Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2023-12-13
State In force
Source BWB
artikelen 627
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel 23.16. Open en niet-discriminerende internettoegang
1.

Elke Partij stelt maatregelen vast of handhaaft maatregelen om ervoor te zorgen dat aanbieders van internettoegangsdiensten de gebruikers van die diensten in staat stellen informatie, inhoud en diensten van hun keuze te raadplegen en te verspreiden.

2.

Lid 1 laat de wet- en regelgeving van een Partij in verband met de rechtmatigheid van de in dat lid bedoelde informatie, inhoud of diensten onverlet.

3.

Niettegenstaande lid 1 mogen aanbieders van internettoegangsdiensten niet-discriminerende79)Met inachtneming van de uitzonderingen waarin de wet- en regelgeving van een Partij voorziet., redelijke, transparante en evenredige netwerkbeheermaatregelen nemen die in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving van een Partij.

4.

Elke Partij stelt maatregelen vast of handhaaft maatregelen om ervoor te zorgen dat aanbieders van internettoegangsdiensten de gebruikers van die diensten in staat stellen apparatuur van hun keuze te gebruiken, mits die apparatuur de veiligheid van andere apparatuur, het netwerk of de via het netwerk verleende diensten niet schaadt.

Artikel 23.17. Internationale mobiele roaming
1.

De Partijen streven ernaar samen te werken ter bevordering van transparante en redelijke tarieven voor internationale mobiele roamingdiensten, op zodanige wijze dat de groei van de handel tussen de Partijen kan worden bevorderd en het consumentenwelzijn kan worden vergroot.

2.

Elke Partij kan stappen ondernemen ter verbetering van de transparantie en de mededinging op het gebied van internationale mobiele roamingkosten en technologische alternatieven voor roamingdiensten, zoals:

  • a. waarborgen dat informatie over retailtarieven gemakkelijk toegankelijk is voor het publiek; en
  • b. de belemmeringen voor het gebruik van technologische alternatieven voor roaming tot een minimum beperken, waarbij gebruikers die het grondgebied van een Partij bezoeken vanaf het grondgebied van de andere Partij, toegang hebben tot telecommunicatiediensten met gebruikmaking van het apparaat van hun keuze.

HOOFDSTUK 24. INTERNATIONALE ZEEVERVOERDIENSTEN

Artikel 24.1. Toepassingsgebied, definities en beginselen
1.

Dit hoofdstuk bevat de beginselen met betrekking tot de liberalisering van diensten op het gebied van het internationale zeevervoer op grond van de hoofdstukken 17, 18 en 19.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van de hoofdstukken 17, 18 en 19 en de bijlagen 17-A, 17-B en 17-C wordt verstaan onder:

  • a. „diensten in verband met de opslag van containers”: de opslag van containers op haventerreinen of verder landinwaarts, om die te laden of te lossen, te repareren en gereed te maken voor verscheping;
  • b. „douaneafhandeling” of „in- en uitklaring”: de afhandeling van douaneformaliteiten namens een derde met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of die dienst de hoofdactiviteit van de dienstverlener is of een gebruikelijke aanvulling op diens hoofdactiviteit;
  • c. „vervoer van deur tot deur of multimodaal vervoer”: het vervoer van vracht met behulp van meer dan één wijze van vervoer en dat een internationaal traject over zee omvat, met een enkel vervoersdocument;
  • d. „feederdiensten”: het vervoer voorafgaand aan en na het vervoer over zee, tussen in een Partij gelegen havens, van internationale vracht, met name in containers, op weg naar een bestemming buiten het grondgebied van die Partij;
  • e. „expediteursdiensten”: de activiteit waarbij namens een verzender de verscheping wordt georganiseerd en gemonitord, door vervoerdiensten en aanverwante diensten te contracteren, documenten op te stellen en bedrijfsinformatie te verschaffen;
  • f. „internationale vracht”: vracht die wordt vervoerd tussen een haven van de ene Partij en een haven van de andere Partij of van een derde land, of tussen een haven van een lidstaat en een haven van een andere lidstaat;
  • g. „internationale zeevervoerdiensten”: het vervoer van passagiers of vracht door zeeschepen tussen een haven van de ene Partij en een haven van de andere Partij of van een derde land, met inbegrip van het rechtstreeks sluiten van contracten met aanbieders van andere vervoerdiensten, teneinde het vervoer van deur tot deur of multimodaal vervoer onder één vervoersdocument te dekken, maar niet het recht om die andere vervoerdiensten te verlenen;
  • h. „diensten van scheepsagenten”: activiteiten waarbij de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent worden behartigd voor de volgende doeleinden:
  • i. marketing en verkoop van zeevervoer- en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, alsook het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het kopen en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie; of
  • ii. het optreden namens de maatschappijen, het organiseren van het aanlopen van schepen of, indien nodig, het overnemen van vracht.
  • i. „ondersteunende diensten voor zeevervoer”: behandeling van zeevracht, in- en uitklaring, diensten in verband met de opslag van containers, diensten van scheepsagenten en maritieme expediteursdiensten; en
  • j. „behandeling van zeevracht”: activiteiten van stuwadoorsbedrijven en terminalexploitanten, maar zonder de directe activiteiten van dokwerkers, wanneer die niet door de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zelf in dienst zijn genomen; de hier bedoelde activiteiten omvatten de organisatie van en het toezicht op:
  • i. het laden of lossen van schepen;
  • ii. het vastsjorren of losmaken van vracht; en
  • iii. het in ontvangst nemen of afleveren en bewaken van vracht vóór verscheping of na lossing.
3.

Gezien het huidige niveau van de liberalisering tussen de Partijen op het gebied van het internationale zeevervoer zijn de volgende beginselen van toepassing:

  • a. de Partijen passen het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer op commerciële en niet-discriminerende grondslag toe; en
  • b. elke Partij kent aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere Partij of die worden geëxploiteerd door dienstverleners uit de andere Partij, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan de behandeling die zij aan haar eigen vaartuigen toekent, met betrekking tot onder meer de toegang tot havens, het gebruik van haveninfrastructuur en -diensten, het gebruik van ondersteunende diensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanediensten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties.
4.

Bij het toepassen van de in lid 3 beschreven beginselen geldt het volgende:

  • a. de Partijen mogen in toekomstige overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen opnemen met betrekking tot zeevervoerdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en moeten dergelijke vrachtverdelingsregelingen, indien zij in eerdere overeenkomsten voorkomen, binnen een redelijke termijn beëindigen; en
  • b. met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst heffen de Partijen alle unilaterale maatregelen of administratieve, technische en andere belemmeringen op die een verkapte beperking kunnen zijn van of een discriminatoir effect kunnen hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationale zeevervoer, en zien zij af van de invoering ervan.
5.

Elke Partij staat verleners van internationale zeevervoerdiensten uit de andere Partij toe een onderneming op haar grondgebied te vestigen en exploiteren overeenkomstig de voorwaarden van haar lijst van specifieke verbintenissen in de bijlagen 17-A, 17-B en 17-C.

6.

Elke Partij geeft verleners van internationale zeevervoerdiensten uit de andere Partij op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang tot de volgende havendiensten: loodsen, hulp van duw- en sleepboten, bevoorrading, brandstof- en waterlevering, ophalen en verwerking van afval, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorzieningen, faciliteiten voor noodreparaties, verankering en aan- en afmeren.

7.

Elke Partij staat toe dat verleners van internationale zeevervoerdiensten uit de andere Partij eigen of gehuurde lege containers die niet tegen betaling als vracht worden vervoerd, tussen havens van Chili of tussen havens van een lidstaat kunnen herplaatsen.

HOOFDSTUK 25. FINANCIËLE DIENSTEN

Artikel 25.1. Toepassingsgebied
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake:

  • a. de financiële instellingen uit de andere Partij;
  • b. de investeerders uit de andere Partij, en de investeringen van die investeerders, in financiële instellingen op het grondgebied van de Partij, of
  • c. de grensoverschrijdende handel in financiële diensten.
2.

Voor alle duidelijkheid: hoofdstuk 17 is van toepassing op maatregelen:

  • a. ten aanzien van de investeerders uit een Partij, en de investeringen van die investeerders, in verleners van financiële diensten die geen financiële instelling zijn, en
  • b. anders dan maatregelen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten, die betrekking hebben op een investeerder uit een Partij, of de investeringen van die investeerders in financiële instellingen op het grondgebied van de andere Partij.
3.

De bepalingen van de hoofdstukken 17 en 18 zijn slechts van toepassing op maatregelen die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen voor zover die bepalingen in dit hoofdstuk zijn opgenomen en er integrerend deel van uitmaken.

4.

De artikelen 17.5, 17.16 tot en met 17.23 en 18.9 worden in dit hoofdstuk opgenomen en maken daarvan deel uit.

5.

Afdeling D van hoofdstuk 17 wordt opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk, uitsluitend voor beweringen dat een Partij artikel 17.16, artikel 17.17, artikel 17.18, artikel 17.19, artikel 17.20, artikel 17.21, artikel 25.3, lid 2, of artikel 25.5, lid 2, heeft geschonden.

6.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake:

  • a. activiteiten van een centrale bank, een monetaire autoriteit of een andere openbare entiteit ten behoeve van het monetair beleid of het wisselkoersbeleid;
  • b. activiteiten of diensten die onderdeel vormen van een pensioenregeling van de overheid of een wettelijk stelsel van sociale zekerheid; of
  • c. activiteiten of diensten verricht voor rekening van een Partij, met garantiestelling door of gebruikmaking van de financiële middelen van de Partij, haar openbare entiteiten daaronder begrepen.
7.

Niettegenstaande lid 6 is dit hoofdstuk van toepassing voor zover een Partij toestaat dat de in lid 6, punt b) of c), bedoelde activiteiten of diensten door haar financiële instellingen in mededinging met een openbare entiteit of een financiële instelling worden verricht.

8.

Artikel 25.3 en de artikelen 25.5 tot en met 25.9 zijn niet van toepassing op overheidsopdrachten.

9.

Artikel 25.3 en de artikelen 25.5 tot en met 25.8 zijn niet van toepassing op door een Partij verstrekte subsidies, met inbegrip van door de overheid gesteunde leningen, garanties en verzekeringen.

Artikel 25.2. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en bijlage 25 wordt verstaan onder:

  • a. „verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit een Partij”: een persoon uit een Partij die op het grondgebied van de Partij actief is in de financiële dienstverlening en die een financiële dienst wil verlenen of verleent door grensoverschrijdende verlening van die dienst;
  • b. „grensoverschrijdende verlening van financiële diensten” of „grensoverschrijdende handel in financiële diensten”: het verlenen van een financiële dienst:
  • i. vanaf het grondgebied van een Partij naar het grondgebied van de andere Partij; of
  • ii. op het grondgebied van een Partij door een persoon uit die Partij ten behoeve van een gebruiker van de dienst uit de andere Partij;
  • c. „financiële instelling”: een verlener van een of meer financiële diensten die, wat de verlening van die diensten betreft, naar het interne recht van de Partij op het grondgebied waarvan hij is gevestigd, als financiële instelling onder regelgeving of toezicht valt, met inbegrip van filialen op het grondgebied van de Partij van die verlener van financiële diensten waarvan het hoofdkantoor zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt;
  • d. „financiële dienst”: een dienst van financiële aard, met inbegrip van verzekeringen en aanverwante diensten, bankdiensten en andere financiële diensten (met uitzondering van verzekeringen). Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:
  • i. verzekeringen en aanverwante diensten:
  • A. directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):
    1. levensverzekering; en
    1. schadeverzekering;
  • B. herverzekering en retrocessie;
  • C. verzekeringsbemiddeling, zoals diensten van makelaars en agenten; en
  • D. ondersteunende diensten in de verzekeringssector, zoals diensten van adviseurs en actuarissen en diensten in verband met risicobeoordeling en de afwikkeling van claims; en
  • ii. bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen):
  • A. aanvaarding van deposito’s en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;
  • B. alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;
  • C. financiële leasing;
  • D. alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten, debetkaarten, reischeques en bankwissels;
  • E. verlenen van garanties en stellen van borgtochten;
  • F. transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs, op de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:
    1. geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten);
    1. deviezen;
    1. derivaten, met inbegrip van futures en opties;
    1. wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;
    1. verhandelbare effecten; of
    1. andere verhandelbare instrumenten en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver;
  • G. deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van diensten in verband met die uitgiften;
  • H. geldmakelaarsdiensten;
  • I. beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en vertrouwensdiensten;
  • J. betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, met inbegrip van effecten, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;
  • K. verstrekking en doorgifte van financiële informatie en verwerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software; en
  • L. advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder de bovenstaande punten A) tot en met K) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, en advies over overnames, bedrijfsreorganisaties en -strategieën;
  • e. „verlener van financiële diensten uit een Partij”: een natuurlijke of rechtspersoon uit een Partij die financiële diensten aanbiedt of verleent, met uitzondering van openbare entiteiten;
  • f. „investering”: een investering zoals gedefinieerd in artikel 17.2, punt k), met dien verstande dat voor de toepassing van dit hoofdstuk en van bijlage 25 met betrekking tot „leningen” en „schuldbewijzen” het volgende geldt:
  • i. een lening aan of een schuldbewijs uitgegeven door een financiële instelling is alleen dan een investering indien die lening of dat schuldbewijs door de Partij op het grondgebied waarvan de financiële instelling gevestigd is, als eigen vermogen wordt behandeld, en
  • ii. een lening verstrekt door of een schuldbewijs in eigendom van een financiële instelling, anders dan een lening verstrekt aan of een schuldbewijs uitgegeven door een financiële instelling zoals bedoeld onder i), is geen investering; voor alle duidelijkheid: een lening verstrekt door of een schuldbewijs in eigendom van een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten, anders dan een lening aan of een schuldbewijs uitgegeven door een financiële instelling, is een investering wat de toepassing van hoofdstuk 17 betreft, indien die lening of dat schuldinstrument voldoet aan de definitie van „investering” in artikel 17.2, punt k);
  • g. „investeerder uit een Partij”: een natuurlijke of rechtspersoon uit een Partij die een investering in financiële instellingen op het grondgebied van de andere Partij wil doen, doet of heeft gedaan;
  • h. „rechtspersoon uit een Partij”:
  • i. voor de EU-Partij: een rechtspersoon die is opgericht of georganiseerd naar het recht van de Europese Unie of van ten minste één van haar lidstaten en die daadwerkelijke zakelijke transacties80)Overeenkomstig haar aanmelding van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bij de WTO (WT/REG39/1) is volgens de EU-Partij het begrip „daadwerkelijke en voortdurende band” met de economie van een lidstaat, dat is neergelegd in artikel 54 VWEU, gelijkwaardig aan het begrip „daadwerkelijke zakelijke transacties”. op het grondgebied van de Europese Unie verricht; en
  • ii. voor Chili: een rechtspersoon die is opgericht of georganiseerd naar het recht van Chili en die daadwerkelijke zakelijke transacties op het grondgebied van Chili verricht;
  • i. „nieuwe financiële dienst”: een dienst van financiële aard, met inbegrip van diensten in verband met bestaande of nieuwe producten of de wijze waarop een product wordt geleverd, die niet wordt verleend door verleners van financiële diensten op het grondgebied van de ene Partij, maar die wel wordt verleend op het grondgebied van de andere Partij;
  • j. „openbare entiteit”:
  • i. een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit uit een Partij, of een instantie die eigendom is van een Partij of onder zeggenschap staat van een Partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van instanties die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis; of
  • ii. een particuliere instantie die taken vervult die normalerwijze door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld; en
  • k. „zelfregulerende organisatie”: een niet-gouvernementeel orgaan, met inbegrip van effecten- of termijnbeurzen of effecten- of termijnmarkten, verrekenkantoren, andere organisaties of verenigingen, dat op grond van de wetgeving of een delegatie van de centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten een regulerende of toezichthoudende bevoegdheid uitoefent ten aanzien van verleners van financiële diensten, voor zover van toepassing.
Artikel 25.3. Nationale behandeling
1.

Elke Partij behandelt investeerders in financiële instellingen uit de andere Partij en ondernemingen die investeringen in financiële instellingen zijn, wat vestiging betreft, in vergelijkbare situaties81)Voor alle duidelijkheid: of een behandeling wordt toegekend in „vergelijkbare situaties” moet per geval en op basis van feiten worden geanalyseerd en hangt af van het geheel van de situaties. niet minder gunstig dan haar eigen investeerders in financiële instellingen en hun ondernemingen die financiële instellingen zijn.

2.

Elke Partij behandelt investeerders in financiële instellingen uit de andere Partij en hun investeringen in financiële instellingen, wat exploitatie betreft, in vergelijkbare situaties82)Voor alle duidelijkheid: of een behandeling wordt toegekend in „vergelijkbare situaties” moet per geval en op basis van feiten worden geanalyseerd en hangt af van het geheel van de situaties. niet minder gunstig dan haar eigen investeerders in financiële instellingen en hun investeringen in financiële instellingen.

3.

Onder de door een Partij uit hoofde van de leden 1 en 2 toegekende behandeling wordt verstaan:

  • a. ten aanzien van een regionale of lokale overheid van Chili, een behandeling die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die door dat overheidsniveau in soortgelijke situaties wordt toegekend aan investeerders in financiële instellingen uit Chili en aan hun investeringen in financiële instellingen op zijn grondgebied;
  • b. ten aanzien van een overheid van of in een lidstaat, een behandeling die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die die overheid in soortgelijke situaties toekent aan investeerders in financiële instellingen van die lidstaat en aan hun investeringen in financiële instellingen op zijn grondgebied83)Voor alle duidelijkheid: de door een overheid van, of in, een lidstaat toegekende behandeling omvat in voorkomend geval ook een door een regionale of lokale overheid toegekende behandeling..
Artikel 25.4. Overheidsopdrachten
1.

Elke Partij ziet erop toe dat op haar grondgebied gevestigde financiële instellingen uit de andere Partij in vergelijkbare situaties niet minder gunstig worden behandeld dan haar eigen financiële instellingen wat betreft enige maatregel met betrekking tot de aankoop van goederen of diensten door een aanbestedende dienst voor overheidsdoeleinden.

2.

De toepassing van de in dit artikel vervatte verplichting om de nationale behandeling te verlenen blijft onderworpen aan de in artikel 28.3 beschreven veiligheids- en algemene uitzonderingen.

Artikel 25.5. Meestbegunstigingsbehandeling
1.

Elke Partij behandelt investeerders in financiële instellingen uit de andere Partij en hun ondernemingen die investeringen in financiële instellingen zijn, wat vestiging betreft, in vergelijkbare situaties84)Voor alle duidelijkheid: of een behandeling wordt toegekend in „vergelijkbare situaties” moet per geval en op basis van feiten worden geanalyseerd en hangt af van het geheel van de situaties. niet minder gunstig dan investeerders in financiële instellingen uit een derde land en hun ondernemingen die financiële instellingen zijn.

2.

Elke Partij behandelt investeerders in financiële instellingen uit de andere Partij en hun investeringen in financiële instellingen, wat exploitatie betreft, in vergelijkbare situaties85)Voor alle duidelijkheid: of een behandeling wordt toegekend in „vergelijkbare situaties” moet per geval en op basis van feiten worden geanalyseerd en hangt af van het geheel van de situaties. niet minder gunstig dan investeerders in financiële instellingen uit een derde land en hun investeringen in financiële instellingen.

3.

De leden 1 en 2 worden niet uitgelegd als verplichting voor een Partij om het voordeel van een behandeling dat voortvloeit uit maatregelen die voorzien in de erkenning van normen, met inbegrip van de normen of criteria voor vergunningverlening, licentieverlening of certificering van een natuurlijke persoon of onderneming om een economische activiteit uit te oefenen, of het voordeel van prudentiële maatregelen, uit te breiden tot de investeerders in financiële instellingen uit de andere Partij of tot hun investeringen in financiële instellingen.

4.

Voor alle duidelijkheid: de in de leden 1 en 2 bedoelde behandeling heeft geen betrekking op procedures of mechanismen voor de beslechting van investeringsgeschillen waarin andere internationale investeringsovereenkomsten of andere handelsovereenkomsten voorzien. De materiële bepalingen in andere internationale investerings- of handelsovereenkomsten vormen op zich geen „behandeling” als bedoeld in de leden 1 en 2 en kunnen dus geen aanleiding geven tot een inbreuk op dit artikel, bij ontstentenis van door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen. Maatregelen van een Partij die op grond van dergelijke materiële bepalingen worden toegepast, kunnen een „behandeling” uit hoofde van dit artikel vormen en derhalve aanleiding geven tot een inbreuk op dit artikel.

Artikel 25.6. Markttoegang
1.

In de in afdeling B van de aanhangsels 25-1 en 25-2 vermelde sectoren of subsectoren waar verbintenissen betreffende markttoegang zijn aangegaan, mag een Partij met betrekking tot markttoegang door middel van de vestiging of exploitatie van financiële instellingen door investeerders uit de andere Partij, noch op basis van haar gehele grondgebied, noch op basis van een territoriale onderverdeling, een maatregel vaststellen of handhaven die:

  • a. het aantal financiële instellingen beperkt, al dan niet in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • b. de totale waarde van de verleende financiële diensten of de activa beperkt in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • c. het totale aantal financiële dienstentransacties of de totale hoeveelheid geleverde financiële diensten uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, beperkt door middel van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • d. het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde financiëledienstensector mag werken of dat een financiële instelling in dienst mag hebben en die nodig zijn voor en zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van een specifieke financiële dienst, beperkt door middel van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; of
  • e. specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke een financiële instelling een dienst kan verlenen, vereist of in dat verband beperkingen oplegt.
2.

Voor alle duidelijkheid: dit artikel vormt geen beletsel voor een Partij om van een financiële instelling te verlangen dat zij bepaalde financiële diensten door middel van afzonderlijke juridische entiteiten verleent indien uit hoofde van het recht van die Partij het scala van de door de financiële instelling verleende financiële diensten niet door een enkele entiteit kan worden verleend.

Artikel 25.7. Grensoverschrijdende verlening van financiële diensten
1.

De artikelen 18.4, 18.5, 18.6 en 18.7 zijn opgenomen in dit hoofdstuk en maken er integrerend deel van uit, en zijn van toepassing op maatregelen die van invloed zijn op verleners van grensoverschrijdende financiële diensten die de in afdeling A van aanhangsels 25-1 en 25-2 vermelde financiële diensten verlenen.

2.

Een Partij staat op haar grondgebied gevestigde personen en haar onderdanen, ongeacht waar zij zijn gevestigd, toe financiële diensten te kopen van een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij die op het grondgebied van de andere Partij is gevestigd. Die verplichting houdt voor een Partij geen verplichting in om die dienstverleners toe te staan zaken te doen of klanten te werven op haar grondgebied. Een Partij kan de begrippen „zaken doen” en „klanten werven” voor de toepassing van die verplichting definiëren, op voorwaarde dat die definities niet strijdig zijn met lid 1 van dit artikel.

3.

Onverminderd andere prudentiële regelgeving inzake de grensoverschrijdende handel in financiële diensten kan een Partij registratie of toelating van verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij en van financiële instrumenten verlangen.

Artikel 25.8. Hoger management en raden van bestuur

Een Partij eist niet dat een financiële instellingen uit de andere Partij die op haar grondgebied is gevestigd, natuurlijke personen van een bepaalde nationaliteit benoemt als leden van de raad van bestuur of in een hogere leidinggevende functie, zoals kaderlid of manager.

Artikel 25.9. Prestatievereisten
1.

Een Partij mag, in verband met de vestiging of exploitatie van een financiële instelling uit een Partij of uit een derde land op haar grondgebied, geen eisen stellen of afdwingen, noch verbintenissen of toezeggingen afdwingen met de strekking:

  • a. dat er een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten wordt uitgevoerd;
  • b. dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten interne goederen of diensten betreft;
  • c. dat op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten worden gekocht of gebruikt of die goederen of diensten de voorkeur krijgen, of dat goederen of diensten bij natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied worden gekocht;
  • d. dat de omvang of de waarde van de invoer op welke wijze dan ook wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die financiële instelling;
  • e. dat de verkoop van door een dergelijke financiële instelling geproduceerde goederen of verleende diensten op haar grondgebied wordt beperkt door die verkoop op welke wijze ook te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of deviezenopbrengsten daarvan;
  • f. dat er overdracht plaatsvindt van technologie, productieprocedés of andere bedrijfsspecifieke knowhow aan natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied;
  • g. dat de door de financiële instelling geproduceerde goederen of verleende diensten vanaf het grondgebied van die Partij exclusief aan een specifieke regionale of mondiale markt worden geleverd;
  • h. dat het hoofdkantoor van die financiële instelling voor een specifieke regio van de wereld die breder is dan het grondgebied van de Partij, of voor de wereldmarkt, op haar grondgebied wordt gevestigd;
  • i. dat een bepaald aantal of percentage onderdanen van die Partij wordt ingehuurd; of
  • j. dat de uitvoer of verkoop voor uitvoer wordt beperkt.
2.

Een Partij stelt het genot of het voortgezette genot van een voordeel in verband met de vestiging of exploitatie van een financiële instelling uit een Partij of uit een derde land op haar grondgebied niet afhankelijk van de voorwaarde dat een van de volgende eisen wordt vervuld:

  • a. dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten interne goederen of diensten betreft;
  • b. dat op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten worden gekocht of gebruikt of die goederen of diensten de voorkeur krijgen, of dat goederen of diensten bij natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied worden gekocht;
  • c. dat de omvang of de waarde van de invoer op welke wijze dan ook wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die financiële instelling;
  • d. dat de verkoop van door een dergelijke financiële instelling geproduceerde goederen of verleende diensten op haar grondgebied wordt beperkt door die verkoop op welke wijze ook te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of deviezenopbrengsten daarvan; of
  • e. dat de uitvoer of verkoop voor uitvoer wordt beperkt.
3.

Lid 2 worden niet uitgelegd als beletsel voor een Partij om het genot of het voortgezette genot van een voordeel in verband met de vestiging of exploitatie van financiële instellingen op haar grondgebied door een investeerder uit een Partij of een derde land afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de productie naar haar grondgebied wordt verplaatst of dat aldaar diensten worden verleend, werknemers worden opgeleid of in dienst worden genomen, bepaalde installaties worden gebouwd of uitgebreid, of onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten worden verricht.

4.

Lid 1, punt f), is niet van toepassing indien:

  • a. een Partij toestemming verleent voor het gebruik van een intellectuele-eigendomsrecht overeenkomstig artikel 31 of artikel 31 bis van de Trips-overeenkomst, of maatregelen vaststelt of handhaaft op grond waarvan de openbaarmaking van gegevens of informatie inzake eigendomsrechten wordt verlangd die binnen het toepassingsgebied vallen van en in overeenstemming zijn met artikel 39, lid 3, van de Trips-overeenkomst; of
  • b. de eis wordt gesteld of de verbintenis of toezegging wordt afgedwongen door een gerecht, een administratief gerecht of een mededingingsautoriteit om een einde te maken aan een praktijk die na een gerechtelijke of administratieve procedure is aangemerkt als een inbreuk op het mededingingsrecht van de Partij.
5.

Lid 1, punten a), b) en c), en lid 2, punten a) en b), zijn niet van toepassing op kwalificatievereisten voor goederen of diensten met betrekking tot de deelname aan programma’s voor uitvoerbevordering en buitenlandse hulp.

6.

Lid 2, punten a) en b), zijn niet van toepassing op de eisen die worden gesteld door een invoerende Partij met betrekking tot het volume van goederen dat nodig is om in aanmerking te komen voor preferentiële tarieven of preferentiële contingenten.

7.

Voor alle duidelijkheid: dit artikel wordt niet uitgelegd als verplichting voor een Partij om toe te staan dat een bepaalde dienst grensoverschrijdend wordt verleend, wanneer die Partij beperkingen of verbodsbepalingen vaststelt of handhaaft op de verlening van diensten die in overeenstemming zijn met de voorbehouden, voorwaarden of kwalificaties die zijn gespecificeerd met betrekking tot een sector, subsector of activiteit die is vermeld in bijlage 25.

8.

Dit artikel laat de verplichtingen van een Partij uit hoofde van de WTO-overeenkomst onverlet.

Artikel 25.10. Niet-conforme maatregelen
1.

De artikelen 25.3, 25.5, 25.7, 25.8 en 25.9 zijn niet van toepassing op:

  • a. elke bestaande niet-conforme maatregel die wordt gehandhaafd door:
  • i. voor de EU-Partij:
  • A. de Europese Unie, zoals uiteengezet in afdeling C van aanhangsel 25-1;
  • B. de centrale overheid van een lidstaat, zoals uiteengezet in afdeling C van aanhangsel 25-1;
  • C. een regionale overheid van een lidstaat, zoals uiteengezet in afdeling C van aanhangsel 25-1; of
  • D. een lokale overheid; en
  • ii. voor Chili:
  • A. de centrale overheid, zoals uiteengezet in afdeling C van aanhangsel 25-2;
  • B. een regionale overheid, zoals uiteengezet in afdeling C van aanhangsel 25-2; of
  • C. een lokale overheid;
  • b. de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a) van dit lid; of
  • c. een wijziging van een niet-conforme maatregel als bedoeld in punt a) van dit lid, voor zover de wijziging de maatregel zoals die onmiddellijk voor de wijziging bestond, niet minder conform maakt met artikel 25.3, 25.5, 25.7, 25.8 of 25.9.
2.

De artikelen 25.3, 25.5, 25.7, 25.8 en 25.9 zijn niet van toepassing op maatregelen van een Partij met betrekking tot de door die Partij in afdeling D van respectievelijk aanhangsel 25-1 en 25-2 vermelde sectoren, subsectoren of activiteiten.

3.

Een Partij verlangt niet, in het kader van eender welke maatregel die na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is vastgesteld en die onder afdeling D van aanhangsel 25-1 of 25-2 valt, van een investeerder uit de andere Partij op grond van zijn nationaliteit dat die een financiële instelling die bestaat op het moment waarop de maatregel van kracht wordt, verkoopt of anderszins vervreemdt.

4.

Artikel 25.6 is niet van toepassing op maatregelen van een Partij met betrekking tot de door die Partij in afdeling B van aanhangsel 25-1 of 25-2 vermelde sectoren, subsectoren of activiteiten.

5.

Wanneer een Partij in bijlage 17-A of 17-B een voorbehoud heeft gemaakt bij artikel 17.9, 17.11, 17.12, 17.13, 18.4 of 18.5, vormt dat voorbehoud tevens een voorbehoud bij artikel 25.3, 25.5, 25.7, 25.8 of 25.9, naargelang van het geval, voor zover de maatregel, sector, subsector of activiteit waarop het voorbehoud betrekking heeft, onder dit hoofdstuk valt.

Artikel 25.11. Prudentiële uitzonderingsbepaling
1.

Niets in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat een Partij prudentiële maatregelen vaststelt of handhaaft, zoals:

  • a. ter bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen aan wie een verlener van financiële diensten een fiduciair recht verschuldigd is; of
  • b. ter verzekering van de integriteit en stabiliteit van het financiële stelsel van een Partij.
2.

Wanneer dergelijke maatregelen strijdig zijn met de bepalingen van dit deel van deze overeenkomst, mogen zij niet worden gebruikt als middel om de verbintenissen of verplichtingen van een Partij uit hoofde van dit deel van deze overeenkomst te omzeilen.

Artikel 25.12. Behandeling van informatie

Geen van de bepalingen van dit deel van deze overeenkomst mag zo worden uitgelegd dat zij een Partij ertoe verplicht informatie bekend te maken over de zaken en rekeningen van individuele klanten of vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit van openbare entiteiten is.

Artikel 25.13. Interne regelgeving en transparantie
1.

Hoofdstuk 20, met uitzondering van artikel 20.1, lid 5, punten c) tot en met f), en hoofdstuk 36 zijn niet van toepassing op maatregelen van een Partij binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk.

2.

Voor zover uitvoerbaar en op een wijze die verenigbaar is met haar rechtsstelsel voor de vaststelling van maatregelen, geldt dat elke Partij:

  • a. het volgende vooraf bekendmaakt:
  • i. de wet- en regelgeving van algemene strekking die zij voornemens is vast te stellen met betrekking tot aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen; of
  • ii. documenten die voldoende details verschaffen over dergelijke mogelijke nieuwe wet- of regelgeving om belangstellenden en de andere Partij in staat te stellen te beoordelen of en hoe hun belangen aanzienlijk kunnen worden beïnvloed;
  • b. belanghebbenden en de andere Partij een redelijke gelegenheid biedt om opmerkingen te maken over de op grond van punt a) bekendgemaakte voorgestelde wet- en regelgeving of documenten;
  • c. de overeenkomstig punt b) ingediende opmerkingen in overweging neemt; en
  • d. een redelijke termijn laat tussen de bekendmaking van wet- en regelgeving op grond van punt a), i), en de datum waarop verleners van financiële diensten daaraan moeten voldoen.
3.

Dit artikel is van toepassing op maatregelen van een Partij in verband met vergunningsvereisten en -procedures en kwalificatievereisten en -procedures, en is uitsluitend van toepassing op sectoren waarvoor de Partij specifieke verbintenissen is aangegaan uit hoofde van dit hoofdstuk, en voor zover die specifieke verbintenissen van toepassing zijn.

4.

Indien een Partij maatregelen vaststelt of handhaaft met betrekking tot vergunningen voor het verlenen van een financiële dienst, zorgt zij ervoor dat:

  • a. die maatregelen zijn gebaseerd op objectieve en transparante criteria86)Dergelijke criteria kunnen onder meer betrekking hebben op de bekwaamheid en het vermogen om een dienst te verlenen, onder meer het vermogen om dat te doen op een wijze die in overeenstemming is met de wettelijke vereisten van een Partij. De bevoegde autoriteiten kunnen beoordelen welk gewicht aan elk criterium moet worden toegekend.;
  • b. de vergunningsprocedures onpartijdig zijn en toereikend om de aanvragers in staat te stellen aan te tonen of zij aan de eisen voldoen, indien dergelijke eisen bestaan; en
  • c. de vergunningsprocedures als zodanig niet op ongerechtvaardigde wijze verhinderen dat aan de eisen wordt voldaan.
5.

Indien een Partij een vergunning87)Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „vergunning” verstaan de toestemming om een financiële dienst te verlenen die voortvloeit uit een procedure die een aanvrager moet volgen om aan te tonen dat hij voldoet aan vergunnings- of kwalificatievereisten. vereist voor de levering van een financiële dienst, publiceert zij onverwijld de informatie, of maakt zij die anderszins openbaar, die de aanvrager nodig heeft om te voldoen aan de vereisten en procedures om die vergunning te verkrijgen, behouden, wijzigen en verlengen. Die informatie omvat onder meer, voor zover beschikbaar:

  • a. de vereisten en procedures voor het verkrijgen, behouden, wijzigen en verlengen van die vergunning;
  • b. contactgegevens van de relevante bevoegde autoriteiten;
  • c. procedures voor het instellen van hoger beroep tegen of het toetsen van beslissingen inzake aanvragen;
  • d. procedures voor het toezicht op of de handhaving van de naleving van de voorwaarden van vergunningen en kwalificaties; en
  • e. mogelijkheden voor inspraak van het publiek, bijvoorbeeld via hoorzittingen of opmerkingen.
6.

Indien een Partij een vergunning nodig heeft voor het verlenen van een financiële dienst, moeten de bevoegde autoriteiten van die Partij:

  • a. voor zover praktisch uitvoerbaar, een aanvrager toestaan een aanvraag in te dienen op elk moment in het jaar88)Voor alle duidelijkheid: de bevoegde autoriteiten hoeven de behandeling van aanvragen niet in gang te zetten buiten hun officiële werktijden en werkdagen.;
  • b. een redelijke termijn hanteren voor het indienen van een aanvraag indien specifieke termijnen voor aanvragen bestaan;
  • c. de behandeling van de aanvraag zonder onnodige vertraging in gang zetten;
  • d. zich inspannen om aanvragen in elektronische vorm te accepteren onder dezelfde voorwaarden inzake echtheid als gedrukte aanvragen; en
  • e. in plaats van originele documenten kopieën aanvaarden van documenten die overeenkomstig het recht van de Partij zijn gewaarmerkt, tenzij de bevoegde autoriteiten originele documenten verlangen om de integriteit van het vergunningsproces te beschermen.
7.

Elke Partij ziet erop toe dat de vergunningsprocedures en formaliteiten zo eenvoudig mogelijk zijn en de verlening van de financiële dienst niet onnodig bemoeilijken of vertragen.

8.

Elke Partij zet zich in om het indicatieve tijdschema voor de behandeling van een aanvraag vast te stellen en verstrekt, op verzoek van de aanvrager en zonder onnodige vertraging, informatie over de status van de aanvraag.

9.

Indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat een aanvraag krachtens de wet- en regelgeving van de Partij onvolledig is zodat die niet in behandeling kan worden genomen, moet de bevoegde autoriteit binnen een redelijke termijn en voor zover praktisch haalbaar:

  • a. de aanvrager ervan in kennis stellen dat de aanvraag onvolledig is;
  • b. op verzoek van de aanvrager aangeven welke aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te vervolledigen of anderszins aangeven waarom de aanvraag als onvolledig wordt beschouwd; en
  • c. de aanvrager de mogelijkheid89)Een dergelijke mogelijkheid vereist niet dat een bevoegde autoriteit termijnen verlengt. bieden de aanvullende informatie te verstrekken die nodig is om de aanvraag te vervolledigen.
10.

Indien geen van de in lid 9, punt a), b) of c), genoemde acties uitvoerbaar is, stellen de bevoegde autoriteiten, indien de aanvraag wegens onvolledigheid wordt afgewezen, de aanvrager niettemin binnen een redelijke termijn daarvan in kennis.

11.

Elke Partij ziet erop toe dat haar bevoegde autoriteiten, met betrekking tot de vergunningsvergoedingen90)Vergunningsvergoedingen mogen geen vergoedingen voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen omvatten, noch betalingen in verband met veiling, aanbesteding of andere niet-discriminerende middelen om concessies te verlenen, noch verplichte bijdragen voor het verlenen van een universele dienst. die zij in rekening brengen, aanvragers een lijst van vergoedingen of informatie verstrekken over de wijze waarop de hoogte van de vergoedingen wordt bepaald, en de vergoedingen niet gebruiken als middel om de verbintenissen of verplichtingen van de Partij te omzeilen.

12.

Een bevoegde autoriteit is bij haar besluitvorming onafhankelijk en is geen verantwoording verschuldigd aan verleners van de diensten waarvoor de vergunning vereist is.

13.

Elke Partij ziet erop toe dat de behandeling van een aanvraag, met inbegrip van het definitieve besluit, wordt voltooid binnen een redelijke termijn na de indiening van een volledige aanvraag, en dat de aanvrager in kennis wordt gesteld van het besluit over de aanvraag en dat voor zover mogelijk schriftelijk.

14.

Indien de bevoegde autoriteit een aanvraag afwijst, wordt de aanvrager daarvan, op eigen verzoek of op initiatief van de bevoegde autoriteit, zonder onnodige vertraging schriftelijk in kennis gesteld. De aanvrager moet voor zover praktisch uitvoerbaar worden geïnformeerd over de redenen voor de afwijzing van de aanvraag en over de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen dat besluit. Een aanvrager moet binnen een redelijke termijn opnieuw een aanvraag kunnen indienen.

15.

Indien examens vereist zijn voor een vergunning, ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat een dergelijke examens met redelijk frequente tussenpozen wordt gepland en stelt zij een redelijke termijn vast waarbinnen aanvragers zich kunnen aanmelden voor de examens.

16.

Elke Partij ziet erop toe dat een vergunning, eenmaal verleend, zonder onnodige vertraging en overeenkomstig de daarin gestelde voorwaarden in werking treedt.

Artikel 25.14. Financiële diensten die nieuw zijn op het grondgebied van een Partij
1.

Elke Partij staat financiële instellingen uit de andere Partij die geen filiaal zijn toe nieuwe financiële diensten te verlenen waarvoor eerstgenoemde Partij haar eigen financiële instellingen overeenkomstig haar interne wetgeving onder soortgelijke omstandigheden toestemming zou geven, tenzij de introductie van de nieuwe financiële diensten de vaststelling van nieuwe wet- of regelgeving of een wijziging van bestaande wet- of regelgeving vereist.

2.

Een Partij kan de institutionele en rechtsvorm vaststellen waarin de nieuwe financiële dienst kan worden verleend en de verlening daarvan aan een vergunningsplicht onderwerpen. Wanneer een vergunning vereist is, wordt over de afgifte binnen een redelijke termijn een besluit genomen en wordt de vergunning uitsluitend om prudentiële redenen geweigerd.

3.

Dit artikel belet niet dat een financiële instelling uit een Partij de andere Partij verzoekt te overwegen de verlening van een financiële dienst die niet binnen het grondgebied van een van de Partijen wordt verleend, toe te staan. Dat verzoek is onderworpen aan het recht van de Partij die het verzoek ontvangt, en niet aan de verplichtingen van dit artikel.

Artikel 25.15. Zelfregulerende organisaties

Indien een Partij verlangt dat een financiële instelling of een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij lid is van, participeert in of toegang heeft tot een zelfregulerende organisatie om een financiële dienst te mogen verlenen op of naar het grondgebied van eerstgenoemde Partij, dan draagt die Partij er zorg voor dat de zelfregulerende organisatie de in de artikelen 17.9, 17.11, 18.4 en 18.5 vervatte verplichtingen nakomt.

Artikel 25.16. Betalings- en clearingsystemen

Onder voorwaarden van nationale behandeling verschaft elke Partij aan op haar grondgebied gevestigde financiële instellingen uit de andere Partij toegang tot betalings- en clearingsystemen van openbare entiteiten, alsook tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel verleent geen toegang tot de faciliteiten van kredietverstrekker in laatste instantie van de Partij.

Artikel 25.17. Subcomité Financiële diensten
1.

Het op grond van artikel 8.8, lid 1, opgerichte Subcomité Financiële diensten (het „subcomité”) bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen die verantwoordelijk zijn voor financiële diensten.

2.

Het subcomité:

  • a. ziet toe op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;
  • b. onderzoekt door een Partij voorgelegde problemen in verband met financiële diensten;
  • c. onderhoudt een dialoog over de regulering van de financiëledienstensector teneinde de wederzijdse kennis van de respectieve regelgevingssystemen van de Partijen te verbeteren en samen te werken aan de ontwikkeling van internationale normen, en
  • d. neemt deel aan de geschillenbeslechtingsprocedures overeenkomstig artikel 25.20.
Artikel 25.18. Technisch overleg en raadplegingen
1.

Een Partij kan verzoeken om technisch overleg en raadplegingen met de andere Partij over elke uit dit deel van deze overeenkomst voortvloeiende aangelegenheid die van invloed is op financiële diensten. De andere Partij neemt het verzoek in welwillende overweging. De Partijen stellen het subcomité in kennis van de resultaten van hun overleg en raadplegingen.

2.

Elke Partij ziet erop toe dat haar delegatie bij dat technisch overleg en die raadplegingen ambtenaren omvat met relevante deskundigheid op het gebied van financiële diensten.

3.

Voor alle duidelijkheid: niets in dit artikel wordt zodanig uitgelegd dat een Partij verplicht is:

  • a. af te wijken van haar wet- en regelgeving betreffende de uitwisseling van informatie tussen financiële regelgevende autoriteiten of van de vereisten van een overeenkomst of regeling tussen financiële autoriteiten van de Partijen; of
  • b. regelgevende autoriteiten te verplichten acties te ondernemen die indruisen tegen specifieke regelgevende, toezichthoudende, administratieve of handhavingsmaatregelen.
4.

Niets in dit artikel wordt uitgelegd als beletsel voor een Partij die voor toezichtsdoeleinden informatie nodig heeft over een financiële instelling die op het grondgebied van de andere Partij is gevestigd of over een verlener van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere Partij, om de bevoegde regelgevende autoriteit van de andere Partij te verzoeken om die informatie.

5.

Voor alle duidelijkheid: dit artikel laat de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van hoofdstuk 38 onverlet.

Artikel 25.19. Geschillenbeslechting
1.

Hoofdstuk 38, met inbegrip van de bijlagen 38-A en 38-B, is als gewijzigd bij dit artikel van toepassing op de geschillenbeslechting met betrekking tot de toepassing en interpretatie van dit hoofdstuk.

2.

Naast de vereisten van artikel 38.9 moeten panelleden beschikken over expertise op het gebied van of ervaring met wetgeving inzake financiële diensten of de praktijk op dat gebied, waaronder bijvoorbeeld de regulering van financiële instellingen, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

3.

Het subcomité beveelt het Gemengd Comité aan een lijst vast te stellen van ten minste 15 personen die aan de vereisten van lid 2 voldoen en bereid en in staat zijn om als panellid op te treden. Het Gemengd Comité stelt een dergelijke lijst uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst vast. Die lijst bestaat uit drie deellijsten:

  • a. een deellijst van personen die op basis van voorstellen van de EU-Partij is opgesteld;
  • b. een deellijst van personen die op basis van voorstellen van Chili is opgesteld; en
  • c. een deellijst van personen die geen onderdaan van een van de Partijen zijn en die als voorzitter van het panel zullen fungeren.
4.

Elke deellijst bevat ten minste vijf personen. Het Gemengd Comité ziet erop toe dat de lijst te allen tijde ten minste uit dat aantal personen blijft bestaan.

5.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk komt de in lid 3 van dit artikel bedoelde lijst na de vaststelling ervan in de plaats van de op grond van artikel 38.8, lid 1, vastgestelde lijst.

Artikel 25.20. Beslechting van investeringsgeschillen met betrekking tot financiële diensten
1.

Afdeling D van hoofdstuk 17 is, als gewijzigd bij dit artikel, van toepassing op:

  • a. investeringsgeschillen met betrekking tot door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot investeerders en hun investeringen in financiële instellingen waarop dit deel van deze overeenkomst van toepassing is en waarin een investeerder beweert dat een Partij artikel 25.3, lid 2, artikel 25.5, lid 2, of artikel 17.17, 17.18, 17.19 of 17.20 heeft geschonden, of
  • b. investeringsgeschillen die zijn ingeleid op grond van hoofdstuk 17 en waarin artikel 25.11 is ingeroepen.
2.

In het geval van een investeringsgeschil op grond van lid 1, punt a), van dit artikel, of indien de verweerder op grond van lid 1, punt b), van dit artikel binnen 60 dagen na de indiening van een vordering bij het Gerecht overeenkomstig artikel 17.30 een beroep doet op artikel 25.11, kan de formatie van het Gerecht waarbij de zaak aanhangig is, na raadpleging van de partijen bij het geschil en op grond van artikel 17.50, een of meer deskundigen van de op grond van artikel 25.19 vastgestelde lijst aanwijzen om verslag uit te brengen over feitelijke kwesties in verband met financiële diensten die door een partij bij het geschil in de procedure aan de orde worden gesteld.

3.

Gezien het belang van het recht van een Partij om prudentiële redenen maatregelen vast te stellen of te handhaven, indien dergelijke maatregelen binnen het toepassingsgebied van artikel 25.11 vallen, is dat artikel van toepassing als geldig verweer tegen een vordering die gebaseerd is op een van de andere bepalingen van dit deel van deze overeenkomst, met inbegrip van artikel 17.17. Na een verzoek om overleg op grond van artikel 17.27 kan de verweerder de zaak schriftelijk voorleggen aan het subcomité met het verzoek te bepalen of en, zo ja, in welke mate, de maatregel waarop dat verzoek om overleg betrekking heeft, gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 25.11. Dat voorleggen moet zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het verzoek om overleg plaatsvinden. Na het voorleggen worden de in de artikelen 17.27, 17.28 en 17.30 bedoelde termijnen geschorst.

4.

Nadat een zaak op grond van lid 3 is voorgelegd, tracht het subcomité te goeder trouw tot een vaststelling te komen. Een dergelijke vaststelling wordt onverwijld aan de partijen bij het geschil meegedeeld.

5.

Voor zover het subcomité vaststelt dat de maatregel gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 25.11, wordt geen vordering op grond van artikel 17.30 bij het Gerecht ingediend.

6.

Indien het subcomité binnen drie maanden nadat de zaak op grond van lid 3 van dit artikel is voorgelegd geen vaststelling heeft gedaan, is de in dat lid bedoelde schorsing van termijnen niet langer van toepassing.

7.

Indien de verweerder nalaat om de zaak op grond van lid 3 van dit artikel voor te leggen, dan doet dat niet af aan zijn recht om artikel 25.11 in een latere fase van de procedure bij wijze van verweer in te roepen. Het Gerecht trekt geen negatieve conclusies uit het feit dat het subcomité niet tot een vaststelling is gekomen.

HOOFDSTUK 26. DIGITALE HANDEL

AFDELING A. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 26.1. Toepassingsgebied
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op handel die langs elektronische weg mogelijk wordt gemaakt.

2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op audiovisuele diensten.

Artikel 26.2. Definities
1.

De definities in de artikelen 17.2 en 18.2 zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. „consument”: elke natuurlijke persoon, of rechtspersoon indien vastgelegd in de wet- en regelgeving van een Partij, die een openbare telecommunicatiedienst gebruikt of aanvraagt voor doeleinden buiten zijn of haar handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteit;
  • b. „directmarketingcommunicatie”: elke vorm van commerciële reclame waarbij een natuurlijke of rechtspersoon via een openbare telecommunicatiedienst marketingboodschappen rechtstreeks aan eindgebruikers meedeelt en die ten minste elektronische post, tekst en multimediaberichten omvat;
  • c. „elektronische authenticatie”: een proces dat het mogelijk maakt het volgende te bevestigen:
  • i. de elektronische identificatie van een natuurlijke of rechtspersoon; of
  • ii. de herkomst en integriteit van gegevens in elektronische vorm;
  • d. „elektronisch zegel”: door een rechtspersoon gebruikte gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere gegevens in elektronische vorm en die worden gebruikt om de oorsprong en integriteit van die andere gegevens te waarborgen;
  • e. „elektronische handtekening”: gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere elektronische gegevens en die aan de volgende eisen voldoen:
  • i. zij worden door een natuurlijke persoon gebruikt om zich akkoord te verklaren met de gegevens in elektronische vorm waarop zij betrekking hebben; en
  • ii. zij zijn op zodanige wijze gekoppeld aan de gegevens in elektronische vorm waarop zij betrekking hebben, dat eventuele latere wijzigingen in de elektronische gegevens kunnen worden opgespoord;
  • f. „elektronische vertrouwensdienst”: een elektronische dienst bestaande uit het aanmaken, verifiëren en valideren van elektronische handtekeningen, elektronische zegels, elektronische tijdstempels, elektronisch aangetekende bezorging, authenticatie van websites en op die dienst betrekking hebbende certificaten;
  • g. „eindgebruiker”: elke natuurlijke of rechtspersoon die gebruikmaakt of verzoekt om gebruikmaking van een openbare telecommunicatiedienst, hetzij als consument, hetzij, indien vastgelegd in de wet- en regelgeving van een Partij, voor handels-, bedrijfs- of beroepsdoeleinden;
  • h. „persoonsgegevens”: persoonsgegevens als omschreven in artikel 8.3, punt r), en
  • i. „openbare telecommunicatiedienst”: een openbare telecommunicatiedienst als omschreven in artikel 23.2, punt j).
Artikel 26.3. Recht om regelgeving vast te stellen

De Partijen herbevestigen hun recht om voor hun respectieve grondgebied regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals bescherming van de volksgezondheid, sociale diensten, onderwijs, veiligheid, milieu, met inbegrip van klimaatverandering, openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, of de bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid.

Artikel 26.4. Uitzonderingen

Niets in dit hoofdstuk belet de Partijen maatregelen overeenkomstig de artikelen 25.11, 39.1 en 39.2 vast te stellen of te handhaven om de daarin vermelde redenen van openbaar belang.

AFDELING B. GEGEVENSSTROMEN EN BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS

Artikel 26.5. Grensoverschrijdende gegevensstromen

De Partijen verbinden zich ertoe grensoverschrijdende gegevensstromen te waarborgen om de digitale handel te vergemakkelijken. Daartoe legt een Partij geen beperkingen op aan grensoverschrijdende gegevensstromen tussen de Partijen door:

  • a. het gebruik van computerfaciliteiten of netwerkelementen op het grondgebied van die Partij te vereisen voor verwerking, onder meer door het gebruik van computerfaciliteiten of netwerkelementen op te leggen die op het grondgebied van een Partij zijn gecertificeerd of goedgekeurd;
  • b. de gegevenslokalisatie op het grondgebied van de Partij te vereisen met het oog op opslag of verwerking;
  • c. de opslag of verwerking op het grondgebied van de andere Partij te verbieden; of
  • d. de grensoverschrijdende overdracht van gegevens afhankelijk te stellen van het gebruik van computerfaciliteiten of netwerkelementen op het grondgebied van die Partij of van vereisten inzake lokalisatie op het grondgebied van die Partij.
Artikel 26.6. Bescherming van persoonsgegevens en privacy
1.

Elke Partij erkent dat de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer een grondrecht is en dat strenge normen in dat verband bijdragen tot het versterken van het vertrouwen in de digitale economie en de ontwikkeling van de handel.

2.

Elke Partij kan maatregelen vaststellen en handhaven die zij passend acht om de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer te waarborgen, onder meer door de vaststelling en toepassing van regels inzake de grensoverschrijdende doorgifte van persoonsgegevens. Niets in dit deel van deze overeenkomst doet afbreuk aan de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer die door de maatregelen van een Partij wordt geboden.

AFDELING C. SPECIFIEKE BEPALINGEN

Artikel 26.7. Douanerechten op elektronische transmissies

Een Partij heft geen douanerechten op elektronische transmissies tussen een persoon uit die Partij en een persoon uit de andere Partij.

Artikel 26.8. Geen voorafgaande toestemming
1.

Een Partij eist geen voorafgaande toestemming louter op grond dat een dienst online wordt verleend91)Een dienst wordt online verleend wanneer die langs elektronische weg wordt verleend zonder dat de personen tegelijkertijd aanwezig zijn., en stelt of handhaaft geen andere eisen van gelijke werking.

2.

Lid 1 is niet van toepassing op telecommunicatiediensten, omroepdiensten, gokdiensten, juridische vertegenwoordiging of diensten van notarissen of gelijkwaardige beroepen, voor zover die een rechtstreeks en specifiek verband houden met de uitoefening van openbaar gezag.

Artikel 26.9. Sluiten van contracten langs elektronische weg
1.

Elke Partij ziet erop toe dat haar wet- en regelgeving toestaat dat contracten langs elektronische weg worden gesloten en dat de wettelijke vereisten voor contractuele procedures geen belemmeringen opwerpen voor het gebruik van langs elektronische weg gesloten contracten of ertoe leiden dat dergelijke contracten geen rechtsgevolgen hebben en niet rechtsgeldig zijn op grond van het feit dat zij langs elektronische weg zijn gesloten.

2.

Lid 1 is niet van toepassing op:

  • a. omroepdiensten, gokdiensten en juridische vertegenwoordiging;
  • b. diensten van notarissen of gelijkwaardige beroepen die een rechtstreeks en specifiek verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag; en
  • c. contracten waarbij rechten op onroerend goed worden gevestigd of overgedragen, contracten waarvoor het recht de tussenkomst voorschrijft van rechtbanken, overheden of beroepsgroepen die openbaar gezag uitoefenen, contracten voor persoonlijke zekerheden en contracten voor zakelijke zekerheden die gesteld worden door personen die handelen voor doeleinden buiten hun handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteit, en contracten die onder het familierecht of het erfrecht vallen.
Artikel 26.10. Elektronische vertrouwensdiensten en elektronische authenticatie
1.

Een Partij ontkent niet de rechtsgevolgen of de toelaatbaarheid als bewijsmiddel in gerechtelijke of administratieve procedures van elektronische vertrouwensdiensten of elektronische authenticaties, louter op grond dat die in elektronische vorm zijn.

2.

Een Partij mag niet overgaan tot de vaststelling of handhaving van maatregelen die:

  • a. partijen bij een elektronische transactie verbieden om onderling de meest geschikte methode van elektronische authenticatie voor hun transactie te bepalen; of
  • b. partijen bij een elektronische transactie de mogelijkheid ontzeggen om door gerechtelijke of administratieve autoriteiten te laten vaststellen dat hun elektronische transactie voldoet aan eventuele wettelijke vereisten met betrekking tot elektronische vertrouwensdiensten of elektronische authenticatie.
3.

Niettegenstaande lid 2 kan een Partij eisen dat voor een bepaalde categorie elektronische transacties de methode van elektronische authenticatie of de elektronische vertrouwensdienst:

  • a. wordt gecertificeerd door een overeenkomstig haar recht geaccrediteerde autoriteit; of
  • b. voldoet aan bepaalde objectieve, transparante en niet-discriminerende prestatienormen die uitsluitend betrekking hebben op de specifieke kenmerken van de betrokken categorie elektronische transacties.
Artikel 26.11. Online consumentenvertrouwen
1.

De Partijen erkennen het belang om het vertrouwen van consumenten in de digitale handel te vergroten. Elke Partij stelt maatregelen vast of handhaaft die om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van consumenten die betrokken zijn bij transacties in elektronische handel, met inbegrip van maatregelen die:

  • a. frauduleuze en bedrieglijke handelspraktijken verbieden;
  • b. van leveranciers van goederen en diensten verlangen dat zij te goeder trouw handelen en zich houden aan eerlijke handelspraktijken, onder meer door het verbod consumenten ongevraagde goederen en diensten in rekening te brengen;
  • c. van leveranciers van goederen of diensten eisen dat zij consumenten duidelijke en grondige informatie verstrekken over hun identiteit en contactgegevens92)In het geval van intermediairedienstenverleners omvatten identiteit en contactgegevens ook de identiteit en contactgegevens van de feitelijke leverancier van het goed of de dienst., alsook over de goederen of diensten, de transactie en de toepasselijke consumentenrechten; en
  • d. consumenten toegang verlenen tot verhaal om hun rechten te doen gelden, met inbegrip van een recht op verhaal indien goederen of diensten worden betaald en niet worden geleverd of verleend zoals overeengekomen.
2.

De Partijen erkennen het belang van samenwerking tussen hun respectieve nationale instanties voor consumentenbescherming, of andere relevante organen, bij activiteiten in verband met elektronische handel teneinde het vertrouwen van consumenten te vergroten.

Artikel 26.12. Ongevraagde directmarketingberichten
1.

Elke Partij ziet erop toe dat eindgebruikers doeltreffend worden beschermd tegen ongevraagde directmarketingberichten.

2.

Elke Partij stelt doeltreffende maatregelen vast, of handhaaft die, met betrekking tot ongevraagde directmarketingberichten die:

  • a. verstrekkers van ongevraagde directmarketingberichten verplichten ervoor te zorgen dat de ontvangers kunnen voorkomen dat zij dergelijke berichten blijven ontvangen; of
  • b. de toestemming van ontvangers vereisen, zoals bepaald in de wet- en regelgeving van elke Partij, om directmarketingberichten te ontvangen.
3.

Elke Partij ziet erop toe dat directmarketingberichten duidelijk als zodanig herkenbaar zijn, duidelijk onthullen namens wie zij worden gedaan en de nodige informatie bevatten om eindgebruikers in staat te stellen kosteloos en op elk moment om stopzetting te verzoeken.

Artikel 26.13. Verbod op verplichte overdracht van of toegang tot broncode
1.

Een Partij verlangt geen overdracht van of toegang tot de broncode van software die eigendom is van een natuurlijke of rechtspersoon uit de andere Partij. Dit lid is niet van toepassing op de vrijwillige overdracht van of het verlenen van toegang tot een broncode op commerciële basis door een persoon uit de andere Partij, bijvoorbeeld in het kader van een overheidsopdracht of een contract waarover vrij onderhandeld is. Niets in dit lid verhindert een persoon uit een Partij om zijn software in licentie te geven op basis van vrije en open bron.

2.

Voor alle duidelijkheid: de artikelen 25.11, 39.1 en 39.2 kunnen van toepassing zijn op maatregelen van een Partij die in het kader van een certificeringsprocedure worden vastgesteld of gehandhaafd.

3.

Niets in dit artikel doet afbreuk aan:

  • a. uitspraken van een gerechtelijke instantie, een administratief gerecht of een mededingingsautoriteit om een einde te maken aan een inbreuk op het mededingingsrecht;
  • b. bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten; of
  • c. het recht van een Partij om maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 28.3.
Artikel 26.14. Samenwerking inzake regelgevingskwesties met betrekking tot digitale handel
1.

De Partijen werken samen door informatie uit te wisselen over hun respectieve recht en de uitvoering daarvan, met betrekking tot regelgevingskwesties die voortvloeien uit de digitale handel, met inbegrip van:

  • a. de erkenning en facilitering van interoperabele grensoverschrijdende elektronische vertrouwens- en authenticatiediensten;
  • b. de behandeling van directmarketingberichten;
  • c. de bescherming van de consument online; en
  • d. alle andere regelgevingskwesties die relevant zijn voor de ontwikkeling van de digitale handel.
2.

De Partijen onderhouden een dialoog op basis van de in lid 1 bedoelde informatie-uitwisseling.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op de regels en maatregelen van een Partij voor de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip van de grensoverschrijdende doorgifte van persoonsgegevens.

Artikel 26.15. Evaluatie

Op verzoek van een van de Partijen evalueert het in artikel 18.10 genoemde Subcomité Diensten en investeringen de uitvoering van dit hoofdstuk, met name in het licht van relevante veranderingen die van invloed zijn op de digitale handel en die kunnen voortvloeien uit nieuwe bedrijfsmodellen of technologieën. Het Subcomité Diensten en investeringen brengt verslag uit van zijn bevindingen en kan het Gemengd Comité de nodige aanbevelingen doen.

HOOFDSTUK 27. KAPITAALVERKEER, BETALINGEN EN OVERMAKINGEN EN TIJDELIJKE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 27.1. Doel en toepassingsgebied

Het doel van dit hoofdstuk is het mogelijk maken van een vrij kapitaal- en betalingsverkeer in verband met transacties die in het kader van dit deel van deze overeenkomst zijn geliberaliseerd93)Voor alle duidelijkheid: op dit hoofdstuk is bijlage 17-E van toepassing..

Artikel 27.2. Lopende rekening

Onverminderd de overige bepalingen van dit deel van deze overeenkomst staat elke Partij alle betalingen en overmakingen in verband met transacties op de lopende rekening van de betalingsbalans toe die onder het toepassingsgebied van dit deel van deze overeenkomst vallen, in een vrij converteerbare valuta en overeenkomstig de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds die op 22 juli 1944 in Bretton Woods, New Hampshire, zijn aangenomen.

Artikel 27.3. Kapitaalverkeer

Onverminderd de overige bepalingen van dit deel van deze overeenkomst staat elke Partij, in verband met transacties op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans, het vrije verkeer van kapitaal toe met het oog op de liberalisering van investeringen en andere transacties als bedoeld in de hoofdstukken 17, 18 en 25.

Artikel 27.4. Toepassing van wet- en regelgeving met betrekking tot kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen
1.

De artikelen 17.20, 27.2 en 27.3 mogen niet worden uitgelegd als beletsel voor een Partij om toepassing te geven aan haar wet- en regelgeving betreffende:

  • a. faillissement, insolventie of crediteurenbescherming;
  • b. de uitgifte van, de handel in of de verhandeling van financiële instrumenten zoals effecten, futures of derivaten;
  • c. financiële verslaglegging of registratie van het kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen waar dat nodig is ter ondersteuning van de rechtshandhavings- of financiële regelgevende autoriteiten;
  • d. overtredingen of misdrijven, misleidende of frauduleuze praktijken;
  • e. waarborgen dat wordt voldaan aan beschikkingen of uitspraken in gerechtelijke of administratieve procedures; of
  • f. socialezekerheidsregelingen, wettelijke pensioenregelingen of verplichte spaarregelingen.
2.

De in lid 1 bedoelde wet- en regelgeving moet op billijke en niet-discriminerende wijze worden toegepast en mag niet worden toegepast op een manier die een verkapte beperking van het kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen vormt.

Artikel 27.5. Tijdelijke vrijwaringsmaatregelen

In uitzonderlijke omstandigheden bij ernstige moeilijkheden, of dreigende ernstige moeilijkheden, voor de werking van de Europese economische en monetaire unie van de Europese Unie, kan de EU-Partij voor een periode van ten hoogste zes maanden vrijwaringsmaatregelen vaststellen of handhaven met betrekking tot het kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen. Die maatregelen worden beperkt tot het strikt noodzakelijke.

Artikel 27.6. Beperkingen in geval van moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie
1.

Als een Partij ernstige moeilijkheden ondervindt of dreigt te ondervinden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie, kan zij beperkende maatregelen vaststellen of handhaven ten aanzien van het kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen94)Voor alle duidelijkheid: ernstige moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie, of de dreiging daarvan, kunnen onder meer worden veroorzaakt door ernstige moeilijkheden in verband met het monetaire of het wisselkoersbeleid of de dreiging daarvan..

2.

De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen:

  • a. moeten in overeenstemming zijn met de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds, in voorkomend geval;
  • b. mogen niet verder gaan dan noodzakelijk is om de in lid 1 van dit artikel bedoelde situatie aan te pakken;
  • c. moeten tijdelijk zijn en geleidelijk worden opgeheven naarmate de in lid 1 van dit artikel bedoelde situatie verbetert;
  • d. moeten onnodig nadeel aan de commerciële, economische en financiële belangen van de andere Partij vermijden, en
  • e. mogen niet discriminerend zijn in vergelijking met derde landen in vergelijkbare situaties.
3.

Ten aanzien van de handel in goederen kan elke Partij beperkende maatregelen vaststellen of handhaven ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie of haar betalingsbalans. Dergelijke maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de GATT 1994 en het Memorandum van Overeenstemming betreffende de betalingsbalansbepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994.

4.

Ten aanzien van de handel in diensten kan elke Partij beperkende maatregelen vaststellen of handhaven ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie of haar betalingsbalans. Dergelijke maatregelen moeten in overeenstemming zijn met artikel XII van de GATS.

5.

Een Partij die de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen vaststelt of handhaaft, stelt de andere Partij daarvan onverwijld in kennis.

6.

Indien op grond van dit artikel beperkende maatregelen worden vastgesteld of gehandhaafd, plegen de Partijen onverwijld overleg in het Subcomité Diensten en investeringen, tenzij dergelijk overleg wordt gepleegd in andere fora waarvan beide Partijen lid zijn. Tijdens het overleg worden de problemen met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie die tot de respectievelijke maatregelen hebben geleid, beoordeeld, rekening houdend met onder meer de volgende factoren:

  • a. de aard en de omvang van de problemen;
  • b. het externe economische en handelsklimaat; en
  • c. andere corrigerende maatregelen die kunnen worden genomen.
7.

Tijdens het op grond van lid 6 gevoerde overleg wordt de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met de leden 1 en 2 behandeld. Het overleg wordt gebaseerd op alle relevante bevindingen van statistische of feitelijke aard van het Internationaal Monetair Fonds („IMF”), indien beschikbaar, en bij hun conclusies wordt rekening gehouden met het oordeel van het IMF over de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie van de desbetreffende Partij.

HOOFDSTUK 28. OVERHEIDSOPDRACHTEN

Artikel 28.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de bijlagen 28-A en 28-B wordt verstaan onder:

  • a. „handelsgoederen of -diensten”: goederen of diensten die in de regel in de handel worden verkocht of te koop worden aangeboden aan, en in de regel worden aangekocht door niet-overheidskopers voor niet-overheidsdoeleinden;
  • b. „dienst in verband met de bouw”: een dienst die gericht is op de uitvoering, op welke wijze dan ook, van civieltechnische of bouwwerkzaamheden in de zin van afdeling 51 van de CPC;
  • c. „elektronische veiling”: een zich herhalend proces waarbij leveranciers langs elektronische weg nieuwe prijzen of nieuwe waarden voor kwantificeerbare, niet op de prijs betrekking hebbende en met de beoordelingscriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving opgeven, waardoor een rangorde van de inschrijvingen tot stand komt of de rangorde wordt gewijzigd;
  • d. „schriftelijk”: bij wijze van een informatie-eenheid die is uitgedrukt in woorden of cijfers en die kan worden gelezen, gereproduceerd en vervolgens doorgegeven. De term „schriftelijk” kan ook betrekking hebben op elektronisch doorgegeven en opgeslagen informatie;
  • e. „onderhandse aanbesteding”: methode van aanbesteding waarbij de aanbestedende dienst contact zoekt met een leverancier of leveranciers van zijn keuze;
  • f. „maatregel”: een wet, voorschrift, procedure, administratief richtsnoer of praktijk, dan wel een actie van een aanbestedende dienst betreffende een onder dit hoofdstuk vallende opdracht;
  • g. „lijst voor veelvuldig gebruik”: lijst van leveranciers die volgens een aanbestedende dienst voldoen aan de voorwaarden om op die lijst te worden geplaatst en van wie de aanbestedende dienst meer dan eens gebruik denkt te maken;
  • h. „bericht van aanbesteding”: een bekendmaking van een aanbestedende dienst waarbij belangstellende leveranciers worden uitgenodigd een verzoek om deelname in te dienen, in te schrijven of beide;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)