Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds
- ii. handelswaarde bezit omdat zij geheim is; en
- iii. door de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, is onderworpen aan, gezien de omstandigheden, redelijke maatregelen om die geheim te houden;
- b. „houder van het bedrijfsgeheim”: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt.
Voor de toepassing van deze onderafdeling worden ten minste de volgende activiteiten beschouwd als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:
- a. het verkrijgen van een bedrijfsgeheim zonder de instemming van de houder van een bedrijfsgeheim, wanneer dat geschiedt door ongeoorloofde toegang tot, toe-eigening van, of vermenigvuldiging van documenten, voorwerpen, materialen, stoffen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid;
- b. het gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dat geschiedt, zonder de instemming van de houder van het bedrijfsgeheim, door een persoon die blijkt te voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
- i. het bedrijfsgeheim te hebben verworven op een manier als bedoeld in punt a);
- ii. inbreuk te plegen op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim; of
- iii. inbreuk te plegen op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim;
- c. het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim door een persoon die op het tijdstip van het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een andere persoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte in de zin van punt b).
Niets in deze onderafdeling mag aldus worden uitgelegd dat het een Partij ertoe verplicht een van de volgende activiteiten te beschouwen als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:
- a. de ontdekking of creatie op onafhankelijke wijze van de relevante informatie door een persoon;
- b. het nabouwen van een product door een persoon die er rechtmatig in het bezit van is en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting de verkrijging van de relevante informatie te beperken;
- c. het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van informatie die is vereist of toegestaan door de wetgeving van die Partij; of
- d. het gebruik door werknemers van ervaringen en vaardigheden die zij op eerlijke wijze tijdens de normale uitoefening van hun functie hebben opgedaan.
Niets in deze onderafdeling mag aldus worden uitgelegd dat het een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en informatie, met inbegrip van mediavrijheid, zoals die wordt beschermd in elk van de Partijen.
Artikel 32.45. Civielrechtelijke procedures en maatregelen voor bedrijfsgeheimen
Elke Partij zorgt ervoor dat eenieder die deelneemt aan de civielrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 32.44, of die toegang heeft tot documenten die deel uitmaken van die gerechtelijke procedures, een bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim niet mag gebruiken of openbaar maken, voor zover de bevoegde autoriteiten dat bedrijfsgeheim als reactie op een voldoende verantwoorde aanvraag van een belanghebbende hebben aangemerkt als vertrouwelijk en waarop die persoon werd geattendeerd door dergelijke deelname of toegang.
In de civielrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 32.44 zorgt elke Partij ervoor dat haar gerechtelijke autoriteiten ten minste de bevoegdheid hebben om:
- a. overeenkomstig de wet- en regelgeving van een Partij voorlopige maatregelen te treffen om het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, te voorkomen;
- b. een bevel tot staking uit te vaardigen om het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, te voorkomen;
- c. aan de persoon die wist of had moeten weten dat hij doende was een bedrijfsgeheim te verkrijgen, te gebruiken of openbaar te maken op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, een schadevergoeding op te leggen, te betalen aan de houder van het bedrijfsgeheim, die passend is voor de werkelijke schade die die wegens het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim heeft geleden;
- d. specifieke maatregelen te treffen om de vertrouwelijkheid te garanderen van elk bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim dat in een civielrechtelijke procedure in verband met het vermeende verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, wordt overgelegd; dergelijke specifieke maatregelen kunnen overeenkomstig de wetgeving van de betrokken Partij, de mogelijkheid omvatten om:
- i. de toegang tot bepaalde documenten geheel of gedeeltelijk te beperken;
- ii. de toegang tot hoorzittingen en hun respectieve opnamen of transcripties te beperken;
- iii. een niet-vertrouwelijke versie ter beschikking te stellen van de gerechtelijke uitspraak waarin de passages die bedrijfsgeheimen bevatten, zijn verwijderd of aangepast;
- e. sancties op te leggen aan eenieder die deelneemt aan de gerechtelijke procedure en die nalaat of weigert gevolg te geven aan bevelen van de bevoegde rechterlijke instanties betreffende de bescherming van het bedrijfsgeheim of het vermeende bedrijfsgeheim.
Elke Partij ziet erop toe dat haar rechterlijke instanties de in artikel 32.44 bedoelde gerechtelijke procedures en rechtsmiddelen niet hoeven toe te passen indien de gedragingen die in strijd zijn met eerlijke handelspraktijken in overeenstemming met het recht van de Partij worden verricht, om fouten, wangedrag of illegale activiteiten aan het licht te brengen of om een door het recht van die Partij erkend rechtmatig belang te beschermen.
Artikel 32.46. Bescherming van niet openbaar gemaakte gegevens met betrekking tot farmaceutische producten
Een Partij die als voorwaarde voor een vergunning voor het in de handel brengen of voor een sanitaire vergunning van een farmaceutisch product die een nieuwe chemische eenheid bevat die nog niet eerder is goedgekeurd, de overlegging vereist van een niet openbaar gemaakte test of andere gegevens die nodig zijn om te bepalen of het gebruik van dat product veilig en doeltreffend is, beschermt die Partij die gegevens tegen openbaarmaking aan derden, indien de opstelling van die gegevens een aanmerkelijke inspanning vergt, behalve wanneer de openbaarmaking nodig is ter bescherming van een hoger openbaar belang of tenzij maatregelen worden getroffen om te verzekeren dat de gegevens worden beschermd tegen oneerlijk commercieel gebruik.
Elke Partij ziet erop toe dat gedurende ten minste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen of van de eerste sanitaire vergunning in de betrokken Partij, een farmaceutisch product waarvoor in een later stadium een vergunning wordt verleend op grond van de resultaten van preklinische en klinische proeven die in de aanvraag voor de eerste vergunning voor het in de handel brengen of voor de sanitaire vergunning zijn ingediend, niet in de handel wordt gebracht zonder de uitdrukkelijke toestemming van de houder van de eerste vergunning voor het in de handel brengen of van de eerste sanitaire vergunning.
Geen van de Partijen wordt belet op basis van onderzoeken naar biologische equivalentie en biologische beschikbaarheid verkorte vergunningsprocedures voor farmaceutische producten toe te passen.
Elke Partij kan voorzien in voorwaarden en beperkingen bij de uitvoering van de verplichtingen van dit artikel, mits de Partij uitvoering blijft geven aan dit artikel.
Artikel 32.47. Bescherming van gegevens met betrekking tot agrochemische producten
Indien een Partij als voorwaarde voor het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen van een agrochemisch product dat een nieuwe chemische entiteit bevat, de indiening verlangt van tests of studieverslagen betreffende de veiligheid en werkzaamheid van dat product, verleent die Partij geen vergunning voor een ander agrochemisch product op grond van die tests of studieverslagen zonder instemming van de persoon die die tests of studieverslagen eerder heeft ingediend, gedurende ten minste tien jaar na de datum van verlening van de eerste vergunning voor het in de handel brengen van het agrochemische product.
Een Partij kan de bescherming uit hoofde van dit artikel beperken tot tests of studieverslagen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a. zij zijn noodzakelijk voor de vergunning, of voor de wijziging van een vergunning om het gebruik van het agrochemisch product op andere gewassen toe te staan; en
- b. zij zijn in overeenstemming verklaard met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of goede experimentele praktijken.
Elke Partij kan voorschriften vaststellen om herhaling van proeven op gewervelde dieren te voorkomen.
Elke Partij kan bij de uitvoering van de verplichtingen van dit artikel voorzien in voorwaarden en beperkingen, mits de Partij uitvoering blijft geven aan dit artikel.
ONDERAFDELING 7. KWEKERSRECHTEN
Artikel 32.48. Bescherming van kwekersrechten
De Partijen beschermen kwekersrechten overeenkomstig het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten van 2 december 1961, laatstelijk gewijzigd te Genève op 19 maart 1991 (hierna het „UPOV-Verdrag” genoemd), met inbegrip van de uitzonderingen op het kwekersrecht als bedoeld in artikel 15 van het UPOV-Verdrag, en werken samen om die rechten te bevorderen en te handhaven.
AFDELING C. HANDHAVING VAN INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN
ONDERAFDELING 1. CIVIELRECHTELIJKE EN ADMINISTRATIEVE HANDHAVING
Artikel 32.49. Algemene verplichtingen
Elke Partij herbevestigt haar verbintenissen uit hoofde van de Trips-overeenkomst en ziet toe op de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in overeenstemming met haar wetgeving en praktijk. De Partijen voorzien in de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze onderafdeling voorziet.
Deze afdeling is niet van toepassing op de rechten die vallen onder onderafdeling 6 van afdeling B.
Een Partij voorziet in maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die eerlijk en billijk moeten zijn, niet onnodig ingewikkeld of duur mogen zijn en geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen mogen inhouden.
De in lid 3 bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van die procedures.
Niets in deze afdeling schept enige verplichting voor een van beide Partijen:
- a. om een rechtsstelsel in te voeren voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten naast dat voor de rechtshandhaving in het algemeen; of
- b. met betrekking tot de verdeling van middelen tussen de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en de rechtshandhaving in het algemeen.
Artikel 32.50. Personen bevoegd tot het verzoeken om toepassing van handhavingsmaatregelen, procedures en rechtsmiddelen
Elke Partij erkent de volgende personen als personen die gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de Trips-overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:
- a. houders van intellectuele-eigendomsrechten in overeenstemming met de wetgeving van elke Partij;
- b. alle andere personen die gemachtigd zijn die rechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de wetgeving van elke Partij;
- c. instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de wetgeving van elke Partij;
- d. entiteiten128)Voor Chili verwijst de term „entiteiten” naar „federaties en verenigingen”. Voor de EU-Partij verwijst de term „entiteiten” naar „beroepsorganisaties”. die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en overeenkomstig de wetgeving van elke Partij.
Artikel 32.51. Bewijs
Elke Partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure is begonnen, na indiening van een verzoek door een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar beweringen dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie krachtens het recht van die Partij wordt gewaarborgd. Bij het gelasten van voorlopige maatregelen houden de rechterlijke instanties rekening met de rechtmatige belangen van de vermeende inbreukmaker.
De in lid 1 bedoelde voorlopige maatregelen kunnen een gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagname van de vermeende inbreuk makende goederen en, in passende gevallen, de voornamelijk bij de productie of distributie van die goederen gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten omvatten.
Elke Partij treft, in geval van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op commerciële schaal, de nodige maatregelen teneinde de rechterlijke instanties in staat te stellen om, waar passend, op verzoek van een partij overlegging te kunnen gelasten van bancaire, financiële of handelsdocumenten die zich in de hand van de tegenpartij bevinden, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.
Artikel 32.52. Recht op informatie
Elke Partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties tijdens civiele procedures wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en proportioneel verzoek van de eiser kunnen gelasten dat de inbreukmaker of iedere andere persoon informatie verstrekt over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht vormen.
Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „iedere andere persoon” verstaan: een persoon die ten minste:
- a. de inbreuk makende goederen op commerciële schaal in zijn bezit bleek te hebben;
- b. de inbreuk makende diensten op commerciële schaal bleek te gebruiken;
- c. op commerciële schaal diensten bleek te verlenen die bij inbreuk makende handelingen worden gebruikt; of
- d. door een in dit lid bedoelde persoon werd aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, de vervaardiging of de distributie van inbreuk makende goederen of bij het verlenen van inbreuk makende diensten.
De in lid 1 bedoelde informatie kan, naar gelang van het geval, de volgende informatie omvatten:
- a. de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, aanbieders en andere eerdere houders van de goederen of diensten, alsook van de beoogde groot- en detailhandelaren; en
- b. de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsook de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.
Dit artikel geldt onverminderd wetgeving van een Partij waarbij:
- a. de houder van het recht ruimere rechten op informatie worden toegekend;
- b. het gebruik van de op grond van dit artikel meegedeelde informatie in civiele zaken wordt geregeld;
- c. de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;
- d. de mogelijkheid wordt geboden te weigeren gegevens te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zouden dwingen deelname door hemzelf of door naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven; of
- e. de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.
Artikel 32.53. Voorlopige en conservatoire maatregelen
Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties op verzoek van de eiser tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel tot staking kunnen uitvaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, waar passend en indien de wetgeving van die Partij daarin voorziet op straffe van een dwangsom, de voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht voorlopig te verbieden, dan wel om aan die voortzetting de voorwaarde te verbinden dat voor schadeloosstelling van de houder van het recht zekerheid wordt gesteld. Waar passend kan, onder dezelfde voorwaarden, ook een voorlopig bevel tot staking worden uitgevaardigd tegen een derde129)Voor de toepassing van dit artikel kan een Partij bepalen dat „derden” ook tussenpersonen omvatten. jegens wie de betrokken rechterlijke instantie rechtsmacht heeft en wiens diensten worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.
Elke Partij zorgt ervoor dat haar rechterlijke instanties op verzoek van de eiser de inbeslagneming of afgifte130)Een Partij kan voor de uitvoering van dit lid kiezen tussen inbeslagneming en afgifte. kunnen gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, om te beletten dat zij in het verkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.
Elke Partij zorgt ervoor dat, in geval van vermeende inbreuk op commerciële schaal en indien de eiser omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, de rechterlijke instanties conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. Daartoe kunnen de bevoegde instanties overlegging van bancaire, financiële of commerciële documenten of passende inzage van de desbetreffende informatie gelasten.
Artikel 32.54. Corrigerende maatregelen
Elke Partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, de bevoegdheid hebben om de vernietiging of op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer te gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. Waar passend kunnen de rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van hoofdzakelijk voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen gebruikte materialen en werktuigen.
De rechterlijke instanties van de Partijen hebben de bevoegdheid om te gelasten dat die maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dat beletten.
Bij de behandeling van een verzoek om corrigerende maatregelen wordt rekening gehouden met de noodzaak van evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste corrigerende maatregelen en met de belangen van derden.
Artikel 32.55. Bevelen tot staking
Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, wanneer een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt vastgesteld, tegen de inbreukmaker en, waar passend, tegen een derde131)Voor de toepassing van dit artikel kan een Partij bepalen dat „derden” ook tussenpersonen omvatten. over wie de desbetreffende rechterlijke instantie rechtsbevoegdheid uitoefent en wiens diensten worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht, een bevel tot staking van de inbreuk kunnen uitvaardigen.
Artikel 32.56. Alternatieve maatregelen
Elke Partij kan bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in passende gevallen en op verzoek van de persoon aan wie de in artikel 32.54 of artikel 32.55 vervatte maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat de maatregelen van artikel 32.54 of artikel 32.55 niet worden toegepast, maar in plaats daarvan aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald wanneer die persoon zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, uitvoering van de maatregelen hem onevenredige schade zou berokkenen en geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs toereikend lijkt.
Artikel 32.57. Schadevergoedingen
Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de benadeelde, de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten aan de houder van het recht een schadevergoeding te betalen ter compensatie van de schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden.
Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding uit hoofde van lid 1 hebben de rechterlijke instanties van elke Partij de bevoegdheid om onder andere door de houder aangevoerde legitieme waardebepalingen, met inbegrip van gederfde winst, de marktwaarde van de goederen of diensten ten aanzien waarvan inbreuk is gemaakt of de voorgestelde detailhandelsprijs132)Voor de EU-Partij omvat dat, waar passend, ook andere elementen dan economische factoren, onder andere de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden., in aanmerking te nemen. Elk van beide Partijen bepaalt dat haar rechterlijke instanties, ten minste in gevallen van inbreuk op auteursrecht of naburige rechten en namaak van merken, in civielrechtelijke procedures de bevoegdheid hebben de inbreukmaker te gelasten aan de houder van het recht het aan de inbreuk toe te schrijven deel van de winst te betalen als alternatief voor, in aanvulling op of als onderdeel van de schadevergoeding.
Als alternatief voor het bepaalde in lid 2 kan elk van beide Partijen bepalen dat haar rechterlijke instanties in passende gevallen de schadevergoeding kunnen vaststellen als een vast bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.
Niets in dit artikel belet de Partijen erin te voorzien dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een, eventueel vooraf vastgestelde, schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde kunnen gelasten indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs kon weten dat hij een inbreuk pleegde.
Artikel 32.58. Gerechtskosten
Elke Partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties waar passend de bevoegdheid hebben aan het einde van civiele procedures betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te gelasten dat de in het ongelijk gestelde partij jegens de in het gelijk gestelde partij wordt veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten en andere kosten waarin is voorzien krachtens het recht van de betrokken Partij.
Artikel 32.59. Openbaarmaking van gerechtelijke uitspraken
Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties in rechtszaken wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van het ophangen en volledig of gedeeltelijk publiceren van de uitspraak.
Artikel 32.60. Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten
De Partijen erkennen dat voor de toepassing van de in deze afdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:
- a. het volstaat voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, dat de naam van de auteur op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd; en
- b. punt a) van overeenkomstige toepassing is op de houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.
Artikel 32.61. Administratieve procedures
Voor zover een civiele corrigerende maatregel kan worden gelast als gevolg van een administratieve bodemprocedure, is die procedure in overeenstemming met beginselen die in wezen gelijkwaardig zijn aan de beginselen die zijn vastgelegd in de relevante bepalingen van deze onderafdeling.
ONDERAFDELING 2. HANDHAVING AAN DE GRENS
Artikel 32.62. Maatregelen aan de grens
Met betrekking tot goederen onder douanetoezicht introduceren of handhaven de Partijen procedures uit hoofde waarvan een houder van een recht een bevoegde autoriteit kan verzoeken de vrijgave van verdachte goederen op te schorten of verdachte goederen vast te houden. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder „verdachte goederen” verstaan: goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op merken, auteursrechten en naburige rechten, geografische aanduidingen, octrooien, gebruiksmodellen, tekeningen of modellen van nijverheid, of topografieën van geïntegreerde schakelingen.
Elke Partij beschikt over elektronische systemen voor het beheer van de ingewilligde of geregistreerde aanvragen door de bevoegde autoriteiten.
Elke Partij zorgt ervoor dat haar bevoegde autoriteiten geen vergoeding in rekening brengen voor de administratieve kosten die voortvloeien uit de behandeling van een verzoek of een registratie.
Elke Partij zorgt ervoor dat haar bevoegde autoriteiten binnen een redelijke termijn beslissen over de inwilliging of registratie van een aanvraag.
Elke Partij zorgt ervoor dat de ingewilligde of geregistreerde aanvraag van toepassing is op meervoudige zendingen.
Met betrekking tot goederen onder douanetoezicht zorgt elke Partij ervoor dat haar douaneautoriteiten op eigen initiatief de vrijgave van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op merken of auteursrechten, kunnen opschorten of die goederen kunnen vasthouden.
Douaneautoriteiten maken gebruik van risicoanalyses bij het identificeren van verdachte goederen. Elke Partij voert dit lid uit in overeenstemming met haar eigen recht.
Elke Partij kan beschikken over procedures voor de vernietiging van verdachte goederen, zonder dat er voorafgaande administratieve of gerechtelijke procedures nodig zijn voor de formele vaststelling van de inbreuken, in gevallen waarin de betrokken personen instemmen met of geen bezwaar maken tegen een dergelijke vernietiging. Indien dergelijke goederen niet worden vernietigd, zorgt elke Partij ervoor dat dergelijke goederen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, op zodanige wijze aan het verkeer worden onttrokken dat nadeel voor de houder van het recht wordt vermeden.
Het is elke Partij toegestaan over procedures te beschikken voor de snelle vernietiging van nagemaakte merkartikelen en door piraterij verkregen goederen die via post- of expreskoerierszendingen worden verzonden.
Een Partij kan besluiten dit artikel niet toe te passen op de invoer van goederen die in een derde land in de handel zijn gebracht door of met toestemming van de rechthebbenden. Een Partij kan ook besluiten om dit artikel niet toe te passen op goederen van niet-commerciële aard die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden.
De douaneautoriteiten van de Partijen gaan een regelmatige dialoog aan en bevorderen de samenwerking met de relevante belanghebbenden en met andere autoriteiten die betrokken zijn bij de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.
De Partijen werken samen met betrekking tot de internationale handel in verdachte goederen. De Partijen wisselen met name voor zover mogelijk informatie uit over de handel in verdachte goederen die gevolgen heeft voor de andere Partij.
Onverminderd andere vormen van samenwerking is het Protocol bij deze overeenkomst betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken van toepassing op inbreuken op de wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten voor wier handhaving de douaneautoriteiten van een Partij overeenkomstig dit artikel bevoegd zijn.
Artikel 32.63. Overeenstemming met GATT en Trips-overeenkomst
Bij de uitvoering van maatregelen aan de grens ter handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door haar douaneautoriteiten, ongeacht of zij onder deze onderafdeling vallen, zorgt elke Partij voor overeenstemming met haar verplichtingen uit hoofde van de GATT 1994 en de Trips-overeenkomst, met name met artikel V van de GATT 1994 en artikel 41 en deel III, afdeling 4, van de Trips-overeenkomst.
AFDELING D. SLOTBEPALINGEN
Artikel 32.64. Samenwerking
De Partijen werken samen ter ondersteuning van de uitvoering van de verbintenissen en verplichtingen op grond van dit hoofdstuk.
Mogelijke gebieden van samenwerking bij de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten omvatten de volgende activiteiten:
- a. uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de regels om die te beschermen en te handhaven;
- b. uitwisseling van ervaringen tussen de Partijen over de vooruitgang op wetgevingsgebied;
- c. uitwisseling van ervaring tussen de Partijen over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
- d. uitwisseling van ervaring tussen de Partijen met betrekking tot de handhaving op centraal en subcentraal niveau door de douaneautoriteiten, de politie en administratieve en gerechtelijke autoriteiten;
- e. coördinatie ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen, ook met derde landen;
- f. technische bijstand, capaciteitsopbouw en uitwisseling en opleiding van personeel;
- g. de bescherming en verdediging van intellectuele-eigendomsrechten en de verspreiding van informatie in dat verband, onder meer in het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld;
- h. bewustmaking van consumenten en houders van rechten, evenals uitbreiding van de institutionele samenwerking, met name tussen hun bureaus voor intellectuele eigendom;
- i. actieve voorlichting aan en scholing van het grote publiek over het beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten;
- j. publiek-private samenwerking waarbij kleine en middelgrote ondernemingen worden betrokken, onder meer tijdens op kleine en middelgrote ondernemingen gerichte evenementen of bijeenkomsten met betrekking tot de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en het terugdringen van daarop gemaakte inbreuken; en
- k. formulering van doeltreffende strategieën voor de bepaling van de doelgroepen en communicatieprogramma’s ter vergroting van het bewustzijn van de consument en de media over de impact van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het gevaar voor gezondheid en veiligheid en het verband met de georganiseerde misdaad.
Elke Partij kan de productspecificaties, of een samenvatting van die productspecificaties, en de contactpunten voor de controle op en het beheer van op grond van onderafdeling 4 van afdeling B beschermde geografische aanduidingen uit de andere Partij, openbaar maken.
De Partijen houden rechtstreeks of via het in artikel 32.66 bedoelde subcomité contact over alle aangelegenheden in verband met de uitvoering en werking van dit hoofdstuk.
Artikel 32.65. Vrijwillige initiatieven van belanghebbenden
Elke Partij streeft ernaar vrijwillige initiatieven van belanghebbenden om inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten terug te dringen, ook online en op andere marktplaatsen, te faciliteren, waarbij de nadruk ligt op concrete problemen en het zoeken naar praktische oplossingen die realistisch, evenwichtig, proportioneel en billijk zijn voor alle betrokkenen, onder meer als volgt:
- a. elke Partij streeft ernaar belanghebbenden op haar grondgebied consensueel bijeen te roepen om vrijwillige initiatieven te faciliteren om oplossingen te vinden en geschillen op te lossen met betrekking tot de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en het terugdringen van inbreuken;
- b. elke Partij streeft ernaar met de andere Partij informatie uit te wisselen over inspanningen om vrijwillige initiatieven van belanghebbenden op haar grondgebied te faciliteren; en
- c. de Partijen streven ernaar een open dialoog en samenwerking tussen de belanghebbenden in de Partijen te bevorderen en de belanghebbenden in de Partijen aan te moedigen gezamenlijk oplossingen te vinden en geschillen over de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten op te lossen en hun inbreuken terug te dringen.
Artikel 32.66. Subcomité Intellectuele eigendom
Het op grond van artikel 8.8, lid 1, opgerichte Subcomité Intellectuele eigendom (het „subcomité”) houdt toezicht op en zorgt voor de goede uitvoering en werking van dit hoofdstuk en de bijlagen 32-A, 32-B en 32-C. Daarnaast verricht het subcomité de specifieke taken die het in dit hoofdstuk, met inbegrip van artikel 32.40, zijn toegewezen.
HOOFDSTUK 33. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING
AFDELING A. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel 33.1. Doelstellingen
De Partijen herinneren aan Agenda 21 inzake milieu en ontwikkeling, aangenomen tijdens de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling van 3 tot en met 14 juni 1992 in Rio de Janeiro, het Uitvoeringsplan van Johannesburg van de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling van 2002, de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie („IAO”) over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering, die door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 97e zitting in Genève op 10 juni 2008 werd aangenomen („IAO-verklaring over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering”), het slotdocument van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling van 2012 met de titel „The Future we want”, alsook de Agenda 2030 en de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoelstellingen.
De Partijen erkennen dat duurzame ontwikkeling economische ontwikkeling, sociale ontwikkeling en milieubescherming omvat, aangezien die drie onderling afhankelijk zijn en elkaar versterken voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties.
In het licht van het bovenstaande heeft dit hoofdstuk tot doel de handels- en investeringsbetrekkingen tussen de Partijen te versterken op een wijze die bijdraagt tot duurzame ontwikkeling, met name met betrekking tot de arbeids-133)Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de term „arbeid” verstaan: de strategische doelstellingen van de IAO in het kader van de Agenda voor waardig werk, die is verankerd in de IAO-Verklaring over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering. en milieuaspecten die relevant zijn voor de handel en investeringen.
In dit hoofdstuk is uitgegaan van een coöperatieve aanpak op basis van gemeenschappelijke waarden en belangen.
Artikel 33.2. Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus
De Partijen erkennen het recht van elke Partij om het eigen beleid en prioriteiten inzake duurzame ontwikkeling te bepalen, met name om eigen niveaus van binnenlandse arbeids- en milieubescherming en eigen arbeids- en milieuprioriteiten vast te stellen, alsook om het recht en beleid inzake arbeid en milieu dienovereenkomstig vast te stellen of te wijzigen.
De in lid 1 bedoelde niveaus van bescherming, wetgeving en beleid moeten verenigbaar zijn met de verplichtingen van elke Partij op basis van de in dit hoofdstuk bedoelde multilaterale milieuovereenkomsten („MMO’s”) en multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten waarbij zij partij is.
Elke Partij streeft ernaar ervoor te zorgen dat haar wet- en regelgeving en beleid op milieu- en arbeidsgebied een hoog niveau van milieu- en arbeidsbescherming bieden en aanmoedigen, en streeft ernaar die niveaus van milieu- en arbeidsbescherming in haar wet- en regelgeving en beleid te blijven verbeteren.
Een Partij mag de in haar wet- en regelgeving inzake milieu en arbeid geboden beschermingsniveaus niet afzwakken of verlagen om handel of investeringen aan te moedigen.
Een Partij mag geen afstand doen van of anderszins afwijken van, of aanbieden afstand te doen van of anderszins af te wijken van, haar wet- en regelgeving inzake milieu en arbeid op een wijze die de in die wet- en regelgeving geboden niveaus van bescherming verzwakt of verlaagt teneinde handel of investeringen aan te moedigen.
De Partijen doen niet door een onafgebroken of herhaald handelen of niet-handelen zodanig afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun respectieve wet- en regelgeving inzake milieu en arbeid, dat dat van invloed is op handel of investeringen.
Elke Partij behoudt het recht naar eigen goeddunken en te goeder trouw beslissingen te nemen met betrekking tot de inzet van handhavingsmiddelen in overeenstemming met de prioriteiten voor de handhaving van haar wet- en regelgeving inzake milieu en arbeid.
Een Partij mag haar wet- en regelgeving inzake milieu en arbeid niet toepassen op een wijze die een verkapte beperking van handel of investeringen zou vormen.
Artikel 33.3. Handel en verantwoord ondernemen en beheer van toeleveringsketens
De Partijen erkennen het belang van een verantwoord beheer van de toeleveringsketens door middel van verantwoord ondernemerschap of maatschappelijk verantwoord ondernemen en de rol die handel speelt bij het nastreven van die doelstelling.
In overeenstemming met lid 1:
- a. bevordert elke Partij verantwoord ondernemerschap of maatschappelijk verantwoord ondernemen door bedrijven aan te moedigen relevante praktijken toe te passen die in overeenstemming zijn met internationaal erkende beginselen, normen en richtsnoeren, waaronder sectorale richtsnoeren inzake zorgvuldigheidseisen, die door die Partij zijn bekrachtigd of worden ondersteund; en
- b. ondersteunt elke Partij de verspreiding en het gebruik van relevante internationale instrumenten die door die Partij zijn bekrachtigd of worden ondersteund, zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, die in november 1977 in Genève is aangenomen („tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid”), het Global Compact van de VN en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten die door de Mensenrechtenraad zijn bekrachtigd bij zijn Resolutie 17/4 van 16 juni 2011.
De Partijen erkennen het nut van internationale sectorspecifieke richtsnoeren op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen of verantwoord ondernemerschap en stimuleren gezamenlijke werkzaamheden in dat verband. De Partijen nemen ook maatregelen om de naleving van de OESO-richtlijnen inzake zorgvuldigheid te bevorderen.
De Partijen erkennen het belang van bevordering van de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale omstandigheden en milieuvriendelijke praktijken, zoals milieugoederen en -diensten die bijdragen tot een hulpbronnenefficiënte, koolstofarme economie, goederen waarvan de productie niet gepaard gaat met ontbossing en goederen die het voorwerp zijn van vrijwillige duurzaamheidsgarantiesystemen en -mechanismen.
De Partijen wisselen informatie en beste praktijken uit en werken waar passend bilateraal, regionaal en in internationale fora samen over aangelegenheden die onder dit artikel vallen.
Artikel 33.4. Wetenschappelijke en technische informatie
Bij het vaststellen of toepassen van maatregelen ter bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden die van invloed kunnen zijn op de handel of investeringen tussen de Partijen, houdt elke Partij rekening met beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, bij voorkeur afkomstig van erkende technische en wetenschappelijke instanties, evenals met relevante internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen, voor zover die bestaan.
Als de wetenschappelijk gegevens of informatie ontoereikend zijn of geen uitsluitsel geven, en er een risico bestaat van ernstige aantasting van het milieu of een risico voor de gezondheid en veiligheid op het werk op haar grondgebied, kan een Partij maatregelen nemen op basis van het voorzorgsbeginsel. Dergelijke maatregelen worden herzien als er nieuwe of aanvullende wetenschappelijke informatie beschikbaar komt.
Indien een overeenkomstig lid 2 vastgestelde maatregel gevolgen heeft voor de handel of investeringen tussen de Partijen, kan een Partij de Partij die de maatregel heeft vastgesteld verzoeken informatie te verstrekken waaruit blijkt dat de maatregel in overeenstemming is met haar eigen beschermingsniveaus, en kan zij verzoeken om bespreking van de aangelegenheid in het Subcomité Handel en duurzame ontwikkeling.
Dergelijke maatregelen worden niet zodanig toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de handel of investeringen zou vormen.
Artikel 33.5. Transparantie en goede regelgevingspraktijken
De Partijen erkennen het belang van de toepassing van de regels inzake transparantie en goede regelgevingspraktijken overeenkomstig de hoofdstukken 35 en 36, met name de regels die belanghebbenden in de gelegenheid stellen hun zienswijzen kenbaar te maken met betrekking tot:
- a. maatregelen ter bescherming van het milieu en de arbeidsomstandigheden die van invloed kunnen zijn op de handel of investeringen; en
- b. handels- of investeringsmaatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden.
Artikel 33.6. Publiek bewustzijn, informatie, participatie en procedurele garanties
Elke Partij bevordert het publieke bewustzijn van haar wet- en regelgeving inzake arbeid en milieu, onder meer door ervoor te zorgen dat haar wet- en regelgeving evenals haar handhavings- en nalevingsprocedures op arbeids- en milieugebied publiekelijk beschikbaar zijn.
Elke Partij tracht te voldoen aan verzoeken om informatie van een persoon betreffende de uitvoering van dit hoofdstuk door die Partij.
Elke Partij maakt gebruik van de in de artikelen 40.5, 40.6 en 40.7 bedoelde mechanismen om standpunten in te winnen over aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van dit hoofdstuk.
Elke Partij ontvangt en geeft passende aandacht aan schriftelijke mededelingen en meningen van een persoon van die Partij over aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van dit hoofdstuk in overeenstemming met haar binnenlandse procedures. Een Partij reageert schriftelijk en tijdig op dergelijke indieningen. Zij kan die mededelingen en meningen ter kennis brengen van haar op grond van artikel 40.6 opgerichte interne raadgevende groep en van het op grond van artikel 33.19, lid 6, aangewezen contactpunt van de andere Partij.
Elke Partij zorgt er in overeenstemming met haar wetgeving voor dat er toegang tot administratieve of gerechtelijke procedures openstaat voor personen met een juridisch erkend belang in een bepaalde aangelegenheid of die stellen dat er sprake is van een inbreuk op hun recht, teneinde actie mogelijk te maken tegen schendingen van haar milieu- of arbeidsrecht, met inbegrip van passende rechtsmiddelen in geval van schendingen van dat recht.
Elke Partij draagt er in overeenstemming met haar recht zorg voor dat de in lid 5 bedoelde procedures voorzien in een eerlijke rechtsgang, niet onbetaalbaar zijn, geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden, waar passend in de mogelijkheid van een bevel tot staking voorzien, en billijk, rechtvaardig en transparant zijn.
Artikel 33.7. Samenwerkingsactiviteiten
De Partijen erkennen het belang van samenwerkingsactiviteiten op het gebied van handelsgerelateerde aspecten van het milieu- en arbeidsbeleid teneinde de doelstellingen van deze overeenkomst te verwezenlijken en dit hoofdstuk uit te voeren.
Samenwerkingsactiviteiten kunnen worden ontwikkeld en uitgevoerd met medewerking van internationale en regionale organisaties, evenals van derde landen, bedrijven, werkgevers- en werknemersorganisaties, onderwijs- en onderzoeksorganisaties en andere niet-gouvernementele organisaties, naargelang van het geval.
De samenwerkingsactiviteiten worden uitgevoerd met betrekking tot onderwerpen en thema’s waarover de Partijen overeenstemming hebben bereikt teneinde aangelegenheden van gemeenschappelijk belang aan te pakken.
De Partijen kunnen samenwerken op de in dit hoofdstuk vermelde gebieden, evenals op onder meer de volgende gebieden:
- a. arbeids- en milieuaspecten van handel en duurzame ontwikkeling in internationale fora, waaronder met name de WTO, het Politiek forum op hoog niveau voor duurzame ontwikkeling van de VN, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties („UNEP”), de IAO en MMO’s;
- b. het effect van de arbeids- en milieuwetgeving en -normen op handel en investeringen;
- c. het effect van de handels- en investeringswetgeving op arbeid en het milieu; en
- d. handelsgerelateerde aspecten van:
- i. initiatieven op het gebied van duurzame consumptie en productie, met inbegrip van initiatieven ter bevordering van een circulaire economie, groene groei en milieuvervuilingsbestrijding; en
- ii. initiatieven ter bevordering van milieugoederen en -diensten, onder meer door de daarmee verband houdende niet-tarifaire belemmeringen aan te pakken.
De prioriteiten voor samenwerkingsactiviteiten worden door de Partijen gezamenlijk vastgesteld op basis van gebieden van wederzijds belang en beschikbare middelen.
De Partijen kunnen activiteiten op de in dit hoofdstuk beschreven samenwerkingsgebieden persoonlijk uitvoeren of met behulp van technologische middelen waarover zij beschikken.
AFDELING B. MILIEU EN HANDEL
Artikel 33.8. Doelstellingen
De Partijen streven naar bevordering van een wederzijds ondersteunend handels- en milieubeleid, een hoog niveau van milieubescherming overeenkomstig de MMO’s waarbij zij partij zijn en effectieve handhaving van hun respectieve wet- en regelgeving op milieugebied, alsook vergroting van hun capaciteit om handelsgerelateerde milieukwesties aan te pakken, onder meer door samenwerking.
De Partijen erkennen dat versterkte samenwerking om het milieu te beschermen en in stand te houden en hun natuurlijke rijkdommen duurzaam te beheren, voordelen biedt die kunnen bijdragen tot duurzame ontwikkeling, hun milieubeheer kunnen versterken en de doelstellingen van deze overeenkomst kunnen aanvullen.
De Partijen erkennen het belang van wederzijds ondersteunend beleid en wederzijds ondersteunende praktijken op het gebied van handel en milieu bij de verbetering van de milieubescherming en bevordering van duurzame ontwikkeling.
Artikel 33.9. Multilaterale governance en overeenkomsten op milieugebied
De Partijen erkennen het belang van de Milieuvergadering van de VN voor het UNEP. De Partijen erkennen de cruciale rol van MMO’s bij het aanpakken van mondiale, regionale en binnenlandse milieu-uitdagingen. De Partijen erkennen voorts dat de wederzijdse ondersteuning van het handels- en milieubeleid moet worden versterkt. Dienovereenkomstig geeft elke Partij op doeltreffende wijze uitvoering aan de MMO’s, met inbegrip van de protocollen daarbij, waarbij zij partij is.
De Partijen erkennen het recht van elke Partij om maatregelen vast te stellen of te handhaven ter bevordering van de doelstellingen van de MMO’s waarbij zij partij is.
De Partijen gaan een dialoog aan en werken, waar passend, samen inzake handels- en milieukwesties van wederzijds belang, met name met betrekking tot MMO’s. Daarvoor wordt regelmatig informatie uitgewisseld over de initiatieven van elke Partij met betrekking tot de ratificaties van MMO’s, met inbegrip van de bijbehorende protocollen en wijzigingen.
Artikel 33.10. Handel en klimaatverandering
De Partijen erkennen het belang van MMO’s op het gebied van klimaatverandering, met name de noodzaak om de doelstelling van het UNFCCC, en de doelen van de Overeenkomst van Parijs te bereiken, teneinde de urgente dreiging van klimaatverandering aan te pakken. De Partijen erkennen dan ook de rol van handel bij het bereiken van de doelstelling van duurzame ontwikkeling en het aanpakken van klimaatverandering, evenals het belang van individuele en collectieve inspanningen om de gevolgen van klimaatverandering aan te pakken door middel van acties ter matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering.
In overeenstemming met lid 1:
- a. geeft elke Partij op doeltreffende wijze uitvoering aan het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs, met inbegrip van haar verplichtingen met betrekking tot haar nationaal vastgestelde bijdragen;
- b. bevordert elke Partij de positieve bijdrage van handel aan de overgang naar een kringloopeconomie met lage broeikasgasemissies en aan klimaatbestendige ontwikkeling, met inbegrip van acties ter matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering; en
- c. vergemakkelijkt en bevordert elke Partij handel en investeringen in goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, voor duurzame hernieuwbare energie en voor energie-efficiëntie, op een wijze die in overeenstemming is met andere bepalingen van deze overeenkomst.
Overeenkomstig artikel 33.7 werken de Partijen, waar passend bilateraal, regionaal en in internationale fora, waaronder het UNFCCC, de WTO en het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, gesloten te Montreal op 16 september 1987 („Protocol van Montreal”), samen bij handelsgerelateerde aspecten van klimaatverandering. Voorts kunnen de Partijen, waar passend, op die punten ook samenwerken in de Internationale Maritieme Organisatie.
Overeenkomstig lid 1 werken de Partijen samen op gebieden als:
- a. de uitwisseling van kennis en ervaring met betrekking tot de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, evenals initiatieven ter bevordering van klimaatbestendigheid, hernieuwbare energie, emissiearme technologieën, energie-efficiëntie, koolstofbeprijzing, duurzaam vervoer, ontwikkeling van duurzame en klimaatbestendige infrastructuur, emissiemonitoring en op de natuur gebaseerde oplossingen; alsook de verkenning van de mogelijkheden om samen te werken op gebieden zoals verontreinigende stoffen met een korte levensduur en koolstofvastlegging in de bodem; en
- b. de uitwisseling van kennis en ervaring met betrekking tot een ambitieuze uitfasering van ozonafbrekende stoffen en uitfasering van fluorkoolwaterstoffen in het kader van het Protocol van Montreal door middel van maatregelen om de productie, het verbruik en de handel ervan te beheersen, de invoering van milieuvriendelijke alternatieven voor die ozonafbrekende stoffen en fluorkoolwaterstoffen, actualisering van de veiligheids- en andere relevante normen, en bestrijding van de illegale handel in stoffen die onder het Protocol van Montreal vallen, naargelang van het geval.
Artikel 33.11. Handel en bossen
De Partijen erkennen het belang van duurzaam bosbeheer en de rol van handel bij het nastreven van die doelstelling.
In overeenstemming met lid 1:
- a. voert elke Partij maatregelen uit ter bestrijding van illegale houtkap en de daarmee verband houdende handel, waar passend ook door middel van samenwerkingsactiviteiten met derde landen;
- b. stimuleert elke Partij het behoud en duurzame beheer van bossen;
- c. bevordert elke Partij de handel en consumptie van hout en houtproducten die legaal zijn verkregen uit duurzaam beheerde bossen; en
- d. wisselt elke Partij informatie uit en werkt zij, waar passend, met de andere Partij samen aan handelsgerelateerde initiatieven ter bestrijding van illegale houtkap, voor duurzaam bosbeheer, tegen ontbossing en aantasting van de bossen, voor governance in de bosbouw en het behoud van het bosareaal, teneinde het effect en de wederzijdse ondersteuning van hun respectieve beleid van gemeenschappelijk belang te maximaliseren.
Erkennend dat bossen en het duurzame beheer ervan een sleutelrol spelen in de bestrijding van klimaatverandering en het behoud van biodiversiteit, bevordert elke Partij initiatieven tegen ontbossing, onder meer door middel van ontbossingsvrije toeleveringsketens. Bovendien werken de Partijen, waar passend en overeenkomstig artikel 33.7, bilateraal, regionaal en in relevante internationale fora samen om ontbossing en bosdegradatie wereldwijd tot een minimum te beperken.
Artikel 33.12. Handel en in het wild levende dier- en plantensoorten
De Partijen erkennen dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de internationale handel in in het wild levende dier- en plantensoorten het voortbestaan daarvan niet bedreigt, zoals bepaald in de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, gesloten te Washington D.C. op 3 maart 1973 („Cites”).
In overeenstemming met lid 1:
- a. voert elke Partij doeltreffende maatregelen uit ter bestrijding van illegale handel in het wild levende dier- en plantensoorten, waar passend ook door middel van samenwerkingsactiviteiten met derde landen; en
- b. bevordert elke Partij de instandhouding op de lange termijn en het duurzaam gebruik van de in de aanhangsels bij Cites opgenomen soorten, onder meer door samen te werken in de relevante Cites-organen om de aanhangsels bij Cites actueel te houden en door de opneming te bevorderen van soorten die als bedreigd worden beschouwd vanwege de internationale handel en andere in het kader van Cites vastgestelde criteria.
Overeenkomstig artikel 33.7 kunnen de Partijen, waar passend, bilateraal, regionaal en in internationale fora samenwerken of informatie uitwisselen over kwesties van wederzijds belang in verband met de aanpak van de illegale handel in in het wild levende dier- en plantensoorten, onder meer door bewustmaking om de vraag naar illegale producten van in het wild levende dieren en planten te verminderen en initiatieven om de samenwerking inzake informatie-uitwisseling en handhaving te verbeteren.
Artikel 33.13. Handel en biologische diversiteit
De Partijen erkennen het belang van het behoud en het duurzame gebruik van biologische diversiteit, en de rol van de handel bij het nastreven van die doelstellingen, in overeenstemming met het Verdrag inzake biologische diversiteit, gedaan te Rio de Janeiro op 5 juni 1992, andere relevante MMO’s waarbij zij partij zijn, en de besluiten die in het kader daarvan zijn genomen.
In overeenstemming met lid 1 neemt elke Partij maatregelen voor het behoud van de biologische diversiteit wanneer die onder druk staat als gevolg van handel en investeringen, onder meer door de uitwisseling van informatie en ervaring, en maatregelen om de verspreiding van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, erkennende dat de grensoverschrijdende verplaatsing van terrestrische en aquatische invasieve uitheemse soorten via handelsgerelateerde routes nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, de economische activiteiten en ontwikkeling, en de volksgezondheid.
De Partijen erkennen het belang van de eerbiediging, instandhouding en het onderhouden van kennis en praktijken van inheemse en lokale gemeenschappen die traditionele levensstijlen belichamen die bijdragen tot het behoud en het duurzame gebruik van biologische diversiteit, en de rol van de handel daarin.
De Partijen erkennen het belang van het vergemakkelijken van de toegang tot genetische rijkdommen en van het bevorderen van de eerlijke en billijke verdeling van voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische rijkdommen, overeenkomstig hun respectieve binnenlandse maatregelen en de internationale verplichtingen van elke Partij.
De Partijen erkennen tevens het belang van inspraak en raadpleging van het publiek, overeenkomstig hun respectieve wetgeving of beleid, bij de ontwikkeling en uitvoering van maatregelen betreffende het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit.
Overeenkomstig artikel 33.7 kunnen de Partijen, waar passend, bilateraal, regionaal en in internationale fora informatie bevorderen, samenwerken of informatie uitwisselen met betrekking tot handelsgerelateerde aspecten van beleid en maatregelen inzake biologische diversiteit van wederzijds belang, zoals:
- a. initiatieven en goede praktijken met betrekking tot de handel in producten op basis van natuurlijke hulpbronnen die zijn verkregen door een duurzaam gebruik van biologische hulpbronnen en die bijdragen tot het behoud van de biodiversiteit;
- b. het behoud en duurzame gebruik van biologische diversiteit, en de bescherming, het herstel en de waardering van ecosystemen en hun diensten en gerelateerde economische instrumenten; en
- c. de toegang tot genetische hulpbronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen van het gebruik ervan.
Artikel 33.14. Handel en duurzaam beheer van visserij en aquacultuur
De Partijen erkennen het belang van de instandhouding en het duurzame beheer van biologische rijkdommen van de zee en mariene ecosystemen, alsook de rol die handel speelt bij het nastreven van die doelstellingen.
Bij de ontwikkeling en uitvoering van instandhoudings- en beheersmaatregelen houden de Partijen rekening met sociale, handels-, ontwikkelings- en milieuproblemen en met het belang van de ambachtelijke of kleinschalige visserij voor het levensonderhoud van de plaatselijke vissersgemeenschappen.
De Partijen erkennen dat illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO)134)De term „illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij” heeft dezelfde betekenis als in lid 3 van het door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties in Rome in 2001 aangenomen Internationaal actieplan om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen („IOO-visserijactieplan 2001”). aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de visbestanden, voor de duurzaamheid van de handel in visserijproducten, en voor de ontwikkeling en het milieu, en bevestigen dat actie moet worden ondernomen om de problemen van overbevissing en niet-duurzaam gebruik van visbestanden aan te pakken.
In overeenstemming met de leden 1, 2 en 3 van dit artikel:
- a. voert elke Partij de beginselen uit van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, van de VN-overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden, goedgekeurd te New York op 4 augustus 1995, van de Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN („FAO”) ter bevordering van de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee, goedgekeurd in Rome op 24 november 1993, van de FAO-gedragscode voor een verantwoorde visserij, goedgekeurd bij Resolutie 4/95 op 31 oktober 1995, en van de FAO-overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, goedgekeurd in Rome op 22 november 2009, en handelt elke Partij naar die beginselen;
- b. neemt elke Partij deel aan het initiatief van de FAO inzake het mondiaal register van vissersvaartuigen, koelschepen en hulpschepen;
- c. streeft elke Partij naar een visserijbeheerssysteem dat gebaseerd is op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en op internationaal erkende beste praktijken voor visserijbeheer en instandhouding, zoals weergegeven in de desbetreffende bepalingen van internationale instrumenten gericht op het duurzame gebruik en de instandhouding van mariene soorten135)Die instrumenten omvatten onder andere, en voor zover van toepassing, het VN-verdrag inzake het recht van de zee, de VN-overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden, de FAO-gedragscode voor een verantwoorde visserij, de FAO-overeenkomst ter bevordering van de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee, het IOO-visserijactieplan van 2001 en de FAO-overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen., en dat onder andere is ontworpen om:
- i. overbevissing en overcapaciteit te voorkomen;
- ii. bijvangst van niet-doelsoorten te beperken;
- iii. het herstel van overbeviste bestanden voor alle zeevisserijen te bevorderen; en
- iv. visserijbeheer met een ecosysteembenadering te bevorderen, onder meer door samenwerking tussen de Partijen;
- d. neemt elke Partij ter ondersteuning van de inspanningen om IOO-visserijpraktijken te bestrijden en de handel in producten van met die praktijken gevangen soorten te ontmoedigen:
- i. doeltreffende maatregelen om IOO-visserij te bestrijden;
- ii. systemen voor monitoring, controle, bewaking, naleving en handhaving in gebruik om:
- A. vaartuigen die haar vlag voeren en haar natuurlijke personen, overeenkomstig haar internationale verplichtingen en haar wetgeving te weerhouden van IOO-visserijactiviteiten; en
- B. het op zee overladen van vis of visproducten aan te pakken teneinde IOO-visserij tegen te gaan en te voorkomen;
- iii. havenstaatmaatregelen; en
- iv. maatregelen om te voorkomen dat er IOO-visserij- en -visproducten in de bevoorradingsketens van elke Partij terechtkomen en werkt zij daartoe samen, onder meer door de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken;
- e. neemt elke Partij actief deel aan de werkzaamheden van de regionale organisaties voor visserijbeheer ( „ROVB’s”) waarvan zij lid, waarnemer of samenwerkende niet-verdragsluitende Partij is, met het oog op goed visserijbeheer en duurzame visserij, bijvoorbeeld door de bevordering van wetenschappelijk onderzoek en de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen op basis van de beste wetenschappelijke bewijzen, de versterking van nalevingsmechanismen, de uitvoering van periodieke prestatiebeoordelingen en de vaststelling van doeltreffende controle, monitoring en handhaving van het beheer van de beheersmaatregelen van ROVB’s en, indien van toepassing, de goedkeuring en uitvoering van vangstdocumentatie- of certificeringsregelingen en havenstaatmaatregelen;
- f. streeft elke Partij ernaar te handelen overeenkomstig relevante instandhoudings- en beheersmaatregelen die zijn vastgesteld door ROVB’s waarvan zij geen lid is, teneinde die maatregelen niet te ondermijnen, en ernaar te streven de vangst- of handelsdocumentatieregelingen die worden toegepast door ROVB’s of regelingen waarvan zij geen lid is, niet te ondermijnen; en
- g. bevordert elke Partij de ontwikkeling van een duurzame en verantwoorde aquacultuur, met inachtneming van de economische, sociale en milieuaspecten ervan, overeenkomstig de uitvoering van de doelstellingen en beginselen die zijn opgenomen in de FAO-gedragscode voor een verantwoorde visserij.
De Partijen werken, waar passend en overeenkomstig artikel 33.7, bilateraal en in het kader van ROVB’s samen teneinde duurzame visserijpraktijken en de handel in visproducten van duurzaam beheerde visserijen te bevorderen. Daarnaast kunnen de Partijen samenwerken om kennis en goede praktijken uit te wisselen ter ondersteuning van de uitvoering van dit artikel.
AFDELING C. ARBEID EN HANDEL
Artikel 33.15. Doelstellingen
De Partijen erkennen dat handel en investeringen kansen bieden voor het scheppen van banen en fatsoenlijk werk, ook voor jongeren, met arbeidsvoorwaarden die in overeenstemming zijn met de beginselen van de Verklaring van de IAO betreffende de fundamentele beginselen en rechten op het werk, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in Genève op 18 juni 1998 en zoals gewijzigd in 2022 (de „Verklaring van de IAO betreffende de fundamentele beginselen en rechten op het werk”) en de Verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, aangenomen op 10 juni 2008 en zoals gewijzigd in 2022 (de „Verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering”).
De Partijen streven naar hoge niveaus van arbeidsbescherming, overeenkomstig de internationale arbeidsnormen die zij onderschrijven, en naar bevordering van wederzijds ondersteunend handels- en arbeidsbeleid, teneinde de arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van het beroepsleven van werknemers te verbeteren. Zij streven ernaar de ontwikkeling en het beheer van menselijk kapitaal te verbeteren voor een betere inzetbaarheid, excellente bedrijfsvoering en hogere productiviteit ten gunste van zowel werknemers als ondernemingen. De Partijen streven er dan ook naar jongeren kansen te bieden om de nodige vaardigheden te ontwikkelen om met succes toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen en zich daar te kunnen handhaven.
De Partijen streven naar samenwerking inzake handelsgerelateerde arbeidskwesties van wederzijds belang om de bredere betrekkingen tussen de Partijen te versterken.
Artikel 33.16. Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten
De Partijen bevestigen dat zij zich ertoe verbinden om de ontwikkeling van de internationale handel te bevorderen op een wijze die bevorderlijk is voor fatsoenlijk werk voor iedereen, met name vrouwen, jongeren en personen met een handicap, overeenkomstig hun respectieve verplichtingen in het kader van de IAO, waaronder die welke zijn opgenomen in de IAO-verklaring betreffende de fundamentele beginselen en rechten op het werk, en de IAO-verklaring over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering.
Herinnerend aan de IAO-verklaring over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering, merken de Partijen op dat de schending van fundamentele beginselen en rechten op het werk niet kan worden aangevoerd of anderszins kan worden gebruikt als een legitiem comparatief voordeel en dat arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische handelsdoeleinden.
Elke Partij geeft op doeltreffende wijze uitvoering aan de respectievelijk door de lidstaten en door Chili geratificeerde IAO-verdragen.
In overeenstemming met het statuut van de IAO, vastgesteld als deel XIII van het Verdrag van Versailles, ondertekend op 28 juni 1919, en de IAO-verklaring betreffende de fundamentele beginselen en rechten op het werk, respecteert en bevordert elke Partij de internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen, zoals gedefinieerd in de fundamentele IAO-verdragen, en voert zij die op doeltreffende wijze uit, met name:
- a. de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve arbeidsovereenkomsten;
- b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;
- c. de effectieve afschaffing van kinderarbeid, inclusief het verbod op de ergste vormen van kinderarbeid;
- d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep; en
- e. een veilige en gezonde werkomgeving.
De Partijen wisselen regelmatig informatie uit over hun respectieve voortgang bij de ratificatie van de IAO-verdragen of -protocollen die door de IAO als up-to-date zijn aangemerkt en waarbij zij nog geen partij zijn.
Elke Partij bevordert de IAO-agenda voor fatsoenlijk werk zoals uiteengezet in de IAO-verklaring over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering, in het bijzonder met betrekking tot:
- a. behoorlijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen, onder meer wat loon en inkomen, werktijden, overige arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming betreft; en
- b. sociale dialoog over arbeidsaangelegenheden tussen werknemers en werkgevers en hun respectieve organisaties, en bevoegde overheidsinstanties.
Overeenkomstig haar verplichtingen in het kader van de IAO:
- a. stelt elke Partij maatregelen en beleid met betrekking tot veiligheid en gezondheid op het werk vast en voert zij die uit; en
- b. handhaaft elke Partij een arbeidsinspectiesysteem overeenkomstig de relevante IAO-normen inzake arbeidsinspectie.
Artikel 33.17. Gedwongen of verplichte arbeid
De Partijen benadrukken het belang van de ratificatie en effectieve uitvoering van het Protocol van 2014 bij het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid van 1930, dat op 11 juni 2014 te Genève is aangenomen, eraan herinnerend dat de uitbanning van gedwongen arbeid een van de doelstellingen van de Agenda 2030 is.
De Partijen erkennen de doelstelling van uitbanning van alle vormen van gedwongen of verplichte arbeid, met inbegrip van gedwongen of verplichte kinderarbeid.
De Partijen zoeken daarom naar mogelijkheden voor samenwerking en uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken met betrekking tot de uitbanning van alle vormen van gedwongen of verplichte arbeid.
Artikel 33.18. Samenwerking bij handels- en arbeidsvraagstukken
Overeenkomstig artikel 33.7 plegen de Partijen overleg en werken zij, waar passend, zowel bilateraal als in het kader van de IAO samen bij handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:
- a. schepping van banen en bevordering van productieve, hoogwaardige werkgelegenheid, met inbegrip van beleid om banenrijke groei te genereren en duurzame ondernemingen en duurzaam ondernemerschap te bevorderen;
- b. bevordering van verbeteringen in de productiviteit van bedrijven en arbeid, met name in kleine en middelgrote ondernemingen;
- c. ontwikkeling van menselijk kapitaal, toegang tot de arbeidsmarkt en vergroting van de inzetbaarheid, met name van jongeren, onder meer door een leven lang leren en beroepsopleiding, permanente educatie, opleiding en de ontwikkeling en verbetering van vaardigheden, onder meer in opkomende en milieu-industrieën;
- d. evenwicht tussen werk en privéleven en innovatieve werkpraktijken om het welzijn van werknemers te verbeteren;
- e. bevordering van het bewustzijn omtrent de Agenda voor waardig werk van de IAO, daaronder begrepen samenwerking op het gebied van het verband tussen handel en volledige en productieve werkgelegenheid, het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, de fundamentele arbeidsnormen, waardig werk in de mondiale toeleveringsketens, sociale bescherming en sociale integratie, sociale dialoog en gendergelijkheid;
- f. bevordering van fatsoenlijke banen door middel van handel, met inbegrip van de veiligheid en gezondheid op het werk van zwangere werkneemsters en werkneemsters na de bevalling;
- g. veiligheid en gezondheid op het werk en arbeidsinspectie, bijvoorbeeld door verbetering van de nalevings- en handhavingsmechanismen;
- h. aanpak van de uitdagingen en kansen van een divers, multigenerationeel personeelsbestand, onder andere door middel van:
- i. bevordering van gelijkheid en uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep; en
- ii. bescherming van kwetsbare arbeidskrachten;
- i. verbetering van de arbeidsverhoudingen, bijvoorbeeld door de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van alternatieve geschillenbeslechting en tripartiet overleg;
- j. uitvoering van fundamentele, prioritaire en andere actuele IAO-verdragen, evenals de Tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten; en
- k. arbeidsstatistieken.
AFDELING D. INSTITUTIONELE REGELINGEN
Artikel 33.19. Subcomité Handel en duurzame ontwikkeling, en contactpunten
Het Subcomité Handel en duurzame ontwikkeling (het „subcomité”), dat is ingesteld op grond van artikel 8.8, lid 1, bestaat, voor Chili, uit ambtenaren van de instanties die verantwoordelijk zijn voor handel, arbeid, milieu en gendervraagstukken.
Het subcomité houdt specifieke zittingen voor respectievelijk milieu- en arbeidsaangelegenheden136)De milieu- en arbeidsaangelegenheden kunnen in afzonderlijke sessies of in opeenvolgende sessies worden besproken., evenals voor horizontale kwesties in verband met handel en duurzame ontwikkeling.
Het subcomité heeft de volgende taken:
- a. het vergemakkelijken van, toezien op en evalueren van de uitvoering van dit hoofdstuk;
- b. het bepalen, organiseren van, toezien op en evalueren van de in dit hoofdstuk vastgelegde samenwerkingsactiviteiten, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en ervaring op gebieden van wederzijds belang;
- c. het aan het Gemengd Comité uitbrengen van verslag en doen van aanbevelingen over alle aangelegenheden die verband houden met dit hoofdstuk, onder meer over onderwerpen voor bespreking met de in artikel 40.5 bedoelde mechanismen van het maatschappelijk middenveld;
- d. het uitvoeren van de in de artikelen 33.21 en 33.22 bedoelde taken;
- e. het, waar passend, coördineren met andere uit hoofde van dit deel van deze overeenkomst opgerichte subcomités, onder meer van de inspanningen voor integratie van gendergerelateerde vraagstukken, overwegingen en activiteiten binnen hun werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 34.4, lid 8; en
- f. het uitvoeren van andere functies waarover de Partijen overeenstemming kunnen bereiken.
Zoals onderling is overeengekomen, kan het subcomité belanghebbenden of deskundigen raadplegen of om advies vragen over aangelegenheden die met de uitvoering van dit hoofdstuk verband houden.
Het subcomité stelt bij consensus een verslag op van elke vergadering en publiceert dat na de vergadering.
Elke Partij wijst binnen haar administratie een contactpunt aan dat de communicatie en coördinatie tussen de Partijen moet vergemakkelijken voor alle aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van dit hoofdstuk. Voor Chili zijn de specifieke contactpunten voor arbeids-, milieu- en genderaangelegenheden ondergebracht bij een vertegenwoordiger van het ondersecretariaat voor internationale economische betrekkingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de opvolger daarvan. Elke Partij brengt de andere Partij onverwijld op de hoogte van haar contactpunten en hun contactgegevens.
De contactpunten:
- a. vergemakkelijken een regelmatige communicatie en coördinatie tussen de Partijen;
- b. staan het subcomité, niettegenstaande artikel 8.7, lid 2, bij, onder meer door de opstelling van de agenda en de verrichting van alle andere noodzakelijke voorbereidingen voor de vergaderingen van het subcomité;
- c. communiceren waar passend met hun respectieve maatschappelijke middenveld; en
- d. werken samen, waaronder met andere passende organen van hun overheidsdiensten, om samenwerkingsactiviteiten te ontwikkelen en uit te voeren.
Artikel 33.20. Geschillenbeslechting
De Partijen stellen alles in het werk om door middel van dialoog, uitwisseling van informatie en samenwerking een oplossing te vinden voor eventuele meningsverschillen tussen de Partijen over de interpretatie of toepassing van dit hoofdstuk.
In geval van een onenigheid tussen de Partijen over de interpretatie of de toepassing van dit hoofdstuk, maken de Partijen uitsluitend gebruik van de geschillenbeslechtingsprocedures die op grond van de artikelen 33.21 en 33.22 zijn ingesteld.
Artikel 33.21. Overleg
Een Partij („de verzoekende Partij”) kan te allen tijde verzoeken om overleg met de andere Partij („de antwoordende Partij”) over elke aangelegenheid die verband houdt met de interpretatie of toepassing van dit hoofdstuk, door een schriftelijk verzoek in te dienen bij het contactpunt van de antwoordende Partij. In het verzoek worden de redenen voor het verzoek om overleg uiteengezet, met inbegrip van een voldoende specifieke beschrijving van het onderwerp in kwestie en de bepalingen van dit hoofdstuk die de verzoekende Partij van toepassing acht.
De antwoordende Partij verstrekt uiterlijk tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek een schriftelijk antwoord, tenzij met de verzoekende Partij anderszins is overeengekomen.
Het overleg tussen de Partijen begint uiterlijk 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de antwoordende Partij, tenzij de Partijen anders overeenkomen.
Het overleg kan in persoon worden gehouden of via een technologisch hulpmiddel dat beschikbaar is voor de Partijen. Indien het overleg in persoon wordt gevoerd, vindt dat plaats op het grondgebied van de antwoordende Partij, tenzij de Partijen anders overeenkomen.
Tijdens het overleg:
- a. verstrekken de Partijen voldoende informatie om een volledig onderzoek van de aangelegenheid mogelijk te maken; en
- b. behandelen de Partijen alle tijdens het overleg uitgewisselde informatie vertrouwelijk.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)