Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2023-12-13
State In force
Source BWB
artikelen 627
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • f. het uitwisselen van informatie over normen, conformiteitsbeoordeling en typegoedkeuring, onder meer om de handel te vergemakkelijken;
  • g. het bevorderen van de uitwisseling en opleiding van met name jonge specialisten en vrouwen;
  • h. het bevorderen van digitale vaardigheden.
Artikel 5.11. Onderwijs en hoger onderwijs
1.

De Partijen werken samen op het gebied van onderwijs om de ontwikkeling van menselijke kapitaal te ondersteunen, met name in het hoger onderwijs.

2.

Om de kwaliteit en modernisering van stelsels voor hoger onderwijs te ondersteunen, moeten de Partijen:

  • a. de mobiliteit van studenten, universiteitsmedewerkers en administratief personeel bevorderen door middel van bestaande of nieuwe programma’s;
  • b. de capaciteit in instellingen voor hoger onderwijs vergroten;
  • c. de mechanismen voor de erkenning van kwalificaties en studieperioden in het buitenland verbeteren, overeenkomstig het recht van elke Partij.
Artikel 5.12. Civiele satellietnavigatie, aardobservatie en andere ruimteactiviteiten
1.

De Partijen erkennen dat ruimteactiviteiten een positief effect hebben op de economische, sociale en duurzame ecologische ontwikkeling en het concurrentievermogen van de industrie.

2.

De Partijen werken samen, overeenkomstig internationale verdragen en hun respectieve recht, aan aangelegenheden van gemeenschappelijk belang op het gebied van civiele ruimteactiviteiten, zoals:

  • a. ruimteonderzoek, onder meer naar satellietnavigatie en aardobservatie door de deelname aan Horizon Europa;
  • b. samenwerking op het gebied van toepassingen en diensten voor mondiale satellietnavigatiesystemen, met inbegrip van met name wetenschappelijk onderzoek, industriële samenwerking, ontwikkelingen in de handel en op de markt, gebruiksnormen, certificering en regulerende maatregelen;
  • c. de ontwikkeling van satellietaugmentatiesystemen, met name voor luchtvervoers- of augmentatiesystemen, wederzijdse bescherming van de infrastructuur van satellietnavigatiesystemen, samenwerking op het gebied van interoperabiliteit, compatibiliteit en spectrumgebruik;
  • d. aardobservatie en aardwetenschappen, met inbegrip van samenwerking in multilaterale fora en met name de Groep voor aardobservatie en het Comité voor aardobservatiesatellieten („CEOS”) om maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden en partnerschappen tussen bedrijven en innovatiepartnerschappen inzake aardobservatie te vergemakkelijken in het kader van het Copernicus-onderdeel van het ruimtevaartprogramma van de Unie door gebieden van gemeenschappelijk belang in kaart te brengen;
  • e. satellietcommunicatie.
Artikel 5.13. Toerisme
1.

De Partijen werken op het gebied van toerisme samen om de uitwisseling van informatie te verbeteren en beste praktijken vast te stellen, teneinde een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het toerisme te waarborgen en de banencreatie, de economische ontwikkeling en de verbetering van de levenskwaliteit te ondersteunen.

2.

De Partijen richten zich in het bijzonder op:

  • a. het behouden en vergroten van het potentieel van het natuurlijke en culturele erfgoed;
  • b. het eerbiedigen van de integriteit en de belangen van lokale gemeenschappen;
  • c. het bevorderen van samenwerking tussen de regio’s van de Partijen en de regio’s en gemeenten van buurlanden;
  • d. het bevorderen van informatie-uitwisseling en samenwerking voor creatieve sectoren en innovatie in de toeristische sector.
Artikel 5.14. Statistieken
1.

De Partijen werken samen op het gebied van statistieken.

2.

Die samenwerking kan bestaan uit:

  • a. het bevorderen van de harmonisatie van statistische methoden ter verbetering van de vergelijkbaarheid van gegevens;
  • b. het produceren en verspreiden van officiële statistieken en ontwikkelingsindicatoren;
  • c. het uitwisselen van kennis en goede praktijken tussen de officiële instellingen in Chili die verantwoordelijk zijn voor statistische aangelegenheden en procedures, en hun tegenhangers in de Europese Unie.
Artikel 5.15. Vervoer
1.

De Partijen werken samen op de relevante terreinen van het vervoersbeleid, met inbegrip van geïntegreerd vervoersbeleid, met het oog op de ontwikkeling en ondersteuning van een doeltreffend, duurzaam, veilig, beveiligd en milieuvriendelijk vervoerssysteem voor zowel passagiers als goederen.

2.

Die samenwerking is gericht op de bevordering van:

  • a. de uitwisseling van informatie over hun respectieve beleidsmaatregelen, normen, beste praktijken en andere zaken van gemeenschappelijk belang op het gebied van vervoer;
  • b. de interconnectie en interoperabiliteit van netwerken;
  • c. een benadering van een multimodaal vervoerssysteem;
  • d. een investeringsvriendelijk klimaat;
  • e. de veiligheid en beveiliging van vervoerssystemen;
  • f. vervoersvraagstukken in verband met het milieu;
  • g. koolstofarme of koolstofvrije vervoersoplossingen, onderzoek en innovatie, slimme en digitale oplossingen;
  • h. een dialoog met deskundigen en samenwerking binnen internationale vervoersfora;
  • i. oplossingen voor duurzaam vervoer, onder meer met betrekking tot stedelijke mobiliteit; en
  • j. handelsbevordering, verbeterde efficiëntie en optimalisering van logistieke en vervoersactiviteiten door middel van digitalisering en de vereenvoudiging van de rapportagevereisten voor alle vervoerswijzen.

HOOFDSTUK 6. ANDERE GEBIEDEN

Artikel 6.1. Macro-economisch beleid

De Partijen werken samen en bevorderen de uitwisseling van informatie en standpunten over macro-economisch beleid en trends.

Artikel 6.2. Belastingaangelegenheden

De Partijen erkennen de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, waaronder de mondiale normen inzake transparantie, uitwisseling van informatie en de minimumnormen tegen grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), en verbinden zich ertoe die toe te passen, alsook schadelijke belastingmaatregelen af te schaffen. De Partijen zullen een gelijk speelveld bevorderen en werken aan het verbeteren van de internationale samenwerking op belastinggebied om belastingfraude en -ontwijking te voorkomen.

Artikel 6.3. Consumentenbeleid

De Partijen erkennen het belang van het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming en streven daartoe naar samenwerking op het gebied van consumentenbeleid. De Partijen komen overeen dat die samenwerking, voor zover mogelijk, betrekking kan hebben op:

  • a. de uitwisseling van informatie over hun respectieve kaders voor consumentenbescherming, onder meer over consumentenwetgeving, de veiligheid van consumentenproducten, verhaalmogelijkheden voor consumenten en de handhaving van consumentenwetgeving;
  • b. de bevordering van de oprichting van onafhankelijke consumentenorganisaties en contacten tussen vertegenwoordigers van consumenten.
Artikel 6.4. Volksgezondheid

De Partijen komen overeen samen te werken aan vraagstukken op het gebied van volksgezondheid, met name met betrekking tot de preventie en beheersing van overdraagbare ziekten, paraatheid om uitbraken van hoogpathogene ziekten te bestrijden, de naleving van de Internationale Gezondheidsregeling (2005), op 23 mei 2005 aangenomen door de Wereldgezondheidsvergadering, en de bestrijding van resistentie tegen antimicrobiële stoffen.

Artikel 6.5. Samenwerking op het gebied van sport en lichaamsbeweging

De Partijen werken samen op het gebied van sport en lichaamsbeweging als een middel om bij te dragen tot de ontwikkeling van een actieve en gezonde levensstijl, met inbegrip van het bevorderen van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in alle leeftijdscategorieën, het bevorderen van de sociale rollen en educatieve waarden van sport en het bestrijden van bedreigingen voor de sport, zoals doping, wedstrijdvervalsing, racisme en geweld.

HOOFDSTUK 7. MODERNISERING VAN DE STAAT EN HET OPENBAAR BESTUUR, DECENTRALISATIE, REGIONAAL BELEID EN INTERINSTITUTIONELE SAMENWERKING

Artikel 7.1. Modernisering van de staat

De Partijen zullen in de context van hun politieke dialoog en samenwerking werken aan de uitwisseling van ervaringen op het gebied van de modernisering en decentralisatie van de staat en het openbaar bestuur, waarbij lering wordt getrokken uit de beste praktijken van de Partijen op het gebied van algemene organisatorische doeltreffendheid en de bestaande wetgeving en het institutionele kader met het oog op de verwezenlijking van goed bestuur, waaronder:

  • a. het erkennen van de autonomie en de rol van hoge controle-instellingen bij het bevorderen van goed bestuur op alle niveaus door efficiëntie, verantwoordingsplicht, doeltreffendheid en transparantie te waarborgen;
  • b. het bevorderen van transparantie en verantwoordingsplicht in het beleid en de besluitvorming van de overheid ten aanzien van hun bevolking, en het versterken van de rol van het maatschappelijk middenveld op dat gebied;
  • c. het bevorderen van een cultuur van integriteit en rechtschapenheid in het openbaar bestuur die de hele samenleving omvat, in samenwerking met de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld;
  • d. het bevorderen, ondersteunen en aanmoedigen van innovatie in de publieke sector, door oplossingen aan te dragen voor de problemen en uitdagingen van de verschillende niveaus en werkterreinen ervan, zodat zij publieke waarde genereren in het innovatie-ecosysteem en de innovatiesamenleving.
Artikel 7.2. Regionaal beleid en decentralisatie
1.

De Partijen erkennen het belang van beleidsmaatregelen bedoeld om evenwichtige en duurzame regionale en territoriale ontwikkeling te bevorderen. De Partijen erkennen het belang van regio’s en van het werken met subnationale overheden, en hoe zij belangrijke kennis over overheidsbeleid kunnen aandragen in overeenstemming met de eisen van de toekomstige decentralisatie van Chili.

2.

De Partijen zullen, waar mogelijk, samenwerken met het oog op de verbetering van governancesystemen op verschillende niveaus, capaciteitsopbouw door het uitwisselen van ervaringen en praktijken en door van elkaar te leren, met betrekking tot duurzame oplossingen voor uitdagingen op het gebied van territoriale en regionale ontwikkeling, met betrekking tot beleidsmaatregelen ter bevordering van de sociale, economische en territoriale cohesie, met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerking, met betrekking tot het opzetten en uitvoeren van regionaal beleid en het organiseren van strategieën voor territoriale ontwikkeling en met betrekking tot kwesties in verband met partnerschappen, procedures en methoden inzake planning en evaluatie, regionale innovatie en beleid voor slimme specialisatie.

3.

De Partijen zetten zich ervoor in om waar nodig de dynamiek en de kansen voor samenwerking tussen de regio’s van de Europese Unie en de regio’s van Chili te versterken en uit te breiden door gezamenlijke programma’s en projecten die onder meer gericht zijn op regionale en territoriale ontwikkeling, te ontwerpen en uit te voeren.

4.

De Partijen zullen trachten ervaringen en goede praktijken uit te wisselen met betrekking tot de onderlinge relatie tussen decentralisatie en de uitvoering van regionaal beleid.

Artikel 7.3. Interinstitutionele samenwerking
1.

De Partijen stimuleren en vergemakkelijken een nauwere dialoog en samenwerking tussen de betrokken instellingen op alle gebieden die onder deze overeenkomst vallen. Daartoe moedigen de Partijen contacten aan tussen de instellingen van de regering van Chili en de overheidssector en andere relevante instellingen van Chili, en hun tegenhangers in de Europese Unie met het oog op de breedst mogelijke sectorale samenwerking, die betrekking kan hebben op:

  • a. de preventie en de bestrijding van corruptie;
  • b. organisatorische opleiding en ondersteuning;
  • c. technische bijstand die wordt verleend aan de instellingen van Chili die verantwoordelijk zijn voor het genereren, uitvoeren en evalueren van overheidsbeleid en voor het verstrekken van informatie over dat beleid, met inbegrip van vergaderingen van het personeel van de instellingen van de Europese Unie met hun tegenhangers in Chili;
  • d. regelmatige uitwisseling van informatie, als dat passend wordt geacht, onder andere door het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën, en de ontwikkeling van informatienetwerken, waarbij tegelijkertijd de bescherming van persoonsgegevens wordt gewaarborgd op alle terreinen waarop gegevensuitwisseling is vereist;
  • e. uitwisseling van informatie en goede praktijken met betrekking tot de digitalisering van staatsprocedures in verband met de verlening van diensten aan burgers;
  • f. de overdracht van gespecialiseerde kennis;
  • g. voorstudies en de gezamenlijke uitvoering van projecten waarbij sprake is van een evenredige financiële bijdrage;
  • h. de ontwikkeling van actieplannen met inbegrip van knooppunten, tijdschema’s en beoordelingsmechanismen;
  • i. bijdragen aan het genereren van capaciteiten, competenties en vaardigheden op het gebied van publieke innovatie.
2.

De Partijen kunnen, in onderling overleg, andere actieterreinen toevoegen aan de in lid 1 genoemde terreinen.

DEEL III. HANDEL EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE AANGELEGENHEDEN

HOOFDSTUK 8. ALGEMENE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN

AFDELING A. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 8.1. Instelling van een vrijhandelszone

De Partijen brengen een vrijhandelszone tot stand, in overeenstemming met artikel XXIV van de GATT 1994 en artikel V van de GATS.

Artikel 8.2. Doelstellingen

Dit deel van deze overeenkomst heeft de volgende doelstellingen:

  • a. de uitbreiding en diversificatie van de handel in goederen tussen de Partijen, overeenkomstig artikel XXIV van de GATT 1994, door verlaging of afschaffing van tarifaire en niet-tarifaire handelsbelemmeringen;
  • b. de bevordering van de handel in goederen, met name door middel van de bepalingen inzake douane en handelsbevordering, normen, technische voorschriften, conformiteitsbeoordelingsprocedures en sanitaire en fytosanitaire maatregelen, met behoud van het recht van elke Partij om regelgeving vast te stellen om doelstellingen van openbaar beleid te verwezenlijken;
  • c. de liberalisering van de handel in diensten, overeenkomstig artikel V van de GATS;
  • d. de totstandbrenging van een economisch klimaat dat bevorderlijk is voor meer investeringsstromen, de verbetering van de voorwaarden voor vestiging op basis van het non-discriminatiebeginsel, met behoud van het recht van elke Partij om de nodige maatregelen vast te stellen en te handhaven om doelstellingen van openbaar beleid na te streven;
  • e. de facilitering van de handel en investeringen tussen de Partijen, onder meer door middel van de vrije overdracht van lopende betalingen en kapitaalverkeer;
  • f. de ontwikkeling van een gunstig investeringsklimaat door te voorzien in transparante, stabiele en voorspelbare regels die een eerlijke behandeling van investeerders waarborgen en de oprichting van een gerechtelijk stelsel om geschillen tussen investeerders en staten op doeltreffende, eerlijke en voorspelbare wijze op te lossen;
  • g. de effectieve wederzijdse openstelling van de markten voor overheidsopdrachten van de Partijen;
  • h. de bevordering van innovatie en creativiteit door te zorgen voor adequate en effectieve bescherming van alle intellectuele-eigendomsrechten in overeenstemming met de internationale verplichtingen die van toepassing zijn tussen de Partijen;
  • i. de bevordering van voorwaarden die onvervalste mededinging bevorderen, met name wat betreft de onderlinge handel en investeringen tussen de Partijen;
  • j. de ontwikkeling van de internationale handel op een wijze die bijdraagt tot duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieugebied; en
  • k. de instelling van een effectieve, eerlijke en voorspelbare regeling inzake geschillenbeslechting om geschillen over de uitlegging en toepassing van dit deel van deze overeenkomst op te lossen.
Artikel 8.3. Algemeen toepasselijke definities

Voor de toepassing van dit deel van deze overeenkomst wordt in de bijlagen 9, 10-A tot en met 10-E, 13-A tot en met 13-H, 15-A, 15-B, 16-A, 16-B, 16-C, 17-A tot en met 17-I, 19-A, 19-B, 19-C, 21-A, 21-B, 25, 28-A, 28-B, 29, 32-A, 32-B, 32-C, 38-A en 38-B en de protocollen bij deze overeenkomst verstaan:

  • a. „Overeenkomst inzake de landbouw”: de Overeenkomst inzake de landbouw, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
  • b. „Antidumpingovereenkomst”: de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
  • c. „douanerechten”: alle soorten rechten of heffingen die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer van goederen, met uitzondering van:
  • i. heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 9.4 van deze overeenkomst worden opgelegd;
  • ii. antidumping-, bijzondere vrijwarings-, compenserende of vrijwaringsrechten die worden toegepast in overeenstemming met de GATT 1994, de Antidumpingovereenkomst, de Overeenkomst inzake de landbouw, de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen of de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, indien van toepassing; en
  • iii. alle vergoedingen of andere heffingen die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer en waarvan de hoogte beperkt is tot, bij benadering, de kosten van verleende diensten;
  • d. „CPC”: de Provisional Central Product Classification (de voorlopige centrale productenclassificatie) (Statistical Papers Series M No. 77, Department of International Economic and Social Affairs, Statistical Office of the United Nations, New York, 1991);
  • e. „dagen”: kalenderdagen, met inbegrip van weekend- en feestdagen;
  • f. „bestaand”: geldend op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst;
  • g. „GATS”: de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten, opgenomen in bijlage 1B bij de WTO-Overeenkomst;
  • h. „GATT 1994”: de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
  • i. „goed van een Partij”: een binnenlands goed in de zin van de GATT 1994, waaronder de goederen van oorsprong van die Partij;
  • j. „geharmoniseerd systeem” of „GS”: het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, met inbegrip van de bijbehorende algemene interpretatieregels en de aantekeningen op de afdelingen, hoofdstukken en onderverdelingen, en wijzigingen daarvan, zoals ontwikkeld door de Werelddouaneorganisatie;
  • k. „post”: de eerste vier cijfers van het tariefindelingsnummer uit hoofde van het geharmoniseerd systeem;
  • l. „rechtspersoon”: een juridische entiteit, uit hoofde van toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;
  • m. „maatregel”: elke maatregel in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve actie, eis, praktijk of in enige andere vorm;
  • n. „maatregel van een Partij”: alle maatregelen die worden vastgesteld of gehandhaafd door 3) Voor alle duidelijkheid valt onder „maatregel” ook het nalaten van een Partij acties te ondernemen die nodig zijn om haar verplichtingen krachtens deze overeenkomst na te komen.:
  • i. overheden en autoriteiten op alle niveaus;
  • ii. niet-gouvernementele organen bij de uitoefening van door overheden of autoriteiten op alle niveaus gedelegeerde bevoegdheden4)Voor alle duidelijkheid: de verplichtingen van een Partij uit hoofde van deze overeenkomst zijn van toepassing op een overheidsbedrijf of een andere persoon wanneer die als regelgevende of administratieve autoriteit optreedt of aan haar door een Partij een andere overheidsautoriteit is gedelegeerd, zoals de bevoegdheid tot onteigening, de afgifte van vergunningen, de goedkeuring van handelstransacties of het opleggen van quota, vergoedingen of andere heffingen.; of
  • iii. entiteiten die met betrekking tot de maatregel in werkelijkheid handelen in opdracht van of onder het gezag of toezicht van een Partij5)Voor alle duidelijkheid: indien een Partij beweert dat een entiteit optreedt als bedoeld in punt iii), ligt de bewijslast bij die Partij en moet zij ten minste concrete aanwijzingen aandragen.;
  • o. „natuurlijke persoon”:
  • i. voor de EU-Partij, een onderdaan van een lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat6)Voor de toepassing van de hoofdstukken 17 tot en met 27 omvat de definitie van „natuurlijke persoon” tevens natuurlijke personen die permanent ingezetene van de Republiek Letland zijn en die geen staatsburger van de Republiek Letland of van enige andere staat zijn, maar die uit hoofde van de wet- en regelgeving van de Republiek Letland recht hebben op een paspoort voor niet-staatsburgers.; en
  • ii. voor Chili, een onderdaan van Chili overeenkomstig het recht van Chili;
  • p. „goed van oorsprong”: een goed dat geldt als goed van oorsprong uit hoofde van de oorsprongsregels in hoofdstuk 10;
  • q. „persoon”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;
  • r. „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
  • s. „Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen”: de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
  • t. „sanitaire of fytosanitaire maatregel”: een maatregel als bedoeld in punt 1 van bijlage A bij de SPS-Overeenkomst;
  • u. „SCM-Overeenkomst”: de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
  • v. „SPS-Overeenkomst”: de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
  • w. „TBT-Overeenkomst”: de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen in bijlage 1 bij de WTO-Overeenkomst;
  • x. „TRIPS-Overeenkomst”: de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, opgenomen in bijlage 1C bij de WTO-Overeenkomst; en
  • y. „WTO-Overeenkomst”: de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, gedaan te Marrakesh op 15 april 1994.
Artikel 8.4. Verhouding tot de WTO-overeenkomst en andere bestaande overeenkomsten die binnen het toepassingsgebied van dit deel van deze overeenkomst vallen
1.

De Partijen bevestigen hun wederzijdse rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst en andere bestaande overeenkomsten die binnen het toepassingsgebied van dit deel van deze overeenkomst vallen en waarbij zij partij zijn.

2.

Geen van de bepalingen van deze overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat zij een van de Partijen ertoe verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met haar verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst.

3.

In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een andere bestaande overeenkomst dan de WTO-Overeenkomst waarbij beide Partijen partij zijn en die binnen het toepassingsgebied van dit deel van deze overeenkomst valt, plegen de Partijen onmiddellijk overleg met elkaar om tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te komen.

AFDELING B. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 8.5. Specifieke taken van de Gezamenlijke Raad in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken
1.

Wanneer de op grond van artikel 40.1 ingestelde Gezamenlijke Raad kwesties behandelt die verband houden met dit deel van deze overeenkomst7)Voor alle duidelijkheid: Chili zal alle besluiten die de Gezamenlijke Raad in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken via acuerdos de ejecución (uitvoeringsovereenkomsten) vaststelt, overeenkomstig Chileens recht ten uitvoer leggen., kan hij:

  • a. besluiten vaststellen tot wijziging van:
  • i. de tarieflijsten in de aanhangsels 9-1 en 9-2 om de tariefafbraak te versnellen;
  • ii. hoofdstuk 10 en de bijlagen 10-A tot en met 10-E;
  • iii. de bijlagen 13-F en 13-G, en aanhangsel 13-E-1;
  • iv. de bijlagen 16-A, 16-D, 16-E, en punt 1 van bijlage 16-B;
  • v. bijlage 21-B;
  • vi. bijlage 29;
  • vii. de definitie van „subsidie” in artikel 31.2, lid 1, voor zover die betrekking heeft op ondernemingen die diensten verlenen, met het oog op de opname van het resultaat van toekomstige besprekingen in de WTO of aanverwante plurilaterale fora over dat onderwerp;
  • viii. bijlage 32-A wat betreft de verwijzingen naar het in de Partijen toepasselijke recht;
  • ix. bijlage 32-B met betrekking tot de criteria die in de bezwaarprocedure moeten worden opgenomen;
  • x. bijlage 32-C wat betreft de geografische aanduidingen;
  • xi. de bijlagen 38-A en 38-B; en
  • xii. alle andere bepalingen, bijlagen, aanhangsels of protocollen waarvan de wijziging in dit deel van deze overeenkomst is voorzien;
  • b. besluiten vaststellen om uitleggingen van de bepalingen van dit deel van deze overeenkomst te geven, die bindend zijn voor de Partijen en alle uit hoofde van dit deel van deze overeenkomst opgerichte organen en voor de in de hoofdstukken 33 en 38 bedoelde panels;
  • c. op grond van artikel 40.3, lid 3, bijkomende subcomités en andere organen oprichten die verantwoordelijk zijn voor aangelegenheden die door dit deel van deze overeenkomst worden bestreken; en
  • d. indien hij dat passend acht, het reglement van orde vaststellen van de subcomités en andere organen die op grond van g artikel 8.8 en punt c), van dit lid zijn opgericht.
2.

De agenda van een vergadering van de Gezamenlijke Raad in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt vastgesteld door de coördinatoren voor dit deel van deze overeenkomst, op grond van artikel 8.7, lid 2.

Artikel 8.6. Specifieke taken van het Gemengd Comité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken
1.

Wanneer het op grond van artikel 40.2 ingestelde Gemengd Comité kwesties behandelt die verband houden met dit deel van deze overeenkomst8)Voor alle duidelijkheid: Chili zal alle besluiten die het Gemengd Comité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken via acuerdos de ejecución (uitvoeringsovereenkomsten) vaststelt, overeenkomstig Chileens recht ten uitvoer leggen.:

  • a. verleent het de Gezamenlijke Raad bijstand bij de uitvoering van zijn taken, wanneer die betrekking hebben op handels- en investeringsaangelegenheden;
  • b. is het verantwoordelijk voor de correcte uitvoering en toepassing van dit deel van deze overeenkomst; in dat verband, en onverminderd de uit hoofde van hoofdstuk 38 vastgestelde rechten, kan elke Partij kwesties in verband met de toepassing of de uitlegging van dit deel van deze overeenkomst ter bespreking naar het Gemengd Comité verwijzen;
  • c. is het verantwoordelijk voor de correcte uitvoering en toepassing van de bepalingen van dit deel van deze overeenkomst en voor de evaluatie van de met de toepassing ervan behaalde resultaten;
  • d. zoekt het naar passende manieren om problemen te voorkomen en op te lossen, die overigens kunnen ontstaan op door dit deel van deze overeenkomst bestreken gebieden;
  • e. houdt het toezicht op de werkzaamheden van alle uit hoofde van artikel 8.8 opgerichte subcomités en de uit hoofde van artikel 40.3, lid 3, ingestelde subcomités die taken uitvoeren die specifiek zijn voor dit deel van deze overeenkomst; en
  • f. onderzoekt het de gevolgen van de toetreding van een nieuwe lidstaat tot de Europese Unie voor dit deel van deze overeenkomst.
2.

Het Gemengd Comité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken kan:

  • a. op grond van artikel 40.3, lid 3, bijkomende subcomités en andere organen oprichten die verantwoordelijk zijn voor aangelegenheden die door dit deel van deze overeenkomst worden bestreken;
  • b. besluiten vaststellen tot wijziging van dit deel van deze overeenkomst op grond van artikel 8.5, lid 1, punt a), en de in artikel 8.5, lid 1, punt b), bedoelde uitleggingen geven tussen de vergaderingen van de Gezamenlijke Raad, wanneer de Gezamenlijke Raad niet bijeen kan komen of zoals anders bepaald in deze overeenkomst; en
  • c. het reglement van orde van de op grond van artikel 8.8 en in punt a), van dit lid opgerichte subcomités en andere organen vaststellen, indien het dat passend acht.
3.

De agenda van een vergadering van het Gemengd Comité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt vastgesteld door de coördinatoren voor dit deel van deze overeenkomst, op grond van artikel 8.7, lid 2.

Artikel 8.7. Coördinatoren voor dit deel van deze overeenkomst
1.

Elke Partij benoemt binnen 60 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een coördinator voor dit deel van deze overeenkomst en stelt de andere Partij in kennis van de contactgegevens van die coördinator.

2.

De coördinatoren stellen gezamenlijk de agenda vast en voeren alle andere noodzakelijke voorbereidingen uit voor de vergaderingen van de Gezamenlijke Raad, het Gemengd Comité en de subcomités en andere organen die op grond van artikel 8.8 zijn opgericht of uit hoofde van artikel 40.3, lid 3, zijn opgericht en taken uitvoeren die specifiek zijn voor dit deel van deze overeenkomst. De coördinatoren geven waar passend follow-up aan de besluiten van de Gezamenlijke Raad en het Gemengd Comité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, en aan de besluiten van de subcomités in de in de artikelen 17.39 en 25.20 bedoelde gevallen.

Artikel 8.8. Subcomités en andere organen die specifiek zijn voor dit deel van deze overeenkomst
1.

De Partijen stellen de volgende subcomités in:

  • a. het Subcomité voor corruptiebestrijding op het gebied van handel en investeringen;
  • b. het Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels;
  • c. het Subcomité Financiële diensten;
  • d. het Subcomité Intellectuele eigendom;
  • e. het Subcomité Overheidsopdrachten;
  • f. het Subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen;
  • g. het Subcomité Diensten en investeringen;
  • h. het Subcomité Duurzame voedselsystemen;
  • i. het Subcomité Technische handelsbelemmeringen;
  • j. het Subcomité voor de handel in goederen; en
  • k. het Subcomité Handel en duurzame ontwikkeling.
2.

De agenda van een vergadering van de subcomités en andere organen die verantwoordelijk zijn voor door dit deel van deze overeenkomst bestreken aangelegenheden, wordt vastgesteld door de coördinatoren voor dit deel van deze overeenkomst, op grond van artikel 8.7, lid 2.

HOOFDSTUK 9. HANDEL IN GOEDEREN

Artikel 9.1. Doelstelling

De Partijen liberaliseren overeenkomstig dit deel van deze overeenkomst geleidelijk en wederzijds de handel in goederen.

Artikel 9.2. Toepassingsgebied

Tenzij in dit deel van deze overeenkomst anders is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen van een Partij.

Artikel 9.3. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en bijlage 9 wordt verstaan onder:

  • a. „Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen”: de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen, die is neergelegd in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
  • b. „consulaire formaliteiten”: de procedure om van een consul van de invoerende Partij op het grondgebied van de uitvoerende Partij, of op het grondgebied van een derde land, een consulaire factuur of een consulair visum voor een handelsfactuur, oorsprongscertificaat, manifest, aangifte ten uitvoer door de verlader, of enig ander douanedocument in verband met de invoer van een goed te verkrijgen;
  • c. „Overeenkomst inzake de douanewaarde”: de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
  • d. „procedure voor uitvoervergunningen”: een administratieve procedure in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de uitvoer uit het grondgebied van de uitvoerende Partij wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling zijn vereist, worden overgelegd;
  • e. „procedure voor invoervergunningen”: administratieve procedure in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de invoer in het grondgebied van de invoerende Partij wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling zijn vereist, worden overgelegd;
  • f. „gereviseerd goed”: een goed dat is ingedeeld onder de hoofdstukken 84 tot en met 90 of onder post 94.02, met uitzondering van goederen die zijn ingedeeld onder de posten 84.18, 85.09, 85.10, 85.16 en 87.03 of onderverdelingen 8414.51, 8450.11, 8450.12, 8508.1 en 8517.11 van het GS en dat:
  • i. geheel of gedeeltelijk bestaat uit onderdelen die zijn verkregen uit gebruikte goederen;
  • ii. met een origineel nieuw goed vergelijkbare prestaties en werkingsvoorwaarden vertoont; en
  • iii. waarvoor dezelfde garantie als voor een origineel nieuw goed wordt gegeven;
  • g. „reparatie”: elke bewerkingshandeling ten aanzien van goederen die ten doel heeft een gebrekkige werking of materiële schade te herstellen zodat de oorspronkelijke functie ervan wordt hersteld, of ervoor te zorgen dat de goederen aan de technische voorschriften voor gebruik ervan voldoen, zonder welke handeling de goederen niet meer op de normale wijze kunnen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn bestemd. De reparatie van goederen omvat het herstel en onderhoud, maar omvat geen bewerkingen of processen waardoor:
  • i. de wezenlijke kenmerken van een goed teniet worden gedaan, of een nieuw of commercieel verschillend goed ontstaat;
  • ii. een onafgewerkt goed in een afgewerkt goed wordt getransformeerd; of
  • iii. de technische prestaties van een goed worden verbeterd of vergroot;
  • h. „afbouwcategorie”: de termijn voor de afschaffing van douanerechten, variërend van nul tot zeven jaar, waarna een goed vrij van douanerechten is, tenzij anders bepaald in de lijsten in bijlage 9.
Artikel 9.4. Nationale behandeling op gebied van interne belastingen en regelgeving

Elke Partij behandelt goederen van de andere Partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Daartoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij daar integrerend deel van uit.

Artikel 9.5. Verlaging of afschaffing van douanerechten
1.

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, verlaagt elke Partij haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere Partij of schaft die af overeenkomstig haar lijst in bijlage 9.

2.

Voor de toepassing van lid 1 is het basistarief van de douanerechten het basistarief dat voor elk goed is vastgesteld in de lijsten in bijlage 9.

3.

Indien een Partij het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, dan geldt de lijst in bijlage 9 van die Partij voor de verlaagde rechten. Indien een Partij het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt tot een tarief dat lager is dan is dan het basistarief voor een bepaalde tariefpost, berekent die Partij het toegepaste preferentiële tarief door de tariefverlaging toe te passen op het verlaagde toegepaste meestbegunstigingsrecht, waarbij zij de relatieve preferentiemarge voor die specifieke tariefpost aanhoudt zolang het toegepaste meestbegunstigingsrecht lager is dan het basistarief. De relatieve preferentiemarge voor een specifieke tariefpost in elke afbouwperiode komt overeen met het verschil tussen het basistarief zoals vastgesteld in de lijst in bijlage 9 van die Partij en het toegepaste recht voor die tariefpost volgens die lijst, gedeeld door dat basistarief en uitgedrukt als percentage.

4.

De Partijen plegen op verzoek van een Partij overleg om te bezien of de in de lijsten in bijlage 9 vastgestelde douanerechten versneld kunnen worden verlaagd of afgeschaft. De Gezamenlijke Raad kan, gelet op dat overleg, een besluit vaststellen om bijlage 9 te wijzigen om de verlaging of afschaffing van dat tarief te versnellen.

Artikel 9.6. Standstill
1.

Tenzij in dit deel van deze overeenkomst anders is bepaald, mag een Partij douanerechten die in bijlage 9 als basisrecht zijn vastgesteld, niet verhogen en mag zij evenmin nieuwe douanerechten vaststellen voor goederen van oorsprong uit de andere Partij.

2.

Voor meer zekerheid mag een Partij een douanerecht na een eenzijdige verlaging verhogen tot het niveau dat in bijlage 9 is vastgesteld voor de respectieve afbouwperiode.

Artikel 9.7. Uitvoerrechten, uitvoerbelastingen en andere uitvoerheffingen
1.

Een Partij mag geen rechten, belastingen of andere heffingen van welke aard ook ter zake van of in verband met de uitvoer van een goed naar de andere Partij invoeren of handhaven, en evenmin interne belastingen of andere heffingen op goederen die naar de andere Partij worden uitgevoerd die hoger zijn dan de belasting of heffing die op soortgelijke voor binnenlands verbruik bestemde goederen zou worden geheven.

2.

Niets in dit artikel belet een Partij om bij de uitvoer van een goed een retributie of heffing op te leggen die op grond van artikel 9.8 is toegestaan.

Artikel 9.8. Retributies en formaliteiten
1.

Retributies en andere heffingen die door een Partij worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer van een goed van de andere Partij blijven beperkt tot het bedrag bij benadering van de kosten van de verleende diensten, en mogen geen indirecte bescherming van binnenlandse goederen of belasting op de in- of uitvoer voor fiscale doeleinden beogen.

2.

Een Partij mag geen retributies of andere heffingen ter zake van of in verband met de in- of uitvoer op een ad-valorembasis opleggen.

3.

Elke Partij kan slechts heffingen opleggen of kosten in rekening brengen voor specifieke diensten, waaronder:

  • a. de aanwezigheid, op verzoek, van douanepersoneel buiten de officiële kantooruren of op een andere plaats dan op een douanekantoor;
  • b. analyses of deskundigenverslagen van goederen en portokosten voor het retourneren van goederen aan een aanvrager, met name bij besluiten betreffende bindende inlichtingen of het verstrekken van inlichtingen over de toepassing van de douanewetgeving;
  • c. het onderzoek of de monsterneming van goederen voor controledoeleinden, of de vernietiging van goederen, indien andere kosten dan die voor de inzet van douanepersoneel zijn gemaakt; of
  • d. uitzonderlijke controlemaatregelen, indien de aard van de goederen of een potentieel risico dergelijke maatregelen vereisen.
4.

Elke Partij maakt onverwijld alle retributies en heffingen die zij in verband met de invoer of de uitvoer aanrekent, bekend op zodanige wijze dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen.

5.

Een Partij legt in verband met de invoer van goederen van de andere Partij geen consulaire formaliteiten, waaronder retributies en heffingen, op.

Artikel 9.9. Gerepareerde goederen
1.

Een Partij past geen douanerecht toe op goederen die, ongeacht de oorsprong ervan, het douanegebied van de Partij opnieuw binnenkomen nadat die goederen tijdelijk uit haar douanegebied naar het douanegebied van de andere Partij zijn uitgevoerd voor reparatie.

2.

Lid 1 is niet van toepassing op goederen die in een douane-entrepot, in vrijhandelszones of met een soortgelijke status zijn ingevoerd, vervolgens worden uitgevoerd ter reparatie en niet opnieuw worden ingevoerd in een douane-entrepot, in vrijhandelszones of met een soortgelijke status.

3.

Een Partij past geen douanerechten toe op goederen, ongeacht de oorsprong ervan, die ter reparatie tijdelijk uit het douanegebied van de andere Partij worden ingevoerd9)In de EU-partij wordt voor de toepassing van dit lid de regeling actieve veredeling als bedoeld in Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB EU L 269 van 10.10.2013, blz. 1) gebruikt..

Artikel 9.10. Gereviseerde goederen
1.

Tenzij in dit deel van deze overeenkomst anders is bepaald, kent een Partij aan gereviseerde goederen van de andere Partij geen minder gunstige behandeling toe dan zij aan soortgelijke nieuwe goederen toekent.

2.

Voor alle duidelijkheid is artikel 9.11 van toepassing op invoer- en uitvoerverboden of invoer- en uitvoerbeperkingen met betrekking tot gereviseerde goederen. Indien een Partij invoer- en uitvoerverboden of invoer- en uitvoerbeperkingen invoert of handhaaft met betrekking tot gebruikte goederen, past zij die maatregelen niet toe op gereviseerde goederen.

3.

Een Partij kan eisen dat gereviseerde goederen als zodanig worden geïdentificeerd voor distributie of verkoop op haar grondgebied en dat zij voldoen aan alle toepasselijke technische voorschriften die van toepassing zijn op soortgelijke nieuwe goederen.

Artikel 9.11. In- en uitvoerbeperkingen

Daartoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in dit deel van deze overeenkomst opgenomen en maken zij daarvan integrerend deel van uit. Een Partij voert dienovereenkomstig geen verboden of beperkingen in en handhaaft die evenmin ter zake van de invoer van een goed van de andere Partij of van de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere Partij is bestemd, tenzij dat in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij.

Artikel 9.12. Oorsprongsaanduiding

Indien Chili voorschriften betreffende de verplichte aanduiding van het land van oorsprong op goederen van de EU-Partij toepast, kan het Gemengd comité besluiten dat met de aanduiding „Made in EU” of een soortgelijke aanduiding in de plaatselijke taal aan die voorschriften wordt voldaan bij invoer naar Chili. Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van elke Partij om te preciseren voor welk soort producten de verplichte aanduiding van het land van oorsprong geldt. Hoofdstuk 10 is niet van toepassing op dit artikel.

Artikel 9.13. Invoervergunningsprocedures
1.

Elke Partij ziet erop toe dat alle invoervergunningsprocedures die van toepassing zijn op de handel in goederen tussen de Partijen, wat de toepassing ervan betreft neutraal zijn en op een eerlijke, billijke, niet-discriminerende en transparante wijze worden beheerd.

2.

Invoervergunningsprocedures worden door een Partij alleen ingesteld of gehandhaafd als voorwaarde voor invoer in haar grondgebied uit het grondgebied van de andere Partij, als er voor het bereiken van een administratief doel redelijkerwijs geen andere passende procedure beschikbaar zijn.

3.

Een Partij stelt geen niet-automatische invoervergunningsprocedures in en handhaaft die evenmin als voorwaarde voor invoer in haar grondgebied uit het grondgebied van de andere Partij, tenzij dat noodzakelijk is voor de uitvoering van een maatregel die strookt met dit deel van deze overeenkomst. Een Partij die een dergelijke niet-automatische invoervergunningsprocedure vaststelt, vermeldt aan de andere Partij duidelijk de maatregel die met die procedure ten uitvoer wordt gelegd.

4.

Elke Partij stelt invoervergunningsprocedures vast en beheert die in overeenstemming met de artikelen 1 tot en met 3 van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen. Daartoe worden de artikelen 1, 2 en 3 van die overeenkomst mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel daarvan uit.

5.

Een Partij die nieuwe invoervergunningsprocedures of wijzigingen van bestaande invoervergunningsprocedures vaststelt, stelt de andere Partij daarvan in kennis binnen 60 dagen na de bekendmaking van die nieuwe invoervergunningsprocedures of wijzigingen van bestaande invoervergunningsprocedures. De kennisgeving bevat de inlichtingen die worden genoemd in lid 3 van dit artikel en in artikel 5, lid 2, van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen. Een Partij wordt geacht aan deze bepaling te voldoen indien zij de Commissie invoervergunningen overeenkomstig artikel 4 van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen in kennis heeft gesteld van de desbetreffende nieuwe invoervergunningsprocedure of van een wijziging van een bestaande invoervergunningsprocedure, met inbegrip van de in artikel 5, lid 2, van die overeenkomst bedoelde inlichtingen.

6.

Op verzoek van een Partij verstrekt de andere Partij onverwijld alle relevante informatie, waaronder de in artikel 5, lid 2, van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen bedoelde inlichtingen, met betrekking tot elke invoervergunningsprocedure die zij voornemens is vast te stellen, die zij heeft vastgesteld of die zij handhaaft en elke wijziging van een bestaande invoervergunningsprocedure.

Artikel 9.14. Uitvoervergunningsprocedures
1.

Elke Partij maakt nieuwe uitvoervergunningsprocedures of enige wijziging van een bestaande uitvoervergunningsprocedure op zodanige wijze bekend dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen. Die bekendmaking vindt, voor zover uitvoerbaar, plaats 30 dagen voordat de procedure of wijziging van kracht wordt, en in elk geval uiterlijk op de datum waarop de procedure of wijziging van kracht wordt.

2.

Elke Partij zorgt ervoor dat de bekendmaking van uitvoervergunningsprocedures de volgende informatie omvat:

  • a. de tekst van haar uitvoervergunningsprocedures of van de wijzigingen die zij in die procedures aanbrengt;
  • b. de goederen waarop elke uitvoervergunningsprocedure betrekking heeft;
  • c. voor elke uitvoervergunningsprocedure, een beschrijving van de procedure voor het aanvragen van een uitvoervergunning en alle criteria waaraan een aanvrager moet voldoen om een uitvoervergunning te kunnen aanvragen, zoals het bezitten van een activiteitenvergunning, het opzetten of handhaven van een investering of het actief zijn via een bepaalde vorm van vestiging op het grondgebied van een Partij;
  • d. een of meer contactpunten waar belanghebbenden nadere inlichtingen kunnen verkrijgen over de voorwaarden voor het verkrijgen van een uitvoervergunning;
  • e. het administratieve orgaan of de administratieve organen waarbij een aanvraag of andere relevante documenten moeten worden ingediend;
  • f. een beschrijving van alle maatregelen waaraan de uitvoervergunningsprocedure uitvoering beoogt te geven;
  • g. de periode waarin elke uitvoervergunningsprocedure van kracht zal zijn, tenzij de procedure van kracht blijft tot de intrekking of herziening ervan in een nieuwe bekendmaking;
  • h. als de Partij voornemens is van een uitvoervergunningsprocedure gebruik te maken voor het beheer van een uitvoercontingent, de totale omvang, en indien van toepassing, de waarde van het contingent alsook de openings- en sluitingsdata van het contingent; en
  • i. alle vrijstellingen of uitzonderingen die in de plaats komen van het vereiste een uitvoervergunning te verkrijgen, informatie over hoe die vrijstellingen of uitzonderingen kunnen worden aangevraagd of gebruikt, en de criteria voor het verlenen of toekennen ervan.
3.

Binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst stelt elke Partij de andere Partij in kennis van haar bestaande uitvoervergunningsprocedures. Een Partij die nieuwe uitvoervergunningsprocedures of bestaande uitvoervergunningsprocedures wijzigt, stelt de andere Partij daarvan in kennis binnen 60 dagen na de bekendmaking van die nieuwe uitvoervergunningsprocedures of wijzigingen van bestaande uitvoervergunningsprocedures. De kennisgeving omvat een verwijzing naar de bron of bronnen waar de op grond van lid 2 vereiste informatie wordt bekendgemaakt en, indien van toepassing, het adres van de desbetreffende overheidswebsite(s).

4.

Voor alle duidelijkheid, niets in dit artikel wordt zodanig uitgelegd dat een Partij ertoe verplicht is een uitvoervergunning te verlenen of belet wordt haar verplichtingen of verbintenissen uit hoofde van resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of uit hoofde van multilaterale regelingen inzake non-proliferatie- en uitvoercontrole na te komen.

Artikel 9.15. Douanewaarde

Elke Partij bepaalt de douanewaarde van de goederen van de andere Partij die op haar grondgebied worden ingevoerd overeenkomstig artikel VII van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake de douanewaarde. Daartoe worden artikel VII van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, en de artikelen 1 tot en met 17 van de Overeenkomst inzake de douanewaarde, met inbegrip van de aantekeningen daarop, mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel daarvan uit.

Artikel 9.16. Preferentiegebruik
1.

In het kader van het toezicht op de werking van dit deel van deze overeenkomst en de berekening van het preferentiegebruik wisselen de Partijen jaarlijks invoerstatistieken uit voor een periode die één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst aanvangt en loopt tot tien jaar nadat de tariefafschaffing voor alle goederen is voltooid overeenkomstig de lijsten in bijlage 9. Tenzij het Gemengd Comité anders besluit, wordt die periode automatisch met vijf jaar verlengd. Het Gemengd Comité kan besluiten de termijn verder te verlengen.

2.

De in lid 1 bedoelde uitwisseling van invoerstatistieken heeft betrekking op gegevens over het meest recente beschikbare jaar, met inbegrip van de waarde en, indien van toepassing, het volume, op het niveau van de tariefpost, voor de invoer van goederen van de andere Partij waaraan in het kader van dit deel van deze overeenkomst een preferentiële-rechtenbehandeling wordt toegekend en voor invoer van die goederen waaraan geen preferentiële behandeling werd toegekend.

Artikel 9.17. Specifieke maatregelen met betrekking tot beheer van preferentiële behandeling
1.

De Partijen werken samen bij het voorkomen, opsporen en bestrijden van inbreuken op de douanewetgeving betreffende de preferentiële behandeling die uit hoofde van dit hoofdstuk wordt toegekend overeenkomstig hun verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk 10 (Oorsprongsregels) en het Protocol inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken bij deze overeenkomst.

2.

Een Partij kan, overeenkomstig de in lid 3 vastgestelde procedure, de desbetreffende preferentiële behandeling tijdelijk schorsen wanneer die Partij op basis van objectieve, dwingende en verifieerbare informatie tot de bevinding is gekomen dat de andere Partij systematische en grootschalige inbreuken op de douanewetgeving heeft gemaakt om de uit hoofde van dit hoofdstuk bedoelde preferentiële behandeling te verkrijgen, en tot de bevinding is gekomen dat:

  • a. de andere Partij systematisch ontoereikend of ondeugdelijk heeft gehandeld bij de verificatie van de oorsprong van goederen en de naleving van de andere verplichtingen in het kader van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken bij deze overeenkomst, of bij vaststelling of voorkoming van overtredingen van de oorsprongsregels;
  • b. de andere Partij systematisch weigert om op verzoek van de Partij controles achteraf van het bewijs van de oorsprong te verrichten of de resultaten daarvan tijdig mede te delen, of systematisch met onnodige vertraging een dergelijke controle verricht of de resultaten meedeelt; of
  • c. de andere Partij systematisch weigert of nalaat om samen te werken of medewerking te verlenen ter nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken bij deze overeenkomst, in verband met de preferentiële behandeling.
3.

De Partij die tot de in lid 2 bedoelde bevinding is gekomen, stelt het Gemengd Comité daarvan zonder onnodige vertraging in kennis en treedt in het kader van het Gemengd comité met de andere Partij in overleg om tot een oplossing te komen die aanvaardbaar is voor beide Partijen.

Indien de Partijen binnen drie maanden na de datum van kennisgeving geen overeenstemming bereiken over een wederzijds aanvaardbare oplossing, kan de Partij die tot de bevinding is gekomen, besluiten de desbetreffende preferentiële behandeling van de betrokken goederen tijdelijk te schorsen. Die Partij stelt het Gemengd Comité zonder onnodige vertraging in kennis van die tijdelijke schorsing.

Tijdelijke schorsingen gelden slechts voor de periode die nodig is om de financiële belangen van de betrokken Partij te beschermen, en niet langer dan zes maanden. Indien echter de omstandigheden die tot de aanvankelijke schorsing aanleiding gaven ook na het verstrijken van de termijn van zes maanden voortduren, kan de betrokken Partij besluiten de schorsing te verlengen. Elke tijdelijke schorsing is het voorwerp van periodiek overleg binnen het Gemengd Comité.

4.

Elke Partij maakt overeenkomstig haar interne procedures berichten aan importeurs betreffende kennisgevingen of besluiten met betrekking tot de in lid 3 bedoelde tijdelijke schorsingen bekend.

Artikel 9.18. Subcomité voor de handel in goederen

Het op grond van artikel 8.8, lid 1, ingestelde Subcomité voor de handel in goederen heeft tot taak:

  • a. toezicht te houden op de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk en bijlage 9;
  • b. de handel in goederen tussen de Partijen te bevorderen, onder meer via overleg over de verbetering van de tariefbehandeling in verband met markttoegang op grond van artikel 9.5, lid 4, en over andere kwesties, waar passend;
  • c. een forum te bieden om problemen in verband met dit hoofdstuk te bespreken en op te lossen;
  • d. belemmeringen voor de handel in goederen tussen de Partijen onverwijld aan te pakken, met name wanneer zij verband houden met de toepassing van niet-tarifaire maatregelen, en die kwesties zo nodig ter beoordeling voor te leggen aan het Gemengd Comité;
  • e. de Partijen aanbevelingen te doen over wijzigingen van of toevoegingen aan dit hoofdstuk;
  • f. de uitwisseling van gegevens voor preferentiegebruik of enige andere uitwisseling van informatie inzake de handel in goederen tussen de Partijen te coördineren;
  • g. alle toekomstige wijzigingen van het geharmoniseerd systeem te herzien om ervoor te zorgen dat de verplichtingen van elke Partij uit hoofde van dit deel van deze overeenkomst niet worden gewijzigd, en overleg te plegen om alle geschillen in dat verband op te lossen;
  • h. de in artikel 15.17 beschreven taken te vervullen.

HOOFDSTUK 10. OORSPRONGSREGELS EN OORSPRONGSPROCEDURES

AFDELING A. OORSPRONGSREGELS

Artikel 10.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en bijlagen 10-A tot en met 10-E:

  • a. „indeling”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaald hoofdstuk, onder een bepaalde post of postonderverdeling van het geharmoniseerd systeem;
  • b. „zending”: producten die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument voor de verzending van de exporteur naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;
  • c. „douaneautoriteit”:
  • i. voor Chili, de Nationale Douanedienst; en
  • ii. voor de EU-Partij, de voor douanezaken bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douanediensten alsook alle andere autoriteiten in de lidstaten die belast zijn met de toepassing en de handhaving van de douanewetgeving;
  • d. „exporteur”: een in een Partij gevestigde persoon die overeenkomstig de wet- en regelgeving van die Partij het product van oorsprong uitvoert of produceert en een attest van oorsprong opstelt;
  • e. „identieke producten”: producten die in elk opzicht overeenstemmen met de in de productomschrijving omschreven producten; de productomschrijving op het handelsdocument dat is gebruikt om een attest van oorsprong op te stellen voor meerdere zendingen moet nauwkeurig genoeg zijn om dat product duidelijk te identificeren, en ook om identieke producten die vervolgens op basis van dat attest worden ingevoerd, duidelijk te identificeren;
  • f. „importeur”: een persoon die het product van oorsprong invoert en daarvoor om preferentiële tariefbehandeling verzoekt;
  • g. „materiaal”: elke stof die wordt gebruikt bij de productie van een product, met inbegrip van alle ingrediënten, grondstoffen, bestanddelen of onderdelen;
  • h. „product”: het resultaat van productie, zelfs indien het is bedoeld om later als materiaal voor de productie van een ander product te worden gebruikt; en
  • i. „productie”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage.
Artikel 10.2. Algemene vereisten
1.

Voor de toepassing door een Partij van de preferentiële tariefbehandeling op een goed van oorsprong van de andere Partij overeenkomstig dit deel van deze overeenkomst, worden de volgende producten, op voorwaarde dat zij voldoen aan alle andere toepasselijke vereisten van dit hoofdstuk, beschouwd als van oorsprong uit de andere Partij:

  • a. volledig in die Partij verkregen producten zoals bedoeld in artikel 10.4;
  • b. uitsluitend uit materialen van oorsprong uit die Partij geproduceerde producten; en
  • c. in die Partij vervaardigde producten waarin niet van oorsprong zijnde materialen zijn gebruikt, voor zover zij voldoen aan de eisen van bijlage 10-B.
2.

Als een product overeenkomstig lid 1 de oorsprongsstatus heeft verkregen, worden de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt bij de productie van dat product niet als niet van oorsprong beschouwd wanneer dat product als materiaal in een ander product wordt verwerkt.

3.

De verkrijging van de oorsprongsstatus wordt zonder onderbreking afgehandeld op het grondgebied van een Partij.

Artikel 10.3. Cumulatie van de oorsprong
1.

Een product van oorsprong uit een Partij wordt beschouwd als van oorsprong uit de andere Partij wanneer het als materiaal bij de productie van een ander product in die andere Partij wordt gebruikt, voor zover de uitgevoerde be- of verwerking ingrijpender is dan een of meer van de in artikel 10.6 genoemde behandelingen.

2.

Materialen die zijn ingedeeld in hoofdstuk 3 van het geharmoniseerd systeem en die van oorsprong zijn uit de in lid 4, punt b), genoemde landen en worden gebruikt bij de productie van onder de onderverdeling 1604.14 van het geharmoniseerd systeem ingedeelde tonijnconserven, kunnen als van oorsprong uit een Partij worden beschouwd mits aan de voorwaarden van lid 3, punten a) tot en met e), is voldaan en die Partij een kennisgeving voor toetsing door het in artikel 10.31 bedoelde subcomité doet.

3.

Het Gemengd Comité kan, op aanbeveling van het in artikel 10.31 bedoelde subcomité, besluiten dat bepaalde materialen van oorsprong uit de in lid 4 van dit artikel bedoelde derde landen10)Ter informatie: „derde land” is gedefinieerd in artikel 1.3, punt c). als van oorsprong uit een Partij worden beschouwd indien zij worden gebruikt bij de productie van een product in die Partij, mits:

  • a. elke Partij een geldende handelsovereenkomst heeft waarbij een vrijhandelsruimte met dat derde land is ingesteld overeenkomstig artikel XXIV van de GATT 1994;
  • b. de oorsprong van de in dit lid bedoelde materialen wordt bepaald in overeenstemming met de oorsprongsregels die van toepassing zijn in het kader van:
  • i. de handelsovereenkomst van de EU-Partij waarbij een vrijhandelsruimte met dat derde land is ingesteld, indien het betrokken materiaal wordt gebruikt voor de productie van een product in Chili; en
  • ii. de handelsovereenkomst van Chili waarbij een vrijhandelsruimte met dat derde land is ingesteld, indien het betrokken materiaal wordt gebruikt voor de productie van een product in de EU-Partij;
  • c. tussen die Partij en dat derde land een regeling inzake adequate administratieve douanesamenwerking van kracht is die de volledige uitvoering van dit hoofdstuk waarborgt, met inbegrip van de bepalingen inzake het gebruik van passende documenten betreffende de oorsprong van materialen, en die Partij de andere Partij in kennis stelt van die regeling;
  • d. de in die Partij uitgevoerde productie of verwerking van de materialen ingrijpender is dan een of meer van de in artikel 10.6 genoemde behandelingen; en
  • e. de Partijen het eens zijn over de overige toepasselijke voorwaarden.
4.

De in lid 3 bedoelde derde landen zijn:

  • a. de Midden-Amerikaanse landen Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Panama; en
  • b. de Andeslanden Colombia, Ecuador en Peru.
Artikel 10.4. Geheel en al verkregen producten
1.

De volgende producten worden beschouwd als volledig in een Partij verkregen:

  • a. aldaar gekweekte of geoogste planten en producten van het plantenrijk;
  • b. aldaar geboren en gehouden levende dieren;
  • c. producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;
  • d. aldaar, maar niet buiten de uiterste grenzen van de territoriale wateren van die Partij, door jacht, vangst met vallen en strikken, bevissing, verzamelen of vangen verkregen producten;
  • e. producten afkomstig van aldaar geboren en opgefokte geslachte dieren;
  • f. producten afkomstig van aquacultuur aldaar, indien aquatische organismen, met inbegrip van vis, weekdieren, schaaldieren, andere ongewervelde waterdieren en waterplanten zijn geboren of opgefokt uit uitgangsmateriaal zoals eieren, hom en kuit, visbroed, pootvis of larven, door ingrepen in het kweek- en groeiproces teneinde de productie te vergroten, zoals het uitzetten, voeren, of beschermen tegen predatoren;
  • g. aldaar ontgonnen of gewonnen minerale of andere van nature voorkomende stoffen, niet vallende in punten a) tot en met f), betreft;
  • h. producten van de zeevisserij en andere buiten een territoriale zee door een vaartuig van die Partij uit de zee gewonnen producten;
  • i. producten die, uitsluitend uit de in punt h) bedoelde producten, aan boord van een fabrieksschip van die Partij zijn vervaardigd;
  • j. producten die buiten een territoriale zee door een Partij of een persoon van een Partij uit de zeebodem of ondergrond zijn gewonnen, op voorwaarde dat die Partij of die persoon van die Partij het recht heeft die zeebodem of ondergrond te bewerken;
  • k. resten of afval van productie aldaar of van gebruikte producten aldaar verzameld, voor zover die producten alleen nog voor de terugwinning van grondstoffen kunnen worden gebruikt; en
  • l. producten die aldaar uitsluitend uit de in punten a) tot en met k) bedoelde producten zijn vervaardigd.
2.

Onder „vaartuig van een Partij” respectievelijk „fabrieksschip van een Partij” in lid 1, punten h) en i), wordt verstaan een vaartuig respectievelijk fabrieksschip dat:

  • a. in een lidstaat of in Chili is geregistreerd;
  • b. onder de vlag van een lidstaat of van Chili vaart; en
  • c. aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  • i. het is voor meer dan 50 % eigendom van natuurlijke personen van een lidstaat of van Chili; of
  • ii. het is eigendom van rechtspersonen die:
  • A. hun hoofdkantoor en hun belangrijkste economische activiteit in een lidstaat of in Chili hebben; en
  • B. voor meer dan 50 % eigendom zijn van personen van een van die Partijen.
Artikel 10.5. Toleranties
1.

Wanneer een bij de productie van een product gebruikt niet van oorsprong zijnd materiaal niet aan de vereisten van bijlage 10-B voldoet, wordt dat product als van oorsprong uit een Partij beschouwd, op voorwaarde dat:

  • a. voor alle producten11)Hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerd systeem, in overeenstemming met bijlage 10-A, aantekening 9. met uitzondering van onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem ingedeelde producten, de totale waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen niet hoger is dan 10 % van de prijs af fabriek van het product;
  • b. voor onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem ingedeelde producten de in de aantekeningen 6 tot en met 8 bij bijlage 10-A bepaalde toleranties van toepassing zijn.
2.

Lid 1 is niet van toepassing wanneer de waarde of het gewicht van de bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen hoger is dan een van de in bijlage 10-B voorgeschreven percentages voor de maximumwaarde of het maximumgewicht van niet van oorsprong zijnde materialen.

3.

Lid 1 is niet van toepassing op volledig in een Partij verkregen producten in de zin van artikel 10.4. Indien het op grond van bijlage 10-B is vereist dat de bij de productie van een product gebruikte materialen volledig zijn verkregen, zijn de leden 1 en 2 van dit artikel van toepassing.

Artikel 10.6. Ontoereikende be- of verwerking
1.

Niettegenstaande artikel 10.2, lid 1, punt c), wordt een product niet als van oorsprong uit een Partij beschouwd indien slechts een of meer van de volgende behandelingen in die Partij worden uitgevoerd ten aanzien van niet van oorsprong zijnde materialen:

  • a. behandelingen zoals drogen, invriezen, pekelen en andere soortgelijke behandelingen, indien zij uitsluitend bedoeld zijn om producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;
  • b. splitsen en samenvoegen van colli;
  • c. het wassen, het schoonmaken, het stofvrij maken of het verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;
  • d. het strijken of persen van textielstoffen en textielwaren;
  • e. eenvoudig schilderen en polijsten;
  • f. ontvliezen of doppen en geheel of gedeeltelijk vermalen van rijst; polijsten en glanzen van granen en rijst;
  • g. het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker in vaste vorm;
  • h. het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;
  • i. aanscherpen, eenvoudig vermalen of versnijden;
  • j. zeven, sorteren, classificeren of assorteren;
  • k. eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;
  • l. aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;
  • m. het eenvoudig mengen van producten, ook indien van verschillende soorten, met inbegrip van het mengen van suiker met andere stoffen;
  • n. eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel en het uit elkaar nemen van producten;
  • o. eenvoudig toevoegen van water of verdunnen, drogen of denatureren van producten; of
  • p. slachten van dieren.
2.

Voor de toepassing van lid 1 wordt een behandeling als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden of speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, of toestellen of uitrustingsstukken nodig zijn.

Artikel 10.7. Determinerende eenheid
1.

De voor de toepassing van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij de indeling van het product in het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

2.

Indien een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld, is dit hoofdstuk op elk van die producten op zich beschouwd van toepassing.

Artikel 10.8. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen
1.

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

2.

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen als bedoeld in lid 1, worden bij het bepalen van de oorsprong van het product buiten beschouwing gelaten, behalve wat de berekening van de maximumwaarde van de niet van oorsprong zijnde materialen betreft indien voor een product een maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen als vastgesteld in bijlage 10-B van toepassing is.

Artikel 10.9. Stellen en assortimenten

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem worden als van oorsprong uit een Partij beschouwd wanneer alle samenstellende delen ervan van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong uit een Partij beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn, niet hoger is dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment.

Artikel 10.10. Neutrale elementen

Om te bepalen of een product kan worden beschouwd als oorsprong is uit een Partij, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de volgende mogelijk bij de vervaardiging van het product gebruikte elementen:

  • a. brandstof, energie, katalysatoren en oplosmiddelen;
  • b. apparatuur, benodigdheden en materieel dat wordt gebruikt voor het testen of inspecteren van de producten;
  • c. machines, werktuigen, matrijzen en gietvormen;
  • d. vervangingsonderdelen en materialen voor het onderhoud van materieel en gebouwen;
  • e. smeermiddelen, vetten, samenstellende materialen en andere materialen die worden gebruikt bij de productie of om materieel en gebouwen te laten functioneren;
  • f. handschoenen, brillen, schoeisel, kleding, veiligheidsuitrusting en benodigdheden;
  • g. alle andere materialen die niet in het product zijn verwerkt, maar waarvan kan worden aangetoond dat het gebruik een onderdeel van de productie van het product is.
Artikel 10.11. Verpakking en verpakkingsmiddelen
1.

Indien verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor detailhandelsverkoop uit hoofde van algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem samen met het product zijn ingedeeld, worden zij bij het bepalen van de oorsprong van het product buiten beschouwing gelaten, behalve wat de berekening van de maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen betreft indien voor het product een maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen als vastgesteld in bijlage 10-B geldt.

2.

Bij de bepaling of een product van oorsprong is uit een Partij wordt geen rekening gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen die worden gebruikt ter bescherming van een product tijdens het vervoer.

Artikel 10.12. Gescheiden boekhouding voor onderling vervangbare materialen
1.

Van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare materialen worden tijdens de opslag fysiek gescheiden met het oog op het behoud van hun status van „van oorsprong zijnde” en „niet van oorsprong zijnde”, naargelang het geval. Die materialen mogen bij de productie van een product worden gebruikt zonder tijdens de opslag fysiek te worden gescheiden, op voorwaarde dat een methode van gescheiden boekhouding wordt gebruikt.

2.

De in lid 1 bedoelde methode van gescheiden boekhouding wordt in overeenstemming met een voorraadbeheersysteem toegepast uit hoofde van in de Partij algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen. De methode van gescheiden boekhouding moet ervoor zorgen dat te allen tijde kan worden vastgesteld dat de hoeveelheid producten die als van oorsprong uit een Partij kan worden beschouwd, niet groter is dan de hoeveelheid die zou zijn verkregen bij een fysieke scheiding van de voorraden.

3.

Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „onderling vervangbare materialen” verstaan: materialen van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysieke kenmerken, waartussen geen onderscheid mogelijk is zodra zij in het eindproduct zijn verwerkt.

Artikel 10.13. Geretourneerde producten

Wanneer een uit een Partij naar een derde land uitgevoerd product van oorsprong uit die Partij naar die Partij wordt geretourneerd, wordt het als niet van oorsprong zijnde beschouwd, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteit van die Partij kan worden aangetoond dat het geretourneerde product:

  • a. hetzelfde is als het uitgevoerde product; en
  • b. terwijl het zich in het derde land bevond of toen het werd uitgevoerd, geen andere behandelingen heeft ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren.
Artikel 10.14. Niet-wijziging
1.

Een voor binnenlands gebruik in de invoerende Partij aangegeven product van oorsprong mag, nadat het is uitgevoerd en voordat het voor binnenlands gebruik wordt aangegeven, op geen enkele manier worden gewijzigd of getransformeerd en evenmin andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk zijn om het in goede staat te bewaren of om merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te waarborgen dat aan de specifieke interne vereisten van de invoerende Partij wordt voldaan, toe te voegen of aan te brengen.

2.

Een product mag in een derde land worden opgeslagen of tentoongesteld, op voorwaarde dat het in dat derde land onder douanetoezicht blijft.

3.

Onverminderd het bepaalde in afdeling B kunnen zendingen op het grondgebied van een derde land worden gesplitst wanneer dat door de exporteur of onder zijn verantwoordelijkheid geschiedt en op voorwaarde dat de zendingen in het derde land onder douanetoezicht blijven.

4.

In geval van twijfel over de vraag of aan de voorwaarden van de leden 1 tot en met 3 wordt voldaan, kan de douaneautoriteit van de invoerende Partij de importeur verzoeken te bewijzen dat hij aan die voorwaarden voldoet. Dat bewijs kan met alle middelen worden geleverd, onder meer aan de hand van vervoersovereenkomsten zoals cognossementen of feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals de merktekens of nummering van de colli, of ander bewijsmateriaal betreffende het product zelf.

Artikel 10.15. Tentoonstellingen
1.

Op producten van oorsprong die voor een tentoonstelling naar een derde land zijn verzonden en die na de tentoonstelling voor invoer in een Partij zijn verkocht, zijn bij die invoer de bepalingen van dit deel van deze overeenkomst van toepassing voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

  • a. een exporteur die producten vanuit een Partij naar het derde land van de tentoonstelling heeft verzonden en die daar heeft tentoongesteld;
  • b. de exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze heeft afgestaan aan een geadresseerde in een van de Partijen;
  • c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan, zijn verzonden; en
  • d. de producten sinds hun verzending naar de tentoonstelling niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
2.

Er moet een attest van oorsprong worden opgesteld overeenkomstig afdeling B, dat overeenkomstig de douaneprocedure van de invoerende Partij bij de douaneautoriteiten moet worden ingediend. Op dat bewijs moeten de naam en het adres van de tentoonstelling zijn vermeld.

3.

Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht zijn gebleven.

4.

De douaneautoriteiten van de invoerende Partij kunnen een bewijs verlangen waaruit blijkt dat de producten in het land van de tentoonstelling onder douanecontrole zijn gebleven, alsook aanvullende bewijsstukken met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij zijn tentoongesteld.

AFDELING B. OORSPRONGSPROCEDURES

Artikel 10.16. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling
1.

De invoerende Partij kent een preferentiële tariefbehandeling toe aan een product van oorsprong uit de andere Partij in de zin van dit hoofdstuk, op grond van een verzoek van de importeur om preferentiële tariefbehandeling. De importeur is verantwoordelijk voor de juistheid van het verzoek om preferentiële tariefbehandeling en voor de naleving van de vereisten van dit hoofdstuk.

2.

Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt gedaan op basis van ofwel:

  • a. een door de exporteur overeenkomstig artikel 10.17 opgesteld attest van oorsprong;
  • b. de aan de importeur bekende informatie volgens de in artikel 10.19 vastgestelde voorwaarden.
3.

Het verzoek om preferentiële tariefbehandeling en de basis van dat verzoek als bedoeld in lid 2, worden opgenomen in de douaneaangifte, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de invoerende Partij.

4.

Een importeur die om een preferentiële behandeling verzoekt op basis van een attest van oorsprong als bedoeld in lid 2, punt a), bewaart het attest en verstrekt het desgevraagd aan de douaneautoriteit van de invoerende Partij.

Artikel 10.17. Attest van oorsprong
1.

Een exporteur van een product stelt, op basis van informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is, een attest van oorsprong op, in voorkomend geval met inbegrip van informatie over de oorsprongsstatus van de bij de productie van het product gebruikte materialen.

2.

De exporteur is verantwoordelijk voor de juistheid van het opgestelde attest van oorsprong en van de op grond van lid 1 verstrekte informatie. Indien de exporteur redenen heeft om aan te nemen dat het attest van oorsprong onjuiste informatie bevat of op dergelijke informatie is gebaseerd, stelt hij de importeur onmiddellijk in kennis van eventuele wijzigingen die van invloed zijn op de oorsprongsstatus van het product. In dat geval corrigeert de importeur de aangifte ten invoer en betaalt hij eventuele verschuldigde douanerechten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)