofdreisdoel is gelegen, verleent in beginsel het visum voor het hele Schengengebied. Indien het reisdoel niet vooraf kan worden bepaald, dan verleent in beginsel de diplomatieke of consulaire post van het Schengenstaat van eerste binnenkomst het visum.
Artikel 5, eerste lid, onder c, SGC ziet zowel op het vereiste het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden, zo nodig met documenten, te kunnen onderbouwen, als op het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt voorts het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de aanvrager over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf.
Het door de vreemdeling opgegeven doel en de duur van het voorgenomen verblijf dient de vreemdeling, aannemelijk te maken. Ter staving hiervan dient de vreemdeling alle gegevens te verstrekken en beschikbare documenten te tonen. Een niet-uitputtende lijst van bewijsstukken is opgenomen in bijlage I bij de SGC.
De toegang kan niet worden geweigerd aan een vreemdeling op grond van het enkele feit dat het door hem opgegeven land van hoofdreisdoel niet in overeenstemming is met het land van visumafgifte. Desgevorderd is het wel aan de vreemdeling om het door hem opgegeven doel en de duur van het verblijf alsnog aannemelijk te maken. De ambtenaar belast met de grensbewaking dient de verklaringen van de vreemdeling daartoe te controleren, tenzij aanstonds duidelijk is dat de door de vreemdeling verstrekte informatie niet consistent is of niet strookt met andere (betrouwbare) gegevens die langs andere weg zijn verkregen. De controle omvat in ieder geval een controle van feiten en verklaringen die ten grondslag liggen aan de afgifte van het visum. Hiertoe zal in beginsel contact op moeten worden genomen met de visumafgevende instantie.
De vreemdeling wordt altijd geconfronteerd met afwijkende informatie en wordt in staat gesteld hier een verklaring voor te geven. Indien deze verklaring onvoldoende aannemelijk is en er wordt geconstateerd dat de vreemdeling het visum op onrechtmatige wijze heeft verkregen, wordt de toegang geweigerd en wordt het visum nietig verklaard. Een visum wordt ingetrokken, indien blijkt dat niet langer aan de afgifte voorwaarden voldaan wordt (zie artikel 34 Visumcode en A2/4.3.7).
Ook kan zekerheid worden gesteld doordat een hier te lande wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een verklaring (zie [bijlage 6a VV tot en met bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6a)). In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen van bestaan beschikt kan desondanks toegang worden verleend wanneer een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant heeft gesteld. Zie voor een nadere uitwerking van solvabele derde A2/4.3.3.1.
Als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt voorts het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de aanvrager over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf (zie artikel 21, vijfde lid, Visumcode).
Aan vreemdelingen die bij binnenkomst in Nederland een garantiesom of een retourpassagebiljet deponeren, wordt een folder uitgereikt. Hierin wordt informatie verschaft over ontvangst, beheer en teruggave van aan de grens gedeponeerde garantiesommen en retourpassagebiljetten.
Aan de vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom deponeert, wordt tevens een ontvangstbewijs afgegeven. Ook aan een derde die een garantiesom deponeert, wordt een dergelijk ontvangstbewijs afgegeven.
In de regel beheert de Korpschef de bij hem gedeponeerde retourpassagebiljetten en garantiesommen. Retourpassagebiljetten die aan de grens zijn gedeponeerd, worden in de regel toegezonden aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven is gelegen. Garantiesommen die aan de grens zijn gedeponeerd, worden gestort op de rekening van de Korpschef. Dit is alleen anders bij retourpassagebiljetten en garantiesommen die aan de grensdoorlaatposten van Amsterdam Schiphol, (luchthaven) Rotterdam en Rotterdam-Havens zijn gedeponeerd. Deze blijven onder berusting van de KMar en ZHP en worden dus niet doorgestuurd aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven, is gelegen.
De garantiesom dan wel het retourpassagebiljet wordt aan de betrokkene teruggegeven op vertoon van het ontvangstbewijs, indien:
Garantiesommen gedeponeerd door derden worden op vertoon van het ontvangstbewijs gerestitueerd na vertrek van de vreemdeling uit het Schengengebied.
Bij teruggave van de garantiesom dan wel het retourpassagebiljet moet het ontvangstbewijs worden ingenomen.
Vreemdelingen die Nederland hebben verlaten zonder zich vooraf wederom in het bezit van de garantiesom of het retourpassagebiljet te hebben gesteld, dienen zich tot een in hun land gevestigde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging te wenden met het verzoek om restitutie van de garantiesom respectievelijk teruggave van het retourpassagebiljet. Een vreemdeling die rechtstreeks vanuit het buitenland een verzoek om restitutie indient, moet worden verwezen naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land.
Ook kan zekerheid worden gesteld doordat een hier te lande wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een verklaring (zie [bijlage 6a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6a)tot en met bijlage 6d VV/artikel 14 , vierde lid, Visumcode). In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen van bestaan beschikt kan desondanks toegang worden verleend wanneer een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant heeft gesteld. Zie voor een nadere uitwerking van solvabele derde A2/4.3.3.1.
Met betrekking tot het doorreisvisum bestaat voor transiterende zeelieden een separate regeling met een standaardformulier. Hiervoor wordt verwezen naar Verordening 415/2003, alsmede naar hoofdstuk V, § 4, BNL-kader, GVI.
Van gevaar voor de volksgezondheid kan sprake zijn in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen (zie [artikel 8.8, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8)). Daarbij kan, naast de in gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts, ook worden gedacht aan nieuwere ziekten als Sars. Verwezen wordt naar [artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684&artikel=2) (zie tevens A2/5.5.3 (toegangsweigering)).
Indien een vreemdeling gesignaleerd staat, waarbij verwezen wordt naar hetgeen vermeld staat onder A2/4.2.4, is dat een indicatie dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.
Indien er gegronde reden is te vrezen voor (politieke) activiteiten die gevaar opleveren voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen, vindt met het oog op het toelatingsvraagstuk over de vreemdeling in kwestie afstemming met de IND plaats.
Zie ook hoofdstuk I, § 2.1.4, GVI. Voor wat betreft de afgifte van collectieve visa aan de grens zie verder Verordening 415/2003, BNL-bijlage I GVI en hoofdstuk V, § 4.5, BNL-kader, GVI.
Aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, kan ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994 (94/75/JBZ). Bij dit besluit is een standaard gemeenschappelijk formulier toegevoegd van een reizigerslijst. De reizigerslijst is opgenomen in [model M7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M7&z=2011-06-19&g=2011-06-19).
Regels met betrekking tot procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, zijn neergelegd in de Visumcode.
Tot slot, zoals is neergelegd in [artikel 8.9 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.9), zijn personen die normaal gesproken visumplichtig zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij een familielid zijn als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht inzake vrij verkeer uitoefent. Hierbij geldt als voorwaarde dat zij in het bezit moeten zijn van een geldige verblijfskaart afgegeven door één van de EU-/EER-landen of Zwitserland en samen reizen dan wel zich voegen bij de betreffende EU-onderdaan. (Hier wordt gedoeld op het document vermeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.)
Er kunnen drie soorten nationale visa worden onderscheiden:
Visa en luchthaventransitvisa worden in beginsel in het buitenland afgegeven door de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van de Schengenstaten (zie artikel 4 Visumcode).
Onder bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens (zie A2/4.3.8), indien een geldig visum ontbreekt.
Op de eerste plaats is een onderscheid te maken tussen Schengenvisa en nationale visa. In de onderstaande paragrafen is uitgewerkt welke soorten visa onder beide ressorteren.
Daarnaast hebben de lidstaten van de EU de lijst tevens erkend als geldig document voor grensoverschrijding, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De scholieren komen voor visumvrijstelling, door plaatsing op de reizigerslijst, in aanmerking indien:
De criteria voor visumverlening zijn in beginsel gelijk aan de algemene criteria die gelden voor toegang zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, SGC. De criteria voor visumverlening zijn nader uitgewerkt in artikel 21 Visumcode. Een van de basiscriteria bij visumverlening is het voorkomen van illegale immigratie (zie artikel 21, eerste lid, Visumcode). Hierbij is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken – zo nodig door middel van het overleggen van documenten – dat de tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd.
In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen beschikt, kan desondanks aan het middelenvereiste worden voldaan, indien een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant stelt voor de kosten die voor de staat of voor andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd (zie [bijlage 6a VV tot en met bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6a)). Deze derde kan aangemerkt worden als solvabel indien hij zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende wordt in dit kader verstaan een bruto maandinkomen minimaal gelijk aan het minimumloon in de zin van de Wet op het minimumloon en minimum vakantiebijslag (Wml). De begrippen zelfstandig, hoogte en duurzaam zijn nader uitgewerkt in [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73)
In geval een solvabele derde zich garant stelt voor meer dan één persoon, kunnen aanvullende voorwaarden gesteld worden. In die gevallen kan bijvoorbeeld verlangd worden dat een bankgarantie ter hoogte van het lijnvluchttarief KLM en/of meerdere separate garantverklaringen worden overlegd. Voor elke aanvullend aangedragen visumaanvrager voor wie de solvabele derde zich garant wil stellen geldt, dat de solvabele derde zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan dient te beschikken.
Ingevolge artikel 32, derde lid, Visumcode, staat tegen het afwijzen van een visumaanvraag een rechtsmiddel open. De nationale wetgeving is hier van toepassing (zie artikel 32, derde lid, Visumcode).
Een dergelijk visum kan onder bepaalde voorwaarden door de Visadienst, aan vreemdelingen die daarom verzoeken, worden afgegeven indien:
De indiening van een verzoek om een terugkeervisum geschiedt op dezelfde wijze als een verzoek tot wijziging of verlenging van een visum.
Het model van de aanvraag om verlening van een terugkeervisum wordt beheerd door de IND. Dit geldt ook voor de modellen van de beschikkingen tot afwijzing van deze aanvraag. De Hoofddirecteur van de IND stelt op grond van het basismodel aantekeningensticker het model voor het terugkeervisum vast (zie [bijlage 7 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7) en de website van de IND).
Een vreemdeling aan wie het is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier af te wachten, heeft, indien hij na uitreis uit Nederland aanspraak wil maken op wedertoegang tot Nederland, hiervoor een terugkeervisum nodig. Indien de vreemdeling niet visumplichtig is voor Nederland geldt deze eis niet.
Ten aanzien van de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier (eerste aanleg, bezwaar of beroep) geldt het volgende. Indien de vreemdeling is ingereisd zonder te beschikken over de vereiste mvv welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, en evenmin besloten is dat er sprake is van een gerechtvaardigd beroep op de hardheidsclausule of vrijstelling van het mvv-vereiste, wordt aan hem geen terugkeervisum verleend.
Daarnaast kunnen vreemdelingen die voor zakelijke doeleinden wensen te reizen in aanmerking komen voor een terugkeervisum, ongeacht het feit of er sprake is van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen. Deze categorie vreemdelingen dient wel te voldoen aan de voorwaarden 2 tot en met 6 zoals hierboven opgesomd. Bovendien moeten zij kunnen aantonen dat zij een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning hebben ingediend en hiervoor leges hebben betaald.
Het terugkeervisum wordt voor een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) alleen kort voor het vertrek van de vreemdeling afgegeven. Het terugkeervisum wordt afgegeven met een geldigheidsduur voor het beoogde doel, maar voor ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan na uitreis niet worden gewijzigd of verlengd. De geldigheidsduur van het noodzakelijke document voor grensoverschrijding dient ten minste één maand langer te zijn dan de termijn waarbinnen de vreemdeling op grond van zijn terugkeervisum kan terugkeren.
Het terugkeervisum is in deze gevallen slechts geldig voor één reis, tenzij het gaat om vreemdelingen die voor zakelijke doeleinden wensen te reizen. Deze categorie vreemdelingen kan een terugkeervisum voor meerdere reizen krijgen.
De geldigheidsduur van zowel het grensoverschrijdingsdocument als de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning dient de duur van het terugkeervisum met ten minste één maand te overschrijden.
Het terugkeervisum wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Dit is slechts anders ten aanzien van Molukkers die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) (Stb. 1976, 468) als Nederlander worden behandeld. Aan hen kan voor een periode van langer dan 1 jaar een terugkeervisum worden verleend. Dit laat onverlet dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland mag vestigen. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan na uitreis niet worden gewijzigd of verlengd. Het terugkeervisum kan, voor de hiervoor genoemde vreemdelingen, worden verleend voor één of meerdere reizen.
Een terugkeervisum kan tevens worden verstrekt aan de vreemdeling die in het bezit is (was) van een verblijfsvergunning, indien hij (tijdig) verlenging of wijziging van de beperking van zijn vergunning heeft gevraagd. In deze gevallen behoeft geen dringende reden te worden aangevoerd. De overige voorwaarden zoals eerder vermeld onder 2 tot en met 6 ‘vreemdeling in procedure’ blijven onverkort van kracht.
Aan studenten die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot verlenging van de verleende vergunning kan – indien zij in het kader van hun studie voor langere tijd naar het buitenland moeten reizen – een terugkeervisum worden verleend met een geldigheidsduur van maximaal zes maanden. De student dient de noodzaak en de duur van zijn verblijf in het buitenland met documenten te onderbouwen.
Indien een reisvisum voor meer reizen geldig gemaakt wordt, wordt in het reisdocument van de vreemdeling een nieuw Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring, wordt de visumsticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.
Een visum dat is afgegeven door één van de Schengenlidstaten voor één binnenkomst kan, indien zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen, bij wijze van uitzondering worden omgezet naar een visum voor meer binnenkomsten. De Visadienst zet deze visa om. Het omzetten van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden geschiedt door de ZHP.
Bij het omzetten wordt terughoudendheid betracht, aangezien de integriteit en betrouwbaarheid van de aanvrager in principe slechts in het land van herkomst afdoende kan worden getoetst. Het omzetten naar een meervoudig visum kan worden gezien als een verlenging van de geldigheidsduur: het maakt de facto een langer verblijf in het Schengengebied mogelijk dan indien het visum niet zou worden omgezet.
De aanvraag van het omzetten van enkelvoudige naar meervoudige visa ziet in het bijzonder op overmacht, humanitaire, ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen.
Daarbij is het van belang dat de vreemdeling in de laatste zes maanden niet reeds langer dan drie maanden in het Schengengebied heeft verbleven.
Het gevolg van een omzetting mag niet zijn dat, meer dan op grond van de aangevoerde omstandigheid noodzakelijk wordt geacht, gebruik kan worden gemaakt van meervoudige binnenkomsten en van de initieel toegekende vrije termijn.
Het gevolg van een omzetting mag evenmin zijn dat de duur aangegeven in initieel visum wordt overschreden of bij de herhaalde binnenkomst meer dan drie maanden per zes maanden in het Schengengebied wordt verbleven.
Het gevolg van een omzetting mag in ieder geval niet zijn dat het visum voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt.
Indien een reisvisum voor meer reizen geldig gemaakt wordt, wordt in het reisdocument van de vreemdeling een nieuw Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring, wordt de visumsticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.
In artikel 33 Visumcode is bepaald in welke gevallen de geldigheidsduur van en/of de duur van het verblijf van een afgegeven visum kan worden verlengd. Dit is mogelijk in gevallen van overmacht of humanitaire redenen en vanwege zwaarwegende persoonlijke redenen. Wanneer een visum wordt verlengd vanwege overmacht of humanitaire redenen, gebeurt dit kosteloos. Wanneer een visum wordt verlengd vanwege zwaarwegende persoonlijke redenen kost dit 30 euro.
Het verblijf op basis van een Schengenvisum kan in geen geval de termijn van drie maanden overschrijden. Ook bij verlenging is die maximale termijn van drie maanden relevant, dat wil zeggen de duur van het oorspronkelijke visum met inbegrip van de verlenging. Dit is alleen anders bij een nationale verlenging (zie hieronder). Voor de in te vullen aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een visum, wordt verwezen naar model [M5-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M5-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01). Voor de beschikking waarmee een dergelijke aanvraag wordt afgewezen, wordt verwezen naar model [M5-C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M5-C&z=2012-04-01&g=2012-04-01).
Verlenging van een visum dient achterwege te blijven in geval de vreemdeling niet (of niet meer) voldoet of zal kunnen voldoen aan de voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn (zie [artikel 12, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12)). Een visumverlenging mag nimmer leiden tot oneigenlijk gebruik van het visum.
De Visadienst is de bevoegde autoriteit om over te gaan tot het verlengen van door één van de Schengenlidstaten afgegeven visa. Verlenging van visa geschiedt bij de IND-loketten.
Het verlengen van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden geschiedt bij de doorlaatpost Rotterdam-Havens door de ZHP.
Ook het wezenlijk Nederlands belang kan aanleiding vormen om tot een nationale verlenging van de geldigheidsduur van een visum over te gaan. Het betreft hier zeer bijzondere gevallen waarbij nationale belangen, zoals bijvoorbeeld het internationaal aanzien van Nederland, economische en/of culturele belangen, in het geding zijn.
In geval van visumverlenging wordt in het reisdocument van de vreemdeling een Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring wordt de sticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.
Indien een vreemdeling nog geen toegang tot het Schengengebied heeft verkregen, kan het visum worden geannuleerd. Annulering kan alleen aan de grens geschieden en dient te geschieden door de ambtenaar belast met de grensbewaking. De annulering werkt terug tot en met het tijdstip van de verlening (zie bijlage 14 GVI en BNL-bijlage III GVI).
In artikel 34 Visumcode zijn de regels met betrekking tot nietigverklaring en intrekking van visa neergelegd.
Een visum wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden wordt voldaan. Een visum wordt in beginsel ingetrokken door de bevoegde autoriteiten die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat worden ingetrokken; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de intrekking in kennis gesteld (zie artikel 34, tweede lid, Visumcode).
In Nederland zijn de Korpschef (Vreemdelingenpolitie), de KMar en de ZHP bevoegd om visa nietig te verklaren en in te trekken. Alvorens een visum in te trekken of nietig te verklaren, dient in beginsel contact te worden opgenomen met de IND.
De beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum en de gronden waarop deze is gebaseerd, wordt aan de aanvrager kenbaar gemaakt door middel van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode).De wijze waarop de beslissing tot nietigverklaring of intrekking zichtbaar gemaakt wordt in het paspoort is vastgelegd in het Praktisch Handboek bij de Visumcode.
Het recht op verblijf in de vrije termijn wordt ingevolge dit artikel van rechtswege verkregen zodra de vreemdeling aan de volgende voorwaarden voldoet:
De belangrijkste voorwaarde voor verlening van een visum aan de grens is de voorwaarde dat de aanvrager niet op voorhand in de gelegenheid is geweest om een visum aan te vragen. Op verzoek dient betrokkene dit met bewijsstukken te staven.
Ingevolge artikel 35, vijfde lid, Visumcode kan aan onderdanen van een land waarvoor voorafgaande raadpleging dient plaats te vinden in beginsel geen visum worden afgegeven. Wanneer dit in bijzondere gevallen toch gebeurt, dient een territoriaal beperkt visum te worden verleend. In die gevallen dienen de betrokken Schengenlidstaten, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, Visumcode, te worden ingelicht.
Tevens dient opgave te worden gedaan van de visumstickers die zijn vervallen als gevolg van verschrijvingen of die anderszins onbruikbaar zijn geworden. Bedoelde stickers mogen niet worden vernietigd. Ten aanzien van stickers die onverhoopt toch worden vernietigd, bijvoorbeeld door storingen bij het printen, wordt een proces-verbaal opgemaakt en wordt verslag uitgebracht aan het ministerie van Buza.
Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar het gestelde in A2/4.2.3.2. In aanvulling daarop wordt in het kader van verblijf in de vrije termijn opgemerkt dat voldoende middelen van bestaan ook blijken uit inkomsten uit hier te lande te verrichten werkzaamheden of te verlenen diensten. Voor bepaalde werknemers is een tewerkstellingsvergunning vereist, zie hiervoor [B5](onbekend). De duur van de te verrichten werkzaamheden of diensten zal die van de vrije termijn niet mogen overschrijden.
Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.
Het is aan vreemdelingen die gedurende de vrije termijn in Nederland verblijven niet toegestaan arbeid te verrichten in strijd met de Wav.
Het recht op verblijf in de vrije termijn wordt ingevolge dit artikel van rechtswege verkregen zodra de vreemdeling aan de volgende voorwaarden voldoet:
Het recht op verblijf in de vrije termijn vervalt van rechtswege zodra:
Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.
De vrije termijn van vreemdelingen die voor een verblijf van langer dan drie maanden naar Nederland zijn gekomen, bedraagt acht dagen (zie [artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)).
Het is aan vreemdelingen die gedurende de vrije termijn in Nederland verblijven niet toegestaan arbeid te verrichten in strijd met de Wav.
Voor niet-visumplichtige vreemdelingen en houders van een reisvisum die aanvankelijk naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, verstrijkt de vrije termijn uiterlijk op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij het voornemen hebben langer dan drie maanden in Nederland te verblijven (zie [artikel 3.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)). Dit voornemen kan bijvoorbeeld blijken uit het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, het huren van woonruimte of het aanvaarden van werk voor langer dan drie maanden.
Vreemdelingen die een verblijf in Nederland beogen van langer dan drie maanden moeten in beginsel in het bezit zijn van een geldige mvv. Bij ontbreken van de vereiste mvv komt de vreemdeling in beginsel niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking (zie [artikel 16, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)).
Voor niet-visumplichtige vreemdelingen en houders van een reisvisum die aanvankelijk naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, verstrijkt de vrije termijn uiterlijk op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij het voornemen hebben langer dan drie maanden in Nederland te verblijven (zie [artikel 3.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)). Dit voornemen kan bijvoorbeeld blijken uit het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, het huren van woonruimte of het aanvaarden van werk voor langer dan drie maanden.
Indien daarvoor in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan bij inreis eveneens een van de andere aantekeningen die zijn opgenomen in [artikel 4.24, eerste lid, onder b, c en e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.24) (doel en duur voorgenomen verblijf en de toepassing van de [artikelen 2.4 tot en met 2.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4)) in het document voor grensoverschrijding worden gesteld.
Alvorens op de verschillende aspecten van toezicht aan de buitengrens wordt ingegaan, wordt een drietal algemene opmerkingen geplaatst.
In het weigeringsformulier conform het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC en als [model M17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M17&z=2011-06-19&g=2011-06-19) overgenomen als bijlage van de Vc, worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang wordt geweigerd. Verder dient op het weigeringsformulier melding te worden gemaakt van:
In het standaard weigeringsformulier zoals opgenomen in [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2011-06-19&g=2011-06-19) worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang tot Nederland is geweigerd. De toepasselijke bepaling van de vigerende nationale wetgeving (in casu [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3), alsmede de eerdergenoemde nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep).
Op grond van artikel 10 SGC dient bij overschrijding van de buitengrenzen van het Schengengebied in de in artikel 5, eerste lid, onder a, SGC bedoelde reisdocumenten van onderdanen van derde landen systematisch een in- of uitreisstempel te worden aangebracht.
Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (inclusief familieleden) wordt verwezen naar A2/6.2.2.2. Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van België en Luxemburg wordt verwezen naar A2/6.2.2.3.
Er kan door ambtenaren belast met grensbewaking ‘toegang onder voorwaarden’ worden verleend:
Indien daarvoor in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan bij inreis eveneens een van de andere aantekeningen die zijn opgenomen in [artikel 4.24, eerste lid, onder b, c en e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.24) (doel en duur voorgenomen verblijf en de toepassing van de [artikelen 2.4 tot en met 2.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4)) in het document voor grensoverschrijding worden gesteld.
Indien de ziekte behandeling in een ziekenhuis verlangt of ingevolge de Infectieziektewet en Quarantainewet aanleiding geeft tot quarantaine, wordt de toegang geweigerd door de ambtenaar belast met de grensbewaking en wordt een maatregel ingevolge [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opgelegd met als aangewezen ruimte het ziekenhuis alwaar de behandeling of de quarantaine plaats zal vinden (zie [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2011-06-19&g=2011-06-19) en [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2011-06-19&g=2011-06-19)).
Na behandeling van de ziekte of na de periode van quarantaine, wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeeld of aan de betrokken vreemdeling alsnog toegang tot het grondgebied kan worden verleend.
De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling administratief beroep kan instellen. Met het oog hierop dient in geval van toegangsweigering de vreemdeling naast het uitgereikte standaardformulier ook in het bezit te worden gesteld van een folder ‘Rechtsmiddelen’.
De toegangsweigering van een onderdaan van een derde land geschiedt schriftelijk door uitreiking van een standaardformulier. Een derdelander die het oogmerk heeft om kort, dat wil zeggen drie maanden of korter in een periode van zes maanden, in Nederland of elders in het Schengengebied te verblijven wordt de toegang tot het Schengengebied geweigerd ingevolge artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, SGC.
Een derdelander die lang verblijf wenst, dat wil zeggen langer dan drie maanden in Nederland of het Schengengebied wil verblijven, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3). Tot deze laatste categorie horen ook asielzoekers, die per definitie voor een lange tijd beroep doen op bescherming door de overheid.
Ook onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland alsmede hun familieleden die het recht van vrije verkeer hebben op het grondgebied van de lidstaten, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3). Aan derdelanders die om toegang verzoeken als familielid van een EU-burger wordt, indien de familieband ter plaatse niet kan worden aangetoond, de toegang tot Nederland geweigerd ingevolge artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, SGC.
Gedetailleerde voorschriften inzake weigering van toegang zijn opgenomen in bijlage V, deel A, SGC.
Voor het schriftelijk weigeren van de toegang tot Nederland van EU-onderdanen, burgers van de EER en Zwitserland en hun familieleden wordt eveneens gebruik gemaakt van het standaardformulier [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2012-04-01&g=2012-04-01).
Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (inclusief familieleden) wordt verwezen naar A2/6.2.2.2. Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van België en Luxemburg wordt verwezen naar A2/6.2.2.3.
In het geval een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd wegens gevaar voor de openbare orde omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking de nodige maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen.
Indien de ziekte behandeling in een ziekenhuis verlangt of ingevolge de Infectieziektewet en Quarantainewet aanleiding geeft tot quarantaine, wordt de toegang geweigerd door de ambtenaar belast met de grensbewaking en wordt een maatregel ingevolge [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opgelegd met als aangewezen ruimte het ziekenhuis alwaar de behandeling of de quarantaine plaats zal vinden (zie [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
De ambtenaar belast met grensbewaking informeert de Korpschef van het regionale politiekorps waarin het ziekenhuis is gelegen, omtrent de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is. Voor meer bijzonderheden zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.
Indien de vreemdeling Nederland niet onmiddellijk kan verlaten, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel ex [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), of vrijheidsontnemende maatregel ex [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opgelegd. In het laatste geval wordt de vreemdeling in afwachting van het vertrek geplaatst in een grenslogies (zie ook A5/2.2)
Iedere weigering van toegang (onder opgave van de personalia, de nationaliteit, het grensoverschrijdingsdocument, de reden en de datum van weigering van toegang alsmede het tijdstip van uitreiking van de folder ‘Rechtsmiddelen’) dient te worden geregistreerd.
Indien een vreemdeling de toegang wordt geweigerd heeft dat niet alleen betrekking op toegang tot Nederland, maar – behoudens uitzonderingen – op het hele Schengengebied. Wanneer de toegang geweigerd wordt, betrokkene een asielaanvraag indient en er naar aanleiding daarvan op grond van de Dublin Verordening een verzoek tot overname van de asielaanvraag ingediend wordt bij een andere staat, kan de situatie anders zijn.
Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen – ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen – voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.
Vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, zijn verplicht onverwijld te vertrekken met inachtneming van de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaar (zie [artikel 5, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5)).
Deze aanwijzingen kunnen onder meer betreffen het afwachten van vertrek op de grensdoorlaatpost, de weg die de vreemdeling bij het verlaten van het land moet volgen of het aan boord gaan van een schip of vliegtuig. Overtreding van deze aanwijzingen is een strafbaar feit (zie [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging dienen geweigerde vreemdelingen zich op te houden in de hun daartoe door een met de grensbewaking belaste ambtenaar aangewezen ruimte, die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit. Dit teneinde illegale binnenkomst te verhinderen.
Indien de uitzetting van een vreemdeling aan wie ten tijde van de uitzetting de toegang was geweigerd, mislukt en hij terugkeert nadat hij aan boord van een vliegtuig of schip het Nederlands grondgebied had verlaten, dient opnieuw te worden bekeken of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang. Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zal de toegang tot Nederland opnieuw moeten worden geweigerd. Tevens zal, ingeval de vreemdeling op grond van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) is verwijderd, de vervoerder een nieuwe aanwijzing krijgen om de vreemdeling om niet terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie [M30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M30&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).
De situatie is anders bij de vreemdeling die Nederland uit eigen beweging verlaat, maar aan wie door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit de toegang wordt geweigerd en wordt teruggezonden. De vreemdeling dient bij terugkomst in Nederland wel te voldoen aan de voorwaarden voor toegang, en als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zal de toegang tot Nederland worden geweigerd, maar de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling terug naar Nederland is vervoerd kan in dat geval niet de verplichting van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) worden opgelegd tot het vervoeren van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland.
Een persoon die beweert Nederlander te zijn, kan op grond van [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7) worden verplicht op een of andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken. Zonodig kan, voor vaststelling van de nationaliteit, contact worden opgenomen met de bevolkingsadministratie van de gemeente waar de betrokkene zegt te zijn ingeschreven.
Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen – ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen – voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.
Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen – ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen – voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.
Iedere weigering van toegang (onder opgave van de personalia, de nationaliteit, het grensoverschrijdingsdocument, de reden en de datum van weigering van toegang alsmede het tijdstip van uitreiking van de folder ‘Rechtsmiddelen’) dient te worden geregistreerd.
De verplichtingen omschreven in [artikel 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) en de [artikelen 4.8 tot en met 4.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10) (verplichtingen voor vervoerders) zijn eveneens van toepassing op Nederlanders.
Aan Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen kan de toegang niet worden geweigerd. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie [artikel 8.10 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10)). Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich er op beroept Nederlander (of een daarmee gelijkgestelde persoon) te zijn, eerst contact op te worden genomen met de IND.
Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, vindt in beginsel geen controle plaats in het kader van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Slechts wanneer het vermoeden bestaat dat betrokkene vreemdeling is, kan hiervan sprake zijn en kan betrokkene op grond van [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7) worden verzocht zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken door het tonen van reis- of identiteitspapieren of op andere wijze.
Voor de definities van de volgende begrippen wordt verwezen naar artikel 2, SGC:
Voor wat betreft de ambtenaren van de KMar is een en ander vastgelegd in de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=30) en [32 Paspoortuitvoeringsregeling KMar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=32).
Voor de definities van de begrippen ‘interne vlucht’ en ‘vervoerder’ wordt verwezen naar artikel 2, SGC.
Indien een document voor grensoverschrijding wordt ingehouden in de gevallen als bedoeld onder b, dan wel indien het een ingeleverd of gevonden document voor grensoverschrijding betreft, wordt het document per aangetekende post en met een begeleidende brief doorgezonden aan de burgemeester van de woonplaats van de houder. De begeleidende brief vermeldt de volgende gegevens:
Een persoon die beweert Nederlander te zijn, kan op grond van [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7) worden verplicht op een of andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken. Zonodig kan, voor vaststelling van de nationaliteit, contact worden opgenomen met de bevolkingsadministratie van de gemeente waar de betrokkene zegt te zijn ingeschreven.
Het bezit van de Nederlandse nationaliteit mag onder meer worden aangenomen op grond van onderstaande documenten:
De [Wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) (Stb. 468) betreffende de positie van Molukkers (hierna: de Faciliteitenwet) is op 1 januari 1977 in werking getreden.
Voor de personen die niet onder de [Faciliteitenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) vallen, is de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) onverkort van toepassing. Voor deze Molukkers gelden de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen en voorschriften.
Voor de verkrijging van een behandeling als Nederlander en een beschrijving van de documenten, waarmee Molukkers de behandeling als Nederlander dienen aan te tonen, wordt verwezen naar de Handleiding voor de toepassing van de [Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Nederlanders moeten de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaren in acht nemen (zie [artikel 4.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.6)). Nederlanders moeten desgevorderd hun document voor grensoverschrijding tonen en overhandigen of op andere wijze hun Nederlanderschap aannemelijk maken (zie [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7)).
De verplichtingen omschreven in [artikel 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) en de [artikelen 4.8 tot en met 4.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10) (verplichtingen voor vervoerders) zijn eveneens van toepassing op Nederlanders.
Aan Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen kan de toegang niet worden geweigerd. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie [artikel 8.10 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10)). Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich er op beroept Nederlander (of een daarmee gelijkgestelde persoon) te zijn, eerst contact op te worden genomen met de IND.
Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, dient het op grond van de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) te worden ingehouden. Dit is onder meer het geval indien de geldigheidsduur is verstreken. Het is niet toegestaan naar het buitenland te reizen met een Nederlands document voor grensoverschrijding (paspoort, toeristenkaart) waarvan de geldigheidsduur is verstreken.
Voor wat betreft de ambtenaren van de KMar is een en ander vastgelegd in de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=30) en [32 Paspoortuitvoeringsregeling KMar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=32).
Uitsluitend documenten die zijn ingeleverd wegens het verstrijken van de geldigheidsduur kunnen onbruikbaar worden gemaakt (zie [artikel 32, vierde en vijfde lid, Paspoortuitvoeringsregeling KMar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=32)) en aan de houder worden teruggegeven. Ten behoeve van de kennisgeving aan de Minister van BZK is een apart standaardformulier ontworpen.
Er wordt terstond contact opgenomen met het Ministerie van BZK indien:
De houder van het ingehouden of ingeleverde document voor grensoverschrijding wordt een ontvangstbewijs verstrekt.
Ingevolge [artikel 8.8, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8) kan aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), die beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding de toegang slechts worden geweigerd:
Van belang is dat de beoordeling uitsluitend gebaseerd mag zijn op het persoonlijk gedrag van betrokkene. Bij de toepassing van deze bepaling moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen ([artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)) en vormen strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf nog geen voldoende grond om toegang te weigeren. Van een dergelijke bedreiging kan onder meer sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of ‘ongewenstverklaard ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)’ of bij bezit van verboden wapens, van verdovende middelen of bij verdenking van mensenhandel. Echter, ook in dat geval zal aan de hand van het persoonlijke gedrag van de vreemdeling moeten worden vastgesteld dat sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Voor onderdanen van de Benelux-landen alsmede onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en hun familieleden) gelden op grond van de ter zake gesloten internationale overeenkomsten afwijkende – gunstigere – regels voor wat betreft toelating en verblijf. Ditzelfde geldt voor toegang en grenscontrole, waarvan de weigering van de toegang een bijzonder aspect is. Deze afwijkende regels vloeien voort uit:
Het toepassingsgebied van het EU-Verdrag betreft de in Europa gelegen grondgebieden van de lidstaten van EU en de EER landen.
Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient bij de vreemdeling die onderdaan is (of stelt te zijn) van de EU, de EER of Zwitserland, voorafgaand aan toegangsweigering de IND te worden geraadpleegd (zie ook [artikel 8.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8), juncto [artikel 8.7, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7)). Indien wordt overgegaan tot toegangsweigering moet een schriftelijke gemotiveerde beschikking worden uitgereikt (zie artikel 8.8, tweede lid, Vb). Hiervoor kan [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2012-04-01&g=2012-04-01) worden gebruikt. De toegang wordt geweigerd ingevolge [artikel 3, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) juncto artikel 8.8 Vb. De motivering moet concreet zijn; er mag niet worden volstaan met de enkele mededeling dat de betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid. Bij de kennisgeving van de toegangsweigering moet worden vermeld dat daartegen binnen vier weken administratief beroep kan worden ingesteld bij de IND. De behandeling van het administratief beroepschrift mag niet in Nederland worden afgewacht. Betrokkene dient Nederland ingevolge [artikel 5, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) onmiddellijk te verlaten, tenzij er sprake is van een (eerste) verzoek om een voorlopige voorziening. Het aanbrengen van een (toegangs)weigeringsstempel is van toepassing op onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en op hun familieleden.
De bijzondere status houdt onder meer in dat de maatregelen van uitzetting krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) op hen niet kunnen worden toegepast. Hun toegang, toelating en verblijf hier te lande richten zich naar de algemene regelen van volkenrecht.
Houders van bepaalde diplomatieke, officiële en dienstpaspoorten zijn vrijgesteld van de visumplicht. Wel moeten zij bij grensoverschrijding beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding (zie artikel 5, eerste lid, onder a, artikel 19, eerste lid, onder d, en Bijlage VII SGC).
Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich op een bijzondere status beroept, eerst contact op te worden genomen met de IND.
De afwijkende codering die kan voorkomen is ZF (=zelfstandige functie). Aan deze codering kunnen geen rechten worden ontleend aan privileges of immuniteiten. Nederlanders in dienst van genoemde instellingen worden onderscheiden door achter de bovengenoemde codering de aanduiding /NL te plaatsen. Duurzaam in Nederland verblijvende vreemdelingen krijgen de toevoeging /DV. Parttimers in dienst van genoemde instellingen krijgen de toevoeging /PT.
Lokaal geworven personeel dat vóór 1 augustus 1987, vanaf welke datum het onderscheid tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijf wordt gemaakt, in het bezit was van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa, behoudt de verworven bijzondere status tot beëindiging van het dienstverband.
Ten aanzien van diplomatieke en consulaire ambtenaren, hun gezinsleden en personeel, welke slechts op doorreis in Nederland zijn, is de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing voor zover het de doorreis naar of terugkeer van de diplomatieke zending of consulaire post in een derde land betreft. Hetgeen onder a is opgemerkt over de bijzondere status geldt ook hier.
Lokaal geworven personeel dat vóór 1 augustus 1987, vanaf welke datum het onderscheid tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijf wordt gemaakt, in het bezit was van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa, behoudt de verworven bijzondere status tot beëindiging van het dienstverband.
De pakketten dragen aan de buitenkant duidelijk zichtbare kentekenen, waaruit hun aard blijkt. De koerier geniet persoonlijke onschendbaarheid (de dwangmiddelen uit [artikel 50, tweede, derde, vierde en vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) kunnen niet worden toegepast). De tas mag niet worden geopend of ingenomen.
Zolang niet duidelijk is geworden dat de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing is, kan gebruik worden gemaakt van de in [artikel 50, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) toegekende bevoegdheid tot het overbrengen naar en het zich ophouden op een plaats bestemd voor verhoor. Daarbij dient wel met enige voorzichtigheid te worden gehandeld.
Op vreemdelingen van wie niet is gebleken dat zij tot een van de hierboven genoemde categorieën behoren, kunnen de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden toegepast. Het kan voorkomen dat een vreemdeling die op grond van [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) staande is gehouden ter vaststelling van zijn identiteit, zich beroept op een bijzondere status, maar niet terstond door het tonen van een legitimatiebewijs of ander document aannemelijk kan maken dat hij die status inderdaad bezit. Dit kan met name het geval zijn ten aanzien van personen die behoren tot de categorieën a en c, bij eerste binnenkomst in Nederland en bij functionarissen, hun gezinsleden en personeel op doorreis.
In de laatstgenoemde situatie zal een reisbiljet soms de bijzondere status aannemelijk kunnen maken. In deze gevallen – of indien anderszins twijfel bestaat of de vreemdeling een bijzondere status bezit – dient aanstonds contact te worden opgenomen met het ministerie van BuZa dat hiertoe ook gedurende het weekeinde en feestdagen telefonisch bereikbaar is.
Zolang niet duidelijk is geworden dat de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing is, kan gebruik worden gemaakt van de in [artikel 50, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) toegekende bevoegdheid tot het overbrengen naar en het zich ophouden op een plaats bestemd voor verhoor. Daarbij dient wel met enige voorzichtigheid te worden gehandeld.
Zolang niet duidelijk is geworden dat de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing is, kan gebruik worden gemaakt van de in [artikel 50, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) toegekende bevoegdheid tot het overbrengen naar en het zich ophouden op een plaats bestemd voor verhoor. Daarbij dient wel met enige voorzichtigheid te worden gehandeld.
In de Europese Overeenkomst betreffende het reizen van jeugdige personen op collectieve paspoorten tussen de landen die lid zijn van de Raad van Europa van 16 december 1961 is overeengekomen dat op basis van reciprociteit door de aangesloten landen afgegeven collectieve paspoorten worden erkend als geldig document voor grensoverschrijding. De bij de Overeenkomst aangesloten landen zijn: België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Portugal, Turkije, Verenigd Koninkrijk, IJsland en Zweden. De overeenkomst verplicht overigens niet tot afgifte van collectieve paspoorten. Zo hebben Nederland en België de afgifte van collectieve paspoorten beëindigd.
Zoals is aangegeven in A2/4.3.3.1, kan aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU, een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994. Dit besluit is nog steeds van kracht.
Visumplichtige vreemdelingen die staan vermeld op een reizigerslijst en in het bezit zijn van een individueel geldig document voor grensoverschrijding hoeven niet tevens in het bezit te zijn van een afzonderlijk visum. In A2/4.3.3.1 staat aangegeven aan welke voorwaarden in dit geval moet zijn voldaan.
Indien de deelnemers niet in het bezit zijn van een individueel document voor grensoverschrijding, kan de reizigerslijst bovendien als (collectief) document voor grensoverschrijding dienen. In A2/4.3.3.1 staat aangegeven aan welke voorwaarden in dit geval moet zijn voldaan.
Voor de controle van de personen op de collectieve paspoorten of lijsten gelden de onderstaande bijzondere bepalingen.
De groepsleider, of begeleidende leerkracht in het geval van schoolreizen, dient altijd te beschikken over een individueel geldig document voor grensoverschrijding en aan het geheel van voorwaarden voor toegang te voldoen. De groepsleider of leerkracht houdt het collectief document onder zich, is verantwoordelijk voor het vervullen van de grensformaliteiten en draagt er zorg voor dat de deelnemers van het gezelschap gedurende het verblijf bij elkaar blijven. Voorts informeert de groepsleider terstond de bevoegde autoriteiten omtrent het niet kunnen of willen voortzetten van de groepsreis door een van de deelnemers.
In beginsel dienen de deelnemers te beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een goedgelijkende foto.
Deelnemers aan collectieve paspoorten voor jeugdige personen hoeven niet te beschikken over een individueel identiteitsbewijs, maar dienen zo nodig wel hun identiteit aannemelijk te kunnen maken. Wanneer in een collectief paspoort of lijst voor jeugdige personen afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk of Ierland ook in die landen gevestigde jeugdige vluchtelingen of staatlozen voorkomen, moeten deze deelnemers wel beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto.
Deelnemers aan een reizigerslijst voor scholieren hoeven in beginsel niet te beschikken over een individueel identiteitsbewijs.
Bij inreis van gezelschappen die reizen op een collectief paspoort of lijst dient te worden gecontroleerd of alle personen die op het document voorkomen daadwerkelijk deel uitmaken van het gezelschap. Indien een persoon zich niet (meer) bij het gezelschap bevindt of om enigerlei reden de toegang is geweigerd, wordt diens naam op het collectieve paspoort of lijst doorgehaald. Deze doorhaling wordt gedateerd en voorzien van een paraaf.
In bepaalde of bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij schoolreizen, reisgezelschappen van ouderen, pelgrims of bedevaartgangers, kan de inreiscontrole tot een toetsing aan de hand van een bezettingslijst of een steekproefsgewijze toetsing van de deelnemers worden beperkt.
Ook in het geval van gezelschappen die reizen op een collectief paspoort of lijst dienen, wanneer het gaat om onderdanen van derde landen, bij in- en bij uitreisstempels te worden geplaatst. Bij de stempel wordt, zoals hiervoor reeds aangegeven, een aantekening gesteld omtrent het aantal personen dat is in- respectievelijk uitgereisd.
Naast de gebruikelijke controlehandelingen, wordt bij uitreis van personen die reizen op een collectief paspoort of collectieve lijst eveneens gecontroleerd of de in het document voorkomende personen nog deel uitmaken van het gezelschap. Indien een of meerdere personen niet meer bij het gezelschap zijn, moet de reden daarvan bij de reisleider worden nagegaan. Zonodig worden de bevoegde autoriteiten van het Schengenstaat waar de ontbrekende persoon is achtergebleven hiervan in kennis gesteld. Op grond van het ontbreken van een van de deelnemers kan de uitreis van de overige deelnemers niet worden belet. In geval een persoon ontbreekt, wordt hieromtrent bij de (uitreis)stempel tevens een aantekening gesteld.
Voor wat betreft de bijzondere regels voor piloten en andere bemanningsleden van vliegtuigen wordt verwezen naar artikel 19 en bijlage VII, onder 2, SGC.
In beginsel wordt toegang verleend tot het Benelux-gebied indien:
Zie voor transitpassagiers van vliegtuigen tevens de Benelux Voorschriften Verzameling Deel IV, onder J.
‘Toegang tot het Benelux-gebied verleend van geldig tot , (vermelding relevante artikel en lid).’ Voorts wordt een territoriaal beperkt visum verleend voor de duur die noodzakelijk is om de doorreis te kunnen voortzetten. Daarbij komt een inreisstempel en handtekening van de ambtenaar die toegang verleent.
In plaats van het stellen van een aantekening kan, in het geval van toegangverlening aan de transitpassagier van een vliegtuig, een afzonderlijke verklaring aan de vreemdeling worden verstrekt (zie [bijlage 5 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=5)).
De territoriale geldigheid van de toegang wordt beperkt wanneer het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling niet geldig is voor België of Luxemburg. In dat geval wordt bij de aantekening aangegeven voor welk(e) Benelux-land(en) deze geldig is.
Indien de vreemdeling aan wie toegang is verleend niet op het voorgeschreven tijdstip is vertrokken, moet hiervan onmiddellijk kennis worden gegeven aan de ambtenaren der KMar belast met het toezicht op vreemdelingen, alsmede aan de vreemdelingenpolitie.
De territoriale geldigheid van de toegang wordt beperkt wanneer het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling niet geldig is voor België of Luxemburg. In dat geval wordt bij de aantekening aangegeven voor welk(e) Benelux-land(en) deze geldig is.
Voor wat betreft de bijzondere regels voor zeelieden wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 3, SGC. Ter toelichting en aanvulling voor de Nederlandse situatie is het volgende van belang.
Aan visumplichtige zeelieden die na aankomst in Nederland onmiddellijk in een ziekenhuis moeten worden opgenomen en die niet in het bezit zijn van het vereiste visum, kan door het hoofd van de doorlaatpost, ongeacht hun nationaliteit, zonder voorafgaande machtiging, een visum voor ten hoogste vijftien dagen worden verstrekt, waarvan de geldigheid is beperkt tot Nederland.
Op grond van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is een politieambtenaar bevoegd tot het vorderen van een identiteitsbewijs voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor zijn taakuitoefening. In dat geval dienen ook passagierende zeelieden een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Een geldig grensoverschrijdingsdocument is in dat geval voldoende. Zeelieden kunnen eveneens aan een grensbewakingscontrole worden onderworpen voordat zij het vaartuig, verlaten dan wel betreden.
Wanneer een zeeman niet of niet langer aan de in de SGC neergelegde voorwaarden voor passagieren voldoet, stelt het hoofd van de doorlaatpost daaromtrent een aantekening op de bemanningslijst achter de naam van de zeeman. Bij gevaar voor de openbare orde kan het hoofd van de doorlaatpost/het hoofd van dienst volstaan de vreemdeling de verplichting op te leggen aan boord van het schip te blijven. Zonodig kan hij de zeeman in dit geval ook met toepassing van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) overbrengen naar de vreemdelingenpolitie. Dit laatste geschiedt steeds:
De ambtenaar belast met grensbewaking hoeft geen machtiging te vragen voor het verlenen van een visum aan zeelieden die toegang willen tot andere dan de gemeenten waarin de haven gelegen is waar hun schip is afgemeerd of de daaraan grenzenden gemeenten. Zoals is aangegeven in A2/4.3.8, bestaat met betrekking tot het verlenen van visa aan de grens aan transiterende zeelieden een separate regeling (zie artikel 36 Visumcode).Behalve de daar genoemde voorwaarden gelden voor zelfstandige verlening van een visum in dit geval bovendien de volgende voorwaarden:
Toegang wordt verleend aan jeugdige vreemdelingen aan wie ter adoptie(f)- dan wel als pleegkind een mvv is afgegeven. Wanneer niet, uit een mvv, blijkt dat voorafgaand aan de komst naar Nederland toestemming voor verblijf ter adoptie(f)- dan wel als pleegkind is verleend, moet steeds de IND worden geraadpleegd.
Toestemming voor de inreis wordt in deze gevallen slechts verleend:
Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich er op beroept dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan, eerst contact op te worden genomen met de IND.
Uit een signalering in het OPS kan blijken dat de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd is ingetrokken dan wel de geldigheidsduur is verstreken. Aan de houder van een geldig paspoort en van een verblijfsvergunning waarvan de geldigheidsduur nog maar korte tijd is verstreken kan, wanneer hij een redelijke grond kan aanvoeren voor zijn verlate terugkeer, toegang worden verleend. In ieder geval dient de grensbewakingsambtenaar zo veel mogelijk direct de verblijfsrechtelijke status na te gaan. Indien de vreemdeling wordt doorgelaten dient met toepassing van [artikel 4.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.26) een meldplicht te worden opgelegd.
Wanneer de vreemdeling niet kan aantonen of aannemelijk kan maken dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan, kan voor vaststelling van zijn verblijfsrechtelijke positie contact worden opgenomen met de vreemdelingenpolitie van de politieregio in welke de gestelde woon- of verblijfplaats van de vreemdeling is gelegen, dan wel met de IND.
Uit een signalering in het OPS kan blijken dat de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd is ingetrokken dan wel de geldigheidsduur is verstreken. Aan de houder van een geldig paspoort en van een verblijfsvergunning waarvan de geldigheidsduur nog maar korte tijd is verstreken kan, wanneer hij een redelijke grond kan aanvoeren voor zijn verlate terugkeer, toegang worden verleend. In ieder geval dient de grensbewakingsambtenaar zo veel mogelijk direct de verblijfsrechtelijke status na te gaan. Indien de vreemdeling wordt doorgelaten dient met toepassing van [artikel 4.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.26) een meldplicht te worden opgelegd.
Het bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op vreemdelingen die in het bezit zijn van het vereiste document voor grensoverschrijding en een geldige Belgische of Luxemburgse mvv (autorisation de séjour provisoire), mits in deze machtiging staat vermeld dat zij geldig is voor binnenkomst in het Beneluxgebied.
Aan personen die verklaren staatloos te zijn en die niet in het bezit zijn van een vreemdelingenpaspoort wordt de toegang geweigerd. Houders van vreemdelingenpaspoorten die niet beschikken over de vereiste visa wordt in beginsel eveneens de toegang geweigerd. In bijzondere gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunnen echter aan de grens visumfaciliteiten worden verleend (zie A2/4.3.8).
De vervoerder dient zodanige voorzorgsmaatregelen te nemen dat de aanvoer van niet of niet juist gedocumenteerde vreemdelingen wordt voorkomen. Als dergelijke vreemdelingen zonder voorafgaande toestemming van bevoegde autoriteiten (zie hierna) toch worden aangevoerd, kan de vervoerder strafbaar zijn. In ieder geval zal terzake een proces-verbaal worden opgemaakt.
Voor de vaststelling of een document voor grensoverschrijding geldig is, moet een vervoerder zodanige maatregelen treffen dat zijn personeel, waaronder ook begrepen wordt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht, dusdanig wordt geïnstrueerd dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland.
De hierboven bedoelde controle houdt minimaal het volgende in:
De Nederlandse overheid kan de individuele vervoerder aanwijzingen geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen) of het gebruik van technische hulpmiddelen.
De passagiersgegevens die op vordering van de grensbewakingsautoriteiten door de luchtvervoerder dienen te worden aangeleverd bevatten:
De passagiersgegevens worden elektronisch door de luchtvervoerder verstrekt. De luchtvervoerder zendt de verzamelde passagiersgegevens elektronisch aan de ambtenaar belast met de grensbewaking aan het door die ambtenaar aangegeven adres (zie [artikel 2.1a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=2.1a)). De passagiersgegevens dienen verzonden te worden met gebruikmaking van het International Air Transport Association (IATA)-berichtenformat, type B, met de structuur die is gebaseerd op de vanwege de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties vastgestelde indeling voor elektronische gegevensuitwisseling voor overheid, handel en vervoer, gepubliceerd onder de titel: Electronic Data Interchange For Administration, Commerce and Transport (EDIFACT) Passenger List Message (PAXLST). Het IATA-adres waar de gegevens naartoe verzonden dienen te worden, is HDQKMXH. Er is tevens een implementatiegids opgesteld voor de luchtvaartmaatschappijen waarin de vereiste berichtstructuur wordt gespecificeerd. De door de luchtvervoerder verzamelde gegevens dienen voor het einde van de instapcontrole, de zogenaamde ‘flightclosure’, te worden overgelegd.
De passagiersgegevens die de luchtvervoerder op vordering van de grensbewakingsautoriteiten heeft verzameld, worden niet langer dan 24 uur na aankomst door de vervoerder bewaard. Deze zullen derhalve binnen 24 uur na aankomst worden vernietigd. Dat laat onverlet de mogelijkheid die gegevens langer te bewaren waar die zijn verzameld met het oog op bijvoorbeeld de dienstverlening door de luchtvervoerder.
Voor de ambtenaar belast met de grensbewaking geldt in beginsel eveneens een bewaartermijn van 24 uur. Dit is slechts anders indien de passagiersgegevens langer nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van de terugvoerplicht zoals beschreven in [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) (zie A2/7.1.5). Hieruit volgt dat de passagiersgegevens van vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd bewaard kunnen worden zolang de mogelijkheid van toepassing van [artikel 65, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) nog openstaat. Nu de op grond van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) bestaande verplichting na ten hoogste zes maanden eindigt zal in dat geval de bewaartermijn niet langer dan zes maanden beslaan.
Blijkens de toelichting bij [artikel 5 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) dient de vervoerder een vreemdeling aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, terug te brengen naar het derde land van waaruit hij werd aangevoerd, dan wel te vervoeren naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd heeft afgegeven, of naar ieder derde land waar zijn toelating is gewaarborgd.
Ingevolge [artikel 65, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) is deze terugvoerplicht van toepassing op de vreemdeling die Nederland onmiddellijk dient te verlaten dan wel die binnen zes maanden na binnenkomst met het oog op uitzetting is aangehouden. Voor de vaststelling van de termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van staande houden. De plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, kan eventueel ook op een later tijdstip plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren indien de vreemdeling kort voor het verstrijken van bedoelde termijn wordt aangetroffen.
Gezagvoerders van zeeschepen kunnen zich niet onttrekken aan hun verplichtingen als bedoeld in [artikel 65, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65), door een beroep te doen op [artikel 371a Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=371a). In dat artikel is onder meer sprake van een bevoegdheid van de kapitein om een verstekeling bij de eerste gelegenheid die zich voordoet van boord te verwijderen. Onder ‘gelegenheid’ dient hier namelijk te worden verstaan een wettelijk geoorloofde gelegenheid, dat wil zeggen het van boord zetten van een vreemdeling mag slechts plaatsvinden na verkregen toestemming van de bevoegde autoriteiten.
Evenmin kan de kapitein zich zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de verstekeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. In geval de kapitein zich op dit voorschrift beroept, dienen de omstandigheden waarop hij zich beroept door de ambtenaar belast met de grensbewaking te worden beoordeeld en te worden afgewogen tegen het belang van terugplaatsing van de verstekeling aan boord.
Indien de vervoerder bij een controle constateert dat hij te maken heeft met een vreemdeling die niet of niet juist is gedocumenteerd, dient hij deze in principe niet te vervoeren. Indien de vreemdeling stelt dat zijn leven in het land van waar hij op dat moment wil vertrekken in direct gevaar is, kan de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse vertegenwoordiging zenden om aldaar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘asiel’ in te dienen. Indien de vervoerder in deze situatie overweegt de vreemdeling te vervoeren, dient de vervoerder contact op te nemen met de IND. Het Hoofd van de IND bepaalt dan of de betrokken vreemdeling, ook al is hij niet in het bezit van de juiste reisdocumenten, naar Nederland mag worden gebracht. Als een vervoerder een niet of niet juist gedocumenteerde vreemdeling naar Nederlands grondgebied heeft vervoerd, maar dit heeft gedaan met instemming van de betreffende ambtenaar, geldt geen terugvoerplicht en wordt geen proces-verbaal opgemaakt ter zake van vermoedelijke overtreding van [artikel 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4). Wel dient de vervoerder de feiten en omstandigheden zoals hij die daarbij heeft voorgelegd, deugdelijk schriftelijk vast te leggen.
Overtreding van [artikel 4, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) (het nalaten van de passagiersinformatieplicht) kan worden bestraft met een geldboete van de vierde categorie (maximaal € 19.000) of hechtenis van zes maanden ([artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Het misdrijf van [artikel 197a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197a) (mensensmokkel) kan worden bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Het derde lid van het artikel bevat de mogelijkheid tot strafverzwaring indien het feit is begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep. Ingeval van verdenking van mensensmokkel wordt in ieder geval proces-verbaal opgemaakt en zal in beginsel onmiddellijk tot dagvaarden worden overgegaan.
Indien het niet binnen redelijke tijd mogelijk is de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland te vervoeren, dan kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland, waaronder ook de verblijfskosten kunnen worden begrepen ingevolge [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65), juncto [artikel 6.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.3), op die vervoersonderneming worden verhaald.
De IND stuurt de vervoerder vervolgens een rekening die de kosten omvat die door de diverse instanties zijn gemaakt. De instanties die het betreft, ontvangen allen een kopie van de rekening. De vervoerder dient het betreffende bedrag voorts over te maken aan de IND, waarna deze laatste de andere overheidspartijen hun aandeel doet toekomen.
De verplichting voor de bestuurder van een voertuig om mee te werken, is geregeld in [artikel 4.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.8) en de [artikelen 5:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20).
Onderdanen van derde landen die niet of niet langer rechtmatig op het grondgebied van de EU verblijven en op wie een verwijderingsmaatregel van toepassing is, worden veelal verwijderd per luchtvaartuig. Rechtstreekse vluchten zijn niet altijd mogelijk en soms moet gebruik worden gemaakt van vluchten via transitluchthavens van andere lidstaten. [Richtlijn 2003/110](32003L0110) d.d. 25 november 2003 voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. De Richtlijn is niet van toepassing op Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Wel is de Richtlijn van toepassing op IJsland en Noorwegen.
Indien de lidstaat die een persoon wenst terug te zenden om redelijke en praktische motieven geen gebruik kan maken van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan hij verzoeken om doorgeleiding door de lucht via Nederland. Een schriftelijk verzoek om doorgeleiding van een andere lidstaat moet worden ingediend bij de KMar te Schiphol. Het verzoek dient zo vroeg mogelijk te worden ingediend, en ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding bij de KMar aan te komen. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen mag deze termijn korter zijn. Het verzoek moet worden ingediend door middel van het daartoe in de Richtlijn vastgelegde formulier.
Wanneer na het verlenen van toestemming tot doorgeleiding omstandigheden als hierboven genoemd bekend worden, kan de reeds verleende toestemming worden ingetrokken. Bij weigering of intrekking van toestemming dient de KMar de verzoekende lidstaat onverwijld en met opgave van redenen hiervan op de hoogte te brengen.
De KMar stelt de verzoekende lidstaat onmiddellijk, in ieder geval binnen twee dagen, in kennis van de beslissing op het verzoek om doorgeleiding. Deze termijn kan, in naar behoren gemotiveerde gevallen, met ten hoogste 48 uur worden verlengd. Zonder instemming van Nederland mag de verzoekende lidstaat niet met de doorgeleiding beginnen. Als echter niet binnen de gestelde termijn wordt geantwoord, kan de verzoekende lidstaat beginnen met de doorgeleiding door middel van een kennisgeving aan de KMar.
De KMar begeleidt de doorgeleiding in het kader van haar grensbewakingstaak ex [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46). Bij de begeleiding van de doorgeleiding beschikt de KMar over bevoegdheden in het belang van de grensbewaking. In overleg met de autoriteiten van de verzoekende lidstaat neemt de KMar in dit kader alle mogelijke en nodige ondersteunende maatregelen. Dit betreft met name de volgende maatregelen:
Op grond van [artikel 4.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.6) is de vreemdeling verplicht zich te houden aan de door de ambtenaar belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van zijn taak, gegeven aanwijzingen. Hieronder vallen tevens de aanwijzingen van deze ambtenaar aan de vreemdeling met betrekking tot de plaats waar de laatste zich dient op te houden. Overtreding van deze aanwijzingen is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
Begeleiders van de autoriteiten van de verzoekende lidstaat moeten in alle omstandigheden de Nederlandse regelgeving naleven. Zij hebben derhalve geen verdergaande bevoegdheden dan de Nederlandse regelgeving toelaat. De begeleiders dragen tijdens de doorgeleiding door de lucht geen wapens en zijn gekleed in burgerkleding. Op verzoek dienen zij passende identificatiemiddelen te overleggen, waaronder de toestemming voor doorgeleiding die door Nederland is afgegeven, of, in geval niet tijdig een toestemming is afgegeven, een kennisgeving van doorgeleiding.
In de volgende gevallen kan de vreemdeling onmiddellijk voor terugname worden overgedragen aan de verzoekende lidstaat:
De doorgeleiding dient binnen de kortst mogelijke tijdspanne plaats te vinden, en maximaal binnen 24 uur. Dit betekent dat de vreemdeling de luchthaven binnen 24 uur weer moet hebben verlaten. Deze termijn kan, op verzoek van en in overleg met de verzoekende lidstaat, worden verlengd tot maximaal 48 uur in gevallen waarin de voltooiing van de doorgeleiding niet kan worden gewaarborgd. Tijdens de gehele doorgeleiding dient de KMar bereikbaar te zijn voor de betrokken autoriteiten van de verzoekende lidstaat.
Ook is een adequaat vreemdelingentoezicht vereist in het kader van het te voeren vreemdelingenbeleid omdat het daarvoor noodzakelijk is om over betrouwbare gegevens te kunnen beschikken. Te denken valt hierbij aan de aantallen van de hier te lande verblijvende vreemdelingen, de plaatsen waar zij zich bevinden, het doel van hun verblijf en de omstandigheden waaronder zij leven.
Teneinde het vreemdelingentoezicht op doelmatige wijze te kunnen uitoefenen, voorziet de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) in de mogelijkheid tot het treffen van bepaalde maatregelen van toezicht en het opleggen van bepaalde verplichtingen aan vreemdelingen of aan derden.
In het belang van het toezicht op vreemdelingen mogen slechts die verplichtingen worden opgelegd of maatregelen worden getroffen waarin de wettelijke bepalingen voorzien.
Er kunnen twee vormen van vreemdelingentoezicht worden onderscheiden, namelijk het administratieve toezicht en het operationele toezicht. Het operationele toezicht is weer onder te verdelen in toezicht ter bestrijding van illegale immigratie en toezicht in het binnenland. Bij het administratieve toezicht moet men in het bijzonder denken aan de controles voortvloeiende uit de vreemdelingenregistratie.
De ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (zie [artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3)) zijn belast met het toezicht op vreemdelingen (zie [artikel 47, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47)). Hieronder wordt ingevolge [artikel 3, tweede lid, Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3) mede begrepen de Rijksrecherche. Zij voeren hun werkzaamheden uit onder leiding van de Korpschef.
Ambtenaren van de KMar zijn eveneens belast met het toezicht op vreemdelingen (zie [artikel 47, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47)). Zij oefenen hun toezichtstaken (in casu: het MTV) uit onder leiding van de Commandant der KMar.
Op grond van [artikel 47, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47) kan de Minister bij besluit ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het toezicht op vreemdelingen. De Minister heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door de in [artikel 142 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) bedoelde ambtenaren, die zijn belast met opsporingsbevoegdheid voor één of meer strafbare feiten ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), aan te wijzen.
Ambtenaren belast met toezicht beschikken over de bevoegdheden die ingevolge de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) aan toezichthouders toekomen (zie [artikelen 5:11 tot en met 5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11)). Deze bevoegdheden en de aanvullende bevoegdheden die op grond van de Vw aan de ambtenaren belast met toezicht op vreemdelingen toekomen, worden nader uitgewerkt in A3/2.
In het belang van het toezicht op vreemdelingen mogen slechts die verplichtingen worden opgelegd of maatregelen worden getroffen waarin de wettelijke bepalingen voorzien.
Overtreding van een aantal bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of handelen in strijd met krachtens de wet opgelegde verplichtingen, die onder meer het vreemdelingentoezicht betreffen, is strafbaar gesteld bij [artikel 108, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
Bevoegd tot het opsporen van bij die wetsbepaling strafbaar gestelde feiten zijn behalve de met het vreemdelingentoezicht belaste ambtenaren (zie [artikel 1:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3)) tevens de ambtenaren belast met de grensbewaking, alsmede alle bij [artikel 141 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) in het algemeen met de opsporing van strafbare feiten belaste personen.
Ambtenaren van de KMar zijn eveneens belast met het toezicht op vreemdelingen (zie [artikel 47, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47)). Zij oefenen hun toezichtstaken (in casu: het MTV) uit onder leiding van de Commandant der KMar.
Het algemeen belang vergt dat wordt opgetreden tegen vreemdelingen die zich in strijd met de wettelijke bepalingen in Nederland bevinden. Een vreemdelingenbeleid is immers niet te voeren indien degenen die volgens dit beleid niet in Nederland mogen verblijven, ongemoeid worden gelaten. Bovendien kunnen uit illegaal verblijf misstanden voortvloeien, onder meer met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, de volksgezondheid en de huisvesting. Om deze redenen dient nauwlettend toezicht te worden gehouden op de binnenkomst en aanwezigheid van illegale vreemdelingen.
Toezicht dient te worden onderscheiden van opsporing. In de praktijk is het onderscheid tussen toezicht en opsporing vooral van belang voor de vraag op welk moment de toezichthouder aan iemand moet mededelen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Indien tijdens het toezicht op de naleving van de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) blijkt dat ten aanzien van de persoon die is onderworpen aan het toezicht sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, dan dient aan deze persoon – die dan als verdachte in de zin van [artikel 27 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27) dient te worden beschouwd – op grond van [artikel 29 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=29) te worden medegedeeld dat hij niet tot (verder) antwoorden is verplicht. Achterwege laten van deze mededeling (‘cautie’) kan met zich meebrengen dat de verkregen informatie in een latere strafzaak als onrechtmatig bewijs wordt aangemerkt.
Het is niet uitgesloten dat een vreemdeling die in een later stadium als verdachte wordt aangemerkt, ter voldoening aan zijn plicht gegevens te verstrekken of mee te werken (zie [artikel 54 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54)) feiten aandraagt die in een latere fase aanleiding kunnen vormen voor een strafvervolging. Deze feiten mogen dan binnen de wettelijke randvoorwaarden worden betrokken in het opsporingsonderzoek. Deze feiten zijn immers verkregen in een fase waarin er nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit zodat aan de betrokken vreemdeling nog niet behoefde te worden medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Wel is het zo dat de betrokken vreemdeling zodra hij is betrokken in een opsporingsonderzoek en hij derhalve op grond van [artikel 29 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=29) niet tot antwoorden is verplicht, geen nadere mededelingen meer behoeft te doen ter zake van de feiten waarvan hij wordt verdacht, ook niet meer ter zake van de feiten waarover hij in de fase waarin hij tot medewerking verplicht was mededelingen heeft gedaan.
Illegaal verblijf als zodanig is in ons land niet strafbaar gesteld, maar de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, kan strafbaar zijn wegens het niet voldoen aan de verplichting tot het doen van mededeling van zijn aanwezigheid (zie [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39)). Ook kan een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft en die bij herhaling een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar feit heeft begaan op grond van [artikel 67, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst worden verklaard. Het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven is wel een strafbaar feit (zie [artikel 197 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=197)).
Op ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen is [Afdeling 5:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=5.2) van toepassing. Deze [Afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=5.2) geeft regels over de wijze waarop toezichthouders hun taak dienen te vervullen en verleent aan deze toezichthouders een aantal bevoegdheden. Ingevolge [artikel 5:12, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:12) is iedere toezichthouder verplicht een legitimatiebewijs bij zich te dragen. Het legitimatiebewijs behoeft alleen op verzoek te worden getoond. Voor het binnentreden van een woning geldt echter dat de toezichthouder zich altijd, ook ongevraagd, moet legitimeren.
Toezicht in het binnenland vindt plaats op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren en is erop gericht het illegaal verblijf te beëindigen. Zie nader met betrekking tot het begrip ‘redelijk vermoeden’ A3/3.3.
Indien de politie bij de uitoefening van haar taken toch al persoonsgegevens van burgers verifieert, dient zij als regel ook de nationaliteit en, bij een niet-Nederlandse nationaliteit, de verblijfsstatus te controleren. Een uitzondering kan gelden, indien het belang van de uitvoering van een taak (bijvoorbeeld hulpverlening) rechtvaardigt dat niet of niet onmiddellijk tot vreemdelingentoezicht wordt overgegaan. Indien bij verificatie van persoonsgegevens blijkt dat de bestuurder van een voertuig illegaal in Nederland verblijft, rechtvaardigt dit dat ook de eventueel overige inzittenden van dat voertuig naar hun verblijfsrechtelijke positie wordt gevraagd.
Het is niet uitgesloten dat een vreemdeling die in een later stadium als verdachte wordt aangemerkt, ter voldoening aan zijn plicht gegevens te verstrekken of mee te werken (zie [artikel 54 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54)) feiten aandraagt die in een latere fase aanleiding kunnen vormen voor een strafvervolging. Deze feiten mogen dan binnen de wettelijke randvoorwaarden worden betrokken in het opsporingsonderzoek. Deze feiten zijn immers verkregen in een fase waarin er nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit zodat aan de betrokken vreemdeling nog niet behoefde te worden medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Wel is het zo dat de betrokken vreemdeling zodra hij is betrokken in een opsporingsonderzoek en hij derhalve op grond van [artikel 29 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=29) niet tot antwoorden is verplicht, geen nadere mededelingen meer behoeft te doen ter zake van de feiten waarvan hij wordt verdacht, ook niet meer ter zake van de feiten waarover hij in de fase waarin hij tot medewerking verplicht was mededelingen heeft gedaan.
Een belangrijk instrument voor het daadwerkelijk handhaven van het vreemdelingenbeleid wordt gevormd door een adequaat toezicht op vreemdelingen die hier verblijven. Dit toezicht, dat noodzakelijk is in het kader van de rechtshandhaving, dient uit het oogpunt van rechtsbescherming op non-discriminatoire wijze uitgevoerd te worden.
Ambtenaren belast met de grensbewaking en ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd tot het staande houden en ophouden van personen. De ambtenaren belast met grensbewaking staan genoemd in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46), de ambtenaren belast met het toezicht zijn te vinden in [artikel 47 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47). Voor de ambtenaren belast met toezicht zie tevens A3/1.2.
Het toezicht ter bestrijding van illegale immigratie is erop gericht illegaal verblijf, al dan niet in georganiseerd verband, in een zo vroeg mogelijk stadium tegen te gaan. Dit toezicht is tevens gericht op preventie en ontmoediging van toekomstige illegale immigratie.
Illegaal verblijf als zodanig is in ons land niet strafbaar gesteld, maar de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, kan strafbaar zijn wegens het niet voldoen aan de verplichting tot het doen van mededeling van zijn aanwezigheid (zie [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39)). Ook kan een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft en die bij herhaling een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar feit heeft begaan op grond van [artikel 67, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst worden verklaard. Het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven is wel een strafbaar feit (zie [artikel 197 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=197)).
Het gaat hierbij om de vaststelling van de identiteit, nationaliteit en de rechtmatigheid van het verblijf aan de hand van geldige documenten of bescheiden (zie [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)). Een bekende identiteit is op zichzelf nog geen vastgestelde identiteit.
Voor transitpassagiers geldt de speciale regeling van [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3). Voor vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsdocument van een andere Schengenstaat geldt dat zij zich voor ten hoogste drie maanden visumvrij in het Schengengebied mogen verplaatsen. Zij dienen hierbij in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (zie A2/4.2)
Aan de persoon die met toepassing van [artikel 50, tweede of derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) overgebracht is naar een plaats bestemd voor verhoor, dient op grond van [artikel 4.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.18) tijdig (dat is op een zodanig tijdstip dat een op zijn verzoek gewaarschuwde raadsman bij het verhoor aanwezig kan zijn) mededeling te worden gedaan van het hem toekomende recht zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman (van zijn keuze). Het feit dat deze mededeling is gedaan dient duidelijk uit de vreemdelingenadministratie te blijken.
Wanneer in het grensoverschrijdingsdocument van een vreemdeling geen inreisstempel is aangebracht, mag hieraan het vermoeden worden verbonden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden inzake de rechtmatige verblijfsduur. Indien de vreemdeling het vermoeden heeft kunnen weerleggen dat hij illegaal in Nederland verblijft, dient de bevoegde ambtenaar in het grensoverschrijdingsdocument van de vreemdeling een aantekening te plaatsen op welke datum en welke plaats hij de buitengrens van één van de Schengenlidstaten heeft overschreden (zie A3/3.6.3).
Bij binnentreding van een woning met toestemming van de bewoner kan de toestemming overigens te allen tijde worden ingetrokken. Een ambtenaar zonder machtiging dient dan te vertrekken.
De in [artikel 4.37, eerste lid, onder a, b en d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37) bedoelde kennisgevingen hoeven niet in persoon te worden gedaan. Aan de vreemdeling kan daartoe een kaart worden verstrekt.
In het in [artikel 4.37, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37) bedoelde geval is de verplichting zich in persoon te melden bij de Korpschef ook opgelegd om de bij [artikel 4.12 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=4.12) voorgeschreven aantekening over de verhuizing in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling te plaatsen.
Deze verplichtingen gelden niet voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland met een verblijfsrecht van maximaal drie maanden als bedoeld in [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11).
Ten aanzien van vreemdelingen kan worden voorzien in een verplichting tot het – zonodig in persoon – verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Hieronder zal eerst worden ingegaan op de verplichtingen die aan de vreemdeling kunnen worden opgelegd op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Niet alle verplichtingen voor de vreemdeling vloeien echter voort uit het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Het is mogelijk dat de ambtenaren belast met toezicht gegevens (of bescheiden) van de vreemdeling nodig hebben die niet een basis vinden in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) maar die wel noodzakelijk zijn in het kader van de toezichthoudende taak. In die gevallen kan de vreemdeling worden verplicht medewerking te verlenen aan het verkrijgen van die gegevens (of bescheiden) op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Hieraan wordt aandacht besteed in A3/7.3.8.
De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle hier te lande aanwezige vreemdelingen, ongeacht of zij legaal of illegaal in ons land verblijven. De vordering is steeds gericht tot de vreemdeling zelf, tenzij het kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar betreft. Ten aanzien van vreemdelingen beneden de leeftijd van twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijk vertegenwoordiger (zie [artikel 4.38, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38)).
Niet alleen de vreemdeling zelf maar ook anderen (met inbegrip van Nederlanders) kunnen in bepaalde gevallen worden verplicht gegevens over vreemdelingen te verstrekken (zie A3/7.3.4 en A3/7.6.1).
Het niet voldoen aan de verplichting van [artikel 4.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38) is ingevolge het bepaalde in [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) juncto [108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit.
In het in [artikel 4.37, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37) bedoelde geval is de verplichting zich in persoon te melden bij de Korpschef ook opgelegd om de bij [artikel 4.12 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=4.12) voorgeschreven aantekening over de verhuizing in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling te plaatsen.
Vreemdelingen zijn verplicht op vordering van de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar zij wonen of verblijven, binnen de in de vordering aangegeven tijd de gegevens te verstrekken die de Korpschef in het belang van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vraagt (zie [artikel 4.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38)) voorzover het de gegevens betreft die worden bedoeld in de [artikelen 4.39 tot en met 4.44 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39). Er dient steeds een rechtstreeks verband te bestaan tussen het vragen van de gegevens en de toepassing van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), dan wel van de uitvoeringsbepalingen daarvan. Voorts kan een vordering tot het verstrekken van gegevens bijvoorbeeld worden gedaan met het oog op het bijhouden van de vreemdelingenadministratie.
Zie [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39). Deze bepaling richt zich tot vreemdelingen die op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen of die na beëindiging van hun eerdere rechtmatige verblijf als bedoeld in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) zonder toestemming in Nederland zijn achtergebleven. Deze bepaling geldt ook voor passagierende zeelieden en transitpassagiers van vliegtuigen en zeeschepen die niet tijdig uit Nederland zijn vertrokken (zie [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4)). De in [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39) bedoelde kennisgeving moet in persoon worden gedaan.
Ten aanzien van vreemdelingen kan worden voorzien in een verplichting tot het – zonodig in persoon – verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Hieronder zal eerst worden ingegaan op de verplichtingen die aan de vreemdeling kunnen worden opgelegd op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Niet alle verplichtingen voor de vreemdeling vloeien echter voort uit het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Het is mogelijk dat de ambtenaren belast met toezicht gegevens (of bescheiden) van de vreemdeling nodig hebben die niet een basis vinden in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) maar die wel noodzakelijk zijn in het kader van de toezichthoudende taak. In die gevallen kan de vreemdeling worden verplicht medewerking te verlenen aan het verkrijgen van die gegevens (of bescheiden) op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Hieraan wordt aandacht besteed in A3/7.3.8.
Zie [artikel 4.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.40). Niet alleen de vreemdeling zelf moet van zijn aanwezigheid onmiddellijk mededeling doen aan de Korpschef indien hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Ook degene die nachtverblijf verschaft aan een vreemdeling van wie hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze niet rechtmatig in Nederland verblijft, moet daarvan onmiddellijk mededeling doen aan de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen.
Het niet voldoen aan de verplichting van [artikel 4.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38) is ingevolge het bepaalde in [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) juncto [108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) een strafbaar feit.
In een aantal gevallen zijn werkgevers verplicht, ten aanzien van vreemdelingen die bij hen te werk gesteld worden, in dienst zijn of in dienst zijn geweest, desgevraagd gegevens te verstrekken aan de Korpschef (zie [artikel 4.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41)).
De Korpschef dient een vordering tot het verstrekken van inlichtingen aan de werkgever te betekenen of per aangetekende brief te verzenden. Deze vordering dient te worden onderscheiden van vorderingen die aan een vreemdeling kunnen worden gedaan om in persoon gegevens te verstrekken.
Een vordering tot het verstrekken van gegevens, zal in de regel moeten worden gedaan door de Korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, ressorteert. Met het oog op de omstandigheid dat vele buitenlandse arbeidskrachten niet wonen in de plaats waar zij hun arbeid verrichten, maar in omringende gemeente, dient nauw overleg tussen de betrokken Korpschef te worden gepleegd, en dienen de van belang zijnde gegevens omtrent de hier bedoelde vreemdelingen te worden uitgewisseld.
Zie [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39). Deze bepaling richt zich tot vreemdelingen die op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen of die na beëindiging van hun eerdere rechtmatige verblijf als bedoeld in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) zonder toestemming in Nederland zijn achtergebleven. Deze bepaling geldt ook voor passagierende zeelieden en transitpassagiers van vliegtuigen en zeeschepen die niet tijdig uit Nederland zijn vertrokken (zie [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4)). De in [artikel 4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39) bedoelde kennisgeving moet in persoon worden gedaan.
Zie [artikel 4.42 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42). De vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijft gedurende de vrije termijn bedoeld in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006855&artikel=12) zolang het verblijf bij of krachtens dat artikel is toegestaan – en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten – is verplicht daarvan onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef van het regionale politiekorps van de gemeente waar hij verblijft. Een aantal categorieën, genoemd in [artikel 4.42, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42), is vrijgesteld van deze verplichting.
Degene op wie deze verplichting rust kan zowel Nederlander als vreemdeling zijn. Er zijn geen voorschriften gegeven voor de vorm waarin deze mededeling moet worden gedaan. De strekking van deze bepaling is om de opsporing van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen te vergemakkelijken en om hen, die – te kwader trouw – aan dit illegale verblijf medewerking verlenen, strafbaar te stellen (zie [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)).
Zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43). De vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, is verplicht, indien de beperking waaronder het verblijf is toegestaan, is komen te vervallen, daarvan onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft, is gelegen.
Voldoet een vreemdeling niet meer aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend dan kan deze worden ingetrokken, dan wel kan de beperking worden gewijzigd of opgeheven.
### 7.3.8. Verplichtingen op grond van de Awb
Zoals hierboven al is aangegeven, kan het voorkomen dat een ambtenaar belast met grensbewaking of met toezicht op vreemdelingen gegevens nodig heeft van een vreemdeling, maar dat het verstrekken van die gegevens niet kan worden gevorderd op basis van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). In die gevallen kan een vordering de benodigde gegevens te verstrekken of bescheiden te tonen, worden gebaseerd op de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Voorwaarde daarvoor is dat de vordering verband houdt met de uitoefening van de toezichthoudende taak van de ambtenaar. Voorts dient in het oog gehouden te worden dat van de bevoegdheden alleen gebruik wordt gemaakt indien dit voor de vervulling van de taak redelijkerwijs noodzakelijk is (het evenredigheidsbeginsel).
De in het kader van het verstrekken van inlichtingen en het tonen van bescheiden van belang zijnde artikelen zijn [5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16), [5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) en [5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20).
Alle vreemdelingen zijn op grond van voornoemde artikelen van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) tegenover elke ambtenaar die belast is met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verplicht desgevorderd bijvoorbeeld gegevens te verstrekken en de in hun bezit zijnde bescheiden te tonen die kunnen dienen ter vaststelling van:
De medewerkingsplicht van [artikel 5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) houdt in dat de vreemdeling verplicht is tot het verstrekken van de gevraagde inlichtingen en tot afgifte van de gevorderde gegevens en bescheiden. Het weigeren van de vereiste medewerking is strafbaar gesteld in [artikel 184 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184).
### 7.4. Verlenen van medewerking aan identificatie
Zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43). De vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, is verplicht, indien de beperking waaronder het verblijf is toegestaan, is komen te vervallen, daarvan onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft, is gelegen.
De strekking van [artikel 54, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is om de tot opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren, als zij bij de uitoefening van hun taken in aanraking komen met vreemdelingen, in staat te stellen de beschikking te krijgen over de primaire gegevens die nodig zijn om te kunnen vaststellen met welke vreemdeling zij te doen hebben, of deze vreemdeling op regelmatige wijze is binnengekomen en of het hem is toegestaan in Nederland te verblijven.
In dit verband moet niet alleen worden gedacht aan ambtenaren die specifiek taken uitoefenen op het terrein van het vreemdelingentoezicht, maar ook aan politieambtenaren die bij de uitoefening van andere taken, zoals het houden van verkeerscontroles, met vreemdelingen in aanraking komen.
### 7.3.8. Verplichtingen op grond van de Awb
### 7.3.6. Mededeling omtrent zoeken of gaan verrichten van arbeid
Alle vreemdelingen zijn op grond van voornoemde artikelen van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) tegenover elke ambtenaar die belast is met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verplicht desgevorderd bijvoorbeeld gegevens te verstrekken en de in hun bezit zijnde bescheiden te tonen die kunnen dienen ter vaststelling van:
Zie [artikel 4.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.45). De verplichtingen gelden tegenover de met de grensbewaking belaste ambtenaren en tegenover ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht.
### 7.5. Het verlenen van medewerking aan een medisch onderzoek
De vreemdeling die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden is ingevolge [artikel 4.46, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.46) verplicht om een TBC- onderzoek te ondergaan (zie [B1/4.5](onbekend) voor de procedure). Deze verplichting geldt niet voor de in [artikel 4.46, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.46) bedoelde vreemdelingen.
De strekking van [artikel 54, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is om de tot opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren, als zij bij de uitoefening van hun taken in aanraking komen met vreemdelingen, in staat te stellen de beschikking te krijgen over de primaire gegevens die nodig zijn om te kunnen vaststellen met welke vreemdeling zij te doen hebben, of deze vreemdeling op regelmatige wijze is binnengekomen en of het hem is toegestaan in Nederland te verblijven.
In dit verband moet niet alleen worden gedacht aan ambtenaren die specifiek taken uitoefenen op het terrein van het vreemdelingentoezicht, maar ook aan politieambtenaren die bij de uitoefening van andere taken, zoals het houden van verkeerscontroles, met vreemdelingen in aanraking komen.
Zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47). De vreemdeling die rechtmatig verblijft gedurende de vrije termijn bedoeld in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens dat artikel is toegestaan, en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden is verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen. Voor de berekening van het verblijf worden voorgaande verblijven in Nederland binnen een tijdvak van zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst mede in aanmerking genomen.
In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht. Dit kan derhalve ook een Nederlander zijn.
### 7.4.2. Foto’s en vingerafdrukken
Na aanmelding wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling daarvan een aantekening gesteld (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), juncto [4.30, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30)). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een speciale sticker (zie [bijlage 7 bij het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7)). In een aantal gevallen dient deze aantekening op een afzonderlijk inlegblad te worden gesteld (zie [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
Zie [artikel 4.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.45). De verplichtingen gelden tegenover de met de grensbewaking belaste ambtenaren en tegenover ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht.
Zie [artikel 4.48. Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.48). De vreemdeling die rechtmatig verblijft gedurende de vrije termijn bedoeld in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens dat artikel is toegestaan, en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden is, voorzover de Minister dat heeft voorgeschreven, verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen, indien de duur van het voorgenomen verblijf langer is dan drie dagen.
In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht. Dit kan derhalve ook een Nederlander zijn.
### 7.6.1. Verblijf langer dan drie maanden
Na aanmelding wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling daarvan een aantekening gesteld (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), juncto [4.30, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30)). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een speciale sticker (zie [bijlage 7 bij het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7)). In een aantal gevallen dient deze aantekening op een afzonderlijk inlegblad te worden gesteld (zie [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht. Dit kan derhalve ook een Nederlander zijn.
De verplichting tot aanmelding (dat wil zeggen: melding van hun aanwezigheid hier te lande) geldt niet voor EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen. Wel geldt dat zij zich in de vierde maand na binnenkomst dienen te melden bij de IND ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie (en daarmee in de BVV) (zie [B10](onbekend)).
Na aanmelding wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling daarvan een aantekening gesteld (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), juncto [4.30, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30)). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een speciale sticker (zie [bijlage 7 bij het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7)). In een aantal gevallen dient deze aantekening op een afzonderlijk inlegblad te worden gesteld (zie [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
Periodieke aanmelding bij de Korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente van verblijf van de vreemdeling is gelegen, is verplicht voor de vreemdeling:
### 7.6.2. Verblijf korter dan drie maanden
### 7.6. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
Bij aanvang van de procedure tot het verlenen van een verblijfsvergunning dient de vreemdeling er door de Korpschef op te worden gewezen dat op hem, hangende de beslissing op zijn aanvraag een meldplicht rust (zie [artikel 54, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) juncto [artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.51)). Bij asielzoekers geschiedt het vorenstaande door middel van het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01). Dit model doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking. Het gaat hier in beginsel om een op grond van [artikel 4.51, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.51) wekelijkse meldplicht.
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
### 7.7. Periodieke aanmeldingen
Ten aanzien van asielzoekers geldt dat ontheffing van de meldplicht gedurende het afwachten van de beslissing in eerste aanleg alleen wordt verleend in overleg met de IND. Voorts zijn niet Amv’s beneden de leeftijd van twaalf jaar ontheven van de meldplicht.
Gezien de wenselijkheid van een uniforme, landelijke toepassing gelden in beginsel de volgende aanwijzingen voor de Korpschef bij de oplegging of ontheffing van de meldplicht. In bijzondere omstandigheden, te beoordelen door de Korpschef, kan de Korpschef afwijken van het onderstaande.
Aanleiding om ontheffing te verlenen bestaat in zijn algemeenheid indien het de vreemdeling is toegestaan om de beslissing op zijn aanvraag in eerste aanleg hier in Nederland af te wachten (uitzondering: negatief advies en asielzoekers, zie hierna).
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
Aanleiding om een maandelijkse meldplicht op te leggen bestaat in zijn algemeenheid:
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
Geen aanleiding om (nog langer) ontheffing te verlenen bestaat in zijn algemeenheid indien;
De meldplicht voor de laatstgenoemde categorie (definitieve aanzegging tot vertrek) geldt zolang de finale vertrektermijn nog niet is verstreken. Voor asielzoekers geldt daarbij evenwel het volgende: de uitgeprocedeerde asielzoeker wordt, zolang de opvangvoorzieningen nog niet zijn beëindigd, in het bezit gelaten van het W-document. Derhalve blijft voor een dergelijke vreemdeling de wekelijkse meldplicht gelden zolang de ontruimingsprocedure voortduurt.
Ten aanzien van asielzoekers geldt dat ontheffing van de meldplicht gedurende het afwachten van de beslissing in eerste aanleg alleen wordt verleend in overleg met de IND. Voorts zijn niet Amv’s beneden de leeftijd van twaalf jaar ontheven van de meldplicht.
### 7.7.1.1. Algemeen
In afwijking van het bovenstaande wordt een asielzoeker in de opvanglocatie in het bezit gesteld van een registratiekaart meldplicht asielzoekers (zie [C12/5.4](onbekend)).
De gedachte hierachter is dat daar waar de directe nabijheid van de vreemdeling minder noodzakelijk is (bijvoorbeeld voor het vragen van nadere informatie voor de afhandeling van zijn aanvraag), een minder streng toezichtsregime, met name met betrekking tot de meldplicht, kan worden toegepast.
Aanleiding om een maandelijkse meldplicht op te leggen bestaat in zijn algemeenheid:
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 7.7.2. Individuele verplichting tot periodieke aanmelding
### 7.8. Het inleveren van het document bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9)
### 7.8. Het inleveren van het document bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9)
### 8. Beschikbaar houden en fouillering
### 7.9. Toezicht op documenten
### 7.9.3. Gedragslijn bij vreemdelingen zonder documenten
### 9.1.2. Het OPS
### 9. Signaleringen
### 9.1.2. Het OPS
### 9.1.1. Het OPS
### 9.1. Signaleringssystemen
### 9.2.4. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
Deze signalering kan onder de hieronder genoemde voorwaarden in zowel OPS als in het (N)SIS voorkomen. De signalering ‘OVR’ is een uitvoeringsmaatregel die genomen wordt in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid. Deze signalering wordt toegepast ten aanzien van de vreemdeling aan wie geen inreisverbod ex [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan worden opgelegd en op wie evenmin de maatregel ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) van toepassing is. Aan als ongewenst gesignaleerde vreemdelingen is op grond van [artikel 12, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) geen verblijf in de vrije termijn toegestaan. De termijn waarvoor de signalering ‘OVR’ geldt, is afhankelijk van de omstandigheden die aanleiding zijn tot de signalering.
### 9.2. Soorten signaleringen
Op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd is de Richtlijn Terugkeer (2008/115/EG) niet van toepassing omdat zij zich formeel niet in Nederland bevinden. Een inreisverbod ex [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan daarom niet worden opgelegd. Een vreemdeling die om de genoemde grond de toegang is geweigerd dient, met inachtneming van de individuele feiten, in het belang van de openbare orde te worden gesignaleerd. De vreemdeling die om deze reden wordt gesignaleerd wordt hierover geïnformeerd en gewezen op de signaleringsduur en Schengenbrede werking van de signalering. Ook wordt hij gewezen op de wijze van kennisneming, correctie, of verwijdering van de signalering, respectievelijk hoe om opheffing kan worden verzocht dan wel bezwaar kan worden gemaakt.
Deze signaleringsgrond is er met name op gericht vreemdelingen met banden met terroristische netwerken te weren. Hiermee wordt aangesloten bij de wens in verschillende resoluties van de VN om de bewegingsvrijheid van terroristen aan banden te leggen, met name in het kader van grensbewaking. De signaleringsgrond ziet op vreemdelingen aan wie op grond van [artikel 3, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) de toegang moet worden geweigerd en aan wie op grond van [artikel 12, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) geen verblijf in de vrije termijn is toegestaan. In deze gevallen dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De signalering hoeft niet gerelateerd te zijn aan daadwerkelijk verblijf in Nederland van de vreemdeling in het verleden, noch aan een daadwerkelijke komst naar Nederland in de toekomst.
### 9.2.3. Signalering inreisverbod (inreisverbod anders dan op grond van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a))
Indien een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat hier te lande wordt aangetroffen in strijd met [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), zoals bij overschrijding van de vrije termijn, wordt hem aangezegd zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven en wordt de vreemdeling gesignaleerd in het OPS voor de duur van maximaal zes maanden. Deze signalering betreft alleen het grondgebied van Nederland. Indien deze vreemdeling vervolgens binnen deze periode nogmaals hier te lande wordt aangetroffen, dan wel geen gehoor heeft gegeven aan de aanzegging, kan hem alsnog een terugkeerbesluit en inreisverbod worden opgelegd (zie artikel 6, tweede lid jo artikel 6, eerste lid, Richtlijn Terugkeer).
Voor de personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen (zie [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7)) geldt dat de signalering ‘OVR’ niet is toegestaan. Voor hen geldt uitsluitend het gestelde in A3/9.2.1 (zie ook A5/6).
### 9.2.4. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
In alle gevallen kan de betrokken vreemdeling verzoeken om de signalering op te heffen door een daartoe strekkend gemotiveerd verzoek in te dienen bij de Dienst IPOL (zie [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36)). In het geval van signalering als genoemd in A3/9.2.1 of A3/9.2.2 zal eerst de ongewenstverklaring of het inreisverbod moeten worden opgeheven voordat de signalering kan worden opgeheven. Verzoeken tot opheffing signalering en bezwaarschriften worden doorgestuurd aan en behandeld door de IND.
De signalering wordt onder de volgende voorwaarden toegepast:
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
Artikel 25 SUO legt de verdragspartners de verplichting op om overleg te plegen met een Schengenstaat die een vreemdeling, niet zijnde een EU/EER-onderdaan of een Zwitserse onderdaan, heeft opgenomen in het (N)SIS ter fine van weigering van toegang, indien het voornemen bestaat aan een dergelijke vreemdeling een verblijfstitel te verlenen.
Indien de IND bij een aanvraag om een verblijfsvergunning constateert dat de vreemdeling door een Schengenstaat ter fine van weigering van de toegang is gesignaleerd in het (N)SIS, wordt ten behoeve van de aanvraag vooroverleg gepleegd met de desbetreffende Schengenstaat. Ingeval van een dergelijke SIS- signalering kan verblijf worden verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard of internationale verplichtingen. Indien verblijf wordt toegestaan zal de IND de signalerende staat verzoeken de signalering uit het (N)SIS te verwijderen. De signalerende staat kan de vreemdeling desgewenst wel opnemen op de nationale signaleringslijst.
### 9.2.2. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar dient Bureau SIRENE van de KLPD te allen tijde in kennis te stellen van een hitmelding. Het Bureau SIRENE Nederland stelt vervolgens de IND in kennis. Het Bureau SIRENE registreert hitmeldingen in het (N)SIS en legt onder meer vast wanneer de IND een raadpleegprocedure ten aanzien van een vreemdeling start. Na (middels bovengenoemde raadpleegprocedure, zoals genoemd in artikel 25 SUO) geïnformeerd te hebben bij de betreffende Schengenstaat, licht de IND Bureau SIRENE in. Bij een positieve beschikking verzoekt de IND de signalerende staat de signalering uit het (N)SIS te verwijderen en het eventueel opgelegde inreisverbod op te heffen. Desgewenst kan het signalerende land betrokkene opnemen op de nationale signaleringslijst.
Voor de bovengenoemde categorieën geldt daarnaast nog het volgende:
Betrokkene dient uit het Schengengebied te worden verwijderd. De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar legt een inreisverbod op anders dan op grond van [art 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a). De IND zorgt voor (aanpassing van) de signalering in (N)SIS.
Indien de vreemdeling is gesignaleerd als ‘ONGEW’dient de VP of KMar na te gaan of de vreemdeling sinds de datum van uitreiking van de beschikking tot ongewenstverklaring uit het Schengengebied is vertrokken of verwijderd. Indien dat niet het geval is, dient er geen terugkeerbesluit en inreisverbod te worden opgelegd. Indien de vreemdeling wel is vertrokken of uitgezet dient er een terugkeerbesluit te worden opgelegd. Eventueel kan aan de IND een voorstel tot een inreisverbod op grond van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) te worden ingediend als er aanvullende feiten bekend zijn. De omstandigheid dat de vreemdeling is uitgereisd en inreist zonder dat de ongewenstverklaring is opgeheven, doet op zichzelf niet af aan de geldigheid van de eerdere ongewenstverklaring.
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
De IND beslist op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning. Na het indienen van voornoemde aanvraag kan aan betrokkene door de IND een verklaring worden uitgereikt waarin is vermeld dat betrokkene een aanvraag tot verblijf heeft ingediend terwijl deze ter fine van weigering van de toegang gesignaleerd staat. De vreemdeling dient deze verklaring bij zich te dragen en bij controle te overleggen. Het Hoofd van de IND stelt een model voor deze verklaring vast.
Bij een negatieve beschikking waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan, dient betrokkene te worden verwijderd. Bij een positieve beschikking kan de toelatingsprocedure worden voortgezet.
Het Bureau SIRENE Nederland stelt naast de IND ook het Bureau SIRENE van het desbetreffende land in kennis. De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadpleegprocedure toe.
De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar die de betrokkene aantreft, doet navraag naar de rechtmatige afgifte van de (tijdelijke) verblijfstitel bij de IND. Wanneer bij navraag blijkt dat de verblijfstitel rechtens is verstrekt, dient betrokkene zijn weg te vervolgen.
### 9.5.2. Asielaanvraag
Betrokkene dient uit het Schengengebied te worden uitgezet. De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar legt een nieuw inreisverbod op conform [art 6.5a, vierde lid onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a). De IND zorgt voor aanpassing van de signalering in (N)SIS.
Betrokkene dient uit het Schengengebied te worden uitgezet. De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar legt een nieuw inreisverbod op conform [art 6.5a, vierde lid onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a). De IND zorgt voor aanpassing van de signalering in (N)SIS.
Het Bureau SIRENE Nederland stelt naast de IND ook het Bureau SIRENE van het desbetreffende land in kennis. De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadpleegprocedure toe.
De IND beslist op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning. Na het indienen van voornoemde aanvraag kan aan betrokkene door de IND een verklaring worden uitgereikt waarin is vermeld dat betrokkene een aanvraag tot verblijf heeft ingediend terwijl deze ter fine van weigering van de toegang gesignaleerd staat. De vreemdeling dient deze verklaring bij zich te dragen en bij controle te overleggen. Het Hoofd van de IND stelt een model voor deze verklaring vast.
Indien een vreemdeling geen geldige verblijfstitel voor Nederland of een van de andere Schengenstaten bezit en ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staat in OPS of (N)SIS, dient aan hem de toegang te worden geweigerd. De ambtenaar belast met de grensbewaking meldt de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2).
### 9.5.2. Asielaanvraag
De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar die de betrokkene aantreft, doet navraag naar de rechtmatige afgifte van de (tijdelijke) verblijfstitel bij de IND. Wanneer bij navraag blijkt dat de verblijfstitel rechtens is verstrekt, dient betrokkene zijn weg te vervolgen.
### 9.5.2. Asielaanvraag
### 9.6. Opneming en vervallen van signaleringen
Betrokkene dient uit het Schengengebied te worden uitgezet. De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar legt een nieuw inreisverbod op conform [art 6.5a, vierde lid onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a). De IND zorgt voor aanpassing van de signalering in (N)SIS.
Aan een vreemdeling die in het bezit is van een voor een andere Schengenstaat geldige verblijfstitel en in het OPS gesignaleerd staat, kan in beginsel de toegang worden geweigerd. Hierover dient contact te worden opgenomen met de IND. De ambtenaar belast met de grensbewaking meldt de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2).
Indien sprake is van een Dublinclaim, neemt het verantwoordelijke land de behandeling over en blijft de (N)SIS-signalering vooralsnog gehandhaafd. Een uiteindelijke beslissing over het handhaven dan wel laten vervallen van de signalering wordt genomen door de Schengenstaat die de betrokken vreemdeling heeft gesignaleerd.
Indien een vreemdeling geen geldige verblijfstitel voor Nederland of een van de andere Schengenstaten bezit en ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staat in OPS of (N)SIS, dient aan hem de toegang te worden geweigerd. De ambtenaar belast met de grensbewaking meldt de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2).
### 9.5.2. Asielaanvraag
De signaleringen zijn aan termijnen gebonden, die automatisch beëindigd worden, tenzij zich in die periode wijzigingen hebben voorgedaan die leiden tot een nieuwe signalering of (voortijdige) vervallenverklaring.
Voor een voorstel tot signalering zoals bedoeld onder 9.2.3 (OVR) of een vervallenverklaring dient gebruik te worden gemaakt van het standaardformulier (zie model [M93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M93&z=2012-04-01&g=2012-04-01)). Dit formulier dient verzonden te worden aan de IND. Bij het model M93 dienen vingerafdrukken en, indien aanwezig, kopieën van identiteitsdocumenten te worden meegezonden. Tevens dient het nummer van het proces-verbaal, het proces-verbaal zelf of de registratiekaart te worden meegezonden. Indien geen sprake is van een proces-verbaal dienen andere stukken die de signaleringsgrond ondersteunen, te worden meegezonden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een bericht van vertrek (zie A4/6.10), een proces-verbaal of een ambtsbericht.
De raadplegingsprocedure met het betreffende Schengenland wordt vervolgens door de IND opgestart.
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten aanzien van vreemdelingen die voldoen aan de onder onder A3/9.2.3 genoemde voorwaarden altijd een bericht tot signalering indienen bij de IND. Indien de betrokken vreemdeling toestemming krijgt voor verblijf hier te lande, dient de signalering te vervallen. Bij elke beoordeling van een aanvraag om een verblijfstitel hier te lande dient te worden nagegaan of de betrokken vreemdeling is gesignaleerd.
### 9.6. Opneming en vervallen van signaleringen
### 9.6.3. Behandeling van het verzoek om opheffing van signalering
### 9.6.3.1. Opheffing van signaleringen in het (N)SIS
Ingevolge artikel 111 SUO heeft een ieder het recht op het grondgebied van elk der overeenkomstsluitende partijen bij de naar nationaal recht bevoegde rechter of instantie een beroep in te stellen wegens een hem betreffende signalering. In het bijzonder kan dit beroep zijn gericht op verbetering, verwijdering of kennisneming van de signalering of op schadevergoeding. Om opheffing van een signalering kan door de vreemdeling worden verzocht bij de staat die verantwoordelijk is voor de signalering. In Nederland dient de vreemdeling zich met een dergelijk gemotiveerd verzoek te richten tot de Dienst IPOL. Verwezen wordt naar [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36). Verzoeken tot opheffing van door Nederland opgenomen signaleringen en ingediende bezwaarschriften kunnen rechtstreeks worden gestuurd aan de IND. Binnen vier weken nadat het verzoek ontvangen is, wordt door de IND schriftelijk op het verzoek beslist.
Een signalering wordt in ieder geval uit het (N)SIS verwijderd als de signaleringstermijn is verstreken. Verzoeken tot opheffing richten zich dus op opheffing voordat de signaleringstermijn is verlopen. Een signalering kan worden opgeheven als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, die nopen tot opheffing. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:
Verwezen wordt naar A3/9.4. Indien de vreemdeling verblijf wordt toegestaan in Nederland, wordt de signalerende staat verzocht om opheffing van de signalering of verwijdert Nederland de eigen signalering.
Het kan voorkomen dat een andere Schengenstaat voornemens is een door Nederland gesignaleerde vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen. In die gevallen zal het Nederlandse bureau SIRENE door die staat worden verzocht de signalering op te heffen. Ook in deze gevallen stuurt het bureau SIRENE het verzoek om opheffing van de signalering door naar de IND. De signalering dient dan uit het (N)SIS te worden verwijderd. In ieder individueel geval moet worden bezien of de signalering vervolgens in het OPS wordt opgenomen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het verblijfsdoel van de vreemdeling in de staat waar hem verblijf wordt toegestaan. Immers, in sommige gevallen kan de vreemdeling onder de werking van het Gemeenschapsrecht komen te vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij vreemdelingen die verblijf wordt toegestaan bij een familielid dat EU-/EER of Zwitsers onderdaan is.
### 9.6.3.2. Opheffing van signaleringen in het OPS
Indien de identiteit van de vreemdeling niet bekend is, dient de Korpschef er voor te zorgen dat steeds de Dienst IPOL een onderzoek naar de vingerafdrukken doet. Dit onderzoek is noodzakelijk om te voorkomen dat vreemdelingen onder verschillende personalia gesignaleerd worden. De vreemdeling met meerdere personalia wordt in dat geval onder de naam zoals deze bij de IND bekend is, gesignaleerd. De eventueel andere bekende personalia zullen als aliasnaam opgenomen worden.
Een persoon die is geregistreerd in het OPS heeft het recht een verzoek in te dienen om gegevens te verwijderen uit het systeem. Het gemotiveerde verzoek dient schriftelijk te worden gericht aan de Dienst IPOL. Verwezen wordt naar [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36). Het verzoek wordt doorgezonden aan de IND en binnen vier weken nadat het verzoek ontvangen is, wordt door de IND schriftelijk op het verzoek beslist.
Een signalering wordt uit het OPS verwijderd als de signaleringstermijn is verstreken. Verzoeken tot opheffing richten zich dus op opheffing voordat de signaleringstermijn is verstreken. Een signalering in het OPS kan worden opgeheven als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, die nopen tot opheffing. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:
Ingevolge artikel 111 SUO heeft een ieder het recht op het grondgebied van elk der overeenkomstsluitende partijen bij de naar nationaal recht bevoegde rechter of instantie een beroep in te stellen wegens een hem betreffende signalering. In het bijzonder kan dit beroep zijn gericht op verbetering, verwijdering of kennisneming van de signalering of op schadevergoeding. Om opheffing van een signalering kan door de vreemdeling worden verzocht bij de staat die verantwoordelijk is voor de signalering. In Nederland dient de vreemdeling zich met een dergelijk gemotiveerd verzoek te richten tot de Dienst IPOL. Verwezen wordt naar [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36). Verzoeken tot opheffing van door Nederland opgenomen signaleringen en ingediende bezwaarschriften kunnen rechtstreeks worden gestuurd aan de IND. Binnen vier weken nadat het verzoek ontvangen is, wordt door de IND schriftelijk op het verzoek beslist.
Een signalering is geen zelfstandige maatregel maar een feitelijke handeling waartegen geen rechtsmiddel open staat. Een beslissing op een aanvraag om opheffing van de signalering dient echter te worden aangemerkt als een besluit in de zin van [artikel 1:3, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Dit brengt met zich dat tegen het besluit het rechtsmiddel bezwaar kan worden aangewend.
Verwezen wordt naar A3/9.4. Indien de vreemdeling verblijf wordt toegestaan in Nederland, wordt de signalerende staat verzocht om opheffing van de signalering of verwijdert Nederland de eigen signalering.
Het kan voorkomen dat een andere Schengenstaat voornemens is een door Nederland gesignaleerde vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen. In die gevallen zal het Nederlandse bureau SIRENE door die staat worden verzocht de signalering op te heffen. Ook in deze gevallen stuurt het bureau SIRENE het verzoek om opheffing van de signalering door naar de IND. De signalering dient dan uit het (N)SIS te worden verwijderd. In ieder individueel geval moet worden bezien of de signalering vervolgens in het OPS wordt opgenomen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het verblijfsdoel van de vreemdeling in de staat waar hem verblijf wordt toegestaan. Immers, in sommige gevallen kan de vreemdeling onder de werking van het Gemeenschapsrecht komen te vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij vreemdelingen die verblijf wordt toegestaan bij een familielid dat EU-/EER of Zwitsers onderdaan is.
Politieke activiteiten van een vreemdeling die gevaar opleveren voor de openbare orde (met inbegrip van de goede internationale betrekkingen) of de nationale veiligheid kunnen grond vormen hem (voortgezet) verblijf te ontzeggen. Indien er naar het oordeel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar gebleken is van – of gegronde reden is te vrezen voor – deze politieke activiteiten, moet contact worden opgenomen met de IND teneinde te vernemen hoe moet worden gehandeld. In voorkomende gevallen kan aan de vreemdeling de bijzondere aanwijzing worden gegeven dat hij zich dient te onthouden van activiteiten of uitlatingen die een gevaar opleveren voor de openbare orde.
### 4. Vertrek en uitzetting
Een persoon die is geregistreerd in het OPS heeft het recht een verzoek in te dienen om gegevens te verwijderen uit het systeem. Het gemotiveerde verzoek dient schriftelijk te worden gericht aan de Dienst IPOL. Verwezen wordt naar [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36). Het verzoek wordt doorgezonden aan de IND en binnen vier weken nadat het verzoek ontvangen is, wordt door de IND schriftelijk op het verzoek beslist.
In [hoofdstuk 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4) zijn regels opgenomen over onder meer het vertrek en de uitzetting van de vreemdeling. Deze regels zijn deels ook van toepassing op EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en de vreemdelingen als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, Vb, die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. Er dient echter wel rekening mee te worden gehouden dat op EU-/EER-onderdanen toch nog het Europees Vestigingsverdrag (zie [B11/4](onbekend)) van toepassing kan zijn. Dit Verdrag verschaft de onderdanen van alle verdragsluitende partijen (in de praktijk alleen de Turkse onderdanen) (extra) procedurele waarborgen in geval van voorgenomen verblijfsbeëindiging bij rechtmatig verblijf van ten minste twee respectievelijk tien jaar.
### 9.6.3.3. Rechtsmiddelen
De [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kent slechts de begrippen vertrek en uitzetting. Vertrek wordt behandeld in [hoofdstuk 6, afdeling 1, artikel 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) en [62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62). Uitzetting wordt behandeld in [hoofdstuk 6, afdeling 2, artikel 63 tot en met 66 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63).
Van vertrek is sprake indien een vreemdeling, al dan niet aantoonbaar, zelfstandig of gedwongen vertrekt uit Nederland. Zelfstandig vertrek wordt onder andere gefaciliteerd door IOM in Nederland. Hiertoe biedt IOM een vertrekregeling aan (zie A4/5).
### 10. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten
Het begrip verwijdering, dat niet voorkomt in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), omvat alle overheidshandelingen en handelingen van vervoerders die erop gericht zijn om een vreemdeling die Nederland moet verlaten daadwerkelijk te doen vertrekken. Hieronder vallen de begrippen (zelfstandig) vertrek en uitzetting. De handelingen van vervoerders zien enkel op vreemdelingen ten aanzien van wie zij op grond van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) een terugvoerverplichting hebben.
De administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of die illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgelegd.
Eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag en die geen persoon is, die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt, als bepaald in artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode.
In [hoofdstuk 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4) zijn regels opgenomen over onder meer het vertrek en de uitzetting van de vreemdeling. Deze regels zijn deels ook van toepassing op EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede en derde, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en de vreemdelingen als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, Vb, die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. Er dient echter wel rekening mee te worden gehouden dat op EU-/EER-onderdanen toch nog het Europees Vestigingsverdrag (zie [B11/4](onbekend)) van toepassing kan zijn. Dit Verdrag verschaft de onderdanen van alle verdragsluitende partijen (in de praktijk alleen de Turkse onderdanen) (extra) procedurele waarborgen in geval van voorgenomen verblijfsbeëindiging bij rechtmatig verblijf van ten minste twee respectievelijk tien jaar.
### 2.1. De rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten
Uitgangspunt in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in Nederland (meer) heeft, Nederland uit eigen beweging moet verlaten. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor zijn vertrek uit Nederland. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in [artikel 61, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61). De verplichting om Nederland te verlaten is ingevolge dat artikel afhankelijk van de rechtmatigheid van het verblijf. Welke vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, is opgenomen in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De rechtsplicht om Nederland te verlaten ontstaat op het moment waarop het rechtmatig verblijf eindigt. Dit wordt in voorkomende gevallen door middel van een meeromvattende beschikking die tevens geldt als een terugkeerbesluit aan de vreemdeling kenbaar gemaakt. Conform [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27) en [45 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45) heeft deze meeromvattende beschikking een vertrekplicht tot gevolg. De termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland moet verlaten is vastgesteld in [artikel 62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62). De vreemdeling die na afloop van de termijn die vermeld is in het terugkeerbesluit Nederland niet zelfstandig heeft verlaten kan worden uitgezet. In aanvulling op het genomen terugkeerbesluit krijgt hij in overeenstemming met A5/1 een inreisverbod opgelegd (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1). In het geval uitzetting niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling zich aan toezicht heeft onttrokken, wordt eveneens in aanvulling op het terugkeerbesluit een inreisverbod uitgevaardigd. In dat geval moet van de beschikking mededeling worden gedaan in de Stcrt (artikel 66a, vijfde lid, Vw). Voor personen die Nederland legaal zijn ingereisd voor een bepaalde duur, en waarvan de termijn voor verblijf in Nederland is verlopen, geldt ook dat een terugkeerbesluit wordt uitgereikt, dat tevens een inreisverbod (zie artikel 66a Vw en zie A5/1) zal inhouden.
### 3. Vertrektermijnen
### 2.4. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst
Voor vreemdelingen die een aanvraag hebben ingediend, maar waarvan de aanvraag is afgewezen en het bezwaar of beroep de werking van de bestreden beschikking niet opschort, ontstaat de rechtsplicht na afwijzing van de aanvraag. Als bezwaar of beroep de werking van de bestreden beschikking opschort, dan ontstaat de rechtsplicht nadat de opschorting is geëindigd. Hetzelfde geldt indien het rechtsmiddel (waaronder hoger beroep) op grond van een rechterlijk oordeel mag worden afgewacht.
Voor vreemdelingen uit derde landen die illegaal in Nederland verblijven en in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, geldt dat zij een aanzegging krijgen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Wanneer deze aanzegging niet wordt nageleefd, of uit de verklaringen of gedragingen van de vreemdeling aannemelijk kan worden geacht dat hij deze aanzegging niet zal opvolgen of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdelingen vereist is, zal wel een terugkeerbesluit worden uitgereikt. Van openbare orde aspecten in de vorige zin is in ieder geval sprake indien de vreemdeling is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit. Dat de nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek vereist kan ondermeer uit een ambtsbericht van de AIVD volgen. Nadat de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgereikt, zal een terugkeerprocedure worden opgestart die in beginsel is gericht op de terugkeer naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling alsnog – al dan niet gefaciliteerd door de overheid – bereid en in staat is terug te keren naar de lidstaat die hem een vergunning heeft verleend, dan wordt hij begeleid in de terugkeer naar dat land. Op dit punt wordt in dat geval ten gunste van de vreemdeling afgeweken van de richtlijn 2008/115.
Indien de vreemdeling een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat van de Unie wordt geen inreisverbod uitgevaardigd anders dan vanwege de aspecten opgenomen in [artikel 66a, zevende lid van de Vw2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), aangezien deze vreemdelingen immers wel elders in de Unie verblijf kunnen hebben. Wel kan een signalering in OPS worden opgenomen. Indien strafbare feiten waarvoor de vreemdeling is veroordeeld daarvoor aanleiding geven, kan door middel van het [formulier M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-04-01&g=2012-04-01) aan de IND om een inreisverbod als bedoeld in artikel 66A lid zevende lid Vw2000 (zie A3/9) worden verzocht. Alvorens een terugkeerbesluit uit te reiken dat tevens een inreisverbod inhoudt. zal in dit geval (via Sirene) contact opgenomen moeten worden met de lidstaat door wie de verblijfsvergunning is afgegeven, om nadere informatie te verkrijgen over de aard van het verblijf in die lidstaat. Indien hieruit geconcludeerd moet worden dat het uitvaardigen van het terugkeerbesluit strijd oplevert met internationale verplichtingen (het verbod op refoulement), wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Vreemdelingen uit derde landen die illegaal in Nederland verblijven en kunnen worden overgedragen aan een andere lidstaat op grond van een bilaterale overeenkomst of regeling, die al van kracht was op 13 januari 2009, ontvangen ook geen terugkeerbesluit, omdat zij de Unie niet verlaten.
### 3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
De rechtsplicht om Nederland te verlaten ontstaat op het moment waarop het rechtmatig verblijf eindigt. Dit wordt in voorkomende gevallen door middel van een meeromvattende beschikking die tevens geldt als een terugkeerbesluit aan de vreemdeling kenbaar gemaakt. Conform [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27) en [45 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45) heeft deze meeromvattende beschikking een vertrekplicht tot gevolg. De termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland moet verlaten is vastgesteld in [artikel 62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62). De vreemdeling die na afloop van de termijn die vermeld is in het terugkeerbesluit Nederland niet zelfstandig heeft verlaten kan worden uitgezet. In aanvulling op het genomen terugkeerbesluit krijgt hij in overeenstemming met A5/1 een inreisverbod opgelegd (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1). In het geval uitzetting niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling zich aan toezicht heeft onttrokken, wordt eveneens in aanvulling op het terugkeerbesluit een inreisverbod uitgevaardigd. In dat geval moet van de beschikking mededeling worden gedaan in de Stcrt (artikel 66a, vijfde lid, Vw). Voor personen die Nederland legaal zijn ingereisd voor een bepaalde duur, en waarvan de termijn voor verblijf in Nederland is verlopen, geldt ook dat een terugkeerbesluit wordt uitgereikt, dat tevens een inreisverbod (zie artikel 66a Vw en zie A5/1) zal inhouden.
Indien bij beschikking een verblijfsaanvraag is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van die beschikking is opgeschort, dan kan op grond van [artikel 61, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) desalniettemin medewerking van de vreemdeling worden gevorderd aan de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. Deze regeling maakt het onder meer mogelijk om ten aanzien van asielzoekers medewerking te verlangen aan de voorbereiding van het vertrek uit Nederland wanneer de eerste beslissing op de asielaanvraag negatief is, zodat, ingeval de bestreden beschikking in de rechterlijke procedure wordt bevestigd, het vertrek zo snel mogelijk kan plaatsvinden. Van de vreemdeling kan derhalve worden verlangd dat hij zich inspant om vervangende reisdocumenten te verkrijgen op het moment dat hij nog in afwachting is van de rechterlijke procedure. Dat betekent niet dat de vreemdeling zich dient te wenden tot autoriteiten van zijn land van herkomst. Hij kan bijvoorbeeld ook via familieleden of vrienden in het land van herkomst trachten om identiteitsdocumenten of andere schriftelijke stukken waaruit zijn nationaliteit en identiteit blijkt, te verkrijgen. De vreemdeling kan zonodig op grond van [artikel 4.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38) door de ambtenaar belast met het toezicht worden gevorderd om te verschijnen teneinde gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. Steeds dient door de ambtenaar belast met het toezicht aan de vreemdeling duidelijk te worden gemaakt wat er van hem in dit kader wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie vindt hiervan registratie plaats.
Ingeval echter een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, kan een vertrektermijn worden onthouden. In dat geval moet de vreemdeling de Unie onmiddellijk verlaten en wordt in het terugkeerbesluit als regel een inreisverbod opgenomen (zie A5/1).
In het [derde lid van artikel 61 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61)is neergelegd dat het indienen van een klacht als bedoeld in [artikel 9:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1) de verplichting om Nederland uit eigen beweging te verlaten niet opschort. Als de vreemdeling wordt uitgezet, kan hij, indien de klacht in behandeling zal worden genomen, in het buitenland over zijn klacht worden gehoord. De omstandigheid dat de vreemdeling in het buitenland kan worden gehoord, maakt het mogelijk dat, indien de vreemdeling vooraf of tijdens de uitzetting kenbaar maakt een klacht te willen indienen, de uitzetting doorgang kan vinden. Ook is het mogelijk dat de klacht schriftelijk wordt afgehandeld (zie [artikel 9:10, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:10)) of dat de vreemdeling een klacht laat indienen door een vertegenwoordiger in Nederland (zie [artikel 9:1, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1)).
### 2.4. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst
Indien de vreemdeling een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat van de Unie wordt geen inreisverbod uitgevaardigd anders dan vanwege de aspecten opgenomen in [artikel 66a, zevende lid van de Vw2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), aangezien deze vreemdelingen immers wel elders in de Unie verblijf kunnen hebben. Wel kan een signalering in OPS worden opgenomen. Indien strafbare feiten waarvoor de vreemdeling is veroordeeld daarvoor aanleiding geven, kan door middel van het [formulier M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-02-09&g=2012-02-09) aan de IND om een inreisverbod als bedoeld in artikel 66A lid zevende lid Vw2000 (zie A3/9) worden verzocht. Alvorens een terugkeerbesluit uit te reiken dat tevens een inreisverbod inhoudt. zal in dit geval (via Sirene) contact opgenomen moeten worden met de lidstaat door wie de verblijfsvergunning is afgegeven, om nadere informatie te verkrijgen over de aard van het verblijf in die lidstaat. Indien hieruit geconcludeerd moet worden dat het uitvaardigen van het terugkeerbesluit strijd oplevert met internationale verplichtingen (het verbod op refoulement), wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Vreemdelingen uit derde landen die illegaal in Nederland verblijven en kunnen worden overgedragen aan een andere lidstaat op grond van een bilaterale overeenkomst of regeling, die al van kracht was op 13 januari 2009, ontvangen ook geen terugkeerbesluit, omdat zij de Unie niet verlaten.
Zie [B14](onbekend) in geval de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
### 2.2. Het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van vertrek
Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op burgers van de Unie en hun gezinsleden wier rechtmatig verblijf bij beschikking is beëindigd.
Het betreft de volgende categorieën:
Indien de vreemdeling de beroepstermijn ongebruikt laat, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie [artikel 73, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)). Omdat de beroepstermijn in het algemeen vier weken bedraagt, dient de vreemdeling in deze gevallen na het verstrijken van de ongebruikte beroepstermijn Nederland onmiddellijk te verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling reeds voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen nemen.
Bij EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), is verkorting van de vertrektermijn alleen mogelijk in naar behoren aantoonbare dringende gevallen (zie [artikel 8.24, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24) en A6/5.3.3.7). Hiervan is slechts sprake bij een actuele, werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging van de openbare orde (Raad van State 15 juli 2005, Bulvydas, 200505057/1).
### 2.5. Verwijdering van gezinsleden
### 3. Vertrektermijnen
### 3.1. Toekennen van een vertrektermijn voor zelfstandig vertrek
Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
(AbRS, 15 juli 2005, 200505057/1).
De verkorting of onthouding van de vertrektermijn kan op twee manieren door de rechter worden beoordeeld:
Het verkorten of onthouden van de vertrektermijn heeft overigens geen gevolg voor de termijn waarbinnen de vreemdeling bezwaar of beroep kan instellen. Deze termijn blijft in genoemde situaties in het algemeen vier weken, tenzij de aanvraag in de algemene asielprocedure wordt afgedaan, in welk geval de beroepstermijn een week bedraagt (zie [artikel 69, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69)).
De vreemdeling die reeds eerder een terugkeerbesluit heeft gehad en niet heeft voldaan aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting (inclusief vertrektermijn) krijgt op grond van [artikel 62a, eerste lid, en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a) in beginsel niet opnieuw een vertrektermijn. De gedachte hierachter is dat deze vreemdeling een eerder opgelegde vertrektermijn ongebruikt heeft laten verstrijken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een vreemdeling die een opvolgende aanvraag indient, terwijl niet gebleken is dat hij gehoor heeft gegeven aan een eerder opgelegd terugkeerbesluit met vertrektermijn. De vreemdeling ontvangt van de IND na afwijzing van de opvolgende aanvraag onder aanvulling van het genomen terugkeerbesluit in overeenstemming met A5/1 wel een inreisverbod (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1).
### 3.4. Verlengen van de vrijwillige vertrektermijn
Als gevaar voor de openbare orde wordt hier aangemerkt iedere verdenking en veroordeling ter zake van een misdrijf.
Op grond van [artikel 62, derde lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), wordt zo nodig de termijn voor het zelfstandig vertrek met een passende periode verlengd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval.
### 3.4.2. Procedure
### 4.2.1. De diplomatieke vertegenwoordiging wijst de aanvraag af
Het indienen dan wel het inwilligen van een verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn levert geen rechtmatig verblijf op. De bevoegdheid om tot uitzetting over te gaan wordt bij inwilliging van het verzoek opgeschort tot het einde van de verlengde vertrektermijn. De vreemdeling blijft echter gehouden om gedurende deze verlengde periode zelfstandig aan zijn vertrek te werken.
Het verkorten of onthouden van de vertrektermijn heeft overigens geen gevolg voor de termijn waarbinnen de vreemdeling bezwaar of beroep kan instellen. Deze termijn blijft in genoemde situaties in het algemeen vier weken, tenzij de aanvraag in de algemene asielprocedure wordt afgedaan, in welk geval de beroepstermijn een week bedraagt (zie [artikel 69, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69)).
Een vreemdeling kan een verzoek in persoon indienen bij één van de loketten van de IND. Voor het maken van een afspraak bij één van deze loketten maakt de vreemdeling een telefonische afspraak via de Afdeling Telefonie van de IND (0900-12345).
Van belang is dat de beambte die de beslissing over de verlenging neemt de vreemdeling (mondeling) in de gelegenheid kan stellen om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. Gezien de aard van het verzoek en de geldende termijnen wordt hiervoor niet afzonderlijk herstel verzuim geboden, zodat zo mogelijk direct een beschikking kan worden gegeven.
Ook kan een verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn per brief worden ingediend bij de DT&V, tijdens vertrekgesprekken met de regievoerder. De DT&V verzorgt dan de doorgeleiding naar de IND.
Op grond van [artikel 62, derde lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), wordt zo nodig de termijn voor het zelfstandig vertrek met een passende periode verlengd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval.
### 3.4.2. Procedure
Indien voorzienbaar is dat de reden voor het vragen van uitstel van het vertrek betrekking heeft op een langere tijd, volgt uit het systeem van de wet dat voor dat doel een verblijfsvergunning dient te worden aangevraagd. Om die reden kan in beginsel geen verlenging van de vertrektermijn voor meer dan drie maanden aan de orde zijn. Indien vertrek binnen de beoogde vertrektermijn niet voldoende verzekerd is, wordt het verzoek om een langere vertrektermijn afgewezen.
De individuele omstandigheden kunnen gelegen zijn in de verblijfsduur, het feit dat er schoolgaande kinderen zijn, en het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden. Hierbij kan worden gedacht aan de begrafenis van een familielid of het vertrek tijdens schoolvakanties. Hierbij dient echter ook voldaan te worden aan het overigens gestelde in deze paragraaf.
De vreemdeling dient (op korte termijn) te beschikken over documenten, waarmee hij daadwerkelijk Nederland uit kan reizen. De verlenging van de vrijwillige vertrektermijn is niet bedoeld om voor onbepaalde duur te werken aan het verkrijgen van reisdocumenten. Wanneer een (vervangend) reisdocument aanwezig is en de geldigheidsduur van het betreffende document beperkt is, zal de vertrektermijn in beginsel niet langer verlengd worden dan tot enkele dagen voor het aflopen van de geldigheid van dit (vervangende) reisdocument.
Een vreemdeling komt in ieder geval niet in aanmerking voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn, indien hem geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegestaan.
De vertrektermijn wordt niet verlengd om redenen van medische aard. Indien er een medisch beletsel is om te vertrekken, wordt de procedure inzake [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) doorlopen.
Tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn staat op grond van [artikel 75 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) beroep bij de rechtbank open. Het indienen van een beroepschrift schort de vertrektermijn niet op. Ook een eventueel in te dienen verzoek om voorlopige voorziening schort de vertrektermijn niet op.
Gevaar voor moeilijkheden met het oog op doorreis, door of toelating tot, derde landen zal niet bestaan indien:
De voorwaarden voor het verlengen van de vrijwillige vertrektermijn staan beschreven in [artikel 6.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=6.3). Het verlengen van de vrijwillige vertrektermijn is bedoeld voor de vreemdeling, die zijn terugkeermogelijkheid in de vrijwillige vertrektermijn heeft gerealiseerd, maar vanwege individuele omstandigheden tijdelijk nog niet kan vertrekken. De verlenging van de vrijwillige vertrektermijn zal daarom ook slechts voor beperkte duur plaatsvinden.
Uitgangspunt in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is dat de vreemdeling aan wie geen (verder) verblijf in Nederland is toegestaan een eigen verantwoordelijkheid heeft om Nederland binnen de daarvoor gestelde termijn te verlaten. Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, dient hij hiervoor tijdig zelf te zorgen. Hiertoe kan de vreemdeling zich wenden tot zijn eigen diplomatieke vertegenwoordiging of tot familieleden of bekenden in het land van herkomst.
Wanneer een vreemdeling niet zelfstandig Nederland verlaat, kan uitzetting aan de orde komen (zie A4/6).
### 6. Uitzetting
In een aantal gevallen is uitzetting van een vreemdeling aan wie geen (verder) verblijf in Nederland is toegestaan niet onmiddellijk uitvoerbaar, omdat deze niet over een (geldig) reisdocument beschikt op grond waarvan zijn toegang tot zijn land van herkomst of een ander land is gewaarborgd. Om na te gaan of de vreemdeling bij een andere ketenpartner bekend is, dient in die gevallen de vreemdelingenadministratie te worden geraadpleegd. Ter vaststelling van de nationaliteit en identiteit kan hier onder andere worden gedacht aan het vergelijken van foto’s en vingerafdrukken. Ter vaststelling van de nationaliteit van een vreemdeling kan in bijzondere gevallen gebruik worden gemaakt van de bij de IND aanwezige expertise op het gebied van taalanalyse.
Indien de uit te zetten vreemdeling niet in het bezit is van een (geldig) reisdocument of re-entry permit op grond waarvan de toegang tot het land van bestemming en zijn eventuele doorreis door een derde land is gewaarborgd, kan de DT&V zo spoedig mogelijk een (vervangend) reisdocument en de eventueel benodigde (transit)visa en re-entry permit aanvragen bij de betreffende buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging. Het verzoek tot een vervangend reisdocument wordt opgemaakt door de DT&V bij voorkeur in gezamenlijkheid met de betreffende vreemdeling. Indien de vreemdeling beschikt over (kopieën van) documenten die zijn identiteit of nationaliteit kunnen onderbouwen worden kopieën hiervan bij het verzoek gevoegd. In geen geval wordt in het verzoek om een (vervangend) reisdocument asielgerelateerde informatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging verstrekt.
In de gevallen waarin onmiddellijke uitzetting door middel van overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten of door plaatsing aan boord van een schip of een vliegtuig mogelijk is (zie A4/8) zal in beginsel geen (vervangend) reisdocument en de eventueel benodigde (transit)visa en re-entry permit bij de betreffende buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging worden aangevraagd. Indien de uitzetting van een vreemdeling als hier bedoeld niet op de voorgeschreven wijze kan worden geëffectueerd, dient contact te worden opgenomen met de DT&V.
Voor het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument wordt veelal door de betreffende buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging verlangd dat de vreemdeling in persoon bij haar verschijnt. Ten behoeve van een presentatie aan de betreffende diplomatieke vertegenwoordiging kan de vreemdeling door de DT&V worden uitgenodigd, dan wel door de vreemdelingenpolitie of KMar worden gevorderd te verschijnen (zie [M90A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M90-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)). Met deze presentatie wordt beoogd de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen en een (vervangend) reisdocument te verkrijgen. Op grond van [artikel 63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) is de vreemdeling gehouden medewerking te verlenen aan de presentatie en het interview met de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging.
### 4.1. Aanvragen reisdocumenten
Bij contacten met de diplomatieke vertegenwoordiging ter verkrijgen van de voor het vertrek benodigde (vervangende) reisdocumenten past enige terughoudendheid in de fase dat nog niet door de rechter is beslist op een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag.
Dit betekent in beginsel dat het aanvragen van een (vervangend) reisdocument, re-entry permit, of identiteitsonderzoek alsook de presentatie (in persoon) van de vreemdeling bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst, indien het om een asielzoeker gaat, pas dient te geschieden na een uitspraak van de rechter in beroep, of, wanneer het indienen van een rechtsmiddel geen opschortende werking heeft (hoger beroep), tot het moment waarop de rechter heeft geoordeeld over het eventuele verzoek om een voorlopige voorziening.
Het indienen van hoger beroep heeft geen opschortende werking. Een asielzoeker mag de uitspraak in hoger beroep dus niet afwachten en dient Nederland te verlaten. Hij kan derhalve worden uitgezet, behoudens in geval van een toegewezen voorlopige voorziening. Omdat het indienen van hoger beroep geen opschortende werking heeft, is het mogelijk de vreemdeling te presenteren bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het (vermoedelijke) land van herkomst. Als een afgewezen asielzoeker echter in hoger beroep gaat én tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening aanvraagt, dient gewacht te worden met de presentatie bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst totdat de ABRvS zich heeft uitgesproken over de voorlopige voorziening. In het geval de voorlopige voorziening wordt afgewezen kan gepresenteerd worden. In het geval de voorlopige voorziening wordt toegekend, dient presentatie in beginsel achterwege te blijven totdat de rechter heeft beslist in de bodemprocedure (hoger beroep).
Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin de asielaanvraag is afgewezen binnen de algemene asielprocedure. In deze gevallen heeft het instellen van beroep geen schorsende werking, maar heeft de vreemdeling direct aansluitend aan de algemene asielprocedure wel recht op opvang gedurende een vertrektermijn van vier weken. Tijdens deze vertrektermijn zal de DT&V reeds starten met de voorbereiding van het vertrek. Het indienen van een aanvraag voor het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument bij de diplomatieke vertegenwoordiging en indien nodig een presentatie, kunnen onderdeel uitmaken van deze voorbereiding.
De situatie waarin er sprake is van een vrijheidsontnemende maatregel vormt daarop eveneens een uitzondering. Ook in dat geval kan de DT&V, ook indien de rechter nog niet heeft beslist op een door een asielzoeker ingediend verzoek om een voorlopige voorziening en/of ingesteld beroep, zich voor het aanvragen van een (vervangend) reisdocument, re-entry permit of identiteitsonderzoek wenden tot de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst.
Eventueel kan ook in andere (bijzondere) gevallen worden overgegaan tot vroegtijdige presentatie van de vreemdeling bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om afgewezen asielzoekers afkomstig uit een land waarvan bekend is dat het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten lange tijd in beslag neemt en er sprake is van openbare-ordeaspecten (bijvoorbeeld iemand die op grond van het strafrecht van zijn vrijheid is beroofd).
Is de vreemdeling in een huis van bewaring, een gevangenis, een TBS-inrichting of een soortgelijke inrichting opgenomen, dan dient het (vervangend) reisdocument zo mogelijk reeds tijdens zijn verblijf in die inrichting te worden aangevraagd, opdat de uitzetting zo spoedig mogelijk, bij voorkeur onverwijld, na het ontslag kan plaatsvinden (zie A4/10.1).
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en de betrokken ambtenaren van de IND zien erop toe dat nimmer aantekeningen in reis- of identiteitsdocumenten van asielzoekers worden geplaatst.
Bij contacten met de diplomatieke vertegenwoordiging ter verkrijgen van de voor het vertrek benodigde (vervangende) reisdocumenten past enige terughoudendheid in de fase dat nog niet door de rechter is beslist op een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag.
### 4.2.1. De diplomatieke vertegenwoordiging wijst de aanvraag af
### 6. Uitzetting
Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin de asielaanvraag is afgewezen binnen de algemene asielprocedure. In deze gevallen heeft het instellen van beroep geen schorsende werking, maar heeft de vreemdeling direct aansluitend aan de algemene asielprocedure wel recht op opvang gedurende een vertrektermijn van vier weken. Tijdens deze vertrektermijn zal de DT&V reeds starten met de voorbereiding van het vertrek. Het indienen van een aanvraag voor het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument bij de diplomatieke vertegenwoordiging en indien nodig een presentatie, kunnen onderdeel uitmaken van deze voorbereiding.
### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
Eventueel kan ook in andere (bijzondere) gevallen worden overgegaan tot vroegtijdige presentatie van de vreemdeling bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om afgewezen asielzoekers afkomstig uit een land waarvan bekend is dat het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten lange tijd in beslag neemt en er sprake is van openbare-ordeaspecten (bijvoorbeeld iemand die op grond van het strafrecht van zijn vrijheid is beroofd).
Bij elke verwijdering van een vreemdeling dient steeds zoveel mogelijk te worden nagegaan door de vreemdelingenpolitie dan wel de KMar of de door de Minister gegeven voorschriften en aanwijzingen omtrent het doorhalen van in het paspoort gestelde aantekeningen, het inhouden van afzonderlijke inlegbladen en het inhouden van identiteitsdocumenten zijn nageleefd (zie A3/5).
Indien inlegbladen en identiteitsdocumenten als hier bedoeld bij de vreemdelingen worden aangetroffen, dienen deze te worden ingehouden en door tussenkomst van de DT&V te worden toegezonden aan de betrokken ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Bij inname van het reis- of identiteitsdocument dient aan de vreemdeling een ontvangstbewijs te worden verstrekt (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) alsmede een informatiefolder te worden overhandigd.
Indien niet aannemelijk is geworden dat betrokkene zich zelfstandig kan handhaven (zie [B14/2.2.3](onbekend)), dient bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld te zijn, tenzij in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten van het land van herkomst of een ander land waar betrokkene redelijkerwijs heen kan gaan, zorgdragen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen. In dat geval rust op de Nederlandse overheid geen taak om te treden in de wijze van opvang van de minderjarigen.
Ten aanzien van het stellen van aantekeningen omtrent verwijdering in het reisdocument van de vreemdeling, gelden de volgende hoofdregels:
### 6.1. Algemene uitgangspunten
Bij uitzetting van een vreemdeling door middel van overgave aan de Belgische grensautoriteiten blijft – tenzij de Minister een andersluidende aanwijzing heeft gegeven – het stellen van een aantekening omtrent verwijdering in het reisdocument steeds achterwege indien de vreemdeling bestemd is om uit het Beneluxgebied te worden verwijderd.
Aantekeningen omtrent verwijdering mogen nimmer worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:
### 4.3. Het inhouden van documenten
Voor de eventuele intrekking van de resterende geldigheidsduur van een visum, zie A2/4.3.7.
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de grensdoorlaatpost van uitreis
### 4.4. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zendt het reisdocument tijdig per aangetekende brief aan het hoofd van de betreffende grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt, onder nauwkeurige opgave van het tijdstip waarop de vreemdeling langs deze doorlaatpost/ overgave-overnamepunt zal uitreizen.
Het hoofd van de desbetreffende grensdoorlaatpost of het overgaveovernamepunt geeft het reisdocument aan de vreemdeling terug nadat deze het ontvangstbewijs voor terugontvangst (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) heeft ondertekend en controleert of de vreemdeling inderdaad het land verlaat. Vervolgens stelt het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt op het ingehouden ontvangstbewijs een verklaring waaruit blijkt dat het vertrek van de vreemdeling is gecontroleerd en zendt hij het ontvangstbewijs terug aan de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die het heeft afgegeven.
Indien de vreemdeling zich niet op de afgesproken tijd en plaats bij het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt heeft vervoegd, of indien de uitreis van de vreemdeling vertraging ondervindt, dan wel op moeilijkheden stuit, geeft het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt aanstonds kennis aan de betrokken vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar, teneinde overleg te plegen omtrent de ter zake te volgen gedragslijn.
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
Voor het stellen van aantekeningen in het algemeen, zie A3/5.
De IOM in Nederland bemiddelt bij het zelfstandig vertrek of hervestiging van vreemdelingen die Nederland willen verlaten en biedt daartoe het REAN-programma aan. Het REAN-programma is gericht op de uitvoering van een humaan en effectief beleid voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging van bepaalde categorieën vreemdelingen. Om dit doel te bereiken, gebaseerd op haar mandaat en afhankelijk van de beschikbare middelen, heeft de IOM-missie in Nederland tot taak voorlichting te geven, aanvragen voor vertrek in behandeling te nemen, de reis te arrangeren en het vertrek te begeleiden. Indien het vertrek of de hervestiging feitelijk kan worden gerealiseerd, draagt de IOM ook zorg voor het uitkeren van financiële bijdragen voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging in een derde land. Voorts kan de IOM voor bepaalde categorieën vertrekkers, zoals Amv’s, specifieke voorzieningen treffen.
### 5.2. Procedure
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
IOM informeert de vreemdeling over de ondersteuning die IOM kan verlenen bij terugkeer naar het land van herkomst en doormigratie. Indien de vreemdeling gebruik wenst te maken van de ondersteuning van IOM kan deze een aanvraag voor vertrek indienen. Gelijktijdig wordt door de vreemdeling het formulier ondertekend waarin hij verklaart geen bezwaar te hebben tegen het uitwisselen van voor het vertrek relevante gegevens tussen IOM, de IND en de DT&V.
IOM beoordeelt de aanvraag. Vanwege de voorwaarden voor vertrek onder het REAN-programma wordt de IND om toestemming gevraagd de betrokken vreemdeling via IOM te laten vertrekken. Deze toestemming wordt door de IND verleend of onthouden in overleg met de DT&V. De DT&V wordt door de IND geïnformeerd over de beslissing of wel of geen toestemming wordt verleend. Indien er reeds concrete verwijderingsmaatregelen jegens de vreemdeling zijn genomen, kan de DT&V besluiten de verwijdering doorgang te laten vinden, dan wel de vreemdeling te laten vertrekken via IOM. Reeds gestarte verwijderingsmaatregelen worden opgeschort in het geval toestemming wordt verleend.
Indien een aanvraag is goedgekeurd, organiseert IOM de reis en stelt de eventueel uit te keren financiële bijdrage voor de eerste kosten van levensonderhoud vast. De vreemdeling is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten. Indien de DT&V, vreemdelingenpolitie, de ZHP, de KMar of de IND in het bezit is van (vervangende) reisdocumenten, worden deze zoveel mogelijk gebruikt in het zelfstandige vertrektraject dat wordt gefaciliteerd door IOM.
Indien de vreemdeling in het bezit is van een (elektronisch) W-document dient hij dit voorafgaand aan zijn vertrek bij de vreemdelingenpolitie in te leveren.
De uitreisformaliteiten op de luchthaven worden afgehandeld door IOM. Indien sprake is van vrijheidsbeperkende maatregelen, of wanneer de vreemdeling vanuit vreemdelingenbewaring vertrekt, wordt de vreemdeling door de KMar overgedragen aan IOM. Voor overgave aan IOM heft de ambtenaar belast met de grensbewaking de vrijheidsbeperkende maatregel of de vreemdelingenbewaring op. In die gevallen ontvangt de KMar schriftelijk bericht van IOM dat de vreemdeling daadwerkelijk is vertrokken.
### 6. Uitzetting
[Richtlijn 2003/110](32003L0110) van de Raad van de EU voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. Indien bij uitzetting via de lucht geen gebruik kan worden gemaakt van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan worden verzocht om doorgeleiding door de lucht via een andere lidstaat van de EU. Er wordt in beginsel niet om doorgeleiding door de lucht verzocht wanneer de verwijderingsmaatregel gepaard dient te gaan met de overbrenging van de betrokken vreemdeling naar een andere luchthaven op het grondgebied van de aangezochte lidstaat (zie ook A2/8).
Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is van rechtswege het gevolg van het niet verlenen, niet verlengen of intrekken van de vergunning, het eindigen van het rechtmatig verblijf, of het niet rechtmatige verblijf. In de [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45) en [63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet indien hij Nederland niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan op het moment van het doen van zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, is met die uitspraak bevestigd dat de vreemdeling Nederland dient te verlaten.
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
Van belang is dat in het kader van de uitzetting nimmer aan de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling, noch aan autoriteiten van het land van doorreis of bestemming, mag worden medegedeeld, of documenten mogen worden verstrekt waaruit blijkt dat de vreemdeling eerder een asielaanvraag heeft ingediend. Om te voorkomen dat deze informatie de genoemde autoriteiten bereikt, mag ook nimmer aan het personeel van de vervoersmaatschappij waarmee de vreemdeling wordt uitgezet, worden medegedeeld dat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Er kan slechts worden aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland (meer) heeft en om die reden Nederland dient te verlaten.
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
Indien niet aannemelijk is geworden dat betrokkene zich zelfstandig kan handhaven (zie [B14/2.2.3](onbekend)), dient bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld te zijn, tenzij in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten van het land van herkomst of een ander land waar betrokkene redelijkerwijs heen kan gaan, zorgdragen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen. In dat geval rust op de Nederlandse overheid geen taak om te treden in de wijze van opvang van de minderjarigen.
Alvorens tot uitzetting over te gaan van een Amv van wie de asielaanvraag is afgewezen, dient contact opgenomen te worden met de DT&V en de IND. De voogd wordt op de hoogte gesteld van het besluit dat de betrokkene wordt uitgezet en van de wijze waarop de uitzetting zal plaatsvinden.
Indien het hoofd van een gezin uit Nederland moet worden verwijderd, geldt als algemene regel dat de tot zijn gezin behorende vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer krachtens een van de bepalingen van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) is toegestaan in Nederland te verblijven, zoveel mogelijk met het hoofd van het gezin verwijderd dienen te worden. Indien al dan niet door toedoen van een gezinslid gezamenlijk vertrek van het gezin niet mogelijk is, kan gescheiden verwijdering pas plaatsvinden nadat de zaak is beoordeeld en getoetst door de DT&V.
De DT&V dient derhalve de overdracht zo spoedig mogelijk en bij voorkeur binnen deze termijn van zes maanden te regelen. Het feit dat een eventuele overdracht nog niet rond is, doet geen (verlengd) recht op opvang ontstaan. De vreemdeling is na een geaccordeerd verzoek immers op de hoogte welke lidstaat zijn asielverzoek in behandeling neemt en kan een beroep doen op de daar geldende faciliteiten.
### 7.1. Beleid
De uitzetting van een onderdaan van de EU/EER of van Zwitserland, die na beëindiging van het verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of gezondheid, tijdig een voorlopige voorziening heeft ingediend blijft achterwege. Hierop zijn de volgende uitzonderingen mogelijk (zie [artikel 8.24, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24)):
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
Indien niet aannemelijk is geworden dat betrokkene zich zelfstandig kan handhaven (zie [B14/2.2.3](onbekend)), dient bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld te zijn, tenzij in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten van het land van herkomst of een ander land waar betrokkene redelijkerwijs heen kan gaan, zorgdragen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen. In dat geval rust op de Nederlandse overheid geen taak om te treden in de wijze van opvang van de minderjarigen.
De DT&V is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. Hierop gelden een paar uitzonderingen.
Ten aanzien van vreemdelingen die door de KMar in het kader van het MTV zijn aangetroffen, is de Commandant der KMar verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de overdracht aan Duitsland of België via de landsgrenzen. Vreemdelingen die in het kader van het vreemdelingentoezicht worden aangetroffen en die zonder formaliteiten via de landgrenzen met België of Duitsland kunnen worden overgedragen, worden door de politie aan de KMar overgedragen. De KMar zorgt voor de overdracht. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin na toegangsweigering door de ambtenaar belast met de grensbewaking, de KMar of ZHP in staat is binnen afzienbare tijd te realiseren dat de vreemdeling wordt verwijderd. In alle andere gevallen is de DT&V verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de uitzetting.
Verwijderde vreemdelingen kunnen worden gesignaleerd in het (N)SIS of het OPS, zie hiervoor A3/9. De vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar dient hiertoe een voorstel tot signalering in bij de IND (model [M93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M93&z=2012-01-01&g=2012-01-01)).
Over het algemeen vindt uitzetting plaats via één van de uitzetcentra, ook als het gaat om een groepsgewijze uitzetting per overheidsvlucht. Vreemdelingen die zijn aangetroffen in het grensgebied in het kader van het MTV of in het kader van het binnenlands vreemdelingentoezicht kunnen ook zonder plaatsing in een uitzetcentrum worden uitgezet (zie A4/6.3).
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
### 7.2. Procedure
In het algemeen zal bij ongewenstverklaring sprake zijn van zowel de onder a als b beschreven situatie (zie [artikel 8.24, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24)).
In [artikel 23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23a) en [23b Ambtsinstructie voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23b) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.
[Artikel 23a Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23a) bevat de voorwaarden waaronder hulpmiddelen kunnen worden ingezet.
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
De informatie over het gedrag van de vreemdeling opgenomen in de checklist/ geleidebrief (zie [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) dient bij deze inschatting te worden betrokken. De gezagvoerder van het luchtvaartuig dient vooraf, in een zo vroeg mogelijk stadium, te worden geïnformeerd in geval van aanwending hulpmiddelen bij het aan boord brengen van de vreemdeling. Na het sluiten van de vliegtuigdeuren kan enkel in overleg met en na toestemming van de gezagvoerder van het luchtvaartuig worden overgegaan tot het aanwenden van hulpmiddelen.
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
Op grond van [artikel 23b Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23b) dient de toepassing van een hulpmiddel bij uitzetting onverwijld schriftelijk te worden gemeld aan de meerdere, onder vermelding van de aard van het hulpmiddel, de redenen die tot het gebruik hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen. De meerdere ziet toe op de registratie van deze melding.
### 6.7. Uitzetting via transitluchthaven in een EU-lidstaat
[Richtlijn 2003/110](32003L0110) van de Raad van de EU voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. Indien bij uitzetting via de lucht geen gebruik kan worden gemaakt van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan worden verzocht om doorgeleiding door de lucht via een andere lidstaat van de EU. Er wordt in beginsel niet om doorgeleiding door de lucht verzocht wanneer de verwijderingsmaatregel gepaard dient te gaan met de overbrenging van de betrokken vreemdeling naar een andere luchthaven op het grondgebied van de aangezochte lidstaat (zie ook A2/8).
Het verzoek om al dan niet begeleide doorgeleiding door de lucht en de daarmee verbonden ondersteuningsmaatregelen moet door de KMar schriftelijk worden ingediend bij de aangezochte lidstaat. Hiertoe dient gebruik te worden gemaakt van het formulier dat is opgenomen in de bijlage bij [richtlijn 2003/110](32003L0110). Het verzoek moet zo vroeg mogelijk, doch ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding, in de aangezochte lidstaat aankomen. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen mag deze termijn korter zijn. De aangezochte lidstaat dient onmiddellijk, in ieder geval binnen twee dagen, een beslissing op het verzoek bekend te maken. Deze termijn kan, in gemotiveerde gevallen, met ten hoogste 48 uur worden verlengd. Zonder instemming van de aangezochte staat wordt niet met de doorgeleiding door de lucht begonnen. Indien de aangezochte lidstaat niet binnen de gestelde termijn antwoordt, kan met de doorreis worden begonnen door middel van een kennisgeving.
### 6.11. Bericht van ontruiming
Vreemdelingen worden onmiddellijk teruggenomen van de aangezochte lidstaat wanneer:
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 7.1. Beleid
Aan de vreemdeling wordt in overeenstemming met hetgeen is gesteld in artikel 19, derde lid en artikel 20, eerste lid, onder d, [Verordening 343/2003](32003R0343), zodra hierover meer bekend is, de datum van overdracht bekend gemaakt.
### 6.7. Uitzetting via transitluchthaven in een EU-lidstaat
De DT&V dient derhalve de overdracht zo spoedig mogelijk en bij voorkeur binnen deze termijn van zes maanden te regelen. Het feit dat een eventuele overdracht nog niet rond is, doet geen (verlengd) recht op opvang ontstaan. De vreemdeling is na een geaccordeerd verzoek immers op de hoogte welke lidstaat zijn asielverzoek in behandeling neemt en kan een beroep doen op de daar geldende faciliteiten.
### 6.11. Bericht van ontruiming
Nederland heeft internationaal de verplichting er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de asielzoeker zich niet zal onttrekken aan de overdracht. De Commandant der KMar en/of de DT&V beoordeelt daarom of de asielzoeker zich zelfstandig of begeleid naar het land van bestemming dient te begeven. De IND heeft hierin een adviserende rol. Vaak blijkt ook uit het geaccordeerde verzoek of begeleide overdracht gewenst is.
Aan de asielzoeker wordt verstrekt:
Naar het land van bestemming wordt gezonden:
Alle originele documenten worden aan het ontvangende land ter hand gesteld door tussenkomst van de autoriteit die de feitelijke uitvoering geeft aan de overdracht. Indien de vreemdeling per vliegtuig reist, worden de documenten in een envelop afgegeven aan de gezagvoerder van het vliegtuig die ze overhandigt aan de grensbewakingsautoriteiten van het ontvangende land.
De plaats waar de asielzoeker zich in het land van bestemming dient te melden, wordt vermeld op het laissez-passer. Het betreft hier veelal de locatie waar de feitelijke overdracht plaatsvindt. Op de kennisgeving van overdracht wordt het land van bestemming aangegeven.
Op grond van artikel 19, derde lid, of artikel 20, eerste lid, onder d, [Verordening 343/2003](32003R0343) wordt de vreemdeling, zodra het praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening – wanneer dit opschortende werking heeft – overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Ingevolge artikel 19, vierde lid, of artikel 20, tweede lid, [Verordening 343/2003](32003R0343) kan de termijn tot overdacht tot maximaal één jaar worden verlengd indien de overdracht wegens detentie niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd. De termijn tot overdracht kan tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd wegens onderduiking van de asielzoeker.
### 7.3. Inwilliging
De regeling voor inbewaringstelling van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is van toepassing (zie A6/5.3.3.6).
De vreemdelingenpolitie (in de hieronder genoemde gevallen onder g t/m i) of de KMar (in de hieronder genoemde gevallen onder a t/m g en j) dient het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit Nederland door toezending van een bericht (zie [model M100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) aan de IND en de DT&V en, indien van toepassing, aan de opvangverlenende instantie, te melden. Indien het vertrek is gefaciliteerd door de IOM, blijft toezending van dit bericht achterwege (zie A4/5). De IND verstrekt dan wel voorafgaand aan het vertrek informatie aan de IOM over eventuele ketenpartners die door de IOM van het uiteindelijke vertrek op de hoogte moeten worden gesteld.
Bij toezending van het formulier Bericht van vertrek (zie [model M100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) dient te worden aangegeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken. De vertrekcategorieën zijn:
Tegen de vaststelling dat de uitzetting niet achterwege blijft, staan op grond van [artikel 72 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=72) rechtsmiddelen open, namelijk het indienen van een bezwaarschrift bij de IND. Het indienen van een bezwaarschrift schort de vertrekplicht, uitzetting of eventuele beëindiging van de voorzieningen niet op.
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
### 9.1. Algemeen uitgangspunt
De vaststelling of er sprake is van het frustreren van de uitzetting dient plaats te vinden aan de hand van alle individuele omstandigheden van de zaak. De DT&V zal derhalve steeds per geval moeten beoordelen of het de vreemdeling te doen is de geplande uitzetting te frustreren of dat de behandeling van het verzoek in Nederland mag worden afgewacht. De DT&V dient hierover aan de IND een advies uit te brengen, waaraan door de IND bij de besluitvorming zwaarwegende betekenis wordt gegeven.
In geval dat wordt geoordeeld dat de behandeling van het eerste, tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag worden afgewacht, wordt de vreemdeling of zijn raadsman hiervan aanstonds in beginsel schriftelijk op de hoogte gebracht. Uiteraard is het aan de rechtbank om te beoordelen of de uitzetting doorgang vindt, dan wel dat er door middel van een spoedprocedure op het verzoek van de vreemdeling zal worden beslist.
In alle gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)wordt toegepast, wordt de vreemdelinge in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
De beslissing op de asielaanvraag en de ambtshalve toets aan [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) worden indien mogelijk in de algemene asielprocedure en in ieder geval in de verlengde asielprocedure in een meeromvattende beschikking geslagen. Wanneer de vreemdeling ten behoeve van de beslissing op het asielverzoek in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven op het voornemen om de uitzetting niet op grond van artikel 64 Vw achterwege te laten, staat tegen de beschikking het rechtsmiddel beroep open.
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3.
Bij zwangerschap blijft de uitzetting per vliegtuig achterwege gedurende de periode van zes weken voor tot zes weken na de bevalling. Dit is de periode van zes weken vanaf de eerste dag dat de bevalling blijkens een verklaring van een arts of verloskundige, aangevend de vermoedelijke datum van bevalling, binnen zes weken is te verwachten tot zes weken na de bevalling.
In geval van zwangerschap of bevalling dient een medische verklaring van een arts te worden overgelegd, waaruit blijkt in welk stadium de zwangerschap verkeert.
De IND doet schriftelijk de mededeling aan de vreemdelinge dat de uitzetting achterwege zal blijven. Ook de duur van de opschorting van het vertrek dient te worden vermeld.
Indien de vreemdelinge niet beschikt over een ingevolge de wet vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt het volgende.
In alle gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)wordt toegepast, wordt de vreemdelinge in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
In de gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, wordt door de vreemdelingenpolitie aan de vreemdelinge een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen, uitgereikt. De geldigheidsduur van het rechtmatig verblijf is gelijk aan de duur van het verleende uitstel van vertrek.
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3.
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3 en [B1/4.5](onbekend).
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
### 7.2. Procedure
Het onder begeleiding uit Nederland doen vertrekken van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, die zich zelfstandig heeft gemeld bij de KMar of de ZHP op een luchthaven of zeehaven voor het verkrijgen van reisdocumenten.
Het met de sterke arm aan de landgrenzen doen vertrekken van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die tijdens een MTV-controle is aangetroffen. De vreemdeling wordt hierbij niet in persoon overgedragen aan de autoriteiten van België of Duitsland.
Het met de sterke arm in persoon overdragen aan de autoriteiten van het aangrenzende Schengenland (Duitsland of België) van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die bij een MTV-controle is aangetroffen.
Het doen van de aanzegging Nederland te verlaten bij het opheffen van de vreemdelingenbewaring van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling. De aanzegging dient te worden gegeven na opheffing van de inbewaringstelling aan vreemdelingen die weliswaar Nederland moeten verlaten, maar niet de Unie hoeven te verlaten.
Het doen van een aanzegging Nederland te verlaten bij adrescontrole, MTV-controle of na staandehouding (die mogelijk heeft geleid tot ophouding) aan een vreemdeling die niet-rechtmatig in Nederland verblijft, maar van wie na een identiteits- en nationaliteitsonderzoek is gebleken dat deze niet daadwerkelijk uit Nederland kan worden uitgezet. Dit dient alleen te worden gedaan bij vreemdelingen die Nederland, maar niet de Unie, hoeven te verlaten. Dit kan bv. het geval zijn bij gemeenschapsonderdanen of bij vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben van een andere lidstaat van de Unie. Aan vreemdelingen die de Unie wel dienen te verlaten zal een terugkeerbesluit worden uitgereikt. Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
Tijdens de asielprocedure of reguliere procedure bij adrescontrole constateren dat de woonruimte van de vreemdeling definitief verlaten is. Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
In of na de vertrektermijn van de asielprocedure of reguliere procedure bij adrescontrole constateren dat de woonruimte van de vreemdeling definitief verlaten is. Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
Zelfstandig vertrek van een vreemdeling die, al dan niet na afloop van de vrije termijn, illegaal in Nederland heeft verbleven en die is aangetroffen bij uitreiscontrole aan de buitengrens. Voorzover de vreemdeling dit nog niet eerder heeft ontvangen, ontvangt de vreemdeling een terugkeerbesluit met een inreisverbod.
Het onder begeleiding uit Nederland doen vertrekken van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, die zich zelfstandig heeft gemeld bij de KMar of de ZHP op een luchthaven of zeehaven voor het verkrijgen van reisdocumenten.
Het COA dient de ontruiming van een vreemdeling uit de opvangvoorzieningen door toezending van een bericht (zie model [M100a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) aan de IND en de DT&V te melden.
Het met de sterke arm in persoon overdragen aan de autoriteiten van het aangrenzende Schengenland (Duitsland of België) van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die bij een MTV-controle is aangetroffen.
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
Tijdens de asielprocedure of reguliere procedure bij adrescontrole constateren dat de woonruimte van de vreemdeling definitief verlaten is. Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) bepaalt dat de uitzetting achterwege dient te blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen.
Als gezinsleden worden in dit verband aangemerkt:
In de situatie dat ten aanzien van een minderjarig kind sprake is van het achterwege laten van de uitzetting, worden als gezinsleden aangemerkt:
### 7.2.1.2. Medische aspecten parallel aan de asielprocedure
De vreemdeling die een verzoek om toepassing [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) indient, overlegt bij voorkeur een geldig grensoverschrijdingsdocument. Indien het voor de vreemdeling niet mogelijk is een grensoverschrijdingsdocument te overleggen, dient de vreemdeling (op andere wijze) voldoende inzicht in zijn identiteit en nationaliteit te verschaffen middels aanvullende gegevens en bescheiden.
Als de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onvoldoende vast is komen te staan vraagt de IND, uitsluitend met het oog op de bepaling in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), slechts een gedeeltelijk advies op bij de medisch adviseur van BMA. De IND stelt aan de medisch adviseur slechts de vraag of de vreemdeling kan reizen en of er bij terugkeer in het land een medische noodsituatie ontstaat. De medisch adviseur zal in die gevallen geen advies worden gevraagd omtrent de vraag of medische behandeling in het land van herkomst mogelijk is. Aangezien het onderzoek naar de behandelmogelijkheden wordt gefrustreerd, door het niet kunnen aantonen van de identiteit en nationaliteit, wordt uitgegaan van het bestaan van behandelmogelijkheden.
De bescherming tegen uitzetting in deze gevallen moet uitdrukkelijk worden onderscheiden van de situatie waarin de vreemdeling medische behandeling in Nederland stelt te behoeven en om die reden in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning (zie [B8/2.1](onbekend)).
### 7.1. Beleid
Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling (zie [B8/3.4](onbekend)).
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan onder bepaalde voorwaarden ook toegepast worden in afwachting van de definitieve besluitvorming op het artikel 64 Vw verzoek (zie A4/ 7.3.1 en A4/7.3.2).
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
De vraag of op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) uitzetting achterwege moet blijven, kan zich niet eerder voordoen dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Derhalve kan de bescherming van artikel 64 Vw niet intreden indien en zolang de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft ingevolge [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Uitzondering hierop is de ambtshalve toets die de IND uit kan voeren in de parallelle procedure (zie A4/7.3.2).
Een beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is mogelijk indien de vreemdeling zich in de situatie bevindt waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort dan wel indien de vreemdeling nimmer een aanvraag om een verblijfsvergunning heeft ingediend en geen rechtmatig verblijf heeft. Hierbij is niet van belang of de uitzetting op korte termijn is gepland.
Ingeval de vreemdeling een inreisverbod heeft ontvangen kan er sprake zijn van rechtmatig verblijf ex [artikel 8, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), ingeval er een geslaagd beroep is gedaan op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) ([artikel 66a, zesde lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)).
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan desalniettemin, gelet op de strekking van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), aanleiding zijn om tijdelijk geen gevolg te geven aan de bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten.
In dat geval blijft de uitzetting achterwege zonder dat sprake is van rechtmatig verblijf en zonder dat het inreisverbod wordt opgeheven. In dit geval gebeurt dit naar de ratio van (en niet ingevolge) [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64). Het stellen van een aantekening in het grensoverschrijdingsdocument blijft in deze gevallen achterwege.
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan onder bepaalde voorwaarden ook toegepast worden in afwachting van de definitieve besluitvorming op het artikel 64 Vw verzoek (zie A4/ 7.3.1 en A4/7.3.2).
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) betreft een tijdelijke maatregel, enkel gericht op de opschorting van de uitzetting en/of de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Artikel 64 Vw geeft rechtmatig verblijf, maar geen verblijfsvergunning.
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
Het beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) moet de vreemdeling in ieder geval onderbouwen met:
Het bewijs omtrent de medische situatie vreemdeling mag op het moment van overleggen niet ouder zijn dan een maand.
Met uitsluitend mededelingen van de vreemdeling zelf wordt in beginsel geen genoegen genomen. Dit is slechts anders indien bij de DT&V of bij de ambtenaar belast met de uitzetting, dan wel ontruiming, reeds aanstonds en wegens concrete aanwijzingen het vermoeden rijst dat de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen. In dat geval zal de ambtenaar belast met de uitzetting dan wel de DT&V ook zonder nadere onderbouwing van het beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) zich ervan moeten vergewissen of de uitzetting achterwege moet blijven en hiertoe bij de IND een onderzoek (laten) instellen. In de meeste gevallen zal de medisch adviseur van het BMA door de IND om een advies worden gevraagd (zie B8/3).
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
De behandeling van TBC duurt in het algemeen 9 tot 12 maanden. Na het verstrijken van de behandeltermijn kan de DT&V tot uitzetting overgaan.
Indien de vreemdeling niet in het bezit is van een document voor grensoverschrijding wordt hij in het bezit gesteld van een document W2, met een inlegvel, voorzien van een Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). In geval er wel een document voor grensoverschrijding aanwezig is, wordt door de IND een Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen aangebracht met vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
Indien de vreemdeling bij wie TBC is geconstateerd zich onttrekt aan de medische behandeling en er geen besmettingsgevaar aanwezig is, dan is er niet langer een reisbeletsel naar analogie van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
Onttrekt de vreemdeling zich aan de medische behandeling en er is een besmettingsgevaar aanwezig, dan is zijn uitzetting uit Nederland met het oog op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord te achten in de zin van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64). Vanwege het zich onttrekken aan de medische behandeling kan de vreemdeling niet uit Nederland worden verwijderd, maar hij vormt daarentegen wel een gevaar voor de algemene volksgezondheid. De [Wet Publieke Gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) kan in deze situatie uitkomst bieden. Deze wet regelt onder andere gedwongen opname (isolatie) bij gevaar voor de algemene volksgezondheid en gedwongen behandeling.
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3 en [B1/4.5](onbekend).
### 9.1. Algemeen uitgangspunt
De redelijke termijn voor het indienen van de ontbrekende, relevante medische stukken bedraagt in beginsel een week, maar kan korter zijn in het geval de uitzetting op (zeer) korte termijn gepland is.
Indien de vreemdeling zich wendt tot de DT&V, de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar of het COA, wordt de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) doorgezonden aan de IND.
Een beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kent geen wettelijke beslistermijn in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Daarom is [artikel 4:13 tweede lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:13) van toepassing, waaruit volgt dat dient te worden beslist binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Deze redelijke termijn is in ieder geval na 8 weken verstreken. Ingevolge [artikel 4:14 derde lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14) kan deze beslistermijn eenmalig worden verlengd met een concreet benoemde termijn. Deze verlenging moet gezien de omstandigheden redelijk zijn. De verlenging van de beslistermijn is in deze gevallen in ieder geval redelijk omdat een medisch adviseur van BMA onderzoek bij derden moet doen naar de medische problematiek van de vreemdeling. Gelet hierop is een verlenging van de beslistermijn met 13 weken redelijk. Aan de vreemdeling wordt bekendgemaakt binnen welke termijn een beslissing op het verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan worden verwacht. De verlenging van de beslistermijn op basis van artikel 4.14 derde lid Awb staat los van opschorten van de beslistermijn als bedoeld in [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) juncto [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15).
Vreemdelingen die een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) willen indienen en nog niet bekend zijn bij de IND of eerder met onbekende bestemming zijn vertrokken, worden verzocht contact op te nemen met de IND over de te volgen procedure. Deze vreemdelingen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek om toepassing van artikel 64 Vw in persoon aan het IND-loket in te dienen. In het geval er reeds een schriftelijke aanvraag is ingediend, zal de vreemdeling worden verzocht zijn aanvraag aan het IND-loket aan te vullen door het aldaar laten vaststellen van zijn verblijfplaats in Nederland. De vraag of op grond van artikel 64 Vw uitzetting achterwege moet blijven, kan zich niet eerder voordoen dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Derhalve kan het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw zich niet voordoen zolang niet is gebleken van verblijf in Nederland. Het niet in persoon aan het IND-loket verschijnen kan derhalve reden zijn om het verzoek af te wijzen.
Een uitgeprocedeerde asielzoeker kan in afwachting van een beslissing op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) krijgen, waardoor ingevolge de Rva recht op opvang ontstaat, indien door de vreemdeling, in afwijking van paragraaf 7.2.1.1, onderstaande procedure wordt gevolgd.
De vreemdeling neemt contact op met de IND over de te volgen procedure. De relevante medische gegevens van de vreemdeling worden, alvorens de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt ingediend, in een gesloten envelop voorzien van een stempel of aantekening “medisch geheim”, door de vreemdeling of de medische behandelaar aangeleverd aan de IND. Deze gegevens worden samen met een recente volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie [model M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)), een recente verklaring omtrent de medische situatie van de vreemdeling, opgesteld door een behandelaar die, hetzij in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg, hetzij in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven en een kopie van een geldig reis- en/of identiteitsdocument naar de IND gestuurd.
De IND beoordeelt of de toestemmingsverklaring recent, volledig ingevuld en ondertekend is, of de vreemdeling momenteel actieve medische behandeling krijgt en of een geldig grensoverschrijdingsdocument of, indien het voor de vreemdeling niet mogelijk is een geldig grensoverschrijdingsdocument te overleggen, aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit aanwezig zijn. Met betrekking tot de compleetheid van de relevante medische gegevens beoordeelt de IND slechts of er een gesloten envelop van de behandelaar(s) gericht aan het BMA aanwezig is.
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 7.3.2. Inwilliging in de parallelle procedure in afwachting van definitieve besluitvorming
Indien de vreemdeling zich wendt tot de DT&V, de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar of het COA, wordt de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) doorgezonden aan de IND.
Als gevolg van het medische advies dat in de rust en voorbereidingstermijn kan worden opgesteld, kunnen medische omstandigheden eerder worden onderkend. Deze omstandigheden worden zoveel mogelijk (ambtshalve) meegenomen tijdens de asielprocedure. Dit kan ook gelden voor medische omstandigheden die later in de procedure tot uiting komen, indien dit is onderbouwd. Bij een afwijzing van de asielaanvraag wordt in de meeromvattende beschikking beoordeeld of de medische omstandigheden grond zijn voor toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
De IND toetst ambtshalve [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) parallel aan de asielprocedure wanneer hier aan de hand van voornoemd medisch advies danwel andere medisch relevante gegevens, die later in de procedure ingebracht worden, aanwijzingen voor zijn. Hierbij is het wel noodzakelijk dat de vreemdeling een recente, volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie [model M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) en bijvoorkeur een kopie van een geldig grensoverschrijdingsdocument heeft overgelegd. Indien het voor de vreemdeling niet mogelijk is een geldig grensoverschrijdingsdocument te overleggen dan dient de vreemdeling (op andere wijze) voldoende inzicht in zijn identiteit en nationaliteit te verschaffen middels aanvullende gegevens en bescheiden.
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt in beginsel niet toegepast wanneer de vreemdeling op grond van de verordening 343/2003 (Dublin verordening) overgedragen kan worden aan een bij de Dublinverordening aangesloten land waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen, omdat de medische voorzieningen vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten, tenzij de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat (zie hiervoor [C3/ 2.3.6.4](onbekend)).
Uitgangspunt is dat de kosten van uitzetting ten laste van de uit te zetten vreemdelingen dienen te worden gebracht. Daarbij dient zo veel mogelijk gebruik te worden gemaakt van gegeven garanties of gedeponeerde gelden of reisbiljetten. Bovendien kunnen, in geval de vreemdeling niet kan betalen, de kosten van zijn uitzetting verhaalbaar zijn op derden.
Ingevolge [artikel 65, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) kan een vreemdeling worden uitgezet door plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig in gebruik bij dezelfde vervoersonderneming als waarmee de vreemdeling Nederland is binnengekomen indien hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten danwel indien hij binnen zes maanden na binnenkomst met het oog op uitzetting is aangehouden.
### 6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring
De IND beoordeelt of de toestemmingsverklaring recent, volledig ingevuld en ondertekend is, of de vreemdeling momenteel actieve medische behandeling krijgt en of een geldig grensoverschrijdingsdocument of, indien het voor de vreemdeling niet mogelijk is een geldig grensoverschrijdingsdocument te overleggen, aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit aanwezig zijn. Met betrekking tot de compleetheid van de relevante medische gegevens beoordeelt de IND slechts of er een gesloten envelop van de behandelaar(s) gericht aan het BMA aanwezig is.
Indien de IND de ontvangen stukken als compleet heeft beoordeeld, wordt de gesloten envelop met de medische gegevens naar het BMA gezonden. Tevens wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om ongeveer twee weken later een aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in persoon in te dienen bij de IND. Pas op het moment dat de aanvraag formeel is ingediend gaat de beslistermijn, ingevolge de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), lopen.
### 7.4. Afwijzing
Als de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onvoldoende vast is komen te staan, vraagt de IND, uitsluitend met het oog op de bepaling in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), slechts een gedeeltelijk advies op bij de medisch adviseur van BMA. De IND stelt aan de medisch adviseur slechts de vraag of de vreemdeling kan reizen en of er sprake is van medische noodsituatie. De medisch adviseur zal in die gevallen geen advies worden gevraagd omtrent de vraag of medische behandeling in het land van herkomst mogelijk is.
Indien een uitgeprocedeerde asielzoeker in afwachting van de besluitvorming op een aanvraag om toepassing [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) opvang wenst dient hij/zij, zoals aangegeven in paragraaf 7.2.1.1, voorafgaand aan het indienen van de aanvraag zijn/haar relevante medische gegevens te overleggen. Het BMA beoordeelt of de relevante medische gegevens compleet zijn. Indien deze compleet zijn wordt het adviestraject gestart. Indien deze niet compleet zijn informeert de IND de vreemdeling hierover mondeling en/of schriftelijk.
De IND toetst ambtshalve [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) parallel aan de asielprocedure wanneer hier aan de hand van voornoemd medisch advies danwel andere medisch relevante gegevens, die later in de procedure ingebracht worden, aanwijzingen voor zijn. Hierbij is het wel noodzakelijk dat de vreemdeling een recente, volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie [model M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09)) en bijvoorkeur een kopie van een geldig grensoverschrijdingsdocument heeft overgelegd. Indien het voor de vreemdeling niet mogelijk is een geldig grensoverschrijdingsdocument te overleggen dan dient de vreemdeling (op andere wijze) voldoende inzicht in zijn identiteit en nationaliteit te verschaffen middels aanvullende gegevens en bescheiden.
### 7.5. Rechtsmiddelen
In beginsel zal echter geen gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot uitzetting, zolang op de aanvraag niet is beslist.
Het indienen van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen schort evenmin de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva op (zie [C23/2.3.3](onbekend)).
Voor de procedure omtrent toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming wordt verwezen naar A4/7.2.1.1.
Bij de beoordeling van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen wordt indien nodig door de IND de medisch adviseur van het BMA geraadpleegd. De IND zendt de voor het opstarten van een medisch advies relevante stukken naar het BMA met het verzoek om een advies uit te brengen. Het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door de medisch adviseur van het BMA dan wel een andere arts die door de medisch adviseur hiertoe wordt ingeschakeld.
De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk mededeling aan de vreemdeling dat de uitzetting achterwege zal blijven. Ook de duur van de opschorting van het vertrek, de periode waarin verwacht wordt dat de medische beletselen aanwezig zijn, wordt vermeld. Deze periode is in beginsel gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, met een maximum van een jaar.
De vreemdeling en zijn gezinsleden krijgen krachtens [artikel 8, aanhef en onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (wederom) rechtmatig verblijf. De vertrekplicht en de bevoegdheid tot uitzetting worden ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) opgeschort.
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
In het geval dat onomstotelijk vaststaat dat de vreemdeling om medische redenen niet in staat is om te reizen, bijvoorbeeld bij een acute opname in een ziekenhuis, kan het achterwege laten van de uitzetting ingevolge [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) door de IND, op advies van de DT&V, zonder onderliggende aanvraag worden vastgesteld en verleend. In dat geval kan ook het beroep van de vreemdeling op artikel 64 Vw ingewilligd worden zonder dat daarvoor eerst een advies wordt ingewonnen van het BMA. In een dergelijk geval volstaat een bewijs van ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs, of een advies van de DT&V waaraan een dergelijk bewijs ten grondslag heeft gelegen.
Een forensisch geneeskundige van de GG&GD dient altijd te worden ingeschakeld wanneer sprake is van een acuut besmettingsgevaar.
Indien de vreemdeling beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door de IND een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) geplaatst, onder vermelding van de duur van de opschorting van het vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt het volgende.
### 7.3. Inwilliging
In de gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, wordt door de IND aan de vreemdeling een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen, uitgereikt (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). De geldigheidsduur van het document W2 is altijd gelijk aan de periode dat de uitzetting achterwege wordt gelaten.
Na afloop van deze periode ontstaat van rechtswege (wederom) de rechtsplicht voor de vreemdeling om Nederland binnen vier weken te verlaten alsmede de bevoegdheid tot uitzetting. Er is derhalve geen nieuw besluit nodig. Dit is slechts anders indien de uitzetting achterwege blijft zonder dat daarbij een eindtermijn werd gesteld. In dat geval dient per separaat besluit te worden vastgesteld dat de uitzetting niet langer achterwege wordt gelaten, dan wel dat de uitzetting voor een bepaalde periode wederom achterwege zal blijven.
De IND informeert de DT&V dat de uitzetting tijdelijk achterwege wordt gelaten. Ingeval de vreemdeling aanspraak wenst te maken op de Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA.
Indien aan de voorwaarden van paragraaf A4/7.2.1.1 is voldaan kan [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) voorts worden toegepast ten aanzien van uitgeprocedeerde asielzoekers die een aanvraag hebben ingediend om toepassing van artikel 64 Vw, in afwachting van de definitieve besluitvorming.
Indien vastgesteld is dat alle relevante gegevens die nodig zijn om bij het BMA een medisch advies op te starten zijn overgelegd, wordt na indiening van de aanvraag, als op dat moment op de aanvraag nog niet beslist kan worden, [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toegepast in afwachting van een beslissing op de ingediende aanvraag.
In deze situatie wordt [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) verleend voor maximaal drie maanden of zoveel korter totdat een beslissing op de aanvraag is genomen. Artikel 64 Vw vervalt van rechtswege na ommekomst van de termijn of de bekendmaking van de beslissing op de aanvraag. Indien na drie maanden nog geen inhoudelijke beslissing is genomen, wordt de toepassing van artikel 64 Vw ambtshalve voor maximaal drie maanden opnieuw verleend.
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wordt de vreemdeling enkel in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), voor een periode van drie maanden of zoveel korter tot dat een beslissing op de aanvraag wordt genomen.
Indien [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is toegepast in afwachting van de definitieve besluitvorming geldt na afloop van de periode van de opschorting van het vertrek een vertrektermijn van vier weken.
Na afloop van deze periode ontstaat van rechtswege (wederom) de rechtsplicht voor de vreemdeling om Nederland binnen vier weken te verlaten alsmede de bevoegdheid tot uitzetting. Er is derhalve geen nieuw besluit nodig. Dit is slechts anders indien de uitzetting achterwege blijft zonder dat daarbij een eindtermijn werd gesteld. In dat geval dient per separaat besluit te worden vastgesteld dat de uitzetting niet langer achterwege wordt gelaten, dan wel dat de uitzetting voor een bepaalde periode wederom achterwege zal blijven.
Wanneer in de algemene procedure de asielaanvraag kan worden afgewezen maar BMA-onderzoek in het kader van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is opgestart of zal worden opgestart kan er in beginsel op de asielaanvraag worden beslist. Aan de vreemdeling zal in afwachting van een beslissing om toepassing van artikel 64 Vw, rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) worden verleend, ongeacht de mogelijkheid die de vreemdeling heeft tot indienen van beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel.
### 3.3. Uitreiking van de beschikking
In deze situatie wordt [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) verleend voor maximaal drie maanden of zoveel korter totdat een ambtshalve beslissing is genomen. Artikel 64 Vw vervalt van rechtswege na ommekomst van de termijn of de bekendmaking van de ambtshalve toetsing. Indien na drie maanden nog geen inhoudelijke beslissing is genomen, wordt de toepassing van artikel 64 Vw ambtshalve voor maximaal drie maanden opnieuw verleend.
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), voor een periode van drie maanden of zoveel korter tot dat een ambtshalve beslissing wordt genomen.
Indien [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is toegepast in afwachting van de definitieve besluitvorming geldt na afloop van de periode van de opschorting van het vertrek een vertrektermijn van vier weken.
In de verlengde procedure wordt de asielaanvraag niet eerder afgewezen dan het BMA-advies klaar is. Dit geldt bij voorkeur ook wanneer de medische problematiek zich gedurende de asielprocedure openbaart. In de verlengde procedure zal in beginsel geen [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) procedure in afwachting van de definitieve besluitvorming plaatsvinden. De beslistermijn kan conform [artikel 42 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=42) met maximaal 6 maanden verlengd worden.
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3 en [B1/4.5](onbekend).
Indien naar het oordeel van de IND geen reisbeletselen bestaan, wordt de vreemdeling hiervan onder verwijzing naar het medisch advies schriftelijk op de hoogte gebracht.
Het komt voor dat de medisch adviseur in zijn advies aangeeft dat de vreemdeling in staat is om te reizen, doch dat dit onder bepaalde voorwaarden dient te geschieden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een voorraad aan medicijnen van de vreemdeling tijdens en na de reis of het meenemen van medische gegevens.
De DT&V ziet erop toe dat aan deze voorwaarden is voldaan voordat de vreemdeling wordt uitgezet. Het opvragen en meenemen van het medisch dossier betreft een verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf. De vreemdeling of zijn raadsman wordt hierop gewezen door de DT&V.
Indien de vreemdeling beschikt over een ingevolge de Vw vereist geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door deIND een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) geplaatst, onder vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
Indien de vreemdeling niet beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), voor een periode van drie maanden of zoveel korter tot dat een ambtshalve beslissing wordt genomen.
Tegen de vaststelling dat de uitzetting niet achterwege blijft, staan op grond van [artikel 72 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=72) rechtsmiddelen open, namelijk het indienen van een bezwaarschrift bij de IND. Het indienen van een bezwaarschrift schort de vertrekplicht, uitzetting of eventuele beëindiging van de voorzieningen niet op.
De behandeling van een eerste, tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening mag in beginsel in Nederland worden afgewacht. Een verzoek om een voorlopige voorziening dient binnen 24 uur te zijn ingediend. Het indienen van dit verzoek levert geen rechtmatig verblijf op ingevolge [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en betekent evenmin dat de vreemdeling aanspraak maakt op de verstrekkingen ingevolge de Rva. De behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening mag niet hier te lande worden afgewacht indien redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich daartegen verzetten of het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst verloren zou gaan.
De behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening mag evenmin worden afgewacht indien er duidelijk sprake is van een poging van de vreemdeling om de uitzetting te frustreren. Hieronder wordt verstaan het aanspannen van (vervolg)procedures ten tijde van de op handen zijnde uitzetting, terwijl er geen medische indicaties bestaan waaruit zou moeten blijken dat de vreemdeling niet in staat zou zijn om te reizen. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om een verzoek om een voorlopige voorziening dat is ingediend naar aanleiding van een afgewezen aanvraag ingevolge [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) die redelijkerwijs veel eerder had kunnen en moeten worden ingediend. Het gaat hier om zaken waarbij de vreemdeling zich eerst op het moment dat de daadwerkelijke uitzetting dreigt, beroept op een bij hem lang bestaand medisch feit waarvan niet is vastgesteld dat het een beletsel is voor de uitzetting.
De vaststelling of er sprake is van het frustreren van de uitzetting dient plaats te vinden aan de hand van alle individuele omstandigheden van de zaak. De DT&V zal derhalve steeds per geval moeten beoordelen of het de vreemdeling te doen is de geplande uitzetting te frustreren of dat de behandeling van het verzoek in Nederland mag worden afgewacht. De DT&V dient hierover aan de IND een advies uit te brengen, waaraan door de IND bij de besluitvorming zwaarwegende betekenis wordt gegeven.
Voor de vaststelling van de in [artikel 65, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) genoemde termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van staande houden; de plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, kan op een tijdstip na zes maanden plaatsvinden.
In A2/7.1.3 is de terugvoerplicht voor vervoerders nader uitgewerkt.
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
Van ontvangen gelden dient schriftelijke opgave te worden gedaan aan de IND met gebruikmaking van het daartoe door de IND ontwikkelde formulier.
Uitgangspunt is dat de kosten van uitzetting ten laste van de uit te zetten vreemdelingen dienen te worden gebracht. Daarbij dient zo veel mogelijk gebruik te worden gemaakt van gegeven garanties of gedeponeerde gelden of reisbiljetten. Bovendien kunnen, in geval de vreemdeling niet kan betalen, de kosten van zijn uitzetting verhaalbaar zijn op derden.
### 9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
De DT&V ziet erop toe dat aan deze voorwaarden is voldaan voordat de vreemdeling wordt uitgezet. Het opvragen en meenemen van het medisch dossier betreft een verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf. De vreemdeling of zijn raadsman wordt hierop gewezen door de DT&V.
### 7.5. Rechtsmiddelen
De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of andere openbare lichamen kunnen op de vreemdeling zelf worden verhaald (zie [artikel 66 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66), juncto [artikel 6.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.4)). Voorzover deze minderjarig is, kunnen deze kosten worden verhaald op diegenen die het wettig gezag over hem uitoefenen. Aangezien het effectueren van deze verhaalsbevoegdheid niet tegen de uitdrukkelijke wil van de vreemdeling mag plaatsvinden, dient de vreemdeling een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen invordering van de noodzakelijke kosten van uitzetting door de vreemdelingenpolitie. Indien de vreemdeling wel bezwaar heeft tegen de effectuering van de verhaalsbevoegdheid dan kan de weg bewandeld worden om deze verhaalsbevoegdheid juridisch af te dwingen (civiele procedure). Voor de te volgen procedure kan contact opgenomen worden met de IND.
De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of andere openbare lichamen kunnen op de vreemdeling zelf worden verhaald (zie [artikel 66 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66), juncto [artikel 6.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.4)). Voorzover deze minderjarig is, kunnen deze kosten worden verhaald op diegenen die het wettig gezag over hem uitoefenen. Aangezien het effectueren van deze verhaalsbevoegdheid niet tegen de uitdrukkelijke wil van de vreemdeling mag plaatsvinden, dient de vreemdeling een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen invordering van de noodzakelijke kosten van uitzetting door de vreemdelingenpolitie. Indien de vreemdeling wel bezwaar heeft tegen de effectuering van de verhaalsbevoegdheid dan kan de weg bewandeld worden om deze verhaalsbevoegdheid juridisch af te dwingen (civiele procedure). Voor de te volgen procedure kan contact opgenomen worden met de IND.
Indien het niet binnen redelijke tijd mogelijk is de vreemdeling, conform de terugvoerplicht, naar een plaats buiten Nederland te vervoeren, dan kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland, waaronder ook de verblijfskosten kunnen worden begrepen, ingevolge [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65), juncto [artikel 6.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.3), op die vervoersonderneming worden verhaald. Zie voor een nadere uitwerking van deze bepaling A2/7.1.5.
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
### 9.1. Algemeen uitgangspunt
De IND doet schriftelijk de mededeling aan de vreemdelinge dat de uitzetting achterwege zal blijven. Ook de duur van de opschorting van het vertrek dient te worden vermeld.
Indien de vreemdelinge niet beschikt over een ingevolge de wet vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt het volgende.
In alle gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)wordt toegepast, wordt de vreemdelinge in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
In de gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, wordt door de vreemdelingenpolitie aan de vreemdelinge een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen, uitgereikt. De geldigheidsduur van het rechtmatig verblijf is gelijk aan de duur van het verleende uitstel van vertrek.
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3.
Indien de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een vreemdeling aantreft van wie de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) door een buitenlandse autoriteit wordt gevraagd dan bericht hij dat direct aan de afdeling SIRENE van de DNRI. Hij vermeldt daarbij de personalia van de vreemdeling, de autoriteit van wie het verzoek uitgaat en de vindplaats van de signalering.
De uitzetting van de vreemdeling en van zijn gezinsleden wordt opgeschort indien bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden TBC is geconstateerd. Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij gesloten TBC is geconstateerd bij deze vreemdeling of een van zijn gezinsleden en de overdracht van de vreemdeling zal plaatsvinden op grond van de verordening 343/2003 (Dublin verordening) dan wel overdracht zal plaatsvinden aan een bij de Dublinverordening aangesloten land waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen omdat de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten, tenzij de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat (zie hiervoor [C3/ 2.3.6.4](onbekend)). In het geval open TBC is geconstateerd bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden blijft de opschorting van uitzetting van kracht ongeacht het land waarnaar de uitzetting wordt beoogd.
Voor de toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wegens TBC is geen advies van het BMA nodig en is evenmin een toestemmingsverklaring [M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01) vereist. TBC wordt vastgesteld door overlegging aan de IND van een gedagtekende verklaring van een GG&GD-arts. Deze verklaring dient te vermelden dat de betrokkene TBC heeft en wat de te verwachten behandeltermijn is. De verklaring mag niet ouder zijn dan twee weken.
De behandeling van TBC duurt in het algemeen 9 tot 12 maanden. Na het verstrijken van de behandeltermijn kan de DT&V tot uitzetting overgaan.
Indien de vreemdeling niet in het bezit is van een document voor grensoverschrijding wordt hij in het bezit gesteld van een document W2, met een inlegvel, voorzien van een Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). In geval er wel een document voor grensoverschrijding aanwezig is, wordt door de IND een Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen aangebracht met vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
Indien de vreemdeling bij wie TBC is geconstateerd zich onttrekt aan de medische behandeling en er geen besmettingsgevaar aanwezig is, dan is er niet langer een reisbeletsel naar analogie van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
Onttrekt de vreemdeling zich aan de medische behandeling en er is een besmettingsgevaar aanwezig, dan is zijn uitzetting uit Nederland met het oog op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord te achten in de zin van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64). Vanwege het zich onttrekken aan de medische behandeling kan de vreemdeling niet uit Nederland worden verwijderd, maar hij vormt daarentegen wel een gevaar voor de algemene volksgezondheid. De [Wet Publieke Gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) kan in deze situatie uitkomst bieden. Deze wet regelt onder andere gedwongen opname (isolatie) bij gevaar voor de algemene volksgezondheid en gedwongen behandeling.
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3 en [B1/4.5](onbekend).
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
Ingevolge [artikel 65, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) kan een vreemdeling worden uitgezet door plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig in gebruik bij dezelfde vervoersonderneming als waarmee de vreemdeling Nederland is binnengekomen indien hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten danwel indien hij binnen zes maanden na binnenkomst met het oog op uitzetting is aangehouden.
Onder de toepassing van [artikel 65, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) vallen niet alleen vreemdelingen aan wie bij binnenkomst aanstonds de toegang is geweigerd, maar ook vreemdelingen – bijvoorbeeld bemanningsleden van schepen of transitpassagiers van vliegtuigen – aan wie aanvankelijk toegang is verleend maar die op illegale wijze zijn achtergebleven. Volledigheidshalve wordt vermeld dat ook verstekelingen onder deze regelgeving vallen.
Voor de vaststelling van de in [artikel 65, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) genoemde termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van staande houden; de plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, kan op een tijdstip na zes maanden plaatsvinden.
In A2/7.1.3 is de terugvoerplicht voor vervoerders nader uitgewerkt.
Onttrekt de vreemdeling zich aan de medische behandeling en er is een besmettingsgevaar aanwezig, dan is zijn uitzetting uit Nederland met het oog op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord te achten in de zin van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64). Vanwege het zich onttrekken aan de medische behandeling kan de vreemdeling niet uit Nederland worden verwijderd, maar hij vormt daarentegen wel een gevaar voor de algemene volksgezondheid. De [Wet Publieke Gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) kan in deze situatie uitkomst bieden. Deze wet regelt onder andere gedwongen opname (isolatie) bij gevaar voor de algemene volksgezondheid en gedwongen behandeling.
### 9.1. Algemeen uitgangspunt
Uitgangspunt is dat de kosten van uitzetting ten laste van de uit te zetten vreemdelingen dienen te worden gebracht. Daarbij dient zo veel mogelijk gebruik te worden gemaakt van gegeven garanties of gedeponeerde gelden of reisbiljetten. Bovendien kunnen, in geval de vreemdeling niet kan betalen, de kosten van zijn uitzetting verhaalbaar zijn op derden.
Nadat de vreemdeling tweemaal een bij [artikel 108 van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gesteld feit heeft begaan, wordt zijn ongewenstverklaring voorgesteld aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal. Het kan bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, betreffen overtredingen van de [artikelen 4.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37), [4.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38) en [4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39).
### 6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring
Onder de toepassing van [artikel 65, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) vallen niet alleen vreemdelingen aan wie bij binnenkomst aanstonds de toegang is geweigerd, maar ook vreemdelingen – bijvoorbeeld bemanningsleden van schepen of transitpassagiers van vliegtuigen – aan wie aanvankelijk toegang is verleend maar die op illegale wijze zijn achtergebleven. Volledigheidshalve wordt vermeld dat ook verstekelingen onder deze regelgeving vallen.
Indien het niet binnen redelijke tijd mogelijk is de vreemdeling, conform de terugvoerplicht, naar een plaats buiten Nederland te vervoeren, dan kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland, waaronder ook de verblijfskosten kunnen worden begrepen, ingevolge [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65), juncto [artikel 6.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.3), op die vervoersonderneming worden verhaald. Zie voor een nadere uitwerking van deze bepaling A2/7.1.5.
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
Van ontvangen gelden dient schriftelijke opgave te worden gedaan aan de IND met gebruikmaking van het daartoe door de IND ontwikkelde formulier.
In beginsel wordt een vreemdeling hangende de beslissing op een uitleveringsverzoek niet uitgezet. Veelal zullen echter enige dagen verstrijken voor het antwoord van de buitenlandse autoriteit omtrent het al dan niet indienen van een uitleveringsverzoek is ontvangen. In die gevallen zal door de buitenlandse autoriteit voorafgaand aan het formele verzoek om uitlevering om voorlopige aanhouding van de vreemdeling worden gevraagd. Zonodig kan aan dit verzoek worden voldaan.
De Korpschef of de Commandant der KMar stelt zich hierover op de gebruikelijke wijze in verbinding met de terzake bevoegde officier van justitie.
Wanneer vreemdelingen strafbare feiten plegen, is het van belang dat de vreemdelingrechtelijke consequenties hiervan worden bezien. Zoveel als mogelijk dienen criminele illegale vreemdelingen na ommekomst van hun straf uit Nederland te worden verwijderd, bij voorkeur vanuit strafrechtelijke detentie. Waar mogelijk moeten zij ook ongewenst worden verklaard (zie A5).
Wanneer gedurende de afhandeling van een verzoek om voorlopige aanhouding of uitlevering de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling wordt opgeschort, kan de situatie ontstaan dat zich een mogelijkheid om betrokkene uit te zetten niet meer op korte termijn zal voordoen. In dat geval dient de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen telefonisch contact op te nemen met de DT&V.
Uitlevering van een vreemdeling heeft een strafrechtelijk doel, namelijk het ter beschikking stellen van een persoon aan buitenlandse autoriteiten ten behoeve van hetzij een tegen de vreemdeling gericht strafrechtelijk onderzoek, hetzij de tenuitvoerlegging van een straf of strafrechtelijke maatregel. Uitlevering geschiedt uitsluitend krachtens verdrag en overeenkomstig de bepalingen van de [Uitleveringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002559). Uitlevering vindt bovendien slechts plaats op verzoek van een buitenlandse autoriteit. Indien een formeel uitleveringsverzoek is gedaan door het land waarnaar een vreemdeling zou moeten worden uitgezet of door een ander land, mogen er geen handelingen in die richting plaatsvinden totdat de uitleveringsprocedure is afgerond.
Indien de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een vreemdeling aantreft van wie de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) door een buitenlandse autoriteit wordt gevraagd dan bericht hij dat direct aan de afdeling SIRENE van de DNRI. Hij vermeldt daarbij de personalia van de vreemdeling, de autoriteit van wie het verzoek uitgaat en de vindplaats van de signalering.
De afdeling SIRENE vraagt onmiddellijk aan de buitenlandse autoriteit ten spoedigste te berichten of een uitleveringsverzoek zal worden ingediend. Het antwoord van de buitenlandse autoriteit wordt door de afdeling SIRENE zo spoedig mogelijk ter kennis van de Korpschef of de Commandant der KMar gebracht. Het verdient bovendien aanbeveling aanstonds contact op te nemen met het Ministerie van V&J. Het Ministerie van V&J zal het uitleveringsverzoek van de buitenlandse autoriteit ontvangen en in behandeling nemen.
### 5. Het inreisverbod en de ongewenstverklaring
De Korpschef of de Commandant der KMar stelt zich hierover op de gebruikelijke wijze in verbinding met de terzake bevoegde officier van justitie.
Indien de vreemdeling in vreemdelingenbewaring is gesteld, dient hij overgeplaatst te worden naar strafrechtelijke bewaring. De DT&V wordt hierover geïnformeerd.
Wanneer gedurende de afhandeling van een verzoek om voorlopige aanhouding of uitlevering de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling wordt opgeschort, kan de situatie ontstaan dat zich een mogelijkheid om betrokkene uit te zetten niet meer op korte termijn zal voordoen. In dat geval dient de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen telefonisch contact op te nemen met de DT&V.
Het inreisverbod wordt of kan worden opgelegd aan derdelanders, niet zijnde gemeenschapsonderdanen. Dit inreisverbod, dat tezamen met een terugkeerbesluit wordt opgelegd door de vreemdelingenpolitie, Koninklijke Marechaussee of de IND, wordt geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS).
Er bestaan bi- en multilaterale verdragen waarbij Nederland partij is die betrekking hebben op de terug- en overname van personen. Hierbij gaat het in het geval van terugname om eigen onderdanen en in het geval van overname om onderdanen van derde landen. Zo zijn er afspraken over terug- en overname tussen de Benelux-landen en hebben de Benelux en de EU terug- en overnameverdragen met derde landen. Daarnaast is er bijvoorbeeld een in Schengenverband afgesloten terug- en overnameovereenkomst met Polen en bevatten [Verordening 343/2003](32003R0343) en de Overeenkomst van Dublin (zie C3/2) terug- en overnamebepalingen. Verder bestaan er bilaterale verdragen tussen de EU/Nederland en derde landen (over uiteenlopende onderwerpen) met een terug- en overnameclausule en sluit Nederland met derde landen memoranda of understanding waarin uitvoeringsafspraken met betrekking tot de terug- en overname worden vastgelegd.
### 3.2. Voorbereiding
Of – en onder welke omstandigheden – ten behoeve van terug- of overname van een vreemdeling gebruik kan worden gemaakt van een verdrag of internationale overeenkomst (met bepalingen) over terug- en overname, kan worden nagegaan op de website van de vreemdelingenketen (zie A1/3). Over de te volgen procedure en uitvoeringsaspecten bij daadwerkelijke terug- of overname dient afstemming te worden gezocht met de DT&V.
Een aantekening over de ongewenstverklaring wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling gesteld, indien naar het oordeel van de Korpschef gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal proberen naar Nederland terug te keren. In het kader van de grensbewaking is de ambtenaar belast met grensbewaking bevoegd een aantekening te stellen in het reisdocument van de vreemdeling omtrent de reden van weigering toegang in verband met ongewenstverklaring, zie [artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29).
Binnen het vreemdelingenbeleid bestaan verschillende maatregelen, die ten doel hebben bepaalde vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer is toegestaan in Nederland te verblijven, uit ons land te weren.
Dit zijn:
Het inreisverbod wordt of kan worden opgelegd aan derdelanders, niet zijnde gemeenschapsonderdanen. Dit inreisverbod, dat tezamen met een terugkeerbesluit wordt opgelegd door de Vreemdelingenpolitie, Koninklijke Marechaussee, ZHP of de IND, wordt geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS).
### 4. Opheffing van de ongewenstverklaring
De signalering tot ongewenst vreemdeling is een uitvoeringsmaatregel die genomen wordt in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid. Deze signalering wordt toegepast ten aanzien van de vreemdeling aan wie geen inreisverbod ex [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan worden opgelegd en op wie evenmin de maatregel ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)van toepassing is (zie A3/9.2.3)
De in [artikel 66a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) neergelegde bevoegdheid wordt toegepast overeenkomstig het beleid zoals dat geldt ten aanzien van de ongewenstverklaring (paragraaf A5/10 Vc).
De gronden die in [artikel 66a, zevende lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) worden genoemd voor het opleggen van een inreisverbod zijn vrijwel gelijk aan de gronden die in [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) zijn neergelegd om tot ongewenstverklaring over te gaan. Ten aanzien van de a-grond van artikel 67 Vw geldt dat overeenkomstig het geldende beleid voor de ongewenstverklaring in een dergelijke situatie ook een inreisverbod wordt opgelegd.
De gronden waarop een inreisverbod kan worden opgelegd staan vermeld in [artikel 66a, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a).
Op grond van artikel 66a, eerste lid, Vw krijgt een vreemdeling een inreisverbod indien:
De gronden uit [artikel 66a, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) zijn imperatief. Op grond van artikel 66a, achtste lid, Vw is het echter mogelijk om vanwege humanitaire of andere redenen af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
Daarnaast kan op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw een inreisverbod worden opgelegd aan de vreemdeling, niet zijnde een gemeenschapsonderdaan, die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.
### 4.1. Inleiding
De in [artikel 66a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) neergelegde bevoegdheid wordt toegepast overeenkomstig het beleid zoals dat geldt ten aanzien van de ongewenstverklaring (paragraaf A5/10 Vc).
De in [artikel 66a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) neergelegde bevoegdheid wordt toegepast overeenkomstig het beleid zoals dat geldt ten aanzien van de ongewenstverklaring (paragraaf A5/10 Vc).
Op grond van [artikel 66a, zesde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan de vreemdeling die een inreisverbod heeft ontvangen of die is gesignaleerd ter fine van weigering van de toegang geen rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Uitzonderingen hierop zijn:
Door middel van [artikel 66a, zevende lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) wordt gewaarborgd dat de rechtsgevolgen van het inreisverbod voor het rechtmatig verblijf vergelijkbaar zijn met de gevolgen voor het rechtmatig verblijf in geval de vreemdeling ongewenst (ex [art. 67 Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)) zou zijn verklaard. Voor het overige is gewaarborgd dat het inreisverbod in vergelijkbare gevallen kan worden gegeven als waarin een ongewenstverklaring kan worden gegeven, doordat in het zevende lid de gronden voor de ongewenstverklaring, beschreven in artikel 67, eerste lid, onder b tot en met e, zijn overgenomen in artikel 66a, zevende lid, onderdelen a tot en met d. Ten aanzien van artikel 67, eerste lid, onder a, Vw geldt dat overeenkomstig het geldende beleid voor de ongewenstverklaring in een dergelijke situatie ook een inreisverbod wordt opgelegd. Voor een uitleg bij de onderdelen a, b en d van artikel 66a, zevende lid, Vw wordt verwezen naar A5/10.2 ad b tot en met e.
Het inreisverbod betekent dus dat behoudens genoemde uitzonderingen artikel 8 Vw niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdelingen – zolang het inreisverbod van kracht blijft – niet gedurende de ‘vrije termijn’ in Nederland mogen verblijven. Dit betekent ook dat in het kader van de grensbewaking aan deze vreemdelingen de toegang tot het grondgebied zal worden geweigerd. Evenmin is het hun toegestaan de behandeling van een aanvraag in Nederland af te wachten.
Vreemdelingen die een inreisverbod hebben en op wie [artikel 66a, zevende lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) niet van toepassing is, kunnen een verblijfsaanvraag indienen die verband houdt met een verblijfsdoel dat wordt genoemd in [art. 6.5(2) Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5). Dit geldt ook verblijfsaanvragen voor gezinshereniging/-vorming. Indien aan alle voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, dan bestaat aanleiding het lichte inreisverbod op te heffen.
### 4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
Verder wordt geen inreisverbod uitgevaardigd in de situatie als beschreven in [artikel 6.5, lid 1 of 2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5), tenzij de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Het verblijf in en de illegale terugkeer naar Nederland van de vreemdeling, die een inreisverbod heeft gekregen, is strafbaar, omdat de vreemdeling zich daardoor schuldig maakt aan een overtreding of een misdrijf.
De vreemdeling die een inreisverbod heeft gekregen met toepassing van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), is strafbaar op grond van [artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197) (misdrijf). Indien het inreisverbod is uitgevaardigd anders dan met toepassing van artikel 66a, lid 7, Vw, is de vreemdeling strafbaar op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) (overtreding).
Op grond van [artikel 62a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a) in combinatie met [artikel 66a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), waarin is bepaald dat het moet gaan om een vreemdeling die Nederland moet verlaten, is vereist dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod een terugkeerbesluit is vereist. Het inreisverbod wordt derhalve niet gegeven zonder dat er een terugkeerbesluit wordt of is gegeven, in respectievelijk dezelfde of een eerder gegeven beschikking.
### 3. Aan wie wordt geen inreisverbod opgelegd
### 5. Duur van het inreisverbod
Een inreisverbod kan wel uitgevaardigd worden bij uitreis uit Nederland.
Verder wordt geen inreisverbod uitgevaardigd in de situatie als beschreven in [artikel 6.5, eerste of tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5), tenzij de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
### 6.1. Inleiding
Als de vreemdeling in bovengenoemde situaties al eerder een inreisverbod is opgelegd, dan wordt dit inreisverbod inclusief de signalering opgeheven.
Indien de toets inderdaad tot deze conclusie leidt, kan de ongewenstverklaring op verzoek van de vreemdeling worden opgeheven. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing wordt in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.
Op grond van [artikel 62a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a) in combinatie met [artikel 66a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), waarin is bepaald dat het moet gaan om een vreemdeling die Nederland moet verlaten, is vereist dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod een terugkeerbesluit is vereist. Het inreisverbod wordt derhalve niet gegeven zonder dat er een terugkeerbesluit wordt of is gegeven, in respectievelijk dezelfde of een eerder gegeven beschikking.
Het inreisverbodhoeft niet altijd gelijktijdig met het terugkeerbesluit gegeven te zijn. Het kan zijn dat het terugkeerbesluit al in het verleden aan de vreemdeling is gegeven, terwijl hij sindsdien geen gehoor heeft gegeven aan de uitvoering van zijn terugkeerbesluit. In die situatie wordt het terugkeerbesluit aangevuld met een inreisverbod.
### 5. Duur van het inreisverbod
Op grond van [artikel 66a, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), bedraagt de duur van een inreisverbod niet langer dan vijf jaren, tenzij het inreisverbod is gegeven op grond dat de vreemdeling naar het oordeel van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een ernstige bedreiging vormt van de openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid.
### 6.3.1. Algemeen
De maximale duur van het inreisverbod is afhankelijk van het bepaalde in [artikel 6.5a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a). In dit artikel is reeds verdisconteerd de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan. Om die reden wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb staan genoemd.
### 6. Procedurele aspecten
### 6.1. Inleiding
Een inreisverbod kan worden uitgevaardigd door de (HOvJ van de) vreemdelingenpolitie, de ZHP, de KMar en de IND.
Nadat de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar de vreemdeling heeft geïnformeerd over het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt de vreemdeling overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie [B1/9.7.2](onbekend)).
### 5.3. Inhoud van het verzoek
Het verzoek dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
Op grond van [artikel 66a, achtste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan om humanitaire of andere redenen worden afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Daarom is het belangrijk dat de vreemdeling in staat gesteld wordt een reactie te geven op het voornemen om hem een inreisverbod op te leggen.
In de beschikking worden ook de rechtsgevolgen opgenomen. Voor de beroepsmogelijkheden tegen een dergelijke beschikking wordt verwezen naar paragraaf 6.6.
In de volgende gevallen vaardigt de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar een inreisverbod uit:
De vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar en IND zijn bevoegd om een inreisverbod uit te vaardigen, tenzij zij van oordeel zijn dat er gronden aanwezig zijn om een inreisverbod te geven onder toepassing van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a). In dat laatste geval wordt dat onmiddellijk na constatering daarvan kenbaar gemaakt aan de IND, hetzij middels een gemotiveerd voorstel ([model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-07-01&g=2012-07-01)), hetzij middels een ander gemotiveerd schrijven.
In de volgende gevallen vaardigt de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar een inreisverbod uit:
### 6.3.5. Verzoek signalering in (N)SIS
Middels de BVV wordt door VP, ZHP, KMar aan IND verzocht de vreemdeling in het (N)sis te signaleren.
Nadat de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar de vreemdeling heeft geïnformeerd over het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt de vreemdeling overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie [B1/9.7.2](onbekend)).
### 6.4.1. Gegevens
### 6.3.3. De beschikking
Het inreisverbod wordt per beschikking uitgevaardigd. In de beschikking moet naar voren komen hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) en hoe de verklaringen van de vreemdeling zijn meegewogen.
In de beschikking worden ook de rechtsgevolgen opgenomen. Voor de beroepsmogelijkheden tegen een dergelijke beschikking wordt verwezen naar paragraaf 6.6.
Uit de door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar aan de IND gezonden bescheiden dient duidelijk naar voren te komen of en hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht ingevolge [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8). Bij voorkeur is de vreemdeling mondeling gehoord en is van het gehoor een proces-verbaal opgemaakt. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies aan de IND alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het mogelijke inreisverbod en eventueel de verblijfsbeëindiging zo uitvoerig mogelijk worden belicht (zie [model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
### 6.3.5. Verzoek signalering in (N)SIS
Het origineel van de beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt. Van deze uitreiking wordt een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan
Op het voorstel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar maakt de IND een beschikking tot uitvaardiging van een inreisverbod. In de beschikking worden ook de rechtsgevolgen opgenomen. Voor de beroepsmogelijkheden tegen een dergelijke beschikking wordt verwezen naar A5/6.6.
Middels de BVV wordt door VP, ZHP, KMar aan IND verzocht de vreemdeling in het (N)sis te signaleren.
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
Het origineel van deze beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar. Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan.
Bij een voorstel tot het geven van een inreisverbod onder toepassing van [artikel 66a, lid 7, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) worden in ieder geval alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de IND gezonden. Het verdient aanbeveling dat de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar, in een zo vroeg mogelijk stadium berichten omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat zij niet wachten tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. Ten behoeve van de afstemming tussen de betrokken ketenpartners zijn in dit kader werkafspraken vastgelegd in het protocol VRIS (zie A4/10.1).
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt een afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens mededeling van de beschikking in de Stcrt plaats (zie [artikel 66a, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)).
Nadat de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar de vreemdeling heeft geïnformeerd over het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt de vreemdeling overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie [B1/9.7.2](onbekend)).
Uit de door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar aan de IND gezonden bescheiden dient duidelijk naar voren te komen of en hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht ingevolge [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8). Bij voorkeur is de vreemdeling mondeling gehoord en is van het gehoor een proces-verbaal opgemaakt. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies aan de IND alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het mogelijke inreisverbod en eventueel de verblijfsbeëindiging zo uitvoerig mogelijk worden belicht (zie [model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
Naast de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar kan ook de IND uitvoering geven aan de hoorplicht. Hierbij valt te denken aan de situatie waarin bij de afhandeling van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier een inbreuk op de openbare orde wordt geconstateerd, welke dermate ernstig is dat een inreisverbod ex [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) is geïndiceerd. Het vorenstaande laat onverlet dat er situaties kunnen zijn, waarin horen door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar desalniettemin meer voor de hand ligt.
Na uitreiking van de beschikking draagt de IND zorg voor het signaleren van de vreemdeling in het (N)SIS.
Op het voorstel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar maakt de IND een beschikking tot uitvaardiging van een inreisverbod. In de beschikking worden ook de rechtsgevolgen opgenomen. Voor de beroepsmogelijkheden tegen een dergelijke beschikking wordt verwezen naar A5/6.6.
### 6.4.4. Uitreiking van de beschikking
### 6.4.3. Inhoud van de aanvraag
Het origineel van deze beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar. Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan.
Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
### 1.2. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.
In aanvulling op paragraaf 6.4.4 kan ook de IND het origineel van de beschikking in persoon aan de vreemdeling uitreiken. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan.
Na uitreiking van de beschikking draagt de IND zorg voor het signaleren van de vreemdeling in het (N)SIS.
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt een afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens mededeling van de beschikking in de Stcrt plaats (zie [artikel 66a, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)).
Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.
### 4.3.1. Het doel
Dit kan bijvoorbeeld indien de informatie zoals vermeld in paragraaf 6.4 bij de IND bekend is geworden in het kader van de behandeling van een verblijfsaanvraag, intrekking of niet-verlenging van een verblijfsvergunning.
Daarnaast kan de IND een inreisverbod geven in een meeromvattende beschikking, indien:
De IND draagt er dan wel zorg voor toepassing te geven aan hetgeen gesteld is in paragraaf 6.4.2. Indien overwogen wordt om een inreisverbod te geven bij de afwijzing van een asielaanvraag, dan kan het voornemen tot het geven van een inreisverbod worden meegenomen in de voornemenprocedure.
Het indienen van een bezwaarschrift of beroepschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaar of beroepsschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie [artikel 6:16 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:16)).
Paragrafen 6.4.3, 6.4.4 en 6.4.5. zijn van overeenkomstige toepassing.
In aanvulling op paragraaf 6.4.4 kan ook de IND het origineel van de beschikking in persoon aan de vreemdeling uitreiken. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan.
### 1.2. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt een afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens mededeling van de beschikking in de Stcrt plaats (zie [artikel 66a, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)).
### 6.6. Bezwaar en beroep
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.
### 6.6. Bezwaar en beroep
Op grond van [artikel 75, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) staat tegen een terugkeerbesluit dat wordt aangevuld met een inreisverbod beroep open bij de rechtbank ’s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer). Het indienen van een beroepschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het beroepsschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie [artikel 6:16 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:16)).
Indien het inreisverbod deel uitmaakt van een meeromvattende beschikking in een toelatingsprocedure wordt de bezwaar- en/of beroepsmogelijkheid gevolgd van de hoofdprocedure.
### 6.7. Stellen van aantekeningen
Een aantekening over het inreisverbod wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling gesteld, indien naar het oordeel van de Korpschef of (Commandant der) KMar gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal proberen naar één van de Schengenlanden terug te keren. In het kader van de grensbewaking is de ambtenaar belast met grensbewaking bevoegd een aantekening te stellen in het reisdocument van de vreemdeling omtrent de reden van weigering toegang in verband met het inreisverbod, zie [artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder j, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29).
### 7.1. Algemeen
### 6.8. Signalering in verband met het inreisverbod
Op grond van [artikel 3.103b, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103b) wordt een inreisverbod geregistreerd in het Schengen Informatiesysteem. Hiervoor wordt verder verwezen naar A3/9.
Een opgelegde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie [artikel 37 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie [artikel 38m WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m)) dan wel een inrichting voor jeugdigen (zie [artikel 77h, vierde lid, onder a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h)) alsook ter beschikkingstelling (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
Een opgelegde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie [artikel 37 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie [artikel 38m WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m)) dan wel een inrichting voor jeugdigen (zie [artikel 77h, vierde lid, onder a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h)) alsook ter beschikkingstelling (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject) dan wel een combinatie van beide. De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In geval van een veroordeling tot een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat, met inachtneming van het bovenstaande, de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf (zie de [artikelen 22, c en d, WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22)).
### 10.1. Protocol VRIS
Wanneer vreemdelingen strafbare feiten plegen, is het van belang dat de vreemdelingrechtelijke consequenties hiervan worden bezien. Zoveel als mogelijk dienen criminele illegale vreemdelingen na ommekomst van hun straf uit Nederland te worden verwijderd, bij voorkeur vanuit strafrechtelijke detentie. Waar mogelijk moeten zij ook ongewenst worden verklaard (zie A5).
De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of andere openbare lichamen kunnen op de vreemdeling zelf worden verhaald (zie [artikel 66 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66), juncto [artikel 6.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.4)). Voorzover deze minderjarig is, kunnen deze kosten worden verhaald op diegenen die het wettig gezag over hem uitoefenen. Aangezien het effectueren van deze verhaalsbevoegdheid niet tegen de uitdrukkelijke wil van de vreemdeling mag plaatsvinden, dient de vreemdeling een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen invordering van de noodzakelijke kosten van uitzetting door de vreemdelingenpolitie. Indien de vreemdeling wel bezwaar heeft tegen de effectuering van de verhaalsbevoegdheid dan kan de weg bewandeld worden om deze verhaalsbevoegdheid juridisch af te dwingen (civiele procedure). Voor de te volgen procedure kan contact opgenomen worden met de IND.
Uitlevering van een vreemdeling heeft een strafrechtelijk doel, namelijk het ter beschikking stellen van een persoon aan buitenlandse autoriteiten ten behoeve van hetzij een tegen de vreemdeling gericht strafrechtelijk onderzoek, hetzij de tenuitvoerlegging van een straf of strafrechtelijke maatregel. Uitlevering geschiedt uitsluitend krachtens verdrag en overeenkomstig de bepalingen van de [Uitleveringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002559). Uitlevering vindt bovendien slechts plaats op verzoek van een buitenlandse autoriteit. Indien een formeel uitleveringsverzoek is gedaan door het land waarnaar een vreemdeling zou moeten worden uitgezet of door een ander land, mogen er geen handelingen in die richting plaatsvinden totdat de uitleveringsprocedure is afgerond.
Indien de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een vreemdeling aantreft van wie de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) door een buitenlandse autoriteit wordt gevraagd dan bericht hij dat direct aan de afdeling SIRENE van de DNRI. Hij vermeldt daarbij de personalia van de vreemdeling, de autoriteit van wie het verzoek uitgaat en de vindplaats van de signalering.
De afdeling SIRENE vraagt onmiddellijk aan de buitenlandse autoriteit ten spoedigste te berichten of een uitleveringsverzoek zal worden ingediend. Het antwoord van de buitenlandse autoriteit wordt door de afdeling SIRENE zo spoedig mogelijk ter kennis van de Korpschef of de Commandant der KMar gebracht. Het verdient bovendien aanbeveling aanstonds contact op te nemen met het Ministerie van V&J. Het Ministerie van V&J zal het uitleveringsverzoek van de buitenlandse autoriteit ontvangen en in behandeling nemen.
In beginsel wordt een vreemdeling hangende de beslissing op een uitleveringsverzoek niet uitgezet. Veelal zullen echter enige dagen verstrijken voor het antwoord van de buitenlandse autoriteit omtrent het al dan niet indienen van een uitleveringsverzoek is ontvangen. In die gevallen zal door de buitenlandse autoriteit voorafgaand aan het formele verzoek om uitlevering om voorlopige aanhouding van de vreemdeling worden gevraagd. Zonodig kan aan dit verzoek worden voldaan.
De Korpschef of de Commandant der KMar stelt zich hierover op de gebruikelijke wijze in verbinding met de terzake bevoegde officier van justitie.
Indien de vreemdeling in vreemdelingenbewaring is gesteld, dient hij overgeplaatst te worden naar strafrechtelijke bewaring. De DT&V wordt hierover geïnformeerd.
Wanneer gedurende de afhandeling van een verzoek om voorlopige aanhouding of uitlevering de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling wordt opgeschort, kan de situatie ontstaan dat zich een mogelijkheid om betrokkene uit te zetten niet meer op korte termijn zal voordoen. In dat geval dient de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen telefonisch contact op te nemen met de DT&V.
Is de vreemdelingenpolitie of de KMar van oordeel dat er gronden aanwezig zijn tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan maken zij dat onverwijld kenbaar aan de IND, hetzij middels een gemotiveerd voorstel ([model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-01-01&g=2012-01-01)), hetzij middels een ander gemotiveerd schrijven. In ieder geval dienen alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de IND te worden gezonden. Gelet op de bewoordingen van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67), kan de IND, indien op andere wijze is gebleken dat er gronden aanwezig zijn tot ongewenstverklaring, ook ambtshalve tot ongewenstverklaring overgegaan.
Er bestaan bi- en multilaterale verdragen waarbij Nederland partij is die betrekking hebben op de terug- en overname van personen. Hierbij gaat het in het geval van terugname om eigen onderdanen en in het geval van overname om onderdanen van derde landen. Zo zijn er afspraken over terug- en overname tussen de Benelux-landen en hebben de Benelux en de EU terug- en overnameverdragen met derde landen. Daarnaast is er bijvoorbeeld een in Schengenverband afgesloten terug- en overnameovereenkomst met Polen en bevatten [Verordening 343/2003](32003R0343) en de Overeenkomst van Dublin (zie C3/2) terug- en overnamebepalingen. Verder bestaan er bilaterale verdragen tussen de EU/Nederland en derde landen (over uiteenlopende onderwerpen) met een terug- en overnameclausule en sluit Nederland met derde landen memoranda of understanding waarin uitvoeringsafspraken met betrekking tot de terug- en overname worden vastgelegd.
Of – en onder welke omstandigheden – ten behoeve van terug- of overname van een vreemdeling gebruik kan worden gemaakt van een verdrag of internationale overeenkomst (met bepalingen) over terug- en overname, kan worden nagegaan op de website van de vreemdelingenketen (zie A1/3). Over de te volgen procedure en uitvoeringsaspecten bij daadwerkelijke terug- of overname dient afstemming te worden gezocht met de DT&V.
### 5. Het inreisverbod en de ongewenstverklaring
In beginsel wordt een vreemdeling hangende de beslissing op een uitleveringsverzoek niet uitgezet. Veelal zullen echter enige dagen verstrijken voor het antwoord van de buitenlandse autoriteit omtrent het al dan niet indienen van een uitleveringsverzoek is ontvangen. In die gevallen zal door de buitenlandse autoriteit voorafgaand aan het formele verzoek om uitlevering om voorlopige aanhouding van de vreemdeling worden gevraagd. Zonodig kan aan dit verzoek worden voldaan.
Binnen het vreemdelingenbeleid bestaan verschillende maatregelen, die ten doel hebben bepaalde vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer is toegestaan in Nederland te verblijven, uit ons land te weren.
Dit zijn:
Het inreisverbod wordt of kan worden opgelegd aan derdelanders, niet zijnde gemeenschapsonderdanen. Dit inreisverbod, dat tezamen met een terugkeerbesluit wordt opgelegd door de vreemdelingenpolitie, Koninklijke Marechaussee of de IND, wordt geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS).
Met de invoering van het inreisverbod zal de verklaring tot ongewenst vreemdeling nog zelden voorkomen. Dit is bijvoorbeeld nog wel mogelijk indien een vreemdeling de toegang is geweigerd. De ongewenstverklaring op grond van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) zal in beginsel beperkt blijven tot gemeenschapsonderdanen en vreemdelingen die niet in Nederland verblijven of aan wie de toegang is geweigerd.
### 3.2. Voorbereiding
Of – en onder welke omstandigheden – ten behoeve van terug- of overname van een vreemdeling gebruik kan worden gemaakt van een verdrag of internationale overeenkomst (met bepalingen) over terug- en overname, kan worden nagegaan op de website van de vreemdelingenketen (zie A1/3). Over de te volgen procedure en uitvoeringsaspecten bij daadwerkelijke terug- of overname dient afstemming te worden gezocht met de DT&V.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst IPOL, (inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland een inreisverbod worden opgelegd. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
Indien het voornemen bestaat een uitzondering te maken op a – c vindt overleg tussen de inbewaringstellende instantie en de DT&V plaats.
### 7.1. Algemeen
Ingevolge [artikel 66b, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66b) kan ambtshalve dan wel op aanvraag worden beslist tot opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod. De redenen voor een mogelijke opheffing staan beschreven in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b).
### 7.2. De vorm van de aanvraag
Paragraaf 10.4.4 is verder van overeenkomstige toepassing.
De aanvraag om opheffing van het inreisverbod wordt ingediend bij de IND, wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het volledige adres van de vreemdeling, de dagtekening en de aanduiding dat verzocht wordt om opheffing van de maatregel van het inreisverbod (zieA5/4).
### 7.3. De inhoud van de aanvraag
In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
Bij de aanvraag dient de vreemdeling in ieder geval de informatie te leveren als voorgeschreven in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b).
De IND beslist op een aanvraag om opheffing van het inreisverbod. Indien de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen beroep instellen bij de rechtbank.
Indien de aanvraag wordt ingewilligd, wordt de signalering uit de systemen verwijderd (zie A3/9.2).
De aanvraag tot opheffing van het inreisverbod wordt afgewezen, indien de gegevens bedoeld in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b) niet zijn aangeleverd of indien blijkt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6.5b Vb.
Tevens geldt dat op grond van [artikel 6.5, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5), het inreisverbod wordt opgeheven, indien zich een van de gevallen uit het tweede lid van artikel 6.5 Vb voordoet, tenzij er sprake van is dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid (artikel 6.5, vierde lid, Vb)
Paragraaf 10.4.4 is verder van overeenkomstige toepassing.
Een verzoek om opheffing van een inreisverbod dat is gegeven op grond van een ernstig gevaar voor de nationale veiligheid, als bedoeld in [artikel 6.5a, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a), kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds het inreisverbod en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de AIVD kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een ernstig gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal het inreisverbod worden gehandhaafd door het te verlengen. De signalering wordt in dat geval gehandhaafd.
### 2.2. Het doel
In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
### 7.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
De IND beslist op een aanvraag om opheffing van het inreisverbod. Indien de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen beroep instellen bij de rechtbank.
### 8. Tijdelijke opheffing van het inreisverbod
### 2.5. De vorm
De ongewenstverklaring betekent tevens dat [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdelingen – zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft – niet gedurende de ‘vrije termijn’ in Nederland mogen verblijven en geen andere titel tot verblijf kunnen verkrijgen. Dit betekent tevens dat in het kader van de grensbewaking aan deze vreemdelingen de toegang tot het grondgebied zal worden geweigerd. Evenmin is het hun toegestaan de behandeling van een aanvraag in Nederland af te wachten. Tevens kan naar aanleiding van de ongewenstverklaring, de vreemdeling als ongewenst worden gesignaleerd in het OPS of (N)SIS (zie A3/9).
### 10.2. Gronden voor ongewenstverklaring
Paragraaf 10.5 is van overeenkomstige toepassing
### 9. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
Het inreisverbod is niet van toepassing op:
### 10. Ongewenstverklaring
Onderstaande paragraaf is van toepassing op die vreemdelingen, aan wie op grond van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) geen inreisverbod kan worden uitgevaardigd.
### 10.1. Inleiding
De ongewenstverklaring betreft een administratieve maatregel die ten doel heeft bepaalde vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer is toegestaan in Nederland te verblijven, uit ons land te weren.
### 10.2. Gronden voor ongewenstverklaring
De ongewenstverklaring betekent tevens dat [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdelingen – zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft – niet gedurende de ‘vrije termijn’ in Nederland mogen verblijven en geen andere titel tot verblijf kunnen verkrijgen. Dit betekent tevens dat in het kader van de grensbewaking aan deze vreemdelingen de toegang tot het grondgebied zal worden geweigerd. Evenmin is het hun toegestaan de behandeling van een aanvraag in Nederland af te wachten. Tevens kan naar aanleiding van de ongewenstverklaring, de vreemdeling als ongewenst worden gesignaleerd in het OPS of (N)SIS (zie A3/9).
Het is niet vereist dat de uitspraak of strafbeschikking waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.
De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)):
### 2.7. De duur
### 3. Verblijf
Het betreft hier vreemdelingen van wie het verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd conform het hiervoor geldende beleid. Het kan hier gaan om zowel intrekking als het niet-verlengen van de verblijfsvergunning (zie [B1/5.3.6](onbekend), [C5/3](onbekend), [C8/3](onbekend) en [C8/5](onbekend)).
Indien een vreemdeling terbeschikking is gesteld (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) kan dit met zich meebrengen dat het verblijfsrecht eerst bij verlenging van die maatregel met toepassing van de glijdende schaal kan worden beëindigd en tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan. De verlenging kan immers betekenen dat wordt voldaan aan de betreffende norm van [artikel 3.86, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Zo spoedig mogelijk nadat een rechterlijk vonnis waarin verlenging van de TBS-maatregel is uitgesproken onherroepelijk is geworden zal (opnieuw) worden beoordeeld of tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan.
Het betreft hier vreemdelingen die niet rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning noch op basis van het Gemeenschapsrecht, de Overeenkomst EG-Zwitserland of het Associatiebesluit 1/80 hier te lande verblijven. Niet is vereist dat deze vreemdelingen zich feitelijk in Nederland bevinden.
### 3.2. Het doel
Een opgelegde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie [artikel 37 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie [artikel 38m WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m)) dan wel een inrichting voor jeugdigen (zie [artikel 77h, vierde lid, onder a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h)) alsook ter beschikkingstelling (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject) dan wel een combinatie van beide. De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In geval van een veroordeling tot een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat, met inachtneming van het bovenstaande, de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf (zie de [artikelen 22, c en d, WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22)).
Het is niet vereist dat de uitspraak of strafbeschikking waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst IPOL, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
Voor zover deze vreemdelingen een aanvraag indienen of hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning of afgifte van een mvv, wordt die aanvraag afgewezen (zie [B1/4.4.1](onbekend)).
Een vreemdeling die in één van de Benelux- of Schengenstaten ongewenst is verklaard, kan op een met redenen omkleed verzoek van één der lidstaten ook voor de andere lidstaten ongewenst worden verklaard.
### 3.4. De toepassing
Bij de toepassing van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.
### 10.3. Procedurele aspecten
### 10.3.1. Indienen van een voorstel
De IND geeft in beginsel uitvoering aan de hoorplicht in andere dan de genoemde situaties. Hierbij valt te denken aan de situatie waarin bij de afhandeling van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier een inbreuk op de openbare orde wordt geconstateerd, welke dermate ernstig is dat ongewenstverklaring van de vreemdeling ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) is geïndiceerd. Het vorenstaande laat onverlet dat er situaties kunnen zijn, waarin horen door de vreemdelingenpolitie of de KMar desalniettemin meer voor de hand ligt.
Het verdient aanbeveling dat de vreemdelingenpolitie of de KMar, in een zo vroeg mogelijk stadium bericht omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat zij niet wachten tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. Ten behoeve van de afstemming tussen de betrokken ketenpartners zijn in dit kader werkafspraken vastgelegd in het protocol VRIS (zie A4/10.1).
### 10.3.2. Voorbereiding
Het verdient aanbeveling dat de vreemdelingenpolitie of de KMar, in een zo vroeg mogelijk stadium bericht omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat zij niet wachten tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. Ten behoeve van de afstemming tussen de betrokken ketenpartners zijn in dit kader werkafspraken vastgelegd in het protocol VRIS (zie A4/10.1).
### 10.3.2. Voorbereiding
Overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie [B1/9.7.2](onbekend)).
Aan de hoorplicht ingevolge de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wordt in beginsel door de vreemdelingenpolitie uitvoering gegeven.
De vreemdelingenpolitie of de KMar geeft in ieder geval uitvoering aan de hoorplicht indien
### 10.3.4. Bezwaar en beroep
Door de vreemdeling genoemde personen, die volgens zijn verklaring iets in zijn voordeel zouden kunnen aanvoeren, moeten zoveel mogelijk (schriftelijk) worden gehoord. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies tot verblijfsbeëindiging tevens aan de IND alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de mogelijke ongewenstverklaring zo uitvoerig mogelijk worden belicht (zie [model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-07-01&g=2012-07-01)).
De IND geeft in beginsel uitvoering aan de hoorplicht in andere dan de genoemde situaties. Hierbij valt te denken aan de situatie waarin bij de afhandeling van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier een inbreuk op de openbare orde wordt geconstateerd, welke dermate ernstig is dat ongewenstverklaring van de vreemdeling ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) is geïndiceerd. Het vorenstaande laat onverlet dat er situaties kunnen zijn, waarin horen door de vreemdelingenpolitie of de KMar desalniettemin meer voor de hand ligt.
### 10.3.3. uitreiking van de beschikking
### 10.3.6. Stellen van aantekeningen
Het origineel van deze beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de vreemdelingenpolitie of de KMar.
Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar tevens een brochure in een voor de betrokkene begrijpelijke taal met betrekking tot de ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) verstrekt. Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze – met de brochure– per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens publicatie van de beschikking in de Stcrt. plaats (zie [artikel 67, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)).
Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking – met de brochure – aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.
### 10.3.4. Bezwaar en beroep
Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling met toepassing van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst is verklaard kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank ’s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer) open.
De ongewenstverklaring wordt op verzoek in ieder geval opgeheven indien er sinds de ongewenstverklaring en het vertrek van de vreemdeling tien jaren (een geweldsdelict, een opiumdelict of een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd), vijf jaren (ingeval van een ander misdrijf), of één jaar (ingeval van het bij herhaling begaan van een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gesteld feit) is verstreken en de vreemdeling gedurende die periode niet aan strafvervolging ter zake van een misdrijf is onderworpen.
### 5.2.1. De bevoegdheid
### 10.3.6. Stellen van aantekeningen
Een aantekening over de ongewenstverklaring wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling gesteld, indien naar het oordeel van de Korpschef gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal proberen naar Nederland terug te keren. In het kader van de grensbewaking is de ambtenaar belast met grensbewaking bevoegd een aantekening te stellen in het reisdocument van de vreemdeling omtrent de reden van weigering toegang in verband met ongewenstverklaring, zie [artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29).
De gronden waarop een inreisverbod kan worden opgelegd staan vermeld in [artikel 66a, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a).
Op grond van [artikel 66a, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) krijgt een vreemdeling een inreisverbod indien:
De gronden uit [artikel 66a Vw, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), zijn imperatief. Op grond van artikel 66a, achtste lid Vw is het echter mogelijk om vanwege humanitaire of andere redenen af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
### 4. Opheffing van de ongewenstverklaring
Hierbij kan gedacht worden aan een vreemdeling die een gevaar is voor de openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid, indien er redenen bestaan om in een dergelijk geval de vreemdeling – in afwijking van [artikel 62, tweede lid, onder c Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) – een vertrektermijn te gunnen.
De in [artikel 66a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) neergelegde bevoegdheid wordt toegepast overeenkomstig het beleid zoals dat geldt ten aanzien van de ongewenstverklaring (paragraaf A5/10 Vc).
De gronden die in [artikel 66a, zevende lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) worden genoemd voor het opleggen van een inreisverbod zijn vrijwel gelijk aan de gronden die in [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) zijn neergelegd om tot ongewenstverklaring over te gaan. Ten aanzien van de a-grond van artikel 67 Vw geldt dat overeenkomstig het geldende beleid voor de ongewenstverklaring in een dergelijke situatie ook een inreisverbod wordt opgelegd.
De vreemdeling aan wie een inreisverbod is opgelegd, wordt gesignaleerd in (N)SIS (zie A3/9).
De gronden waarop een inreisverbod kan worden opgelegd staan vermeld in [artikel 66a, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a).
Op grond van [artikel 66a, zesde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan de vreemdeling die een inreisverbod heeft ontvangen of die is gesignaleerd ter fine van weigering van de toegang geen rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Uitzonderingen hierop zijn:
### 4.1. Inleiding
Het inreisverbod betekent dus dat behoudens genoemde uitzonderingen [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdelingen – zolang het inreisverbod van kracht blijft – niet gedurende de ‘vrije termijn’ in Nederland mogen verblijven en geen andere titel tot verblijf kunnen verkrijgen. Dit betekent ook dat in het kader van de grensbewaking aan deze vreemdelingen de toegang tot het grondgebied zal worden geweigerd. Evenmin is het hun toegestaan de behandeling van een aanvraag in Nederland af te wachten.
De in [artikel 66a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) neergelegde bevoegdheid wordt toegepast overeenkomstig het beleid zoals dat geldt ten aanzien van de ongewenstverklaring (paragraaf A5/10 Vc).
Het verblijf in en de illegale terugkeer naar Nederland van de vreemdeling, die een inreisverbod heeft gekregen, is strafbaar, omdat de vreemdeling zich daardoor schuldig maakt aan een overtreding of een misdrijf.
De vreemdeling die een inreisverbod heeft gekregen met toepassing van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), is strafbaar op grond van [artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197) (misdrijf). Indien het inreisverbod is uitgevaardigd anders dan met toepassing van artikel 66a, lid 7, Vw, is de vreemdeling strafbaar op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) (overtreding).
Het stellen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Indien door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land zou worden bemoeilijkt, mag de aantekening omtrent ongewenstverklaring niet in het document voor grensoverschrijding worden aangetekend (zie [artikel 4.34, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.34)). De hier bedoelde aantekening luidt: ‘ongewenst verklaard op (datum beschikking Minister)’. Aantekeningen mogen nimmer worden geplaatst in de grensoverschrijdingsdocumenten of identiteitsbewijzen van asielzoekers (zie A3/5.2.1).
### 10.3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring
Voor wat betreft de signalering van de ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) in de systemen wordt verwezen naar A3/9.2.
Ingevolge [artikel 68, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=68) kan slechts op aanvraag worden beslist tot opheffing van de ongewenstverklaring. Het eerste lid van [artikel 6.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6) heeft betrekking op de termijn waarna de ongewenstverklaring op aanvraag in ieder geval wordt opgeheven. Dit heeft het karakter van een bovengrens.
De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend bij de IND, wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het volledige adres van de vreemdeling, de dagtekening en de aanduiding dat verzocht wordt om opheffing van de maatregel van ongewenstverklaring (zie A5/4).
Ingevolge [artikel 68, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=68) kan slechts op aanvraag worden beslist tot opheffing van de ongewenstverklaring. Het eerste lid van [artikel 6.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6) heeft betrekking op de termijn waarna de ongewenstverklaring op aanvraag in ieder geval wordt opgeheven. Dit heeft het karakter van een bovengrens.
### 5.1. Het doel van de maatregelen van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
Bij de vaststelling van de bovengrens is er vanuit gegaan dat na het verstrijken van de termijn het gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (in aanvaardbare mate) is geweken dan wel dat het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, in redelijkheid dient te wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling.
Indien zwaarwegende belangen zich naar het oordeel van onze Minister verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, bedraagt deze termijn tien jaren (zie [artikel 6.6, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6)). Toepassing hiervan vergt een afweging tussen de rechtstreeks in het geding zijnde individuele belangen.
In [artikel 6.6, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6) is opgenomen wanneer de termijnen opnieuw aanvangen.
Een verzoek om opheffing van een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de AIVD kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal de ongewenstverklaring worden gehandhaafd.
### 10.4.2. De vorm van de aanvraag
Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Het algemeen belang van de Staat kan alleen wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden van het individuele geval die bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens) niet zijn betrokken. In ieder geval kan het enkele gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet worden aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid.
Nu bovenstaande omstandigheden reeds betrokken zijn bij de beoordeling of betrokkene ongewenst kon worden verklaard, en hieraan niet in de weg hebben gestaan, wordt bij de beoordeling omtrent de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring gekeken of er een wijziging in deze omstandigheden is opgetreden. Immers, indien er geen wijziging is in de feiten en omstandigheden ten opzichte van de datum van de in rechte onaantastbare beschikking tot ongewenstverklaring, kan in redelijkheid niet worden gezegd dat er aan het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring bijzondere feiten en omstandigheden ten grondslag liggen.
De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend bij de IND, wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het volledige adres van de vreemdeling, de dagtekening en de aanduiding dat verzocht wordt om opheffing van de maatregel van ongewenstverklaring (zie A5/4).
### 10.4.3. De inhoud van de aanvraag
Bij de aanvraag dient de vreemdeling in ieder geval de volgende informatie te leveren (zie [artikel 6.6 vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6)):
Op grond van [artikel 66a, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) wordt geen inreisverbod opgelegd aan diegene die gemeenschapsonderdaan is of op wie [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) van toepassing is.
Daarnaast wordt ook geen inreisverbod uitgevaardigd, als:
### 4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
Verder wordt geen inreisverbod uitgevaardigd in de situatie als beschreven in [artikel 6.5, lid 1 of 2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5), tenzij de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Als de vreemdeling in bovengenoemde situaties al eerder een inreisverbod is opgelegd, dan wordt dit inreisverbod inclusief de signalering opgeheven.
Het verblijf in en de illegale terugkeer naar Nederland van de vreemdeling, die een inreisverbod heeft gekregen, is strafbaar, omdat de vreemdeling zich daardoor schuldig maakt aan een overtreding of een misdrijf.
Op grond van [artikel 62a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a) in combinatie met [artikel 66a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), waarin is bepaald dat het moet gaan om een vreemdeling die Nederland moet verlaten, is vereist dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod een terugkeerbesluit is vereist. Het inreisverbod wordt derhalve niet gegeven zonder dat er een terugkeerbesluit wordt of is gegeven, in respectievelijk dezelfde of een eerder gegeven beschikking.
### 3. Aan wie wordt geen inreisverbod opgelegd
### 5. Duur van het inreisverbod
Op grond van [artikel 66a, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), bedraagt de duur van een inreisverbod niet langer dan vijf jaren, tenzij het inreisverbod is gegeven op grond dat de vreemdeling naar het oordeel van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een ernstige bedreiging vormt van de openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid.
Om te voldoen aan de verplichting die is neergelegd in de Richtlijn Terugkeer om de duur te bepalen volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval is in [artikel 6.5a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a) opgenomen dat de duur niet meer mag bedragen dan de daar vermelde maximumduur, die afhankelijk is van de reden waarom het inreisverbod wordt opgelegd.
### 6.1. Inleiding
Als de vreemdeling in bovengenoemde situaties al eerder een inreisverbod is opgelegd, dan wordt dit inreisverbod inclusief de signalering opgeheven.
Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d kan achterwege blijven indien het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.
De term duurzaam onder a. houdt ten eerste in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.
### 5.3.1. Het doel
### 5.2.3. De tenuitvoerlegging
In het geval de ongewenstverklaarde vreemdeling in Nederland wenst te verblijven bij familie- en gezinsleden waarvan één of meer rechtmatig verblijf hebben, wordt beoordeeld of het niet-opheffen van de ongewenstverklaring strijdig is met artikel 8 EVRM. Dit betekent dat beoordeeld wordt of op de Nederlandse Staat de verplichting rust om het bestaand familie- en gezinsleven hier te lande mogelijk te maken.
### 5.2.2. De toepassing
Nu bovenstaande omstandigheden reeds betrokken zijn bij de beoordeling of betrokkene ongewenst kon worden verklaard, en hieraan niet in de weg hebben gestaan, wordt bij de beoordeling omtrent de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring gekeken of er een wijziging in deze omstandigheden is opgetreden. Immers, indien er geen wijziging is in de feiten en omstandigheden ten opzichte van de datum van de in rechte onaantastbare beschikking tot ongewenstverklaring, kan in redelijkheid niet worden gezegd dat er aan het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring bijzondere feiten en omstandigheden ten grondslag liggen.
Als sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, wordt vervolgens beoordeeld of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het persoonlijk belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- en gezinsleven hier te lande in redelijkheid meer gewicht toegekend dient te worden dan aan het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een objectieve belemmering om de wijze waarop het familie- en gezinsleven gedurende de ongewenstverklaring wordt uitgeoefend voort te zetten (zie B2/13.2.3.4). Bij de beoordeling van de aangevoerde gewijzigde feiten en omstandigheden op hun bijzonderheid, wordt altijd de duur van het verblijf buiten Nederland afgezet tegen de duur van de opgelegde ongewenstverklaring.
### 10.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
Vorenstaande laat onverlet dat de ongewenstverklaring blijft bestaan. Voorts geldt dat op de vreemdeling de plicht blijft rusten om Nederland zelfstandig te verlaten en mitsdien zelf gevolg te geven aan zijn vertrekplicht.
### 5.2.3. De tenuitvoerlegging
De term duurzaam onder a. houdt ten eerste in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.
Indien de toets onder a. leidt tot een bevestigend antwoord, kan dit leiden tot de proportionaliteitstoets onder b. Hiervoor dient de vreemdeling aannemelijk te hebben gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Aan de hand van deze door de vreemdeling aangedragen elementen wordt beoordeeld of het handhaven van de ongewenstverklaring disproportioneel is.
Indien de toets inderdaad tot deze conclusie leidt, kan de ongewenstverklaring op verzoek van de vreemdeling worden opgeheven. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing wordt in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.
Een inreisverbod kan worden uitgevaardigd door de (HOvJ van de) vreemdelingenpolitie, de ZHP, de KMar en de IND.
Het inreisverbodhoeft niet altijd gelijktijdig met het terugkeerbesluit gegeven te zijn. Het kan zijn dat het terugkeerbesluit al in het verleden aan de vreemdeling is gegeven, terwijl hij sindsdien geen gehoor heeft gegeven aan de uitvoering van zijn terugkeerbesluit. In die situatie wordt het terugkeerbesluit aangevuld met een inreisverbod.
### 5. Duur van het inreisverbod
Op grond van [artikel 66a, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), bedraagt de duur van een inreisverbod niet langer dan vijf jaren, tenzij het inreisverbod is gegeven op grond dat de vreemdeling naar het oordeel van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een ernstige bedreiging vormt van de openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid.
### 6.3.1. Algemeen
De vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar en IND zijn bevoegd om een inreisverbod uit te vaardigen, tenzij zij van oordeel zijn dat er gronden aanwezig zijn om een inreisverbod te geven onder toepassing van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a). In dat laatste geval wordt dat onmiddellijk na constatering daarvan kenbaar gemaakt aan de IND, hetzij middels een gemotiveerd voorstel ([model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-04-01&g=2012-04-01)), hetzij middels een ander gemotiveerd schrijven.
### 6. Procedurele aspecten
### 6.1. Inleiding
Een inreisverbod kan worden uitgevaardigd door de (HOvJ van de) vreemdelingenpolitie, de ZHP, de KMar en de IND.
Nadat de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar de vreemdeling heeft geïnformeerd over het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt de vreemdeling overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie [B1/9.7.2](onbekend)).
### 5.3. Inhoud van het verzoek
Het verzoek dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
Het inreisverbod wordt per beschikking uitgevaardigd. In de beschikking moet naar voren komen hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) en hoe de verklaringen van de vreemdeling zijn meegewogen.
In de beschikking worden ook de rechtsgevolgen opgenomen. Voor de beroepsmogelijkheden tegen een dergelijke beschikking wordt verwezen naar paragraaf 6.6.
In de volgende gevallen vaardigt de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar een inreisverbod uit:
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
Het origineel van de beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt. Van deze uitreiking wordt een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan
### 6.3.5. Verzoek signalering in (N)SIS
Middels de BVV wordt door VP, ZHP, KMar aan IND verzocht de vreemdeling in het (N)sis te signaleren.
Indien een ongewenstverklaarde vreemdeling een asielaanvraag indient en aannemelijk maakt dat hij verdragsvluchteling is, dan wel dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), moet de ongewenstverklaring worden opgeheven en aan hem op grond van [artikel 3.105b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.105b), respectievelijk [artikel 3.105e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.105e), een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Dit is slechts dan niet van toepassing als de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan openbare-ordeverstoringen als omschreven in voornoemde bepalingen of als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.
### 10.5.4. Beoordeling van het verzoek
In onderstaande, niet uitputtende lijst, zijn verblijfsdoelen weergegeven die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring. De bewijslast voor het aannemelijk maken van zijn verblijfsdoel ligt bij de vreemdeling. Voor alle omstandigheden geldt dat de vreemdeling na afloop onverwijld Nederland dient te verlaten.
### 10.5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
Aan de overkomst van de vreemdeling naar Nederland moeten voorwaarden worden gesteld.
De bevoegdheid tot inbewaringstelling berust bij de Minister (zie [artikel 59, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)). De maatregel van inbewaringstelling wordt namens hem opgelegd en opgeheven door een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4) en [artikel 5.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=5.3)).
Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring ingevolge [artikel 6.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.7) kan slechts plaatsvinden in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
De ambtenaren belast met de grensbewaking worden door de IND op de hoogte gesteld van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland moeten de ambtenaren belast met de grensbewaking de IND van het moment van het daadwerkelijke vertrek op de hoogte stellen. Hoe het toezicht op de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland moet worden ingericht, dient per individueel geval te worden bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de onderliggende feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom de vreemdeling in Nederland is. De toe te passen vorm van toezicht moet worden afgestemd met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht. Gedacht kan worden aan een vorm van beperking van bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) en [artikel 5.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1).
### 10.6. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
De openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen wanneer de noodzakelijke bescheiden ten behoeve van de uitzetting (zoals een geldig document voor grensoverschrijding, een reisbiljet en/of een claim op een vervoersmaatschappij) voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn (zie [artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en A6/5.3.3.5).
### 5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid
Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) wordt verwezen naar [B10](onbekend).
### 6.4.1. Gegevens
### 5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) wordt verwezen naar [B10](onbekend).
Nadat de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar de vreemdeling heeft geïnformeerd over het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt de vreemdeling overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie [B1/9.7.2](onbekend)).
Uit de door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar aan de IND gezonden bescheiden dient duidelijk naar voren te komen of en hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht ingevolge [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8). Bij voorkeur is de vreemdeling mondeling gehoord en is van het gehoor een proces-verbaal opgemaakt. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies aan de IND alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het mogelijke inreisverbod en eventueel de verblijfsbeëindiging zo uitvoerig mogelijk worden belicht (zie [model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
### 6.3.5. Verzoek signalering in (N)SIS
Middels de BVV wordt door VP, ZHP, KMar aan IND verzocht de vreemdeling in het (N)sis te signaleren.
Op het voorstel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar maakt de IND een beschikking tot uitvaardiging van een inreisverbod. In de beschikking worden ook de rechtsgevolgen opgenomen. Voor de beroepsmogelijkheden tegen een dergelijke beschikking wordt verwezen naar A5/6.6.
In onderstaande, niet uitputtende lijst, zijn verblijfsdoelen weergegeven die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring. De bewijslast voor het aannemelijk maken van zijn verblijfsdoel ligt bij de vreemdeling. Voor alle omstandigheden geldt dat de vreemdeling na afloop onverwijld Nederland dient te verlaten.
Gronden om de vreemdelingenbewaring niet of niet langer toe te passen kunnen zijn:
### 5.3.4. De procedure
### 10.5.6. Inreis, toezicht en uitreis
Ten aanzien van een vreemdeling wiens ongewenstverklaring tijdelijk is opgeheven dient sprake te zijn van een gecontroleerde in- en uitreis van het Nederlands grondgebied via een buitengrens. Ook dient tijdens het verblijf van de vreemdeling in Nederland toezicht op hem te worden uitgeoefend. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat gepaard met tijdelijke toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling op grond van artikel 5, vierde lid, onder c, SGC. Daarbij dient de handelwijze te worden gehanteerd zoals beschreven in A3/9.6.4.
De ambtenaren belast met de grensbewaking worden door de IND op de hoogte gesteld van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland moeten de ambtenaren belast met de grensbewaking de IND van het moment van het daadwerkelijke vertrek op de hoogte stellen. Hoe het toezicht op de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland moet worden ingericht, dient per individueel geval te worden bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de onderliggende feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom de vreemdeling in Nederland is. De toe te passen vorm van toezicht moet worden afgestemd met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht. Gedacht kan worden aan een vorm van beperking van bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) en [artikel 5.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1).
Indien dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, kan echter weer wel tot beëindiging van het rechtmatig verblijf en tot ongewenstverklaring worden overgegaan.
### 10.6.1. Inleiding
[Artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Het gaat hier om:
### 10.6.2. Ongewenstverklaring
Ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) van een vreemdeling genoemd in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) kan met toepassing van [artikel 8.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) geschieden om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.
### 10.6.2. Ongewenstverklaring
Er dient sprake te zijn van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving door uitsluitend de persoonlijke gedragingen van de EU-/EER-onderdaan, de Zwitserse onderdaan en zijn familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) (zie [artikel 8.22, eerste lid, sub a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22)).
De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsdbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van de vreemdeling. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd (zie artikel 27, tweede lid, Richtlijn 2004/38).
### 10.6.4.2. Vorm van de aanvraag
Het rechtmatig verblijf wordt echter niet beëindigd en de vreemdeling wordt niet ongewenst verklaard, bij een verblijfsduur van ten minste tien jaren of indien de vreemdeling minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind (zie [artikel 8.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) en [B10](onbekend)).
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
Het origineel van deze beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar. Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan.
Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt een afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens mededeling van de beschikking in de Stcrt plaats (zie [artikel 66a, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)).
Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.
Op het voorstel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar maakt de IND een beschikking tot uitvaardiging van een inreisverbod. In de beschikking worden ook de rechtsgevolgen opgenomen. Voor de beroepsmogelijkheden tegen een dergelijke beschikking wordt verwezen naar A5/6.6.
Na uitreiking van de beschikking draagt de IND zorg voor het signaleren van de vreemdeling in het (N)SIS.
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
### 6.5.1. Algemeen
### 6.4.3. Inhoud van de aanvraag
Dit kan bijvoorbeeld indien de informatie zoals vermeld in paragraaf 6.4 bij de IND bekend is geworden in het kader van de behandeling van een verblijfsaanvraag, intrekking of niet-verlenging van een verblijfsvergunning.
Daarnaast kan de IND een inreisverbod geven in een meeromvattende beschikking, indien:
### 1.2. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
Indien dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, kan echter weer wel tot beëindiging van het rechtmatig verblijf en tot ongewenstverklaring worden overgegaan.
Bij de voorbereiding van de beschikking tot beëindiging van het rechtmatig verblijf dienen in overweging te worden genomen (zie artikel 28, eerste lid, Richtlijn 2004/38):
Het kan voorkomen dat een vreemdeling in een individueel geval aanvullende gegevens en bescheiden zal moeten overleggen, ofwel deze eigener beweging overlegt.
### 10.6.4.1. Inleiding
### 10.6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
Zie voor de algemeen toepasselijke regels ter zake van de beslissing op de aanvraag A5/4.4.
### 10.6.4.2. Vorm van de aanvraag
Of er sprake is van het verstrijken van een redelijke termijn is afhankelijk van de individuele omstandigheden. Die termijn kan korter zijn dan drie jaren, maar ook langer. Een aanvraag die ten minste drie jaren na effectuering van de verwijdering is ingediend, leidt derhalve niet automatisch tot opheffing van de ongewenstverklaring.
Paragrafen 6.4.3, 6.4.4 en 6.4.5. zijn van overeenkomstige toepassing.
In aanvulling op paragraaf 6.4.4 kan ook de IND het origineel van de beschikking in persoon aan de vreemdeling uitreiken. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan.
Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt een afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens mededeling van de beschikking in de Stcrt plaats (zie [artikel 66a, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)).
Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.
### 4.3.1. Het doel
De IND draagt er dan wel zorg voor toepassing te geven aan hetgeen gesteld is in paragraaf 6.4.2. Indien overwogen wordt om een inreisverbod te geven bij de afwijzing van een asielaanvraag, dan kan het voornemen tot het geven van een inreisverbod worden meegenomen in de voornemenprocedure.
Op grond van [artikel 75 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) staat tegen een terugkeerbesluit dat wordt aangevuld met een inreisverbod beroep open bij de rechtbank ’s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer).
Indien het inreisverbod deel uitmaakt van een meeromvattende beschikking in een toelatingsprocedure wordt de bezwaar- en/of beroepsmogelijkheid gevolgd van de hoofdprocedure.
Het indienen van een bezwaarschrift of beroepschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaar of beroepsschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie [artikel 6:16 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:16)).
Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
Een aantekening over het inreisverbod wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling gesteld, indien naar het oordeel van de Korpschef of (Commandant der) KMar gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal proberen naar één van de Schengenlanden terug te keren. In het kader van de grensbewaking is de ambtenaar belast met grensbewaking bevoegd een aantekening te stellen in het reisdocument van de vreemdeling omtrent de reden van weigering toegang in verband met het inreisverbod, zie [artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder j, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29).
### 1.2. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.
### 6.6. Bezwaar en beroep
Op grond van [artikel 75 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) staat tegen een terugkeerbesluit dat wordt aangevuld met een inreisverbod beroep open bij de rechtbank ’s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer).
### 10.6.4.2. Vorm van de aanvraag
### 5.3.4. De procedure
Vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling. Voor vrijheidsontneming volgt dat tevens uit [artikel 15 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=15) en artikel 5 EVRM. De in artikel 5 EVRM genoemde waarborgen zijn niet van toepassing op vrijheidsbeperkende maatregelen. Het verdragsartikel ziet alleen op vrijheidsontneming.
Bij de aanvraag voert de vreemdeling argumenten aan om te bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen, een en ander als bedoeld in artikel 32 van Richtlijn 2004/38, welke op 29 april 2006 is geïmplementeerd. Hierbij dient te worden gedacht aan:
### 10.6.4.4. De beslissing op de aanvraag
Het staat de vreemdeling uiteraard vrij andere dan de hierboven genoemde gegevens en bescheiden te overleggen ten bewijze van het feit dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen.
De beschikking op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag (zie [artikel 8.22, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22)).
Zie voor de algemeen toepasselijke regels ter zake van de beslissing op de aanvraag A5/4.4.
De beschikking op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag (zie [artikel 8.22, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22)).
### 6. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling. Voor vrijheidsontneming volgt dat tevens uit [artikel 15 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=15) en artikel 5 EVRM. De in artikel 5 EVRM genoemde waarborgen zijn niet van toepassing op vrijheidsbeperkende maatregelen. Het verdragsartikel ziet alleen op vrijheidsontneming.
Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is in veel gevallen het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren kan de overheid gebruik maken van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen.
Vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling. Voor vrijheidsontneming volgt dat tevens uit [artikel 15 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=15) en artikel 5 EVRM. De in artikel 5 EVRM genoemde waarborgen zijn niet van toepassing op vrijheidsbeperkende maatregelen. Het verdragsartikel ziet alleen op vrijheidsontneming.
### 5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie [artikel 75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) en [77 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=77)).
De Minister kan aan de Korpschef, aan de Commandant der Kmar en aan de Algemeen Directeur van de DT&V aanwijzingen geven over de uitvoering van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), ook ten aanzien van de in dit hoofdstuk genoemde maatregelen (zie [artikel 48, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=48)).
### 1.1. Overzicht vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject) dan wel een combinatie van beide. De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In geval van een veroordeling tot een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat, met inachtneming van het bovenstaande, de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf (zie de [artikelen 22, c en d, WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22)).
Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst IPOL, (inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
### 1.2. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
Het stellen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Indien door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land zou worden bemoeilijkt, mag de aantekening omtrent het inreisverbod niet in het document voor grensoverschrijding worden aangetekend (zie [artikel 4.35a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.35a)). De hier bedoelde aantekening luidt: ‘inreisverbod uitgevaardigd op (datum beschikking Minister)’. Aantekeningen mogen nimmer worden geplaatst in de grensoverschrijdingsdocumenten of identiteitsbewijzen van asielzoekers (zie A3/5.2.1).
### 7.1. Algemeen
### 1.4. Het lichten van vreemdelingen
Daarnaast worden ook in [artikel 6.5, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5) redenen genoemd, die tot intrekking van een inreisverbod kunnen leiden.
Een opgelegde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie [artikel 37 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie [artikel 38m WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m)) dan wel een inrichting voor jeugdigen (zie [artikel 77h, vierde lid, onder a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h)) alsook ter beschikkingstelling (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
De aanvraag om opheffing van het inreisverbod wordt ingediend bij de IND, wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het volledige adres van de vreemdeling, de dagtekening en de aanduiding dat verzocht wordt om opheffing van de maatregel van het inreisverbod (zie A5/4).
De door een vreemdeling, aan wie een inreisverbod is uitgevaardigd, ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd wordt niet ambtshalve aangemerkt als aanvraag om opheffing van het inreisverbod.
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland een inreisverbod worden opgelegd. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
Bij de aanvraag dient de vreemdeling in ieder geval de informatie te leveren als voorgeschreven in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b).
Indien het voornemen bestaat een uitzondering te maken op a – c vindt overleg tussen de inbewaringstellende instantie en de DT&V plaats.
### 7.4.1. Algemeen
De aanvraag tot opheffing van het inreisverbod wordt afgewezen, indien de gegevens bedoeld in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b) niet zijn aangeleverd of indien blijkt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6.5b Vb.
### 7.2. De vorm van de aanvraag
Paragraaf 10.4.4 is verder van overeenkomstige toepassing.
De door een vreemdeling, aan wie een inreisverbod is uitgevaardigd, ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd wordt niet ambtshalve aangemerkt als aanvraag om opheffing van het inreisverbod.
### 7.3. De inhoud van de aanvraag
In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
De vrijheidsontnemende maatregel van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) wordt zoveel mogelijk ten uitvoer gelegd in een door de Minister voor deze categorie vreemdelingen aangewezen ruimte of plaats.
De IND beslist op een aanvraag om opheffing van het inreisverbod. Indien de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen beroep instellen bij de rechtbank.
Indien de aanvraag wordt ingewilligd, wordt de signalering uit de systemen verwijderd (zie A3/9.2).
Tevens geldt dat op grond van [artikel 6.5, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5), het inreisverbod wordt opgeheven, indien zich een van de gevallen uit het tweede lid van artikel 6.5 Vb voordoet, tenzij er sprake van is dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid (artikel 6.5, vierde lid, Vb)
Tijdelijke opheffing van het inreisverbod ingevolge [artikel 6.5c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5c) kan slechts plaatsvinden in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
Paragraaf 10.5 is van overeenkomstige toepassing
Een verzoek om opheffing van een inreisverbod dat is gegeven op grond van een ernstig gevaar voor de nationale veiligheid, als bedoeld in [artikel 6.5a, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a), kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds het inreisverbod en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de AIVD kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een ernstig gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal het inreisverbod worden gehandhaafd door het te verlengen. De signalering wordt in dat geval gehandhaafd.
### 1.3. Aanmelding vreemdeling
Naast de vrijheidsbeperkende maatregelen kent de wet vier vrijheidsontnemende maatregelen:
De ambtenaar belast met grensbewaking, de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) oplegt, dient de IND door middel van [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-02-09&g=2012-02-09) of [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09) daarvan op de eerste dag van het opleggen van de maatregel op de hoogte te brengen (zie [artikel 5.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.6)). Deze mededeling aan de IND dient ook plaats te vinden indien een dergelijke maatregel inmiddels is opgeheven.
Zie [artikel 5.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.5). Voor het lichten van strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen wordt verwezen naar A4/10.1.
### 3.4. Aanvragen om toelating als vluchteling
### 1.2.2. Mededeling aan derden
Op verzoek van de vreemdeling wordt zo spoedig mogelijk mededeling van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) gedaan aan zijn naaste verwanten en aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.
De betrokken vreemdeling dient er steeds op gewezen te worden dat hij contact kan (laten) opnemen met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan zal worden, indien hij geen contact met de betreffende vertegenwoordiging verlangt.
Wordt een vrijheidsontnemende maatregel aan een minderjarige opgelegd dan wordt daarvan, als daartoe de gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige uitoefenen, voorzover die zich in Nederland bevinden. Is dat niet mogelijk, dan zal de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande ingelicht worden.
### 5.2.2. De toepassing
Als de bewaring voortduurt, wordt het belang van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden groter. In de jurisprudentie van de rechtbanken wordt er doorgaans van uitgegaan dat na zes maanden bewaring het belang van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden in het algemeen zwaarder weegt dan het algemeen belang om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden. Onder omstandigheden kan die termijn evenwel langer dan wel korter zijn. De termijn van zes maanden kan onder meer overschreden worden, indien er bijvoorbeeld sprake is van:
Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen bij de uitzetting van een vreemdeling wordt een aanmeldformulier vreemdeling (zie [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) opgemaakt. Het ingevulde formulier geeft informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te doen verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en dient de vreemdeling te begeleiden van het moment van ingang van de vrijheidsontnemende maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen dienen terstond te worden aangebracht.
Indien sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Desalniettemin kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin, in geval het gezin de toegang tot Nederland – en daarmee het Schengengebied – is geweigerd, dit in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan grond vormen om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.
Zie [artikel 5.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.5). Voor het lichten van strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen wordt verwezen naar A4/10.1.
### 1.7. Gescheiden plaatsen van strafrechtelijk gedetineerden en vreemdelingen
De op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
De volgende regels zijn van toepassing:
Vrijheidsontneming is een ingrijpende maatregel. De toepassing daarvan moet daarom tot het strikt noodzakelijke beperkt blijven. Een versterkte mate van terughoudendheid dient te worden betracht bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Zulks brengt met zich mee dat er extra aandacht zal moeten zijn voor de mogelijkheid van het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming. Zie ook A6/1.6 voor vrijheidsbeperkende- dan wel een vrijheidsontnemende maatregelen bij gezinnen met minderjarige kinderen. Bij aannemelijke twijfel omtrent de leeftijd van vreemdelingen die stellen minderjarig te zijn kan een leeftijdsonderzoek worden ingesteld volgens de daarvoor geldende protocollen (zie de website van de IND).
De volgende regels zijn van toepassing:
### 2.2. Het doel
Indien sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Desalniettemin kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin, in geval het gezin de toegang tot Nederland – en daarmee het Schengengebied – is geweigerd, dit in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan grond vormen om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.
Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden (zie A6/4.3.5). Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.
### 2.4. De toepassing
Nu de vrijheidsontnemende maatregel slechts aan gezinnen kan worden opgelegd wanneer het noodzakelijk is dat de beschikbaarheid van het gehele gezin is gegarandeerd, kan de duur van de vrijheidsontneming beperkt blijven. Zie A6/2.7 voor de maximale duur bij vrijheidsontneming op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) en de gronden waarop deze termijn kan worden overschreden. Zie A6/5.3.5 voor de maximale duur bij vrijheidsontneming op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en de gronden waarop deze termijn kan worden overschreden. De termijnen hebben overigens uitsluitend betrekking op vrijheidsontneming van het gezin. Deze maximale termijnen zijn niet van toepassing in geval slechts aan één ouder de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd terwijl de overige gezinsleden een vrijheidbeperkende maatregel is opgelegd.
Verstekelingen (met uitzondering van de asielzoekers) dienen zoveel mogelijk geplaatst te worden aan boord van het schip waarvan zij afkomstig zijn. Deze plaatsing geschiedt op grond van [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) en [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65).
### 2.1. De maatregelen op grond van artikel 6 Vw
De weigering van toegang strekt zich niet enkel uit tot de verdere inreis in Nederland, doch ook tot de verdere inreis in het overige Schengengebied. Voor een toelichting op de situatie waarbij een asielzoeker de toegang geweigerd wordt, terwijl tegelijkertijd op grond van de Verordening 343/2003 een verzoek tot overname van de asielaanvraag ingediend wordt bij een andere staat, wordt verwezen naar A2/5.5.6. Aan Dublinclaimanten aan wie de toegang niet geweigerd kan worden, wordt de vrijheidsbeperkende maatregel van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) opgelegd of, indien aan de voorwaarden daarvan wordt voldaan, de maatregel van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59).
Aan een gezin met één of meer minderjarige kinderen dat de toegang is geweigerd kan een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) worden opgelegd indien aanleiding bestaat om aan te nemen dat het vertrek binnen twee weken kan worden gerealiseerd. Gelet op het belang van de grensbewaking en de mogelijkheid van het realiseren van het vertrek op korte termijn is het dan noodzakelijk dat de beschikbaarheid van het gezin is gegarandeerd. Om die reden is het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel aan het gezin in beginsel geïndiceerd. Indien het vertrek naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking niet binnen twee weken kan worden gerealiseerd zal in beginsel worden volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw.
De vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, dient krachtens [artikel 5 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) Nederland onmiddellijk te verlaten. Deze verplichting geldt niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) of [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33) indient (zie [artikel 5, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5)). Aan een geweigerde vreemdeling kan op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel worden opgelegd.
De in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46) genoemde ambtenaren belast met grensbewaking zijn bevoegd tot het opleggen van de verplichting aan een geweigerde vreemdeling om zich op te houden in een aangewezen ruimte of plaats (zie [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)).
Het opleggen van een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geschiedt bij beschikking [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-04-01&g=2012-04-01). De bevoegde ambtenaar dient een afschrift daarvan uit te reiken aan de vreemdeling, waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem moeten worden meegedeeld. Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats dient steeds een nieuwe beschikking te worden gemaakt. Als echter om redenen die voortvloeien uit de toepassing van de[Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals het afnemen van een gehoor of om medische redenen, tijdelijke overplaatsing (afhankelijk van feiten of omstandigheden, in beginsel ten hoogste 48 uur) van de vreemdeling vanuit de justitiële inrichting of een andere plaats van onderbrenging naar een andere ruimte of plaats nodig is (bijvoorbeeld van een grenslogies naar het AC), dan is de geldende plaatsingsbeschikking van toepassing. Ook het transport naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder de gegeven beschikking. In deze gevallen hoeft geen nieuwe plaatsingsbeschikking gemaakt te worden.
### 2.6. De tenuitvoerlegging
### 2.4. De toepassing
[Artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geeft aan dat aan de vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, de verplichting opgelegd kan worden om zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Deze ruimte kan ingevolge het tweede lid worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is in ieder geval geïndiceerd wanneer naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de aanwijzing om zich op te houden in de bedoelde ruimte of plaats en/of omdat aspecten van openbare orde of nationale veiligheid dit vorderen. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel indienen of hebben ingediend, wordt verwezen naar A6/2.5 en [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend). De vrijheidsbeneming zal dan een aanvang nemen in een gebouw van de grensdoorlaatpost of een politiebureau. Daarna zal de vreemdeling met een nieuwe beschikking geplaatst moeten worden in een inrichting waar het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848) (Stb. 1993, nr. 45) van toepassing is. Dient deze vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in dan dient gehandeld te worden zoals hierna vermeld.
### 5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring
De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, kan de maatregel van [artikel 6, eerste en/of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opgelegd worden. Voor de toepassing van deze maatregel bij deze categorie vreemdelingen wordt verwezen naar [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend).
### 2.5. De vorm
Indien de aanvraag wordt ingewilligd, wordt de signalering uit de systemen verwijderd (zie A3/9.2).
### 8. Tijdelijke opheffing van het inreisverbod
### 2.5. De vorm
De ongewenstverklaring betekent tevens dat [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdelingen – zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft – niet gedurende de ‘vrije termijn’ in Nederland mogen verblijven en geen andere titel tot verblijf kunnen verkrijgen. Dit betekent tevens dat in het kader van de grensbewaking aan deze vreemdelingen de toegang tot het grondgebied zal worden geweigerd. Evenmin is het hun toegestaan de behandeling van een aanvraag in Nederland af te wachten. Tevens kan naar aanleiding van de ongewenstverklaring, de vreemdeling als ongewenst worden gesignaleerd in het OPS of (N)SIS (zie A3/9).
### 10.2. Gronden voor ongewenstverklaring
De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)):
### 10. Ongewenstverklaring
Nadat de vreemdeling tweemaal een bij [artikel 108 van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gesteld feit heeft begaan, wordt zijn ongewenstverklaring voorgesteld aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal. Het kan bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, betreffen overtredingen van de [artikelen 4.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37), [4.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38) en [4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39).
### 10.1. Inleiding
Indien een vreemdeling terbeschikking is gesteld (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) kan dit met zich meebrengen dat het verblijfsrecht eerst bij verlenging van die maatregel met toepassing van de glijdende schaal kan worden beëindigd en tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan. De verlenging kan immers betekenen dat wordt voldaan aan de betreffende norm van [artikel 3.86, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Zo spoedig mogelijk nadat een rechterlijk vonnis waarin verlenging van de TBS-maatregel is uitgesproken onherroepelijk is geworden zal (opnieuw) worden beoordeeld of tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan.
### 2.8. De beëindiging
Ten aanzien van deze grond vallen drie categorieën te onderscheiden:
### 10.2. Gronden voor ongewenstverklaring
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject) dan wel een combinatie van beide. De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In geval van een veroordeling tot een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat, met inachtneming van het bovenstaande, de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf (zie de [artikelen 22, c en d, WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22)).
Het is niet vereist dat de uitspraak of strafbeschikking waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst IPOL, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
### 2.7. De duur
### 3. Verblijf
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
Bij de toepassing van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.
Indien wordt overgegaan tot ongewenstverklaring van een vreemdeling is, ook bij eerste toelating – tenzij ook de gezinsleden Nederland (moeten) hebben verlaten – steeds sprake van inmenging.
Aan een gezin met één of meer minderjarige kinderen dat de toegang is geweigerd kan een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) worden opgelegd indien aanleiding bestaat om aan te nemen dat het vertrek binnen twee weken kan worden gerealiseerd. Gelet op het belang van de grensbewaking en de mogelijkheid van het realiseren van het vertrek op korte termijn is het dan noodzakelijk dat de beschikbaarheid van het gezin is gegarandeerd. Om die reden is het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel aan het gezin in beginsel geïndiceerd. Indien het vertrek naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking niet binnen twee weken kan worden gerealiseerd zal in beginsel worden volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw.
### 5.3.8. De beëindiging
Indien redenen aanwezig zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal 12 maanden te verlengen, dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de Algemene Termijnenwet niet van toepassing. Uiteraard kan het tijdvak van vreemdelingenbewaring op grond van [artikel 59, eerste lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) langer zijn dan 18 maanden indien de vreemdeling gedurende de bewaring rechtmatig verblijf gehad op één van de gronden genoemd in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b Vw. Uit artikel 59, vierde lid van de Vw volgt dat de termijn hierdoor – per doorlopen aanvraag – met maximaal vier weken ingeval het betreft een aanvraag als bedoedl in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) betreft, of zes weken in geval het betreft een aanvraag als bedoeld in [artikel 29 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29).
Het opleggen van een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geschiedt bij beschikking [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-07-01&g=2012-07-01). De bevoegde ambtenaar dient een afschrift daarvan uit te reiken aan de vreemdeling, waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem moeten worden meegedeeld. Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats dient steeds een nieuwe beschikking te worden gemaakt. Als echter om redenen die voortvloeien uit de toepassing van de[Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals het afnemen van een gehoor of om medische redenen, tijdelijke overplaatsing (afhankelijk van feiten of omstandigheden, in beginsel ten hoogste 48 uur) van de vreemdeling vanuit de justitiële inrichting of een andere plaats van onderbrenging naar een andere ruimte of plaats nodig is (bijvoorbeeld van een grenslogies naar het AC), dan is de geldende plaatsingsbeschikking van toepassing. Ook het transport naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder de gegeven beschikking. In deze gevallen hoeft geen nieuwe plaatsingsbeschikking gemaakt te worden.
### 2.6. De tenuitvoerlegging
Bij het opleggen van de vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) aan een geweigerde vreemdeling kan iedere ruimte of plaats in Nederland aangewezen worden. Het kan dus zo zijn dat de ruimte of plaats verder landinwaarts gelegen is. Ook in deze feitelijke situatie blijft de toegang geweigerd.
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geldt geen regime.
Dat is anders voor de vrijheidsontnemende maatregel genoemd in [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6). In dat geval geldt in de door de Minister aangewezen ruimte of plaats het regime van het Reglement grenslogies. Wordt de vrijheidsontneming ten uitvoer gelegd in een andere (dan door de Minister aangewezen) ruimte of plaats dan dient het regime overeen te komen met dat van het Reglement grenslogies.
### 2.7. De duur
Conform [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) kan de maatregel, zoals bedoeld in [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), niet langer dan zes maanden duren. De maatregel kan ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd indien:
De maatregel en de duur daarvan zal, mede gelet op het bepaalde in [artikel 94 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94), binnen 42 dagen getoetst worden door de rechtbank. De rechtbank zal alsdan toetsen of de maatregel voldoet aan het gestelde doel en of de maatregel bij afweging van alle belangen gerechtvaardigd is.
Indien redenen aanwezig zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal 12 maanden te verlengen, dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de Algemene Termijnenwet niet van toepassing. Uiteraard kan het tijdvak van vreemdelingenbewaring op grond van [artikel 59, eerste lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) langer zijn dan 18 maanden indien de vreemdeling gedurende de bewaring rechtmatig verblijf gehad op één van de gronden genoemd in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b Vw. Uit artikel 59, vierde lid van de Vw volgt dat de termijn hierdoor – per doorlopen aanvraag – met maximaal vier weken ingeval het betreft een aanvraag als bedoedl in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) betreft, of zes weken in geval het betreft een aanvraag als bedoeld in [artikel 29 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29).
Indien een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) aan een gezin met minderjarige kinderen is opgelegd geldt een maximale duur van twee weken. Indien de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgelegd en een asielaanvraag is ingediend, terwijl deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure wordt afgedaan zal de vrijheidsontnemende maatregel kunnen worden toegepast gedurende de asielprocedure (zie [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend) voor de toepassing van artikel 6 Vw gedurende de algemene asielprocedure). De maatregel kan dan voortduren tot uiterlijk twee weken gerekend vanaf het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Ingeval er om een voorlopige voorziening is verzocht, waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het verzoek.
### 7. Overgangsrecht
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel door de vreemdeling wordt verwezen naar A6/6.
De vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel eindigt wanneer de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, dan wel de maatregel opgeheven wordt. Indien de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of schip niet het Nederlands grondgebied heeft verlaten (bijvoorbeeld door verzet van de vreemdeling), blijft de oorspronkelijk opgelegde maatregel van kracht. Er wordt geen nieuwe plaatsingsbeschikking genomen. Ook de oorspronkelijke toegangsweigering blijft van kracht.
Heeft de vreemdeling het Nederlands grondgebied wél verlaten en keert hij terug (bijvoorbeeld na weigering toegang door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit), dan dient opnieuw te worden bekeken of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang. Indien deze beoordeling leidt tot een (nieuwe) toegangsweigering, dient ook de maatregel van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opnieuw te worden opgelegd en moet een nieuwe plaatsingsbeschikking worden genomen. Tevens zal, ingeval de vreemdeling op grond van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) is uitgezet, de vervoerder een nieuwe aanwijzing krijgen om de vreemdeling terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie A2/7.1.5).
### 3.3. De bevoegdheid
De bevoegde autoriteit die de plaats aanwijst waar de vreemdeling zich beschikbaar dient te houden overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen is de Minister. De Korpschef kan namens de Minister de beschikbaarheidsverplichting opleggen en de daarbij behorende aanwijzingen geven. De Korpschef kan van deze bevoegdheid ondermandaat verlenen aan de onder hem ressorterende ambtenaren (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)).
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
Aan een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd indient en de beslissing daarvan op grond van deze wet in Nederland mag afwachten, kan de vrijheidsbeperkende maatregel van [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) opgelegd worden. De maatregel houdt in dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) een plaats aangewezen krijgt waar hij zich gedurende het onderzoek naar de inwilligbaarheid van die aanvraag dient op de houden, overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen. De aanwijzingen, die betrekking kunnen hebben op het gehoor, het fotograferen of dactyloscoperen, en het verstrekken van gegevens, maken deel uit van de beschikbaarheidsverplichting. Het wél verblijven op de aangewezen plaats maar niet handelen overeenkomstig de gegeven aanwijzingen betekent dat de vreemdeling zich niet overeenkomstig [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) beschikbaar houdt op de aangewezen plaats. Daartegenover staat dat ook de beschikbaarheid noodzakelijk dient te zijn ten behoeve van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag. Het ontbreken van dergelijk verband maakt de maatregel onrechtmatig.
Voorzover de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning een aanvraag van een asielzoeker betreft, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvanglocatie zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet ophouden. Hij doet dit zowel mondeling als schriftelijk. Hiertoe wordt het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01) gebruikt. De aanwijzingen betreffen in ieder geval datum, tijdstip en plaats van aanwijzing. Daarnaast kunnen vervolgaanwijzingen worden gegeven met betrekking tot het verschaffen van extra informatie, het uitreiken van het rapport van gehoor of de beschikking. Het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01) doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking.
De asielzoeker wordt erop gewezen dat het niet nakomen van de aanwijzingen consequenties heeft voor de afhandeling van zijn aanvraag. Deze omstandigheid wordt mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag en kan op grond van [artikel 31, tweede lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) reden zijn de aanvraag af te wijzen.
Het overtreden van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108). Gedurende de tijd dat de vreemdeling zich niet beschikbaar hoeft te houden voor het onderzoek kan hij zich buiten de aangewezen plaats begeven. In dat geval overtreedt hij niet het voorschrift van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55).
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
### 3.2. Het doel
Het is niet vereist dat de uitspraak of strafbeschikking waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst IPOL, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.
Is de vreemdelingenpolitie of de KMar van oordeel dat er gronden aanwezig zijn tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan maken zij dat onverwijld kenbaar aan de IND, hetzij middels een gemotiveerd voorstel ([model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-04-01&g=2012-04-01)), hetzij middels een ander gemotiveerd schrijven. In ieder geval dienen alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de IND te worden gezonden. Gelet op de bewoordingen van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67), kan de IND, indien op andere wijze is gebleken dat er gronden aanwezig zijn tot ongewenstverklaring, ook ambtshalve tot ongewenstverklaring overgegaan.
Het verdient aanbeveling dat de vreemdelingenpolitie of de KMar, in een zo vroeg mogelijk stadium bericht omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat zij niet wachten tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. Ten behoeve van de afstemming tussen de betrokken ketenpartners zijn in dit kader werkafspraken vastgelegd in het protocol VRIS (zie A4/10.1).
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
Overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie [B1/9.7.2](onbekend)).
### 3.4. De toepassing
De vreemdelingenpolitie of de KMar geeft in ieder geval uitvoering aan de hoorplicht indien
### 10.3. Procedurele aspecten
### 10.3.1. Indienen van een voorstel
De IND geeft in beginsel uitvoering aan de hoorplicht in andere dan de genoemde situaties. Hierbij valt te denken aan de situatie waarin bij de afhandeling van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier een inbreuk op de openbare orde wordt geconstateerd, welke dermate ernstig is dat ongewenstverklaring van de vreemdeling ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) is geïndiceerd. Het vorenstaande laat onverlet dat er situaties kunnen zijn, waarin horen door de vreemdelingenpolitie of de KMar desalniettemin meer voor de hand ligt.
Het verdient aanbeveling dat de vreemdelingenpolitie of de KMar, in een zo vroeg mogelijk stadium bericht omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat zij niet wachten tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. Ten behoeve van de afstemming tussen de betrokken ketenpartners zijn in dit kader werkafspraken vastgelegd in het protocol VRIS (zie A4/10.1).
### 10.3.2. Voorbereiding
Het origineel van deze beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de vreemdelingenpolitie of de KMar.
### 4. Toezicht
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze – met de brochure– per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens publicatie van de beschikking in de Stcrt. plaats (zie [artikel 67, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)).
Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking – met de brochure – aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.
### 10.3.4. Bezwaar en beroep
Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling met toepassing van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst is verklaard kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank ’s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer) open.
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
### 4. Toezicht
### 10.3.6. Stellen van aantekeningen
Een aantekening over de ongewenstverklaring wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling gesteld, indien naar het oordeel van de Korpschef gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal proberen naar Nederland terug te keren. In het kader van de grensbewaking is de ambtenaar belast met grensbewaking bevoegd een aantekening te stellen in het reisdocument van de vreemdeling omtrent de reden van weigering toegang in verband met ongewenstverklaring, zie [artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29).
Het stellen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Indien door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land zou worden bemoeilijkt, mag de aantekening omtrent ongewenstverklaring niet in het document voor grensoverschrijding worden aangetekend (zie [artikel 4.34, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.34)). De hier bedoelde aantekening luidt: ‘ongewenst verklaard op (datum beschikking Minister)’. Aantekeningen mogen nimmer worden geplaatst in de grensoverschrijdingsdocumenten of identiteitsbewijzen van asielzoekers (zie A3/5.2.1).
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.
Voor wat betreft de signalering van de ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) in de systemen wordt verwezen naar A3/9.2.
Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling met toepassing van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst is verklaard kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank ’s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer) open.
### 10.4.1. Inleiding
Ingevolge [artikel 68, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=68) kan slechts op aanvraag worden beslist tot opheffing van de ongewenstverklaring. Het eerste lid van [artikel 6.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6) heeft betrekking op de termijn waarna de ongewenstverklaring op aanvraag in ieder geval wordt opgeheven. Dit heeft het karakter van een bovengrens.
De ongewenstverklaring wordt op verzoek in ieder geval opgeheven indien er sinds de ongewenstverklaring en het vertrek van de vreemdeling tien jaren (een geweldsdelict, een opiumdelict of een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd), vijf jaren (ingeval van een ander misdrijf), of één jaar (ingeval van het bij herhaling begaan van een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gesteld feit) is verstreken en de vreemdeling gedurende die periode niet aan strafvervolging ter zake van een misdrijf is onderworpen.
Het doel van deze maatregel is niet alleen de bevordering van de waarheidsvinding, maar ook de versnelling van de procedure doordat de vreemdeling steeds bereikbaar is. Meer in het algemeen kan het voorkomen dat tijdens de behandeling van de asielaanvraag nadere vragen opkomen die, als de asielzoeker bereikbaar is, snel beantwoord kunnen worden, wat niet alleen de voortgang van de procedure, maar ook de kwaliteit van de beslissing ten goede zal komen.
Indien de rechtbank de toepassing of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig acht, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Ook kan de rechtbank schadevergoeding toekennen (zie hierna A6/6.4).
De bevoegde autoriteit die de plaats aanwijst waar de vreemdeling zich beschikbaar dient te houden overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen is de Minister. De Korpschef kan namens de Minister de beschikbaarheidsverplichting opleggen en de daarbij behorende aanwijzingen geven. De Korpschef kan van deze bevoegdheid ondermandaat verlenen aan de onder hem ressorterende ambtenaren (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)).
Voor het toezicht op vreemdelingen zijn de [artikelen 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) van belang. [Artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) betreft de bevoegdheid van het staande- en ophouden van personen (eventueel ook Nederlanders) in het belang van het toezicht op vreemdelingen. [Artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken.
De beschikbaarheidsverplichting van [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) kan opgelegd worden aan vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd indienen. Deze beschikbaarheidsverplichting geldt tot en met de uitreiking van de beschikking in eerste aanleg. Is uitreiking niet mogelijk dan geldt de hierna vermelde procedure.
Voor asielzoekers geldt dat zij zich beschikbaar dienen te houden in een AC of opvangvoorziening. Voor reguliere vreemdelingen kan dat de woon- of verblijfplaats zijn.
### 3.5. De vorm
De beschikbaarheidsverplichting wordt opgelegd door de Korpschef. Hij maakt daarbij gebruik van [model M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Dit model doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking. De daarbij gegeven aanwijzingen kunnen onder meer betrekking hebben op het gehoor, het fotograferen, dactyloscoperen en het verstrekken van gegevens en/of informatie. De vreemdeling wordt daarbij tevens gewezen op de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel.
De beschikbaarheidsverplichting houdt in dat de vreemdeling bereikbaar is op een woon- of verblijfplaats zodat hij kan worden opgeroepen voor een gehoor of om in kennis gesteld te worden van voor hem relevante beslissingen. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling die opgeroepen is voor een bepaalde datum (en tijd), in de tussenliggende periode met inachtneming van zijn meldingsplicht (en de huisregels van het centrum), zich naar een andere plaats in Nederland mag begeven.
Indien de vreemdeling in strijd met zijn beschikbaarheidsverplichting met onbekende bestemming is vertrokken, dient de Korpschef dit te melden door middel van [model M100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100&z=2012-07-01&g=2012-07-01) met een kopie van het [model M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Het met onbekende bestemming vertrokken zijn dient in beginsel concreet vastgesteld te zijn aan de hand van bijvoorbeeld een adrescontrole.
### 4.3.2. De bevoegdheid
De bevoegdheid tot het opleggen, wijzigen of opheffen van deze maatregel berust bij de Minister.
Indien de Korpschef van oordeel is dat de vrijheid van beweging van een vreemdeling beperkt dient te worden, doet de Korpschef daartoe een gemotiveerd voorstel aan de Minister. In spoedeisende gevallen is de Korpschef gemachtigd om, in afwachting van de beslissing van de Minister, de vrijheid van beweging van een vreemdeling voor de duur van ten hoogste een week te beperken. Maakt de Korpschef van deze bevoegdheid gebruik, dan geeft hij daarvan binnen 24 uur kennis aan de Minister.
### 2. Omzetting van verblijfsvergunningen
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt verwezen naar A6/6.
In verband met een uitvoerige beschrijving van alle onderdelen die met het toezicht op vreemdelingen te maken hebben, wordt voor de toepassing van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) verwezen naarA3/3.
### 4.3. Het beperken van de bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)
Deze maatregel kan derhalve alleen opgelegd worden aan vreemdelingen die:
[Artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken (zie ook [artikel 5.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1) en [artikel 5.2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=5.2)).
### 4.3.4. De beëindiging
Hoewel de maatregel niet aan een wettelijke termijn gebonden is, dienen ook hierbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel toegepast worden) in acht genomen te worden.
De bevoegdheid tot het opleggen, wijzigen of opheffen van deze maatregel berust bij de Minister.
Indien de Korpschef van oordeel is dat de vrijheid van beweging van een vreemdeling beperkt dient te worden, doet de Korpschef daartoe een gemotiveerd voorstel aan de Minister. In spoedeisende gevallen is de Korpschef gemachtigd om, in afwachting van de beslissing van de Minister, de vrijheid van beweging van een vreemdeling voor de duur van ten hoogste een week te beperken. Maakt de Korpschef van deze bevoegdheid gebruik, dan geeft hij daarvan binnen 24 uur kennis aan de Minister.
De Korpschef kan deze bevoegdheid alleen ondermandateren aan een ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)).
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt verwezen naar A6/6.
In het belang van het kind dient vrijheidsontneming slechts als uiterste maatregel en slechts gedurende korte duur te worden gehanteerd. Daarom wordt ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden. Hierbij valt ook te denken aan gezinnen met minderjarige kinderen waarvan één ouder in bewaring is gesteld. Voor de voorwaarden waaronder vrijheidsontneming van een gezin kan plaatsvinden wordt verwezen naar A6/2.4 en A6/5.3.3.8. Indien sprake is van gronden van openbare orde of nationale veiligheid – ook indien op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan – en het vertrek van het gezin is niet binnen korte termijn te realiseren, dan kan het gezin gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) in een vrijheidsbeperkende locatie worden opgelegd. Dit geldt zowel voor gezinnen die voorafgaande aan de maatregel in de opvang hebben verbleven als gezinnen die in de illegaliteit worden aangetroffen.
### 4. Rechtsmiddelen
Deze maatregel kan derhalve alleen opgelegd worden aan vreemdelingen die:
### 4.4. Hoger beroep
### 4.3.4. De beëindiging
Hoewel de maatregel niet aan een wettelijke termijn gebonden is, dienen ook hierbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel toegepast worden) in acht genomen te worden.
De maatregel wordt bovendien beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en daartoe voor hem ook gelegenheid bestaat. Deze gelegenheid bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument en vlieg- of reistickets (of voldoende financiële middelen om het beoogde verblijf en de terugkeer te bekostigen). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
[Artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) (vrijheidsbeperking) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) (vrijheidsontneming) Vw maken het mogelijk om vreemdelingen van wie de asielaanvraag is afgewezen te verplichten zich in verband met hun uitzetting beschikbaar te houden in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats die, indien noodzakelijk, tegen ongeoorloofd vertrek daaruit beveiligd kan worden. Het zich niet houden aan de verplichting van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) of [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) – al dan niet in combinatie met een toezichtsmaatregel op grond van [artikel 54, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) – kan worden opgelegd in een daartoe bestemde vrijheidsbeperkende locatie. De maatregel wordt opgelegd door de DT&V en in spoedeisende gevallen door de korpschef. Vanuit de vrijheidsbeperkende locatie zal intensieve facilitering van (zelfstandige) terugkeer plaatsvinden.
De vrijheidsbeperking op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) in een vrijheidsbeperkende locatie zal in beginsel uiterlijk twaalf weken worden opgelegd. Indien niet kan worden voorkomen dat met name bij gezinnen met minderjarige kinderen de vrijheidsbeperkende maatregel langer dan twaalf weken moet worden voortgezet, kan de minister besluiten de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats op te leggen.
In het belang van het kind dient vrijheidsontneming slechts als uiterste maatregel en slechts gedurende korte duur te worden gehanteerd. Daarom wordt ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden. Hierbij valt ook te denken aan gezinnen met minderjarige kinderen waarvan één ouder in bewaring is gesteld. Voor de voorwaarden waaronder vrijheidsontneming van een gezin kan plaatsvinden wordt verwezen naar A6/2.4 en A6/5.3.3.8. Indien sprake is van gronden van openbare orde of nationale veiligheid – ook indien op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan – en het vertrek van het gezin is niet binnen korte termijn te realiseren, dan kan het gezin gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) in een vrijheidsbeperkende locatie worden opgelegd. Dit geldt zowel voor gezinnen die voorafgaande aan de maatregel in de opvang hebben verbleven als gezinnen die in de illegaliteit worden aangetroffen.
Een vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen, die een vertrekplicht heeft en die voorafgaande aan de maatregel in de opvang van het COA of gemeentelijke (nood)opvang heeft verbleven, kan in beginsel de maatregel op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) worden opgelegd. De openbare orde wordt immers geacht de beperking van de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 Vw te vorderen indien een vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten. Het gegeven dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten – zijn vertrektermijn is immers ongebruikt verstreken – brengt met zich mee dat het gevaar dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan toezicht in beginsel aanwezig is.
Omdat de hier bedoelde vreemdelingen voorafgaande aan de maatregel op grond van de [RVA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959) in de opvang, en daarmee in het zicht van de overheid, hebben verbleven wordt het direct opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in deze gevallen in beginsel niet geïndiceerd geacht en kan voor het lichtere middel van een beperking van de bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) in de vrijheidsbeperkende locatie worden gekozen. Dit laat overigens onverlet dat, indien het belang van de openbare orde dat vordert, tot het opleggen van bewaring ter fine van uitzetting kan worden overgegaan (zie A6/5.3.3.1).
### 5.1. Het doel van de maatregelen van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
Om de overheid in staat te stellen haar bevoegdheid tot uitzetting van vreemdelingen die niet dan wel niet langer rechtmatig in Nederland verblijven uit te kunnen laten voeren, zijn in de wet vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen opgenomen.
De aanwijzing om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden kan gegeven worden ten aanzien van vreemdelingen van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28)) is afgewezen.
Om de overheid in staat te stellen haar bevoegdheid tot uitzetting van vreemdelingen die niet dan wel niet langer rechtmatig in Nederland verblijven uit te kunnen laten voeren, zijn in de wet vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen opgenomen.
[Artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) (vrijheidsbeperking) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) (vrijheidsontneming) Vw maken het mogelijk om vreemdelingen van wie de asielaanvraag is afgewezen te verplichten zich in verband met hun uitzetting beschikbaar te houden in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats die, indien noodzakelijk, tegen ongeoorloofd vertrek daaruit beveiligd kan worden. Het zich niet houden aan de verplichting van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) of [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
### 5.2.1. De bevoegdheid
### 4.3.4. De beëindiging
In [artikel 6.6, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6) is opgenomen wanneer de termijnen opnieuw aanvangen.
Een verzoek om opheffing van een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de AIVD kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal de ongewenstverklaring worden gehandhaafd.
### 10.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Het algemeen belang van de Staat kan alleen wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden van het individuele geval die bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens) niet zijn betrokken. In ieder geval kan het enkele gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet worden aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid.
Ingevolge [artikel 68, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=68) kan slechts op aanvraag worden beslist tot opheffing van de ongewenstverklaring. Het eerste lid van [artikel 6.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6) heeft betrekking op de termijn waarna de ongewenstverklaring op aanvraag in ieder geval wordt opgeheven. Dit heeft het karakter van een bovengrens.
De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend bij de IND, wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het volledige adres van de vreemdeling, de dagtekening en de aanduiding dat verzocht wordt om opheffing van de maatregel van ongewenstverklaring (zie A5/4).
Bij de vaststelling van de bovengrens is er vanuit gegaan dat na het verstrijken van de termijn het gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (in aanvaardbare mate) is geweken dan wel dat het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, in redelijkheid dient te wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling.
### 5.1. Het doel van de maatregelen van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d kan achterwege blijven indien het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.
Een verzoek om opheffing van een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de AIVD kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal de ongewenstverklaring worden gehandhaafd.
Als uitgangspunt geldt dat slechts in de volgende drie situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:
De bijzondere feiten en omstandigheden zijn gelegen in het recht om hier te lande het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM te kunnen uitoefenen.
### 10.4.2. De vorm van de aanvraag
Bij de beoordeling of er op de Nederlandse Staat een verplichting rust om de ongewenstverklaring op te heffen, worden in ieder geval de volgende omstandigheden betrokken (zie B2/13.2.3.3):
Nu bovenstaande omstandigheden reeds betrokken zijn bij de beoordeling of betrokkene ongewenst kon worden verklaard, en hieraan niet in de weg hebben gestaan, wordt bij de beoordeling omtrent de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring gekeken of er een wijziging in deze omstandigheden is opgetreden. Immers, indien er geen wijziging is in de feiten en omstandigheden ten opzichte van de datum van de in rechte onaantastbare beschikking tot ongewenstverklaring, kan in redelijkheid niet worden gezegd dat er aan het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring bijzondere feiten en omstandigheden ten grondslag liggen.
Als sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, wordt vervolgens beoordeeld of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het persoonlijk belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- en gezinsleven hier te lande in redelijkheid meer gewicht toegekend dient te worden dan aan het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een objectieve belemmering om de wijze waarop het familie- en gezinsleven gedurende de ongewenstverklaring wordt uitgeoefend voort te zetten (zie B2/13.2.3.4). Bij de beoordeling van de aangevoerde gewijzigde feiten en omstandigheden op hun bijzonderheid, wordt altijd de duur van het verblijf buiten Nederland afgezet tegen de duur van de opgelegde ongewenstverklaring.
### 5.2.2. De toepassing
Vorenstaande laat onverlet dat de ongewenstverklaring blijft bestaan. Voorts geldt dat op de vreemdeling de plicht blijft rusten om Nederland zelfstandig te verlaten en mitsdien zelf gevolg te geven aan zijn vertrekplicht.
In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:
De term duurzaam onder a. houdt ten eerste in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.
In [artikel 57, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) staat vermeld dat de Minister aan de asielzoeker de aanwijzing geeft om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden. Over het algemeen zal een dergelijke aanwijzing in de afwijzende beschikking opgenomen worden (zie [artikel 5.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.7)).
### 5.2.1. De bevoegdheid
### 5.3.7. Het strafrecht en bewaring
De Korpschef is namens de Minister bevoegd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen (zie A6/5.2.2 en [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)) de asielzoeker de verplichting op te leggen om zich beschikbaar te houden in een ruimte of plaats die beveiligd is tegen ongeoorloofd vertrek daaruit (zie [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)). Deze aanwijzing dient bij afzonderlijke beschikking gegeven te worden. De beschikking dient gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend te zijn. Aan de vreemdeling wordt een afschrift daarvan uitgereikt.
Deze laatst bedoelde aanwijzing wordt gegeven door de Korpschef van de politieregio waaronder de gemeente, waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft, ressorteert. De Korpschef kan van zijn bevoegdheid ondermandaat verlenen aan een hulpofficier van justitie (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)).
Het gaat hier dus zowel om de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen als de afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de gronden genoemd in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) en[31 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31). De motivatie voor het geven van de aanwijzing is gelegen in die gronden.
De aanwijzing om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden kan gegeven worden ten aanzien van vreemdelingen van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28)) is afgewezen.
### 4.4. Hoger beroep
Bovendien kan deze aanwijzing slechts plaatsvinden indien de afwijzing op de aanvraag binnen acht weken (in verband met de voornemenprocedure) na de indiening daarvan is gegeven. De termijn van acht weken, bedoeld in [artikel 57, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) is de termijn tussen indiening van de aanvraag en kennisgeving van de beschikking. Heeft de vreemdeling zich onttrokken aan de beschikbaarheidsplicht (van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55)) nadat het onderzoek is afgerond, maar nog voordat de afwijzende beschikking te zijner kennis is gebracht dan wordt de tijd waarin de vreemdeling zich heeft onttrokken aan de beschikbaarheidsplicht opgeteld bij de eerder genoemde termijn van acht weken (zie [artikel 57, derde en vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57)). De afwijzing behoeft niet onherroepelijk te zijn. Dus ook als de vreemdeling procedeert bij de Vreemdelingenkamer tegen de afwijzing van zijn aanvraag kan hem deze aanwijzing gegeven worden.
Voor de aanwijzing op grond van [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) dient de Korpschef gebruikt te maken van een afzonderlijke beschikking. De beschikking dient gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend te zijn. Aan de vreemdeling wordt een afschrift daarvan uitgereikt (zie [artikel 5.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.7)). Daarbij wordt tevens (schriftelijk) mededeling gedaan van de mogelijkheid om tegen deze maatregel beroep in te stellen bij de rechtbank (zie A6/6).
De asielzoeker zal in beginsel als vrijheidsbeperkende maatregel de aanwijzing krijgen om zich beschikbaar te houden in een bepaalde opvangvoorziening. Meer dan een beschikbaarheidsverplichting mag de vreemdeling niet opgelegd worden. Daarbij dient hij de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit, dat is de Korpschef, in acht te nemen. Deze aanwijzingen houden in ieder geval in dat de vreemdeling zich tweemaal per dag dient te melden bij de Korpschef.
### 5.3.8. De beëindiging
De asielzoeker zal in beginsel als vrijheidsbeperkende maatregel de aanwijzing krijgen om zich beschikbaar te houden in een bepaalde opvangvoorziening. Meer dan een beschikbaarheidsverplichting mag de vreemdeling niet opgelegd worden. Daarbij dient hij de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit, dat is de Korpschef, in acht te nemen. Deze aanwijzingen houden in ieder geval in dat de vreemdeling zich tweemaal per dag dient te melden bij de Korpschef.
Houdt de asielzoeker zich opzettelijk niet aan de verplichting om zich beschikbaar te houden en volgt hij de gegeven aanwijzingen niet op dan kan hem de verplichting opgelegd worden zich op te houden in een inrichting waar het Reglement grenslogies geldt. In dat geval is er sprake van vrijheidsbeneming.
Voor het verkrijgen van een plaats in een grenslogies zie A6/5.3.6.2. Is plaatsing daar niet mogelijk, dan moet de vrijheidsontneming plaatsvinden in een ruimte of plaats met een overeenkomstig regime.
De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld onverwijld contact met zijn raadsman op te nemen. De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge [artikel 104 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=104) tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot hem. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen, zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen. Een en ander onder toezicht indien vereist en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Voor het aanwenden van rechtsmiddelen en de procedure van beroep bij de rechtbank zie A6/6.
Zodra de vreemdeling zijn vrijheid ontnomen is op grond van [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58), wordt een (door hem gewenste) raadsman of een via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp aangewezen raadsman ingelicht.
De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld onverwijld contact met zijn raadsman op te nemen. De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge [artikel 104 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=104) tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot hem. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen, zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen. Een en ander onder toezicht indien vereist en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Voor het aanwenden van rechtsmiddelen en de procedure van beroep bij de rechtbank zie A6/6.
Indien het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid dat vordert, kunnen, met het oog op de uitzetting, in bewaring gesteld worden vreemdelingen die:
De duur van de vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregel op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is niet aan een termijn gebonden. Overigens mogen de maatregelen niet langer duren dan met het oog op het doel (de uitzetting) daarvan strikt noodzakelijk is.
De openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen wanneer de noodzakelijke bescheiden ten behoeve van de uitzetting (zoals een geldig document voor grensoverschrijding, een reisbiljet en/of een claim op een vervoersmaatschappij) voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn (zie [artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en A6/5.3.3.5).
Zodra de grond voor het toepassen van de maatregel van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) of [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) niet meer aanwezig is, heft de Korpschef deze maatregel op. Hiervan kan sprake zijn:
Overigens mag bewaring op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet voor strafvorderingsdoeleinden worden toegepast; wel is het toegestaan om een vreemdeling als verdachte van een strafbaar feit marginaal te horen en daarvan proces-verbaal op te maken.
### 5.3.1. Het doel
### 5.2.3. De tenuitvoerlegging
Indien een ongewenstverklaarde vreemdeling een asielaanvraag indient en aannemelijk maakt dat hij verdragsvluchteling is, dan wel dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), moet de ongewenstverklaring worden opgeheven en aan hem op grond van [artikel 3.105b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.105b), respectievelijk [artikel 3.105e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.105e), een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Dit is slechts dan niet van toepassing als de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan openbare-ordeverstoringen als omschreven in voornoemde bepalingen of als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.
### 5.2.2. De toepassing
Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, zal hij niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling wordt het bepaalde in [C2/3](onbekend) betrokken.
De IND beslist op een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring. Indien de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen bezwaar maken. Indien de aanvraag wordt ingewilligd wordt de signalering “ONGEW” uit de systemen verwijderd (zie A3/9.2).
### 10.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
De term duurzaam onder a. houdt ten eerste in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.
### 5.2.3. De tenuitvoerlegging
Indien de toets inderdaad tot deze conclusie leidt, kan de ongewenstverklaring op verzoek van de vreemdeling worden opgeheven. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing wordt in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.
Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring dient schriftelijk bij de IND te worden ingediend. Het dient afkomstig te zijn van de vreemdeling zelf, van zijn gemachtigde, of van een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van betrokkene naar Nederland. In het laatste geval kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het OM of een internationaal straftribunaal. Als het verzoek wordt ingediend door het OM dient het te zijn ondertekend door een Hoofdofficier van Justitie. In het geval van bijvoorbeeld een internationaal straftribunaal moet de ondertekening geschieden door iemand van het niveau van een Hoofdofficier van Justitie. Ook een rechter kan een verzoek ondertekenen om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
Instandhouding van de ongewenstverklaring, terwijl de vreemdeling op grond van deze bepalingen in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zou een schending opleveren van Richtlijn 2004/83/EG.
Het verzoek dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
### 10.5.4. Beoordeling van het verzoek
In onderstaande, niet uitputtende lijst, zijn verblijfsdoelen weergegeven die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring. De bewijslast voor het aannemelijk maken van zijn verblijfsdoel ligt bij de vreemdeling. Voor alle omstandigheden geldt dat de vreemdeling na afloop onverwijld Nederland dient te verlaten.
### 10.5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
Aan de overkomst van de vreemdeling naar Nederland moeten voorwaarden worden gesteld.
De bevoegdheid tot inbewaringstelling berust bij de Minister (zie [artikel 59, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)). De maatregel van inbewaringstelling wordt namens hem opgelegd en opgeheven door een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4) en [artikel 5.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=5.3)).
Ten aanzien van een vreemdeling wiens ongewenstverklaring tijdelijk is opgeheven dient sprake te zijn van een gecontroleerde in- en uitreis van het Nederlands grondgebied via een buitengrens. Ook dient tijdens het verblijf van de vreemdeling in Nederland toezicht op hem te worden uitgeoefend. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat gepaard met tijdelijke toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling op grond van artikel 5, vierde lid, onder c, SGC. Daarbij dient de handelwijze te worden gehanteerd zoals beschreven in A3/9.6.4.
De ambtenaren belast met de grensbewaking worden door de IND op de hoogte gesteld van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland moeten de ambtenaren belast met de grensbewaking de IND van het moment van het daadwerkelijke vertrek op de hoogte stellen. Hoe het toezicht op de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland moet worden ingericht, dient per individueel geval te worden bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de onderliggende feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom de vreemdeling in Nederland is. De toe te passen vorm van toezicht moet worden afgestemd met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht. Gedacht kan worden aan een vorm van beperking van bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) en [artikel 5.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1).
### 10.6. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
### 6. Rechtsmiddelen
In het algemeen kan worden aangenomen dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure belemmert indien hij niet binnen de aan hem gegunde vertrektermijn is vertrokken en geen activiteiten onderneemt om dit vertrek mogelijk te maken. Ook indien de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert kan niet op de enkele grond van [5.1b, eerste lid onder c Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b) de maatregel van bewaring worden gemotiveerd maar zal een aanvullende grond moeten worden vermeld.
### 5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid
### 5.3.3. De toepassing
Indien het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid dat vordert, kunnen, met het oog op de uitzetting, in bewaring gesteld worden vreemdelingen die:
Gronden om de vreemdelingenbewaring niet of niet langer toe te passen kunnen zijn:
De openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen wanneer de noodzakelijke bescheiden ten behoeve van de uitzetting (zoals een geldig document voor grensoverschrijding, een reisbiljet en/of een claim op een vervoersmaatschappij) voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn (zie [artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en A6/5.3.3.5).
### 5.3.3.4. Vreemdelingen die op korte termijn uitgezet kunnen worden
Overigens mag bewaring op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet voor strafvorderingsdoeleinden worden toegepast; wel is het toegestaan om een vreemdeling als verdachte van een strafbaar feit marginaal te horen en daarvan proces-verbaal op te maken.
Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken kan worden aangenomen ingeval de vreemdeling ([art. 5.1b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b)):
Een zodanig risico of ontwijking of belemmering wordt echter niet aangenomen ingeval slechts een van de vorenvermelde feiten en omstandigheden zich voordoet.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure belemmert indien hij niet binnen de aan hem gegunde vertrektermijn is vertrokken en geen activiteiten onderneemt om dit vertrek mogelijk te maken. Ook indien de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert kan niet op de enkele grond van [5.1b, eerste lid onder c Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b) de maatregel van bewaring worden gemotiveerd maar zal een aanvullende grond moeten worden vermeld.
### 5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid
Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) wordt verwezen naar [B10](onbekend).
Ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) van een vreemdeling genoemd in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) kan met toepassing van [artikel 8.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) geschieden om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.
In de meeste gevallen waarbij bewaring wordt overwogen, zal de maatregel gebaseerd zijn op het belang van de openbare orde en niet op het belang van de nationale veiligheid (bijv. spionage, terroristische activiteiten) betreffen. Indien er aanleiding is inbewaringstelling op deze laatste grond te baseren, kan dat alleen na een bijzondere aanwijzing van de Minister.
Indien een vreemdeling die vanwege criminele antecedenten een gevaar vormt voor de openbare orde een (herhaalde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd wil indienen of heeft ingediend zal in beginsel bewaring op grond van [artikel 59, eerste lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of [artikel 59 eerste en tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) worden toegepast. Voor die toepassing is het noodzakelijk dat een belangenafweging plaatsvindt.
Gronden om de vreemdelingenbewaring niet of niet langer toe te passen kunnen zijn:
### 5.3.4. De procedure
### 5.3.3.4. Vreemdelingen die op korte termijn uitgezet kunnen worden
Het duurzame verblijfsrecht kan met toepassing van [artikel 8.18, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.18) worden beëindigd, indien ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen. In dat geval kan ook tot ongewenstverklaring worden overgegaan met toepassing van [artikel 8.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22).
Het rechtmatig verblijf wordt echter niet beëindigd en de vreemdeling wordt niet ongewenst verklaard, bij een verblijfsduur van ten minste tien jaren of indien de vreemdeling minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind (zie [artikel 8.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) en [B10](onbekend)).
Indien dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, kan echter weer wel tot beëindiging van het rechtmatig verblijf en tot ongewenstverklaring worden overgegaan.
### 5.3.3.3. Het niet of niet langer toepassen van bewaring
Ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) van een vreemdeling genoemd in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) kan met toepassing van [artikel 8.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) geschieden om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.
### 10.6.2. Ongewenstverklaring
Er dient sprake te zijn van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving door uitsluitend de persoonlijke gedragingen van de EU-/EER-onderdaan, de Zwitserse onderdaan en zijn familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) (zie [artikel 8.22, eerste lid, sub a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22)).
### 10.6.4.1. Inleiding
De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan ingevolge het bepaalde in [artikel 8.22, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22), slechts worden gedaan:
Of er sprake is van het verstrijken van een redelijke termijn is afhankelijk van de individuele omstandigheden. Die termijn kan korter zijn dan drie jaren, maar ook langer. Een aanvraag die ten minste drie jaren na effectuering van de verwijdering is ingediend, leidt derhalve niet automatisch tot opheffing van de ongewenstverklaring.
### 10.6.4.2. Vorm van de aanvraag
De aanvraag tot opheffing dient te worden ingediend bij de IND. Voor de vormvereisten van de aanvraag wordt verwezen naar A5/4.2 en A5/5.2.
Bewaring mag bovendien niet worden toegepast uitsluitend op basis van overwegingen van algemene aard. De bewaring moet gerelateerd zijn aan feiten en/of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de vreemdeling. Steeds zal een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden tussen het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid en het individuele belang van de vreemdeling (zie A6/5.3.5).
Aan de gebruikmaking van het bewaringsinstrument ex [Artikel 59, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is een aantal belangrijke beperkingen verbonden. Hieronder worden deze opgesomd:
### 6.2.4. Procedure bij voortduren van de vrijheidsontneming
Aan de gebruikmaking van het bewaringsinstrument ex [Artikel 59, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is een aantal belangrijke beperkingen verbonden. Hieronder worden deze opgesomd:
Daarnaast kunnen nog andere, persoonsgebonden belangen een rol spelen.
Uit het bewaringsdossier van de vreemdeling dient te blijken dat een belangenafweging, waarbij het bovenstaande in acht is genomen, heeft plaatsgevonden.
Een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, alsmede het familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), kan slechts in bewaring worden gesteld indien de Minister een besluit op grond van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) heeft genomen, waarmee het verblijfsrecht van de vreemdeling is beëindigd of aan hem is ontzegd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid én
[Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) biedt de mogelijkheid tot het in bewaring stellen van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen (verlengen) van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd indienen/ingediend hebben en van wie in afwachting van de beslissing daarop de uitzetting achterwege blijft (zie [artikel 8, aanhef en onder f en g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)). Voor de procedure tot inbewaringstelling van deze vreemdelingen wordt verwezen naar A6/5.3.4.
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
Het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, dient verder zo beperkt mogelijk te geschieden. Het kan hierbij gaan om vreemdelingen die een dergelijke aanvraag indienen/ingediend hebben en waarvan bijvoorbeeld om redenen van manifest bedrog of andere gronden genoemd in A6/5.3.3.1 aangenomen kan worden dat zij zich aan de eventuele uitzetting zullen gaan onttrekken. Ook kan het voorkomen dat een vreemdeling eerst nadat hij in bewaring gesteld is een asielaanvraag indient. In beide gevallen zal aan de hand van de bekend geworden feiten en omstandigheden voor de aanvraag bijvoorbeeld het nader gehoor, een concrete afweging gemaakt moeten worden met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag.
### 6.4. Schadevergoeding
Door huwelijk verkregen naam.....
### 7. Overgangsrecht
### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
[Artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van de (bepalingen die gelden voor de) de categorieën vermeld in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) wordt verwezen naar [B10](onbekend).
Bij de aanvraag voert de vreemdeling argumenten aan om te bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen, een en ander als bedoeld in artikel 32 van Richtlijn 2004/38, welke op 29 april 2006 is geïmplementeerd. Hierbij dient te worden gedacht aan:
Het kan voorkomen dat een vreemdeling in een individueel geval aanvullende gegevens en bescheiden zal moeten overleggen, ofwel deze eigener beweging overlegt.
### 10.6.4.1. Inleiding
### 10.6.4.4. De beslissing op de aanvraag
Zie voor de algemeen toepasselijke regels ter zake van de beslissing op de aanvraag A5/4.4.
### 10.6.4.2. Vorm van de aanvraag
De aanvraag tot opheffing dient te worden ingediend bij de IND. Voor de vormvereisten van de aanvraag wordt verwezen naar A5/4.2 en A5/5.2.
### 1. Algemeen
### 5.3.4. De procedure
Vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling. Voor vrijheidsontneming volgt dat tevens uit [artikel 15 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=15) en artikel 5 EVRM. De in artikel 5 EVRM genoemde waarborgen zijn niet van toepassing op vrijheidsbeperkende maatregelen. Het verdragsartikel ziet alleen op vrijheidsontneming.
Vanwege het ingrijpende karakter dient de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke. Steeds zal nagegaan moeten worden of met een lichter middel volstaan kan worden. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) dienen voortdurend in acht genomen te worden. Voorts is de uitvoering van deze maatregelen met strikte waarborgen omkleed.
### 10.6.4.4. De beslissing op de aanvraag
De Minister kan aan de Korpschef, aan de Commandant der Kmar en aan de Algemeen Directeur van de DT&V aanwijzingen geven over de uitvoering van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), ook ten aanzien van de in dit hoofdstuk genoemde maatregelen (zie [artikel 48, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=48)).
De beschikking op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag (zie [artikel 8.22, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22)).
De Vw kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:
Naast de vrijheidsbeperkende maatregelen kent de wet vier vrijheidsontnemende maatregelen:
### 1.2. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
Vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling. Voor vrijheidsontneming volgt dat tevens uit [artikel 15 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=15) en artikel 5 EVRM. De in artikel 5 EVRM genoemde waarborgen zijn niet van toepassing op vrijheidsbeperkende maatregelen. Het verdragsartikel ziet alleen op vrijheidsontneming.
De ambtenaar belast met grensbewaking, de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) oplegt, dient de IND door middel van [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-04-01&g=2012-04-01) of [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01) daarvan op de eerste dag van het opleggen van de maatregel op de hoogte te brengen (zie [artikel 5.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.6)). Deze mededeling aan de IND dient ook plaats te vinden indien een dergelijke maatregel inmiddels is opgeheven.
Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie [artikel 75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) en [77 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=77)).
### 2. Omzetting van verblijfsvergunningen
Een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, alsmede het familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), kan slechts in bewaring worden gesteld indien de Minister een besluit op grond van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) heeft genomen, waarmee het verblijfsrecht van de vreemdeling is beëindigd of aan hem is ontzegd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid én
### 3. Behandeling van de aanvraag
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
Bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) kan slechts aan gezinnen met minderjarige kinderen worden opgelegd wanneer gedwongen vertrek op korte termijn gerealiseerd kan worden. Hierbij gaat het om de situatie dat de voor het vertrek noodzakelijke reisdocumenten voorhanden zijn of binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Er kan in dat geval – al naar gelang wordt voldaan aan de voorwaarden – worden gekozen voor een maatregel op grond van [artikel 59, eerste dan wel tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59).
### 3.2. Aanvragen verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf
Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf op grond van artikel 9 Vw (oud) voor een regulier verblijfsdoel (onder een beperking) worden aangemerkt als aanvragen tot het verlenen of het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14).
Ten aanzien van vreemdelingen van wie de tweede of volgende asielaanvraag met toepassing van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) in de algemene asielprocedure is afgewezen omdat geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht wordt zo spoedig mogelijk na bekendmaking van de afwijzende beschikking beoordeeld of bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) zal worden toegepast. Indien de hier bedoelde vreemdeling zich eerder gedurende enige tijd heeft ontrokken aan toezicht weegt het belang van de openbare orde in beginsel zwaarder dan het individuele belang van de vreemdeling. Voor de beoordeling van tweede of herhaalde aanvragen wordt verwezen naar [C14/4](onbekend).
Ten aanzien van deze vorm van rechtsbijstand kunnen zich de volgende situaties voordoen:
Op verzoek van de raadsman wordt hem een afschrift verstrekt van het besluit tot bewaring [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en van het proces-verbaal van gehoor [M110-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-B&z=2012-04-01&g=2012-04-01). De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge [artikel 104 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=104) tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot de vreemdeling. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen, indien vereist, onder toezicht en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
Zie [artikel 5.2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2). Het uitgangspunt is dat een vreemdeling, voordat hij in bewaring gesteld wordt, gehoord wordt. Het kan voorkomen dat het gehoor na de inbewaringstelling plaatsvindt. Dit geval kan zich bijvoorbeeld voordoen als de vreemdeling aansluitend aan een ontslag uit strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld is en vervolgens voor het gehoor overgebracht wordt naar een politiebureau. Een gehoor na de inbewaringstelling kan zich ook voordoen als de advocaat niet tijdig op verzoek van de vreemdeling bij het gehoor aanwezig kan zijn.
### 3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
Uit de vreemdelingenadministratie dient duidelijk te blijken om welke reden(en) het gehoor na de inbewaringstelling plaatsgevonden heeft.
### 5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
Indien de vreemdeling de Nederlandse taal niet dan wel onvoldoende beheerst, dient het gehoor plaats te vinden met behulp van een tolk in een taal die de vreemdeling voldoende begrijpt.
### 3.5. Wijze van behandeling
Voor de specifieke bepalingen ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel in bewaring wordt verwezen naar B9/3.1.
In beginsel wordt de vreemdeling gehoord in het bijzijn van een advocaat. Van dit recht moet door de bevoegde ambtenaar aan de vreemdeling tijdig mededeling gedaan worden (zie [artikel 5.2, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2)). ‘Tijdig’ betekent in dit verband dat, als de vreemdeling rechtsbijstand bij het gehoor wil, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zich zodanig dient in te spannen dat die bijstand in redelijkheid gerealiseerd kan worden.
Ten aanzien van deze vorm van rechtsbijstand kunnen zich de volgende situaties voordoen:
Op verzoek van de raadsman wordt hem een afschrift verstrekt van het besluit tot bewaring [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01) en van het proces-verbaal van gehoor [M110-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-B&z=2012-07-01&g=2012-07-01). De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge [artikel 104 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=104) tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot de vreemdeling. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen, indien vereist, onder toezicht en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
### 5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
De betrokken vreemdeling dient er steeds op gewezen te worden dat hij contact kan (laten) opnemen met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan zal worden, indien hij geen contact met de betreffende vertegenwoordiging verlangt.
Wordt een vrijheidsontnemende maatregel aan een minderjarige opgelegd dan wordt daarvan, als daartoe de gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige uitoefenen, voorzover die zich in Nederland bevinden. Is dat niet mogelijk, dan zal de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande ingelicht worden.
### 5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
### 1.3. Aanmelding vreemdeling
Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen bij de uitzetting van een vreemdeling wordt een aanmeldformulier vreemdeling (zie [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) opgemaakt. Het ingevulde formulier geeft informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te doen verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en dient de vreemdeling te begeleiden van het moment van ingang van de vrijheidsontnemende maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen dienen terstond te worden aangebracht.
De ambtenaar belast met grensbewaking, de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) oplegt, dient de IND door middel van [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-02-09&g=2012-02-09) of [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09) daarvan op de eerste dag van het opleggen van de maatregel op de hoogte te brengen (zie [artikel 5.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.6)). Deze mededeling aan de IND dient ook plaats te vinden indien een dergelijke maatregel inmiddels is opgeheven.
Zie [artikel 5.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.5). Voor het lichten van strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen wordt verwezen naar A4/10.1.
### 3.4. Aanvragen om toelating als vluchteling
### 5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting
Wordt een vrijheidsontnemende maatregel aan een minderjarige opgelegd dan wordt daarvan, als daartoe de gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige uitoefenen, voorzover die zich in Nederland bevinden. Is dat niet mogelijk, dan zal de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande ingelicht worden.
Vrijheidsontneming is een ingrijpende maatregel. De toepassing daarvan moet daarom tot het strikt noodzakelijke beperkt blijven. Een versterkte mate van terughoudendheid dient te worden betracht bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Zulks brengt met zich mee dat er extra aandacht zal moeten zijn voor de mogelijkheid van het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming. Zie ook A6/1.6 voor vrijheidsbeperkende- dan wel een vrijheidsontnemende maatregelen bij gezinnen met minderjarige kinderen. Bij aannemelijke twijfel omtrent de leeftijd van vreemdelingen die stellen minderjarig te zijn kan een leeftijdsonderzoek worden ingesteld volgens de daarvoor geldende protocollen (zie de website van de IND).
De volgende regels zijn van toepassing:
### 5.2.2. De toepassing
Als de bewaring voortduurt, wordt het belang van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden groter. In de jurisprudentie van de rechtbanken wordt er doorgaans van uitgegaan dat na zes maanden bewaring het belang van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden in het algemeen zwaarder weegt dan het algemeen belang om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden. Onder omstandigheden kan die termijn evenwel langer dan wel korter zijn. De termijn van zes maanden kan onder meer overschreden worden, indien er bijvoorbeeld sprake is van:
Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden (zie A6/4.3.5). Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.
Indien sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Desalniettemin kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin, in geval het gezin de toegang tot Nederland – en daarmee het Schengengebied – is geweigerd, dit in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan grond vormen om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.
Nu de vrijheidsontnemende maatregel slechts aan gezinnen kan worden opgelegd wanneer het noodzakelijk is dat de beschikbaarheid van het gehele gezin is gegarandeerd, kan de duur van de vrijheidsontneming beperkt blijven. Zie A6/2.7 voor de maximale duur bij vrijheidsontneming op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) en de gronden waarop deze termijn kan worden overschreden. Zie A6/5.3.5 voor de maximale duur bij vrijheidsontneming op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en de gronden waarop deze termijn kan worden overschreden. De termijnen hebben overigens uitsluitend betrekking op vrijheidsontneming van het gezin. Deze maximale termijnen zijn niet van toepassing in geval slechts aan één ouder de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd terwijl de overige gezinsleden een vrijheidbeperkende maatregel is opgelegd.
### 1.7. Gescheiden plaatsen van strafrechtelijk gedetineerden en vreemdelingen
Vreemdelingenbewaring vindt in de regel plaats in speciale inrichtingen voor bewaring, namelijk detentie- en uitzetcentra. In bijzondere omstandigheden kan het voorkomen dat vreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd op een (gespecialiseerde) afdeling in een regulier huis van bewaring. Hiervan kan sprake zijn indien de vreemdeling voorzieningen nodig heeft die niet worden geboden in een detentie- of uitzetcentrum. Als voorbeeld kan een Penitentiair Psychiatrisch Centrum en het Justitieel Medisch Centrum worden genoemd. De tenuitvoerlegging vindt daar niet langer plaats dan noodzakelijk. Daarnaast kan een vreemdeling vanwege zijn gedrag in een detentie- of uitzetcentrum om beheersmatige redenen worden geplaatst in een regulier huis van bewaring. Indien een vreemdeling wordt geplaatst in een regulier huis van bewaring wordt hij zoveel mogelijk gescheiden gehouden van strafrechtelijk gedetineerden. De plaatsing in een regulier huis van bewaring vindt plaats door de selectiefunctionaris. Tegen het plaatsingsbesluit van de selectiefunctionaris kan op grond van [artikel 17, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=17) bezwaar worden gemaakt. Op grond van [artikel 72, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=72) staat tegen het besluit op bezwaar beroep open bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.
De volgende regels zijn van toepassing:
Indien het voornemen bestaat een uitzondering te maken op a – c vindt overleg tussen de inbewaringstellende instantie en de DT&V plaats.
De vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, dient krachtens [artikel 5 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) Nederland onmiddellijk te verlaten. Deze verplichting geldt niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) of [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33) indient (zie [artikel 5, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5)). Aan een geweigerde vreemdeling kan op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel worden opgelegd.
### 2.2. Het doel
Indien sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Desalniettemin kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin, in geval het gezin de toegang tot Nederland – en daarmee het Schengengebied – is geweigerd, dit in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan grond vormen om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.
De in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46) genoemde ambtenaren belast met grensbewaking zijn bevoegd tot het opleggen van de verplichting aan een geweigerde vreemdeling om zich op te houden in een aangewezen ruimte of plaats (zie [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)).
### 2.4. De toepassing
[Artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geeft aan dat aan de vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, de verplichting opgelegd kan worden om zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Deze ruimte kan ingevolge het tweede lid worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is in ieder geval geïndiceerd wanneer naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de aanwijzing om zich op te houden in de bedoelde ruimte of plaats en/of omdat aspecten van openbare orde of nationale veiligheid dit vorderen. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel indienen of hebben ingediend, wordt verwezen naar A6/2.5 en [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend). De vrijheidsbeneming zal dan een aanvang nemen in een gebouw van de grensdoorlaatpost of een politiebureau. Daarna zal de vreemdeling met een nieuwe beschikking geplaatst moeten worden in een inrichting waar het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848) (Stb. 1993, nr. 45) van toepassing is. Dient deze vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in dan dient gehandeld te worden zoals hierna vermeld.
Verstekelingen (met uitzondering van de asielzoekers) dienen zoveel mogelijk geplaatst te worden aan boord van het schip waarvan zij afkomstig zijn. Deze plaatsing geschiedt op grond van [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) en [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65).
### 2.1. De maatregelen op grond van artikel 6 Vw
De weigering van toegang strekt zich niet enkel uit tot de verdere inreis in Nederland, doch ook tot de verdere inreis in het overige Schengengebied. Voor een toelichting op de situatie waarbij een asielzoeker de toegang geweigerd wordt, terwijl tegelijkertijd op grond van de Verordening 343/2003 een verzoek tot overname van de asielaanvraag ingediend wordt bij een andere staat, wordt verwezen naar A2/5.5.6. Aan Dublinclaimanten aan wie de toegang niet geweigerd kan worden, wordt de vrijheidsbeperkende maatregel van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) opgelegd of, indien aan de voorwaarden daarvan wordt voldaan, de maatregel van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59).
Aan een gezin met één of meer minderjarige kinderen dat de toegang is geweigerd kan een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) worden opgelegd indien aanleiding bestaat om aan te nemen dat het vertrek binnen twee weken kan worden gerealiseerd. Gelet op het belang van de grensbewaking en de mogelijkheid van het realiseren van het vertrek op korte termijn is het dan noodzakelijk dat de beschikbaarheid van het gezin is gegarandeerd. Om die reden is het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel aan het gezin in beginsel geïndiceerd. Indien het vertrek naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking niet binnen twee weken kan worden gerealiseerd zal in beginsel worden volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw.
Indien tenminste één van de gezinsleden een asielaanvraag indient en deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure kan worden afgedaan, zal de vrijheidsontnemende maatregel worden toegepast gedurende de asielprocedure. Zie [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend) voor de toepassing van de maatregel op grond van [artikel 6, eerste of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) bij vreemdelingen die de toegang tot Nederland zijn geweigerd en die een asielaanvraag indienen. Zie A6/2.7 voor de duur van de maximale termijn die geldt bij vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarige kinderen.
De in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46) genoemde ambtenaren belast met grensbewaking zijn bevoegd tot het opleggen van de verplichting aan een geweigerde vreemdeling om zich op te houden in een aangewezen ruimte of plaats (zie [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)).
Het opleggen van een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geschiedt bij beschikking [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-04-01&g=2012-04-01). De bevoegde ambtenaar dient een afschrift daarvan uit te reiken aan de vreemdeling, waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem moeten worden meegedeeld. Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats dient steeds een nieuwe beschikking te worden gemaakt. Als echter om redenen die voortvloeien uit de toepassing van de[Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals het afnemen van een gehoor of om medische redenen, tijdelijke overplaatsing (afhankelijk van feiten of omstandigheden, in beginsel ten hoogste 48 uur) van de vreemdeling vanuit de justitiële inrichting of een andere plaats van onderbrenging naar een andere ruimte of plaats nodig is (bijvoorbeeld van een grenslogies naar het AC), dan is de geldende plaatsingsbeschikking van toepassing. Ook het transport naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder de gegeven beschikking. In deze gevallen hoeft geen nieuwe plaatsingsbeschikking gemaakt te worden.
### 2.6. De tenuitvoerlegging
Er dienen voldoende afschriften te worden gemaakt van de maatregel waarbij de bewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is:
### 5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
Het kan voorkomen dat de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient of dat tijdens zijn vrijheidsontneming een door hem ingediende aanvraag wordt afgewezen. In die gevallen kan de bewaring op een andere categorie worden voortgezet (zie voor de verschillende categorieën [artikel 59, eerste lid, onder a en b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)). De bewaring wordt niet opgeheven, immers de gronden voor de bewaring kunnen dezelfde blijven. Als de bewaring wordt voortgezet op een andere categorie wordt door de hulpofficier van justitie of door de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is onverwijld een nieuw [model M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01) aan de vreemdeling uitgereikt (zie [artikel 5.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.3)). Gelet op het bepaalde in [artikel 5.2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2) hoeft de vreemdeling daarbij niet gehoord te worden.
Indien de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een reguliere aanvraag of een asielaanvraag indient, komt aan de beslissing op de reguliere aanvraag ingevolge [artikel 73, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) en aan de beslissing op de asielaanvraag ingevolge [artikel 82, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=82) geen opschortende werking toe. Voor de procedure betreffende de indiening van een reguliere aanvraag wordt verwezen naar [B1/9.1.1](onbekend).
Voor de specifieke bepalingen ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel in bewaring wordt verwezen naar B9/3.1.
De DT&V moet gelet hierop alle maatregelen nemen om de uitzetting op zo kort mogelijke termijn te effectueren (onderzoek naar identiteit en nationaliteit, naar aanwezigheid reisdocumenten, verblijfspositie, aanvraag (vervangende) reisdocumenten e.d.). Bij het voortduren van de maatregel zal de nadruk gelegd dienen te worden op de voortvarendheid van het handelen met betrekking tot het verkrijgen van reis- en/of identiteitsdocumenten.
Indien de bewaring wordt opgeheven, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing – zonder dat de vreemdeling uit de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten is geweest – opnieuw in bewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van bewaring is het noodzakelijk dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Het maakt in dit verband geen verschil of de opheffing van de eerdere bewaring door de rechtbank is bevolen dan wel op eigen initiatief namens de Minister is opgeheven. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
Indien een vreemdeling gedurende de tenuitvoerlegging van de bewaring een verzoek om een voorlopige voorziening indient, blijft de vreemdelingenbewaring in beginsel voortduren. De ambtenaar van de DT&V zal in overleg met de IND na moeten gaan of deze procedure in Nederland afgewacht mag worden. Indien daartoe besloten wordt en de vreemdelingenbewaring voortduurt, zal de IND aan de rechtbank verzoeken om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te laten plaatsvinden. Ook de advocaat van de vreemdeling kan in deze gevallen aan de rechtbank om bespoediging van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening vragen.
In [artikel 59, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt aangegeven hoe lang de maatregel van bewaring mag duren. Daarbij is het volgende onderscheid gemaakt:
De termijn genoemd onder a en b begint te lopen op de dag waarop de aanvraag door het bestuursorgaan ontvangen is en eindigt op de dag na de dag waarop de beslissing bekend gemaakt is. Waar de termijn van vreemdelingenbewaring is gesteld in maanden, wordt analoog aan [artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=88) een maand beschouwd als een tijdvak van 30 dagen.
Naast de wettelijke termijn van [artikel 59, vierde en vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) geldt een maximale duur van de bewaring indien een gezin met minderjarige kinderen een maatregel op grond van artikel 59 Vw is opgelegd. Voor deze maximale termijn en de voorwaarden waaronder deze termijn mag worden overschreden, wordt verwezen naar A6/5.3.3.8.
In het [vijfde lid artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is aangegeven dat bewaring maximaal zes maanden mag duren (de termijn genoemd onder d). Deze termijn kan op grond van het zesde lid van artikel 59 Vw met nog eens maximaal twaalf maanden worden verlengd indien:
### 4.4. Hoger beroep
De vrijheidsontnemende maatregel van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) wordt zoveel mogelijk ten uitvoer gelegd in een door de Minister voor deze categorie vreemdelingen aangewezen ruimte of plaats.
### 5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring
Dat is anders voor de vrijheidsontnemende maatregel genoemd in [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6). In dat geval geldt in de door de Minister aangewezen ruimte of plaats het regime van het Reglement grenslogies. Wordt de vrijheidsontneming ten uitvoer gelegd in een andere (dan door de Minister aangewezen) ruimte of plaats dan dient het regime overeen te komen met dat van het Reglement grenslogies.
### 2.7. De duur
Conform [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) kan de maatregel, zoals bedoeld in [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), niet langer dan zes maanden duren. De maatregel kan ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd indien:
### 5.3.8. De beëindiging
Indien redenen aanwezig zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal 12 maanden te verlengen, dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de Algemene Termijnenwet niet van toepassing. Uiteraard kan het tijdvak van vreemdelingenbewaring op grond van [artikel 59, eerste lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) langer zijn dan 18 maanden indien de vreemdeling gedurende de bewaring rechtmatig verblijf gehad op één van de gronden genoemd in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b Vw. Uit artikel 59, vierde lid van de Vw volgt dat de termijn hierdoor – per doorlopen aanvraag – met maximaal vier weken ingeval het betreft een aanvraag als bedoedl in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) betreft, of zes weken in geval het betreft een aanvraag als bedoeld in [artikel 29 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29).
Indien een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) aan een gezin met minderjarige kinderen is opgelegd geldt een maximale duur van twee weken. Indien de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgelegd en een asielaanvraag is ingediend, terwijl deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure wordt afgedaan zal de vrijheidsontnemende maatregel kunnen worden toegepast gedurende de asielprocedure (zie [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend) voor de toepassing van artikel 6 Vw gedurende de algemene asielprocedure). De maatregel kan dan voortduren tot uiterlijk twee weken gerekend vanaf het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Ingeval er om een voorlopige voorziening is verzocht, waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het verzoek.
### 5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring
Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geldt geen regime.
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
Heeft de vreemdeling het Nederlands grondgebied wél verlaten en keert hij terug (bijvoorbeeld na weigering toegang door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit), dan dient opnieuw te worden bekeken of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang. Indien deze beoordeling leidt tot een (nieuwe) toegangsweigering, dient ook de maatregel van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opnieuw te worden opgelegd en moet een nieuwe plaatsingsbeschikking worden genomen. Tevens zal, ingeval de vreemdeling op grond van [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) is uitgezet, de vervoerder een nieuwe aanwijzing krijgen om de vreemdeling terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie A2/7.1.5).
Indien de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) beveelt (zie A6/6) betekent dat niet dat ook de weigering van de toegang ex [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) wordt opgeheven. In die gevallen kan nog steeds op grond van artikel 6, eerste lid, Vw (vrijheidsbeperking) een ruimte of plaats worden aangewezen waar de vreemdeling zich dient op te houden. Indien de toegangsweigering wordt opgeheven, bijvoorbeeld omdat aan de vreemdeling alsnog rechtmatig verblijf toekomt op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of de rechtbank de beschikking van weigering toegang vernietigt, wordt de maatregel van artikel 6 Vw eveneens opgeheven. Voor het opheffen van de maatregel dient gebruik te worden gemaakt van Model [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-04-01&g=2012-04-01).
### 3. Verblijf
Indien redenen aanwezig zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal 12 maanden te verlengen, dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de Algemene Termijnenwet niet van toepassing. Uiteraard kan het tijdvak van vreemdelingenbewaring op grond van [artikel 59, eerste lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) langer zijn dan 18 maanden indien de vreemdeling gedurende de bewaring rechtmatig verblijf gehad op één van de gronden genoemd in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b Vw. Uit artikel 59, vierde lid van de Vw volgt dat de termijn hierdoor – per doorlopen aanvraag – met maximaal vier weken ingeval het betreft een aanvraag als bedoedl in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) betreft, of zes weken in geval het betreft een aanvraag als bedoeld in [artikel 29 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29).
Aan een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd indient en de beslissing daarvan op grond van deze wet in Nederland mag afwachten, kan de vrijheidsbeperkende maatregel van [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) opgelegd worden. De maatregel houdt in dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) een plaats aangewezen krijgt waar hij zich gedurende het onderzoek naar de inwilligbaarheid van die aanvraag dient op de houden, overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen. De aanwijzingen, die betrekking kunnen hebben op het gehoor, het fotograferen of dactyloscoperen, en het verstrekken van gegevens, maken deel uit van de beschikbaarheidsverplichting. Het wél verblijven op de aangewezen plaats maar niet handelen overeenkomstig de gegeven aanwijzingen betekent dat de vreemdeling zich niet overeenkomstig [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) beschikbaar houdt op de aangewezen plaats. Daartegenover staat dat ook de beschikbaarheid noodzakelijk dient te zijn ten behoeve van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag. Het ontbreken van dergelijk verband maakt de maatregel onrechtmatig.
Voorzover de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning een aanvraag van een asielzoeker betreft, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvanglocatie zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet ophouden. Hij doet dit zowel mondeling als schriftelijk. Hiertoe wordt het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01) gebruikt. De aanwijzingen betreffen in ieder geval datum, tijdstip en plaats van aanwijzing. Daarnaast kunnen vervolgaanwijzingen worden gegeven met betrekking tot het verschaffen van extra informatie, het uitreiken van het rapport van gehoor of de beschikking. Het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01) doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking.
De asielzoeker wordt erop gewezen dat het niet nakomen van de aanwijzingen consequenties heeft voor de afhandeling van zijn aanvraag. Deze omstandigheid wordt mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag en kan op grond van [artikel 31, tweede lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) reden zijn de aanvraag af te wijzen.
### 7. Overgangsrecht
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel door de vreemdeling wordt verwezen naar A6/6.
Indien de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) beveelt (zie A6/6) betekent dat niet dat ook de weigering van de toegang ex [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) wordt opgeheven. In die gevallen kan nog steeds op grond van artikel 6, eerste lid, Vw (vrijheidsbeperking) een ruimte of plaats worden aangewezen waar de vreemdeling zich dient op te houden. Indien de toegangsweigering wordt opgeheven, bijvoorbeeld omdat aan de vreemdeling alsnog rechtmatig verblijf toekomt op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of de rechtbank de beschikking van weigering toegang vernietigt, wordt de maatregel van artikel 6 Vw eveneens opgeheven. Voor het opheffen van de maatregel dient gebruik te worden gemaakt van Model [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-02-09&g=2012-02-09).
Het doel van deze maatregel is niet alleen de bevordering van de waarheidsvinding, maar ook de versnelling van de procedure doordat de vreemdeling steeds bereikbaar is. Meer in het algemeen kan het voorkomen dat tijdens de behandeling van de asielaanvraag nadere vragen opkomen die, als de asielzoeker bereikbaar is, snel beantwoord kunnen worden, wat niet alleen de voortgang van de procedure, maar ook de kwaliteit van de beslissing ten goede zal komen.
### 3.3. De bevoegdheid
De bevoegde autoriteit die de plaats aanwijst waar de vreemdeling zich beschikbaar dient te houden overeenkomstig hem daartoe gegeven aanwijzingen is de Minister. De Korpschef kan namens de Minister de beschikbaarheidsverplichting opleggen en de daarbij behorende aanwijzingen geven. De Korpschef kan van deze bevoegdheid ondermandaat verlenen aan de onder hem ressorterende ambtenaren (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)).
### 3.4. De toepassing
De beschikbaarheidsverplichting van [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) kan opgelegd worden aan vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd indienen. Deze beschikbaarheidsverplichting geldt tot en met de uitreiking van de beschikking in eerste aanleg. Is uitreiking niet mogelijk dan geldt de hierna vermelde procedure.
Voor asielzoekers geldt dat zij zich beschikbaar dienen te houden in een AC of opvangvoorziening. Voor reguliere vreemdelingen kan dat de woon- of verblijfplaats zijn.
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel door de vreemdeling wordt verwezen naar A6/6.
De beschikbaarheidsverplichting wordt opgelegd door de Korpschef. Hij maakt daarbij gebruik van [model M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01). Dit model doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking. De daarbij gegeven aanwijzingen kunnen onder meer betrekking hebben op het gehoor, het fotograferen, dactyloscoperen en het verstrekken van gegevens en/of informatie. De vreemdeling wordt daarbij tevens gewezen op de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel.
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
### 3.3. De bevoegdheid
Voor de bevoegdheden op grond van [artikel 55, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55), zie A3/8.
Indien de rechtbank de toepassing of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig acht, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Ook kan de rechtbank schadevergoeding toekennen (zie hierna A6/6.4).
De beschikbaarheidsverplichting van [artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) kan opgelegd worden aan vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor bepaalde tijd indienen. Deze beschikbaarheidsverplichting geldt tot en met de uitreiking van de beschikking in eerste aanleg. Is uitreiking niet mogelijk dan geldt de hierna vermelde procedure.
Voor het toezicht op vreemdelingen zijn de [artikelen 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) van belang. [Artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) betreft de bevoegdheid van het staande- en ophouden van personen (eventueel ook Nederlanders) in het belang van het toezicht op vreemdelingen. [Artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken.
De kennisgeving hoeft niet gedaan te worden indien de bewaring uiterlijk de 28e dag van de vrijheidsontneming is opgeheven. Stelt de vreemdeling dan wel zijn advocaat of gemachtigde beroep in binnen de termijn van 28 dagen, dan hoeft de IND evenmin een kennisgeving aan de rechtbank te zenden.
In verband met een uitvoerige beschrijving van alle onderdelen die met het toezicht op vreemdelingen te maken hebben, wordt voor de toepassing van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) verwezen naarA3/3.
### 4.3. Het beperken van de bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)
Indien de vreemdeling in strijd met zijn beschikbaarheidsverplichting met onbekende bestemming is vertrokken, dient de Korpschef dit te melden door middel van [model M100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100&z=2012-02-09&g=2012-02-09) met een kopie van het [model M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09). Het met onbekende bestemming vertrokken zijn dient in beginsel concreet vastgesteld te zijn aan de hand van bijvoorbeeld een adrescontrole.
[Artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken (zie ook [artikel 5.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1) en [artikel 5.2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=5.2)).
De opgelegde beperkingen mogen niet zo verstrekkend zijn, dat zij het karakter van een vrijheidsontnemende maatregel hebben. Neemt de vreemdeling de opgelegde beperking niet in acht, dan begaat hij een in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gestelde overtreding.
### 4.3.2. De bevoegdheid
De bevoegdheid tot het opleggen, wijzigen of opheffen van deze maatregel berust bij de Minister.
Indien de Korpschef van oordeel is dat de vrijheid van beweging van een vreemdeling beperkt dient te worden, doet de Korpschef daartoe een gemotiveerd voorstel aan de Minister. In spoedeisende gevallen is de Korpschef gemachtigd om, in afwachting van de beslissing van de Minister, de vrijheid van beweging van een vreemdeling voor de duur van ten hoogste een week te beperken. Maakt de Korpschef van deze bevoegdheid gebruik, dan geeft hij daarvan binnen 24 uur kennis aan de Minister.
### 2. Omzetting van verblijfsvergunningen
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt verwezen naar A6/6.
De [artikelen 118–120 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) regelen het overgangsrecht ten aan zien van de rechtsmiddelen. Voornoemde artikelen bevatte zowel de mogelijkheden tot het instellen van een rechtsmiddel op grond van de Vw (oud) en de behandeling van dit rechtsmiddel.
### 3.1. Inleiding
Deze maatregel kan derhalve alleen opgelegd worden aan vreemdelingen die:
Alleen in uitzonderingsgevallen, met name indien de uitzetting (nog) niet kan plaatsvinden en de toepassing van een andere vrijheidsbeperkende maatregel niet in aanmerking komt, kan deze maatregel in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid toegepast worden.
### 4.3.4. De beëindiging
Hoewel de maatregel niet aan een wettelijke termijn gebonden is, dienen ook hierbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel toegepast worden) in acht genomen te worden.
De maatregel wordt bovendien beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en daartoe voor hem ook gelegenheid bestaat. Deze gelegenheid bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument en vlieg- of reistickets (of voldoende financiële middelen om het beoogde verblijf en de terugkeer te bekostigen). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt verwezen naar A6/6.
De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) – al dan niet in combinatie met een toezichtsmaatregel op grond van [artikel 54, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) – kan worden opgelegd in een daartoe bestemde vrijheidsbeperkende locatie. De maatregel wordt opgelegd door de DT&V en in spoedeisende gevallen door de korpschef. Vanuit de vrijheidsbeperkende locatie zal intensieve facilitering van (zelfstandige) terugkeer plaatsvinden.
De vrijheidsbeperking op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) in een vrijheidsbeperkende locatie zal in beginsel uiterlijk twaalf weken worden opgelegd. Indien niet kan worden voorkomen dat met name bij gezinnen met minderjarige kinderen de vrijheidsbeperkende maatregel langer dan twaalf weken moet worden voortgezet, kan de minister besluiten de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats op te leggen.
In het belang van het kind dient vrijheidsontneming slechts als uiterste maatregel en slechts gedurende korte duur te worden gehanteerd. Daarom wordt ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden. Hierbij valt ook te denken aan gezinnen met minderjarige kinderen waarvan één ouder in bewaring is gesteld. Voor de voorwaarden waaronder vrijheidsontneming van een gezin kan plaatsvinden wordt verwezen naar A6/2.4 en A6/5.3.3.8. Indien sprake is van gronden van openbare orde of nationale veiligheid – ook indien op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan – en het vertrek van het gezin is niet binnen korte termijn te realiseren, dan kan het gezin gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) in een vrijheidsbeperkende locatie worden opgelegd. Dit geldt zowel voor gezinnen die voorafgaande aan de maatregel in de opvang hebben verbleven als gezinnen die in de illegaliteit worden aangetroffen.
### 4. Rechtsmiddelen
Omdat de hier bedoelde vreemdelingen voorafgaande aan de maatregel op grond van de [RVA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959) in de opvang, en daarmee in het zicht van de overheid, hebben verbleven wordt het direct opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in deze gevallen in beginsel niet geïndiceerd geacht en kan voor het lichtere middel van een beperking van de bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) in de vrijheidsbeperkende locatie worden gekozen. Dit laat overigens onverlet dat, indien het belang van de openbare orde dat vordert, tot het opleggen van bewaring ter fine van uitzetting kan worden overgegaan (zie A6/5.3.3.1).
### 4.4. Hoger beroep
### 5. Uitzetting
Aanvragen om toelating als vluchteling als bedoeld in artikel 15 Vw (oud) worden aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel.
Om de overheid in staat te stellen haar bevoegdheid tot uitzetting van vreemdelingen die niet dan wel niet langer rechtmatig in Nederland verblijven uit te kunnen laten voeren, zijn in de wet vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen opgenomen.
[Artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) (vrijheidsbeperking) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) (vrijheidsontneming) Vw maken het mogelijk om vreemdelingen van wie de asielaanvraag is afgewezen te verplichten zich in verband met hun uitzetting beschikbaar te houden in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats die, indien noodzakelijk, tegen ongeoorloofd vertrek daaruit beveiligd kan worden. Het zich niet houden aan de verplichting van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) of [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
Indien de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, kunnen vreemdelingen, zowel asielzoekers als reguliere vreemdelingen, ter fine van hun uitzetting in bewaring gesteld worden op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59). Bij deze maatregel gaat het in beginsel – anders dan bij [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) – om vreemdelingen ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn voor het vermoeden dat zij zich aan de uitzetting zullen onttrekken.
Een vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen, die een vertrekplicht heeft en die voorafgaande aan de maatregel in de opvang van het COA of gemeentelijke (nood)opvang heeft verbleven, kan in beginsel de maatregel op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) worden opgelegd. De openbare orde wordt immers geacht de beperking van de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 Vw te vorderen indien een vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten. Het gegeven dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten – zijn vertrektermijn is immers ongebruikt verstreken – brengt met zich mee dat het gevaar dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan toezicht in beginsel aanwezig is.
Omdat de hier bedoelde vreemdelingen voorafgaande aan de maatregel op grond van de [RVA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959) in de opvang, en daarmee in het zicht van de overheid, hebben verbleven wordt het direct opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in deze gevallen in beginsel niet geïndiceerd geacht en kan voor het lichtere middel van een beperking van de bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) in de vrijheidsbeperkende locatie worden gekozen. Dit laat overigens onverlet dat, indien het belang van de openbare orde dat vordert, tot het opleggen van bewaring ter fine van uitzetting kan worden overgegaan (zie A6/5.3.3.1).
In [artikel 57, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) staat vermeld dat de Minister aan de asielzoeker de aanwijzing geeft om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden. Over het algemeen zal een dergelijke aanwijzing in de afwijzende beschikking opgenomen worden (zie [artikel 5.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.7)).
De Korpschef is namens de Minister bevoegd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen (zie A6/5.2.2 en [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)) de asielzoeker de verplichting op te leggen om zich beschikbaar te houden in een ruimte of plaats die beveiligd is tegen ongeoorloofd vertrek daaruit (zie [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)). Deze aanwijzing dient bij afzonderlijke beschikking gegeven te worden. De beschikking dient gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend te zijn. Aan de vreemdeling wordt een afschrift daarvan uitgereikt.
### 5.1. Het doel van de maatregelen van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
Om de overheid in staat te stellen haar bevoegdheid tot uitzetting van vreemdelingen die niet dan wel niet langer rechtmatig in Nederland verblijven uit te kunnen laten voeren, zijn in de wet vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen opgenomen.
De aanwijzing om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden kan gegeven worden ten aanzien van vreemdelingen van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28)) is afgewezen.
Het gaat hier dus zowel om de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen als de afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de gronden genoemd in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) en[31 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31). De motivatie voor het geven van de aanwijzing is gelegen in die gronden.
Bovendien kan deze aanwijzing slechts plaatsvinden indien de afwijzing op de aanvraag binnen acht weken (in verband met de voornemenprocedure) na de indiening daarvan is gegeven. De termijn van acht weken, bedoeld in [artikel 57, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) is de termijn tussen indiening van de aanvraag en kennisgeving van de beschikking. Heeft de vreemdeling zich onttrokken aan de beschikbaarheidsplicht (van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55)) nadat het onderzoek is afgerond, maar nog voordat de afwijzende beschikking te zijner kennis is gebracht dan wordt de tijd waarin de vreemdeling zich heeft onttrokken aan de beschikbaarheidsplicht opgeteld bij de eerder genoemde termijn van acht weken (zie [artikel 57, derde en vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57)). De afwijzing behoeft niet onherroepelijk te zijn. Dus ook als de vreemdeling procedeert bij de Vreemdelingenkamer tegen de afwijzing van zijn aanvraag kan hem deze aanwijzing gegeven worden.
### 5.2.1. De bevoegdheid
In [artikel 57, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) staat vermeld dat de Minister aan de asielzoeker de aanwijzing geeft om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden. Over het algemeen zal een dergelijke aanwijzing in de afwijzende beschikking opgenomen worden (zie [artikel 5.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.7)).
### 4.3. Beroep
### 5.3.7. Het strafrecht en bewaring
Houdt de asielzoeker zich opzettelijk niet aan de verplichting om zich beschikbaar te houden en volgt hij de gegeven aanwijzingen niet op dan kan hem de verplichting opgelegd worden zich op te houden in een inrichting waar het Reglement grenslogies geldt. In dat geval is er sprake van vrijheidsbeneming.
Voor het verkrijgen van een plaats in een grenslogies zie A6/5.3.6.2. Is plaatsing daar niet mogelijk, dan moet de vrijheidsontneming plaatsvinden in een ruimte of plaats met een overeenkomstig regime.
Het gaat hier dus zowel om de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen als de afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de gronden genoemd in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) en[31 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31). De motivatie voor het geven van de aanwijzing is gelegen in die gronden.
Zodra de vreemdeling zijn vrijheid ontnomen is op grond van [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58), wordt een (door hem gewenste) raadsman of een via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp aangewezen raadsman ingelicht.
### 4.4. Hoger beroep
In [artikel 120 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=120) is bepaald dat het hoger beroep als bedoeld in [artikel 84 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) slechts kan worden ingesteld tegen de uitspraak die is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Het betreft een uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank over de beschikking op de aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, dan wel over de beschikking waarbij de verblijfsvergunning is ingetrokken. Dit artikel beoogt het instellen van hoger beroep te beperken tot die zaken, waarin vanaf de eerste aanlegfase de nieuwe wet is toegepast ([artikel 117 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117)).
De duur van de vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregel op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is niet aan een termijn gebonden. Overigens mogen de maatregelen niet langer duren dan met het oog op het doel (de uitzetting) daarvan strikt noodzakelijk is.
De asielzoeker zal in beginsel als vrijheidsbeperkende maatregel de aanwijzing krijgen om zich beschikbaar te houden in een bepaalde opvangvoorziening. Meer dan een beschikbaarheidsverplichting mag de vreemdeling niet opgelegd worden. Daarbij dient hij de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit, dat is de Korpschef, in acht te nemen. Deze aanwijzingen houden in ieder geval in dat de vreemdeling zich tweemaal per dag dient te melden bij de Korpschef.
### 5.3.8. De beëindiging
Voor het verkrijgen van een plaats in een grenslogies zie A6/5.3.6.2. Is plaatsing daar niet mogelijk, dan moet de vrijheidsontneming plaatsvinden in een ruimte of plaats met een overeenkomstig regime.
Weigering van toegang aan de grens
Vreemdelingenbewaring is een maatregel die ten doel heeft de uitzetting van een vreemdeling te effectueren. Indien een vreemdeling niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dient hij in beginsel Nederland zelf te verlaten. Doet hij dat niet, dan vindt uitzetting plaats. Op deze wijze bestaat er een directe relatie tussen de vreemdelingenbewaring en het terugkeerbeleid. Mede vanwege het ingrijpende karakter is ook deze maatregel met strikte waarborgen omkleed.
De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld onverwijld contact met zijn raadsman op te nemen. De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge [artikel 104 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=104) tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot hem. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen, zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen. Een en ander onder toezicht indien vereist en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Voor het aanwenden van rechtsmiddelen en de procedure van beroep bij de rechtbank zie A6/6.
De bevoegdheid tot inbewaringstelling berust bij de Minister (zie [artikel 59, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)). De maatregel van inbewaringstelling wordt namens hem opgelegd en opgeheven door een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4) en [artikel 5.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=5.3)).
De duur van de vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregel op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is niet aan een termijn gebonden. Overigens mogen de maatregelen niet langer duren dan met het oog op het doel (de uitzetting) daarvan strikt noodzakelijk is.
Indien het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid dat vordert, kunnen, met het oog op de uitzetting, in bewaring gesteld worden vreemdelingen die:
Zodra de grond voor het toepassen van de maatregel van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) of [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) niet meer aanwezig is, heft de Korpschef deze maatregel op. Hiervan kan sprake zijn:
De openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen wanneer de noodzakelijke bescheiden ten behoeve van de uitzetting (zoals een geldig document voor grensoverschrijding, een reisbiljet en/of een claim op een vervoersmaatschappij) voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn (zie [artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en A6/5.3.3.5).
Het belang van de openbare orde kan de bewaring vorderen ([Vb, art. 5.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1a)):
Overigens mag bewaring op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet voor strafvorderingsdoeleinden worden toegepast; wel is het toegestaan om een vreemdeling als verdachte van een strafbaar feit marginaal te horen en daarvan proces-verbaal op te maken.
### 5.3.2. De bevoegdheid
### 6. Rechtsmiddelen
In het algemeen kan worden aangenomen dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure belemmert indien hij niet binnen de aan hem gegunde vertrektermijn is vertrokken en geen activiteiten onderneemt om dit vertrek mogelijk te maken. Ook indien de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert kan niet op de enkele grond van [5.1b, eerste lid onder c Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b) de maatregel van bewaring worden gemotiveerd maar zal een aanvullende grond moeten worden vermeld.
### 5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid
### 5.3.3.1. Het belang van de openbare orde
De openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen wanneer de noodzakelijke bescheiden ten behoeve van de uitzetting (zoals een geldig document voor grensoverschrijding, een reisbiljet en/of een claim op een vervoersmaatschappij) voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn (zie [artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en A6/5.3.3.5).
Gronden om de vreemdelingenbewaring niet of niet langer toe te passen kunnen zijn:
Bewaring mag bovendien niet worden toegepast uitsluitend op basis van overwegingen van algemene aard. De bewaring moet gerelateerd zijn aan feiten en/of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de vreemdeling. Steeds zal een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden tussen het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid en het individuele belang van de vreemdeling (zie A6/5.3.5).
### 5.3.3.4. Vreemdelingen die op korte termijn uitgezet kunnen worden
[Artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) biedt de mogelijkheid vreemdelingen voor wie de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel op korte termijn voorhanden zullen zijn, in bewaring te stellen. Het tweede lid van artikel 59 bepaalt dat in deze gevallen wordt geacht dat de openbare orde de bewaring van de vreemdeling vordert. Met noodzakelijke bescheiden wordt bedoeld dat een paspoort, laissez-passer (of andere geldige documenten voor grensoverschrijding) of een claim op een vervoersmaatschappij voorhanden is, dan wel binnen korte termijn voorhanden zal zijn. Met ‘binnen korte termijn voorhanden zal zijn’ wordt bijvoorbeeld gedoeld op de situatie dat de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling een vervangend document voor grensoverschrijding in het vooruitzicht heeft gesteld. De bewaringsgrond van het tweede lid van artikel 59 Vw dient er toe om te voorkomen dat een vreemdeling die goed gedocumenteerd is of op korte termijn goed gedocumenteerd zal zijn, zich alsnog aan uitzetting onttrekt.
Aan de gebruikmaking van het bewaringsinstrument ex [Artikel 59, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is een aantal belangrijke beperkingen verbonden. Hieronder worden deze opgesomd:
Daarnaast kunnen nog andere, persoonsgebonden belangen een rol spelen.
Uit het bewaringsdossier van de vreemdeling dient te blijken dat een belangenafweging, waarbij het bovenstaande in acht is genomen, heeft plaatsgevonden.
### 5.3.3.5. Bewaring van vreemdelingen met rechtmatig verblijf
[Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) biedt de mogelijkheid tot het in bewaring stellen van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen (verlengen) van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd indienen/ingediend hebben en van wie in afwachting van de beslissing daarop de uitzetting achterwege blijft (zie [artikel 8, aanhef en onder f en g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)). Voor de procedure tot inbewaringstelling van deze vreemdelingen wordt verwezen naar A6/5.3.4.
Indien een vreemdeling die vanwege criminele antecedenten een gevaar vormt voor de openbare orde een (herhaalde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd wil indienen of heeft ingediend zal in beginsel bewaring op grond van [artikel 59, eerste lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of [artikel 59 eerste en tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) worden toegepast. Voor die toepassing is het noodzakelijk dat een belangenafweging plaatsvindt.
Het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, dient verder zo beperkt mogelijk te geschieden. Het kan hierbij gaan om vreemdelingen die een dergelijke aanvraag indienen/ingediend hebben en waarvan bijvoorbeeld om redenen van manifest bedrog of andere gronden genoemd in A6/5.3.3.1 aangenomen kan worden dat zij zich aan de eventuele uitzetting zullen gaan onttrekken. Ook kan het voorkomen dat een vreemdeling eerst nadat hij in bewaring gesteld is een asielaanvraag indient. In beide gevallen zal aan de hand van de bekend geworden feiten en omstandigheden voor de aanvraag bijvoorbeeld het nader gehoor, een concrete afweging gemaakt moeten worden met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag.
Ingeval van asielzoekers geldt dat zolang de aanvraag nog niet in eerste aanleg is afgewezen, de inbewaringstelling uitsluitend mag plaatsvinden en voortduren na vooraf overleg met de IND. Van dat overleg dient verslag te worden gelegd in de vreemdelingenadministratie.
Aan de gebruikmaking van het bewaringsinstrument ex [Artikel 59, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is een aantal belangrijke beperkingen verbonden. Hieronder worden deze opgesomd:
### 6.2.4. Procedure bij voortduren van de vrijheidsontneming
Uit het bewaringsdossier van de vreemdeling dient te blijken dat een belangenafweging, waarbij het bovenstaande in acht is genomen, heeft plaatsgevonden.
[Artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van de (bepalingen die gelden voor de) de categorieën vermeld in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) wordt verwezen naar [B10](onbekend).
Met de documenten als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) kan de vreemdeling aantonen verblijfsrecht te ontlenen aan het Gemeenschapsrecht. Hij heeft, als persoon die valt onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer, rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zolang en indien het onderzoek door de Minister niet heeft uitgewezen dat de betrokken persoon geen verblijfsrecht (meer) heeft, of anderszins niet voldaan is aan de beperkingen en voorwaarden van het Gemeenschapsrecht (zie [Richtlijn 2004/38](32004L0038), alsmede de uitspraak van de ABRvS d.d. 7 juli 2003, JV 2003, 431).
Een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, alsmede het familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), kan slechts in bewaring worden gesteld indien de Minister een besluit op grond van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) heeft genomen, waarmee het verblijfsrecht van de vreemdeling is beëindigd of aan hem is ontzegd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid én
Tenslotte kan ten aanzien van een vreemdeling die stelt gebruik te maken van het Gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van personen, maar geen geldige identiteitskaart of geldig paspoort toont en evenmin op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen, als regel niet worden vastgesteld dat hij onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt en kan hij in bewaring worden gesteld.
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
Bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) kan slechts aan gezinnen met minderjarige kinderen worden opgelegd wanneer gedwongen vertrek op korte termijn gerealiseerd kan worden. Hierbij gaat het om de situatie dat de voor het vertrek noodzakelijke reisdocumenten voorhanden zijn of binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Er kan in dat geval – al naar gelang wordt voldaan aan de voorwaarden – worden gekozen voor een maatregel op grond van [artikel 59, eerste dan wel tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59).
### 6.4. Schadevergoeding
Door huwelijk verkregen naam.....
### 7. Overgangsrecht
### 5.3.4. De procedure
Een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, alsmede het familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), kan slechts in bewaring worden gesteld indien de Minister een besluit op grond van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) heeft genomen, waarmee het verblijfsrecht van de vreemdeling is beëindigd of aan hem is ontzegd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid én
### 2. Omzetting van verblijfsvergunningen
Is het bevel gegeven zonder dat de vreemdeling kon worden gehoord, dan heeft het gehoor zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de maatregel plaats (zie [artikel 5.2, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2)). Wat in dit verband ‘zo spoedig als mogelijk’ is zal afhangen van de feiten of omstandigheden van het individuele geval.
### 3. Behandeling van de aanvraag
### 3. Behandeling van de aanvraag
Indien de vreemdeling de Nederlandse taal niet dan wel onvoldoende beheerst, dient het gehoor plaats te vinden met behulp van een tolk in een taal die de vreemdeling voldoende begrijpt.
### 3.2. Aanvragen verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf
Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf op grond van artikel 9 Vw (oud) voor een regulier verblijfsdoel (onder een beperking) worden aangemerkt als aanvragen tot het verlenen of het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14).
In beginsel wordt de vreemdeling gehoord in het bijzijn van een advocaat. Van dit recht moet door de bevoegde ambtenaar aan de vreemdeling tijdig mededeling gedaan worden (zie [artikel 5.2, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2)). ‘Tijdig’ betekent in dit verband dat, als de vreemdeling rechtsbijstand bij het gehoor wil, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zich zodanig dient in te spannen dat die bijstand in redelijkheid gerealiseerd kan worden.
Ten aanzien van deze vorm van rechtsbijstand kunnen zich de volgende situaties voordoen:
Op verzoek van de raadsman wordt hem een afschrift verstrekt van het besluit tot bewaring [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en van het proces-verbaal van gehoor [M110-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-B&z=2012-04-01&g=2012-04-01). De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge [artikel 104 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=104) tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot de vreemdeling. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen, indien vereist, onder toezicht en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
Uit de vreemdelingenadministratie dient duidelijk te blijken om welke reden(en) het gehoor na de inbewaringstelling plaatsgevonden heeft.
### 3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
Er dienen voldoende afschriften te worden gemaakt van de maatregel waarbij de bewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is:
### 5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
Het kan voorkomen dat de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient of dat tijdens zijn vrijheidsontneming een door hem ingediende aanvraag wordt afgewezen. In die gevallen kan de bewaring op een andere categorie worden voortgezet (zie voor de verschillende categorieën [artikel 59, eerste lid, onder a en b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)). De bewaring wordt niet opgeheven, immers de gronden voor de bewaring kunnen dezelfde blijven. Als de bewaring wordt voortgezet op een andere categorie wordt door de hulpofficier van justitie of door de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is onverwijld een nieuw [model M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01) aan de vreemdeling uitgereikt (zie [artikel 5.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.3)). Gelet op het bepaalde in [artikel 5.2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2) hoeft de vreemdeling daarbij niet gehoord te worden.
### 3.5. Wijze van behandeling
Voor de specifieke bepalingen ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel in bewaring wordt verwezen naar B9/3.1.
Op verzoek van de raadsman wordt hem een afschrift verstrekt van het besluit tot bewaring [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09) en van het proces-verbaal van gehoor [M110-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-B&z=2012-02-09&g=2012-02-09). De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge [artikel 104 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=104) tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot de vreemdeling. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen, indien vereist, onder toezicht en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
Indien de bewaring wordt opgeheven, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing – zonder dat de vreemdeling uit de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten is geweest – opnieuw in bewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van bewaring is het noodzakelijk dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Het maakt in dit verband geen verschil of de opheffing van de eerdere bewaring door de rechtbank is bevolen dan wel op eigen initiatief namens de Minister is opgeheven. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.
Ook is het denkbaar dat de bewaringsgrond van [artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt omgezet in [artikel 59, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59). Bijvoorbeeld indien de vreemdeling zich verzet bij de uitzetting. Bij een hernieuwde inbewaringstelling dient de vreemdeling uiteraard te worden gehoord.
### 5.3.5. De duur
### 5.3.4.4. Voortzetting van de bewaring op een andere categorie
De termijn genoemd onder a en b begint te lopen op de dag waarop de aanvraag door het bestuursorgaan ontvangen is en eindigt op de dag na de dag waarop de beslissing bekend gemaakt is. Waar de termijn van vreemdelingenbewaring is gesteld in maanden, wordt analoog aan [artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=88) een maand beschouwd als een tijdvak van 30 dagen.
### 4.2. Bezwaar
In het [vijfde lid artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is aangegeven dat bewaring maximaal zes maanden mag duren (de termijn genoemd onder d). Deze termijn kan op grond van het zesde lid van artikel 59 Vw met nog eens maximaal twaalf maanden worden verlengd indien:
Indien redenen aanwezig zijn om de bewaring met maximaal twaalf maanden te verlengen dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden door de DT&V hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. Van belang hierbij is dat voor de berekening van de zes maanden termijn van de laatste datum inbewaringstelling dient te worden uitgegaan. De termijn die gemoeid is met een periode waarin niet tot uitzetting kan worden overgegaan (gedurende toelatingsaanvragen) wordt niet bij deze termijn meegenomen. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) niet van toepassing.
Voorts mag de bewaring niet langer duren dan met het oog op het doel van deze maatregel strikt noodzakelijk is.
De DT&V moet gelet hierop alle maatregelen nemen om de uitzetting op zo kort mogelijke termijn te effectueren (onderzoek naar identiteit en nationaliteit, naar aanwezigheid reisdocumenten, verblijfspositie, aanvraag (vervangende) reisdocumenten e.d.). Bij het voortduren van de maatregel zal de nadruk gelegd dienen te worden op de voortvarendheid van het handelen met betrekking tot het verkrijgen van reis- en/of identiteitsdocumenten.
De omstandigheid dat een beroep op de rechtbank (zie [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)) over de rechtmatigheid van de bewaring nog bij de rechter aanhangig is, staat niet aan de uitzetting in de weg.
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
Indien een vreemdeling gedurende de tenuitvoerlegging van de bewaring een verzoek om een voorlopige voorziening indient, blijft de vreemdelingenbewaring in beginsel voortduren. De ambtenaar van de DT&V zal in overleg met de IND na moeten gaan of deze procedure in Nederland afgewacht mag worden. Indien daartoe besloten wordt en de vreemdelingenbewaring voortduurt, zal de IND aan de rechtbank verzoeken om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te laten plaatsvinden. Ook de advocaat van de vreemdeling kan in deze gevallen aan de rechtbank om bespoediging van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening vragen.
Naast de wettelijke termijn van [artikel 59, vierde en vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) geldt een maximale duur van de bewaring indien een gezin met minderjarige kinderen een maatregel op grond van artikel 59 Vw is opgelegd. Voor deze maximale termijn en de voorwaarden waaronder deze termijn mag worden overschreden, wordt verwezen naar A6/5.3.3.8.
In het [vijfde lid artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is aangegeven dat bewaring maximaal zes maanden mag duren (de termijn genoemd onder d). Deze termijn kan op grond van het zesde lid van artikel 59 Vw met nog eens maximaal twaalf maanden worden verlengd indien:
Ingevolge [artikel 5.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4) wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een cel van de KMar of in een huis van bewaring. Tenuitvoerlegging in een ruimte of plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), of [artikel 58, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is eveneens mogelijk. Het regime is geregeld in respectievelijk de [Regeling Politiecellencomplex](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006557), de Penitentiaire beginselenwet en het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848). In [artikel 5.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4) is bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van de bewaring de vreemdeling niet verder beperkt wordt in de uitoefening van zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de bewaring en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van de tenuitvoerlegging.
Hoewel de tenuitvoerlegging van de bewaring doorgaans op een politiebureau of in een cel van de KMar zal aanvangen, dient deze in beginsel te worden voortgezet in een justitiële inrichting of in een ruimte of plaats waar het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848) van toepassing is, indien en zodra dit redelijkerwijs mogelijk is (zie [artikel 5.4, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4)). Het criterium ‘redelijkerwijs mogelijk’ ziet op de beschikbare capaciteit in de desbetreffende inrichtingen, alsmede op de prioriteitstelling die bij de verdeling daarvan gehanteerd dient te worden.
### 4.4. Hoger beroep
De omstandigheid dat een beroep op de rechtbank (zie [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)) over de rechtmatigheid van de bewaring nog bij de rechter aanhangig is, staat niet aan de uitzetting in de weg.
## Model M52. Verzoek aan de vreemdeling om in persoon te verschijnen
@@ -6029,7 +6029,7 @@
[Artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) is geen bepaling van overgangsrecht per 1 april 2001. Dit artikel is bedoeld voor wijzigingen van na de inwerkingtreding van de Vw en codificeert de in het vreemdelingenrecht geldende uitzondering op het onmiddellijkheidsbeginsel.
Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging worden aangemerkt als aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf op grond van [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) (oud) voor een regulier verblijfsdoel (onder een beperking) worden aangemerkt als aanvragen tot het verlenen of het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14).
Dit formulier is bedoeld voor vreemdelingen wier vertrek uit Nederland, met het oog op hun gezondheidstoestand of die van één van hun gezinsleden, niet verantwoord is te achten en die niet over voldoende middelen van bestaan beschikken. Het gaat hier om vreemdelingen die niet kunnen worden uitgezet, hetzij op grond van [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wegens een medisch beletsel, hetzij omdat zij zich in een procedure feitelijk in dezelfde medische situatie bevinden.
@@ -6037,49 +6037,87 @@
### De au pair en het gastgezin komen derhalve het volgende overeen:
Tegen een besluit op grond van de Vw (oud), dat is bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van de Vw, kan op grond van het oude recht bezwaar worden gemaakt. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vw (oud) die is verricht voor inwerkingtreding van de Vw. Dit is bepaald in [artikel 118, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118).
Aanvragen om toelating als vluchteling als bedoeld in artikel 15 Vw (oud) worden aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel.
### Artikel 2 – alternatief
De nadruk ligt op de datum van het bekendmaken van het besluit om te verzekeren dat in gelijke gevallen hetzelfde recht zou worden toegepast. Indien de datum van het indienen van het rechtsmiddel als uitgangspunt zou zijn genomen, dan zou in gelijke gevallen (de beslissing is op dezelfde dag bekendgemaakt) een ander rechtsregime gelden. Dat is uiteraard niet de bedoeling.
Een aanvraag tot verlening of verlenging die is ingediend vóór 1 april 2001 wordt op grond van [artikel 117, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117) behandeld op grond van de Vw (oud). Op deze aanvragen blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Vw.
### Toelichting
Op het bezwaarschrift zijn de materiële bepalingen van het nieuwe recht van toepassing, omdat in bezwaar op grond van de hoofdregel uit het algemene bestuursrecht ex nunc wordt beslist (Memorie van Toelichting, pagina 94). Wel dient – als een overgangsregeling voor het beleid ontbreekt – het voor de vreemdeling meest gunstige beleid te worden toegepast.
Zij kunnen een beroep doen op de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en in aanmerking komen voor een financiële toelage en een dekking van de medische verstrekkingen, overeenkomstig de door Centraal Orgaan opvang Asielzoekers getroffen ziektekostenregeling. Dit betekent dat zij aanspraak kunnen maken op opvang en onderdak in een opvangcentrum, dan wel op verblijf buiten een opvangcentrum, de zogenaamde administratieve plaatsing. Het recht op voorzieningen ontstaat pas op het moment dat in het individuele geval hiertoe door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers is beslist.
In [artikel 3:40 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:40) is vastgelegd dat een besluit pas in werking treedt als het bekendgemaakt is. Deze hoofdregel geldt ook hier. Dat betekent dat de beslissing wordt genomen met inachtneming van het nieuwe materiële recht, dus de inhoudelijke toets vindt aan de hand van de Vw plaats. Dit geldt zowel voor aanvragen in eerste aanleg die op of na 1 april 2001 zijn ontvangen als voor aanvragen in eerste aanleg die per 1 april 2001 reeds waren ontvangen, waarop nog niet is beslist.
[Artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) is geen bepaling van overgangsrecht per 1 april 2001. Dit artikel is bedoeld voor wijzigingen van na de inwerkingtreding van de Vw en codificeert de in het vreemdelingenrecht geldende uitzondering op het onmiddellijkheidsbeginsel.
Tegen een besluit op grond van de Vw (oud), dat is bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van de wet, kan op grond van het oude recht beroep worden ingesteld. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vw (oud), die is verricht voor inwerkingtreding van de wet. Dit is bepaald in [artikel 119, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=119). Dit artikel moet in samenhang met het [eerste lid van artikel 118 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) worden bezien.
Tegen beslissingen waartegen onder het oude recht wel bezwaar open stond, maar onder het nieuwe recht niet, stond bezwaar open als zij voor inwerkingtreding van de wet waren bekendgemaakt. Beroep staat open tegen besluiten die na inwerkingtreding van de Vw zijn bekendgemaakt.
De [artikelen 118–120 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) regelen het overgangsrecht ten aan zien van de rechtsmiddelen. Voornoemde artikelen bevatte zowel de mogelijkheden tot het instellen van een rechtsmiddel op grond van de Vw (oud) en de behandeling van dit rechtsmiddel.
In het derde lid is bepaald dat voor een beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van het oude recht ook de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn over de hoogte van het griffierecht. Zie artikel 33f Vw (oud).
### Artikel 4 – zakgeld
Dit betekent dat het mogelijk was een bezwaarschrift in te dienen op grond van de Vw (oud) zolang de bezwaartermijn na inwerkingtreding van de wet nog niet was verstreken. Indien bijvoorbeeld een besluit twee weken voor inwerkingtreding van de Vw bekend was gemaakt, respectievelijk een handeling twee weken voor inwerkingtreding was verricht, kon nog gedurende twee weken na inwerkingtreding van de wet bezwaar daartegen worden gemaakt.
### Toelichting
In [artikel 118, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) is vastgelegd dat op de behandeling van een dergelijk bezwaarschrift de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn. Het betreft dan artikel 29 en volgende Vw (oud). Dat betekent ook dat bijvoorbeeld de ACVZ moet worden ingeschakeld indien dat volgens artikel 31, tweede lid, Vw (oud) verplicht is.
### Toelichting
Tegen beslissingen waartegen onder het oude recht wel bezwaar open stond, maar onder het nieuwe recht niet, stond bezwaar open als zij voor inwerkingtreding van de wet waren bekendgemaakt. Beroep staat open tegen besluiten die na inwerkingtreding van de Vw zijn bekendgemaakt.
Tegen een besluit op grond van de Vw (oud), dat is bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van de wet, kan op grond van het oude recht beroep worden ingesteld. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vw (oud), die is verricht voor inwerkingtreding van de wet. Dit is bepaald in [artikel 119, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=119). Dit artikel moet in samenhang met het [eerste lid van artikel 118 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) worden bezien.
### Artikel 7 – geschillenclausule
Onder [artikel 119, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=119) vallen de situaties waarin geen bezwaar kan worden gemaakt op grond van artikel 29 Vw (oud) en anderzijds de gevallen waarin een beslissing op een bezwaarschrift bekend is gemaakt voor de inwerkingtreding. In beide gevallen kan beroep worden ingesteld op grond van het oude recht.
In het derde lid is bepaald dat voor een beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van het oude recht ook de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn over de hoogte van het griffierecht. Zie artikel 33f Vw (oud).
### Artikel 4 – zakgeld
In [artikel 118, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) is vastgelegd dat op de behandeling van een dergelijk bezwaarschrift de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn. Het betreft dan artikel 29 en volgende Vw (oud). Dat betekent ook dat bijvoorbeeld de ACVZ moet worden ingeschakeld indien dat volgens artikel 31, tweede lid, Vw (oud) verplicht is.
### Toelichting
Telefoonnummer.....
### Toelichting
Tegen beslissingen waartegen onder het oude recht wel bezwaar open stond, maar onder het nieuwe recht niet, stond bezwaar open als zij voor inwerkingtreding van de wet waren bekendgemaakt. Beroep staat open tegen besluiten die na inwerkingtreding van de Vw zijn bekendgemaakt.
Onder [artikel 119, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=119) vallen de situaties waarin geen bezwaar kan worden gemaakt op grond van artikel 29 Vw (oud) en anderzijds de gevallen waarin een beslissing op een bezwaarschrift bekend is gemaakt voor de inwerkingtreding. In beide gevallen kan beroep worden ingesteld op grond van het oude recht.
### Artikel 7 – geschillenclausule
Het beroep op de rechtbank tegen een besluit of handeling op grond van de Vw (oud) dat is bekendgemaakt of verricht voor inwerkingtreding van de Vw, of tegen een op bezwaar genomen beslissing, heeft geen opschortende werking ([artikel 119, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=119)).
Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing. Bij geschillen over de interpretatie van deze overeenkomst is de rechtbank bevoegd.
In [artikel 120 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=120) is bepaald dat het hoger beroep als bedoeld in [artikel 84 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) slechts kan worden ingesteld tegen de uitspraak die is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Het betreft een uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank over de beschikking op de aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, dan wel over de beschikking waarbij de verblijfsvergunning is ingetrokken. Dit artikel beoogt het instellen van hoger beroep te beperken tot die zaken, waarin vanaf de eerste aanlegfase de nieuwe wet is toegepast ([artikel 117 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117)).
Contractpartij Au pair,
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om omzetting van een enkelvoudig visum in een meervoudig visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
@@ -6422,36 +6460,6 @@
## Model M54. Aanvraagformulier [Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959)
## Model M48-B. Bewust en garantverklaring verblijf bij religieuze en levensbeschouwelijke organisaties
## Model M49. Arbeidsongeschiktheidsverklaring
Vervallen
## Model M50. Checklist mvv-vereiste
Vervallen
## Model M51-A. Verklaring ontvangst waarborgsom
Vervallen
## Model M51-B. Verklaring teruggave waarborgsom
Vervallen
## Model M52. Verzoek aan de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M53. Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
## Model M54. Aanvraagformulier [Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959)
## Model M123-M129. Gereserveerd
## Model M130. Brochure ongewenstverklaring
Vervallen
## Model M131-A. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Diplomatenverdrag
## Model M131-B. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Consulaire Verdrag
@@ -6508,31 +6516,31 @@
Om vervoerders in staat te stellen de verlangde controle zo goed mogelijk te verrichten, houdt het ministerie van Justitie hen regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. Tevens zullen aanwijzingen gegeven worden die een meer effectieve en efficiënte controle kunnen bewerkstelligen (bijv. informatie over reisroutes, trends, veel voorkomende vervalsingen etc.).
Op opstapplaatsen waar door de vervoerder bij de controle van vervoersbewijzen al gebruik gemaakt wordt van technische apparatuur, dient de vervoerder deze apparatuur ook voor de controle van reisdocumenten aan te wenden.
Voor de vaststelling of een document voor grensoverschrijding geldig is, moet een vervoerder zodanige maatregelen treffen dat zijn personeel, waaronder ook begrepen wordt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht, dusdanig wordt geïnstrueerd dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland.
De luchtvervoerder (luchtvaartmaatschappij) informeert de passagier omtrent de naam en de contactgegevens van zijn luchtvaartmaatschappij en de doeleinden van het verzamelen van de gegevens, namelijk het tegengaan van illegale immigratie door middel van betere grenscontroles. Verder dient de passagier door de luchtvaartmaatschappij te worden geïnformeerd over welke gegevens worden verzameld, dat de ontvangers van de gegevens de Nederlandse grensbewakingsautoriteiten zijn, en het feit dat de passagier het recht heeft om kennis te nemen van zijn gegevens en om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken (voor zover de gegevens niet reeds zijn vernietigd).
De passagiersgegevens die op vordering van de grensbewakingsautoriteiten door de luchtvervoerder dienen te worden aangeleverd bevatten:
Op basis van ervaringsgegevens en risicoanalyses met betrekking tot illegale immigratie zal door de ambtenaar belast met de grensbewaking worden bepaald ten aanzien van welke plaatsen van vertrek en van welke luchtvervoerders de passagiersgegevens zullen worden gevorderd.
Voor de ambtenaar belast met de grensbewaking geldt in beginsel eveneens een bewaartermijn van 24 uur. Dit is slechts anders indien de passagiersgegevens langer nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van de terugvoerplicht zoals beschreven in [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) (zie A2/7.1.5). Hieruit volgt dat de passagiersgegevens van vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd bewaard kunnen worden zolang de mogelijkheid van toepassing van artikel 65, eerste lid, onder b, Vw nog openstaat. Nu de op grond van artikel 65 Vw bestaande verplichting na ten hoogste zes maanden eindigt zal in dat geval de bewaartermijn niet langer dan zes maanden beslaan.
Deze kosten omvatten blijkens [artikel 6.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.3) in ieder geval de kosten verbonden aan:
Een verzoek om doorgeleiding door de lucht kan worden geweigerd wanneer:
De doorgeleiding dient binnen de kortst mogelijke tijdspanne plaats te vinden, en maximaal binnen 24 uur. Dit betekent dat de vreemdeling de luchthaven binnen 24 uur weer moet hebben verlaten. Deze termijn kan, op verzoek van en in overleg met de verzoekende lidstaat, worden verlengd tot maximaal 48 uur in gevallen waarin de voltooiing van de doorgeleiding niet kan worden gewaarborgd. Tijdens de gehele doorgeleiding dient de KMar bereikbaar te zijn voor de betrokken autoriteiten van de verzoekende lidstaat.
De KMar begeleidt de doorgeleiding in het kader van haar grensbewakingstaak ex [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46). Bij de begeleiding van de doorgeleiding beschikt de KMar over bevoegdheden in het belang van de grensbewaking. In overleg met de autoriteiten van de verzoekende lidstaat neemt de KMar in dit kader alle mogelijke en nodige ondersteunende maatregelen. Dit betreft met name de volgende maatregelen:
Op grond van [artikel 47, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47) kan de Minister bij besluit ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het toezicht op vreemdelingen. De Minister heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door de in [artikel 142 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) bedoelde ambtenaren, die zijn belast met opsporingsbevoegdheid voor één of meer strafbare feiten ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), aan te wijzen.
De ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (zie [artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3)) zijn belast met het toezicht op vreemdelingen (zie [artikel 47, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47)). Hieronder wordt ingevolge [artikel 3, tweede lid, Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3) mede begrepen de Rijksrecherche. Zij voeren hun werkzaamheden uit onder leiding van de Korpschef.
In het geval het redelijk vermoeden betrekking heeft op een bepaalde plaats of ruimte geldt als uitgangspunt dat iedereen die zich daar bevindt, daadwerkelijk moet worden gecontroleerd. Daardoor wordt uitgesloten dat degenen die met de controle zijn belast, een keuze op uiterlijke kenmerken moeten maken. Het kan echter zijn dat eisen van redelijkheid of doelmatigheid zich verzetten tegen het controleren van alle aanwezige personen. Dit is onder meer het geval, indien iemands identiteit de politie al uit andere hoofde bekend is.
Voor andere vreemdelingen is als identiteitsdocument aangewezen een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) voor het hebben van toegang tot Nederland vereist geldig document voor grensoverschrijding, dan wel een geldig document voor grensoverschrijding waarin een geldig visum is aangetekend. De voor het hebben van toegang tot Nederland vereiste documenten voor grensoverschrijding zijn aangewezen bij [artikel 2.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3). Deze bepaling is niet alleen van toepassing op vreemdelingen aan wie gedurende de vrije termijn verblijf is toegestaan, maar ook op vreemdelingen die illegaal in ons land verblijven. Enkel in zeer bijzondere omstandigheden, waarbij met name gedacht moet worden aan het feit dat betrokkene al is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan aanleiding bestaan alsnog een W2-document te verstrekken.
In [artikel 54, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is de grondslag opgenomen voor de verplichtingen die als maatregel van toezicht aan vreemdelingen kunnen worden opgelegd. Indien een vreemdeling bij herhaling opzettelijk niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting kan dit onder omstandigheden aanleiding zijn voor in bewaringstelling ex [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of vrijheidsontneming ex [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of signalering in het OPS of (N)SIS.
Onderdanen van derde landen die niet of niet langer rechtmatig op het grondgebied van de EU verblijven en op wie een verwijderingsmaatregel van toepassing is, worden veelal verwijderd per luchtvaartuig. Rechtstreekse vluchten zijn niet altijd mogelijk en soms moet gebruik worden gemaakt van vluchten via transitluchthavens van andere lidstaten. [Richtlijn 2003/110](32003L0110) d.d. 25 november 2003 voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. De Richtlijn is niet van toepassing op Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Wel is de Richtlijn van toepassing op IJsland en Noorwegen.
Wanneer na het verlenen van toestemming tot doorgeleiding omstandigheden als hierboven genoemd bekend worden, kan de reeds verleende toestemming worden ingetrokken. Bij weigering of intrekking van toestemming dient de KMar de verzoekende lidstaat onverwijld en met opgave van redenen hiervan op de hoogte te brengen.
In de volgende gevallen kan de vreemdeling onmiddellijk voor terugname worden overgedragen aan de verzoekende lidstaat:
In het belang van het toezicht op vreemdelingen mogen slechts die verplichtingen worden opgelegd of maatregelen worden getroffen waarin de wettelijke bepalingen voorzien.
Overtreding van een aantal bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of handelen in strijd met krachtens de wet opgelegde verplichtingen, die onder meer het vreemdelingentoezicht betreffen, is strafbaar gesteld bij [artikel 108, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
Toezicht in het binnenland vindt plaats op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren en is erop gericht het illegaal verblijf te beëindigen. Zie nader met betrekking tot het begrip ‘redelijk vermoeden’ A3/3.3.
[Artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) verschaft een titel van vrijheidsontneming om vreemdelingen na een strafrechtelijke detentie en ter inbewaringstelling te vervoeren, dan wel over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor. Als plaats bestemd voor verhoor kunnen in dit verband worden aangemerkt een politiebureau, een brigade of celruimte bij een doorlaatpost van de KMar of een huis van bewaring. Zie voor de toepassing van [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) tevens A6/5.3.7.1.
In het in [artikel 4.37, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37) bedoelde geval is de verplichting zich in persoon te melden bij de Korpschef ook opgelegd om de bij [artikel 4.12 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=4.12) voorgeschreven aantekening over de verhuizing in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling te plaatsen.
Deze verplichtingen gelden niet voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland met een verblijfsrecht van maximaal drie maanden als bedoeld in [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11).
@@ -6542,15 +6550,15 @@
### 7.3.7. Mededeling omtrent het vervallen van het verblijfsdoel
De Korpschef dient een vordering tot het verstrekken van inlichtingen aan de werkgever te betekenen of per aangetekende brief te verzenden. Deze vordering dient te worden onderscheiden van vorderingen die aan een vreemdeling kunnen worden gedaan om in persoon gegevens te verstrekken.
Zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43). De vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, is verplicht, indien de beperking waaronder het verblijf is toegestaan, is komen te vervallen, daarvan onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft, is gelegen.
### 7.3.3. Melding door de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
De beperking die in het derde lid van [artikel 4.42 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42) is opgenomen vloeit voort uit [artikel 3.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.32), waarin is bepaald dat geen verblijfsvergunning wordt verstrekt indien de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden. Het ligt voor de hand in dit geval evenmin vrijstelling van de meldplicht te verlenen.
Alle vreemdelingen zijn op grond van voornoemde artikelen van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) tegenover elke ambtenaar die belast is met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verplicht desgevorderd bijvoorbeeld gegevens te verstrekken en de in hun bezit zijnde bescheiden te tonen die kunnen dienen ter vaststelling van:
### 7.4.1. Algemeen
Uiteraard dienen aan de vreemdeling bij het uitoefenen van de identiteitscontrole slechts die gegevens te worden gevraagd die voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) van belang zijn.
De strekking van [artikel 54, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) is om de tot opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren, als zij bij de uitoefening van hun taken in aanraking komen met vreemdelingen, in staat te stellen de beschikking te krijgen over de primaire gegevens die nodig zijn om te kunnen vaststellen met welke vreemdeling zij te doen hebben, of deze vreemdeling op regelmatige wijze is binnengekomen en of het hem is toegestaan in Nederland te verblijven.
### 7.4.2. Foto’s en vingerafdrukken
@@ -6558,11 +6566,11 @@
### 7.4.1. Algemeen
De verplichting tot aanmelding (dat wil zeggen: melding van hun aanwezigheid hier te lande) geldt niet voor EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen. Wel geldt dat zij zich in de vierde maand na binnenkomst dienen te melden bij de IND ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie (en daarmee in de BVV) (zie [B10](onbekend)).
Zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47). De vreemdeling die rechtmatig verblijft gedurende de vrije termijn bedoeld in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens dat artikel is toegestaan, en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden is verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen. Voor de berekening van het verblijf worden voorgaande verblijven in Nederland binnen een tijdvak van zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst mede in aanmerking genomen.
### 7.4.2. Foto’s en vingerafdrukken
De verplichting tot aanmelding geldt niet voor EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen en voor de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.
Zie [artikel 4.48. Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.48). De vreemdeling die rechtmatig verblijft gedurende de vrije termijn bedoeld in [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens dat artikel is toegestaan, en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden is, voorzover de Minister dat heeft voorgeschreven, verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar hij verblijft is gelegen, indien de duur van het voorgenomen verblijf langer is dan drie dagen.
### 7.6.1. Verblijf langer dan drie maanden
@@ -6570,1143 +6578,1143 @@
### 7.6.1. Verblijf langer dan drie maanden
Na aanmelding wordt in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling daarvan een aantekening gesteld (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29), juncto [4.30, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.30)). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een speciale sticker (zie [bijlage 7 bij het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7)). In een aantal gevallen dient deze aantekening op een afzonderlijk inlegblad te worden gesteld (zie [artikel 4.29, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)).
De verplichting geldt niet voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede vreemdelingen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd.
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
Gezien de wenselijkheid van een uniforme, landelijke toepassing gelden in beginsel de volgende aanwijzingen voor de Korpschef bij de oplegging of ontheffing van de meldplicht. In bijzondere omstandigheden, te beoordelen door de Korpschef, kan de Korpschef afwijken van het onderstaande.
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
De gedachte hierachter is dat daar waar de directe nabijheid van de vreemdeling minder noodzakelijk is (bijvoorbeeld voor het vragen van nadere informatie voor de afhandeling van zijn aanvraag), een minder streng toezichtsregime, met name met betrekking tot de meldplicht, kan worden toegepast.
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
De meldplicht voor de laatstgenoemde categorie (definitieve aanzegging tot vertrek) geldt zolang de finale vertrektermijn nog niet is verstreken. Voor asielzoekers geldt daarbij evenwel het volgende: de uitgeprocedeerde asielzoeker wordt, zolang de opvangvoorzieningen nog niet zijn beëindigd, in het bezit gelaten van het W-document. Derhalve blijft voor een dergelijke vreemdeling de wekelijkse meldplicht gelden zolang de ontruimingsprocedure voortduurt.
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
De verplichting kan worden opgelegd aan alle hier te lande verblijvende vreemdelingen, dus ook hen, die hier te lande rechtmatig verblijven op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 7.8. Het inleveren van het document bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9)
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 7.9.2. Vervanging van identiteitspapieren
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 8. Beschikbaar houden en fouillering
### 9.1.3. Het (N)SIS
### 9.2. Soorten signaleringen
De signalering ‘IRV op grond van [artikel 66a, zevende lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), dient ter handhaving van het aan de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod op grond van artikel 66a, zevende lid Vw. De termijn waarvoor deze signalering geldt, komt overeen met de termijn van het uitgevaardigde inreisverbod. Het inreisverbod gaat meteen in na bekendmaking. De termijn van een inreisverbod gaat pas in op het moment waarop de vreemdeling uit Nederland en daarmee uit het Schengengebied vertrekt. In [artikel 6.5a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a) worden ten aanzien van de geldigheidsduur van een inreisverbod termijnen onderscheiden.
### 9.1.4. Verhouding OPS en (N)SIS
Deze signalering komt in principe alleen in het (N)SIS voor.
### 9.2.2. Signalering IRV op grond van [artikel 66a, zevende lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)’(inreisverbod op grond van artikel 66a, lid 7 Vw)
De signalering wordt onder de volgende voorwaarden toegepast:
### 9.1.3. Verhouding OPS en (N)SIS
Op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd is de Richtlijn Terugkeer (2008/115/EG) niet van toepassing omdat zij zich formeel niet in Nederland bevinden. Een inreisverbod ex [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan daarom niet worden opgelegd. Een vreemdeling die om de genoemde grond de toegang is geweigerd dient, met inachtneming van de individuele feiten, in het belang van de openbare orde te worden gesignaleerd. De vreemdeling die om deze reden wordt gesignaleerd wordt hierover geïnformeerd en gewezen op de signaleringsduur en Schengenbrede werking van de signalering. Ook wordt hij gewezen op de wijze van kennisneming, correctie, of verwijdering van de signalering, respectievelijk hoe om opheffing kan worden verzocht dan wel bezwaar kan worden gemaakt.
### 9.2. Soorten signaleringen
Indien een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat hier te lande wordt aangetroffen in strijd met [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), zoals bij overschrijding van de vrije termijn, wordt hem aangezegd zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven en wordt de vreemdeling gesignaleerd in het OPS voor de duur van maximaal zes maanden. Deze signalering betreft alleen het grondgebied van Nederland. Indien deze vreemdeling vervolgens binnen deze periode nogmaals hier te lande wordt aangetroffen, dan wel geen gehoor heeft gegeven aan de aanzegging, kan hem alsnog een terugkeerbesluit en inreisverbod worden opgelegd (zie artikel 6, tweede lid jo artikel 6, eerste lid, Richtlijn Terugkeer).
### 9.3. Handelwijze bij een als ongewenst gesignaleerde vreemdeling
In alle gevallen kan de betrokken vreemdeling verzoeken om de signalering op te heffen door een daartoe strekkend gemotiveerd verzoek in te dienen bij de Dienst IPOL (zie [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35) en [artikel 36 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36)). In het geval van signalering als genoemd in A3/9.2.1 of A3/9.2.2 zal eerst de ongewenstverklaring of het inreisverbod moeten worden opgeheven voordat de signalering kan worden opgeheven. Verzoeken tot opheffing signalering en bezwaarschriften worden doorgestuurd aan en behandeld door de IND.
### 9.3. Handelwijze bij een als ongewenst gesignaleerde vreemdeling
Artikel 25 SUO legt de verdragspartners de verplichting op om overleg te plegen met een Schengenstaat die een vreemdeling, niet zijnde een EU/EER-onderdaan of een Zwitserse onderdaan, heeft opgenomen in het (N)SIS ter fine van weigering van toegang, indien het voornemen bestaat aan een dergelijke vreemdeling een verblijfstitel te verlenen.
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
Betrokkene dient uit het Schengengebied te worden verwijderd. De vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar legt een inreisverbod op anders dan op grond van [art 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a). De IND zorgt voor (aanpassing van) de signalering in (N)SIS.
### 9.5.1. Algemeen
Het Bureau SIRENE Nederland stelt naast de IND ook het Bureau SIRENE van het desbetreffende land in kennis. De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadpleegprocedure toe.
### 9.5.2. Asielaanvraag
Het Bureau SIRENE Nederland stelt naast de IND ook het Bureau SIRENE van het desbetreffende land in kennis. De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadpleegprocedure toe.
### 9.5.3. Bezit geldige verblijfstitel/(N)SIS-signalering
Indien een vreemdeling die in Nederland of een ander Schengenland een geldige verblijfstitel bezit en in het (N)SIS gesignaleerd staat, meldt de ambtenaar belast met de grensbewaking de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2) en licht de IND in. De vreemdeling dient in beginsel te worden doorgelaten dan wel doorreis te worden verleend. Bij twijfel over de verblijfsrechtelijke positie dient de ambtenaar alvorens de vreemdeling door te laten, na te gaan bij de IND of de Nederlandse verblijfstitel nog steeds geldig is.
### 9.5.4. Bezit geldige verblijfstitel/OPS-signalering
Opneming en vervallenverklaring van de in dit hoofdstuk genoemde signaleringen geschiedt door de IND. De IND bepaalt ook, op grond van de SUO welke signaleringen in het (N)SIS worden opgenomen.
### 9.6.1. Inleiding
Indien de identiteit van de vreemdeling niet bekend is, dient de Korpschef er voor te zorgen dat steeds de Dienst IPOL een onderzoek naar de vingerafdrukken doet. Dit onderzoek is noodzakelijk om te voorkomen dat vreemdelingen onder verschillende personalia gesignaleerd worden. De vreemdeling met meerdere personalia wordt in dat geval onder de naam zoals deze bij de IND bekend is, gesignaleerd. De eventueel andere bekende personalia zullen als aliasnaam opgenomen worden.
### 9.6.3. Behandeling van het verzoek om opheffing van signalering
Verwezen wordt naar A3/9.4. Indien de vreemdeling verblijf wordt toegestaan in Nederland, wordt de signalerende staat verzocht om opheffing van de signalering of verwijdert Nederland de eigen signalering.
### 9.6.3.2. Opheffing van signaleringen in het OPS
Politieke activiteiten van een vreemdeling die gevaar opleveren voor de openbare orde (met inbegrip van de goede internationale betrekkingen) of de nationale veiligheid kunnen grond vormen hem (voortgezet) verblijf te ontzeggen. Indien er naar het oordeel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar gebleken is van – of gegronde reden is te vrezen voor – deze politieke activiteiten, moet contact worden opgenomen met de IND teneinde te vernemen hoe moet worden gehandeld. In voorkomende gevallen kan aan de vreemdeling de bijzondere aanwijzing worden gegeven dat hij zich dient te onthouden van activiteiten of uitlatingen die een gevaar opleveren voor de openbare orde.
### 1. Inleiding
Ten aanzien van vreemdelingen die dienen te vertrekken naar een land buiten de Unie geldt dat zij een schriftelijk terugkeerbesluit dienen te ontvangen, waaruit blijkt dat de vreemdeling de Unie dient te verlaten. Het terugkeerbesluit kan tevens een inreisverbod inhouden ([artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), zie ook A5/1).
### 9.6.4. Toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling
De [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kent slechts de begrippen vertrek en uitzetting. Vertrek wordt behandeld in [hoofdstuk 6, afdeling 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&afdeling=1), [artikel 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) en [62a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a). Uitzetting wordt behandeld in [hoofdstuk 6, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&afdeling=2), [artikel 63 tot en met 66 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63).
### 2.1. De rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten
Eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag en die geen persoon is, die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt, als bepaald in artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode.
### 2. Zelfstandig vertrek
Uitgangspunt in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in Nederland (meer) heeft, Nederland uit eigen beweging moet verlaten. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor zijn vertrek uit Nederland. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in [artikel 61, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61). De verplichting om Nederland te verlaten is ingevolge dat artikel afhankelijk van de rechtmatigheid van het verblijf. Welke vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, is opgenomen in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 2.5. Verwijdering van gezinsleden
Indien de vreemdeling een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat van de Unie wordt geen inreisverbod uitgevaardigd aangezien deze vreemdelingen immers wel elders in de Unie verblijf heeft. Alvorens een terugkeerbesluit uit te reiken dat tevens een inreisverbod inhoudt, zal in dit geval (via Sirene) contact opgenomen moeten worden met de lidstaat door wie de verblijfsvergunning is afgegeven om nadere informatie te verkrijgen over de aard van het verblijf in die lidstaat. Pas indien de betreffende lidstaat over gaat tot intrekking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling, kan een inreisverbod worden opgelegd. Indien hieruit geconcludeerd moet worden dat het uitvaardigen van het terugkeerbesluit strijd oplevert met internationale verplichtingen (het verbod op refoulement), wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd.
### 2.2. Het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van vertrek
Voor vreemdelingen uit derde landen die illegaal in Nederland verblijven en in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, geldt dat zij een aanzegging krijgen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Wanneer deze aanzegging niet wordt nageleefd, of uit de verklaringen of gedragingen van de vreemdeling aannemelijk kan worden geacht dat hij deze aanzegging niet zal opvolgen of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdelingen vereist is, zal wel een terugkeerbesluit worden uitgereikt. Van openbare orde aspecten in de vorige zin is in ieder geval sprake indien de vreemdeling is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit. Dat de nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek vereist kan ondermeer uit een ambtsbericht van de AIVD volgen. Nadat de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgereikt, zal een terugkeerprocedure worden opgestart die in beginsel is gericht op de terugkeer naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling alsnog – al dan niet gefaciliteerd door de overheid – bereid en in staat is terug te keren naar de lidstaat die hem een vergunning heeft verleend, dan wordt hij begeleid in de terugkeer naar dat land. Op dit punt wordt in dat geval ten gunste van de vreemdeling afgeweken van de richtlijn 2008/115.
### 2.5. Verwijdering van gezinsleden
De vreemdeling wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, dient Nederland binnen vier weken op eigen gelegenheid te verlaten op grond van [artikel 62, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62). De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) is geëindigd. De vreemdeling dient Nederland binnen deze termijn op eigen gelegenheid te verlaten. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.
### 2.5. Verwijdering van gezinsleden
Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op burgers van de Unie en hun gezinsleden wier rechtmatig verblijf bij beschikking is beëindigd.
### 3.3. Verkorten of onthouden van de vertrektermijn
Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in [artikel 62, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten dan wel te bepalen dat de vreemdeling Nederland (het grondgebied van de Unie) onmiddellijk moet verlaten. De Korpschef, dan wel de Commandant der KMar kan ingevolge [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4) zelfstandig tot verkorting van de vertrektermijn besluiten.
### 3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
Als gevaar voor de openbare orde wordt hier aangemerkt iedere verdenking of veroordeling ter zake van een misdrijf. Ook het aanvaarden van een transactie ter zake van een misdrijf wordt aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde. Een verdenking moet kunnen worden bevestigd door de Korpschef.
### 3.4.1. Inleiding
(AbRS, 15 juli 2005, 200505057/1).
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
Met het toekennen van een verlenging van de vrijwillige vertrektermijn zal terughoudend worden omgegaan. Uitgangspunt van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is immers dat in Nederland verblijvende vreemdelingen na het beëindigen van het rechtmatig verblijf zo snel als mogelijk uit Nederland dienen te vertrekken. De daarvoor gestelde termijn van vier weken is in beginsel redelijk.
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
Een vreemdeling komt in ieder geval niet in aanmerking voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn, indien hem geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegestaan.
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de grensdoorlaatpost van uitreis
Uitgangspunt in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is dat de vreemdeling aan wie geen (verder) verblijf in Nederland is toegestaan een eigen verantwoordelijkheid heeft om Nederland binnen de daarvoor gestelde termijn te verlaten. Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, dient hij hiervoor tijdig zelf te zorgen. Hiertoe kan de vreemdeling zich wenden tot zijn eigen diplomatieke vertegenwoordiging of tot familieleden of bekenden in het land van herkomst.
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
Het indienen van hoger beroep heeft geen opschortende werking. Een asielzoeker mag de uitspraak in hoger beroep dus niet afwachten en dient Nederland te verlaten. Hij kan derhalve worden uitgezet, behoudens in geval van een toegewezen voorlopige voorziening. Omdat het indienen van hoger beroep geen opschortende werking heeft, is het mogelijk de vreemdeling te presenteren bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het (vermoedelijke) land van herkomst. Als een afgewezen asielzoeker echter in hoger beroep gaat én tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening aanvraagt, dient gewacht te worden met de presentatie bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst totdat de ABRvS zich heeft uitgesproken over de voorlopige voorziening. In het geval de voorlopige voorziening wordt afgewezen kan gepresenteerd worden. In het geval de voorlopige voorziening wordt toegekend, dient presentatie in beginsel achterwege te blijven totdat de rechter heeft beslist in de bodemprocedure (hoger beroep).
### 4.2.2. Afgifte van een EU-staat
Eventueel kan ook in andere (bijzondere) gevallen worden overgegaan tot vroegtijdige presentatie van de vreemdeling bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om afgewezen asielzoekers afkomstig uit een land waarvan bekend is dat het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten lange tijd in beslag neemt en er sprake is van openbare-ordeaspecten (bijvoorbeeld iemand die op grond van het strafrecht van zijn vrijheid is beroofd).
### 4.3. Het inhouden van documenten
Gevaar voor moeilijkheden met het oog op doorreis, door of toelating tot, derde landen zal niet bestaan indien:
### 4.2.2. Afgifte van een EU-staat
Bij elke verwijdering van een vreemdeling dient steeds zoveel mogelijk te worden nagegaan door de vreemdelingenpolitie dan wel de KMar of de door de Minister gegeven voorschriften en aanwijzingen omtrent het doorhalen van in het paspoort gestelde aantekeningen, het inhouden van afzonderlijke inlegbladen en het inhouden van identiteitsdocumenten zijn nageleefd (zie A3/5).
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
Indien inlegbladen en identiteitsdocumenten als hier bedoeld bij de vreemdelingen worden aangetroffen, dienen deze te worden ingehouden en door tussenkomst van de DT&V te worden toegezonden aan de betrokken ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Bij inname van het reis- of identiteitsdocument dient aan de vreemdeling een ontvangstbewijs te worden verstrekt (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-02-09&g=2012-02-09)) alsmede een informatiefolder te worden overhandigd.
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
Voor het stellen van aantekeningen in het algemeen, zie A3/5.
### 5.1. Algemeen
In gevallen waarin het vertrek van de vreemdeling onder toezicht geschiedt, wordt zijn reisdocument met toepassing van het bepaalde in [artikel 4.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.23) tijdelijk in bewaring genomen en toegezonden aan het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt waarlangs de betrokkene Nederland zal verlaten. Zie in dit verband ook A3/5. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen stelt de vreemdeling in het bezit van een ontvangstbewijs (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) alsmede een informatiefolder.
### 3.3. Uitreiking van de beschikking
De IOM in Nederland bemiddelt bij het zelfstandig vertrek of hervestiging van vreemdelingen die Nederland willen verlaten en biedt daartoe het REAN-programma aan. Het REAN-programma is gericht op de uitvoering van een humaan en effectief beleid voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging van bepaalde categorieën vreemdelingen. Om dit doel te bereiken, gebaseerd op haar mandaat en afhankelijk van de beschikbare middelen, heeft de IOM-missie in Nederland tot taak voorlichting te geven, aanvragen voor vertrek in behandeling te nemen, de reis te arrangeren en het vertrek te begeleiden. Indien het vertrek of de hervestiging feitelijk kan worden gerealiseerd, draagt de IOM ook zorg voor het uitkeren van financiële bijdragen voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging in een derde land. Voorts kan de IOM voor bepaalde categorieën vertrekkers, zoals Amv’s, specifieke voorzieningen treffen.
### 6.1. Algemene uitgangspunten
IOM beoordeelt de aanvraag. Vanwege de voorwaarden voor vertrek onder het REAN-programma wordt de IND om toestemming gevraagd de betrokken vreemdeling via IOM te laten vertrekken. Deze toestemming wordt door de IND verleend of onthouden in overleg met de DT&V. De DT&V wordt door de IND geïnformeerd over de beslissing of wel of geen toestemming wordt verleend. Indien er reeds concrete verwijderingsmaatregelen jegens de vreemdeling zijn genomen, kan de DT&V besluiten de verwijdering doorgang te laten vinden, dan wel de vreemdeling te laten vertrekken via IOM. Reeds gestarte verwijderingsmaatregelen worden opgeschort in het geval toestemming wordt verleend.
### 6.10. Bericht van vertrek
Indien de vreemdeling in het bezit is van een (elektronisch) W-document dient hij dit voorafgaand aan zijn vertrek bij de vreemdelingenpolitie in te leveren.
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
Uitzetting vindt plaats:
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
Uitgeprocedeerde Amv’s ten aanzien van wie geen twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en van wie de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het bijzondere beleid inzake Amv’s is geweigerd, komen in aanmerking voor voorzieningen in Nederland totdat het vertrek geëffectueerd wordt zolang zij nog minderjarig zijn.
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
De toegang tot het Nederlands grondgebied van een onderdaan van de EU/ EER of van Zwitserland die voor de behandeling van een bezwaarschrift, beroepschrift, dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen de beëindiging van het rechtmatig verblijf, geen gemachtigde heeft gesteld, wordt hangende de procedure niet geweigerd, tenzij:
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
Op grond van [artikel 23a, derde lid, Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23a) zal de ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, indien hij onder leiding van een meerdere optreedt, geen gebruik maken van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. Het is de inschatting van de meerdere welk hulpmiddel voor een bepaalde situatie het beste kan worden aangewend. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht te worden genomen bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting. Deze inschatting dient te worden gemaakt op het moment van of vlak voor de daadwerkelijke uitzetting.
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
Middels [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-02-09&g=2012-02-09) worden aan de KMar of ZHP vooraf alle omstandigheden gemeld, waaronder het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht.
### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
Op grond van [artikel 23a, derde lid, Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23a) zal de ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, indien hij onder leiding van een meerdere optreedt, geen gebruik maken van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. Het is de inschatting van de meerdere welk hulpmiddel voor een bepaalde situatie het beste kan worden aangewend. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht te worden genomen bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting. Deze inschatting dient te worden gemaakt op het moment van of vlak voor de daadwerkelijke uitzetting.
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:
### 6.7. Uitzetting via transitluchthaven in een EU-lidstaat
[Richtlijn 2003/110](32003L0110) van de Raad van de EU voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. Indien bij uitzetting via de lucht geen gebruik kan worden gemaakt van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan worden verzocht om doorgeleiding door de lucht via een andere lidstaat van de EU. Er wordt in beginsel niet om doorgeleiding door de lucht verzocht wanneer de verwijderingsmaatregel gepaard dient te gaan met de overbrenging van de betrokken vreemdeling naar een andere luchthaven op het grondgebied van de aangezochte lidstaat (zie ook A2/8).
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
Ambtenaren van de KMar begeleiden de doorgeleiding. Zij moeten daarbij in alle omstandigheden de regelgeving van de aangezochte lidstaat naleven. Zij hebben derhalve geen verdergaande bevoegdheden dan de betreffende regelgeving toelaat. De begeleiders dragen tijdens de doorgeleiding door de lucht geen wapens en zijn gekleed in burgerkleding. Op verzoek dienen zij passende identificatiemiddelen te overleggen, waaronder de toestemming voor doorgeleiding die door de aangezochte lidstaat is afgegeven, of, in voorkomende gevallen, een kennisgeving van doorgeleiding.
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
De regeling voor inbewaringstelling van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is van toepassing (zie A6/5.3.3.6).
### 6.10. Bericht van vertrek
Alle originele documenten worden aan het ontvangende land ter hand gesteld door tussenkomst van de autoriteit die de feitelijke uitvoering geeft aan de overdracht. Indien de vreemdeling per vliegtuig reist, worden de documenten in een envelop afgegeven aan de gezagvoerder van het vliegtuig die ze overhandigt aan de grensbewakingsautoriteiten van het ontvangende land.
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
Het doen van een aanzegging Nederland te verlaten bij adrescontrole, MTV-controle of na staandehouding (die mogelijk heeft geleid tot ophouding) aan een vreemdeling die niet-rechtmatig in Nederland verblijft, maar van wie na een identiteits- en nationaliteitsonderzoek is gebleken dat deze niet daadwerkelijk uit Nederland kan worden uitgezet. Dit dient alleen te worden gedaan bij vreemdelingen die Nederland, maar niet de Unie, hoeven te verlaten. Dit kan bv. het geval zijn bij gemeenschapsonderdanen of bij vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben van een andere lidstaat van de Unie. Aan vreemdelingen die de Unie wel dienen te verlaten zal een terugkeerbesluit worden uitgereikt. Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
### 7.1. Beleid
Voor de wijze waarop de familierechtelijke relatie en het feitelijke behoren tot het gezin wordt aangetoond, wordt verwezen naar [C14/6.2](onbekend). In het kader van deze regeling behoeven officiële documenten, waarmee de familierechtelijke relatie wordt aangetoond, niet gelegaliseerd te zijn door de Minister van BuZa.
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) bepaalt dat de uitzetting achterwege dient te blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen.
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
Voor de wijze waarop de familierechtelijke relatie en het feitelijke behoren tot het gezin wordt aangetoond, wordt verwezen naar [C14/6.2](onbekend). In het kader van deze regeling behoeven officiële documenten, waarmee de familierechtelijke relatie wordt aangetoond, niet gelegaliseerd te zijn door de Minister van BuZa.
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
De uitzetting blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) achterwege indien de medisch adviseur aangeeft dat:
### 7.3. Inwilliging
Een beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is mogelijk indien de vreemdeling zich in de situatie bevindt waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort dan wel indien de vreemdeling nimmer een aanvraag om een verblijfsvergunning heeft ingediend en geen rechtmatig verblijf heeft. Hierbij is niet van belang of de uitzetting op korte termijn is gepland.
### 7.3. Inwilliging
Indien er geen medische stukken ter onderbouwing van de aanvraag worden ingediend en een ingevulde toestemmingsverklaring (zie [model M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) ontbreekt, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld binnen een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen en dit verzuim te herstellen. Indien de vreemdeling hier niet aan voldoet, kan de aanvraag worden afgewezen.
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
De redelijke termijn voor het indienen van de ontbrekende, relevante medische stukken bedraagt in beginsel een week, maar kan korter zijn in het geval de uitzetting op (zeer) korte termijn gepland is.
### 7.2.1.2. Medische aspecten parallel aan de asielprocedure
De IND beoordeelt of de toestemmingsverklaring recent, volledig ingevuld en ondertekend is, of de vreemdeling momenteel actieve medische behandeling krijgt en of een geldig grensoverschrijdingsdocument of, indien het voor de vreemdeling niet mogelijk is een geldig grensoverschrijdingsdocument te overleggen, aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit aanwezig zijn. Met betrekking tot de compleetheid van de relevante medische gegevens beoordeelt de IND slechts of er een gesloten envelop van de behandelaar(s) gericht aan het BMA aanwezig is.
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
Bij de beoordeling van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen wordt indien nodig door de IND de medisch adviseur van het BMA geraadpleegd. De IND zendt de voor het opstarten van een medisch advies relevante stukken naar het BMA met het verzoek om een advies uit te brengen. Het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door de medisch adviseur van het BMA dan wel een andere arts die door de medisch adviseur hiertoe wordt ingeschakeld.
### 7.2.1.2. Medische aspecten parallel aan de asielprocedure
Voor opvolgende asielaanvragen die in de algemene asielprocedure kunnen worden afgewezen geldt de parallelle procedure in beginsel niet. Voor deze vreemdelingen staat de procedure zoals beschreven in A4/7.2.1.1 open. Bij opvolgende asielaanvragen die in de verlengde procedure worden afgedaan, bestaat wel de mogelijkheid om een parallelle procedure te voeren, indien de hierboven in deze paragraaf genoemde documenten zijn overgelegd. Zie ook [C14/5](onbekend).
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
Het indienen van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen schort de vertrekplicht niet op. In afwachting van de beslissing op de aanvraag, heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf ex [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 3.2. Voorbereiding
De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk mededeling aan de vreemdeling dat de uitzetting achterwege zal blijven. Ook de duur van de opschorting van het vertrek, de periode waarin verwacht wordt dat de medische beletselen aanwezig zijn, wordt vermeld. Deze periode is in beginsel gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, met een maximum van een jaar.
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
In de gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) voor de duur van minder dan zes weken wordt toegepast, wordt de vreemdeling enkel in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw.
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
Indien vastgesteld is dat alle relevante gegevens die nodig zijn om bij het BMA een medisch advies op te starten zijn overgelegd, wordt na indiening van de aanvraag, als op dat moment op de aanvraag nog niet beslist kan worden, [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toegepast in afwachting van een beslissing op de ingediende aanvraag.
### 3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring
Indien de vreemdeling beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door de IND een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) geplaatst, onder vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
### 4. Opheffing van de ongewenstverklaring
De DT&V ziet erop toe dat aan deze voorwaarden is voldaan voordat de vreemdeling wordt uitgezet. Het opvragen en meenemen van het medisch dossier betreft een verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf. De vreemdeling of zijn raadsman wordt hierop gewezen door de DT&V.
### 7.5. Rechtsmiddelen
De beslissing op de asielaanvraag en de ambtshalve toets aan [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) worden indien mogelijk in de algemene asielprocedure en in ieder geval in de verlengde asielprocedure in een meeromvattende beschikking geslagen. Wanneer de vreemdeling ten behoeve van de beslissing op het asielverzoek in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven op het voornemen om de uitzetting niet op grond van artikel 64 Vw achterwege te laten, staat tegen de beschikking het rechtsmiddel beroep open.
### 7.6. Procedure bij zwangerschap/bevalling
De behandeling van een eerste, tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening mag in beginsel in Nederland worden afgewacht. Een verzoek om een voorlopige voorziening dient binnen 24 uur te zijn ingediend. Het indienen van dit verzoek levert geen rechtmatig verblijf op ingevolge [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en betekent evenmin dat de vreemdeling aanspraak maakt op de verstrekkingen ingevolge de Rva. De behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening mag niet hier te lande worden afgewacht indien redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich daartegen verzetten of het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst verloren zou gaan.
### 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen
De uitzetting van de vreemdeling en van zijn gezinsleden wordt opgeschort indien bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden TBC is geconstateerd. Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij gesloten TBC is geconstateerd bij deze vreemdeling of een van zijn gezinsleden en de overdracht van de vreemdeling zal plaatsvinden op grond van de verordening 343/2003 (Dublin verordening) dan wel overdracht zal plaatsvinden aan een bij de Dublinverordening aangesloten land waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen omdat de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten, tenzij de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat (zie hiervoor [C3/ 2.3.6.4](onbekend)). In het geval open TBC is geconstateerd bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden blijft de opschorting van uitzetting van kracht ongeacht het land waarnaar de uitzetting wordt beoogd.
### 1. Inleiding
Indien sprake is van verdenking van TBC, zal de uitzetting van vreemdelingen in beginsel worden opgeschort tot het onderzoek naar TBC is voltooid.
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
Onder de toepassing van [artikel 65, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65) vallen niet alleen vreemdelingen aan wie bij binnenkomst aanstonds de toegang is geweigerd, maar ook vreemdelingen – bijvoorbeeld bemanningsleden van schepen of transitpassagiers van vliegtuigen – aan wie aanvankelijk toegang is verleend maar die op illegale wijze zijn achtergebleven. Volledigheidshalve wordt vermeld dat ook verstekelingen onder deze regelgeving vallen.
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
In A2/7.1.3 is de terugvoerplicht voor vervoerders nader uitgewerkt.
### 9.1. Algemeen uitgangspunt
Uitgangspunt is dat de kosten van uitzetting ten laste van de uit te zetten vreemdelingen dienen te worden gebracht. Daarbij dient zo veel mogelijk gebruik te worden gemaakt van gegeven garanties of gedeponeerde gelden of reisbiljetten. Bovendien kunnen, in geval de vreemdeling niet kan betalen, de kosten van zijn uitzetting verhaalbaar zijn op derden.
### 9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
In beginsel wordt een vreemdeling hangende de beslissing op een uitleveringsverzoek niet uitgezet. Veelal zullen echter enige dagen verstrijken voor het antwoord van de buitenlandse autoriteit omtrent het al dan niet indienen van een uitleveringsverzoek is ontvangen. In die gevallen zal door de buitenlandse autoriteit voorafgaand aan het formele verzoek om uitlevering om voorlopige aanhouding van de vreemdeling worden gevraagd. Zonodig kan aan dit verzoek worden voldaan.
### 1. Het inreisverbod
Of – en onder welke omstandigheden – ten behoeve van terug- of overname van een vreemdeling gebruik kan worden gemaakt van een verdrag of internationale overeenkomst (met bepalingen) over terug- en overname, kan worden nagegaan op de website van de vreemdelingenketen (zie A1/3). Over de te volgen procedure en uitvoeringsaspecten bij daadwerkelijke terug- of overname dient afstemming te worden gezocht met de DT&V.
### 5. Het inreisverbod en de ongewenstverklaring
Met de invoering van het inreisverbod zal de verklaring tot ongewenst vreemdeling nog zelden voorkomen. Dit is bijvoorbeeld nog wel mogelijk indien een vreemdeling de toegang is geweigerd. De ongewenstverklaring op grond van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) zal in beginsel beperkt blijven tot gemeenschapsonderdanen en vreemdelingen die niet in Nederland verblijven of aan wie de toegang is geweigerd.
### 4.1. Inleiding
Hierbij kan gedacht worden aan een vreemdeling die een gevaar is voor de openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid, indien er redenen bestaan om in een dergelijk geval de vreemdeling – in afwijking van [artikel 62, tweede lid, onder c Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) – een vertrektermijn te gunnen dan wel indien er redenen bestaan (de ratio van) [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) op hem van toepassing te achten.
### 4.3. De inhoud van de aanvraag
De vreemdeling aan wie een inreisverbod is opgelegd, wordt gesignaleerd in (N)SIS (zie A3/9).
### 2.3. Strafbaarheid
Op grond van [artikel 66a, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) wordt geen inreisverbod opgelegd aan diegene die gemeenschapsonderdaan is of op wie [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) van toepassing is.
### 2.1. De maatregelen op grond van artikel 6 Vw
Ook wordt geen inreisverbod uitgevaardigd, indien het uitvaardigen van een inreisverbod een schending van artikel 8 EVRM betekent. Dit betekent dat bij het uitvaardigen van een inreisverbod rekening gehouden moet worden met artikel 8 EVRM aspecten (zie [B2/10 Vc2000](onbekend)).
### 6. Procedurele aspecten
Op grond van [artikel 66a, achtste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan om humanitaire of andere redenen worden afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Daarom is het belangrijk dat de vreemdeling in staat gesteld wordt een reactie te geven op het voornemen om hem een inreisverbod op te leggen.
### 6.3. Uitvaardiging van een inreisverbod door vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar
Om te voldoen aan de verplichting die is neergelegd in de Terugkeerrichtlijn om de duur te bepalen volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval, is in [artikel 6.5a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a) opgenomen dat de duur niet meer mag bedragen dan de daar vermelde maximumduur. De maximum duur is afhankelijk is van de reden waarom het inreisverbod wordt opgelegd.
### 5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
Met de vrijheidsstraf zoals bedoeld in artikel 6.5a Vb, wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf bedoeld.
### 6. Procedurele aspecten
Een inreisverbod kan worden uitgevaardigd door de (HOvJ van de) vreemdelingenpolitie, de ZHP, de KMar en de IND.
### 6.2. Belangenafwegingen
In de volgende gevallen vaardigt de IND een inreisverbod uit meestal na hiervoor een voorstel van de VP/Kmar te hebben ontvangen:
### 6.3.2. Voorbereiding
Van belang is ook dat de vreemdeling de strekking en de gevolgen van het op te leggen inreisverbod begrepen heeft en daarop zijn zienswijze heeft kunnen geven.
### 6.4.2. Voorbereiding
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
### 6.4.3. De beschikking
Het origineel van deze beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar. Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan.
### 6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt een afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens mededeling van de beschikking in de Stcrt plaats (zie [artikel 66a, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)).
### 6.5.2. De beschikking en de uitreiking van de beschikking
Naast een inreisverbod op voorstel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar, kan de IND ook zelfstandig een inreisverbod opleggen.
### 6.6. Bezwaar en beroep
Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
### 6.8. Signalering in verband met het inreisverbod
Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.
### 6.9. Strafbare feiten
Een opgelegde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie [artikel 37 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie [artikel 38m WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m)) dan wel een inrichting voor jeugdigen (zie [artikel 77h, vierde lid, onder a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h)) alsook ter beschikkingstelling (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
### 1.3. Aanmelding vreemdeling
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland een inreisverbod worden opgelegd. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
### 7. Opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod
Het stellen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Indien door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land zou worden bemoeilijkt, mag de aantekening omtrent het inreisverbod niet in het document voor grensoverschrijding worden aangetekend (zie [artikel 4.35a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.35a)). De hier bedoelde aantekening luidt: ‘inreisverbod uitgevaardigd op (datum beschikking Minister)’. Aantekeningen mogen nimmer worden geplaatst in de grensoverschrijdingsdocumenten of identiteitsbewijzen van asielzoekers (zie A3/5.2.1).
### 6.9. Strafbare feiten
Ingevolge [artikel 66b, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66b) kan ambtshalve dan wel op aanvraag worden beslist tot opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod. De redenen voor een mogelijke opheffing staan beschreven in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b).
### 2. Toegang
Daarnaast worden ook in [artikel 6.5, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5) redenen genoemd, die tot opheffen van een inreisverbod kunnen leiden.
### 7.2. De vorm van de aanvraag
De door een vreemdeling, aan wie een inreisverbod is uitgevaardigd, ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd wordt niet ambtshalve aangemerkt als aanvraag om opheffing van het inreisverbod.
### 7.3. De inhoud van de aanvraag
Een verzoek om opheffing van een inreisverbod dat is gegeven op grond van een ernstig gevaar voor de nationale veiligheid, als bedoeld in [artikel 6.5a, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a), kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds het inreisverbod en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de AIVD kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een ernstig gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal het inreisverbod worden gehandhaafd door het te verlengen. De signalering wordt in dat geval gehandhaafd.
### 10. Ongewenstverklaring
Onderstaande paragraaf is van toepassing op die vreemdelingen, aan wie op grond van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) geen inreisverbod kan worden uitgevaardigd.
### 10.1. Inleiding
Aangezien een wettelijke beslistermijn ontbreekt, wordt een beschikking op een aanvraag om opheffing van het inreisverbod binnen een redelijke termijn gegeven. Deze termijn wordt gesteld op acht weken. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt de IND dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt de IND een termijn waarbinnen de beslissing alsnog tegemoet kan worden gezien. Verwezen wordt naar [art. 4:13-4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:13).
### 8. Tijdelijke opheffing van het inreisverbod
Tijdelijke opheffing van het inreisverbod ingevolge [artikel 6.5c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5c) kan slechts plaatsvinden in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
### 3.4. De toepassing
Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)). Er moet een proces-verbaal zijn opgemaakt of sprake zijn van een transactie dan wel een uitgevaardigde strafbeschikking ter zake van de gepleegde overtredingen, om bij de tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan. Bij het opmaken van een (eerste) proces-verbaal wordt de vreemdeling tegelijkertijd gewaarschuwd dat, indien hij nogmaals een overtreding in het kader van de Vw begaat, zijn ongewenstverklaring zal worden voorgesteld. Van deze waarschuwing wordt een aantekening in de vreemdelingenadministratie gemaakt.
### 5.2.4. Bijstand van een raadsman
Het betreft hier vreemdelingen van wie het verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd conform het hiervoor geldende beleid. Het kan hier gaan om zowel intrekking als het niet-verlengen van de verblijfsvergunning (zie [B1/5.3.6](onbekend), [C5/3](onbekend), [C8/3](onbekend) en [C8/5](onbekend)).
### 2.7. De duur
Het betreft hier vreemdelingen die niet rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning noch op basis van het Gemeenschapsrecht, de Overeenkomst EG-Zwitserland of het Associatiebesluit 1/80 hier te lande verblijven. Niet is vereist dat deze vreemdelingen zich feitelijk in Nederland bevinden.
### 2.6. De tenuitvoerlegging
Door de ongewenstverklaring wordt het verblijf in en illegale terugkeer naar Nederland van de vreemdeling strafbaar. Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan een misdrijf (zie [artikel 197 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197)).
### 2.8. De beëindiging
Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)). Er moet een proces-verbaal zijn opgemaakt of sprake zijn van een transactie dan wel een uitgevaardigde strafbeschikking ter zake van de gepleegde overtredingen, om bij de tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan. Bij het opmaken van een (eerste) proces-verbaal wordt de vreemdeling tegelijkertijd gewaarschuwd dat, indien hij nogmaals een overtreding in het kader van de Vw begaat, zijn ongewenstverklaring zal worden voorgesteld. Van deze waarschuwing wordt een aantekening in de vreemdelingenadministratie gemaakt.
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
Ten aanzien van deze grond vallen drie categorieën te onderscheiden:
### 10.3. Procedurele aspecten
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
### 4.3.2. De bevoegdheid
Indien wordt overgegaan tot ongewenstverklaring van een vreemdeling is, ook bij eerste toelating – tenzij ook de gezinsleden Nederland (moeten) hebben verlaten – steeds sprake van inmenging.
### 10.3. Procedurele aspecten
Is de vreemdelingenpolitie of de KMar van oordeel dat er gronden aanwezig zijn tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan maken zij dat onverwijld kenbaar aan de IND, hetzij middels een gemotiveerd voorstel ([model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-07-01&g=2012-07-01)), hetzij middels een ander gemotiveerd schrijven. In ieder geval dienen alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de IND te worden gezonden. Gelet op de bewoordingen van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67), kan de IND, indien op andere wijze is gebleken dat er gronden aanwezig zijn tot ongewenstverklaring, ook ambtshalve tot ongewenstverklaring overgegaan.
### 3.4. De toepassing
Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar tevens een brochure in een voor de betrokkene begrijpelijke taal met betrekking tot de ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) verstrekt. Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
### 4.1. Algemeen
Uit de door de vreemdelingenpolitie of de KMar aan de IND gezonden bescheiden dient duidelijk naar voren te komen of en hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht ingevolge [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8). Bij voorkeur is van het gehoor een proces-verbaal opgemaakt.
### 10.3.3. uitreiking van de beschikking
Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaarschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie [artikel 6:16 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:16)).
### 4.3.2. De bevoegdheid
[Artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken (zie ook [artikel 5.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1) en [artikel 5.2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=5.2)).
### 4.3.4. De beëindiging
Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaarschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie [artikel 6:16 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:16)).
### 10.3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring
In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
### 10.4.1. Inleiding
De ongewenstverklaring wordt op verzoek in ieder geval opgeheven indien er sinds de ongewenstverklaring en het vertrek van de vreemdeling tien jaren (een geweldsdelict, een opiumdelict of een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd), vijf jaren (ingeval van een ander misdrijf), of één jaar (ingeval van het bij herhaling begaan van een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gesteld feit) is verstreken en de vreemdeling gedurende die periode niet aan strafvervolging ter zake van een misdrijf is onderworpen.
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
### 5. Uitzetting
Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, zal hij niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling wordt het bepaalde in [C2/3](onbekend) betrokken.
### 10.4.4. Beoordeling van de aanvraag
Als uitgangspunt geldt dat slechts in de volgende drie situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:
### 5.3.2. De bevoegdheid
Bij de beoordeling of er op de Nederlandse Staat een verplichting rust om de ongewenstverklaring op te heffen, worden in ieder geval de volgende omstandigheden betrokken (zie B2/13.2.3.3):
### 10.4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, zal hij niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling wordt het bepaalde in [C2/3](onbekend) betrokken.
### 10.5.1. Inleiding
In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:
### 10.5.2. Vorm van het verzoek
Instandhouding van de ongewenstverklaring, terwijl de vreemdeling op grond van deze bepalingen in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zou een schending opleveren van Richtlijn 2004/83/EG.
### 10.4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
De IND beslist op een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring. Indien de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen bezwaar maken. Indien de aanvraag wordt ingewilligd wordt de signalering “ONGEW” uit de systemen verwijderd (zie A3/9.2).
### 10.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring dient schriftelijk bij de IND te worden ingediend. Het dient afkomstig te zijn van de vreemdeling zelf, van zijn gemachtigde, of van een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van betrokkene naar Nederland. In het laatste geval kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het OM of een internationaal straftribunaal. Als het verzoek wordt ingediend door het OM dient het te zijn ondertekend door een Hoofdofficier van Justitie. In het geval van bijvoorbeeld een internationaal straftribunaal moet de ondertekening geschieden door iemand van het niveau van een Hoofdofficier van Justitie. Ook een rechter kan een verzoek ondertekenen om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.
### 10.5.3. Inhoud van het verzoek
Het verzoek dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
### 10.5.4. Beoordeling van het verzoek
Aan de overkomst van de vreemdeling naar Nederland moeten voorwaarden worden gesteld.
### 10.6. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
Bij de voorbereiding van de beschikking tot beëindiging van het rechtmatig verblijf dienen in overweging te worden genomen (zie artikel 28, eerste lid, Richtlijn 2004/38):
### 10.6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring
Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) wordt verwezen naar [B10](onbekend).
### 10.6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsdbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van de vreemdeling. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd (zie artikel 27, tweede lid, Richtlijn 2004/38).
### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Het duurzame verblijfsrecht kan met toepassing van [artikel 8.18, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.18) worden beëindigd, indien ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid daartoe nopen. In dat geval kan ook tot ongewenstverklaring worden overgegaan met toepassing van [artikel 8.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22).
### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Zie voor de procedurele aspecten met betrekking tot de ongewenstverklaring A5/3.
### 10.6.4.1. Inleiding
De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan ingevolge het bepaalde in [artikel 8.22, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22), slechts worden gedaan:
### 6. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Ten aanzien van vreemdelingen van wie de tweede of volgende asielaanvraag met toepassing van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) in de algemene asielprocedure is afgewezen omdat geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht wordt zo spoedig mogelijk na bekendmaking van de afwijzende beschikking beoordeeld of bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) zal worden toegepast. Indien de hier bedoelde vreemdeling zich eerder gedurende enige tijd heeft ontrokken aan toezicht weegt het belang van de openbare orde in beginsel zwaarder dan het individuele belang van de vreemdeling. Voor de beoordeling van tweede of herhaalde aanvragen wordt verwezen naar [C14/4](onbekend).
### 10.6.4.3. Inhoud van de aanvraag
Het kan voorkomen dat een vreemdeling in een individueel geval aanvullende gegevens en bescheiden zal moeten overleggen, ofwel deze eigener beweging overlegt.
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is in veel gevallen het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren kan de overheid gebruik maken van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen.
### 1. Algemeen
Vanwege het ingrijpende karakter dient de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke. Steeds zal nagegaan moeten worden of met een lichter middel volstaan kan worden. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) dienen voortdurend in acht genomen te worden. Voorts is de uitvoering van deze maatregelen met strikte waarborgen omkleed.
### 1.1. Overzicht vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
De in de vorige alinea’s vermelde verplichting rust op de ambtenaar die de maatregel oplegt.
### 1.2.1. Mededeling aan de IND
De ambtenaar belast met grensbewaking, de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) oplegt, dient de IND door middel van [model M19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M19&z=2012-07-01&g=2012-07-01) of [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01) daarvan op de eerste dag van het opleggen van de maatregel op de hoogte te brengen (zie [artikel 5.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.6)). Deze mededeling aan de IND dient ook plaats te vinden indien een dergelijke maatregel inmiddels is opgeheven.
### 1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen
De in de vorige alinea’s vermelde verplichting rust op de ambtenaar die de maatregel oplegt.
### 1.3. Aanmelding vreemdeling
Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) kan de vreemdeling voor korte duur naar elders (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, indien dit redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). De opdracht tot lichten kan door een hulpofficier van justitie gegeven worden. Van deze mogelijkheid kan gebruik gemaakt worden bijvoorbeeld om de vreemdeling te horen of te presenteren bij een diplomatieke vertegenwoordiging in verband met de uitvoering van de Vw. Hierbij dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:
### 5.3.7.1. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie
Indien het voornemen bestaat een uitzondering te maken op a – c vindt overleg tussen de inbewaringstellende instantie en de DT&V plaats.
### 1.6. gezinnen met minderjarige kinderen
Indien sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Desalniettemin kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin, in geval het gezin de toegang tot Nederland – en daarmee het Schengengebied – is geweigerd, dit in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan grond vormen om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.
### 5.3.6. De tenuitvoerlegging
Vreemdelingenbewaring vindt in de regel plaats in speciale inrichtingen voor bewaring, namelijk detentie- en uitzetcentra. In bijzondere omstandigheden kan het voorkomen dat vreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd op een (gespecialiseerde) afdeling in een regulier huis van bewaring. Hiervan kan sprake zijn indien de vreemdeling voorzieningen nodig heeft die niet worden geboden in een detentie- of uitzetcentrum. Als voorbeeld kan een Penitentiair Psychiatrisch Centrum en het Justitieel Medisch Centrum worden genoemd. De tenuitvoerlegging vindt daar niet langer plaats dan noodzakelijk. Daarnaast kan een vreemdeling vanwege zijn gedrag in een detentie- of uitzetcentrum om beheersmatige redenen worden geplaatst in een regulier huis van bewaring. Indien een vreemdeling wordt geplaatst in een regulier huis van bewaring wordt hij zoveel mogelijk gescheiden gehouden van strafrechtelijk gedetineerden. De plaatsing in een regulier huis van bewaring vindt plaats door de selectiefunctionaris. Tegen het plaatsingsbesluit van de selectiefunctionaris kan op grond van [artikel 17, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=17) bezwaar worden gemaakt. Op grond van [artikel 72, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=72) staat tegen het besluit op bezwaar beroep open bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.
### 2. Toegang
De in [artikel 46 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46) genoemde ambtenaren belast met grensbewaking zijn bevoegd tot het opleggen van de verplichting aan een geweigerde vreemdeling om zich op te houden in een aangewezen ruimte of plaats (zie [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)).
### 5.3.6.3. Declaratie van de kosten van bewaring in een politiecel
Verstekelingen (met uitzondering van de asielzoekers) dienen zoveel mogelijk geplaatst te worden aan boord van het schip waarvan zij afkomstig zijn. Deze plaatsing geschiedt op grond van [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) en [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65).
### 5.3.7. Het strafrecht en bewaring
De weigering van toegang strekt zich niet enkel uit tot de verdere inreis in Nederland, doch ook tot de verdere inreis in het overige Schengengebied. Voor een toelichting op de situatie waarbij een asielzoeker de toegang geweigerd wordt, terwijl tegelijkertijd op grond van de Verordening 343/2003 een verzoek tot overname van de asielaanvraag ingediend wordt bij een andere staat, wordt verwezen naar A2/5.5.6. Aan Dublinclaimanten aan wie de toegang niet geweigerd kan worden, wordt de vrijheidsbeperkende maatregel van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) opgelegd of, indien aan de voorwaarden daarvan wordt voldaan, de maatregel van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59).
### 2.5. De vorm
Indien tenminste één van de gezinsleden een asielaanvraag indient en deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure kan worden afgedaan, zal de vrijheidsontnemende maatregel worden toegepast gedurende de asielprocedure. Zie [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend) voor de toepassing van de maatregel op grond van [artikel 6, eerste of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) bij vreemdelingen die de toegang tot Nederland zijn geweigerd en die een asielaanvraag indienen. Zie A6/2.7 voor de duur van de maximale termijn die geldt bij vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarige kinderen.
### 2.5. De vorm
De maximale termijn van de vrijheidsontneming mag slechts worden overschreden indien door toedoen van (één van) de gezinsleden een binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden. Hiervan is sprake indien de uitzetting niet mogelijk is gebleken door fysiek verzet van de vreemdeling dan wel indien de vreemdeling in bewaring een nieuwe procedure start met als kennelijk doel de uitzetting te belemmeren.
### 2.8. De beëindiging
De vrijheidsontnemende maatregel van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) wordt zoveel mogelijk ten uitvoer gelegd in een door de Minister voor deze categorie vreemdelingen aangewezen ruimte of plaats.
### 2.7. De duur
De maatregel en de duur daarvan zal, mede gelet op het bepaalde in [artikel 94 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94), binnen 42 dagen getoetst worden door de rechtbank. De rechtbank zal alsdan toetsen of de maatregel voldoet aan het gestelde doel en of de maatregel bij afweging van alle belangen gerechtvaardigd is.
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
De maximale termijn van de vrijheidsontneming mag slechts worden overschreden indien door toedoen van (één van) de gezinsleden een binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden. Hiervan is sprake indien de uitzetting niet mogelijk is gebleken door fysiek verzet van de vreemdeling dan wel indien de vreemdeling in bewaring een nieuwe procedure start met als kennelijk doel de uitzetting te belemmeren.
### 2.8. De beëindiging
Indien de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van [artikel 6, eerste en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) beveelt (zie A6/6) betekent dat niet dat ook de weigering van de toegang ex [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) wordt opgeheven. In die gevallen kan nog steeds op grond van artikel 6, eerste lid, Vw (vrijheidsbeperking) een ruimte of plaats worden aangewezen waar de vreemdeling zich dient op te houden. Indien de toegangsweigering wordt opgeheven, bijvoorbeeld omdat aan de vreemdeling alsnog rechtmatig verblijf toekomt op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of de rechtbank de beschikking van weigering toegang vernietigt, wordt de maatregel van artikel 6 Vw eveneens opgeheven. Voor het opheffen van de maatregel dient gebruik te worden gemaakt van Model [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
### 3. Verblijf
Voorzover de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning een aanvraag van een asielzoeker betreft, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvanglocatie zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet ophouden. Hij doet dit zowel mondeling als schriftelijk. Hiertoe wordt het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09) gebruikt. De aanwijzingen betreffen in ieder geval datum, tijdstip en plaats van aanwijzing. Daarnaast kunnen vervolgaanwijzingen worden gegeven met betrekking tot het verschaffen van extra informatie, het uitreiken van het rapport van gehoor of de beschikking. Het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09) doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking.
### 6.4. Schadevergoeding
Voor het aanwenden van een rechtsmiddel door de vreemdeling wordt verwezen naar A6/6.
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
De beschikbaarheidsverplichting houdt in dat de vreemdeling bereikbaar is op een woon- of verblijfplaats zodat hij kan worden opgeroepen voor een gehoor of om in kennis gesteld te worden van voor hem relevante beslissingen. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling die opgeroepen is voor een bepaalde datum (en tijd), in de tussenliggende periode met inachtneming van zijn meldingsplicht (en de huisregels van het centrum), zich naar een andere plaats in Nederland mag begeven.
### 4.3.1. Het doel
Voor de bevoegdheden op grond van [artikel 55, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55), zie A3/8.
### 4. Toezicht
Voor het toezicht op vreemdelingen zijn de [artikelen 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) van belang. [Artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) betreft de bevoegdheid van het staande- en ophouden van personen (eventueel ook Nederlanders) in het belang van het toezicht op vreemdelingen. [Artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken.
### 4.2. Het staandehouden en ophouden op grond van artikel 50 Vw
De beperking van vrijheidsbeweging kan niet toegepast worden ten aanzien van vreemdelingen die voor onbepaalde tijd in Nederland verblijven. Als gevolg van de goedkeuring van het vierde Protocol bij het EVRM (Trb. 1964, 15 en 1969, 241, TK 1980-1981, 15 396 [R 1110], nr. 6) kan deze maatregel ook niet opgelegd worden aan personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen (zie [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en [B10](onbekend)).
### 4.3.1. Het doel
De opgelegde beperkingen mogen niet zo verstrekkend zijn, dat zij het karakter van een vrijheidsontnemende maatregel hebben. Neemt de vreemdeling de opgelegde beperking niet in acht, dan begaat hij een in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gestelde overtreding.
### 4.3.2. De bevoegdheid
De beperking van vrijheidsbeweging kan niet toegepast worden ten aanzien van vreemdelingen die voor onbepaalde tijd in Nederland verblijven. Als gevolg van de goedkeuring van het vierde Protocol bij het EVRM (Trb. 1964, 15 en 1969, 241, TK 1980-1981, 15 396 [R 1110], nr. 6) kan deze maatregel ook niet opgelegd worden aan personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen (zie [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en [B10](onbekend)).
### 4.3.4. De beëindiging
Alleen in uitzonderingsgevallen, met name indien de uitzetting (nog) niet kan plaatsvinden en de toepassing van een andere vrijheidsbeperkende maatregel niet in aanmerking komt, kan deze maatregel in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid toegepast worden.
### 5.1. Het doel van de maatregelen van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel te voldoen, kan hem vervoer naar de VBL worden aangeboden. Het vervoer van een vreemdeling naar de VBL vindt op vrijwillige basis plaats en kan dus niet rechtstreeks worden afgedwongen. Weigert hij hiervan gebruik te maken, en heeft hij geen concrete andere mogelijkheid om aan de maatregel te voldoen, dan kan de vreemdeling in beginsel vanwege het niet naleven van de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel uit hoofde van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) worden staande gehouden en naar een plaats bestemd voor verhoor worden gebracht.
### 5. Uitzetting
Indien de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, kunnen vreemdelingen, zowel asielzoekers als reguliere vreemdelingen, ter fine van hun uitzetting in bewaring gesteld worden op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59). Bij deze maatregel gaat het in beginsel – anders dan bij [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) – om vreemdelingen ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn voor het vermoeden dat zij zich aan de uitzetting zullen onttrekken.
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
De maatregel van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) houdt in dat de asielzoeker zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats dient op te houden. Bij de term ‘ruimte’ kan gedacht worden aan bijvoorbeeld: een AC of opvangvoorziening, een gebouw of gebouwencomplex. De term ‘ruimte’ is niet beperkt tot een ‘cel’ waarvan de deur op slot kan. Ook een groter complex, dat de vreemdeling vrij veel bewegingsvrijheid laat, maar waarvan de buitenpoort dicht of afgesloten is, levert een ‘ruimte’ op. Ook een schip of vliegtuig valt onder de term ‘ruimte’. De term ‘plaats’ ziet meer op een geografische situatie, zoals bijvoorbeeld een haventerrein.
### 5.2.2. De toepassing
Het gaat hier dus zowel om de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen als de afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de gronden genoemd in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) en[31 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31). De motivatie voor het geven van de aanwijzing is gelegen in die gronden.
### 5.2.5. De duur
De maatregel van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) houdt in dat de asielzoeker zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats dient op te houden. Bij de term ‘ruimte’ kan gedacht worden aan bijvoorbeeld: een AC of opvangvoorziening, een gebouw of gebouwencomplex. De term ‘ruimte’ is niet beperkt tot een ‘cel’ waarvan de deur op slot kan. Ook een groter complex, dat de vreemdeling vrij veel bewegingsvrijheid laat, maar waarvan de buitenpoort dicht of afgesloten is, levert een ‘ruimte’ op. Ook een schip of vliegtuig valt onder de term ‘ruimte’. De term ‘plaats’ ziet meer op een geografische situatie, zoals bijvoorbeeld een haventerrein.
### 5.3. Bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken kan worden aangenomen ingeval de vreemdeling ([art. 5.1b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b)):
### 5.3.2. De bevoegdheid
De bevoegdheid tot inbewaringstelling berust bij de Minister (zie [artikel 59, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)). De maatregel van inbewaringstelling wordt namens hem opgelegd en opgeheven door een ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4) en [artikel 5.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=5.3)).
### 5.3.3.3. Het niet of niet langer toepassen van bewaring
Het belang van de openbare orde kan de bewaring vorderen ([Vb, art. 5.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1a)):
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
Het beroep moet worden ingesteld binnen vier weken na de dag waarop de beschikking bekend is gemaakt. Daarbij is aan te bevelen dat een afschrift van de beschikking wordt overgelegd.
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
[Artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) biedt de mogelijkheid vreemdelingen voor wie de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel op korte termijn voorhanden zullen zijn, in bewaring te stellen. Het tweede lid van artikel 59 bepaalt dat in deze gevallen wordt geacht dat de openbare orde de bewaring van de vreemdeling vordert. Met noodzakelijke bescheiden wordt bedoeld dat een paspoort, laissez-passer (of andere geldige documenten voor grensoverschrijding) of een claim op een vervoersmaatschappij voorhanden is, dan wel binnen korte termijn voorhanden zal zijn. Met ‘binnen korte termijn voorhanden zal zijn’ wordt bijvoorbeeld gedoeld op de situatie dat de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling een vervangend document voor grensoverschrijding in het vooruitzicht heeft gesteld. De bewaringsgrond van het tweede lid van artikel 59 Vw dient er toe om te voorkomen dat een vreemdeling die goed gedocumenteerd is of op korte termijn goed gedocumenteerd zal zijn, zich alsnog aan uitzetting onttrekt.
### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Indien een vreemdeling die vanwege criminele antecedenten een gevaar vormt voor de openbare orde een (herhaalde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd wil indienen of heeft ingediend zal in beginsel bewaring op grond van [artikel 59, eerste lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of [artikel 59 eerste en tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) worden toegepast. Voor die toepassing is het noodzakelijk dat een belangenafweging plaatsvindt.
### 5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten
Ingeval van asielzoekers geldt dat zolang de aanvraag nog niet in eerste aanleg is afgewezen, de inbewaringstelling uitsluitend mag plaatsvinden en voortduren na vooraf overleg met de IND. Van dat overleg dient verslag te worden gelegd in de vreemdelingenadministratie.
### 5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten
Het is mogelijk om een Dublinclaimant op grond van [artikel 59, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of [artikel 59, eerste én tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) in bewaring te stellen. Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangenafweging plaatsvindt (zie A6/5.3.3.5). Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging in beginsel al gegeven, nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname), dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname). Het gegeven dat er gevaar bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, is dus in beginsel altijd aanwezig bij Dublinclaimanten.
### 5.3.4.1. Het gehoor
Met de documenten als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) kan de vreemdeling aantonen verblijfsrecht te ontlenen aan het Gemeenschapsrecht. Hij heeft, als persoon die valt onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer, rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zolang en indien het onderzoek door de Minister niet heeft uitgewezen dat de betrokken persoon geen verblijfsrecht (meer) heeft, of anderszins niet voldaan is aan de beperkingen en voorwaarden van het Gemeenschapsrecht (zie [Richtlijn 2004/38](32004L0038), alsmede de uitspraak van de ABRvS d.d. 7 juli 2003, JV 2003, 431).
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
Tenslotte kan ten aanzien van een vreemdeling die stelt gebruik te maken van het Gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van personen, maar geen geldige identiteitskaart of geldig paspoort toont en evenmin op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen, als regel niet worden vastgesteld dat hij onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt en kan hij in bewaring worden gesteld.
### 5.3.3.9. Bewaring na afwijzing tweede of volgende asielaanvraag
De bewaring die op grond van [artikel 59, eerste of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), is opgelegd aan een gezin met minderjarige kinderen zal niet langer duren dan veertien dagen. Deze termijn kan slechts worden overschreden indien de binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden vanwege:
### 5.3.3.9. Bewaring na afwijzing tweede of volgende asielaanvraag
Is het bevel gegeven zonder dat de vreemdeling kon worden gehoord, dan heeft het gehoor zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de maatregel plaats (zie [artikel 5.2, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2)). Wat in dit verband ‘zo spoedig als mogelijk’ is zal afhangen van de feiten of omstandigheden van het individuele geval.
### 3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door degene die bevoegd is tot het geven van een besluit tot inbewaringstelling.
### 5.3.4.2. Bijstand van een raadsman
Van het gehoor wordt een proces-verbaal [M110-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-B&z=2012-07-01&g=2012-07-01) opgemaakt (zie [artikel 5.2, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2)).
### 5.3.4.2. Bijstand van een raadsman
Er dienen voldoende afschriften te worden gemaakt van de maatregel waarbij de bewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is:
### 4.1. Inleiding
Naast de wettelijke termijn van [artikel 59, vierde en vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) geldt een maximale duur van de bewaring indien een gezin met minderjarige kinderen een maatregel op grond van artikel 59 Vw is opgelegd. Voor deze maximale termijn en de voorwaarden waaronder deze termijn mag worden overschreden, wordt verwezen naar A6/5.3.3.8.
### 4.2. Bezwaar
Ook is het denkbaar dat de bewaringsgrond van [artikel 59, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt omgezet in [artikel 59, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59). Bijvoorbeeld indien de vreemdeling zich verzet bij de uitzetting. Bij een hernieuwde inbewaringstelling dient de vreemdeling uiteraard te worden gehoord.
### 5.3.5. De duur
Indien redenen aanwezig zijn om de bewaring met maximaal twaalf maanden te verlengen dient de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden door de DT&V hiervan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. Van belang hierbij is dat voor de berekening van de zes maanden termijn van de laatste datum inbewaringstelling dient te worden uitgegaan. De termijn die gemoeid is met een periode waarin niet tot uitzetting kan worden overgegaan (gedurende toelatingsaanvragen) wordt niet bij deze termijn meegenomen. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld. Zie A6/6.2.1. Op deze termijnstelling is de [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) niet van toepassing.
### 5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting
De DT&V moet gelet hierop alle maatregelen nemen om de uitzetting op zo kort mogelijke termijn te effectueren (onderzoek naar identiteit en nationaliteit, naar aanwezigheid reisdocumenten, verblijfspositie, aanvraag (vervangende) reisdocumenten e.d.). Bij het voortduren van de maatregel zal de nadruk gelegd dienen te worden op de voortvarendheid van het handelen met betrekking tot het verkrijgen van reis- en/of identiteitsdocumenten.
## Model M82. Reisdocument voor vluchtelingen
Vervallen
In [artikel 117 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117) is geregeld welk rechtsregime van toepassing is op de aanvragen die op het tijdstip van inwerkingtreding reeds in behandeling waren. Deze aanvragen worden aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Vw.
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging worden aangemerkt als aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
### Artikel 1 – weekindeling
Dit betekent dat het mogelijk was een bezwaarschrift in te dienen op grond van de Vw (oud) zolang de bezwaartermijn na inwerkingtreding van de wet nog niet was verstreken. Indien bijvoorbeeld een besluit twee weken voor inwerkingtreding van de Vw bekend was gemaakt, respectievelijk een handeling twee weken voor inwerkingtreding was verricht, kon nog gedurende twee weken na inwerkingtreding van de wet bezwaar daartegen worden gemaakt.
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
Dit houdt in dat de procedurele bepalingen van de Vw (oud) van toepassing zijn. Ook de bepalingen omtrent het betalen van leges (artikel 16, tweede lid, Vw (oud)) blijven van toepassing. Dit voorkomt dat in een lopende aanvraagprocedure stappen moeten worden overgedaan.
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
Tegen een besluit op grond van de Vw (oud), dat is bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van de Vw, kan op grond van het oude recht bezwaar worden gemaakt. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vw (oud) die is verricht voor inwerkingtreding van de Vw. Dit is bepaald in [artikel 118, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118).
### Artikel 4 – zakgeld
De nadruk ligt op de datum van het bekendmaken van het besluit om te verzekeren dat in gelijke gevallen hetzelfde recht zou worden toegepast. Indien de datum van het indienen van het rechtsmiddel als uitgangspunt zou zijn genomen, dan zou in gelijke gevallen (de beslissing is op dezelfde dag bekendgemaakt) een ander rechtsregime gelden. Dat is uiteraard niet de bedoeling.
### Artikel 5 – geldigheid
Op het bezwaarschrift zijn de materiële bepalingen van het nieuwe recht van toepassing, omdat in bezwaar op grond van de hoofdregel uit het algemene bestuursrecht ex nunc wordt beslist (Memorie van Toelichting, pagina 94). Wel dient – als een overgangsregeling voor het beleid ontbreekt – het voor de vreemdeling meest gunstige beleid te worden toegepast.
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
Tegen beslissingen waartegen onder het oude recht wel bezwaar open stond, maar onder het nieuwe recht niet, stond bezwaar open als zij voor inwerkingtreding van de wet waren bekendgemaakt. Beroep staat open tegen besluiten die na inwerkingtreding van de Vw zijn bekendgemaakt.
### Artikel 7 – geschillenclausule
In [artikel 120 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=120) is bepaald dat het hoger beroep als bedoeld in [artikel 84 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) slechts kan worden ingesteld tegen de uitspraak die is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Het betreft een uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank over de beschikking op de aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, dan wel over de beschikking waarbij de verblijfsvergunning is ingetrokken. Dit artikel beoogt het instellen van hoger beroep te beperken tot die zaken, waarin vanaf de eerste aanlegfase de nieuwe wet is toegepast ([artikel 117 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117)).
## Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant
Het bezit van een geldig (nationaal) paspoort is een algemeen uitgangspunt. Het paspoortvereiste wordt onder meer gesteld als waarborg voor terugkeer.
De criteria waaraan een reisdocument moet voldoen zijn opgenomen in artikel 12 Visumcode.
Het afgeven van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens is een Benelux-aangelegenheid. Naar gelang het reisdoel en de plaats van bestemming kan het bijzondere doorlaatbewijs worden afgegeven voor alle drie de Benelux-landen of voor één of twee van deze landen.
Aan de vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom deponeert, wordt tevens een ontvangstbewijs afgegeven. Ook aan een derde die een garantiesom deponeert, wordt een dergelijk ontvangstbewijs afgegeven.
Naast de Visumcode is een handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa vastgesteld (verder aangeduid met Praktisch Handboek), dat aanwijzingen en voorbeelden bevat betreffende de praktische toepassing van de Visumcode. Het Praktisch Handboek bevat verder een lijst met bijlagen, die een uniforme toepassing van de Visumcode binnen de lidstaten zal helpen borgen. De bijlagen bij het Praktisch Handboek bevatten onder andere (niet-limitatief):
Visa en luchthaventransitvisa worden in beginsel in het buitenland afgegeven door de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van de Schengenstaten (zie artikel 4 Visumcode).
Onder bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens (zie A2/4.3.8), indien een geldig visum ontbreekt.
### 4.3.3.1. Schengenvisa
In de regel wordt het visum in een reisdocument aangebracht. In artikel 12 Visumcode is neergelegd waaraan het reisdocument dient te voldoen. In bepaalde gevallen worden het luchthaventransitvisum en het visum niet in het paspoort, maar op een afzonderlijk blad aangebracht: een visumverklaring (zie artikel 2, achtste lid, Visumcode). Aan een visumverklaring wordt dezelfde betekenis toegekend als aan een visum, met dien verstande, dat de houder van een dergelijke visumverklaring te allen tijde in het bezit dient te zijn van het identiteitsdocument waarnaar in het visum wordt verwezen. Deze visumverklaringen kunnen geldig gemaakt worden voor één of meerdere Schengenstaten. Een visum dient in de vorm van een visumverklaring te worden afgegeven wanneer het reisdocument door de lidstaat die het visum afgeeft niet wordt erkend.
Zoals reeds in A2/4.2.3 werd vermeld, is in artikel 5, eerste lid, onder c, SGC aangegeven dat een vreemdeling dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. In bijlage 18 van het Praktisch Handboek zijn de jaarlijkse door de nationale autoriteiten vastgestelde referentiebedragen opgenomen. Tevens dient de vreemdeling in het bezit te zijn van een toereikende en geldige medische reisverzekering voor de duur van zijn verblijf in het Schengengebied (zie artikel 15 Visumcode).
Bij het omzetten wordt terughoudendheid betracht, aangezien de integriteit en betrouwbaarheid van de aanvrager in principe slechts in het land van herkomst afdoende kan worden getoetst. Het omzetten naar een meervoudig visum kan worden gezien als een verlenging van de geldigheidsduur: het maakt de facto een langer verblijf in het Schengengebied mogelijk dan indien het visum niet zou worden omgezet.
Daarbij is het van belang dat de vreemdeling in de laatste zes maanden niet reeds langer dan drie maanden in het Schengengebied heeft verbleven.
De Visadienst is de bevoegde autoriteit om over te gaan tot het verlengen van door één van de Schengenlidstaten afgegeven visa. Verlenging van visa geschiedt bij de IND-loketten.
De beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum en de gronden waarop deze is gebaseerd, wordt aan de aanvrager kenbaar gemaakt door middel van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode).De wijze waarop de beslissing tot nietigverklaring of intrekking zichtbaar gemaakt wordt in het paspoort is vastgelegd in het Praktisch Handboek bij de Visumcode.
### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
Om deze verlenging van de vrije termijn zichtbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de sticker verblijfsaantekening algemeen, die in het paspoort wordt aangebracht. Voor deze verlenging van de vrije termijn worden geen kosten in rekening gebracht.
De vrije termijn van vreemdelingen die voor een verblijf van langer dan drie maanden naar Nederland zijn gekomen, bedraagt acht dagen (zie [artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)).
Het bovenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om aangifte te doen inzake mensenhandel. Een dergelijke aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. De procedure als beschreven in [B9](onbekend) is van toepassing.
Een ieder dient bij in- en uitreis aan een minimumcontrole te worden onderworpen.
Aan iedereen die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet, wordt de toegang geweigerd. De weigering van toegang is:
Ingevolge [artikel 3, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) dient in het geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen vragen, een voornemen tot toegangsweigering te worden voorgelegd aan het Hoofd van de IND. Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling in kwestie. In beginsel zal de toegang worden geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd ex [artikel 6, eerste en tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), waarna de vreemdeling, ter behandeling van het asielverzoek, zal worden geplaatst in AC Schiphol.
Een derdelander die lang verblijf wenst, dat wil zeggen langer dan drie maanden in Nederland of het Schengengebied wil verblijven, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3). Tot deze laatste categorie horen ook asielzoekers, die per definitie voor een lange tijd beroep doen op bescherming door de overheid.
In het weigeringsformulier conform het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC en als [model M17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M17&z=2012-07-01&g=2012-07-01) overgenomen als bijlage van de Vc, worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang wordt geweigerd. Verder dient op het weigeringsformulier melding te worden gemaakt van:
Voor het schriftelijk weigeren van de toegang tot Nederland van EU-onderdanen, burgers van de EER en Zwitserland en hun familieleden wordt eveneens gebruik gemaakt van het standaardformulier [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2012-07-01&g=2012-07-01).
Vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, zijn verplicht onverwijld te vertrekken met inachtneming van de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaar (zie [artikel 5, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5)).
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is. Voor meer bijzonderheden zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.
Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen – ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen – voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.
Uitsluitend documenten die zijn ingeleverd wegens het verstrijken van de geldigheidsduur kunnen onbruikbaar worden gemaakt (zie [artikel 32, vierde en vijfde lid, Paspoortuitvoeringsregeling KMar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=32)) en aan de houder worden teruggegeven. Ten behoeve van de kennisgeving aan de Minister van BZK is een apart standaardformulier ontworpen.
De [Wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) (Stb. 468) betreffende de positie van Molukkers (hierna: de Faciliteitenwet) is op 1 januari 1977 in werking getreden.
De volgende situaties zijn denkbaar (dit is geen limitatieve opsomming):
Voor onderdanen van de Benelux-landen alsmede onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en hun familieleden) gelden op grond van de ter zake gesloten internationale overeenkomsten afwijkende – gunstigere – regels voor wat betreft toelating en verblijf. Ditzelfde geldt voor toegang en grenscontrole, waarvan de weigering van de toegang een bijzonder aspect is. Deze afwijkende regels vloeien voort uit:
Houders van bepaalde diplomatieke, officiële en dienstpaspoorten zijn vrijgesteld van de visumplicht. Wel moeten zij bij grensoverschrijding beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding (zie artikel 5, eerste lid, onder a, artikel 19, eerste lid, onder d, en Bijlage VII SGC).
Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich op een bijzondere status beroept, eerst contact op te worden genomen met de IND.
Zoals is aangegeven in A2/4.3.3.1, kan aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU, een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994. Dit besluit is nog steeds van kracht.
De terugvoerplicht is niet alleen van toepassing op vreemdelingen aan wie bij binnenkomst aanstonds de toegang is geweigerd, maar ook op vreemdelingen – bijvoorbeeld bemanningsleden van schepen of transitpassagiers van vliegtuigen – aan wie aanvankelijk toegang is verleend maar die op illegale wijze zijn achtergebleven. De terugvoerplicht geldt niet alleen bij weigeringen van vreemdelingen die niet beschikken over (de juiste) documenten voor grensoverschrijding, maar ook bij weigeringen op basis van één van de andere gronden van artikel 5 SGC, zoals het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan of het vormen van een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid.
Op grond van [artikel 4.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.6) is de vreemdeling verplicht zich te houden aan de door de ambtenaar belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van zijn taak, gegeven aanwijzingen. Hieronder vallen tevens de aanwijzingen van deze ambtenaar aan de vreemdeling met betrekking tot de plaats waar de laatste zich dient op te houden. Overtreding van deze aanwijzingen is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
Door de grote omvang en de toename van het internationale personenverkeer nemen de mogelijkheden tot onregelmatige binnenkomst en illegaal verblijf van vreemdelingen toe. In het bijzonder met het oog hierop is een efficiënt vreemdelingentoezicht vereist. Voorts kan het in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zijn, dat inzicht wordt verkregen in de activiteiten van vreemdelingen die zich op legale wijze in Nederland bevinden.
Deze verplichtingen gelden niet voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland met een verblijfsrecht van maximaal drie maanden als bedoeld in [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11).
In dit verband moet niet alleen worden gedacht aan ambtenaren die specifiek taken uitoefenen op het terrein van het vreemdelingentoezicht, maar ook aan politieambtenaren die bij de uitoefening van andere taken, zoals het houden van verkeerscontroles, met vreemdelingen in aanraking komen.
### 7.4.1. Algemeen
### 7.7.1. Periodieke aanmelding ex [artikel 4.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.51)
De gedachte hierachter is dat daar waar de directe nabijheid van de vreemdeling minder noodzakelijk is (bijvoorbeeld voor het vragen van nadere informatie voor de afhandeling van zijn aanvraag), een minder streng toezichtsregime, met name met betrekking tot de meldplicht, kan worden toegepast.
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
De gedachte hierachter is dat een zeker toezichtsregime met betrekking tot de meldplicht wenselijk is, gezien de verwachting dat het de vreemdeling uiteindelijk niet zal worden toegestaan in Nederland te blijven. In verband met de bij bovengenoemde categorieën minder grote noodzaak om de vreemdeling voortdurend nabij te hebben (bijvoorbeeld voor het vragen van nadere informatie voor de afhandeling van zijn aanvraag), kan evenwel een ruimere – lees maandelijkse – meldingstermijn worden gesteld.
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
Ten bewijze van het opleggen en het voldoen aan de verplichting tot periodieke aanmelding wordt daarvan in het reisdocument van de vreemdeling een aantekening gesteld als volgt:
Periodieke aanmelding bij de Korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente van verblijf van de vreemdeling is gelegen, is verplicht voor de vreemdeling:
Bij aanvang van de procedure tot het verlenen van een verblijfsvergunning dient de vreemdeling er door de Korpschef op te worden gewezen dat op hem, hangende de beslissing op zijn aanvraag een meldplicht rust (zie [artikel 54, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) juncto [artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.51)). Bij asielzoekers geschiedt het vorenstaande door middel van het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Dit model doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking. Het gaat hier in beginsel om een op grond van [artikel 4.51, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.51) wekelijkse meldplicht.
### 7.7.1.1. Algemeen
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 7.7.1.4. Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling
### 7.7.2. Individuele verplichting tot periodieke aanmelding
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 7.8. Het inleveren van het document bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9)
### 7.9.2. Vervanging van identiteitspapieren
### 7.9.2. Vervanging van identiteitspapieren
### 9.1. Inleiding
### 9. Signaleringen
### 9.1. Inleiding
### 9.1.2. Het (N)SIS
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
Indien de vreemdeling is gesignaleerd als ‘ONGEW’dient de VP of KMar na te gaan of de vreemdeling sinds de datum van uitreiking van de beschikking tot ongewenstverklaring uit het Schengengebied is vertrokken of verwijderd. Indien dat niet het geval is, dient er geen terugkeerbesluit en inreisverbod te worden opgelegd. Indien de vreemdeling wel is vertrokken of uitgezet dient er een terugkeerbesluit te worden opgelegd. Eventueel kan aan de IND een voorstel tot een inreisverbod op grond van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) te worden ingediend als er aanvullende feiten bekend zijn. De omstandigheid dat de vreemdeling is uitgereisd en inreist zonder dat de ongewenstverklaring is opgeheven, doet op zichzelf niet af aan de geldigheid van de eerdere ongewenstverklaring.
### 9.5. Signalering en weigering van toegang
De raadplegingsprocedure met het betreffende Schengenland wordt vervolgens door de IND opgestart.
### 9.5.4. Bezit geldige verblijfstitel/OPS-signalering
### 9.6.1. Inleiding
De verplichting kan worden opgelegd aan alle hier te lande verblijvende vreemdelingen, dus ook hen, die hier te lande rechtmatig verblijven op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 7.7.1.4. Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 7.9.2. Vervanging van identiteitspapieren
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 8. Beschikbaar houden en fouillering
### 9.1. Signaleringssystemen
### 9.2. Soorten signaleringen
De signalering ‘IRV op grond van [artikel 66a, zevende lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), dient ter handhaving van het aan de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod op grond van artikel 66a, zevende lid Vw. De termijn waarvoor deze signalering geldt, komt overeen met de termijn van het uitgevaardigde inreisverbod. Het inreisverbod gaat meteen in na bekendmaking. De termijn van een inreisverbod gaat pas in op het moment waarop de vreemdeling uit Nederland en daarmee uit het Schengengebied vertrekt. In [artikel 6.5a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a) worden ten aanzien van de geldigheidsduur van een inreisverbod termijnen onderscheiden.
### 9.1.4. Verhouding OPS en (N)SIS
Andere signaleringen in het (N)SIS hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen en de aanhouding of voorgeleiding van personen die van een strafbaar feit verdacht worden. Ook kunnen vermiste personen in het (N)SIS worden gesignaleerd.
### 9.2.2. Signalering IRV op grond van [artikel 66a, zevende lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)’(inreisverbod op grond van artikel 66a, lid 7 Vw)
De signalering wordt onder de volgende voorwaarden toegepast:
### 9.1.3. Verhouding OPS en (N)SIS
Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.
### 9.2. Soorten signaleringen
In de gevallen bedoeld in A3/9.2.2 en A3/9.2.3 vangt de termijn van signalering aan op de datum dat de betrokken vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, dan wel hem de toegang is geweigerd. In het geval bedoeld in A3/9.2.3 onder b vangt de termijn van de signalering aan op de datum dat de Minister de bijzondere aanwijzing heeft gegeven.
### 9.3. Handelwijze bij een als ongewenst gesignaleerde vreemdeling
Op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd is de Richtlijn Terugkeer (2008/115/EG) niet van toepassing omdat zij zich formeel niet in Nederland bevinden. Een inreisverbod ex [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan daarom niet worden opgelegd. Een vreemdeling die om de genoemde grond de toegang is geweigerd dient, met inachtneming van de individuele feiten, in het belang van de openbare orde te worden gesignaleerd. De vreemdeling die om deze reden wordt gesignaleerd wordt hierover geïnformeerd en gewezen op de signaleringsduur en Schengenbrede werking van de signalering. Ook wordt hij gewezen op de wijze van kennisneming, correctie, of verwijdering van de signalering, respectievelijk hoe om opheffing kan worden verzocht dan wel bezwaar kan worden gemaakt.
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
In de praktijk kunnen in het kader van (N)SIS-signalering de navolgende vreemdelingen worden aangetroffen:
### 9.6.2. Opnemen van signaleringen
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten aanzien van vreemdelingen die voldoen aan de onder onder A3/9.2.3 genoemde voorwaarden altijd een bericht tot signalering indienen bij de IND. Indien de betrokken vreemdeling toestemming krijgt voor verblijf hier te lande, dient de signalering te vervallen. Bij elke beoordeling van een aanvraag om een verblijfstitel hier te lande dient te worden nagegaan of de betrokken vreemdeling is gesignaleerd.
Indien de identiteit van de vreemdeling niet bekend is, dient de Korpschef er voor te zorgen dat steeds de Dienst IPOL een onderzoek naar de vingerafdrukken doet. Dit onderzoek is noodzakelijk om te voorkomen dat vreemdelingen onder verschillende personalia gesignaleerd worden. De vreemdeling met meerdere personalia wordt in dat geval onder de naam zoals deze bij de IND bekend is, gesignaleerd. De eventueel andere bekende personalia zullen als aliasnaam opgenomen worden.
### 9.6.2. Opnemen van signaleringen
### 10. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten
### 9.6.4. Toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling
### 2. Zelfstandig vertrek
### 3.3. Verkorten van de vertrektermijn
### 2.3. Een klacht schort het vertrek uit Nederland niet op
De vertrektermijn kan op grond van [artikel 62, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), worden verkort of onthouden indien:
Indien de vreemdeling de beroepstermijn ongebruikt laat, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie [artikel 73, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)). Omdat de beroepstermijn in het algemeen vier weken bedraagt, dient de vreemdeling in deze gevallen na het verstrijken van de ongebruikte beroepstermijn Nederland onmiddellijk te verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling reeds voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen nemen.
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
### 3.4.1. Inleiding
### 3.4.1. Inleiding
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
### 4. Reisdocumenten
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de grensdoorlaatpost van uitreis
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
De IND beslist op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning. Bij een negatieve beschikking waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan, dient de vreemdeling te worden verwijderd. Bij een positieve beschikking dient het inreisverbod te worden opgeheven en de (N)SIS-signalering te vervallen. De IND verwijdert de signalering uit het (N)SIS.
### 9.5.1. Algemeen
Wanneer de signalering bij afgifte van de verblijfstitel dan wel bij de verlenging van die titel (nog) niet bekend was bij de IND maakt de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar die de vreemdeling heeft aangetroffen proces-verbaal van bevindingen op. Hierbij maakt hij een kopie van alle documenten die nog niet bekend waren bij de IND. De IND handelt conform ad c de hitmelding af en reikt aan betrokkene een verklaring uit. De vreemdeling dient deze verklaring bij zich te dragen en bij controle te overleggen. Het Hoofd van de IND stelt een model voor deze verklaring vast.
### 9.5.2. Asielaanvraag
Het Bureau SIRENE Nederland stelt naast de IND ook het Bureau SIRENE van het desbetreffende land in kennis. De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadpleegprocedure toe.
### 9.5.3. Bezit geldige verblijfstitel/(N)SIS-signalering
Indien een vreemdeling die in Nederland of een ander Schengenland een geldige verblijfstitel bezit en in het (N)SIS gesignaleerd staat, meldt de ambtenaar belast met de grensbewaking de ‘hit’ bij bureau SIRENE (zie A3/9.1.2) en licht de IND in. De vreemdeling dient in beginsel te worden doorgelaten dan wel doorreis te worden verleend. Bij twijfel over de verblijfsrechtelijke positie dient de ambtenaar alvorens de vreemdeling door te laten, na te gaan bij de IND of de Nederlandse verblijfstitel nog steeds geldig is.
### 9.5.4. Bezit geldige verblijfstitel/OPS-signalering
Opneming en vervallenverklaring van de in dit hoofdstuk genoemde signaleringen geschiedt door de IND. De IND bepaalt ook, op grond van de SUO welke signaleringen in het (N)SIS worden opgenomen.
### 9.5.3. Bezit geldige verblijfstitel/(N)SIS-signalering
Indien de identiteit van de vreemdeling niet bekend is, dient de Korpschef er voor te zorgen dat steeds de Dienst IPOL een onderzoek naar de vingerafdrukken doet. Dit onderzoek is noodzakelijk om te voorkomen dat vreemdelingen onder verschillende personalia gesignaleerd worden. De vreemdeling met meerdere personalia wordt in dat geval onder de naam zoals deze bij de IND bekend is, gesignaleerd. De eventueel andere bekende personalia zullen als aliasnaam opgenomen worden.
### 9.6. Opneming en vervallen van signaleringen
Humanitaire omstandigheden zijn op zichzelf geen reden om te besluiten tot opheffing van de signalering. Als sprake is van kortdurende humanitaire omstandigheden kan een gesignaleerde vreemdeling op grond van artikel 5, vierde lid, onder c, SGC verzoeken toegang te verkrijgen tot Nederland voor de duur van maximaal drie maanden zoals ook is uitgewerkt in [artikel 2.9 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.9) (zie A3/9.6.4). Als de vreemdeling zich beroept op langduriger omstandigheden als gezinsleven of vrees voor vervolging in het land van herkomst, dan dient hij een verblijfsvergunning voor het betreffende doel aan te vragen. Als de verblijfsvergunning wordt verleend, dient de signalering te worden opgeheven.
### 9.6.3.2. Opheffing van signaleringen in het OPS
Politieke activiteiten van een vreemdeling die gevaar opleveren voor de openbare orde (met inbegrip van de goede internationale betrekkingen) of de nationale veiligheid kunnen grond vormen hem (voortgezet) verblijf te ontzeggen. Indien er naar het oordeel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar gebleken is van – of gegronde reden is te vrezen voor – deze politieke activiteiten, moet contact worden opgenomen met de IND teneinde te vernemen hoe moet worden gehandeld. In voorkomende gevallen kan aan de vreemdeling de bijzondere aanwijzing worden gegeven dat hij zich dient te onthouden van activiteiten of uitlatingen die een gevaar opleveren voor de openbare orde.
### 1. Inleiding
Ten aanzien van vreemdelingen die dienen te vertrekken naar een land buiten de Unie geldt dat zij een schriftelijk terugkeerbesluit dienen te ontvangen, waaruit blijkt dat de vreemdeling de Unie dient te verlaten. Het terugkeerbesluit kan tevens een inreisverbod inhouden ([artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), zie ook A5/1).
### 9.6.4. Toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling
De wet bevat geen definitie van het begrip uitzetting. De term uitzetting wordt gebruikt voor alle gevallen van ‘verwijdering met de sterke arm uit Nederland’. Dit impliceert dat er geen sprake is van uitzetting als een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld ons land op een door hem verkozen wijze te verlaten.
### 2.1. De rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten
Ten aanzien van vreemdelingen die dienen te vertrekken naar een land buiten de Unie geldt dat zij een schriftelijk terugkeerbesluit dienen te ontvangen, waaruit blijkt dat de vreemdeling de Unie dient te verlaten. Het terugkeerbesluit kan tevens een inreisverbod inhouden ([artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), zie ook A5/1).
### 2.4. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst
Vreemdelingen die nooit rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad en zich dus illegaal toegang tot Nederland hebben verschaft, krijgen in geval van aantreffen een terugkeerbesluit, waarmee zij van de op hen rustende vertrekplicht in kennis worden gesteld. Alvorens tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt overgegaan, wordt de vreemdeling eerst hieromtrent gehoord. Als uit dat gehoor blijkt dat het voornemen van de vreemdeling bestaat asiel te vragen wordt de vreemdeling de gelegenheid gegeven een dergelijke aanvraag in te dienen en wordt pas een terugkeerbesluit uitgevaardigd als hij van deze mogelijkheid geen gebruik maakt. Voor zover blijkt dat vreemdeling om andere redenen verblijf hier te lande wenst, wordt de vreemdeling erop gewezen dat een verblijfsvergunning regulier ingediend kan worden. In laatstgenoemde situatie bestaat er geen aanleiding om het uitbrengen van een terugkeerbesluit achterwege te laten. In het terugkeerbesluit kan worden bepaald dat de vreemdeling de Unie – en daarmee ook Nederland – moet verlaten binnen vier weken. De vreemdeling die na afloop van de termijn vermeld in het terugkeerbesluit Nederland niet zelfstandig heeft verlaten kan worden uitgezet en krijgt onder intrekking of wijziging van het genomen terugkeerbesluit een nieuw terugkeerbesluit dat tevens een inreisverbod inhoudt (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1).
### 2.5. Verwijdering van gezinsleden
Zie [B14](onbekend) in geval de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
### 2.2. Het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van vertrek
Voor vreemdelingen uit derde landen die illegaal in Nederland verblijven en in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, geldt dat zij een aanzegging krijgen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Wanneer deze aanzegging niet wordt nageleefd, of uit de verklaringen of gedragingen van de vreemdeling aannemelijk kan worden geacht dat hij deze aanzegging niet zal opvolgen of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdelingen vereist is, zal wel een terugkeerbesluit worden uitgereikt. Van openbare orde aspecten in de vorige zin is in ieder geval sprake indien de vreemdeling is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit. Dat de nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek vereist kan ondermeer uit een ambtsbericht van de AIVD volgen. Nadat de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgereikt, zal een terugkeerprocedure worden opgestart die in beginsel is gericht op de terugkeer naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling alsnog – al dan niet gefaciliteerd door de overheid – bereid en in staat is terug te keren naar de lidstaat die hem een vergunning heeft verleend, dan wordt hij begeleid in de terugkeer naar dat land. Op dit punt wordt in dat geval ten gunste van de vreemdeling afgeweken van de richtlijn 2008/115.
### 2.5. Verwijdering van gezinsleden
De vreemdeling wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, dient Nederland binnen vier weken op eigen gelegenheid te verlaten op grond van [artikel 62, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62). De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) is geëindigd. De vreemdeling dient Nederland binnen deze termijn op eigen gelegenheid te verlaten. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.
### 4. Reisdocumenten
Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in [artikel 62, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten dan wel te bepalen dat de vreemdeling Nederland (het grondgebied van de Unie) onmiddellijk moet verlaten. De Korpschef, dan wel de Commandant der KMar kan ingevolge [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4) zelfstandig tot verkorting van de vertrektermijn besluiten.
### 4.1. Aanvragen reisdocumenten
Bij EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), is verkorting of onthouding van de vertrektermijn alleen mogelijk in naar behoren aantoonbare dringende gevallen (zie [artikel 8.24, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24) en A6/5.3.3.7). Hiervan is slechts sprake bij een actuele, werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging van de openbare orde
### 3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
De vertrektermijn kan op grond van [artikel 62, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), worden verkort of onthouden indien:
### 3.4.1. Inleiding
Bij EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), is verkorting of onthouding van de vertrektermijn alleen mogelijk in naar behoren aantoonbare dringende gevallen (zie [artikel 8.24, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24) en A6/5.3.3.7). Hiervan is slechts sprake bij een actuele, werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging van de openbare orde
Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin de asielaanvraag is afgewezen binnen de algemene asielprocedure. In deze gevallen heeft het instellen van beroep geen schorsende werking, maar heeft de vreemdeling direct aansluitend aan de algemene asielprocedure wel recht op opvang gedurende een vertrektermijn van vier weken. Tijdens deze vertrektermijn zal de DT&V reeds starten met de voorbereiding van het vertrek. Het indienen van een aanvraag voor het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument bij de diplomatieke vertegenwoordiging en indien nodig een presentatie, kunnen onderdeel uitmaken van deze voorbereiding.
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
De voorwaarden voor het verlengen van de vrijwillige vertrektermijn staan beschreven in [artikel 6.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=6.3). Het verlengen van de vrijwillige vertrektermijn is bedoeld voor de vreemdeling, die zijn terugkeermogelijkheid in de vrijwillige vertrektermijn heeft gerealiseerd, maar vanwege individuele omstandigheden tijdelijk nog niet kan vertrekken. De verlenging van de vrijwillige vertrektermijn zal daarom ook slechts voor beperkte duur plaatsvinden.
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
In het kader van een uitzetting van een vreemdeling die niet beschikt over een (geldig) reisdocument, wordt pas een (vervangend) reisdocument aangevraagd wanneer de uitzetting niet geëffectueerd kan worden op basis van een terug- of overnameovereenkomst of werkafspraken dan wel een claim op een vervoerder ([artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65)).
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de grensdoorlaatpost van uitreis
De diplomatieke vertegenwoordiging wordt, evenals andere autoriteiten van het (vermoedelijke land van herkomst), nimmer op de hoogte gesteld van het feit dat de vreemdeling eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland of in enig ander land. Er kan slechts worden aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en om die reden Nederland dient te verlaten dan wel dat hij gehouden is om medewerking te verlenen aan de voorbereiding van zijn vertrek. Voorafgaande aan de presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging zal de vreemdeling in een vertrekgesprek met de DT&V en door middel van een informatiebulletin worden geïnformeerd omtrent het feit dat hij niet is gehouden om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de reden van zijn verblijf hier te lande. Aan de vreemdeling zal een kopie worden verstrekt van de aanvraag om een (vervangend) reisdocument, zoals deze is ingediend bij de diplomatieke vertegenwoordiging.
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
Dit betekent in beginsel dat het aanvragen van een (vervangend) reisdocument, re-entry permit, of identiteitsonderzoek alsook de presentatie (in persoon) van de vreemdeling bij de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst, indien het om een asielzoeker gaat, pas dient te geschieden na een uitspraak van de rechter in beroep, of, wanneer het indienen van een rechtsmiddel geen opschortende werking heeft (hoger beroep), tot het moment waarop de rechter heeft geoordeeld over het eventuele verzoek om een voorlopige voorziening.
### 4.2.2. Afgifte van een EU-staat
In voorkomende gevallen kan het vertrek uit Nederland plaatsvinden met behulp van een EU-staat als bedoeld in de Aanbeveling van de Raad van 30 november 1994 betreffende de aanneming van een standaard-reisdocument voor de verwijdering van onderdanen van derde landen (Publicatieblad Nr. C 274 van 19/09/1996 blz. 18-19, zie [model M80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M80&z=2012-04-01&g=2012-04-01)). Dit document wordt afgegeven door de Nederlandse overheid indien de nationaliteit van de vreemdeling voldoende aannemelijk is. De EU-staat kan worden gebruikt bij terugkeer naar het land van herkomst, maar in voorkomende gevallen ook bij de terugkeer naar een ander land. Tevens kan het document worden gebruikt als ondersteunend reisdocument bij overdracht naar andere Europese landen.
### 4.3. Het inhouden van documenten
Gevaar voor moeilijkheden met het oog op doorreis, door of toelating tot, derde landen zal niet bestaan indien:
### 4.2.2. Afgifte van een EU-staat
Voor het stellen van aantekeningen in het algemeen, zie A3/5.
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
Indien inlegbladen en identiteitsdocumenten als hier bedoeld bij de vreemdelingen worden aangetroffen, dienen deze te worden ingehouden en door tussenkomst van de DT&V te worden toegezonden aan de betrokken ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Bij inname van het reis- of identiteitsdocument dient aan de vreemdeling een ontvangstbewijs te worden verstrekt (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-02-09&g=2012-02-09)) alsmede een informatiefolder te worden overhandigd.
Ten aanzien van het stellen van aantekeningen omtrent verwijdering in het reisdocument van de vreemdeling, gelden de volgende hoofdregels:
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zendt het reisdocument tijdig per aangetekende brief aan het hoofd van de betreffende grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt, onder nauwkeurige opgave van het tijdstip waarop de vreemdeling langs deze doorlaatpost/ overgave-overnamepunt zal uitreizen.
### 5.1. Algemeen
### 6.1. Algemene uitgangspunten
### 6.10. Bericht van vertrek
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
Aantekeningen omtrent verwijdering mogen nimmer worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:
### 5.1. Algemeen
Op grond van [artikel 23a, derde lid, Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23a) zal de ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, indien hij onder leiding van een meerdere optreedt, geen gebruik maken van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. Het is de inschatting van de meerdere welk hulpmiddel voor een bepaalde situatie het beste kan worden aangewend. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht te worden genomen bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting. Deze inschatting dient te worden gemaakt op het moment van of vlak voor de daadwerkelijke uitzetting.
### 6.10. Bericht van vertrek
In het algemeen zal bij ongewenstverklaring sprake zijn van zowel de onder a als b beschreven situatie (zie [artikel 8.24, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24)).
Op grond van [artikel 23b Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23b) dient de toepassing van een hulpmiddel bij uitzetting onverwijld schriftelijk te worden gemeld aan de meerdere, onder vermelding van de aard van het hulpmiddel, de redenen die tot het gebruik hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen. De meerdere ziet toe op de registratie van deze melding.
### 6.10. Bericht van vertrek
### 7.4. Afwijzing
Tijdens de asielprocedure of reguliere procedure bij adrescontrole constateren dat de woonruimte van de vreemdeling definitief verlaten is. Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
### 6.11. Bericht van ontruiming
### 7.1. Beleid
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
Indien de vreemdeling zich wendt tot de DT&V, de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar of het COA, wordt de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) doorgezonden aan de IND.
### 7.2.1.1. Procedure voor opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.4. Afwijzing
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 7.3. Inwilliging
### 3.1. Indienen van een voorstel
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
### 7.5. Rechtsmiddelen
### 7.5.1. Algemeen
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
### 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
Voor de toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wegens TBC is geen advies van het BMA nodig en is evenmin een toestemmingsverklaring [M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01) vereist. TBC wordt vastgesteld door overlegging aan de IND van een gedagtekende verklaring van een GG&GD-arts. Deze verklaring dient te vermelden dat de betrokkene TBC heeft en wat de te verwachten behandeltermijn is. De verklaring mag niet ouder zijn dan twee weken.
### 2. Gronden voor ongewenstverklaring
### 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
### 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen
### 3.3. Uitreiking van de beschikking
De IOM in Nederland bemiddelt bij het zelfstandig vertrek of hervestiging van vreemdelingen die Nederland willen verlaten en biedt daartoe het REAN-programma aan. Het REAN-programma is gericht op de uitvoering van een humaan en effectief beleid voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging van bepaalde categorieën vreemdelingen. Om dit doel te bereiken, gebaseerd op haar mandaat en afhankelijk van de beschikbare middelen, heeft de IOM-missie in Nederland tot taak voorlichting te geven, aanvragen voor vertrek in behandeling te nemen, de reis te arrangeren en het vertrek te begeleiden. Indien het vertrek of de hervestiging feitelijk kan worden gerealiseerd, draagt de IOM ook zorg voor het uitkeren van financiële bijdragen voor de zelfstandige terugkeer of hervestiging in een derde land. Voorts kan de IOM voor bepaalde categorieën vertrekkers, zoals Amv’s, specifieke voorzieningen treffen.
### 6.1. Algemene uitgangspunten
Uitzetting vindt plaats:
### 6.10. Bericht van vertrek
Uitgeprocedeerde Amv’s ten aanzien van wie geen twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en van wie de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het bijzondere beleid inzake Amv’s is geweigerd, komen in aanmerking voor voorzieningen in Nederland totdat het vertrek geëffectueerd wordt zolang zij nog minderjarig zijn.
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
De toegang tot het Nederlands grondgebied van een onderdaan van de EU/ EER of van Zwitserland die voor de behandeling van een bezwaarschrift, beroepschrift, dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen de beëindiging van het rechtmatig verblijf, geen gemachtigde heeft gesteld, wordt hangende de procedure niet geweigerd, tenzij:
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
De uitzetting van een onderdaan van de EU/EER of van Zwitserland, die na beëindiging van het verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of gezondheid, tijdig een voorlopige voorziening heeft ingediend blijft achterwege. Hierop zijn de volgende uitzonderingen mogelijk (zie [artikel 8.24, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24)):
### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
Op grond van [artikel 23a, derde lid, Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=23a) zal de ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, indien hij onder leiding van een meerdere optreedt, geen gebruik maken van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. Het is de inschatting van de meerdere welk hulpmiddel voor een bepaalde situatie het beste kan worden aangewend. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht te worden genomen bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting. Deze inschatting dient te worden gemaakt op het moment van of vlak voor de daadwerkelijke uitzetting.
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
Middels [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-02-09&g=2012-02-09) worden aan de KMar of ZHP vooraf alle omstandigheden gemeld, waaronder het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht.
### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
Ambtenaren van de KMar begeleiden de doorgeleiding. Zij moeten daarbij in alle omstandigheden de regelgeving van de aangezochte lidstaat naleven. Zij hebben derhalve geen verdergaande bevoegdheden dan de betreffende regelgeving toelaat. De begeleiders dragen tijdens de doorgeleiding door de lucht geen wapens en zijn gekleed in burgerkleding. Op verzoek dienen zij passende identificatiemiddelen te overleggen, waaronder de toestemming voor doorgeleiding die door de aangezochte lidstaat is afgegeven, of, in voorkomende gevallen, een kennisgeving van doorgeleiding.
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
De informatie over het gedrag van de vreemdeling opgenomen in de checklist/ geleidebrief (zie [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-02-09&g=2012-02-09)) dient bij deze inschatting te worden betrokken. De gezagvoerder van het luchtvaartuig dient vooraf, in een zo vroeg mogelijk stadium, te worden geïnformeerd in geval van aanwending hulpmiddelen bij het aan boord brengen van de vreemdeling. Na het sluiten van de vliegtuigdeuren kan enkel in overleg met en na toestemming van de gezagvoerder van het luchtvaartuig worden overgegaan tot het aanwenden van hulpmiddelen.
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
Op grond van artikel 19, derde lid, of artikel 20, eerste lid, onder d, [Verordening 343/2003](32003R0343) wordt de vreemdeling, zodra het praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening – wanneer dit opschortende werking heeft – overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Ingevolge artikel 19, vierde lid, of artikel 20, tweede lid, [Verordening 343/2003](32003R0343) kan de termijn tot overdacht tot maximaal één jaar worden verlengd indien de overdracht wegens detentie niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd. De termijn tot overdracht kan tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon worden uitgevoerd wegens onderduiking van de asielzoeker.
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
De regeling voor inbewaringstelling van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) is van toepassing (zie A6/5.3.3.6).
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
Verwijderde vreemdelingen kunnen worden gesignaleerd in het (N)SIS of het OPS, zie hiervoor A3/9. De vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar dient hiertoe een voorstel tot signalering in bij de IND (model [M93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M93&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
### 6.10. Bericht van vertrek
Verwijdering met de sterke arm uit Nederland van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling (inclusief Dublinclaimanten en personen vallende onder andere overdrachtsovereenkomsten). Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
### 7.2. Procedure
In een aantal gevallen is uitzetting niet mogelijk, omdat de vreemdeling niet langer op zijn woonadres verblijft. Wanneer dit na een adrescontrole of op andere wijze duidelijk is gebleken, dient de vreemdelingenpolitie een bericht te zenden aan de IND en de DT&V (zie model [M100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M100&z=2012-04-01&g=2012-04-01)). De in dit formulier opgenomen rubrieken dienen zo volledig mogelijk te worden ingevuld. De vreemdelingenpolitie doet hierbij een voorstel tot signalering (zie A3/9). Hierbij is van belang dat nagegaan wordt door de IND of de vreemdeling inmiddels rechtmatig verblijf heeft gekregen.
### 7.1. Beleid
Voor de wijze waarop de familierechtelijke relatie en het feitelijke behoren tot het gezin wordt aangetoond, wordt verwezen naar [C14/6.2](onbekend). In het kader van deze regeling behoeven officiële documenten, waarmee de familierechtelijke relatie wordt aangetoond, niet gelegaliseerd te zijn door de Minister van BuZa.
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
De uitzetting blijft op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) achterwege indien de medisch adviseur aangeeft dat:
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
[Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) betreft een tijdelijke maatregel, enkel gericht op de opschorting van de uitzetting en/of de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Artikel 64 Vw geeft rechtmatig verblijf, maar geen verblijfsvergunning.
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
Een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen en het rechtmatig verblijf ex [artikel 8, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) toe te kennen, wordt echter afgewezen ingeval het inreisverbod is gegeven met toepassing van [artikel 66a, zevende lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a).
### 7.3. Inwilliging
Een beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is, gelet op [artikel 1:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), een aanvraag in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). De aanvraag wordt, met uitzondering van de procedure beschreven in A4/7.2.1.1, schriftelijk gedaan bij de IND en dient steeds onderbouwd te zijn met alle gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling van de vraag of de uitzetting gelet op de gezondheid van betrokkene kan worden geëffectueerd.
### 7.3. Inwilliging
Indien er geen medische stukken ter onderbouwing van de aanvraag worden ingediend en een ingevulde toestemmingsverklaring (zie [model M39-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) ontbreekt, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld binnen een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen en dit verzuim te herstellen. Indien de vreemdeling hier niet aan voldoet, kan de aanvraag worden afgewezen.
### 7.2. Procedure
Indien de IND de ontvangen stukken als compleet heeft beoordeeld, wordt de gesloten envelop met de medische gegevens naar het BMA gezonden. Tevens wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om ongeveer twee weken later een aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in persoon in te dienen bij de IND. Pas op het moment dat de aanvraag formeel is ingediend gaat de beslistermijn, ingevolge de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), lopen.
### 7.2.1.2. Medische aspecten parallel aan de asielprocedure
Voor opvolgende asielaanvragen die in de algemene asielprocedure kunnen worden afgewezen geldt de parallelle procedure in beginsel niet. Voor deze vreemdelingen staat de procedure zoals beschreven in A4/7.2.1.1 open. Bij opvolgende asielaanvragen die in de verlengde procedure worden afgedaan, bestaat wel de mogelijkheid om een parallelle procedure te voeren, indien de hierboven in deze paragraaf genoemde documenten zijn overgelegd. Zie ook [C14/5](onbekend).
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
Bij de beoordeling van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen wordt indien nodig door de IND de medisch adviseur van het BMA geraadpleegd. De IND zendt de voor het opstarten van een medisch advies relevante stukken naar het BMA met het verzoek om een advies uit te brengen. Het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door de medisch adviseur van het BMA dan wel een andere arts die door de medisch adviseur hiertoe wordt ingeschakeld.
### 7.2.1.2. Medische aspecten parallel aan de asielprocedure
Het indienen van een aanvraag om [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe te passen schort de vertrekplicht niet op. In afwachting van de beslissing op de aanvraag, heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf ex [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 7.3.2. Inwilliging in de parallelle procedure in afwachting van definitieve besluitvorming
De IND informeert de DT&V dat de uitzetting tijdelijk achterwege wordt gelaten. Ingeval de vreemdeling aanspraak wenst te maken op de Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA.
### 3.2. Voorbereiding
In de gevallen waarin [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) voor de duur van minder dan zes weken wordt toegepast, wordt de vreemdeling enkel in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw.
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
Indien de vreemdeling beschikt over een ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) vereist geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door de IND een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) geplaatst, onder vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
Vreemdelingen in vreemdelingenbewaring komen niet in aanmerking voor toepassing [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van de definitieve besluitvorming.
### 3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring
Indien de vreemdeling beschikt over een ingevolge de Vw vereist geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door deIND een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) geplaatst, onder vermelding van de duur van de opschorting van vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden.
### 4. Opheffing van de ongewenstverklaring
In geval dat wordt geoordeeld dat de behandeling van het eerste, tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag worden afgewacht, wordt de vreemdeling of zijn raadsman hiervan aanstonds in beginsel schriftelijk op de hoogte gebracht. Uiteraard is het aan de rechtbank om te beoordelen of de uitzetting doorgang vindt, dan wel dat er door middel van een spoedprocedure op het verzoek van de vreemdeling zal worden beslist.
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
De beslissing op de asielaanvraag en de ambtshalve toets aan [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) worden indien mogelijk in de algemene asielprocedure en in ieder geval in de verlengde asielprocedure in een meeromvattende beschikking geslagen. Wanneer de vreemdeling ten behoeve van de beslissing op het asielverzoek in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven op het voornemen om de uitzetting niet op grond van artikel 64 Vw achterwege te laten, staat tegen de beschikking het rechtsmiddel beroep open.
### 7.6. Procedure bij zwangerschap/bevalling
Bij zwangerschap blijft de uitzetting per vliegtuig achterwege gedurende de periode van zes weken voor tot zes weken na de bevalling. Dit is de periode van zes weken vanaf de eerste dag dat de bevalling blijkens een verklaring van een arts of verloskundige, aangevend de vermoedelijke datum van bevalling, binnen zes weken is te verwachten tot zes weken na de bevalling.
### 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen
Indien sprake is van verdenking van TBC, zal de uitzetting van vreemdelingen in beginsel worden opgeschort tot het onderzoek naar TBC is voltooid.
### 1. Inleiding
Ten aanzien van andere procedurele bepalingen zij hierbij verder verwezen naar A4/7.3 en [B1/4.5](onbekend).
### 5. Ongewenstverklaring
De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of andere openbare lichamen kunnen op de vreemdeling zelf worden verhaald (zie [artikel 66 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66), juncto [artikel 6.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.4)). Voorzover deze minderjarig is, kunnen deze kosten worden verhaald op diegenen die het wettig gezag over hem uitoefenen. Aangezien het effectueren van deze verhaalsbevoegdheid niet tegen de uitdrukkelijke wil van de vreemdeling mag plaatsvinden, dient de vreemdeling een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen invordering van de noodzakelijke kosten van uitzetting door de vreemdelingenpolitie. Indien de vreemdeling wel bezwaar heeft tegen de effectuering van de verhaalsbevoegdheid dan kan de weg bewandeld worden om deze verhaalsbevoegdheid juridisch af te dwingen (civiele procedure). Voor de te volgen procedure kan contact opgenomen worden met de IND.
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
In A2/7.1.3 is de terugvoerplicht voor vervoerders nader uitgewerkt.
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
Uitgangspunt is dat de kosten van uitzetting ten laste van de uit te zetten vreemdelingen dienen te worden gebracht. Daarbij dient zo veel mogelijk gebruik te worden gemaakt van gegeven garanties of gedeponeerde gelden of reisbiljetten. Bovendien kunnen, in geval de vreemdeling niet kan betalen, de kosten van zijn uitzetting verhaalbaar zijn op derden.
### 9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
De afdeling SIRENE vraagt onmiddellijk aan de buitenlandse autoriteit ten spoedigste te berichten of een uitleveringsverzoek zal worden ingediend. Het antwoord van de buitenlandse autoriteit wordt door de afdeling SIRENE zo spoedig mogelijk ter kennis van de Korpschef of de Commandant der KMar gebracht. Het verdient bovendien aanbeveling aanstonds contact op te nemen met het Ministerie van V&J. Het Ministerie van V&J zal het uitleveringsverzoek van de buitenlandse autoriteit ontvangen en in behandeling nemen.
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 1. Het inreisverbod
De signalering tot ongewenst vreemdeling is een uitvoeringsmaatregel die genomen wordt in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid. Deze signalering wordt toegepast ten aanzien van de vreemdeling aan wie geen inreisverbod ex [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan worden opgelegd en op wie evenmin de maatregel ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) van toepassing is (zie A3/9.2.3)
### 2. Het inreisverbod ([artikel 66a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a))
Daarnaast kan op grond van [artikel 66a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) een inreisverbod worden opgelegd aan de vreemdeling, niet zijnde een gemeenschapsonderdaan, die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.
### 4.1. Inleiding
Door middel van [artikel 66a, zevende lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) wordt gewaarborgd dat de rechtsgevolgen van het inreisverbod voor het rechtmatig verblijf vergelijkbaar zijn met de gevolgen voor het rechtmatig verblijf in geval de vreemdeling ongewenst (ex [art. 67 VW2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)) zou zijn verklaard. Voor het overige is gewaarborgd dat het inreisverbod in vergelijkbare gevallen kan worden gegeven als waarin een ongewenstverklaring kan worden gegeven, doordat in het zevende lid de gronden voor de ongewenstverklaring, beschreven in artikel 67, eerste lid, onder b tot en met e, zijn overgenomen in artikel 66a, zevende lid, onderdelen a tot en met d.
### 1. Algemeen
### 2.1. Voorwaarden
### 2.2. Geen rechtmatig verblijf
### 4.3. De inhoud van de aanvraag
Een inreisverbod kan wel uitgevaardigd worden bij uitreis uit Nederland.
### 4.2. De vorm van de aanvraag
Het inreisverbodhoeft niet altijd gelijktijdig met het terugkeerbesluit gegeven te zijn. Het kan zijn dat het terugkeerbesluit al in het verleden aan de vreemdeling is gegeven, terwijl hij sindsdien geen gehoor heeft gegeven aan de uitvoering van zijn terugkeerbesluit. In die situatie wordt het terugkeerbesluit aangevuld met een inreisverbod.
### 2.1. De maatregelen op grond van artikel 6 Vw
De maximale duur van het inreisverbod is afhankelijk van het bepaalde in [artikel 6.5a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a). In dit artikel is reeds verdisconteerd de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan. Om die reden wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb staan genoemd.
### 6. Procedurele aspecten
Op grond van [artikel 66a, achtste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) kan om humanitaire of andere redenen worden afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Daarom is het belangrijk dat de vreemdeling in staat gesteld wordt een reactie te geven op het voornemen om hem een inreisverbod op te leggen.
### 6.3. Uitvaardiging van een inreisverbod door vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar
Om te voldoen aan de verplichting die is neergelegd in de Richtlijn Terugkeer om de duur te bepalen volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval is in [artikel 6.5a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a) opgenomen dat de duur niet meer mag bedragen dan de daar vermelde maximumduur, die afhankelijk is van de reden waarom het inreisverbod wordt opgelegd.
### 5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
In de volgende gevallen vaardigt de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar een inreisverbod uit:
### 6.3.2. Voorbereiding
Van belang is ook dat de vreemdeling de strekking en de gevolgen van het op te leggen inreisverbod begrepen heeft en daarop zijn zienswijze heeft kunnen geven.
### 6.3.3. De beschikking
Nadat de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar de vreemdeling heeft geïnformeerd over het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt de vreemdeling overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie [B1/9.7.2](onbekend)).
### 4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
### 4.4. Beoordeling van de aanvraag
### 2.3. Strafbaarheid
Daarnaast wordt ook geen inreisverbod uitgevaardigd, als:
### 4. Inreisverbod niet zonder terugkeerbesluit
### 6.3.1. Algemeen
Bij een voorstel tot het geven van een inreisverbod onder toepassing van [artikel 66a, lid 7, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) worden in ieder geval alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de IND gezonden. Het verdient aanbeveling dat de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar, in een zo vroeg mogelijk stadium berichten omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat zij niet wachten tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. Ten behoeve van de afstemming tussen de betrokken ketenpartners zijn in dit kader werkafspraken vastgelegd in het protocol VRIS (zie A4/10.1).
### 6.4.4. Uitreiking van de beschikking
### 6.4.3. De beschikking
### 6.4.5. Signalering in het (N)SIS
### 6.5. Het inreisverbod door de IND
### 6.4.1. Inleiding
Het inreisverbod wordt per beschikking uitgevaardigd. In de beschikking moet naar voren komen hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht overeenkomstig [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) en hoe de verklaringen van de vreemdeling zijn meegewogen.
### 6.4.2. Voorbereiding
Naast de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar kan ook de IND uitvoering geven aan de hoorplicht. Hierbij valt te denken aan de situatie waarin bij de afhandeling van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier een inbreuk op de openbare orde wordt geconstateerd, welke dermate ernstig is dat een inreisverbod ex [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) is geïndiceerd. Het vorenstaande laat onverlet dat er situaties kunnen zijn, waarin horen door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar desalniettemin meer voor de hand ligt.
### 6.4.3. De beschikking
Het origineel van deze beschikking wordt aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar. Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en het overtreden ervan.
### 6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
De IND draagt er dan wel zorg voor toepassing te geven aan hetgeen gesteld is in paragraaf 6.4.2. Indien overwogen wordt om een inreisverbod te geven bij de afwijzing van een asielaanvraag, dan kan het voornemen tot het geven van een inreisverbod worden meegenomen in de voornemenprocedure.
### 6.5.2. De beschikking en de uitreiking van de beschikking
Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.
### 6.6. Bezwaar en beroep
Het stellen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Indien door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land zou worden bemoeilijkt, mag de aantekening omtrent het inreisverbod niet in het document voor grensoverschrijding worden aangetekend (zie [artikel 4.35a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.35a)). De hier bedoelde aantekening luidt: ‘inreisverbod uitgevaardigd op (datum beschikking Minister)’. Aantekeningen mogen nimmer worden geplaatst in de grensoverschrijdingsdocumenten of identiteitsbewijzen van asielzoekers (zie A3/5.2.1).
### 6.8. Signalering in verband met het inreisverbod
Op grond van [artikel 3.103b, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103b) wordt een inreisverbod geregistreerd in het Schengen Informatiesysteem. Hiervoor wordt verder verwezen naar A3/9.
### 6.9. Strafbare feiten
Een opgelegde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie [artikel 37 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie [artikel 38m WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m)) dan wel een inrichting voor jeugdigen (zie [artikel 77h, vierde lid, onder a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h)) alsook ter beschikkingstelling (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
### 1.3. Aanmelding vreemdeling
Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland een inreisverbod worden opgelegd. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
### 6.4.2. Vorm van de aanvraag
### 6.5.1. Algemeen
### 6.7. Stellen van aantekeningen
### 7. Opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod
Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen bij de uitzetting van een vreemdeling wordt een aanmeldformulier vreemdeling (zie [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-01-01&g=2012-01-01)) opgemaakt. Het ingevulde formulier geeft informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te doen verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) en dient de vreemdeling te begeleiden van het moment van ingang van de vrijheidsontnemende maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen dienen terstond te worden aangebracht.
### 6.9. Strafbare feiten
Ingevolge [artikel 66b, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66b) kan ambtshalve dan wel op aanvraag worden beslist tot opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod. De redenen voor een mogelijke opheffing staan beschreven in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b).
### 2. Toegang
Tevens geldt dat op grond van [artikel 6.5, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5), het inreisverbod wordt opgeheven, indien zich een van de gevallen uit het tweede lid van artikel 6.5 Vb voordoet, tenzij er sprake van is dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid (artikel 6.5, vierde lid, Vb)
### 1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen
Een verzoek om opheffing van een inreisverbod dat is gegeven op grond van een ernstig gevaar voor de nationale veiligheid, als bedoeld in [artikel 6.5a, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a), kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds het inreisverbod en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de AIVD kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een ernstig gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal het inreisverbod worden gehandhaafd door het te verlengen. De signalering wordt in dat geval gehandhaafd.
### 5.2.2. De toepassing
Het inreisverbod is niet van toepassing op:
### 10. Ongewenstverklaring
Onderstaande paragraaf is van toepassing op die vreemdelingen, aan wie op grond van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) geen inreisverbod kan worden uitgevaardigd.
### 10.1. Inleiding
De ongewenstverklaring betreft een administratieve maatregel die ten doel heeft bepaalde vreemdelingen, aan wie het niet of niet langer is toegestaan in Nederland te verblijven, uit ons land te weren.
### 3. Verblijf
Verstekelingen (met uitzondering van de asielzoekers) dienen zoveel mogelijk geplaatst te worden aan boord van het schip waarvan zij afkomstig zijn. Deze plaatsing geschiedt op grond van [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) en [artikel 65 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=65).
### 3.4. De toepassing
Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108)). Er moet een proces-verbaal zijn opgemaakt of sprake zijn van een transactie dan wel een uitgevaardigde strafbeschikking ter zake van de gepleegde overtredingen, om bij de tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan. Bij het opmaken van een (eerste) proces-verbaal wordt de vreemdeling tegelijkertijd gewaarschuwd dat, indien hij nogmaals een overtreding in het kader van de Vw begaat, zijn ongewenstverklaring zal worden voorgesteld. Van deze waarschuwing wordt een aantekening in de vreemdelingenadministratie gemaakt.
### 5.2.4. Bijstand van een raadsman
Het betreft hier vreemdelingen van wie het verblijfsrecht wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd conform het hiervoor geldende beleid. Het kan hier gaan om zowel intrekking als het niet-verlengen van de verblijfsvergunning (zie [B1/5.3.6](onbekend), [C5/3](onbekend), [C8/3](onbekend) en [C8/5](onbekend)).
### 2.7. De duur
Het betreft hier vreemdelingen die niet rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning noch op basis van het Gemeenschapsrecht, de Overeenkomst EG-Zwitserland of het Associatiebesluit 1/80 hier te lande verblijven. Niet is vereist dat deze vreemdelingen zich feitelijk in Nederland bevinden.
### 2.6. De tenuitvoerlegging
Een opgelegde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie [artikel 37 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) of in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie [artikel 38m WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m)) dan wel een inrichting voor jeugdigen (zie [artikel 77h, vierde lid, onder a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h)) alsook ter beschikkingstelling (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend.
### 2.8. De beëindiging
Voor zover deze vreemdelingen een aanvraag indienen of hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning of afgifte van een mvv, wordt die aanvraag afgewezen (zie [B1/4.4.1](onbekend)).
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
Daarbij wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Hiertoe wordt een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de vreemdeling en het belang van de Staat. De omstandigheden die bij deze belangenafweging worden betrokken zijn opgenomen in [B2/10.2.3](onbekend).
### 10.3. Procedurele aspecten
Aan de hoorplicht ingevolge de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wordt in beginsel door de vreemdelingenpolitie uitvoering gegeven.
### 4.3.2. De bevoegdheid
Uit de door de vreemdelingenpolitie of de KMar aan de IND gezonden bescheiden dient duidelijk naar voren te komen of en hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht ingevolge [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8). Bij voorkeur is van het gehoor een proces-verbaal opgemaakt.
### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
### 3.4. De toepassing
Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar tevens een brochure in een voor de betrokkene begrijpelijke taal met betrekking tot de ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) verstrekt. Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
### 4.1. Algemeen
De IND geeft in beginsel uitvoering aan de hoorplicht in andere dan de genoemde situaties. Hierbij valt te denken aan de situatie waarin bij de afhandeling van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier een inbreuk op de openbare orde wordt geconstateerd, welke dermate ernstig is dat ongewenstverklaring van de vreemdeling ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) is geïndiceerd. Het vorenstaande laat onverlet dat er situaties kunnen zijn, waarin horen door de vreemdelingenpolitie of de KMar desalniettemin meer voor de hand ligt.
### 10.3.3. uitreiking van de beschikking
Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaarschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie [artikel 6:16 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:16)).
### 4.3.2. De bevoegdheid
[Artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) geeft de bevoegdheid om de vrijheid van beweging van bepaalde categorieën vreemdelingen op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid te beperken (zie ook [artikel 5.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1) en [artikel 5.2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=5.2)).
### 4.3.4. De beëindiging
Bij de vaststelling van de bovengrens is er vanuit gegaan dat na het verstrijken van de termijn het gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (in aanvaardbare mate) is geweken dan wel dat het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, in redelijkheid dient te wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling.
### 7.4.1. Algemeen
### 7.4.2. Verzoek om opheffing inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid
### 10.2. Gronden voor ongewenstverklaring
Nadat de vreemdeling tweemaal een bij [artikel 108 van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gesteld feit heeft begaan, wordt zijn ongewenstverklaring voorgesteld aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal. Het kan bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, betreffen overtredingen van de [artikelen 4.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37), [4.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.38) en [4.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.39).
### 4.3.1. Het doel
### 4.3. Het beperken van de bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)
### 4.2. Het staandehouden en ophouden op grond van artikel 50 Vw
### 10.3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring
In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
### 10.4.1. Inleiding
Bij de aanvraag dient de vreemdeling in ieder geval de volgende informatie te leveren (zie [artikel 6.6 vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6)):
Indien zwaarwegende belangen zich naar het oordeel van onze Minister verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, bedraagt deze termijn tien jaren (zie [artikel 6.6, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6)). Toepassing hiervan vergt een afweging tussen de rechtstreeks in het geding zijnde individuele belangen.
### 5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond
### 5.2.5. De duur
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
In het geval de ongewenstverklaarde vreemdeling in Nederland wenst te verblijven bij familie- en gezinsleden waarvan één of meer rechtmatig verblijf hebben, wordt beoordeeld of het niet-opheffen van de ongewenstverklaring strijdig is met artikel 8 EVRM. Dit betekent dat beoordeeld wordt of op de Nederlandse Staat de verplichting rust om het bestaand familie- en gezinsleven hier te lande mogelijk te maken.
### 5. Uitzetting
Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, zal hij niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling wordt het bepaalde in [C2/3](onbekend) betrokken.
### 10.4.4. Beoordeling van de aanvraag
Indien de toets onder a. leidt tot een bevestigend antwoord, kan dit leiden tot de proportionaliteitstoets onder b. Hiervoor dient de vreemdeling aannemelijk te hebben gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Aan de hand van deze door de vreemdeling aangedragen elementen wordt beoordeeld of het handhaven van de ongewenstverklaring disproportioneel is.
### 5.3.2. De bevoegdheid
Instandhouding van de ongewenstverklaring, terwijl de vreemdeling op grond van deze bepalingen in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zou een schending opleveren van Richtlijn 2004/83/EG.
### 10.4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:
### 10.5.1. Inleiding
Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring ingevolge [artikel 6.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.7) kan slechts plaatsvinden in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
### 10.5.2. Vorm van het verzoek
De IND beslist op een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring. Indien de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen bezwaar maken. Indien de aanvraag wordt ingewilligd wordt de signalering “ONGEW” uit de systemen verwijderd (zie A3/9.2).
### 10.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
Vreemdelingenbewaring is een maatregel die ten doel heeft de uitzetting van een vreemdeling te effectueren. Indien een vreemdeling niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dient hij in beginsel Nederland zelf te verlaten. Doet hij dat niet, dan vindt uitzetting plaats. Op deze wijze bestaat er een directe relatie tussen de vreemdelingenbewaring en het terugkeerbeleid. Mede vanwege het ingrijpende karakter is ook deze maatregel met strikte waarborgen omkleed.
### 5.3.2. De bevoegdheid
Het verzoek dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
### 10.6.1. Inleiding
[Artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Het gaat hier om:
### 10.5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
Er dient sprake te zijn van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving door uitsluitend de persoonlijke gedragingen van de EU-/EER-onderdaan, de Zwitserse onderdaan en zijn familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) (zie [artikel 8.22, eerste lid, sub a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22)).
### 10.6. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
Bij de voorbereiding van de beschikking tot beëindiging van het rechtmatig verblijf dienen in overweging te worden genomen (zie artikel 28, eerste lid, Richtlijn 2004/38):
### 10.6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring
Zie voor de procedurele aspecten met betrekking tot de ongewenstverklaring A5/3.
### 10.6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsdbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van de vreemdeling. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd (zie artikel 27, tweede lid, Richtlijn 2004/38).
### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Indien dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, kan echter weer wel tot beëindiging van het rechtmatig verblijf en tot ongewenstverklaring worden overgegaan.
### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Het staat de vreemdeling uiteraard vrij andere dan de hierboven genoemde gegevens en bescheiden te overleggen ten bewijze van het feit dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen.
### 5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
De beschikking op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag (zie [artikel 8.22, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22)).
### 6. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Ten aanzien van vreemdelingen van wie de tweede of volgende asielaanvraag met toepassing van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) in de algemene asielprocedure is afgewezen omdat geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht wordt zo spoedig mogelijk na bekendmaking van de afwijzende beschikking beoordeeld of bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) zal worden toegepast. Indien de hier bedoelde vreemdeling zich eerder gedurende enige tijd heeft ontrokken aan toezicht weegt het belang van de openbare orde in beginsel zwaarder dan het individuele belang van de vreemdeling. Voor de beoordeling van tweede of herhaalde aanvragen wordt verwezen naar [C14/4](onbekend).
### 5.3.4.1. Het gehoor
Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie [artikel 75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) en [77 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=77)).
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is in veel gevallen het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren kan de overheid gebruik maken van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen.
### 1.2.1. Mededeling aan de IND
Op verzoek van de vreemdeling wordt zo spoedig mogelijk mededeling van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) gedaan aan zijn naaste verwanten en aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.
### 1.1. Overzicht vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
De in de vorige alinea’s vermelde verplichting rust op de ambtenaar die de maatregel oplegt.
### 1.2.1. Mededeling aan de IND
Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) kan de vreemdeling voor korte duur naar elders (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, indien dit redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). De opdracht tot lichten kan door een hulpofficier van justitie gegeven worden. Van deze mogelijkheid kan gebruik gemaakt worden bijvoorbeeld om de vreemdeling te horen of te presenteren bij een diplomatieke vertegenwoordiging in verband met de uitvoering van de Vw. Hierbij dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:
### 1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen
Indien het voornemen bestaat een uitzondering te maken op a – c vindt overleg tussen de inbewaringstellende instantie en de DT&V plaats.
### 1.6. gezinnen met minderjarige kinderen
In [artikel 59, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt aangegeven hoe lang de maatregel van bewaring mag duren. Daarbij is het volgende onderscheid gemaakt:
### 5.3.7.1. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie
Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden (zie A6/4.3.5). Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.
### 2.3. De bevoegdheid
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen meldt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na inbewaringstelling aan bij DJI.
### 5.3.6. De tenuitvoerlegging
De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, kan de maatregel van [artikel 6, eerste en/of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) opgelegd worden. Voor de toepassing van deze maatregel bij deze categorie vreemdelingen wordt verwezen naar [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend).
### 5.3.6.3. Declaratie van de kosten van bewaring in een politiecel
[Artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geeft aan dat aan de vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, de verplichting opgelegd kan worden om zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Deze ruimte kan ingevolge het tweede lid worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is in ieder geval geïndiceerd wanneer naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de aanwijzing om zich op te houden in de bedoelde ruimte of plaats en/of omdat aspecten van openbare orde of nationale veiligheid dit vorderen. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel indienen of hebben ingediend, wordt verwezen naar A6/2.5 en [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend). De vrijheidsbeneming zal dan een aanvang nemen in een gebouw van de grensdoorlaatpost of een politiebureau. Daarna zal de vreemdeling met een nieuwe beschikking geplaatst moeten worden in een inrichting waar het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848) (Stb. 1993, nr. 45) van toepassing is. Dient deze vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in dan dient gehandeld te worden zoals hierna vermeld.
### 5.3.6.3. Declaratie van de kosten van bewaring in een politiecel
Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van [artikel 6, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) geldt geen regime.
### 5.3.7. Het strafrecht en bewaring
Indien tenminste één van de gezinsleden een asielaanvraag indient en deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure kan worden afgedaan, zal de vrijheidsontnemende maatregel worden toegepast gedurende de asielprocedure. Zie [C9/2.1.1.1](onbekend) en [2.1.1.2](onbekend) voor de toepassing van de maatregel op grond van [artikel 6, eerste of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) bij vreemdelingen die de toegang tot Nederland zijn geweigerd en die een asielaanvraag indienen. Zie A6/2.7 voor de duur van de maximale termijn die geldt bij vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarige kinderen.
### 2.5. De vorm
De maatregel en de duur daarvan zal, mede gelet op het bepaalde in [artikel 94 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94), binnen 42 dagen getoetst worden door de rechtbank. De rechtbank zal alsdan toetsen of de maatregel voldoet aan het gestelde doel en of de maatregel bij afweging van alle belangen gerechtvaardigd is.
### 2.6. De tenuitvoerlegging
De maximale termijn van de vrijheidsontneming mag slechts worden overschreden indien door toedoen van (één van) de gezinsleden een binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden. Hiervan is sprake indien de uitzetting niet mogelijk is gebleken door fysiek verzet van de vreemdeling dan wel indien de vreemdeling in bewaring een nieuwe procedure start met als kennelijk doel de uitzetting te belemmeren.
### 2.8. De beëindiging
De vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel eindigt wanneer de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, dan wel de maatregel opgeheven wordt. Indien de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of schip niet het Nederlands grondgebied heeft verlaten (bijvoorbeeld door verzet van de vreemdeling), blijft de oorspronkelijk opgelegde maatregel van kracht. Er wordt geen nieuwe plaatsingsbeschikking genomen. Ook de oorspronkelijke toegangsweigering blijft van kracht.
### 2.7. De duur
De maatregel en de duur daarvan zal, mede gelet op het bepaalde in [artikel 94 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94), binnen 42 dagen getoetst worden door de rechtbank. De rechtbank zal alsdan toetsen of de maatregel voldoet aan het gestelde doel en of de maatregel bij afweging van alle belangen gerechtvaardigd is.
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
Het overtreden van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108). Gedurende de tijd dat de vreemdeling zich niet beschikbaar hoeft te houden voor het onderzoek kan hij zich buiten de aangewezen plaats begeven. In dat geval overtreedt hij niet het voorschrift van [artikel 55 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55).
### 6.2. Beroep bij de rechtbank
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij de rechtbank Den Haag. Daarbij moet een afschrift van de bestreden beschikking overgelegd worden.
### 6. Rechtsmiddelen
Voorzover de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning een aanvraag van een asielzoeker betreft, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvanglocatie zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet ophouden. Hij doet dit zowel mondeling als schriftelijk. Hiertoe wordt het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09) gebruikt. De aanwijzingen betreffen in ieder geval datum, tijdstip en plaats van aanwijzing. Daarnaast kunnen vervolgaanwijzingen worden gegeven met betrekking tot het verschaffen van extra informatie, het uitreiken van het rapport van gehoor of de beschikking. Het model [M117-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M117-A&z=2012-02-09&g=2012-02-09) doet tevens dienst als proces-verbaal van uitreiking.
### 6.4. Schadevergoeding
De beschikbaarheidsverplichting houdt in dat de vreemdeling bereikbaar is op een woon- of verblijfplaats zodat hij kan worden opgeroepen voor een gehoor of om in kennis gesteld te worden van voor hem relevante beslissingen. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling die opgeroepen is voor een bepaalde datum (en tijd), in de tussenliggende periode met inachtneming van zijn meldingsplicht (en de huisregels van het centrum), zich naar een andere plaats in Nederland mag begeven.
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
De beschikbaarheidsverplichting houdt in dat de vreemdeling bereikbaar is op een woon- of verblijfplaats zodat hij kan worden opgeroepen voor een gehoor of om in kennis gesteld te worden van voor hem relevante beslissingen. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling die opgeroepen is voor een bepaalde datum (en tijd), in de tussenliggende periode met inachtneming van zijn meldingsplicht (en de huisregels van het centrum), zich naar een andere plaats in Nederland mag begeven.
### 4.3.1. Het doel
Indien uit informatie van de rechtbank blijkt dat de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk dient te worden opgeheven, informeert de IND onverwijld de DT&V. De maatregel dient onverwijld door een daartoe bevoegd ambtenaar van de Vreemdelingenpolitie, de Kmar of de DT&V te worden opgeheven onder gebruikmaking van het [Model M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2011-10-01&g=2011-10-01). De vreemdeling wordt dus niet zonder voorafgaande opheffing heengezonden. Indien in de inrichting waar de vreemdeling zich bevindt geen tot opheffing bevoegde ambtenaar aanwezig is, kan een wel bevoegde ambtenaar een schriftelijk verzoek om invrijheidstelling richten aan de directeur, vergezeld van een Model M113. Voorts kan de directeur van de inrichting verzocht worden om de vreemdeling een mededeling te doen omtrent melding of vertrek. Een afschrift van het opheffingsbewijs (zie Model M113) dient naar de DT&V te worden verzonden.
### 1. Inleiding
De Korpschef kan deze bevoegdheid alleen ondermandateren aan een ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)).
### 4.3. Het beperken van de bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)
De beperking van vrijheidsbeweging kan niet toegepast worden ten aanzien van vreemdelingen die voor onbepaalde tijd in Nederland verblijven. Als gevolg van de goedkeuring van het vierde Protocol bij het EVRM (Trb. 1964, 15 en 1969, 241, TK 1980-1981, 15 396 [R 1110], nr. 6) kan deze maatregel ook niet opgelegd worden aan personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen (zie [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en [B10](onbekend)).
### 7. Overgangsrecht
De bevoegdheid tot het opleggen, wijzigen of opheffen van deze maatregel berust bij de Minister.
### 3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
Een vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen, die een vertrekplicht heeft en die voorafgaande aan de maatregel in de opvang van het COA of gemeentelijke (nood)opvang heeft verbleven, kan in beginsel de maatregel op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56) worden opgelegd. De openbare orde wordt immers geacht de beperking van de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 Vw te vorderen indien een vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten. Het gegeven dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten – zijn vertrektermijn is immers ongebruikt verstreken – brengt met zich mee dat het gevaar dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan toezicht in beginsel aanwezig is.
### 4.3.4. De beëindiging
Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel te voldoen, kan hem vervoer naar de VBL worden aangeboden. Het vervoer van een vreemdeling naar de VBL vindt op vrijwillige basis plaats en kan dus niet rechtstreeks worden afgedwongen. Weigert hij hiervan gebruik te maken, en heeft hij geen concrete andere mogelijkheid om aan de maatregel te voldoen, dan kan de vreemdeling in beginsel vanwege het niet naleven van de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel uit hoofde van [artikel 50 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) worden staande gehouden en naar een plaats bestemd voor verhoor worden gebracht.
### 5.1. Het doel van de maatregelen van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
Deze laatst bedoelde aanwijzing wordt gegeven door de Korpschef van de politieregio waaronder de gemeente, waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft, ressorteert. De Korpschef kan van zijn bevoegdheid ondermandaat verlenen aan een hulpofficier van justitie (zie [artikel 1.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4)).
### 5.2.2. De toepassing
Voor de aanwijzing op grond van [artikel 58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) dient de Korpschef gebruikt te maken van een afzonderlijke beschikking. De beschikking dient gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend te zijn. Aan de vreemdeling wordt een afschrift daarvan uitgereikt (zie [artikel 5.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.7)). Daarbij wordt tevens (schriftelijk) mededeling gedaan van de mogelijkheid om tegen deze maatregel beroep in te stellen bij de rechtbank (zie A6/6).
### 5.2.3. De tenuitvoerlegging
De maatregel van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) houdt in dat de asielzoeker zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats dient op te houden. Bij de term ‘ruimte’ kan gedacht worden aan bijvoorbeeld: een AC of opvangvoorziening, een gebouw of gebouwencomplex. De term ‘ruimte’ is niet beperkt tot een ‘cel’ waarvan de deur op slot kan. Ook een groter complex, dat de vreemdeling vrij veel bewegingsvrijheid laat, maar waarvan de buitenpoort dicht of afgesloten is, levert een ‘ruimte’ op. Ook een schip of vliegtuig valt onder de term ‘ruimte’. De term ‘plaats’ ziet meer op een geografische situatie, zoals bijvoorbeeld een haventerrein.
### 5.2.2. De toepassing
De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld onverwijld contact met zijn raadsman op te nemen. De raadsman van de vreemdeling heeft ingevolge [artikel 104 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=104) tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel vrije toegang tot hem. Hij kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen, zonder dat van de inhoud door anderen kennis wordt genomen. Een en ander onder toezicht indien vereist en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Voor het aanwenden van rechtsmiddelen en de procedure van beroep bij de rechtbank zie A6/6.
### 5.2.5. De duur
Zodra de grond voor het toepassen van de maatregel van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) of [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) niet meer aanwezig is, heft de Korpschef deze maatregel op. Hiervan kan sprake zijn:
### 5.3. Bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken kan worden aangenomen ingeval de vreemdeling ([art. 5.1b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b)):
### 5.3.3. De toepassing
Indien het belang van de openbare orde of van de nationale veiligheid dat vordert, kunnen, met het oog op de uitzetting, in bewaring gesteld worden vreemdelingen die:
### 5.3.3.3. Het niet of niet langer toepassen van bewaring
Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken kan worden aangenomen ingeval de vreemdeling ([art. 5.1b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.1b)):
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
Het beroep moet worden ingesteld binnen vier weken na de dag waarop de beschikking bekend is gemaakt. Daarbij is aan te bevelen dat een afschrift van de beschikking wordt overgelegd.
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
Het is mogelijk om een Dublinclaimant op grond van [artikel 59, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) of [artikel 59, eerste én tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) in bewaring te stellen. Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangenafweging plaatsvindt (zie A6/5.3.3.5). Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging in beginsel al gegeven, nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname), dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname). Het gegeven dat er gevaar bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, is dus in beginsel altijd aanwezig bij Dublinclaimanten.
### 5.3.3.7. Bewaring van EU-/EER-, Zwitserse onderdanen en familieleden
Ingeval van asielzoekers geldt dat zolang de aanvraag nog niet in eerste aanleg is afgewezen, de inbewaringstelling uitsluitend mag plaatsvinden en voortduren na vooraf overleg met de IND. Van dat overleg dient verslag te worden gelegd in de vreemdelingenadministratie.
### 5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten
De bewaring die op grond van [artikel 59, eerste of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), is opgelegd aan een gezin met minderjarige kinderen zal niet langer duren dan veertien dagen. Deze termijn kan slechts worden overschreden indien de binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden vanwege:
### 5.3.3.9. Bewaring na afwijzing tweede of volgende asielaanvraag
Ten aanzien van vreemdelingen van wie de tweede of volgende asielaanvraag met toepassing van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) in de algemene asielprocedure is afgewezen omdat geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht wordt zo spoedig mogelijk na bekendmaking van de afwijzende beschikking beoordeeld of bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) zal worden toegepast. Indien de hier bedoelde vreemdeling zich eerder gedurende enige tijd heeft ontrokken aan toezicht weegt het belang van de openbare orde in beginsel zwaarder dan het individuele belang van de vreemdeling. Voor de beoordeling van tweede of herhaalde aanvragen wordt verwezen naar [C14/4](onbekend).
### 5.3.4.1. Het gehoor
Zie [artikel 5.2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2). Het uitgangspunt is dat een vreemdeling, voordat hij in bewaring gesteld wordt, gehoord wordt. Het kan voorkomen dat het gehoor na de inbewaringstelling plaatsvindt. Dit geval kan zich bijvoorbeeld voordoen als de vreemdeling aansluitend aan een ontslag uit strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld is en vervolgens voor het gehoor overgebracht wordt naar een politiebureau. Een gehoor na de inbewaringstelling kan zich ook voordoen als de advocaat niet tijdig op verzoek van de vreemdeling bij het gehoor aanwezig kan zijn.
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
Uit de vreemdelingenadministratie dient duidelijk te blijken om welke reden(en) het gehoor na de inbewaringstelling plaatsgevonden heeft.
### 5.3.3.9. Bewaring na afwijzing tweede of volgende asielaanvraag
Van het gehoor wordt een proces-verbaal [M110-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-B&z=2012-04-01&g=2012-04-01) opgemaakt (zie [artikel 5.2, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2)).
### 5.3.4.2. Bijstand van een raadsman
De maatregel waarbij de bewaring opgelegd wordt, wordt gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt (zie [artikel 5.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.3)). Deze vereisten gelden ook bij de voortzetting van de bewaring op een andere grond, zie A6/5.3.4.5. Wanneer aan de in bewaring te stellen vreemdeling eveneens een terugkeerbesluit, inclusief een eventueel inreisverbod (zie A5/1), wordt uitgereikt, vindt uitreiking daarvan plaats voorafgaand aan of gelijktijdig met de inbewaringstelling. De vreemdeling moet daarbij schriftelijk en mondeling (in een voor hem begrijpelijke taal) worden gewezen op de mogelijkheid tot het aanwenden van het rechtsmiddel genoemd in [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93) (zie A6/6). Voor het opleggen van de maatregel van bewaring dient gebruik te worden gemaakt van een formulier [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01). Dit model is zodanig ingericht dat daarin, overeenkomstig [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), steeds de gronden voor de inbewaringstelling worden aangegeven.
### 3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
Van het gehoor wordt een proces-verbaal [M110-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-B&z=2012-02-09&g=2012-02-09) opgemaakt (zie [artikel 5.2, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2)).
### 5.3.4.2. Bijstand van een raadsman
Indien de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een reguliere aanvraag of een asielaanvraag indient, komt aan de beslissing op de reguliere aanvraag ingevolge [artikel 73, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) en aan de beslissing op de asielaanvraag ingevolge [artikel 82, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=82) geen opschortende werking toe. Voor de procedure betreffende de indiening van een reguliere aanvraag wordt verwezen naar [B1/9.1.1](onbekend).
### 3.5. Wijze van behandeling
Er dienen voldoende afschriften te worden gemaakt van de maatregel waarbij de bewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is:
### 4.1. Inleiding
Naast de wettelijke termijn van [artikel 59, vierde en vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) geldt een maximale duur van de bewaring indien een gezin met minderjarige kinderen een maatregel op grond van artikel 59 Vw is opgelegd. Voor deze maximale termijn en de voorwaarden waaronder deze termijn mag worden overschreden, wordt verwezen naar A6/5.3.3.8.
### 4.2. Bezwaar
In [artikel 59, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt aangegeven hoe lang de maatregel van bewaring mag duren. Daarbij is het volgende onderscheid gemaakt:
### 4.3. Beroep
Een uitzetcentrum is in beginsel bedoeld voor illegale vreemdelingen die op korte termijn uitzetbaar zijn. Een uitzetting verloopt in beginsel altijd via een uitzetcentrum (zie A4/6.4). Echter, de duur van het verblijf in het uitzetcentrum is niet aan een wettelijk maximum gebonden. Vreemdelingenbewaring in een uitzetcentrum kan duren zolang de openbare orde of de nationale veiligheid dat vergt en zolang er zicht is op uitzetting. Ook vanuit de optiek van de in het uitzetcentrum aanwezige voorzieningen bestaat er geen limiet aan de verblijfsduur in het uitzetcentrum.
### 5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen meldt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na inbewaringstelling aan bij DJI.
## Model M82. Reisdocument voor vluchtelingen
Vervallen
In [artikel 3:40 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:40) is vastgelegd dat een besluit pas in werking treedt als het bekendgemaakt is. Deze hoofdregel geldt ook hier. Dat betekent dat de beslissing wordt genomen met inachtneming van het nieuwe materiële recht, dus de inhoudelijke toets vindt aan de hand van de Vw plaats. Dit geldt zowel voor aanvragen in eerste aanleg die op of na 1 april 2001 zijn ontvangen als voor aanvragen in eerste aanleg die per 1 april 2001 reeds waren ontvangen, waarop nog niet is beslist.
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
De [artikelen 118–120 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) regelen het overgangsrecht ten aan zien van de rechtsmiddelen. Voornoemde artikelen bevatte zowel de mogelijkheden tot het instellen van een rechtsmiddel op grond van de Vw (oud) en de behandeling van dit rechtsmiddel.
### Artikel 1 – weekindeling
Dit betekent dat het mogelijk was een bezwaarschrift in te dienen op grond van de Vw (oud) zolang de bezwaartermijn na inwerkingtreding van de wet nog niet was verstreken. Indien bijvoorbeeld een besluit twee weken voor inwerkingtreding van de Vw bekend was gemaakt, respectievelijk een handeling twee weken voor inwerkingtreding was verricht, kon nog gedurende twee weken na inwerkingtreding van de wet bezwaar daartegen worden gemaakt.
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
In [artikel 118, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) is vastgelegd dat op de behandeling van een dergelijk bezwaarschrift de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn. Het betreft dan artikel 29 en volgende Vw (oud). Dat betekent ook dat bijvoorbeeld de ACVZ moet worden ingeschakeld indien dat volgens artikel 31, tweede lid, Vw (oud) verplicht is.
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
Het beroep op de rechtbank tegen een besluit of handeling op grond van de Vw (oud) dat is bekendgemaakt of verricht voor inwerkingtreding van de Vw, of tegen een op bezwaar genomen beslissing, heeft geen opschortende werking ([artikel 119, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=119)).
### Artikel 4 – zakgeld
In [artikel 120 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=120) is bepaald dat het hoger beroep als bedoeld in [artikel 84 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) slechts kan worden ingesteld tegen de uitspraak die is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Het betreft een uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank over de beschikking op de aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, dan wel over de beschikking waarbij de verblijfsvergunning is ingetrokken. Dit artikel beoogt het instellen van hoger beroep te beperken tot die zaken, waarin vanaf de eerste aanlegfase de nieuwe wet is toegepast ([artikel 117 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117)).
### Artikel 5 – geldigheid
Tegen een besluit op grond van de Vw (oud), dat is bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van de wet, kan op grond van het oude recht beroep worden ingesteld. Hetzelfde geldt voor de handeling op grond van de Vw (oud), die is verricht voor inwerkingtreding van de wet. Dit is bepaald in [artikel 119, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=119). Dit artikel moet in samenhang met het [eerste lid van artikel 118 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=118) worden bezien.
### Artikel 6 – meldpunt au pairs 2Het meldpunt is tijdelijk ondergebracht bij de IND. Het telefoonnummer van het meldpunt is: (070) 370 3888.
In het derde lid is bepaald dat voor een beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van het oude recht ook de bepalingen van het oude recht van toepassing zijn over de hoogte van het griffierecht. Zie artikel 33f Vw (oud).
### Artikel 7 – geschillenclausule
Contractpartij (Hoofd(en)) Gastgezin,
## Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant
Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een door Nederland erkende staat. Een uitzondering op deze regel vormt Taiwan. Dit land wordt niet door Nederland erkend terwijl het reisdocument van Taiwan wel wordt erkend als geldig grensoverschrijdingsdocument. Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn voorzien van een goedgelijkende pasfoto van en moet ondertekend zijn door de houder.
Aan niet-visumplichtige vreemdelingen (voor het visumvereiste zie A2/4.3.1) die bij binnenkomst niet beschikken over het vereiste document voor grensoverschrijding kan aan de grens, met het oog op kort verblijf, een bijzonder doorlaatbewijs worden afgegeven (zie [Model M6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M6&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) Een bijzonder doorlaatbewijs is na afgifte een geldig document voor grensoverschrijding.
Het verlenen van bijzondere doorlaatbewijzen geschiedt gratis.
Over gedeponeerde garantiesommen wordt geen rente vergoed.
Naast de Visumcode is een handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa vastgesteld (verder aangeduid met Praktisch Handboek), dat aanwijzingen en voorbeelden bevat betreffende de praktische toepassing van de Visumcode. Het Praktisch Handboek bevat verder een lijst met bijlagen, die een uniforme toepassing van de Visumcode binnen de lidstaten zal helpen borgen. De bijlagen bij het Praktisch Handboek bevatten onder andere (niet-limitatief):
In een aantal gevallen dienen visumaanvragen te worden voorgelegd aan een nationale dienst. In Nederland wordt deze machtiging ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen gegeven door de directie Consulaire zaken en Migratiebeleid van het ministerie van BuZa. Voor andere categorieën vreemdelingen wordt de machtiging gegeven door de Visadienst.
Het model van de aanvraag om verlening van een terugkeervisum wordt beheerd door de IND. Dit geldt ook voor de modellen van de beschikkingen tot afwijzing van deze aanvraag. De Hoofddirecteur van de IND stelt op grond van het basismodel aantekeningensticker het model voor het terugkeervisum vast (zie [bijlage 7 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7) en de website van de IND).
### 4.3.5. Kosten
Met de reizigerslijst kunnen scholieren uit derde landen die rechtmatig verblijf hebben in een van de lidstaten in de eerste plaats visumvrij reizen tussen de lidstaten, maar zij moeten wel nog voldoen aan de overige voorwaarden voor toegang. Lidstaten kunnen dan ook scholieren, die niet aan de nationale voorwaarden voor toegang voldoen, de toegang weigeren.
, [artikel 3.74, eerste lid, onder a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74),en [artikel 3.75 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) en zijn overeenkomstig van toepassing op de verlening van kort verblijf.
Bij de beoordeling van de aanvraag voor het omzetten naar een meervoudig reisvisum wordt allereerst de noodzaak van de omzetting getoetst:
Tenslotte worden bij de omzetting de overige voorwaarden voor de afgifte van een visum (nogmaals) getoetst:
In geval van een nationale verlenging van de geldigheidsduur van het visum, waarbij de geldigheid van het visum wordt beperkt tot de Benelux, kan de geldigheidsduur van een visum, indien zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, nog eens worden verlengd met maximaal negentig dagen(artikel 25 Visumcode). De duur van het eerste oorspronkelijke visum (inclusief de eventuele eerdere verlenging voor het gehele Schengengebied) en de nationale verlenging mogen samen niet meer dan zes maanden bedragen. Deze zeer bijzondere omstandigheden moeten in ieder geval gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.
Ook aan de grens kan in uitzonderlijke gevallen een visum worden afgegeven (zie artikel 35 Visumcode). Voorts kan aan transiterende zeevarenden aan de grens onder bepaalde voorwaarden visa worden afgegeven (zie artikel 36 Visumcode). Bevoegd inzake visumafgifte aan de grens zijn de ambtenaren belast met grensbewaking.
### 5.2. Minimumcontrole en grondige controle
De vrije termijn van vreemdelingen die voor een verblijf van langer dan drie maanden naar Nederland zijn gekomen, bedraagt acht dagen (zie [artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)).
Er kan door ambtenaren belast met grensbewaking ‘toegang onder voorwaarden’ worden verleend:
Ingevolge [artikel 3, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) dient in het geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen vragen, een voornemen tot toegangsweigering te worden voorgelegd aan het Hoofd van de IND. Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling in kwestie. In beginsel zal de toegang worden geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd ex [artikel 6, eerste en tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), waarna de vreemdeling, ter behandeling van het asielverzoek, zal worden geplaatst in AC Schiphol.
Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen (zie A2/1) aan een grondige controle onderworpen. Wat een grondige controle bij inreis en een grondige controle bij uitreis behelst, is uitgewerkt in artikel 7 derde lid, respectievelijk artikel 7, vierde lid, SGC.
Aan iedereen die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet, wordt de toegang geweigerd. De weigering van toegang is:
Ingevolge [artikel 3, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) dient in het geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen vragen, een voornemen tot toegangsweigering te worden voorgelegd aan het Hoofd van de IND. Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling in kwestie. In beginsel zal de toegang worden geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd ex [artikel 6, eerste en tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), waarna de vreemdeling, ter behandeling van het asielverzoek, zal worden geplaatst in AC Schiphol.
In het weigeringsformulier conform het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC en als [model M17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M17&z=2012-04-01&g=2012-04-01) overgenomen als bijlage van de Vc, worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang wordt geweigerd. Verder dient op het weigeringsformulier melding te worden gemaakt van:
In het standaard weigeringsformulier zoals opgenomen in [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2012-04-01&g=2012-04-01) worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang tot Nederland is geweigerd. De toepasselijke bepaling van de vigerende nationale wetgeving (in casu [artikel 3 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3), alsmede de eerdergenoemde nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep).
Tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging dienen geweigerde vreemdelingen zich op te houden in de hun daartoe door een met de grensbewaking belaste ambtenaar aangewezen ruimte, die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit. Dit teneinde illegale binnenkomst te verhinderen.
De vervoerder is verplicht een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd onverwijld terug te nemen. Voorts dient de vervoerder, op verzoek van de grensbewakingsautoriteiten, de vreemdeling terug te brengen naar het derde land van waaruit hij werd aangevoerd, naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd heeft afgegeven of naar ieder derde land waar zijn toelating is gewaarborgd. Indien dit niet binnen redelijke termijn mogelijk is, kunnen de met de verwijdering gepaard gaande kosten, waaronder ook de verblijfskosten kunnen worden begrepen, op de vervoerder worden verhaald (zie A2/7.1.7).
Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.
Voor de verkrijging van een behandeling als Nederlander en een beschrijving van de documenten, waarmee Molukkers de behandeling als Nederlander dienen aan te tonen, wordt verwezen naar de Handleiding voor de toepassing van de [Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Uitsluitend documenten die zijn ingeleverd wegens het verstrijken van de geldigheidsduur kunnen onbruikbaar worden gemaakt (zie [artikel 32, vierde en vijfde lid, Paspoortuitvoeringsregeling KMar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012812&artikel=32)) en aan de houder worden teruggegeven. Ten behoeve van de kennisgeving aan de Minister van BZK is een apart standaardformulier ontworpen.
Personen op wie de [Faciliteitenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) van toepassing is, worden als Nederlander behandeld en zijn derhalve geen vreemdeling in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) (zie ook [artikel 1, aanhef en onder m, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)).
Indien een document voor grensoverschrijding wordt ingehouden in de gevallen als bedoeld onder b, dan wel indien het een ingeleverd of gevonden document voor grensoverschrijding betreft, wordt het document per aangetekende post en met een begeleidende brief doorgezonden aan de burgemeester van de woonplaats van de houder. De begeleidende brief vermeldt de volgende gegevens:
Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient bij de vreemdeling die onderdaan is (of stelt te zijn) van de EU, de EER of Zwitserland, voorafgaand aan toegangsweigering de IND te worden geraadpleegd (zie ook [artikel 8.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8), juncto [artikel 8.7, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7)). Indien wordt overgegaan tot toegangsweigering moet een schriftelijke gemotiveerde beschikking worden uitgereikt (zie [artikel 8.8, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8)). Hiervoor kan [model M18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M18&z=2011-06-19&g=2011-06-19) worden gebruikt. De toegang wordt geweigerd ingevolge [artikel 3, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) juncto [artikel 8.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8). De motivering moet concreet zijn; er mag niet worden volstaan met de enkele mededeling dat de betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid. Bij de kennisgeving van de toegangsweigering moet worden vermeld dat daartegen binnen vier weken administratief beroep kan worden ingesteld bij de IND. De behandeling van het administratief beroepschrift mag niet in Nederland worden afgewacht. Betrokkene dient Nederland ingevolge [artikel 5, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=5) onmiddellijk te verlaten, tenzij er sprake is van een (eerste) verzoek om een voorlopige voorziening. Het aanbrengen van een (toegangs)weigeringsstempel is van toepassing op onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en op hun familieleden.
Op vreemdelingen die reeds een jaar of meer op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verblijven, die gerechtigd zijn arbeid al dan niet in loondienst te verrichten en in dienst treden van een diplomatieke missie of consulaire post, blijft de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) in volle omvang van toepassing. Het betreft met name vreemdelingen die door de diplomatieke zending of consulaire post lokaal zijn geworven.
Vreemdelingen van deze categorie ontvangen wel een geprivilegieerdendocument afgegeven door het ministerie van BuZa. Daarop komt echter een lettercode voor, met een verklaring waaruit bovengenoemde, niet-bijzondere status blijkt:
Indien de deelnemers niet in het bezit zijn van een individueel document voor grensoverschrijding, kan de reizigerslijst bovendien als (collectief) document voor grensoverschrijding dienen. In A2/4.3.3.1 staat aangegeven aan welke voorwaarden in dit geval moet zijn voldaan.
Gedurende de gehele periode, vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten Nederland tot aan het moment dat de vreemdeling door de vervoersonderneming daadwerkelijk naar een plaats buiten Nederland, wordt gevoerd, is de vervoerder verantwoordelijk voor de vreemdeling. Dit betekent allereerst dat de vervoerder verantwoordelijk is voor de zorg van een vreemdeling wanneer deze bijvoorbeeld in de internationale lounge van de luchthaven verblijft in afwachting van zijn vertrek. Het betekent voorts dat alle kosten die door de overheid worden gemaakt en voortkomen uit het (feitelijk) verblijf van de vreemdeling in Nederland, ook ten laste kunnen komen van de vervoerder (zie A2/7.1.7).
Op grond van [artikel 4.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.6) is de vreemdeling verplicht zich te houden aan de door de ambtenaar belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van zijn taak, gegeven aanwijzingen. Hieronder vallen tevens de aanwijzingen van deze ambtenaar aan de vreemdeling met betrekking tot de plaats waar de laatste zich dient op te houden. Overtreding van deze aanwijzingen is strafbaar gesteld in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108).
Door de grote omvang en de toename van het internationale personenverkeer nemen de mogelijkheden tot onregelmatige binnenkomst en illegaal verblijf van vreemdelingen toe. In het bijzonder met het oog hierop is een efficiënt vreemdelingentoezicht vereist. Voorts kan het in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zijn, dat inzicht wordt verkregen in de activiteiten van vreemdelingen die zich op legale wijze in Nederland bevinden.
Als maatregel van toezicht kunnen aan vreemdelingen geen andere verplichtingen worden opgelegd dan die welke bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn vastgesteld. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
Vreemdelingen die beschikken over een verblijfsdocument dienen niet verplicht te worden nadere inlichtingen te verstrekken. Slechts als er gegronde aanleiding is te veronderstellen dat zij de voorschriften op het gebied van toezicht op vreemdelingen niet zijn nagekomen, dient de vreemdeling daaromtrent te worden ondervraagd.
### 7.4.1. Algemeen
### 7.7.1. Periodieke aanmelding ex [artikel 4.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.51)
De verplichting geldt niet voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede vreemdelingen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd.
De Korpschef kan ontheffing van de meldplicht verlenen. Voorts kan hij een andere meldingstermijn dan de wekelijkse aan de meldplicht verbinden. Indien de Korpschef van mening is dat ontheffing niet langer gewenst is, kan hij de ontheffing beëindigen. De vreemdeling dient steeds op hem aangaande wijzigingen betreffende de meldplicht te worden gewezen.
### 7.7.1.1. Algemeen
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 7.7.1.4. Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling
### 7.7.2. Individuele verplichting tot periodieke aanmelding
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 7.8. Het inleveren van het document bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9)
### 7.9.2. Vervanging van identiteitspapieren
### 7.9.2. Vervanging van identiteitspapieren
### 9.1. Inleiding
### 9. Signaleringen
### 9.1. Inleiding
### 9.1.2. Het (N)SIS
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
Het Bureau SIRENE Nederland stelt naast de IND ook het Bureau SIRENE van het desbetreffende land in kennis. De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadpleegprocedure toe.
### 9.5. Signalering en weigering van toegang
De raadplegingsprocedure met het betreffende Schengenland wordt vervolgens door de IND opgestart.
### 9.6. Opneming en vervallen van signaleringen
### 9.6.1. Inleiding
### 9.6.2. Opnemen van signaleringen
Indien een vreemdeling niet beschikt over een inreisstempel en hij de plaats en het moment van inreis in het Schengengebied niet aannemelijk kan maken of hij blijkens de inreisstempel in zijn reisdocument de vrije termijn heeft overschreden met meer dan drie dagen, wordt hij gesignaleerd omdat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken (zie A3/9.2.2). Het betreft hier zogenaamde “overstayers” die geen melding hebben gemaakt van hun illegaal verblijf in Nederland. De termijn van signalering in geval een vreemdeling zich aan het toezicht heeft onttrokken bedraagt drie jaar, ongeacht de feiten op basis waarvan de conclusie is getrokken dat sprake is van onttrekken aan het toezicht. Op basis van een individuele beoordeling kan ten aanzien van “overstayers” worden overgegaan tot opheffing van signalering na zes maanden als geconcludeerd kan worden dat de grondslag voor de signalering is komen te vervallen vanwege gewijzigde omstandigheden. Om te onderzoeken of sprake is van gewijzigde omstandigheden die nopen tot opheffing van de signalering moet worden onderzocht of de vreemdeling niet langer een gevaar vormt voor de openbare orde. Daartoe wordt bezien of aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Opneming en vervallenverklaring van de in dit hoofdstuk genoemde signaleringen geschiedt door de IND. De IND bepaalt ook, op grond van de SUO, welke signaleringen in het (N)SIS worden opgenomen.
### 9.6.2. Opnemen van signaleringen
### 10. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten
### 10. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten
### 2. Zelfstandig vertrek
### 3.3. Verkorten van de vertrektermijn
### 3. Vertrektermijnen
De vertrektermijn kan op grond van [artikel 62, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), worden verkort of onthouden indien:
Als gevaar voor de openbare orde wordt hier aangemerkt iedere verdenking en veroordeling ter zake van een misdrijf.
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
### 3.4. Verlengen van de vrijwillige vertrektermijn
### 3.4.1. Inleiding
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
### 4. Reisdocumenten
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de grensdoorlaatpost van uitreis
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
Indien de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een (vervangend) reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging en hij overigens niet aan de buitenlandse grensautoriteiten kan worden overgegeven, dan wel uit Nederland worden verwijderd door middel van plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig (zie A4/8) en er daarnaast geen sprake is van de situatie dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (zie [B14/3](onbekend)), dient hem te worden aangezegd dat hij Nederland moet verlaten.
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
In gevallen waarin het vertrek van de vreemdeling onder toezicht geschiedt, wordt zijn reisdocument met toepassing van het bepaalde in [artikel 4.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.23) tijdelijk in bewaring genomen en toegezonden aan het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt waarlangs de betrokkene Nederland zal verlaten. Zie in dit verband ook A3/5. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen stelt de vreemdeling in het bezit van een ontvangstbewijs (zie [model M101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M101&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) alsmede een informatiefolder.
De procedure voor vertrek onder het REAN-programma is hieronder kort samengevat en toegelicht:
### 5.1. Algemeen
### 6. Uitzetting
### 6.10. Bericht van vertrek
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
### 6.10. Bericht van vertrek
Middels [model M118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M118&z=2012-04-01&g=2012-04-01) worden aan de KMar of ZHP vooraf alle omstandigheden gemeld, waaronder het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht.
Indien in het kader van de [Verordening 343/2003](32003R0343) een claim is gehonoreerd en het asielverzoek derhalve op grond van [artikel 30, eerste lid onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) wordt afgewezen, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling uitgereikt en wordt hem mededeling gedaan door welk land zijn asielverzoek zal worden behandeld. Voorts wordt hem meegedeeld dat hij krachtens de [Verordening 343/2003](32003R0343) en met inachtneming van de nationale regelgeving zal worden overgedragen.
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.4. Afwijzing
Het doen van een aanzegging Nederland te verlaten bij adrescontrole, MTV-controle of na staandehouding (die mogelijk heeft geleid tot ophouding) aan een vreemdeling die niet-rechtmatig in Nederland verblijft, maar van wie na een identiteits- en nationaliteitsonderzoek is gebleken dat deze niet daadwerkelijk uit Nederland kan worden uitgezet. Dit dient alleen te worden gedaan bij vreemdelingen die Nederland, maar niet de Unie, hoeven te verlaten. Dit kan bv. het geval zijn bij gemeenschapsonderdanen of bij vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben van een andere lidstaat van de Unie. Aan vreemdelingen die de Unie wel dienen te verlaten zal een terugkeerbesluit worden uitgereikt. Naast de IND en de DT&V ontvangt, indien van toepassing, ook de opvangverlenende instantie deze informatie.
### 6.11. Bericht van ontruiming
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
Deze periode is nodig om te kunnen vaststellen of de overgelegde relevante medische gegevens compleet zijn en of, gelet hierop, wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor opvang in afwachting van een beslissing op de aanvraag.
### 7.2.1.1. Procedure voor opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.4. Afwijzing
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
### 7.3. Inwilliging
### 3.1. Indienen van een voorstel
### 7.3.2. Inwilliging in de parallelle procedure in afwachting van definitieve besluitvorming
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
### 7.5. Rechtsmiddelen
### 7.5.1. Algemeen
### 5. Ongewenstverklaring
### 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen
### 1. Inleiding
De uitzetting van de vreemdeling en van zijn gezinsleden wordt opgeschort indien bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden TBC is geconstateerd. Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij gesloten TBC is geconstateerd bij deze vreemdeling of een van zijn gezinsleden en de overdracht van de vreemdeling zal plaatsvinden op grond van de verordening 343/2003 (Dublin verordening) dan wel overdracht zal plaatsvinden aan een bij de Dublinverordening aangesloten land waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen omdat de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten, tenzij de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat (zie hiervoor [C3/ 2.3.6.4](onbekend)). In het geval open TBC is geconstateerd bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden blijft de opschorting van uitzetting van kracht ongeacht het land waarnaar de uitzetting wordt beoogd.
### 2. Gronden voor ongewenstverklaring
### 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen
### 3.3. Uitreiking van de beschikking
### 3.1. Indienen van een voorstel
### 3.3. Uitreiking van de beschikking
### 3.6. Stellen van aantekeningen
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 1. Het inreisverbod
### 1. Algemeen
### 2.1. Voorwaarden
### 2.3. Strafbaarheid
### 4.3. De inhoud van de aanvraag
### 4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
### 4.4. Beoordeling van de aanvraag
### 2.3. Strafbaarheid
Op grond van [artikel 66a, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) wordt geen inreisverbod opgelegd aan diegene die gemeenschapsonderdaan is of op wie [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) van toepassing is.
### 6.1. Inleiding
### 6.3.1. Algemeen
Bij een voorstel tot het geven van een inreisverbod onder toepassing van [artikel 66a, lid 7, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) worden in ieder geval alle gegevens en bescheiden (zoals afschriften processen-verbaal en dergelijke) die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, naar de IND gezonden. Het verdient aanbeveling dat de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar, in een zo vroeg mogelijk stadium berichten omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat zij niet wachten tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. Ten behoeve van de afstemming tussen de betrokken ketenpartners zijn in dit kader werkafspraken vastgelegd in het protocol VRIS (zie A4/10.1).
### 6.4.4. Uitreiking van de beschikking
### 6.4.3. De beschikking
### 6.4.5. Signalering in het (N)SIS
### 6.5. Het inreisverbod door de IND
### 6.4.1. Inleiding
### 6.4.2. Vorm van de aanvraag
### 6.5.1. Algemeen
### 6.7. Stellen van aantekeningen
### 7.4. Beoordeling van de aanvraag
### 2.4. De toepassing
### 7.4.2. Verzoek om opheffing inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid
### 3. Verblijf
Een vreemdeling die in één van de Benelux- of Schengenstaten ongewenst is verklaard, kan op een met redenen omkleed verzoek van één der lidstaten ook voor de andere lidstaten ongewenst worden verklaard.
### 4.3.1. Het doel
### 4.3. Het beperken van de bewegingsvrijheid op grond van [artikel 56 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)
### 4.2. Het staandehouden en ophouden op grond van artikel 50 Vw
### 10.3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring
Indien zwaarwegende belangen zich naar het oordeel van onze Minister verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, bedraagt deze termijn tien jaren (zie [artikel 6.6, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6)). Toepassing hiervan vergt een afweging tussen de rechtstreeks in het geding zijnde individuele belangen.
### 5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond
### 5.2.5. De duur
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
Indien de toets inderdaad tot deze conclusie leidt, kan de ongewenstverklaring op verzoek van de vreemdeling worden opgeheven. Bij de beoordeling van dit verzoek tot opheffing wordt in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf betrokken. Met name vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen of die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, hebben een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar zij zich kunnen vestigen.
De bijzondere feiten en omstandigheden zijn gelegen in het recht om hier te lande het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM te kunnen uitoefenen.
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
@@ -9150,17 +9158,17 @@
Voorts zijn ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) aan de Korpschef en de Commandant der KMar bevoegdheden toegekend en taken opgedragen op het gebied van:
De vreemdelingenkamers zijn onderdeel van een rechtbank en houden zich uitsluitend bezig met het behandelen van vreemdelingenrechtelijke geschillen. Formeel behandelt de rechtbank ’s-Gravenhage deze geschillen, maar binnen alle negentien rechtbanken in Nederland zijn zogeheten nevenzittingsplaatsen aangewezen.
De VNG verzorgt de belangenbehartiging van alle gemeenten bij andere overheden. Bij de gemeenten worden aanvragen voor verblijfsvergunningen regulier en naturalisatie ingediend. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor de registratie van persoonsgegevens in de GBA.
Ten behoeve van de planning en controle wordt binnen de vreemdelingenketen gebruik gemaakt van een vaste planning en controlecyclus. Deze bevat de mijlpalen die van belang zijn voor een effectieve en efficiënte voorbereiding van de verschillende producten die gebruikt worden om de planning en controle op het niveau van de keten te realiseren.
Bovenstaande laat onverlet dat ook onderling structureel informatie uitgewisseld wordt tussen de ketenpartners en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen, binnen de kaders van de daartoe onderling gemaakte afspraken.
Ten behoeve van analyses, onderzoeken, kamervragen of andere vragen leveren ketenpartners op verzoek gegevens aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De mogelijkheden hiertoe en de procedures die hierbij worden gehanteerd kunnen door de Directeur- Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken met de ketenpartners en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen worden vastgelegd.
Voor de regelingen omtrent de archivering van bescheiden wordt verwezen naar de Archiefwet 1995. De organisaties belast met de uitvoering van vreemdelingenwet- en regelgeving kunnen daarnaast een aanvullend eigen archiefbeleid voeren, waarin de regels omtrent archivering en vernietiging van archiefbescheiden zijn vastgelegd. Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende organisatie.
Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten (artikel 2, zesde lid, SGC). In de regel worden tijdelijke grensdoorlaatposten bediend door ambtenaren van de KMar.
Onder paspoort wordt verstaan: een mede in de Engelse of Franse taal gesteld document voor grensoverschrijding op grond waarvan het de houder is toegestaan zich naar het buitenland te begeven en terug te keren naar het land van afgifte.
Ketenpartners verplichten zich het woordenboek als standaard te hanteren bij uitwisseling van gegevens. Het gegevenswoordenboek is te raadplegen op de volgende websites: www.vreemdelingenketen.nl
De ambtenaren van de KMar zijn belast met de bediening van alle overige grensdoorlaatposten in Nederland en met het uitoefenen van grensbewakingstaken in de rest van Nederland. In de politieregio Rotterdam-Rijnmond zijn zij tevens belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/Europoort.
In artikel 5, eerste lid, onder a, SGC is opgenomen dat men in het bezit moet zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument. Voor de nadere uitwerking van de voorwaarde om te beschikken over een geldig document van grensoverschrijding wordt verder verwezen naar [artikel 2.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3).
Een visum wordt nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden voldaan was, met name indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige wijze is verkregen. Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig worden verklaard; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de nietigverklaring in kennis gesteld (zie artikel 34, eerste lid, Visumcode).
@@ -9168,2546 +9176,2804 @@
Verblijf in de vrije termijn is van rechtswege toegestaan aan vreemdelingen, indien en zolang zij voldoen aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden.
Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, vindt in beginsel geen controle plaats in het kader van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Slechts wanneer het vermoeden bestaat dat betrokkene vreemdeling is, kan hiervan sprake zijn en kan betrokkene op grond van [artikel 4.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.7) worden verzocht zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken door het tonen van reis- of identiteitspapieren of op andere wijze.
De volgende situaties zijn denkbaar (dit is geen limitatieve opsomming):
In [artikel 2.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4) zijn bepalingen opgenomen over vreemdelingen die als passagier van een vliegtuig een vliegveld aandoen (transiteren).
De verplichtingen omschreven in [artikel 4 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) en de [artikelen 4.8 tot en met 4.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.10) (verplichtingen voor vervoerders) zijn eveneens van toepassing op Nederlanders.
Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, dient het op grond van de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) te worden ingehouden. Dit is onder meer het geval indien de geldigheidsduur is verstreken. Het is niet toegestaan naar het buitenland te reizen met een Nederlands document voor grensoverschrijding (paspoort, toeristenkaart) waarvan de geldigheidsduur is verstreken.
Voor wat betreft de bijzondere regels voor piloten en andere bemanningsleden van vliegtuigen wordt verwezen naar artikel 19 en bijlage VII, onder 2, SGC.
### 7.3.7. Mededeling omtrent het vervallen van het verblijfsdoel
### 7.3.8. Verplichtingen op grond van de Awb
### 7.4.1. Algemeen
### 7.5. Het verlenen van medewerking aan een medisch onderzoek
### 7.6.1. Verblijf langer dan drie maanden
### 7.6.1. Verblijf langer dan drie maanden
### 7.6.2. Verblijf korter dan drie maanden
### 7.6.2. Verblijf korter dan drie maanden
### 7.7.1. Periodieke aanmelding ex [artikel 4.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.51)
### 7.7.1.1. Algemeen
### 7.8. Het inleveren van het document bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9)
### 7.9. Toezicht op documenten
### 7.7.1.4. Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling
### 7.9.2. Vervanging van identiteitspapieren
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 9. Signaleringen
### 9.2.2. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
### 9.5.1. Algemeen
### 9.5.1. Algemeen
### 9.5.1. Algemeen
### 9.5.1. Algemeen
### 9.6.2. Opnemen van signaleringen
### 9.6.3. Behandeling van het verzoek om opheffing van signalering
### 9.6.3.2. Opheffing van signaleringen in het OPS
### 10. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten
### 9.6.4. Toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling
### 2. Zelfstandig vertrek
### 3. Vertrektermijnen
### 3. Vertrektermijnen
### 3.1. Toekennen van een vertrektermijn voor zelfstandig vertrek
De verkorting of onthouding van de vertrektermijn kan op twee manieren door de rechter worden beoordeeld:
### 3.4. Verlengen van de vrijwillige vertrektermijn
### 3.4.2.1. Indienen verzoek
### 3.4.2.2. Voorwaarden
### 4.1. Aanvragen reisdocumenten
### 6.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
### 6. Uitzetting
Indien niet aannemelijk is geworden dat betrokkene zich zelfstandig kan handhaven (zie [B14/2.2.3](onbekend)), dient bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld te zijn, tenzij in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten van het land van herkomst of een ander land waar betrokkene redelijkerwijs heen kan gaan, zorgdragen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen. In dat geval rust op de Nederlandse overheid geen taak om te treden in de wijze van opvang van de minderjarigen.
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
### 7.3. Inwilliging
De plaats waar de asielzoeker zich in het land van bestemming dient te melden, wordt vermeld op het laissez-passer. Het betreft hier veelal de locatie waar de feitelijke overdracht plaatsvindt. Op de kennisgeving van overdracht wordt het land van bestemming aangegeven.
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 7.6. Procedure bij zwangerschap/bevalling
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
### 6.11. Bericht van ontruiming
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
### 7.2.1.2. Medische aspecten parallel aan de asielprocedure
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
Ingeval de vreemdeling een inreisverbod heeft ontvangen kan er sprake zijn van rechtmatig verblijf ex [artikel 8, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), ingeval er een geslaagd beroep is gedaan op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) ([artikel 66a, zesde lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)).
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
### 7.2.1.1. Procedure voor opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 2. Gronden voor ongewenstverklaring
### 7.2.1.1. Procedure voor opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 3. Procedurele aspecten
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
### 7.5.1. Algemeen
### 3.3. Uitreiking van de beschikking
### 7.3.2. Inwilliging in de parallelle procedure in afwachting van definitieve besluitvorming
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
### 9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
### 7.4. Afwijzing
### 7.6. Procedure bij zwangerschap/bevalling
### 2. Gronden voor ongewenstverklaring
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 6. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
### 10.1. Protocol VRIS
### 3. Procedurele aspecten
### 2. Het inreisverbod ([artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a))
### 1.4. Het lichten van vreemdelingen
### 3. Aan wie wordt geen inreisverbod opgelegd
### 5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of afwijzing van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
## Model M11
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing art. 4.11 Vb
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Garantverklaring zeelieden collectief/permanent
Vervallen
## Model M18. Beschikking weigering toegang aan personen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer ([artikel 8.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8) of [8.5 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.5))
## Model M19. Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge [artikel 6, eerste lid of eerste en tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)
## Model M20. Kennisgeving toegang onder voorwaarden
## Model M21
Vervallen
## Model M22. Bijzonder doorlaatbewijs
Vervallen
## Model M23. Standaard fax-bericht t.b.v. regeling transiterende visumplichtige zeelieden
Vervallen
## Model M24-A. Opdracht tot verwijdering
## Model M24-B. Rapport van overnemen van personen uit België of Duitsland
Vervallen
## Model M25. Fax: Melding incidenten grensbewaking
Vervallen
## Model M26. Bewustverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M27. Guiding Letter: attest inzake vreemdelingen zonder reisdocumenten
Vervallen
## Model M28. Covering Letter: attest inzake vreemdelingen met valse of vervalste reisdocumenten
Vervallen
## Model M29. Aanwijzing terugvoerverplichting luchtvaartmaatschappij
Vervallen
## Model M30. Aanwijzing terugvoerverplichting rederij
## Model M31. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens
Vervallen
## Model M32-M34. Gereserveerd
## Model M35-A. Aanvraag verblijfsvergunning of wijziging beperking zonder Mvv
Vervallen
## Model M35-A-1. Aanvraag verblijfsvergunning met Mvv
Vervallen
## Model M35-B. Aanvraag verlenging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M35-C. Aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-D. Aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-E. Aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht (bewijs van rechtmatig verblijf)
Vervallen
## Model M35-F. Aanvraag van wettelijk vertegenwoordiger tot het verlenen, wijzigen danwel verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-G. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet tevens geldig te verklaren voor inwonende kinderen beneden 12 jaar
Vervallen
## Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-I
Vervallen
## Model M35-J
Vervallen
## Model M35-J-1. Aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd of verlenging bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-K
Vervallen
## Model M36. Afspraakbevestiging
Vervallen
## Model M37. Antecedentenverklaring
Vervallen
## Model M38. TBC-formulier
Vervallen
## Model M39-A. Bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens
## Model M39-B. Aanvraagformulier DNA-onderzoek
Vervallen
## Model M39-C. Verzoek om een leeftijdsonderzoek in het aanmeldcentrum
## Model M39-D. Verzoek om een leeftijdsonderzoek opvanglocatie
## Model M39-E. Toestemmingsverklaring herhaald leeftijdsonderzoek
## Model M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
Vervallen
## Model M40. Vragenlijst China
## Model M41. Verklaring burgerlijke staat
Vervallen
## Model M42. Relatieverklaring
Vervallen
## Model M43. Bewustverklaring studie
Vervallen
## Model M44. Bewustverklaring Au Pair
Vervallen
## Model M44-A. Overeenkomst Au pair – Gastgezin
Vervallen
## Model M45. Bewustverklaring geestelijk voorganger / godsdienstleraar
Vervallen
## Model M46-A. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-B. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
Vervallen
## Model M11
Vervallen
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing [artikel 4.11 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.11)
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
Vervallen
## Model M11
Vervallen
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing [artikel 4.11 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.11)
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
Vervallen
## Model M11
Vervallen
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing [artikel 4.11 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.11)
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Garantverklaring zeelieden collectief/permanent
Vervallen
## Model M18. Beschikking weigering toegang aan personen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer ([artikel 8.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8) of [8.5 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.5))
## Model M19. Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge [artikel 6, eerste lid of eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)
## Model M20. Kennisgeving toegang onder voorwaarden
## Model M21
Vervallen
## Model M22. Bijzonder doorlaatbewijs
Vervallen
## Model M23. Standaard fax-bericht t.b.v. regeling transiterende visumplichtige zeelieden
Vervallen
## Model M24-A. Opdracht tot verwijdering of overgave
## Model M24-B. Rapport van overnemen van personen uit België of Duitsland
Vervallen
## Model M25. Fax: Melding incidenten grensbewaking
Vervallen
## Model M26. Bewustverklaring kort verblijf
Vervallen
[Deel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012288)bevat de algemeen geldende en de bijzondere bepalingen voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning asiel hebben of willen verkrijgen.
### 2. Bevoegdheden
De Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland behartigt de belangen van vluchtelingen en asielzoekers die zich in Nederland bevinden.
De scholieren komen voor visumvrijstelling, door plaatsing op de reizigerslijst, in aanmerking indien:
Ook het wezenlijk Nederlands belang kan aanleiding vormen om tot een nationale verlenging van de geldigheidsduur van een visum over te gaan. Het betreft hier zeer bijzondere gevallen waarbij nationale belangen, zoals bijvoorbeeld het internationaal aanzien van Nederland, economische en/of culturele belangen, in het geding zijn.
Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.
### 7.4. Verlenen van medewerking aan identificatie
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 7.9.3. Gedragslijn bij vreemdelingen zonder documenten
### 9.1.2. Het OPS
### 9.1.4. Verhouding OPS en (N)SIS
### 9.2. Soorten signaleringen
### 9.2.3. Signalering inreisverbod (inreisverbod anders dan op grond van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a))
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
### 9.5. Signalering en weigering van toegang
### 9.5.4. Bezit geldige verblijfstitel/OPS-signalering
### 9.6.3.3. Rechtsmiddelen
### 1. Inleiding
De rechtsplicht om Nederland te verlaten ontstaat op het moment waarop het rechtmatig verblijf eindigt. Dit wordt in voorkomende gevallen door middel van een meeromvattende beschikking die tevens geldt als een terugkeerbesluit aan de vreemdeling kenbaar gemaakt. Conform [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27) en [45 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45) heeft deze meeromvattende beschikking een vertrekplicht tot gevolg. De termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland moet verlaten is vastgesteld in [artikel 62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62). De vreemdeling die na afloop van de termijn die vermeld is in het terugkeerbesluit Nederland niet zelfstandig heeft verlaten kan worden uitgezet. In aanvulling op het genomen terugkeerbesluit krijgt hij in overeenstemming met A5/1 een inreisverbod opgelegd (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1). In het geval uitzetting niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling zich aan toezicht heeft onttrokken, wordt eveneens in aanvulling op het terugkeerbesluit een inreisverbod uitgevaardigd. In dat geval moet van de beschikking mededeling worden gedaan in de Stcrt ([artikel 66a, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)). Voor personen die Nederland legaal zijn ingereisd voor een bepaalde duur en waarvan de termijn voor verblijf in Nederland is verlopen, geldt ook dat een terugkeerbesluit wordt uitgereikt, dat tevens een inreisverbod (zie [artikel 66a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en zie A5/1) zal inhouden.
### 4. Reisdocumenten
### 4.3. Het inhouden van documenten
### 4.1. Aanvragen reisdocumenten
### 4.2.1. De diplomatieke vertegenwoordiging wijst de aanvraag af
### 5.1. Algemeen
### 6.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 6.10. Bericht van vertrek
### 7.2.1.1. Procedure voor opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
### 10.2. Gedragslijn indien buitenlandse autoriteiten uitlevering vragen
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
### 10.1. Protocol VRIS
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
### 10.2. Gedragslijn indien buitenlandse autoriteiten uitlevering vragen
### 9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
### 3. Procedurele aspecten
### 4. Inreisverbod niet zonder terugkeerbesluit
Volgens [artikel 6.5a, lid 4, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5a) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren indien de vreemdeling zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was. Dit houdt in dat, indien een vreemdeling Nederland en daarmee de EU (met uitzondering van VK en Ierland), EER en Zwitserland niet heeft verlaten, en zich dus in weerwil van het inreisverbod op het grondgebied bevindt, de duur van het inreisverbod wordt verhoogd naar vijf jaren. Ook betekent dit dat indien een vreemdeling Nederland en daarmee de EU (met uitzondering van VK en Ierland), EER en Zwitserland wél heeft verlaten, maar zich vervolgens wederom op het grondgebied bevindt terwijl een inreisverbod van kracht is, de duur van het inreisverbod tevens wordt verhoogd naar vijf jaren.
### 6.3.1. Algemeen
### 6.4. Voorstel voor een inreisverbod door vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar
### 6.3.5. Verzoek signalering in (N)SIS
### 6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
### 6.4.5. Signalering in het (N)SIS
### 6.7. Stellen van aantekeningen
### 6.9. Strafbare feiten
### 4.3.4. De beëindiging
### 7.3. De inhoud van de aanvraag
### 7. Opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod
### 7.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
### 7.4.2. Verzoek om opheffing inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid
### 3.2. Het doel
Daarbij wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Hiertoe wordt een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de vreemdeling en het belang van de Staat. De omstandigheden die bij deze belangenafweging worden betrokken zijn opgenomen in [B2/10.2.3](onbekend).
## Model M27. Guiding Letter: attest inzake vreemdelingen zonder reisdocumenten
Vervallen
## Model M28. Covering Letter: attest inzake vreemdelingen met valse of vervalste reisdocumenten
Vervallen
## Model M29. Aanwijzing terugvoerverplichting luchtvaartmaatschappij
Vervallen
## Model M30. Aanwijzing terugvoerverplichting rederij
## Model M31. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens
Vervallen
## Model M32-M34. Gereserveerd
## Model M35-A. Aanvraag verblijfsvergunning of wijziging beperking zonder Mvv
Vervallen
## Model M35-A-1. Aanvraag verblijfsvergunning met Mvv
Vervallen
## Model M35-B. Aanvraag verlenging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M35-C. Aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-D. Aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-E. Aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht (bewijs van rechtmatig verblijf)
Vervallen
## Model M35-F. Aanvraag van wettelijk vertegenwoordiger tot het verlenen, wijzigen danwel verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-G. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet tevens geldig te verklaren voor inwonende kinderen beneden 12 jaar
Vervallen
## Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
## Model M7
## Model M8. Gereserveerd
## Model M9. Gereserveerd
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
Vervallen
## Model M11
Vervallen
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing [artikel 4.11 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.11)
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens aan onderdanen van derde landen die kort verblijf beogen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens aan onderdanen van derde landen die kort verblijf beogen
## Model M35-G. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet tevens geldig te verklaren voor inwonende kinderen beneden 12 jaar
Vervallen
## Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-I
Vervallen
## Model M35-J
Vervallen
## Model M35-J-1. Aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd of verlenging bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-K
Vervallen
Ten behoeve van de planning en controle wordt binnen de vreemdelingenketen gebruik gemaakt van een vaste planning en controlecyclus. Deze bevat de mijlpalen die van belang zijn voor een effectieve en efficiënte voorbereiding van de verschillende producten die gebruikt worden om de planning en controle op het niveau van de keten te realiseren.
### 4.2. Rapportage Vreemdelingenketen
### 6.2. Het PIL
### 7.3.7. Mededeling omtrent het vervallen van het verblijfsdoel
### 9.2.1. Signalering ‘ONGEW’ (ongewenst verklaard ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67))
### 9.2.1. Signalering ‘ONGEW’ (ongewenst verklaard ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67))
### 9.2.3. Signalering inreisverbod (inreisverbod anders dan op grond van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a))
### 9.2.2. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
### 4. Vertrek en uitzetting
### 3. Vertrektermijnen
### 3.4.2. Procedure
### 4.4. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
### 4. Reisdocumenten
### 5.1. Algemeen
### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
### 6.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de grensdoorlaatpost van uitreis
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
### 7.1. Beleid
### 6.11. Bericht van ontruiming
### 7.2. Procedure
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
### 3. Procedurele aspecten
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
### 10.1. Protocol VRIS
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 3.4. Bezwaar en beroep
### 1. Het inreisverbod
### 5.1. Inleiding
### 5.2. Vorm van het verzoek
### 6.4.1. Gegevens
### 6.4.2. Voorbereiding
### 6.4.3. De beschikking
### 6.5.1. Algemeen
### 1.4. Het lichten van vreemdelingen
### 7.3.5. Verstrekken gegevens over (vroegere) buitenlandse werknemers
### 7.5. Het verlenen van medewerking aan een medisch onderzoek
### 7.7.1.4. Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling
### 9.3. Handelwijze bij een als ongewenst gesignaleerde vreemdeling
### 4. Vertrek en uitzetting
### 2.3. Een klacht schort het vertrek uit Nederland niet op
### 3.3. Verkorten of onthouden van de vertrektermijn
### 5.2. Procedure
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
### 6.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.4. Afwijzing
### 7.4. Afwijzing
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
### 10.2. Gedragslijn indien buitenlandse autoriteiten uitlevering vragen
### 3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring
### 2.2. Geen rechtmatig verblijf
### 3. Aan wie wordt geen inreisverbod opgelegd
### 6.3.4. Uitreiking van de beschikking
### 6.4. Voorstel voor een inreisverbod door vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar
### 6.5. Het inreisverbod door de IND
### 6.5.2. De beschikking en de uitreiking van de beschikking
### 2. Toegang
### 8. Beschikbaar houden en fouillering
### 9.3. Handelwijze bij een als ongewenst gesignaleerde vreemdeling
### 9.5. Signalering en weigering van toegang
### 9.6.3.1. Opheffing van signaleringen in het (N)SIS
### 2.1. De rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten
### 3.1. Toekennen van een vertrektermijn voor zelfstandig vertrek
### 3.3. Verkorten of onthouden van de vertrektermijn
### 7.5. Rechtsmiddelen
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 7.4. Afwijzing
De behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening mag evenmin worden afgewacht indien er duidelijk sprake is van een poging van de vreemdeling om de uitzetting te frustreren. Hieronder wordt verstaan het aanspannen van (vervolg)procedures ten tijde van de op handen zijnde uitzetting, terwijl er geen medische indicaties bestaan waaruit zou moeten blijken dat de vreemdeling niet in staat zou zijn om te reizen. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om een verzoek om een voorlopige voorziening dat is ingediend naar aanleiding van een afgewezen aanvraag ingevolge [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) die redelijkerwijs veel eerder had kunnen en moeten worden ingediend. Het gaat hier om zaken waarbij de vreemdeling zich eerst op het moment dat de daadwerkelijke uitzetting dreigt, beroept op een bij hem lang bestaand medisch feit waarvan niet is vastgesteld dat het een beletsel is voor de uitzetting.
### 5.2. Vorm van het verzoek
### 6.5.2. De beschikking en de uitreiking van de beschikking
Ingevolge [artikel 66b, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66b) kan ambtshalve dan wel op aanvraag worden beslist tot opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod. De redenen voor een mogelijke opheffing staan beschreven in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b).
### 1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen
Indien de aanvraag wordt ingewilligd, wordt de signalering uit de systemen verwijderd (zie A3/9.2).
### 7.5. Rechtsmiddelen
### 7.3. Inwilliging
### 10.1. Protocol VRIS
### 2.1. Voorwaarden
### 5.3. Inhoud van het verzoek
### 6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 7.4.2. Verzoek om opheffing inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid
### 7.4. Beoordeling van de aanvraag
### 2. Toegang
### 2.8. De beëindiging
### 7.3.6. Mededeling omtrent zoeken of gaan verrichten van arbeid
### 7.3.8. Verplichtingen op grond van de Awb
### 9.6.1. Inleiding
### 9.6.3.3. Rechtsmiddelen
### 2.1. De rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten
### 4.4. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
### 3.4.2.1. Indienen verzoek
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
### 6.2. Belangenafwegingen
### 6.1. Inleiding
### 6.3. Uitvaardiging van een inreisverbod door vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
### 10.3.1. Indienen van een voorstel
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
### 4.2. Het staandehouden en ophouden op grond van artikel 50 Vw
Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen [B1/9.7.7](onbekend).
## Model M36. Afspraakbevestiging
Vervallen
### 4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 5.6. Inreis, toezicht en uitreis
### 3.2. Voorbereiding
### 6.3.2. Voorbereiding
### 8. Tijdelijke opheffing van het inreisverbod
### 10.3.1. Indienen van een voorstel
### 7.7. Periodieke aanmeldingen
### 7.7. Periodieke aanmeldingen
### 9.5. Signalering en weigering van toegang
### 3.4.2.1. Indienen verzoek
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
### 10.3.2. Voorbereiding
### 3.5. De vorm
### 10.3.4. Bezwaar en beroep
### 10.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 10.4.3. De inhoud van de aanvraag
### 10.4.4. Beoordeling van de aanvraag
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
### 10.4.2. De vorm van de aanvraag
### 10.3.5. Geen opschortende werking in bezwaar
### 10.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 10.4.1. Inleiding
### 5.2.4. Bijstand van een raadsman
### 10.4.4. Beoordeling van de aanvraag
### 7.6. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### 7.6.1. Verblijf langer dan drie maanden
### 7.4.2. Foto’s en vingerafdrukken
### 7.6.2. Verblijf korter dan drie maanden
### 7.6. Aanmelding na binnenkomst in Nederland
### 7.6.2. Verblijf korter dan drie maanden
### 7.7.1.1. Algemeen
### 7.8. Het inleveren van het document bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9)
### 7.9. Toezicht op documenten
### 7.7.1.4. Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling
### 7.9. Toezicht op documenten
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 9. Signaleringen
### 9.2.2. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
### 9.5.1. Algemeen
### 9.5.1. Algemeen
### 9.5.1. Algemeen
### 9.5.1. Algemeen
### 9.6.2. Opnemen van signaleringen
### 9.6.3. Behandeling van het verzoek om opheffing van signalering
### 9.6.3.1. Opheffing van signaleringen in het (N)SIS
### 10. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten
### 9.6.4. Toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling
### 2. Zelfstandig vertrek
### 3. Vertrektermijnen
### 3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn
### 4.1. Aanvragen reisdocumenten
Met het toekennen van een verlenging van de vrijwillige vertrektermijn zal terughoudend worden omgegaan. Uitgangspunt van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is immers dat in Nederland verblijvende vreemdelingen na het beëindigen van het rechtmatig verblijf zo snel als mogelijk uit Nederland dienen te vertrekken. De daarvoor gestelde termijn van vier weken is in beginsel redelijk.
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de grensdoorlaatpost van uitreis
### 5.3. Bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
### 10.5.2. Vorm van het verzoek
### 10.5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
### 10.4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
### 5.3.3.3. Het niet of niet langer toepassen van bewaring
### 10.6. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
### 10.5.1. Inleiding
### 5.3.3. De toepassing
### 10.6.4.3. Inhoud van de aanvraag
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan ingevolge het bepaalde in [artikel 8.22, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22), slechts worden gedaan:
### 10.6.4.4. De beslissing op de aanvraag
### 6. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
De Vw kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:
De op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
## Model M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
Vervallen
## Model M40. Vragenlijst China
Vervallen
## Model M41. Verklaring burgerlijke staat
Vervallen
## Model M42. Relatieverklaring
Vervallen
## Model M43. Bewustverklaring studie
Vervallen
## Model M44. Bewustverklaring Au Pair
Vervallen
## Model M44-A. Overeenkomst Au pair – Gastgezin
Vervallen
## Model M45. Bewustverklaring geestelijk voorganger / godsdienstleraar
Vervallen
## Model M45-A. Bewustverklaring overgangsregeling verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten
De aanvraag tot opheffing dient te worden ingediend bij de IND. Voor de vormvereisten van de aanvraag wordt verwezen naar A5/4.2 en A5/5.2.
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
### 5.3.6.1. Plaats van tenuitvoerlegging
### 1.2. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen
### 1.3. Aanmelding vreemdeling
## Model M46-A. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid, onder k Boek I Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44) en [artikel 36a Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoongegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=36a)
## Model M46-B. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid, onder k Boek I Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44) en [artikel 36a Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=36a)
## Model M46-C. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid, onder k Boek I Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44) en [artikel 36a Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=36a)
## Model M46-D. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid, onder k Boek I Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44) en [artikel 36a Wet Gemeentlijke Basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=36a)
## Model M47. Garantverklaring
Vervallen
## Model M47-A. Garantverklaring verkorte mvv-procedure (bedrijven en onderwijsinstelingen)
Vervallen
## Model M48. Garantverklaring uitwisselingsorganisatie
Vervallen
## Model M48-B. Bewust en garantverklaring verblijf bij religieuze en levensbeschouwelijke organisaties
## Model M49. Arbeidsongeschiktheidsverklaring
Vervallen
## Model M50. Checklist mvv-vereiste
Vervallen
### 1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen
## Model M51-A. Verklaring ontvangst waarborgsom
Vervallen
## Model M51-B. Verklaring teruggave waarborgsom
Vervallen
### 10.6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring
### 1. Algemeen
### 1.2.2. Mededeling aan derden
### 5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting
### 5.3.5. De duur
## Model M52. Verzoek aan de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M53. Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
## Model M54. Aanvraagformulier [Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959)
### 4.2.1. De diplomatieke vertegenwoordiging wijst de aanvraag af
### 10.3.5. Geen opschortende werking in bezwaar
### Opmerkingen
## Model M49. Arbeidsongeschiktheidsverklaring
Vervallen
## Model M50. Checklist mvv-vereiste
Vervallen
## Model M51-A. Verklaring ontvangst waarborgsom
Vervallen
## Model M51-B. Verklaring teruggave waarborgsom
Vervallen
### 1.2.1. Mededeling aan de IND
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
### 2.1. De maatregelen op grond van artikel 6 Vw
### Opmerkingen
### Opmerkingen
### 1.4. Het lichten van vreemdelingen
### 1.6. gezinnen met minderjarige kinderen
### Opmerkingen
### Opmerkingen
### 5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting
### 1.7. Gescheiden plaatsen van strafrechtelijk gedetineerden en vreemdelingen
### 2.3. De bevoegdheid
Bij het opleggen van de vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) aan een geweigerde vreemdeling kan iedere ruimte of plaats in Nederland aangewezen worden. Het kan dus zo zijn dat de ruimte of plaats verder landinwaarts gelegen is. Ook in deze feitelijke situatie blijft de toegang geweigerd.
### Opmerkingen
De maatregel wordt bovendien beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en daartoe voor hem ook gelegenheid bestaat. Deze gelegenheid bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument en vlieg- of reistickets (of voldoende financiële middelen om het beoogde verblijf en de terugkeer te bekostigen). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
### 2.3. De bevoegdheid
### Opmerkingen
### 1. Aanvrager
Met de documenten als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) kan de vreemdeling aantonen verblijfsrecht te ontlenen aan het Gemeenschapsrecht. Hij heeft, als persoon die valt onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer, rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zolang en indien het onderzoek door de Minister niet heeft uitgewezen dat de betrokken persoon geen verblijfsrecht (meer) heeft, of anderszins niet voldaan is aan de beperkingen en voorwaarden van het Gemeenschapsrecht (zie [Richtlijn 2004/38](32004L0038), alsmede de uitspraak van de ABRvS d.d. 7 juli 2003, JV 2003, 431).
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
### 5. Medische verklaring
### 6. Categorie voorzieningen
De maatregel waarbij de bewaring opgelegd wordt, wordt gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt (zie [artikel 5.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.3)). Deze vereisten gelden ook bij de voortzetting van de bewaring op een andere grond, zie A6/5.3.4.5. Wanneer aan de in bewaring te stellen vreemdeling eveneens een terugkeerbesluit, inclusief een eventueel inreisverbod (zie A5/1), wordt uitgereikt, vindt uitreiking daarvan plaats voorafgaand aan of gelijktijdig met de inbewaringstelling. De vreemdeling moet daarbij schriftelijk en mondeling (in een voor hem begrijpelijke taal) worden gewezen op de mogelijkheid tot het aanwenden van het rechtsmiddel genoemd in [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93) (zie A6/6). Voor het opleggen van de maatregel van bewaring dient gebruik te worden gemaakt van een formulier [M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Dit model is zodanig ingericht dat daarin, overeenkomstig [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), steeds de gronden voor de inbewaringstelling worden aangegeven.
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
### 1. Aanvrager
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
De omstandigheid dat een beroep op de rechtbank (zie [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)) over de rechtmatigheid van de bewaring nog bij de rechter aanhangig is, staat niet aan de uitzetting in de weg.
Indien van het verzoek om opname geen gebruik gemaakt wordt, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling inmiddels is uitgezet, licht de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen DJI terstond in. Een dergelijke afmelding is noodzakelijk om de benodigde capaciteit zo efficiënt mogelijk te gebruiken.
Indien een vreemdeling gedurende de tenuitvoerlegging van de bewaring een verzoek om een voorlopige voorziening indient, blijft de vreemdelingenbewaring in beginsel voortduren. De ambtenaar van de DT&V zal in overleg met de IND na moeten gaan of deze procedure in Nederland afgewacht mag worden. Indien daartoe besloten wordt en de vreemdelingenbewaring voortduurt, zal de IND aan de rechtbank verzoeken om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te laten plaatsvinden. Ook de advocaat van de vreemdeling kan in deze gevallen aan de rechtbank om bespoediging van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening vragen.
Ingevolge [artikel 5.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4) wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een cel van de KMar of in een huis van bewaring. Tenuitvoerlegging in een ruimte of plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), of [artikel 58, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is eveneens mogelijk. Het regime is geregeld in respectievelijk de [Regeling Politiecellencomplex](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006557), de Penitentiaire beginselenwet en het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848). In [artikel 5.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4) is bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van de bewaring de vreemdeling niet verder beperkt wordt in de uitoefening van zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de bewaring en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van de tenuitvoerlegging.
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 12. Verklaring van onvermogen
Een uitzetcentrum is in beginsel bedoeld voor illegale vreemdelingen die op korte termijn uitzetbaar zijn. Een uitzetting verloopt in beginsel altijd via een uitzetcentrum (zie A4/6.4). Echter, de duur van het verblijf in het uitzetcentrum is niet aan een wettelijk maximum gebonden. Vreemdelingenbewaring in een uitzetcentrum kan duren zolang de openbare orde of de nationale veiligheid dat vergt en zolang er zicht is op uitzetting. Ook vanuit de optiek van de in het uitzetcentrum aanwezige voorzieningen bestaat er geen limiet aan de verblijfsduur in het uitzetcentrum.
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen meldt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na inbewaringstelling aan bij DJI.
Bij het verzoek tot plaatsing dienen de benodigde gegevens over de van zijn vrijheid ontnomen vreemdeling aan DJI verstrekt te worden.
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
Zodra van DJI bericht ontvangen is in welke inrichting de vreemdeling gaat verblijven, richt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een schriftelijk verzoek tot plaatsing aan de directeur van die inrichting.
Voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, wordt een vonnis of arrest zodra mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee dient de Korpschef, de Commandant der KMar of de directeur van de vreemdelingenrechtelijke inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact op te nemen met het OM over de executie van het vonnis.
De kosten van bewaring in een politiecel kunnen – met uitsluiting van die van de eerste vier dagen van de bewaring – op grond van de [Circulaire afbakening tussen politie- en Justitiekosten 2004-2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016706) van de toenmalige Minister van Justitie (Stcrt 2004, nr. 92, pag. 22), gedeclareerd worden bij het ministerie van V&J.
Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden (zie A4/10). Toch kan het voorkomen dat een vreemdeling na zijn detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring gesteld moet worden. Dit kan zich voordoen bij detentie waarvan niet bij voorbaat de datum van ontslag vaststaat, zoals bij voorlopige hechtenis of een nog niet onherroepelijk vonnis. De inbewaringstelling dient alsdan binnen een redelijke termijn na de (strafrechtelijke) invrijheidstelling te geschieden met toepassing van [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50). Dit artikel verschaft een rechtstitel van vrijheidsontneming om vreemdelingen na een strafrechtelijke detentie ter inbewaringstelling te vervoeren naar een plaats bestemd voor verhoor. Aldaar kan de vreemdeling maximaal zes uren worden opgehouden waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend. De termijn van ophouding vangt aan op het moment dat de vreemdeling op de plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Zie A3/3.5.
De maatregel van bewaring wordt namens de Minister opgeheven door een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking, die tevens hulpofficier van justitie is, of door de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is, zodra er geen grond voor bewaring meer aanwezig is (zie [artikel 5.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4)).
Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden (zie A4/10). Toch kan het voorkomen dat een vreemdeling na zijn detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring gesteld moet worden. Dit kan zich voordoen bij detentie waarvan niet bij voorbaat de datum van ontslag vaststaat, zoals bij voorlopige hechtenis of een nog niet onherroepelijk vonnis. De inbewaringstelling dient alsdan binnen een redelijke termijn na de (strafrechtelijke) invrijheidstelling te geschieden met toepassing van [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50). Dit artikel verschaft een rechtstitel van vrijheidsontneming om vreemdelingen na een strafrechtelijke detentie ter inbewaringstelling te vervoeren naar een plaats bestemd voor verhoor. Aldaar kan de vreemdeling maximaal zes uren worden opgehouden waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend. De termijn van ophouding vangt aan op het moment dat de vreemdeling op de plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Zie A3/3.5.
Voor alle duidelijkheid dient te worden opgemerkt dat indien de identiteit van de vreemdeling én de onrechtmatigheid van zijn verblijf vaststaan, verlenging van de termijn, als bedoeld in [artikel 50, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), niet mogelijk is.
### 3. Verblijfadres aanvrager
Voorts dient van de toepassing van dit artikel proces-verbaal (zie [Model M111-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M111-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) opgemaakt te worden.
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking, die tevens hulpofficier van justitie is, of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is, zal in de hierboven genoemde gevallen de bewaring uitdrukkelijk moeten opheffen. Hij kan daarvoor gebruik maken van het model [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-04-01&g=2012-04-01). Het origineel van dit formulier moet in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt. Ten behoeve van de informatievoorziening dient tevens een afschrift te worden verzonden naar de IND en de DT&V. Tezamen met het verzoek om ontslag uit de inrichting (zie model [M114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M114&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) wordt een afschrift van het model toegezonden aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt.
Gedurende de tenuitvoerlegging van de bewaring kan het voorkomen dat bekend wordt dat de vreemdeling nog een strafrechtelijk vonnis moet ondergaan.
Voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, wordt een vonnis of arrest zodra mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee dient de Korpschef, de Commandant der KMar of de directeur van de vreemdelingenrechtelijke inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact op te nemen met het OM over de executie van het vonnis.
Indien tot executie overgegaan kan worden, dient de vreemdelingenbewaring opgeheven en het vonnis op de daarvoor bestemde plaats ten uitvoer gelegd te worden.
Zonodig kan met betrekking tot de vreemdeling in afwachting van de hernieuwde inbewaringstelling gebruik gemaakt worden van de maatregel als bedoeld in [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50).
De maatregel van bewaring wordt namens de Minister opgeheven door een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking, die tevens hulpofficier van justitie is, of door de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is, zodra er geen grond voor bewaring meer aanwezig is (zie [artikel 5.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4)).
De bewaring moet worden opgeheven:
Deze laatstgenoemde gelegenheid bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument, een vlieg- of reisticket (of voldoende middelen van bestaan). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
### Toelichting
Voorts kan de beëindiging van de bewaring door de rechtbank (zie [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) en [96 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=96)) worden bevolen (zie hierna onder rechtsmiddelen).
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking, die tevens hulpofficier van justitie is, of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is, zal in de hierboven genoemde gevallen de bewaring uitdrukkelijk moeten opheffen. Hij kan daarvoor gebruik maken van het model [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Het origineel van dit formulier moet in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt. Ten behoeve van de informatievoorziening dient tevens een afschrift te worden verzonden naar de IND en de DT&V. Tezamen met het verzoek om ontslag uit de inrichting (zie model [M114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M114&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) wordt een afschrift van het model toegezonden aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt.
## Model M83. Aanvraag vervanging, vernieuwing of eerste aanvraag vreemdelingendocument
Vervallen
## Model M84-M89. Gereserveerd
## Model M55. Kennisgeving bedenktijd/aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel en beroep op regeling [B9 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend)
## Model M55-A. Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel gedurende asielprocedure
## Model M56. Voorblad aanvraag verblijfsvergunning door een inbewaringgestelde vreemdeling
## Model M55. Kennisgeving bedenktijd/aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel en beroep op regeling [B9 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend)
## Model M55-A. Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel gedurende asielprocedure
## Model M56. Voorblad aanvraag verblijfsvergunning door een inbewaringgestelde vreemdeling
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
Vervallen
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
Vervallen
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
Vervallen
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel intrekking verblijfsvergunning en/ of ongewenstverklaring
## Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
## Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
## Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
## Model M65-C. Beschikking afwijzen aanvraag wijziging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om omzetting van een enkelvoudig visum in een meervoudig visum
### 4.3. Het inhouden van documenten
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de doorlaatpost van uitreis
### 4.1. Aanvragen reisdocumenten
### 6.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
### 4.2. Gedragslijn als geen reisdocument kan worden verkregen
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
### 6.7. Uitzetting via transitluchthaven in een EU-lidstaat
In het algemeen zal bij ongewenstverklaring sprake zijn van zowel de onder a als b beschreven situatie (zie [artikel 8.24, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24)).
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
### 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
### 7.3. Inwilliging
Verwijdering met de sterke arm uit Nederland van een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die is aangehouden op grond van verdenking van het plegen van strafbare feiten (zijnde misdrijven en overtredingen). Zie hiervoor A4/10.1. Tot deze vertrekcategorie behoort ook de vreemdeling die voorafgaand aan zijn uitzetting op een bepaald moment vanuit het strafrechttraject in vreemdelingenbewaring is gesteld. De verwijderde geweigerde vreemdeling die strafrechtelijk is of wordt vervolgd, valt niet onder deze vertrekcategorie.
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 7.6. Procedure bij zwangerschap/bevalling
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
### 7.6. Procedure bij zwangerschap/bevalling
### 7.2.2. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring
### 7.2.1.2. Medische aspecten parallel aan de asielprocedure
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
Vreemdelingen die een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) willen indienen en nog niet bekend zijn bij de IND of eerder met onbekende bestemming zijn vertrokken, worden verzocht contact op te nemen met de IND over de te volgen procedure. Deze vreemdelingen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek om toepassing van artikel 64 Vw in persoon aan het IND-loket in te dienen. In het geval er reeds een schriftelijke aanvraag is ingediend, zal de vreemdeling worden verzocht zijn aanvraag aan het IND-loket aan te vullen door het aldaar laten vaststellen van zijn verblijfplaats in Nederland. De vraag of op grond van artikel 64 Vw uitzetting achterwege moet blijven, kan zich niet eerder voordoen dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Derhalve kan het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw zich niet voordoen zolang niet is gebleken van verblijf in Nederland. Het niet in persoon aan het IND-loket verschijnen kan derhalve reden zijn om het verzoek af te wijzen.
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
### 7.2.1.1. Procedure voor opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 2. Gronden voor ongewenstverklaring
### 7.3.2. Inwilliging in de parallelle procedure in afwachting van definitieve besluitvorming
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 3. Procedurele aspecten
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
### 7.5.1. Algemeen
### 3.3. Uitreiking van de beschikking
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
### 9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
### 7.4. Afwijzing
### 5. Ongewenstverklaring
### 2. Gronden voor ongewenstverklaring
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 6. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
### 10.2. Gedragslijn indien buitenlandse autoriteiten uitlevering vragen
### 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen
### 3. Procedurele aspecten
### 3.6. Stellen van aantekeningen
### 1.4. Het lichten van vreemdelingen
### 3. Aan wie wordt geen inreisverbod opgelegd
### 5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of afwijzing van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
## Model M11
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing art. 4.11 Vb
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Garantverklaring zeelieden collectief/permanent
Vervallen
## Model M18. Beschikking weigering toegang aan personen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer ([artikel 8.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8) of [8.5 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.5))
## Model M19. Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge [artikel 6, eerste lid of eerste en tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)
## Model M20. Kennisgeving toegang onder voorwaarden
## Model M21
Vervallen
## Model M22. Bijzonder doorlaatbewijs
Vervallen
## Model M23. Standaard fax-bericht t.b.v. regeling transiterende visumplichtige zeelieden
Vervallen
## Model M24-A. Opdracht tot verwijdering
## Model M24-B. Rapport van overnemen van personen uit België of Duitsland
Vervallen
## Model M25. Fax: Melding incidenten grensbewaking
Vervallen
## Model M26. Bewustverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M27. Guiding Letter: attest inzake vreemdelingen zonder reisdocumenten
Vervallen
## Model M28. Covering Letter: attest inzake vreemdelingen met valse of vervalste reisdocumenten
Vervallen
## Model M29. Aanwijzing terugvoerverplichting luchtvaartmaatschappij
Vervallen
## Model M30. Aanwijzing terugvoerverplichting rederij
## Model M31. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens
Vervallen
## Model M32-M34. Gereserveerd
## Model M35-A. Aanvraag verblijfsvergunning of wijziging beperking zonder Mvv
Vervallen
## Model M35-A-1. Aanvraag verblijfsvergunning met Mvv
Vervallen
## Model M35-B. Aanvraag verlenging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M35-C. Aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-D. Aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-E. Aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht (bewijs van rechtmatig verblijf)
Vervallen
## Model M35-F. Aanvraag van wettelijk vertegenwoordiger tot het verlenen, wijzigen danwel verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-G. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet tevens geldig te verklaren voor inwonende kinderen beneden 12 jaar
Vervallen
## Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-I
Vervallen
## Model M35-J
Vervallen
## Model M35-J-1. Aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd of verlenging bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-K
Vervallen
## Model M36. Afspraakbevestiging
Vervallen
## Model M37. Antecedentenverklaring
Vervallen
## Model M38. TBC-formulier
Vervallen
## Model M39-A. Bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens
## Model M39-B. Aanvraagformulier DNA-onderzoek
Vervallen
## Model M39-C. Verzoek om een leeftijdsonderzoek in het aanmeldcentrum
## Model M39-D. Verzoek om een leeftijdsonderzoek opvanglocatie
## Model M39-E. Toestemmingsverklaring herhaald leeftijdsonderzoek
## Model M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
Vervallen
## Model M40. Vragenlijst China
## Model M41. Verklaring burgerlijke staat
Vervallen
## Model M42. Relatieverklaring
Vervallen
## Model M43. Bewustverklaring studie
Vervallen
## Model M44. Bewustverklaring Au Pair
Vervallen
## Model M44-A. Overeenkomst Au pair – Gastgezin
Vervallen
## Model M45. Bewustverklaring geestelijk voorganger / godsdienstleraar
Vervallen
## Model M46-A. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M46-B. Verklaring op grond van art. 44, eerste lid, onder k Boek I BW en art. 36a Wet GBA
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
Vervallen
## Model M11
Vervallen
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing [artikel 4.11 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.11)
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
Vervallen
## Model M11
Vervallen
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing [artikel 4.11 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.11)
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
Gereserveerd.
## Model M7
Gereserveerd.
## Model M8
Gereserveerd.
## Model M9
Gereserveerd.
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
Vervallen
## Model M11
Vervallen
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing [artikel 4.11 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.11)
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Garantverklaring zeelieden collectief/permanent
Vervallen
## Model M18. Beschikking weigering toegang aan personen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer ([artikel 8.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.8) of [8.5 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.5))
## Model M19. Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge [artikel 6, eerste lid of eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)
## Model M20. Kennisgeving toegang onder voorwaarden
## Model M21
Vervallen
## Model M22. Bijzonder doorlaatbewijs
Vervallen
## Model M23. Standaard fax-bericht t.b.v. regeling transiterende visumplichtige zeelieden
Vervallen
## Model M24-A. Opdracht tot verwijdering of overgave
## Model M24-B. Rapport van overnemen van personen uit België of Duitsland
Vervallen
## Model M25. Fax: Melding incidenten grensbewaking
Vervallen
## Model M26. Bewustverklaring kort verblijf
Vervallen
[Deel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012288)bevat de algemeen geldende en de bijzondere bepalingen voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning asiel hebben of willen verkrijgen.
### 2. Bevoegdheden
Het Landelijk Stafbureau Vreemdelingenkamers biedt ondersteuning op het gebied van juridische en organisatorische coördinatie aan de vreemdelingenkamers.
Zoals reeds in A2/4.2.3 werd vermeld, is in artikel 5, eerste lid, onder c, SGC aangegeven dat een vreemdeling dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. In bijlage 18 van het Praktisch Handboek zijn de jaarlijkse door de nationale autoriteiten vastgestelde referentiebedragen opgenomen. Tevens dient de vreemdeling in het bezit te zijn van een toereikende en geldige medische reisverzekering voor de duur van zijn verblijf in het Schengengebied (zie artikel 15 Visumcode).
Studenten die op basis van het Erasmus Mundus programma langer in het Schengengebied willen verblijven en deelnemers van internationale gezelschappen zoals Cirque du Soleil worden in dit verband aangemerkt als zeer bijzondere gevallen. Verlenging boven de drie maanden is in die gevallen dan ook noodzakelijk ten einde het programma of voorstelling ook hier te lande te kunnen volbrengen c.q. geven. In de overige gevallen dient er sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden die gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.
Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.
### 7.3.8. Verplichtingen op grond van de Awb
### 7.7.1.2. Ontheffing en termijnstelling
### 7.9.1. Aangifte van vermissing van documenten
### 7.9.3. Gedragslijn bij vreemdelingen zonder documenten
### 9.1.3. Het (N)SIS
### 9.1.4. Verhouding OPS en (N)SIS
### 9.2.2. Signalering IRV op grond van [artikel 66a, zevende lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a)’(inreisverbod op grond van artikel 66a, lid 7 Vw)
### 9.2. Soorten signaleringen
### 9.4. Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen
### 9.5. Signalering en weigering van toegang
### 9.5.4. Bezit geldige verblijfstitel/OPS-signalering
### 9.6.4. Toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling
### 2.1. De maatregelen op grond van artikel 6 Vw
### 2.2. Het doel
### 5.3.8. De beëindiging
### 6. Rechtsmiddelen
### 3. Verblijf
### 6.2. Beroep bij de rechtbank
### 3.2. Het doel
### 3.3. De bevoegdheid
### 4. Toezicht
### 4.3.3. De toepassing
### 3.5. Wijze van behandeling
### Opmerkingen
In de meeste gevallen waarbij bewaring wordt overwogen, zal de maatregel gebaseerd zijn op het belang van de openbare orde en niet op het belang van de nationale veiligheid (bijv. spionage, terroristische activiteiten) betreffen. Indien er aanleiding is inbewaringstelling op deze laatste grond te baseren, kan dat alleen na een bijzondere aanwijzing van de Minister.
Ingevolge [artikel 5.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4) wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een cel van de KMar of in een huis van bewaring. Tenuitvoerlegging in een ruimte of plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), of [artikel 58, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is eveneens mogelijk. Het regime is geregeld in respectievelijk de [Regeling Politiecellencomplex](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006557), de Penitentiaire beginselenwet en het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848). In [artikel 5.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4) is bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van de bewaring de vreemdeling niet verder beperkt wordt in de uitoefening van zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de bewaring en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van de tenuitvoerlegging.
Hoewel de tenuitvoerlegging van de bewaring doorgaans op een politiebureau of in een cel van de KMar zal aanvangen, dient deze in beginsel te worden voortgezet in een justitiële inrichting of in een ruimte of plaats waar het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848) van toepassing is, indien en zodra dit redelijkerwijs mogelijk is (zie [artikel 5.4, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4)). Het criterium ‘redelijkerwijs mogelijk’ ziet op de beschikbare capaciteit in de desbetreffende inrichtingen, alsmede op de prioriteitstelling die bij de verdeling daarvan gehanteerd dient te worden.
Voor alle duidelijkheid dient te worden opgemerkt dat indien de identiteit van de vreemdeling én de onrechtmatigheid van zijn verblijf vaststaan, verlenging van de termijn, als bedoeld in [artikel 50, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), niet mogelijk is.
Indien van het verzoek om opname geen gebruik gemaakt wordt, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling inmiddels is uitgezet, licht de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen DJI terstond in. Een dergelijke afmelding is noodzakelijk om de benodigde capaciteit zo efficiënt mogelijk te gebruiken.
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
### 5. Medische verklaring
Bewaring krachtens [artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) duurt in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel de voornemenprocedure ([artikel 39 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=39)) toegepast is, duurt de bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw in geen geval langer dan zes weken. Deze bewaring eindigt van rechtswege en behoeft, als de termijn verstreken is, niet opgeheven te worden.
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is ziet toe op beëindiging van de bewaring. Hij draagt zorg voor invrijheidstelling van de vreemdeling.
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
Heeft de vreemdeling het Nederlands grondgebied verlaten en keert hij terug (bijvoorbeeld na weigering toegang door de autoriteiten in het land van bestemming of van transit), dan dient de vreemdeling (na aankomst op bijvoorbeeld de luchthaven Schiphol) opnieuw in bewaring te worden gesteld, in beginsel door een hulpofficier van justitie van het politiekorps die verantwoordelijk was voor de eerdere bewaring dan wel door een hulpofficier van het politiekorps van de regio waarbinnen de desbetreffende grensdoorlaatpost is gelegen. De toegang tot Nederland zal niet worden geweigerd, ondanks het feit dat betrokkene strikt genomen niet aan de voorwaarden voor toegang voldoet, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling in de tussentijd toegang heeft verkregen in een derde land. Een dergelijke aanwijzing kan bestaan uit het feit dat hij na meerdere dagen terugkeert dan wel uit een inreisstempel in zijn reisdocument.
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Daarnaast geldt dat, indien de gestelde termijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, de termijn wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
In het geval dat binnen de termijn van 28 dagen meerdere besluiten tot vrijheidsontneming zijn genomen, bijvoorbeeld als gevolg van het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, telt voor de termijn van kennisgeving het eerste besluit.
De bepalingen van [hoofdstuk 8 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) zijn, met uitzondering van de in [artikel 93 tot en met 107 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)genoemde afwijkingen, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het opleggen van de in [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93) genoemde vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen op grond van de[Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). [Artikel 8, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) stelt het opleggen van deze maatregelen gelijk met een besluit. Op grond van [artikel 75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) en [77 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=77) kan geen bezwaar en administratief beroep worden ingediend en dient tegen het opleggen van deze maatregelen beroep ingesteld te worden bij de rechtbank. Het gaat hierbij om de volgende maatregelen:
De Minister (in de praktijk de IND) dient uiterlijk op de 28e dag na de bekendmaking van het besluit om de maatregel op grond van [artikel 59, zesde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) langer dan zes maanden te laten voortduren, de rechtbank daarvan in kennis te stellen, tenzij de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld (zie [artikel 94, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94)). Op deze termijnstelling is de [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) van toepassing.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij de rechtbank Den Haag. Daarbij moet een afschrift van de bestreden beschikking overgelegd worden.
De vreemdeling zelf, zijn wettelijk vertegenwoordiger, zijn bijzonder gemachtigde of een in Nederland ingeschreven advocaat, indien deze verklaart daartoe gevolmachtigd te zijn, kan tegen een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel genoemd onder 6.1 beroep instellen bij de rechtbank Den Haag (zie [artikel 70 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=70)). Het beroep kan ook ingesteld worden door middel van een schriftelijke verklaring, bedoeld in artikel 451a van het WvSv. Voor het instellen van beroep geldt geen termijn (zie [artikel 69, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69)).
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij de rechtbank Den Haag. Daarbij moet een afschrift van de bestreden beschikking overgelegd worden.
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
De Minister (in de praktijk de IND) dient uiterlijk op de 28e dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) de rechtbank daarvan in kennis te stellen, tenzij de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld (zie [artikel 94, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94)). Op deze termijnstelling is de [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) van toepassing. Dit heeft tot gevolg dat de termijn van 28 dagen een aanvang neemt op de dag nadat de vreemdeling in bewaring is gesteld. De kennisgeving, die gelijk wordt gesteld met een beroep van de vreemdeling, dient dus uiterlijk op de 29e dag van de vrijheidsontneming door de rechtbank te zijn ontvangen.
Daarnaast geldt dat, indien de gestelde termijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, de termijn wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
In het geval dat binnen de termijn van 28 dagen meerdere besluiten tot vrijheidsontneming zijn genomen, bijvoorbeeld als gevolg van het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, telt voor de termijn van kennisgeving het eerste besluit.
De kennisgeving hoeft niet gedaan te worden indien de bewaring uiterlijk de 28e dag van de vrijheidsontneming is opgeheven. Stelt de vreemdeling dan wel zijn advocaat of gemachtigde beroep in binnen de termijn van 28 dagen, dan hoeft de IND evenmin een kennisgeving aan de rechtbank te zenden.
De Minister (in de praktijk de IND) dient uiterlijk op de 28e dag na de bekendmaking van het besluit om de maatregel op grond van [artikel 59, zesde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) langer dan zes maanden te laten voortduren, de rechtbank daarvan in kennis te stellen, tenzij de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld (zie [artikel 94, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94)). Op deze termijnstelling is de [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) van toepassing.
De rechtbank doet mondeling ter zitting of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan.
In [artikel 94, lid 2 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) is voorgeschreven dat de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaalt. De zitting vindt uiterlijk op de 14e dag na ontvangst van het beroepschrift of de kennisgeving plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon bij raadsman te verschijnen om te worden gehoord. Tevens roept de rechtbank de gemachtigde van de Minister op. Tijdens dit onderzoek ter zitting kan de vreemdeling zich alleen doen bijstaan door een raadsman. Als raadsman wordt slechts toegelaten een in Nederland ingeschreven advocaat of een rechtshulpverlener die in dienst is van de SRA, indien deze persoon aan de daarvoor gestelde eisen voldoet (zie [artikel 98, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=98)).
De rechtbank doet mondeling ter zitting of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan.
Indien de rechtbank de toepassing of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig acht, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Ook kan de rechtbank schadevergoeding toekennen (zie hierna A6/6.4).
De griffier van de rechtbank zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van de uitspraak aan de vreemdeling of zijn advocaat en aan de IND. De IND informeert vervolgens de DT&V. De DT&V geeft aan hoe verder ten aanzien van de vreemdeling gehandeld moet worden. Een opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel kan enkel geschieden na overleg met de DT&V en eventueel met de IND, gelet op het eventueel in te dienen hoger beroep of het verzoeken om een voorlopige voorziening.
### 12. Verklaring van onvermogen
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
De aanvrager verklaart alle gegevens in dit formulier naar waarheid te hebben verstrekt, en verklaart tevens dat hij/zij niet op grond van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst is verklaard:
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
Handtekening aanvrager:....
Zie [artikel 106 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=106). Indien de rechtbank de maatregel van vrijheidsontneming onrechtmatig acht (beroep gegrond verklaart) en de opheffing beveelt, of de maatregel voor de behandeling van het beroep wordt opgeheven, kan zij aan de vreemdeling schadevergoeding toekennen. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De [artikelen 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=90) (toekenning van schade als er gronden voor billijkheid zijn) en [93 (uitbetaling door de griffier) WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=93) zijn van overeenkomstige toepassing.
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging worden aangemerkt als aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
In dit hoofdstuk wordt het overgangsrecht van de Vw beschreven. Het overgangsrecht betreft zowel de verblijfsvergunningen als de procedurele aspecten.
Aanvragen om toelating als vluchteling als bedoeld in artikel 15 Vw (oud) worden aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel.
Sinds de datum van inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), op 1 april 2001, worden de tot dan toe geldige verblijfsvergunningen van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze wet ([artikel 115, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=115)), met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen. Een opsomming van de omzettingen volgt hieronder.
Een aanvraag tot verlening of verlenging die is ingediend vóór 1 april 2001 wordt op grond van [artikel 117, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117) behandeld op grond van de Vw (oud). Op deze aanvragen blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Vw.
Datum: .....
### Toelichting
### 4.1. Algemeen
### 4.2. Het staandehouden en ophouden op grond van artikel 50 Vw
### 6.4. Schadevergoeding
### 4.3.5. De vrijheidsbeperkende locatie
Vreemdelingenbewaring is een maatregel die ten doel heeft de uitzetting van een vreemdeling te effectueren. Indien een vreemdeling niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dient hij in beginsel Nederland zelf te verlaten. Doet hij dat niet, dan vindt uitzetting plaats. Op deze wijze bestaat er een directe relatie tussen de vreemdelingenbewaring en het terugkeerbeleid. Mede vanwege het ingrijpende karakter is ook deze maatregel met strikte waarborgen omkleed.
### Opmerkingen
Aan de vreemdeling wordt tijdens de strafrechtelijke detentie mededeling gedaan van het feit dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van [Model M122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M122&z=2012-07-01&g=2012-07-01), op schrift gesteld en aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt, moet eveneens een afschrift van deze mededeling worden gestuurd.
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
Heeft de vreemdeling het Nederlands grondgebied niet verlaten (bijvoorbeeld door verzet van de vreemdeling), dan kan de bewaring gecontinueerd worden op de bestaande maatregel van bewaring. In dat geval zal wel een nieuw (spoed) verzoek tot plaatsing aan DJI moeten worden gedaan. In dit geval dient uiteraard geen [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-07-01&g=2012-07-01) te worden verzonden.
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
Zonodig kan met betrekking tot de vreemdeling in afwachting van de hernieuwde inbewaringstelling gebruik gemaakt worden van de maatregel als bedoeld in [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50).
### 6. Categorie voorzieningen
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
In afwijking van [artikel 8:41 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) wordt door de griffier van de rechtbank geen griffierecht geheven (zie [artikel 93, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)).
De griffier van de rechtbank zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van de uitspraak aan de vreemdeling of zijn advocaat en aan de IND. De IND informeert vervolgens de DT&V. De DT&V geeft aan hoe verder ten aanzien van de vreemdeling gehandeld moet worden. Een opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel kan enkel geschieden na overleg met de DT&V en eventueel met de IND, gelet op het eventueel in te dienen hoger beroep of het verzoeken om een voorlopige voorziening.
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Indien uit informatie van de rechtbank blijkt dat de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk dient te worden opgeheven, informeert de IND onverwijld de DT&V. De maatregel dient onverwijld door een daartoe bevoegd ambtenaar van de Vreemdelingenpolitie, de Kmar of de DT&V te worden opgeheven onder gebruikmaking van het [Model M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-07-01&g=2012-07-01). De vreemdeling wordt dus niet zonder voorafgaande opheffing heengezonden. Indien in de inrichting waar de vreemdeling zich bevindt geen tot opheffing bevoegde ambtenaar aanwezig is, kan een wel bevoegde ambtenaar een schriftelijk verzoek om invrijheidstelling richten aan de directeur, vergezeld van een Model M113. Voorts kan de directeur van de inrichting verzocht worden om de vreemdeling een mededeling te doen omtrent melding of vertrek. Een afschrift van het opheffingsbewijs (zie Model M113) dient naar de DT&V te worden verzonden.
Sinds de datum van inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), op 1 april 2001, worden de tot dan toe geldige verblijfsvergunningen van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze wet ([artikel 115, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=115)), met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen. Een opsomming van de omzettingen volgt hieronder.
Indien de rechtbank na een eerste beoordeling het beroep ongegrond heeft verklaard dan wel een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging heeft bevolen, en de maatregel van vrijheidsontneming duurt voort, kan de vreemdeling op ieder moment opnieuw beroep instellen tegen het voortduren van de maatregel van vrijheidsontneming.
Op grond van [artikel 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=95), juncto [artikel 69, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69) kan de vreemdeling of zijn advocaat, of de IND binnen één week tegen een uitspraak van de rechtbank, bedoeld in [artikel 94, derde lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) (eerste beroep/kennisgeving tegen een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)) hoger beroep instellen bij de ABRvS. [Afdeling 4 van hoofdstuk 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) is van toepassing, met uitzondering van [artikel 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) en [86 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=86).
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 12. Verklaring van onvermogen
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
### 3.5. De vorm
### 4.3.2. De bevoegdheid
### 3.5. Wijze van behandeling
### Opmerkingen
### 1. Aanvrager
### 5. Medische verklaring
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
### 5. Medische verklaring
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
### 14. Verwerking persoonsgegevens
In dit hoofdstuk wordt het overgangsrecht van de Vw beschreven. Het overgangsrecht betreft zowel de verblijfsvergunningen als de procedurele aspecten.
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
### Toelichting
### 4.2. Rapportage Vreemdelingenketen
### 6.3. De BVV
### 2.8. De beëindiging
### 3.4. De toepassing
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
### 4.1. Algemeen
### 5.2.1. De bevoegdheid
### 4.4. Hoger beroep
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 5. Medische verklaring
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
### 6. Categorie voorzieningen
### 12. Verklaring van onvermogen
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
### 4.3.3. De toepassing
### 4.3.3. De toepassing
### 3.5. Wijze van behandeling
### 4. Rechtsmiddelen
### 5. Uitzetting
In [artikel 57, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) staat vermeld dat de Minister aan de asielzoeker de aanwijzing geeft om zich in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats op te houden. Over het algemeen zal een dergelijke aanwijzing in de afwijzende beschikking opgenomen worden (zie [artikel 5.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.7)).
### 1. Aanvrager
De kosten van bewaring in een politiecel kunnen – met uitsluiting van die van de eerste vier dagen van de bewaring – op grond van de [Circulaire afbakening tussen politie- en Justitiekosten 2004-2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016706) van de toenmalige Minister van Justitie (Stcrt 2004, nr. 92, pag. 22), gedeclareerd worden bij het ministerie van V&J.
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 14. Verwerking persoonsgegevens
### 3.2. Het doel
### 4.3.5. De vrijheidsbeperkende locatie
### 1. Aanvrager
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 5. Medische verklaring
### 6. Categorie voorzieningen
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 12. Verklaring van onvermogen
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
### 5.3.1. Het doel
### 5.2.5. De duur
### 5.2.5. De duur
### 5.2.6. De beëindiging
### 5.3.1. Het doel
### 5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid
### 5.3.3.4. Vreemdelingen die op korte termijn uitgezet kunnen worden
### 5.3.3.5. Bewaring van vreemdelingen met rechtmatig verblijf
Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door degene die bevoegd is tot het geven van een besluit tot inbewaringstelling.
### 5.3.4.1. Het gehoor
### 5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
### 5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond
### 5.3.5. De duur
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
### 5.3.6.1. Plaats van tenuitvoerlegging
### 5.3.7.1. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie
### 5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring
### 5.3.6.3. Declaratie van de kosten van bewaring in een politiecel
### 5.3.7.1. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie
### 5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring
### 5.3.8. De beëindiging
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
### 6.1. Algemeen
### 6.1. Algemeen
### 6.2.1. Beroep instellen bij de rechtbank
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
### 6.3. Hoger Beroep
### 6.2.4. Procedure bij voortduren van de vrijheidsontneming
### 6.2.4. Procedure bij voortduren van de vrijheidsontneming
### 6.3. Hoger Beroep
### 6.4. Schadevergoeding
### 1. Inleiding
Ingeval echter een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, kan een vertrektermijn worden onthouden. In dat geval moet de vreemdeling de Unie onmiddellijk verlaten en wordt in het terugkeerbesluit als regel een inreisverbod opgenomen (zie A5/1).
### 4. Reisdocumenten
### 4.3. Het inhouden van documenten
### 4. Reisdocumenten
### 4.4. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
### 6.12. Gedragslijn indien uitzetting niet mogelijk is
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 6.10. Bericht van vertrek
### 7.2.1.1. Procedure voor opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een verzoek om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
### 10.2. Gedragslijn indien buitenlandse autoriteiten uitlevering vragen
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
### 10.1. Protocol VRIS
### 7.5.2. Rechtsmiddelen parallelle procedure
### 10.2. Gedragslijn indien buitenlandse autoriteiten uitlevering vragen
### 9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
### 3. Procedurele aspecten
### 4. Inreisverbod niet zonder terugkeerbesluit
In de volgende gevallen vaardigt de IND een inreisverbod uit meestal na hiervoor een voorstel van de VP/Kmar te hebben ontvangen:
### 6.3.4. Uitreiking van de beschikking
### 6.4. Voorstel voor een inreisverbod door vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar
### 6.4. Voorstel voor een inreisverbod door vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar
### 6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring
Naast een inreisverbod op voorstel van de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar, kan de IND ook zelfstandig een inreisverbod opleggen.
### 6.5. Het inreisverbod door de IND
### 6.7. Stellen van aantekeningen
### 7.2. De vorm van de aanvraag
### 4.3.4. De beëindiging
### 7.3. De inhoud van de aanvraag
### 7. Opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod
### 7.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
### 9. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden
### 3.2. Het doel
Door de vreemdeling genoemde personen, die volgens zijn verklaring iets in zijn voordeel zouden kunnen aanvoeren, moeten zoveel mogelijk (schriftelijk) worden gehoord. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies tot verblijfsbeëindiging tevens aan de IND alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de mogelijke ongewenstverklaring zo uitvoerig mogelijk worden belicht (zie [model M63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M63&z=2012-04-01&g=2012-04-01)).
## Model M27. Guiding Letter: attest inzake vreemdelingen zonder reisdocumenten
Vervallen
## Model M28. Covering Letter: attest inzake vreemdelingen met valse of vervalste reisdocumenten
Vervallen
## Model M29. Aanwijzing terugvoerverplichting luchtvaartmaatschappij
Vervallen
## Model M30. Aanwijzing terugvoerverplichting rederij
## Model M31. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens
Vervallen
## Model M32-M34. Gereserveerd
## Model M35-A. Aanvraag verblijfsvergunning of wijziging beperking zonder Mvv
Vervallen
## Model M35-A-1. Aanvraag verblijfsvergunning met Mvv
Vervallen
## Model M35-B. Aanvraag verlenging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M35-C. Aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-D. Aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-E. Aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht (bewijs van rechtmatig verblijf)
Vervallen
## Model M35-F. Aanvraag van wettelijk vertegenwoordiger tot het verlenen, wijzigen danwel verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-G. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet tevens geldig te verklaren voor inwonende kinderen beneden 12 jaar
Vervallen
## Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-B. Aanvraag om verlening van een terugkeervisum
Vervallen
## Model M5-C. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om verlenging of wijziging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om wijziging van een visum
## Model M5-D. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen die in Nederland zijn toeglaten voor langer dan drie maanden
Vervallen
## Model M5-E. Beschikking tot het afwijzen van een aanvraag om een terugkeervisum door vreemdelingen aan wie is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten
Vervallen
## Model M6
## Model M7
## Model M8. Gereserveerd
## Model M9. Gereserveerd
## Model M10. Bemanningslijst schip (gezagvoerder)
Vervallen
## Model M11
Vervallen
## Model M12
Vervallen
## Model M13. Modelbeschikking ontheffing [artikel 4.11 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.11)
## Model M14. Passagierslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M15. Bemanningslijst luchtvaart
Vervallen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens aan onderdanen van derde landen die kort verblijf beogen
## Model M16. Garantverklaring zeelieden
Vervallen
## Model M17. Standaardformulier voor weigering van toegang aan de grens aan onderdanen van derde landen die kort verblijf beogen
## Model M35-G. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet tevens geldig te verklaren voor inwonende kinderen beneden 12 jaar
Vervallen
## Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-I
Vervallen
## Model M35-J
Vervallen
## Model M35-J-1. Aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd of verlenging bepaalde tijd
Vervallen
## Model M35-K
Vervallen
Ten behoeve van de planning en controle wordt binnen de vreemdelingenketen gebruik gemaakt van een vaste planning en controlecyclus. Deze bevat de mijlpalen die van belang zijn voor een effectieve en efficiënte voorbereiding van de verschillende producten die gebruikt worden om de planning en controle op het niveau van de keten te realiseren.
### 4.2. Rapportage Vreemdelingenketen
### 6.2. Het PIL
### 7.3.7. Mededeling omtrent het vervallen van het verblijfsdoel
### 9.2.1. Signalering ‘ONGEW’ (ongewenst verklaard ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67))
### 9. Signaleringen
### 9.2.3. Signalering inreisverbod (inreisverbod anders dan op grond van [artikel 66a, lid 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a))
### 9.2.2. Signalering ‘OVR’ (ongewenst vreemdeling)
### 6.5. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting
### 1. Inleiding
### 3. Vertrektermijnen
### 3.4.2.2. Voorwaarden
### 4.4. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
### 5.1. Algemeen
### 6.6. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
### 6.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
### 6.10. Bericht van vertrek
### 6.7. Uitzetting via transitluchthaven in een EU-lidstaat
### 6.8. Overdracht aan het voor het asielverzoek verantwoordelijke land
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
### 7.1. Beleid
### 6.11. Bericht van ontruiming
### 7.2. Procedure
### 7.2.4. Gevolgen indiening aanvraag
### 7.5. Rechtsmiddelen
### 3. Procedurele aspecten
### 7.3.1. Inwilliging in afwachting van definitieve besluitvorming
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
### 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming
### 10.1. Protocol VRIS
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 9.4. Verantwoording ontvangen gelden
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 3.4. Bezwaar en beroep
### 2.1. Voorwaarden
### 5.1. Inleiding
### 5.2. Vorm van het verzoek
### 6.4.2. Voorbereiding
### 6. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### 6.4.4. Uitreiking van de beschikking
### 1.3. Aanmelding vreemdeling
### 1.4. Het lichten van vreemdelingen
### 7.3.5. Verstrekken gegevens over (vroegere) buitenlandse werknemers
### 7.5. Het verlenen van medewerking aan een medisch onderzoek
### 7.7.1.3. Stellen van aantekeningen
### 9.3. Handelwijze bij een als ongewenst gesignaleerde vreemdeling
### 4. Vertrek en uitzetting
### 2.3. Een klacht schort het vertrek uit Nederland niet op
### 3.3. Verkorten of onthouden van de vertrektermijn
### 5.2. Procedure
### 6.4. Aanlevering van de vreemdeling ten behoeve van uitzetting
### 6.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht
### 6.9. Signalering in het opsporingsregister
### 7.2.1. Beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 7.4. Afwijzing
### 7.4. Afwijzing
### 9.3. Verhaal van kosten op de vervoerder
### 3.1. Indienen van een voorstel
### 3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring
### 2.2. Geen rechtmatig verblijf
### 5.1. Inleiding
### 6.2. Ongewenstverklaring
### 6.4.4. De beslissing op de aanvraag
### 1. Algemeen
### 1.1. Overzicht vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### 2. Toegang
### 7.9.2. Vervanging van identiteitspapieren
### 9.3. Handelwijze bij een als ongewenst gesignaleerde vreemdeling
### 9.5. Signalering en weigering van toegang
### 9.6.3. Behandeling van het verzoek om opheffing van signalering
### 2.3. Een klacht schort het vertrek uit Nederland niet op
### 3.1. Toekennen van een vertrektermijn voor zelfstandig vertrek
### 3.3. Verkorten of onthouden van de vertrektermijn
### 7.5. Rechtsmiddelen
### 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname
### 7.2.3. Het raadplegen van het BMA
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
In geval van zwangerschap of bevalling dient een medische verklaring van een arts te worden overgelegd, waaruit blijkt in welk stadium de zwangerschap verkeert.
### 5.2. Vorm van het verzoek
### 6.5.2. De beschikking en de uitreiking van de beschikking
Ingevolge [artikel 66b, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66b) kan ambtshalve dan wel op aanvraag worden beslist tot opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod. De redenen voor een mogelijke opheffing staan beschreven in [artikel 6.5b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.5b).
### 1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen
Door de ongewenstverklaring wordt het verblijf in en illegale terugkeer naar Nederland van de vreemdeling strafbaar. Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan een misdrijf (zie [artikel 197 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197)).
### 7.5. Rechtsmiddelen
### 7.6. Procedure bij zwangerschap/bevalling
### 10.1. Protocol VRIS
### 2. Het inreisverbod ([artikel 66a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a))
### 5.3. Inhoud van het verzoek
### 6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 7.4.2. Verzoek om opheffing inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid
### 7.4.1. Algemeen
### 2. Toegang
### 2.8. De beëindiging
### 7.3.6. Mededeling omtrent zoeken of gaan verrichten van arbeid
### 9.6.1. Inleiding
### 9.6.3.3. Rechtsmiddelen
### 2.1. De rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten
### 4.4. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten
### 3.4.2.1. Indienen verzoek
### 9. Verhaal van kosten van uitzetting
### 6.2. Belangenafwegingen
### 6.2. Belangenafwegingen
### 5.1. Inleiding
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
### 10.3.1. Indienen van een voorstel
### 3.1. Het zich beschikbaar houden ([artikel 55, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55))
### 4.2. Het staandehouden en ophouden op grond van artikel 50 Vw
Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar tevens een brochure in een voor de betrokkene begrijpelijke taal met betrekking tot de ongewenstverklaring ex [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) verstrekt. Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.
## Model M36. Afspraakbevestiging
Vervallen
### 4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 5.6. Inreis, toezicht en uitreis
### 3.2. Voorbereiding
### 6.3.2. Voorbereiding
### 8. Tijdelijke opheffing van het inreisverbod
### 10.3.3. uitreiking van de beschikking
### 7.7. Periodieke aanmeldingen
### 7.7.1.1. Algemeen
### 9.5. Signalering en weigering van toegang
### 3.4.2.1. Indienen verzoek
### 5. Zelfstandig vertrek gefaciliteerd door IOM
### 7.7. Procedure bij vreemdelingen met TBC
### 10.3.2. Voorbereiding
### 3.5. De vorm
### 10.3.4. Bezwaar en beroep
### 10.4.2. De vorm van de aanvraag
### 10.4.3. De inhoud van de aanvraag
### 10.4.4. Beoordeling van de aanvraag
### 2. Omzetting van verblijfsvergunningen
### 3.5. Wijze van behandeling
### 3.1. Inleiding
### 3.2. Aanvragen verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf
### 3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
### 3.4. Aanvragen om toelating als vluchteling
### 4. Rechtsmiddelen
### 4.3. Beroep
### 4.1. Inleiding
### 4.3. Beroep
### 4.4. Hoger beroep
### 1. Aanvrager
Burgerlijke staat....
Datum verblijfsaanvraag.....Doel verblijfsaanvraag.....
Vreemdelingennummer.....
.....
Immigratie- en Naturalisatiedienstnummer.....
Achternaam.....
Door huwelijk verkregen naam.....
Voorna(a)m(en).....Geslacht man/ vrouw
Geboortedatum..... -plaats..... -land.....
Nationaliteit.....Datum binnenkomst in Nederland.....
Burgerlijke staat....
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
Stand procedure verblijfsaanvraag.....
Telefoonnummer.....
### 5. Medische verklaring
Documentnummer.....
Ter staving wordt daarbij overgelegd:
Straat en huisnummer.....
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
Telefoonnummer.....
Postcode.....Woonplaats....
Straat en huisnummer.....
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
Telefoonnummer.....
.....
Deze regeling staat open voor vreemdelingen wier vertrek uit Nederland met het oog op hun gezondheidstoestand of die van één van hun gezinsleden niet verantwoord is te achten;
Ter staving wordt daarbij overgelegd:
Dit aanvraagformulier dient vergezeld te gaan van een medische verklaring en ondertekend te zijn door een arts/ medisch specialist. Zonder deze bijgevoegde verklaring wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
### 6. Categorie voorzieningen
De aanvrager verklaart tevens de behandelend arts/ medisch specialist te machtigen gegevens te verstrekken omtrent de tuberculosebehandeling en het al dan niet aanwezig zijn van besmettingsgevaar; in de overige gevallen omtrent hetgeen dient ter onderbouwing van het beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) en/of de verblijfsaanvraag op medische gronden.
### 6. Categorie voorzieningen
De aanvrager doet een beroep op de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en verzoekt om:
Vreemdelingennummer.....
Toelichting.....
.....
.....
.....
.....
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Datum binnenkomst in Nederland.....Datum verblijfsaanvraag.....
Doel verblijfsaanvraag.....
Vreemdelingennummer.....
Immigratie- en Naturalisatiedienstnummer .....
Achternaam.....Geslacht .....
Door huwelijk verkregen naam.....
Voorna(a)m(en).....
Geboortedatum......-plaats......-land.....
Nationaliteit....
Burgerlijke staat.....
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
Dit is tevens het adres waar u een schriftelijk verzoek kunt indienen voor een volledig overzicht van de over u verwerkte gegevens. Naar aanleiding van dat verzoek kunt u onder omstandigheden verzoeken uw persoonsgegevens te wijzigen, te verbeteren, te verwijderen of af te schermen.
### 12. Verklaring van onvermogen
Hierbij verklaart de aanvrager dat hij, noch één van zijn gezinsleden, beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Indien deze verklaring in strijd met de waarheid is ingevuld, eindigen de verstrekkingen.
Handtekening aanvrager:....
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
Rekeningnummer.....Ten name van:.....
( ) De aanvrager verblijft rechtmatig in Nederland op grond van [artikel 8, onder f of h, Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en kan analoog aan de situatie als bedoeld in [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) worden behandeld.
De aanvrager verklaart ermee bekend te zijn en gaat ermee akkoord dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers de persoonsgegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de [Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685). Daarbij worden de navolgende soorten van persoonsgegevens verwerkt:
De persoonsgegevens die over de aanvrager worden verwerkt, zijn bestemd voor de navolgende doeleinden: het beschikbaar hebben van de meeste recente gegevens in verband met de opvang bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers om een adequaat opvangbeleid te kunnen ontwikkelen, bepalen en uitvoeren.
Het is mogelijk dat uw gegevens betreffende de opvangrechtelijke positie worden verstrekt aan andere bestuursorganen, indien zij deze behoeven ter uitvoering van hun taak. Andere bestuursorganen kunnen tevens aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers persoonsgegevens over u verstrekken, indien deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de [Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685). Verantwoordelijk voor deze gegevensverstrekking is het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. In het geval u vragen heeft over deze gegevensverwerking, kunt u schriftelijk contact opnemen met: Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, Directie Beleid en Juridische Zaken onder vermelding van [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468), Postbus 3002, 2280 ME Rijswijk.
Dit is tevens het adres waar u een schriftelijk verzoek kunt indienen voor een volledig overzicht van de over u verwerkte gegevens. Naar aanleiding van dat verzoek kunt u onder omstandigheden verzoeken uw persoonsgegevens te wijzigen, te verbeteren, te verwijderen of af te schermen.
De aanvrager verklaart alle gegevens in dit formulier naar waarheid te hebben verstrekt, en verklaart tevens dat hij/zij niet op grond van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst is verklaard:
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
Handtekening aanvrager:....
( ) De aanvrager verblijft rechtmatig in Nederland op grond van [artikel 8, onder f of h, Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en kan analoog aan de situatie als bedoeld in [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) worden behandeld.
( ) Op de aanvrager is de situatie van [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) van toepassing.
( ) De aanvrager verblijft rechtmatig in Nederland op grond van [artikel 8, onder f of h, Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en kan analoog aan de situatie als bedoeld in [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) worden behandeld.
Indien er sprake is van acuut besmettingsgevaar of ziekenhuisopname waardoor het voor de vreemdeling praktisch niet mogelijk is zich te melden bij de vreemdelingenpolitie, kan de aanvrager voor..... weken vrijgesteld worden van de meldplicht bij de vreemdelingenpolitie.
Deze aanvraag heeft betrekking op de periode van .....(datum) tot.....datum).
Indien de vreemdeling een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft op wie [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is toegepast in afwachting van besluitvorming op de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) of om verlening van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling of vanwege een medische noodsituatie heeft deze aanvraag betrekking op de periode van maximaal drie maanden, van ..... (datum) tot ..... (datum) of zoveel korter tot dat een beslissing op de aanvraag is genomen.
Datum: .....
Verklaring vreemdelingenpolitie/ Immigratie- en Naturalisatiedienst te.....
### Toelichting
Telefoonnummer.....
Zij kunnen een beroep doen op de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en in aanmerking komen voor een financiële toelage en een dekking van de medische verstrekkingen, overeenkomstig de door Centraal Orgaan opvang Asielzoekers getroffen ziektekostenregeling. Dit betekent dat zij aanspraak kunnen maken op opvang en onderdak in een opvangcentrum, dan wel op verblijf buiten een opvangcentrum, de zogenaamde administratieve plaatsing. Het recht op voorzieningen ontstaat pas op het moment dat in het individuele geval hiertoe door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers is beslist.
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel intrekking verblijfsvergunning en/ of ongewenstverklaring en/of uitvaardiging inreisverbod
## Model M55. Kennisgeving bedenktijd/aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel en beroep op regeling [B9 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend)
## Model M55-A. Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel gedurende asielprocedure
Vervallen
## Model M56. Voorblad aanvraag verblijfsvergunning door een in bewaring gestelde vreemdeling
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
Vervallen
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
Vervallen
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
Vervallen
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel intrekking verblijfsvergunning en/ of ongewenstverklaring en/of uitvaardiging inreisverbod
## Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
## Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
## Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
## Model M65-C. Beschikking afwijzen aanvraag wijziging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M66. Beschikking intrekking verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M67. Staat van inlichtingen adoptie
Vervallen
## Model M68. Staat van inlichtingen opname als pleegkind
Vervallen
## Model M69-M74. Gereserveerd
## Model M75-A. Document I
Vervallen
## Model M75-B. Document II
Vervallen
## Model M75-C. Document III
Vervallen
## Model M75-D. Document IV
Vervallen
## Model M75-E. Document EU/EER
Vervallen
## Model M75-F. Document W
Vervallen
## Model M75-G. Document W2
Vervallen
## Model M76. Ontvangstbewijs voor het in ontvangst nemen van een verblijfsdocument
## Model M77-A. Sticker verblijfsaantekeningen Algemeen
Vervallen
## Model M77-B. Sticker verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen
Vervallen
## Model M77-C. Sticker verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures
Vervallen
## Model M77-D
Vervallen
## Model M78-A. Rappelbrief omtrent tijdige aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel)
Vervallen
## Model M78-B. Rappelbrief omtrent tijdige verlenging / wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel aanvraag van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (regulier)
Vervallen
## Model M79. Reizigerslijst voor schoolreizen
Vervallen
## Model M80. EU-staat
## Model M81. Geprivilegieerdendocument
## Model M81-A. Geprivilegieerdendocument (toelichting)
Vervallen
## Model M82. Reisdocument voor vluchtelingen
Vervallen
## Model M83. Aanvraag vervanging, vernieuwing of eerste aanvraag vreemdelingendocument
Vervallen
## Model M84-M89. Gereserveerd
## Model M90. Vordering van de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M90-A. Vordering van de vreemdeling om in persoon te verschijnen en medewerking te verlenen aan een interview met een diplomatieke vertegenwoordiging
## Model M91. Kennisgeving adreswijziging/vertrek
Vervallen
## Model M92. Verhuismutaties (melding aan de IND)
Vervallen
## Model M93. Bericht omtrent signalering
## Model M94-A. Verklaring ex artikel 25 lid 1 Uitvoeringsovereenkomst Schengen
Vervallen
## Model M94-B. Verklaring ex artikel 25 lid 2 Uitvoeringsovereenkomst Schengen
Vervallen
## Model M95-M99. Gereserveerd
## Model M100. Bericht van vertrek
## Model M100-A. Bericht van ontruiming
## Model M101. Ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/of identiteitspapieren
## Model M102. Maatregel ex [artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)
## Model M102-A. Transit request for the purposes of removal by air
Vervallen
## Model M103-M109
## Model M110-A. Maatregel van bewaring
## Model M110-B. Proces-verbaal van gehoor ([artikel 59 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) juncto [artikel 5.2 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2))
## Model M111-A. Proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/ ophouding
## Model M111-B. Proces-verbaal toepassing art. 50, tweede of derde lid, van de Vw
Vervallen
## Model M111-C. Proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/ ophouding
## Model M111-D. Beschikking verlenging ophouding [artikel 50, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50)
## Model M112. Verzoek opneming van een inbewaringgestelde vreemdeling in een huis van bewaring
Vervallen
## Model M113. Opheffing van een aanwijzing/ maatregel als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)/ [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50)/ [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55)/ [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)/ [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57)/ [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
## Model M114. Verzoek om ontslag uit een justitiële inrichting
## Model M115. Lichtingsverzoek
## Model M116. Aanwijzing ex artikel 58 Vreemdelingenwet
Vervallen
## Model M117-A. Aanwijzing ingevolge [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) en/ of meldplicht ingevolge [artikel 54 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54)
## Model M117-B. Vervolgaanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet (asielzoekers)
Vervallen
## Model M117-C. Aanwijzingingevolge [artikel 55 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55)
## Model M118. Aanmeldformulier vreemdeling
## Model M119. Dossier vreemdelingenbewaring
## Model M120. (Voortgangs) Gegevens met betrekking tot uitzetting
## Model M122. Mededeling toepassing [artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50)
## Model M123-M129. Gereserveerd
## Model M130. Brochure ongewenstverklaring
Vervallen
## Model M131-A. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Diplomatenverdrag
Vervallen
## Model M131-B. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Consulaire Verdrag
Vervallen
## Model M132. Verzoek om inlichtingen aan de Regionale Directie Arbeidsvoorziening
Vervallen
## Model M133-A. Inlichtingenformulier voor het vragen van inlichtingen conform art. 8.1 Vb
Vervallen
## Model M133-B. Antwoordformulier
Vervallen
## Model M133-C. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M133-D. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M134. Verrekeningsstaat
Vervallen
## Model M135. Declaratie kosten verwijdering
Vervallen
## Model M136. Opgave van ingenomen gelden
Vervallen
## Model M137-A. Formulier restitutie garantiesom
Vervallen
## Model M137-B. Formulier restitutie passagebiljet
Vervallen
## Model M138. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M139. Verzoek om afgifte van een Machtiging tot voorlopig verblijf
Vervallen
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
### 10.4.3. De inhoud van de aanvraag
### 10.3.5. Geen opschortende werking in bezwaar
### 10.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 5.2.2. De toepassing
### 5.2.3. De tenuitvoerlegging
### 5.2.4. Bijstand van een raadsman
### 5.2.1. De bevoegdheid
### 7.4.2. Foto’s en vingerafdrukken
### 4.5. Toezending van reisdocumenten aan de grensdoorlaatpost van uitreis
### 5.3.3. De toepassing
### 5.3.3.1. Het belang van de openbare orde
### 5.3.3.4. Vreemdelingen die op korte termijn uitgezet kunnen worden
### 5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
### 5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond
### 5.3.6. De tenuitvoerlegging
### 5.3.6.1. Plaats van tenuitvoerlegging
### 5.3.6. De tenuitvoerlegging
### 5.3.7. Het strafrecht en bewaring
### 5.3.7. Het strafrecht en bewaring
### 6. Rechtsmiddelen
### 6.1. Algemeen
### 6.2. Beroep bij de rechtbank
### 6.2.1. Beroep instellen bij de rechtbank
### 6.2.1. Beroep instellen bij de rechtbank
### 6.2.4. Procedure bij voortduren van de vrijheidsontneming
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
### 7. Overgangsrecht
### 1. Inleiding
### 2. Omzetting van verblijfsvergunningen
### 3. Behandeling van de aanvraag
### 7. Overgangsrecht
### 3.4. Aanvragen om toelating als vluchteling
### 4. Rechtsmiddelen
### 4.4. Hoger beroep
### 1. Aanvrager
Vreemdelingennummer.....
.....
Immigratie- en Naturalisatiedienstnummer.....
Achternaam.....
Door huwelijk verkregen naam.....
Voorna(a)m(en).....Geslacht man/ vrouw
Geboortedatum..... -plaats..... -land.....
Nationaliteit.....Datum binnenkomst in Nederland.....
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
Datum verblijfsaanvraag.....Doel verblijfsaanvraag.....
Postcode.....Woonplaats.....
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
De aanvrager verklaart door middel van ondertekening van dit aanvraagformulier akkoord te gaan met het inwinnen van inlichtingen omtrent zijn/ haar gezondheid door het Bureau Medische Advisering van de Immigratie- en Naturalisatiedienst bij de behandelend arts/ medisch specialist (conform [model M39-A Vreemdelingencirculaire 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-07-01&g=2012-07-01)) en machtigt deze de gevraagde gegevens te verstrekken.
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
.....
.....
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 12. Verklaring van onvermogen
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
### 14. Verwerking persoonsgegevens
Datum binnenkomst in Nederland.....Datum verblijfsaanvraag.....
Doel verblijfsaanvraag.....
Het is mogelijk dat uw gegevens betreffende de opvangrechtelijke positie worden verstrekt aan andere bestuursorganen, indien zij deze behoeven ter uitvoering van hun taak. Andere bestuursorganen kunnen tevens aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers persoonsgegevens over u verstrekken, indien deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de [Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685). Verantwoordelijk voor deze gegevensverstrekking is het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. In het geval u vragen heeft over deze gegevensverwerking, kunt u schriftelijk contact opnemen met: Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, Directie Beleid en Juridische Zaken onder vermelding van [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468), Postbus 3002, 2280 ME Rijswijk.
De aanvrager verklaart alle gegevens in dit formulier naar waarheid te hebben verstrekt, en verklaart tevens dat hij/zij niet op grond van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst is verklaard:
Datum:.....
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
## Model M55. Kennisgeving bedenktijd/aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel en beroep op regeling [B9 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend)
## Model M55-A. Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel gedurende asielprocedure
Vervallen
## Model M56. Voorblad aanvraag verblijfsvergunning door een in bewaring gestelde vreemdeling
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
Vervallen
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
Vervallen
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
Vervallen
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
### 5.1. Het doel van de maatregelen van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
### 5.3. Bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
### 10.5.3. Inhoud van het verzoek
### 10.6.2. Ongewenstverklaring
### 10.4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering
### 5.3.3.1. Het belang van de openbare orde
### 5.3.3.3. Het niet of niet langer toepassen van bewaring
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
### 10.5.6. Inreis, toezicht en uitreis
### 5.3.3. De toepassing
### 10.6.4.3. Inhoud van de aanvraag
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring kan ingevolge het bepaalde in [artikel 8.22, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22), slechts worden gedaan:
### 1.1. Overzicht vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### 6. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
Het kan voorkomen dat de vreemdeling tijdens zijn inbewaringstelling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient of dat tijdens zijn vrijheidsontneming een door hem ingediende aanvraag wordt afgewezen. In die gevallen kan de bewaring op een andere categorie worden voortgezet (zie voor de verschillende categorieën [artikel 59, eerste lid, onder a en b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)). De bewaring wordt niet opgeheven, immers de gronden voor de bewaring kunnen dezelfde blijven. Als de bewaring wordt voortgezet op een andere categorie wordt door de hulpofficier van justitie of door de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is onverwijld een nieuw [model M110-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M110-A&z=2012-01-01&g=2012-01-01) aan de vreemdeling uitgereikt (zie [artikel 5.3, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.3)). Gelet op het bepaalde in [artikel 5.2 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2) hoeft de vreemdeling daarbij niet gehoord te worden.
De op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
## Model M39-F. Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling
Vervallen
## Model M40. Vragenlijst China
Vervallen
## Model M41. Verklaring burgerlijke staat
Vervallen
## Model M42. Relatieverklaring
Vervallen
## Model M43. Bewustverklaring studie
Vervallen
## Model M44. Bewustverklaring Au Pair
Vervallen
## Model M44-A. Overeenkomst Au pair – Gastgezin
Vervallen
## Model M45. Bewustverklaring geestelijk voorganger / godsdienstleraar
Vervallen
## Model M45-A. Bewustverklaring overgangsregeling verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten
Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is in veel gevallen het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren kan de overheid gebruik maken van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen.
### 5.3.3.8. Bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen
### 5.3.3.5. Bewaring van vreemdelingen met rechtmatig verblijf
### 5.3.4. De procedure
### 5.3.4.1. Het gehoor
### 5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond
### 5.3.6.1. Plaats van tenuitvoerlegging
### 1.4. Het lichten van vreemdelingen
### 1.3. Aanmelding vreemdeling
## Model M46-A. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid, onder k Boek I Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44) en [artikel 36a Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoongegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=36a)
## Model M46-B. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid, onder k Boek I Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44) en [artikel 36a Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=36a)
## Model M46-C. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid, onder k Boek I Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44) en [artikel 36a Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=36a)
## Model M46-D. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid, onder k Boek I Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44) en [artikel 36a Wet Gemeentlijke Basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=36a)
## Model M47. Garantverklaring
Vervallen
## Model M47-A. Garantverklaring verkorte mvv-procedure (bedrijven en onderwijsinstelingen)
Vervallen
## Model M48. Garantverklaring uitwisselingsorganisatie
Vervallen
## Model M48-B. Bewust en garantverklaring verblijf bij religieuze en levensbeschouwelijke organisaties
## Model M49. Arbeidsongeschiktheidsverklaring
Vervallen
## Model M50. Checklist mvv-vereiste
Vervallen
### 2. Toegang
## Model M51-A. Verklaring ontvangst waarborgsom
Vervallen
## Model M51-B. Verklaring teruggave waarborgsom
Vervallen
### 10.6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring
### 1. Algemeen
### 1.2.2. Mededeling aan derden
### 5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting
### 5.3.5. De duur
## Model M52. Verzoek aan de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M53. Verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
## Model M54. Aanvraagformulier [Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959)
### 4.2.1. De diplomatieke vertegenwoordiging wijst de aanvraag af
### 10.3.6. Stellen van aantekeningen
### Opmerkingen
## Model M49. Arbeidsongeschiktheidsverklaring
Vervallen
## Model M50. Checklist mvv-vereiste
Vervallen
## Model M51-A. Verklaring ontvangst waarborgsom
Vervallen
## Model M51-B. Verklaring teruggave waarborgsom
Vervallen
### 1.2.2. Mededeling aan derden
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
### 2.1. De maatregelen op grond van artikel 6 Vw
### Opmerkingen
### Opmerkingen
### 5.3.6.3. Declaratie van de kosten van bewaring in een politiecel
### 1.6. gezinnen met minderjarige kinderen
### Opmerkingen
### Opmerkingen
### 5.3.6.2. Plaatsing in een justitiële inrichting
### 2. Toegang
### 2.4. De toepassing
Bij het opleggen van de vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) aan een geweigerde vreemdeling kan iedere ruimte of plaats in Nederland aangewezen worden. Het kan dus zo zijn dat de ruimte of plaats verder landinwaarts gelegen is. Ook in deze feitelijke situatie blijft de toegang geweigerd.
### Opmerkingen
De maatregel wordt bovendien beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en daartoe voor hem ook gelegenheid bestaat. Deze gelegenheid bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument en vlieg- of reistickets (of voldoende financiële middelen om het beoogde verblijf en de terugkeer te bekostigen). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
### 2.3. De bevoegdheid
### Opmerkingen
### 5.3.7.1. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie
### 5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring
### 5.3.8. De beëindiging
### 6. Rechtsmiddelen
### 6.2. Beroep bij de rechtbank
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
### 3. Behandeling van de aanvraag
### 3.5. Wijze van behandeling
### 4. Rechtsmiddelen
### 4.2. Bezwaar
### 4.3. Beroep
### 4.4. Hoger beroep
### 1. Aanvrager
Met de documenten als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) en [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) kan de vreemdeling aantonen verblijfsrecht te ontlenen aan het Gemeenschapsrecht. Hij heeft, als persoon die valt onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer, rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zolang en indien het onderzoek door de Minister niet heeft uitgewezen dat de betrokken persoon geen verblijfsrecht (meer) heeft, of anderszins niet voldaan is aan de beperkingen en voorwaarden van het Gemeenschapsrecht (zie [Richtlijn 2004/38](32004L0038), alsmede de uitspraak van de ABRvS d.d. 7 juli 2003, JV 2003, 431).
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
Soort.....
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
Postcode.....Woonplaats....
### 5. Medische verklaring
### 6. Categorie voorzieningen
In [artikel 59, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) wordt aangegeven hoe lang de maatregel van bewaring mag duren. Daarbij is het volgende onderscheid gemaakt:
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
### 1. Aanvrager
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Bij het verzoek tot plaatsing dienen de benodigde gegevens over de van zijn vrijheid ontnomen vreemdeling aan DJI verstrekt te worden.
Indien van het verzoek om opname geen gebruik gemaakt wordt, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling inmiddels is uitgezet, licht de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen DJI terstond in. Een dergelijke afmelding is noodzakelijk om de benodigde capaciteit zo efficiënt mogelijk te gebruiken.
Zodra van DJI bericht ontvangen is in welke inrichting de vreemdeling gaat verblijven, richt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een schriftelijk verzoek tot plaatsing aan de directeur van die inrichting.
Ingevolge [artikel 5.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4) wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een cel van de KMar of in een huis van bewaring. Tenuitvoerlegging in een ruimte of plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), of [artikel 58, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) is eveneens mogelijk. Het regime is geregeld in respectievelijk de [Regeling Politiecellencomplex](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006557), de Penitentiaire beginselenwet en het [Reglement grenslogies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848). In [artikel 5.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4) is bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van de bewaring de vreemdeling niet verder beperkt wordt in de uitoefening van zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de bewaring en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van de tenuitvoerlegging.
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 12. Verklaring van onvermogen
Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden (zie A4/10). Toch kan het voorkomen dat een vreemdeling na zijn detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring gesteld moet worden. Dit kan zich voordoen bij detentie waarvan niet bij voorbaat de datum van ontslag vaststaat, zoals bij voorlopige hechtenis of een nog niet onherroepelijk vonnis. De inbewaringstelling dient alsdan binnen een redelijke termijn na de (strafrechtelijke) invrijheidstelling te geschieden met toepassing van [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50). Dit artikel verschaft een rechtstitel van vrijheidsontneming om vreemdelingen na een strafrechtelijke detentie ter inbewaringstelling te vervoeren naar een plaats bestemd voor verhoor. Aldaar kan de vreemdeling maximaal zes uren worden opgehouden waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend. De termijn van ophouding vangt aan op het moment dat de vreemdeling op de plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Zie A3/3.5.
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
Aan de vreemdeling wordt tijdens de strafrechtelijke detentie mededeling gedaan van het feit dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van [Model M122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M122&z=2012-04-01&g=2012-04-01), op schrift gesteld en aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt, moet eveneens een afschrift van deze mededeling worden gestuurd.
Voorts dient van de toepassing van dit artikel proces-verbaal (zie [Model M111-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M111-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) opgemaakt te worden.
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
Gedurende de tenuitvoerlegging van de bewaring kan het voorkomen dat bekend wordt dat de vreemdeling nog een strafrechtelijk vonnis moet ondergaan.
Voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, wordt een vonnis of arrest zodra mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee dient de Korpschef, de Commandant der KMar of de directeur van de vreemdelingenrechtelijke inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact op te nemen met het OM over de executie van het vonnis.
Indien tot executie overgegaan kan worden, dient de vreemdelingenbewaring opgeheven en het vonnis op de daarvoor bestemde plaats ten uitvoer gelegd te worden.
Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden (zie A4/10). Toch kan het voorkomen dat een vreemdeling na zijn detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring gesteld moet worden. Dit kan zich voordoen bij detentie waarvan niet bij voorbaat de datum van ontslag vaststaat, zoals bij voorlopige hechtenis of een nog niet onherroepelijk vonnis. De inbewaringstelling dient alsdan binnen een redelijke termijn na de (strafrechtelijke) invrijheidstelling te geschieden met toepassing van [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50). Dit artikel verschaft een rechtstitel van vrijheidsontneming om vreemdelingen na een strafrechtelijke detentie ter inbewaringstelling te vervoeren naar een plaats bestemd voor verhoor. Aldaar kan de vreemdeling maximaal zes uren worden opgehouden waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend. De termijn van ophouding vangt aan op het moment dat de vreemdeling op de plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Zie A3/3.5.
De maatregel van bewaring wordt namens de Minister opgeheven door een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking, die tevens hulpofficier van justitie is, of door de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is, zodra er geen grond voor bewaring meer aanwezig is (zie [artikel 5.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.4)).
De bewaring moet worden opgeheven:
Deze laatstgenoemde gelegenheid bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument, een vlieg- of reisticket (of voldoende middelen van bestaan). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
### 3. Verblijfadres aanvrager
Voorts kan de beëindiging van de bewaring door de rechtbank (zie [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) en [96 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=96)) worden bevolen (zie hierna onder rechtsmiddelen).
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking, die tevens hulpofficier van justitie is, of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is, zal in de hierboven genoemde gevallen de bewaring uitdrukkelijk moeten opheffen. Hij kan daarvoor gebruik maken van het model [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-04-01&g=2012-04-01). Het origineel van dit formulier moet in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt. Ten behoeve van de informatievoorziening dient tevens een afschrift te worden verzonden naar de IND en de DT&V. Tezamen met het verzoek om ontslag uit de inrichting (zie model [M114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M114&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) wordt een afschrift van het model toegezonden aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt.
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is ziet toe op beëindiging van de bewaring. Hij draagt zorg voor invrijheidstelling van de vreemdeling.
Heeft de vreemdeling het Nederlands grondgebied niet verlaten (bijvoorbeeld door verzet van de vreemdeling), dan kan de bewaring gecontinueerd worden op de bestaande maatregel van bewaring. In dat geval zal wel een nieuw (spoed) verzoek tot plaatsing aan DJI moeten worden gedaan. In dit geval dient uiteraard geen [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-04-01&g=2012-04-01) te worden verzonden.
Heeft de vreemdeling het Nederlands grondgebied verlaten en keert hij terug (bijvoorbeeld na weigering toegang door de autoriteiten in het land van bestemming of van transit), dan dient de vreemdeling (na aankomst op bijvoorbeeld de luchthaven Schiphol) opnieuw in bewaring te worden gesteld, in beginsel door een hulpofficier van justitie van het politiekorps die verantwoordelijk was voor de eerdere bewaring dan wel door een hulpofficier van het politiekorps van de regio waarbinnen de desbetreffende grensdoorlaatpost is gelegen. De toegang tot Nederland zal niet worden geweigerd, ondanks het feit dat betrokkene strikt genomen niet aan de voorwaarden voor toegang voldoet, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling in de tussentijd toegang heeft verkregen in een derde land. Een dergelijke aanwijzing kan bestaan uit het feit dat hij na meerdere dagen terugkeert dan wel uit een inreisstempel in zijn reisdocument.
Zonodig kan met betrekking tot de vreemdeling in afwachting van de hernieuwde inbewaringstelling gebruik gemaakt worden van de maatregel als bedoeld in [artikel 50, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50).
Deze laatstgenoemde gelegenheid bestaat indien de vreemdeling beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument, een vlieg- of reisticket (of voldoende middelen van bestaan). Voor vertrek naar een derde land kan van de vreemdeling gevraagd worden dat hij bovendien beschikt over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning voor dat land.
Bewaring krachtens [artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) duurt in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel de voornemenprocedure ([artikel 39 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=39)) toegepast is, duurt de bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw in geen geval langer dan zes weken. Deze bewaring eindigt van rechtswege en behoeft, als de termijn verstreken is, niet opgeheven te worden.
De bepalingen van [hoofdstuk 8 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) zijn, met uitzondering van de in [artikel 93 tot en met 107 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)genoemde afwijkingen, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het opleggen van de in [artikel 93 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93) genoemde vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen op grond van de[Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). [Artikel 8, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) stelt het opleggen van deze maatregelen gelijk met een besluit. Op grond van [artikel 75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=75) en [77 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=77) kan geen bezwaar en administratief beroep worden ingediend en dient tegen het opleggen van deze maatregelen beroep ingesteld te worden bij de rechtbank. Het gaat hierbij om de volgende maatregelen:
Als een toelage wordt toegekend, dan moet deze worden toegekend via de volgende bank- of girorekening:
### 14. Verwerking persoonsgegevens
Naam behandelend ambtenaar.....
### Toelichting
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is ziet toe op beëindiging van de bewaring. Hij draagt zorg voor invrijheidstelling van de vreemdeling.
De vreemdeling zelf, zijn wettelijk vertegenwoordiger, zijn bijzonder gemachtigde of een in Nederland ingeschreven advocaat, indien deze verklaart daartoe gevolmachtigd te zijn, kan tegen een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel genoemd onder 6.1 beroep instellen bij de rechtbank Den Haag (zie [artikel 70 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=70)). Het beroep kan ook ingesteld worden door middel van een schriftelijke verklaring, bedoeld in artikel 451a van het WvSv. Voor het instellen van beroep geldt geen termijn (zie [artikel 69, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69)).
## Model M83. Aanvraag vervanging, vernieuwing of eerste aanvraag vreemdelingendocument
Vervallen
## Model M84-M89. Gereserveerd
## Model M55. Kennisgeving bedenktijd/aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel en beroep op regeling [B9 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend)
## Model M55-A. Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel gedurende asielprocedure
## Model M56. Voorblad aanvraag verblijfsvergunning door een inbewaringgestelde vreemdeling
## Model M55. Kennisgeving bedenktijd/aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel en beroep op regeling [B9 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend)
## Model M55-A. Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel gedurende asielprocedure
## Model M56. Voorblad aanvraag verblijfsvergunning door een inbewaringgestelde vreemdeling
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
Vervallen
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
Vervallen
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
Vervallen
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel intrekking verblijfsvergunning en/ of ongewenstverklaring
## Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
## Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
## Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
## Model M65-C. Beschikking afwijzen aanvraag wijziging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M1
Vervallen
## Model M2-A. Schengenvisumsticker 2001
Vervallen
## Model M2-B. Schengenvisumsticker 2003
Vervallen
## Model M2-C. Terugkeervisum
Vervallen
## Model M2-D. Visumverklaring kort verblijf
Vervallen
## Model M2-E. Visumverklaring lang verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M3
Vervallen
## Model M4
Vervallen
## Model M5-A. Aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een visum dan wel om omzetting van een enkelvoudig visum in een meervoudig visum
### 6.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting
### 2.2. Het doel
### 2.5. De vorm
### 5.3.8. De beëindiging
### 6. Rechtsmiddelen
### 3. Verblijf
### 6.2. Beroep bij de rechtbank
### 3.2. Het doel
### 4. Toezicht
### 4. Toezicht
### 4.3.3. De toepassing
### 3.5. Wijze van behandeling
### Opmerkingen
In de meeste gevallen waarbij bewaring wordt overwogen, zal de maatregel gebaseerd zijn op het belang van de openbare orde en niet op het belang van de nationale veiligheid (bijv. spionage, terroristische activiteiten) betreffen. Indien er aanleiding is inbewaringstelling op deze laatste grond te baseren, kan dat alleen na een bijzondere aanwijzing van de Minister.
Een uitzetcentrum is in beginsel bedoeld voor illegale vreemdelingen die op korte termijn uitzetbaar zijn. Een uitzetting verloopt in beginsel altijd via een uitzetcentrum (zie A4/6.4). Echter, de duur van het verblijf in het uitzetcentrum is niet aan een wettelijk maximum gebonden. Vreemdelingenbewaring in een uitzetcentrum kan duren zolang de openbare orde of de nationale veiligheid dat vergt en zolang er zicht is op uitzetting. Ook vanuit de optiek van de in het uitzetcentrum aanwezige voorzieningen bestaat er geen limiet aan de verblijfsduur in het uitzetcentrum.
Stand procedure verblijfsaanvraag.....
Voor alle duidelijkheid dient te worden opgemerkt dat indien de identiteit van de vreemdeling én de onrechtmatigheid van zijn verblijf vaststaan, verlenging van de termijn, als bedoeld in [artikel 50, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), niet mogelijk is.
Straat en huisnummer.....
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
### 5. Medische verklaring
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met de grensbewaking, die tevens hulpofficier van justitie is, of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is, zal in de hierboven genoemde gevallen de bewaring uitdrukkelijk moeten opheffen. Hij kan daarvoor gebruik maken van het model [M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-02-09&g=2012-02-09). Het origineel van dit formulier moet in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt. Ten behoeve van de informatievoorziening dient tevens een afschrift te worden verzonden naar de IND en de DT&V. Tezamen met het verzoek om ontslag uit de inrichting (zie model [M114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M114&z=2012-02-09&g=2012-02-09)) wordt een afschrift van het model toegezonden aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij de rechtbank Den Haag. Daarbij moet een afschrift van de bestreden beschikking overgelegd worden.
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
Toelichting.....
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Daarnaast geldt dat, indien de gestelde termijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, de termijn wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
In het geval dat binnen de termijn van 28 dagen meerdere besluiten tot vrijheidsontneming zijn genomen, bijvoorbeeld als gevolg van het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, telt voor de termijn van kennisgeving het eerste besluit.
De kennisgeving hoeft niet gedaan te worden indien de bewaring uiterlijk de 28e dag van de vrijheidsontneming is opgeheven. Stelt de vreemdeling dan wel zijn advocaat of gemachtigde beroep in binnen de termijn van 28 dagen, dan hoeft de IND evenmin een kennisgeving aan de rechtbank te zenden.
De Minister (in de praktijk de IND) dient uiterlijk op de 28e dag na de bekendmaking van het besluit om de maatregel op grond van [artikel 59, zesde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) langer dan zes maanden te laten voortduren, de rechtbank daarvan in kennis te stellen, tenzij de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld (zie [artikel 94, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94)). Op deze termijnstelling is de [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) van toepassing.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij de rechtbank Den Haag. Daarbij moet een afschrift van de bestreden beschikking overgelegd worden.
In [artikel 94, lid 2 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) is voorgeschreven dat de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaalt. De zitting vindt uiterlijk op de 14e dag na ontvangst van het beroepschrift of de kennisgeving plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon bij raadsman te verschijnen om te worden gehoord. Tevens roept de rechtbank de gemachtigde van de Minister op. Tijdens dit onderzoek ter zitting kan de vreemdeling zich alleen doen bijstaan door een raadsman. Als raadsman wordt slechts toegelaten een in Nederland ingeschreven advocaat of een rechtshulpverlener die in dienst is van de SRA, indien deze persoon aan de daarvoor gestelde eisen voldoet (zie [artikel 98, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=98)).
De rechtbank doet mondeling ter zitting of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan.
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
Indien uit informatie van de rechtbank blijkt dat de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk dient te worden opgeheven, informeert de IND onverwijld de DT&V. De maatregel dient onverwijld door een daartoe bevoegd ambtenaar van de Vreemdelingenpolitie, de Kmar of de DT&V te worden opgeheven onder gebruikmaking van het [Model M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-04-01&g=2012-04-01). De vreemdeling wordt dus niet zonder voorafgaande opheffing heengezonden. Indien in de inrichting waar de vreemdeling zich bevindt geen tot opheffing bevoegde ambtenaar aanwezig is, kan een wel bevoegde ambtenaar een schriftelijk verzoek om invrijheidstelling richten aan de directeur, vergezeld van een Model M113. Voorts kan de directeur van de inrichting verzocht worden om de vreemdeling een mededeling te doen omtrent melding of vertrek. Een afschrift van het opheffingsbewijs (zie Model M113) dient naar de DT&V te worden verzonden.
De kennisgeving hoeft niet gedaan te worden indien de bewaring uiterlijk de 28e dag van de vrijheidsontneming is opgeheven. Stelt de vreemdeling dan wel zijn advocaat of gemachtigde beroep in binnen de termijn van 28 dagen, dan hoeft de IND evenmin een kennisgeving aan de rechtbank te zenden.
Indien de rechtbank na een eerste beoordeling het beroep ongegrond heeft verklaard dan wel een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging heeft bevolen, en de maatregel van vrijheidsontneming duurt voort, kan de vreemdeling op ieder moment opnieuw beroep instellen tegen het voortduren van de maatregel van vrijheidsontneming.
Geboortedatum......-plaats......-land.....
Op grond van [artikel 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=95), juncto [artikel 69, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69) kan de vreemdeling of zijn advocaat, of de IND binnen één week tegen een uitspraak van de rechtbank, bedoeld in [artikel 94, derde lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) (eerste beroep/kennisgeving tegen een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)) hoger beroep instellen bij de ABRvS. [Afdeling 4 van hoofdstuk 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) is van toepassing, met uitzondering van [artikel 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) en [86 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=86).
De rechtbank doet mondeling ter zitting of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan.
Zie [artikel 106 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=106). Indien de rechtbank de maatregel van vrijheidsontneming onrechtmatig acht (beroep gegrond verklaart) en de opheffing beveelt, of de maatregel voor de behandeling van het beroep wordt opgeheven, kan zij aan de vreemdeling schadevergoeding toekennen. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De [artikelen 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=90) (toekenning van schade als er gronden voor billijkheid zijn) en [93 (uitbetaling door de griffier) WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=93) zijn van overeenkomstige toepassing.
De griffier van de rechtbank zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van de uitspraak aan de vreemdeling of zijn advocaat en aan de IND. De IND informeert vervolgens de DT&V. De DT&V geeft aan hoe verder ten aanzien van de vreemdeling gehandeld moet worden. Een opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel kan enkel geschieden na overleg met de DT&V en eventueel met de IND, gelet op het eventueel in te dienen hoger beroep of het verzoeken om een voorlopige voorziening.
Indien uit informatie van de rechtbank blijkt dat de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk dient te worden opgeheven, informeert de IND onverwijld de DT&V. De maatregel dient onverwijld door een daartoe bevoegd ambtenaar van de Vreemdelingenpolitie, de Kmar of de DT&V te worden opgeheven onder gebruikmaking van het [Model M113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M113&z=2012-02-09&g=2012-02-09). De vreemdeling wordt dus niet zonder voorafgaande opheffing heengezonden. Indien in de inrichting waar de vreemdeling zich bevindt geen tot opheffing bevoegde ambtenaar aanwezig is, kan een wel bevoegde ambtenaar een schriftelijk verzoek om invrijheidstelling richten aan de directeur, vergezeld van een Model M113. Voorts kan de directeur van de inrichting verzocht worden om de vreemdeling een mededeling te doen omtrent melding of vertrek. Een afschrift van het opheffingsbewijs (zie Model M113) dient naar de DT&V te worden verzonden.
In dit hoofdstuk wordt het overgangsrecht van de Vw beschreven. Het overgangsrecht betreft zowel de verblijfsvergunningen als de procedurele aspecten.
### 12. Verklaring van onvermogen
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
De aanvrager verklaart alle gegevens in dit formulier naar waarheid te hebben verstrekt, en verklaart tevens dat hij/zij niet op grond van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst is verklaard:
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
Handtekening aanvrager:....
Aanvragen tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf op grond van [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) (oud) voor een regulier verblijfsdoel (onder een beperking) worden aangemerkt als aanvragen tot het verlenen of het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14).
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
Aanvragen tot verlening van een vergunning tot vestiging worden aangemerkt als aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
Sinds de datum van inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), op 1 april 2001, worden de tot dan toe geldige verblijfsvergunningen van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze wet ([artikel 115, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=115)), met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen. Een opsomming van de omzettingen volgt hieronder.
Aanvragen om toelating als vluchteling als bedoeld in artikel 15 Vw (oud) worden aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel.
Indien de vreemdeling een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft op wie [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is toegepast in afwachting van besluitvorming op de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) of om verlening van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling of vanwege een medische noodsituatie heeft deze aanvraag betrekking op de periode van maximaal drie maanden, van ..... (datum) tot ..... (datum) of zoveel korter tot dat een beslissing op de aanvraag is genomen.
Een aanvraag tot verlening of verlenging die is ingediend vóór 1 april 2001 wordt op grond van [artikel 117, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117) behandeld op grond van de Vw (oud). Op deze aanvragen blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Vw.
Datum: .....
### Toelichting
### 4.1. Algemeen
### 4.2. Het staandehouden en ophouden op grond van artikel 50 Vw
### 6.4. Schadevergoeding
### 4.3.5. De vrijheidsbeperkende locatie
Een zodanig risico of ontwijking of belemmering wordt echter niet aangenomen ingeval slechts een van de vorenvermelde feiten en omstandigheden zich voordoet.
### Opmerkingen
Bewaring krachtens [artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, of tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) duurt in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel de voornemenprocedure ([artikel 39 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=39)) toegepast is, duurt de bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw in geen geval langer dan zes weken. Deze bewaring eindigt van rechtswege en behoeft, als de termijn verstreken is, niet opgeheven te worden.
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
In afwijking van [artikel 8:41 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) wordt door de griffier van de rechtbank geen griffierecht geheven (zie [artikel 93, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=93)).
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
De Minister (in de praktijk de IND) dient uiterlijk op de 28e dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) de rechtbank daarvan in kennis te stellen, tenzij de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld (zie [artikel 94, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94)). Op deze termijnstelling is de [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) van toepassing. Dit heeft tot gevolg dat de termijn van 28 dagen een aanvang neemt op de dag nadat de vreemdeling in bewaring is gesteld. De kennisgeving, die gelijk wordt gesteld met een beroep van de vreemdeling, dient dus uiterlijk op de 29e dag van de vrijheidsontneming door de rechtbank te zijn ontvangen.
### 6. Categorie voorzieningen
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Indien de rechtbank de toepassing of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig acht, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Ook kan de rechtbank schadevergoeding toekennen (zie hierna A6/6.4).
De griffier van de rechtbank zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van de uitspraak aan de vreemdeling of zijn advocaat en aan de IND. De IND informeert vervolgens de DT&V. De DT&V geeft aan hoe verder ten aanzien van de vreemdeling gehandeld moet worden. Een opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel kan enkel geschieden na overleg met de DT&V en eventueel met de IND, gelet op het eventueel in te dienen hoger beroep of het verzoeken om een voorlopige voorziening.
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Indien de rechtbank na een eerste beoordeling het beroep ongegrond heeft verklaard dan wel een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging heeft bevolen, en de maatregel van vrijheidsontneming duurt voort, kan de vreemdeling op ieder moment opnieuw beroep instellen tegen het voortduren van de maatregel van vrijheidsontneming.
Sinds de datum van inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), op 1 april 2001, worden de tot dan toe geldige verblijfsvergunningen van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze wet ([artikel 115, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=115)), met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen. Een opsomming van de omzettingen volgt hieronder.
Op grond van [artikel 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=95), juncto [artikel 69, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69) kan de vreemdeling of zijn advocaat, of de IND binnen één week tegen een uitspraak van de rechtbank, bedoeld in [artikel 94, derde lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) (eerste beroep/kennisgeving tegen een vrijheidsontnemende maatregel op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [artikel 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) en [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)) hoger beroep instellen bij de ABRvS. [Afdeling 4 van hoofdstuk 7 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) is van toepassing, met uitzondering van [artikel 84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=84) en [86 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=86).
In [artikel 117 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=117) is geregeld welk rechtsregime van toepassing is op de aanvragen die op het tijdstip van inwerkingtreding reeds in behandeling waren. Deze aanvragen worden aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Vw.
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 12. Verklaring van onvermogen
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
### 3.5. De vorm
### 4.3.2. De bevoegdheid
### 3.5. Wijze van behandeling
### Opmerkingen
### 1. Aanvrager
### 5. Medische verklaring
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
### 5. Medische verklaring
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
### 14. Verwerking persoonsgegevens
In dit hoofdstuk wordt het overgangsrecht van de Vw beschreven. Het overgangsrecht betreft zowel de verblijfsvergunningen als de procedurele aspecten.
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
### Toelichting
### 5. Klachten
### 6.3. De BVV
### 2.8. De beëindiging
### 6.3. Hoger Beroep
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
### 4.2. Het staandehouden en ophouden op grond van artikel 50 Vw
### 5.2.1. De bevoegdheid
### 4.4. Hoger beroep
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 5. Medische verklaring
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
### 6. Categorie voorzieningen
### 12. Verklaring van onvermogen
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
### 4.3.3. De toepassing
### 3.2. Aanvragen verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf
### 3.5. Wijze van behandeling
### 4. Rechtsmiddelen
### 5. Uitzetting
De asielzoeker zal in beginsel als vrijheidsbeperkende maatregel de aanwijzing krijgen om zich beschikbaar te houden in een bepaalde opvangvoorziening. Meer dan een beschikbaarheidsverplichting mag de vreemdeling niet opgelegd worden. Daarbij dient hij de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit, dat is de Korpschef, in acht te nemen. Deze aanwijzingen houden in ieder geval in dat de vreemdeling zich tweemaal per dag dient te melden bij de Korpschef.
### 1. Aanvrager
De kosten van bewaring in een politiecel kunnen – met uitsluiting van die van de eerste vier dagen van de bewaring – op grond van de [Circulaire afbakening tussen politie- en Justitiekosten 2004-2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016706) van de toenmalige Minister van Justitie (Stcrt 2004, nr. 92, pag. 22), gedeclareerd worden bij het ministerie van V&J.
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 14. Verwerking persoonsgegevens
### 3.2. Het doel
### 4.2. Bezwaar
### 1. Aanvrager
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 5. Medische verklaring
### 6. Categorie voorzieningen
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 12. Verklaring van onvermogen
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
### 5.3.1. Het doel
### 5.2.5. De duur
### 5.2.6. De beëindiging
### 5.3. Bewaring op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
### 5.3.1. Het doel
### 5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid
### 5.3.3.4. Vreemdelingen die op korte termijn uitgezet kunnen worden
### 5.3.3.5. Bewaring van vreemdelingen met rechtmatig verblijf
Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door degene die bevoegd is tot het geven van een besluit tot inbewaringstelling.
### 5.3.4.1. Het gehoor
### 5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
### 5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond
### 5.3.5. De duur
### 5.3.5.1. Indienen van voorlopige voorziening tijdens bewaring
### 5.3.6. De tenuitvoerlegging
### 5.3.6.1. Plaats van tenuitvoerlegging
### 5.3.7.1. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie
### 5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring
### 5.3.7. Het strafrecht en bewaring
### 5.3.7.1. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie
### 5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring
### 5.3.8. De beëindiging
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
### 6.1. Algemeen
### 6.2. Beroep bij de rechtbank
### 6.2.1. Beroep instellen bij de rechtbank
### 6.2.2. In kennis stellen van de rechtbank
### 6.3. Hoger Beroep
### 6.2.4. Procedure bij voortduren van de vrijheidsontneming
### 6.3. Hoger Beroep
### 3.1. Inleiding
### 3.2. Aanvragen verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf
### 1. Inleiding
### 2. Omzetting van verblijfsvergunningen
### 3. Behandeling van de aanvraag
### 3.5. Wijze van behandeling
### 3.2. Aanvragen verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf
### 3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
### 4.1. Inleiding
### 4.2. Bezwaar
### 4. Rechtsmiddelen
### 4.3. Beroep
### 4.2. Bezwaar
### 4.3. Beroep
### 4.4. Hoger beroep
### 1. Aanvrager
Burgerlijke staat....
Datum verblijfsaanvraag.....Doel verblijfsaanvraag.....
Stand procedure verblijfsaanvraag.....
Achternaam.....
Soort.....
Documentnummer.....
Geboortedatum..... -plaats..... -land.....
Straat en huisnummer.....
Postcode.....Woonplaats.....
Telefoonnummer.....
Stand procedure verblijfsaanvraag.....
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
Postcode.....Woonplaats....
Telefoonnummer.....
### 5. Medische verklaring
Deze regeling staat open voor vreemdelingen wier vertrek uit Nederland met het oog op hun gezondheidstoestand of die van één van hun gezinsleden niet verantwoord is te achten;
Ter staving wordt daarbij overgelegd:
Dit aanvraagformulier dient vergezeld te gaan van een medische verklaring en ondertekend te zijn door een arts/ medisch specialist. Zonder deze bijgevoegde verklaring wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
De aanvrager verklaart tevens de behandelend arts/ medisch specialist te machtigen gegevens te verstrekken omtrent de tuberculosebehandeling en het al dan niet aanwezig zijn van besmettingsgevaar; in de overige gevallen omtrent hetgeen dient ter onderbouwing van het beroep op [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) en/of de verblijfsaanvraag op medische gronden.
Postcode.....Woonplaats....
De aanvrager doet een beroep op de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en verzoekt om:
### 7. Mate van mate van zelfredzaamheid
Toelichting.....
.....
.....
.....
.....
### 6. Categorie voorzieningen
.....
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
Toelichting.....
Vreemdelingennummer.....
Immigratie- en Naturalisatiedienstnummer .....
Achternaam.....Geslacht .....
Door huwelijk verkregen naam.....
Voorna(a)m(en).....
Geboortedatum......-plaats......-land.....
### 8. Gezinssamenstelling van de aanvrager
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Datum binnenkomst in Nederland.....Datum verblijfsaanvraag.....
Doel verblijfsaanvraag.....
Achternaam.....Geslacht .....
Door huwelijk verkregen naam.....
Voorna(a)m(en).....
Hierbij verklaart de aanvrager dat hij, noch één van zijn gezinsleden, beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Indien deze verklaring in strijd met de waarheid is ingevuld, eindigen de verstrekkingen.
Nationaliteit....
Als een toelage wordt toegekend, dan moet deze worden toegekend via de volgende bank- of girorekening:
Rekeningnummer.....Ten name van:.....
Doel verblijfsaanvraag.....
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 12. Verklaring van onvermogen
Dit is tevens het adres waar u een schriftelijk verzoek kunt indienen voor een volledig overzicht van de over u verwerkte gegevens. Naar aanleiding van dat verzoek kunt u onder omstandigheden verzoeken uw persoonsgegevens te wijzigen, te verbeteren, te verwijderen of af te schermen.
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
Datum:.....
Handtekening aanvrager:....
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
( ) Op de aanvrager is de situatie van [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) van toepassing.
( ) De aanvrager verblijft rechtmatig in Nederland op grond van [artikel 8, onder f of h, Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en kan analoog aan de situatie als bedoeld in [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) worden behandeld.
Indien er sprake is van acuut besmettingsgevaar of ziekenhuisopname waardoor het voor de vreemdeling praktisch niet mogelijk is zich te melden bij de vreemdelingenpolitie, kan de aanvrager voor..... weken vrijgesteld worden van de meldplicht bij de vreemdelingenpolitie.
Deze aanvraag heeft betrekking op de periode van .....(datum) tot.....datum).
Indien de vreemdeling een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft op wie [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is toegepast in afwachting van besluitvorming op de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) of om verlening van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling of vanwege een medische noodsituatie heeft deze aanvraag betrekking op de periode van maximaal drie maanden, van ..... (datum) tot ..... (datum) of zoveel korter tot dat een beslissing op de aanvraag is genomen.
Datum: .....
Verklaring vreemdelingenpolitie/ Immigratie- en Naturalisatiedienst te.....
### In te vullen door vreemdelingenpolitie of Immigratie- en Naturalisatiedienst
Telefoonnummer.....
( ) De aanvrager verblijft rechtmatig in Nederland op grond van [artikel 8, onder f of h, Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en kan analoog aan de situatie als bedoeld in [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) worden behandeld.
Dit formulier is bedoeld voor vreemdelingen wier vertrek uit Nederland, met het oog op hun gezondheidstoestand of die van één van hun gezinsleden, niet verantwoord is te achten en die niet over voldoende middelen van bestaan beschikken. Het gaat hier om vreemdelingen die niet kunnen worden uitgezet, hetzij op grond van [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wegens een medisch beletsel, hetzij omdat zij zich in een procedure feitelijk in dezelfde medische situatie bevinden.
Zij kunnen een beroep doen op de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en in aanmerking komen voor een financiële toelage en een dekking van de medische verstrekkingen, overeenkomstig de door Centraal Orgaan opvang Asielzoekers getroffen ziektekostenregeling. Dit betekent dat zij aanspraak kunnen maken op opvang en onderdak in een opvangcentrum, dan wel op verblijf buiten een opvangcentrum, de zogenaamde administratieve plaatsing. Het recht op voorzieningen ontstaat pas op het moment dat in het individuele geval hiertoe door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers is beslist.
Indien de vreemdeling een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft op wie [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is toegepast in afwachting van besluitvorming op de aanvraag om toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) of om verlening van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling of vanwege een medische noodsituatie heeft deze aanvraag betrekking op de periode van maximaal drie maanden, van ..... (datum) tot ..... (datum) of zoveel korter tot dat een beslissing op de aanvraag is genomen.
Datum: .....
Verklaring vreemdelingenpolitie/ Immigratie- en Naturalisatiedienst te.....
Naam behandelend ambtenaar.....
Telefoonnummer.....
### Toelichting
Dit formulier is bedoeld voor vreemdelingen wier vertrek uit Nederland, met het oog op hun gezondheidstoestand of die van één van hun gezinsleden, niet verantwoord is te achten en die niet over voldoende middelen van bestaan beschikken. Het gaat hier om vreemdelingen die niet kunnen worden uitgezet, hetzij op grond van [artikel 64 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wegens een medisch beletsel, hetzij omdat zij zich in een procedure feitelijk in dezelfde medische situatie bevinden.
Zij kunnen een beroep doen op de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en in aanmerking komen voor een financiële toelage en een dekking van de medische verstrekkingen, overeenkomstig de door Centraal Orgaan opvang Asielzoekers getroffen ziektekostenregeling. Dit betekent dat zij aanspraak kunnen maken op opvang en onderdak in een opvangcentrum, dan wel op verblijf buiten een opvangcentrum, de zogenaamde administratieve plaatsing. Het recht op voorzieningen ontstaat pas op het moment dat in het individuele geval hiertoe door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers is beslist.
## Model M62. Staat van inlichtingen mvv
Vervallen
## Model M63. Voorstel intrekking verblijfsvergunning en/ of ongewenstverklaring en/of uitvaardiging inreisverbod
## Model M64. Beschikking tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd (art. 4:5 Awb)
Vervallen
## Model M65-A. Beschikking aanvraag (on)bepaalde tijd afwijzen
Vervallen
## Model M65-B. Beschikking afwijzen aanvraag verlengen bepaalde tijd
Vervallen
## Model M65-C. Beschikking afwijzen aanvraag wijziging verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M66. Beschikking intrekking verblijfsvergunning
Vervallen
## Model M67. Staat van inlichtingen adoptie
Vervallen
## Model M68. Staat van inlichtingen opname als pleegkind
Vervallen
## Model M69-M74. Gereserveerd
## Model M75-A. Document I
Vervallen
## Model M75-B. Document II
Vervallen
## Model M75-C. Document III
Vervallen
## Model M75-D. Document IV
Vervallen
## Model M75-E. Document EU/EER
Vervallen
## Model M75-F. Document W
Vervallen
## Model M75-G. Document W2
Vervallen
## Model M76. Ontvangstbewijs voor het in ontvangst nemen van een verblijfsdocument
## Model M77-A. Sticker verblijfsaantekeningen Algemeen
Vervallen
## Model M77-B. Sticker verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen
Vervallen
## Model M77-C. Sticker verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures
Vervallen
## Model M77-D
Vervallen
## Model M78-A. Rappelbrief omtrent tijdige aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel)
Vervallen
## Model M78-B. Rappelbrief omtrent tijdige verlenging / wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel aanvraag van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (regulier)
Vervallen
## Model M79. Reizigerslijst voor schoolreizen
Vervallen
## Model M80. EU-staat
## Model M81. Geprivilegieerdendocument
## Model M81-A. Geprivilegieerdendocument (toelichting)
Vervallen
## Model M82. Reisdocument voor vluchtelingen
Vervallen
## Model M83. Aanvraag vervanging, vernieuwing of eerste aanvraag vreemdelingendocument
Vervallen
## Model M84-M89. Gereserveerd
## Model M90. Vordering van de vreemdeling om in persoon te verschijnen
## Model M90-A. Vordering van de vreemdeling om in persoon te verschijnen en medewerking te verlenen aan een interview met een diplomatieke vertegenwoordiging
## Model M91. Kennisgeving adreswijziging/vertrek
Vervallen
## Model M92. Verhuismutaties (melding aan de IND)
Vervallen
## Model M93. Bericht omtrent signalering
## Model M94-A. Verklaring ex artikel 25 lid 1 Uitvoeringsovereenkomst Schengen
Vervallen
## Model M94-B. Verklaring ex artikel 25 lid 2 Uitvoeringsovereenkomst Schengen
Vervallen
## Model M95-M99. Gereserveerd
## Model M100. Bericht van vertrek
## Model M100-A. Bericht van ontruiming
## Model M101. Ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/of identiteitspapieren
## Model M102. Maatregel ex [artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)
## Model M102-A. Transit request for the purposes of removal by air
Vervallen
## Model M103-M109
## Model M110-A. Maatregel van bewaring
## Model M110-B. Proces-verbaal van gehoor ([artikel 59 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) juncto [artikel 5.2 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=5.2))
## Model M111-A. Proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/ ophouding
## Model M111-B. Proces-verbaal toepassing art. 50, tweede of derde lid, van de Vw
Vervallen
## Model M111-C. Proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/ ophouding
## Model M111-D. Beschikking verlenging ophouding [artikel 50, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50)
## Model M112. Verzoek opneming van een inbewaringgestelde vreemdeling in een huis van bewaring
Vervallen
## Model M113. Opheffing van een aanwijzing/ maatregel als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6)/ [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50)/ [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55)/ [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56)/ [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57)/ [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58) of [59 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59)
## Model M114. Verzoek om ontslag uit een justitiële inrichting
## Model M115. Lichtingsverzoek
## Model M116. Aanwijzing ex artikel 58 Vreemdelingenwet
Vervallen
## Model M117-A. Aanwijzing ingevolge [artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55) en/ of meldplicht ingevolge [artikel 54 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54)
## Model M117-B. Vervolgaanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet (asielzoekers)
Vervallen
## Model M117-C. Aanwijzingingevolge [artikel 55 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55)
## Model M118. Aanmeldformulier vreemdeling
## Model M119. Dossier vreemdelingenbewaring
## Model M120. (Voortgangs) Gegevens met betrekking tot uitzetting
## Model M122. Mededeling toepassing [artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50)
## Model M123-M129. Gereserveerd
## Model M130. Brochure ongewenstverklaring
Vervallen
## Model M131-A. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Diplomatenverdrag
Vervallen
## Model M131-B. Schema van voorrechten en immuniteiten op grond van het Consulaire Verdrag
Vervallen
## Model M132. Verzoek om inlichtingen aan de Regionale Directie Arbeidsvoorziening
Vervallen
## Model M133-A. Inlichtingenformulier voor het vragen van inlichtingen conform art. 8.1 Vb
Vervallen
## Model M133-B. Antwoordformulier
Vervallen
## Model M133-C. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M133-D. Informatieformulier voor het verstrekken van gegevens conform art. 8.2 Vb
Vervallen
## Model M134. Verrekeningsstaat
Vervallen
## Model M135. Declaratie kosten verwijdering
Vervallen
## Model M136. Opgave van ingenomen gelden
Vervallen
## Model M137-A. Formulier restitutie garantiesom
Vervallen
## Model M137-B. Formulier restitutie passagebiljet
Vervallen
## Model M138. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M139. Verzoek om afgifte van een Machtiging tot voorlopig verblijf
Vervallen
## Model M140. De verklaring van de werkgever
Vervallen
@@ -11715,181 +11981,3 @@
## Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant
Vervallen
## Model M135. Declaratie kosten verwijdering
Vervallen
## Model M136. Opgave van ingenomen gelden
Vervallen
## Model M137-A. Formulier restitutie garantiesom
Vervallen
## Model M137-B. Formulier restitutie passagebiljet
Vervallen
## Model M138. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
Vervallen
## Model M139. Verzoek om afgifte van een Machtiging tot voorlopig verblijf
Vervallen
## Model M140. De verklaring van de werkgever
Vervallen
## Model M141. Verzoek om advies voor afgifte machtiging tot voorlopig verblijf kennismigrant
Vervallen
### 5.2. Het zich ophouden op grond van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=57) en [58 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=58)
### 5.2.4. Bijstand van een raadsman
### 5.2.6. De beëindiging
### 5.3.2. De bevoegdheid
### 5.3.3. De toepassing
### 5.3.3.1. Het belang van de openbare orde
### 5.3.3.6. Bewaring van Dublinclaimanten
### 5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
### 5.3.4.5. Hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond
### 5.3.6. De tenuitvoerlegging
### 5.3.6.1. Plaats van tenuitvoerlegging
### 5.3.6.3. Declaratie van de kosten van bewaring in een politiecel
### 5.3.7. Het strafrecht en bewaring
### 5.3.8. De beëindiging
### 6. Rechtsmiddelen
### 6.1. Algemeen
### 6.2. Beroep bij de rechtbank
### 6.2.1. Beroep instellen bij de rechtbank
### 6.2.3. Behandeling van de kennisgeving/het 1e beroep door de rechtbank
### 6.2.4. Procedure bij voortduren van de vrijheidsontneming
### 6.4. Schadevergoeding
### 7. Overgangsrecht
### 1. Inleiding
### 2. Omzetting van verblijfsvergunningen
### 3. Behandeling van de aanvraag
### 3.3. Aanvragen om verlening van een vergunning tot vestiging
### 3.4. Aanvragen om toelating als vluchteling
### 4. Rechtsmiddelen
### 4.4. Hoger beroep
### 1. Aanvrager
Vreemdelingennummer.....
.....
Immigratie- en Naturalisatiedienstnummer.....
Achternaam.....
Door huwelijk verkregen naam.....
Voorna(a)m(en).....Geslacht man/ vrouw
Geboortedatum..... -plaats..... -land.....
Nationaliteit.....Datum binnenkomst in Nederland.....
### 2. Reis- en/of identiteitsdocument
### 3. Verblijfadres aanvrager
### 4. Correspondentieadres aanvrager, indien dit afwijkt van het verblijfadres
Straat en huisnummer.....
De aanvrager verklaart door middel van ondertekening van dit aanvraagformulier akkoord te gaan met het inwinnen van inlichtingen omtrent zijn/ haar gezondheid door het Bureau Medische Advisering van de Immigratie- en Naturalisatiedienst bij de behandelend arts/ medisch specialist (conform [model M39-A Vreemdelingencirculaire 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M39-A&z=2012-04-01&g=2012-04-01)) en machtigt deze de gevraagde gegevens te verstrekken.
### 6. Categorie voorzieningen
.....
### 9. Persoonsgegevens van de (huwelijkse) partner (indien van toepassing)
Nationaliteit....
Burgerlijke staat.....
### 10. (Meegereisde) kinderen (indien van toepassing)
### 11. Financiële gegevens van de aanvrager en de aanwezige gezinsleden
### 12. Verklaring van onvermogen
### 13. Bankrelatie van de aanvrager
### 14. Verwerking persoonsgegevens
De aanvrager verklaart ermee bekend te zijn en gaat ermee akkoord dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers de persoonsgegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de [Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685). Daarbij worden de navolgende soorten van persoonsgegevens verwerkt:
De persoonsgegevens die over de aanvrager worden verwerkt, zijn bestemd voor de navolgende doeleinden: het beschikbaar hebben van de meeste recente gegevens in verband met de opvang bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers om een adequaat opvangbeleid te kunnen ontwikkelen, bepalen en uitvoeren.
Het is mogelijk dat uw gegevens betreffende de opvangrechtelijke positie worden verstrekt aan andere bestuursorganen, indien zij deze behoeven ter uitvoering van hun taak. Andere bestuursorganen kunnen tevens aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers persoonsgegevens over u verstrekken, indien deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de [Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685). Verantwoordelijk voor deze gegevensverstrekking is het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. In het geval u vragen heeft over deze gegevensverwerking, kunt u schriftelijk contact opnemen met: Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, Directie Beleid en Juridische Zaken onder vermelding van [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468), Postbus 3002, 2280 ME Rijswijk.
De aanvrager verklaart alle gegevens in dit formulier naar waarheid te hebben verstrekt, en verklaart tevens dat hij/zij niet op grond van [artikel 67 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ongewenst is verklaard:
Naam behandelend ambtenaar.....
### Toelichting
## Model M55. Kennisgeving bedenktijd/aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel en beroep op regeling [B9 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend)
## Model M55-A. Kennisgeving aangifte/verlenen medewerking aan strafproces mensenhandel gedurende asielprocedure
Vervallen
## Model M56. Voorblad aanvraag verblijfsvergunning door een in bewaring gestelde vreemdeling
## Model M57. Verklaring inkomen ondernemer
Vervallen
## Model M58. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant met mvv
Vervallen
## Model M59. Aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant of wijziging beperking zonder mvv
Vervallen
## Model M60. Positief advies mvv
Vervallen
## Model M61. Negatief advies mvv
Vervallen