Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2023-12-13
State In force
Source BWB
artikelen 627
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • b. een algemene vrijwaringsmaatregel op grond van artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen toepassen.
Artikel 12.15. Ultraperifere gebieden15)Op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn de ultraperifere gebieden van de Europese Unie: Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique, Réunion, Mayotte, Saint-Martin, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. Dit artikel is eveneens van toepassing op een land of een overzees gebied waarvan de status overeenkomstig de procedure van artikel 355, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bij besluit van de Europese Raad vanaf de datum van vaststelling van dat besluit wordt gewijzigd in die van ultraperifeer gebied. Indien een ultraperifeer gebied van de Europese Unie volgens die procedure ophoudt een ultraperifeer gebied te zijn, houdt dit artikel vanaf de datum van het besluit van de Europese Raad daaromtrent op van toepassing te zijn op dat land of overzees gebied. De EU-Partij stelt Chili in kennis van elke wijziging met betrekking tot de gebieden die als ultraperifeer gebied van de Europese Unie worden beschouwd. van de Europese Unie
1.

Indien goederen van oorsprong uit Chili op het grondgebied van een of meer ultraperifere gebieden van de Europese Unie in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige voorwaarden worden ingevoerd dat de economische situatie van het betrokken ultraperifere gebied ernstig verslechtert of dreigt te verslechteren, kan de EU-Partij, na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, bij wijze van uitzondering bilaterale vrijwaringsmaatregelen toepassen die beperkt zijn tot het grondgebied van het betrokken gebied.

2.

Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „ernstige verslechtering” verstaan grote moeilijkheden in een economische bedrijfstak die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt. Een ernstige verslechtering wordt vastgesteld op basis van objectieve factoren, met inbegrip van de volgende:

  • a. de toename van het volume van de invoer in absolute termen of in verhouding tot de interne productie en tot de invoer uit andere bronnen; en
  • b. het effect van de in lid 1 bedoelde invoer op de situatie van de desbetreffende bedrijfstak of economische sector, met inbegrip van het effect op de verkoop, de productie, de financiële situatie en de werkgelegenheid.
3.

Onverminderd lid 1 zijn andere bepalingen van deze afdeling die van toepassing zijn op bilaterale vrijwaringsmaatregelen ook van toepassing op vrijwaringsmaatregelen die uit hoofde van dit artikel worden ingesteld. Verwijzingen naar „ernstige schade” in andere bepalingen van deze afdeling moeten worden begrepen als „ernstige verslechtering” wanneer zij worden toegepast in verband met ultraperifere gebieden van de Europese Unie.

ONDERAFDELING 2. PROCEDUREVOORSCHRIFTEN VOOR BILATERALE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 12.16. Toepasselijk recht

Voor de toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen leeft de bevoegde onderzoekende autoriteit de bepalingen van deze onderafdeling na. In gevallen die niet onder deze onderafdeling vallen, past de bevoegde onderzoekende autoriteit de uit hoofde van het recht van de Partij van die autoriteit vastgestelde voorschriften toe.

Artikel 12.17. Inleiding van een vrijwaringsprocedure
1.

Een bevoegde onderzoekende autoriteit kan een procedure met betrekking tot bilaterale vrijwaringsmaatregelen („vrijwaringsprocedure”) inleiden op schriftelijk verzoek16)Wat de EU-Partij betreft, kan dat verzoek door een of meer lidstaten worden ingediend namens de interne bedrijfstak. van of namens de interne bedrijfstak of, in uitzonderlijke omstandigheden, op eigen initiatief.

2.

Het verzoek wordt geacht door of namens de interne bedrijfstak te zijn gedaan indien het gesteund wordt door interne producenten wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van de soortgelijke of rechtstreeks concurrerende goederen die worden vervaardigd door dat deel van de interne bedrijfstak dat zich voor of tegen het verzoek heeft uitgesproken. Een bevoegde onderzoekende autoriteit opent daarentegen geen onderzoek wanneer de interne producenten die het verzoek uitdrukkelijk steunen minder dan 25 % vertegenwoordigen van de totale interne productie van de soortgelijke of rechtstreeks concurrerende goederen die worden vervaardigd door de interne bedrijfstak.

3.

Zodra een bevoegde onderzoekende autoriteit het onderzoek heeft geopend, wordt het in lid 1 bedoelde verzoek ter kennis gebracht van de belanghebbenden, met uitzondering van de daarin vervatte vertrouwelijke informatie.

4.

Bij de inleiding van een vrijwaringsprocedure maakt de bevoegde onderzoekende autoriteit een bericht van inleiding van de vrijwaringsprocedure bekend in het publicatieblad of staatsblad van de Partij. In het bericht wordt het volgende vermeld:

  • a. de entiteit die het schriftelijke verzoek heeft ingediend, indien van toepassing;
  • b. het ingevoerde goed waarop de vrijwaringsprocedure betrekking heeft;
  • c. de onderverdeling en het tariefpostnummer waaronder het ingevoerde goed is ingedeeld;
  • d. het soort voorgestelde maatregel dat zal worden toegepast;
  • e. de openbare hoorzitting op grond van artikel 12.20, punt a), of de termijn waarbinnen belanghebbenden een verzoek om te worden gehoord kunnen indienen op grond van 12.20, punt b);
  • f. de plaats waar het schriftelijke verzoek en eventuele andere in de loop van de procedure ingediende niet-vertrouwelijke documenten kunnen worden ingezien; en
  • g. de naam, het adres en het telefoonnummer van het bureau waarmee men voor nadere informatie contact kan opnemen.
5.

Met betrekking tot een vrijwaringsprocedure die naar aanleiding van een schriftelijk verzoek is ingeleid op grond van lid 1, maakt de bevoegde onderzoekende autoriteit het bericht van inleiding krachtens lid 4 pas bekend nadat zij zorgvuldig is nagegaan of het schriftelijk verzoek voldoet aan de vereisten van interne wetgeving en de vereisten van de leden 1 en 2, en redelijk bewijs bevat dat de invoer van een goed van oorsprong uit de andere Partij is toegenomen als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht uit hoofde van dit deel van deze overeenkomst, en dat die invoer de vermeende ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.

Artikel 12.18. Onderzoek
1.

Een Partij past een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts toe nadat haar bevoegde onderzoekende autoriteit een onderzoek heeft verricht overeenkomstig artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 2, punt c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Daartoe worden artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 2, punt c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel daarvan uit.

2.

In het kader van het in lid 1 bedoelde onderzoek voldoet de Partij aan artikel 4, lid 2, punt a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Daartoe wordt artikel 4, lid 2, punt a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maakt het integrerend deel daarvan uit.

3.

Indien een Partij op grond van lid 1 van dit artikel en artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen een kennisgeving doet dat zij een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast of verlengt, vermeldt zij in haar kennisgeving:

  • a. bewijs voor ernstige schade of dreiging daarvan, die wordt veroorzaakt door toegenomen invoer van een goed van oorsprong uit de andere Partij, als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht uit hoofde van dit deel van deze overeenkomst; uit het onderzoek moet op basis van objectief bewijsmateriaal blijken dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de toename van de invoer van het betrokken goed en de ernstige schade of de dreiging daarvan; andere bekende factoren dan de toename van de invoer moeten ook worden onderzocht om te voorkomen dat de door die andere factoren veroorzaakte ernstige schade of dreiging daarvan aan de toename van de invoer wordt toegeschreven;
  • b. een nauwkeurige omschrijving van het van oorsprong zijnde goed dat voorwerp van de bilaterale vrijwaringsmaatregel is, met inbegrip van de desbetreffende post of onderverdeling in de GS-code waarop de lijsten van tariefverbintenissen van bijlage 9 zijn gebaseerd;
  • c. een nauwkeurige beschrijving van de bilaterale vrijwaringsmaatregel;
  • d. de datum van invoering van de bilaterale vrijwaringsmaatregel, de verwachte duur ervan en, indien van toepassing, een tijdschema voor de geleidelijke liberalisering van de maatregel, overeenkomstig artikel 12.11, lid 3; en
  • e. in geval van verlenging van de bilaterale vrijwaringsmaatregel, bewijs waaruit blijkt dat de betrokken interne bedrijfstak aanpassingen doorvoert.
4.

Op verzoek van de Partij waarvan het goed voorwerp van een bilaterale vrijwaringsprocedure uit hoofde van deze afdeling is, biedt de Partij die die vrijwaringsprocedure voert de gelegenheid voor overleg met de Partij die daarom verzoekt met het oog op het beoordelen van een kennisgeving uit hoofde van lid 1 of openbare aankondigingen of verslagen van de bevoegde onderzoekende autoriteit in verband met de vrijwaringprocedure.

5.

Elke Partij waarborgt dat haar bevoegde onderzoekende autoriteit onderzoeken op grond van dit artikel afsluit binnen twaalf maanden na de datum waarop ze zijn geopend.

Artikel 12.19. Vertrouwelijke informatie
1.

Inlichtingen die vanwege hun aard vertrouwelijk zijn of die vertrouwelijk worden verstrekt, worden, na opgave van redenen, vertrouwelijk behandeld door de bevoegde onderzoekende autoriteit. Die inlichtingen worden niet bekendgemaakt dan na machtiging van de belanghebbende die ze heeft verstrekt.

2.

Belanghebbenden die vertrouwelijke inlichtingen verstrekken, wordt verzocht niet-vertrouwelijke samenvattingen daarvan te verschaffen of, indien die Partijen verklaren dat de betrokken inlichtingen niet kunnen worden samengevat, de redenen daarvoor. De samenvattingen moeten voldoende gedetailleerd zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen. Indien de bevoegde onderzoekende autoriteit van oordeel is dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en de betrokken belanghebbende niet bereid is de informatie bekend te maken of de bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in samengevatte vorm toe te staan, kan de bevoegde onderzoekende autoriteit die informatie buiten beschouwing laten tenzij ten genoegen van die autoriteit op basis van informatie uit goede bronnen blijkt dat de inlichtingen juist zijn.

Artikel 12.20. Pleitzittingen

In de loop van elke vrijwaringsprocedure moet de bevoegde onderzoekende autoriteit:

  • a. na een redelijke kennisgeving een openbare hoorzitting houden om alle belanghebbenden en eventuele consumentenorganisaties in de gelegenheid te stellen persoonlijk te verschijnen of zich door een raadsman te laten vertegenwoordigen, teneinde bewijsmateriaal te presenteren en te worden gehoord over de vermeende ernstige schade of de dreiging daarvan, alsook over de passende corrigerende maatregelen; of
  • b. alle belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord, mits zij binnen de in het in artikel 12.17, lid 4, bedoelde bericht van inleiding vermelde termijn een schriftelijk verzoek hebben ingediend waaruit blijkt dat de uitkomsten van het onderzoek waarschijnlijk invloed op hen zullen hebben en dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.
Artikel 12.21. Kennisgevingen, onderzoek in het Gemengd Comité en bekendmakingen
1.

Indien een Partij van mening is dat een van de in artikel 12.10, lid 1, of artikel 12.15, lid 1, genoemde omstandigheden zich voordoet, legt zij de kwestie onmiddellijk ter beoordeling voor aan het Gemengd Comité. Het Gemengd Comité kan elke aanbeveling doen die nodig is om de ontstane situatie te verhelpen. Indien binnen 30 dagen nadat de Partij de aangelegenheid aan het Gemengd Comité heeft voorgelegd, het Gemengd Comité geen aanbeveling ter zake heeft gedaan en er ook geen andere bevredigende oplossing is bereikt, kan de invoerende Partij overeenkomstig deze afdeling passende bilaterale vrijwaringsmaatregelen vaststellen om het probleem op te lossen.

2.

Voor de toepassing van lid 1 verstrekt de invoerende Partij aan de uitvoerende Partij alle ter zake doende informatie, waaronder bewijs voor ernstige schade voor interne producten van het soortgelijke en rechtstreeks concurrerende goed als gevolg van toegenomen invoer of voor dreiging daarvan, een nauwkeurige beschrijving van het betrokken goed en de voorgestelde bilaterale vrijwaringsmaatregel, de voorgestelde datum van instelling en de verwachte duur van de voorgestelde bilaterale vrijwaringsmaatregel.

3.

De Partij die de bilaterale vrijwaringsmaatregel vaststelt, maakt haar bevindingen en met redenen omklede conclusies over alle ter zake doende feitelijke en juridische kwesties bekend in het publicatieblad of staatsblad van die Partij, met inbegrip van de beschrijving van het ingevoerde goed en de situatie die aanleiding heeft gegeven tot de instelling van maatregelen overeenkomstig artikel 12.10, lid 1, of artikel 12.15, lid 1, het oorzakelijk verband tussen die situatie en de toegenomen invoer, alsook de vorm, de hoogte en de duur van de maatregelen.

Artikel 12.22. Aanvaarding van documenten in het Engels in vrijwaringsprocedures

Teneinde het indienen van documenten in vrijwaringsprocedures te vergemakkelijken, aanvaardt de bevoegde onderzoekende autoriteit van de Partij die belast is met de procedure documenten die in het Engels zijn ingediend door belanghebbenden, mits die belanghebbenden nadien, binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde langere termijn, een vertaling van de documenten in de taal van de vrijwaringsprocedure indienen.

HOOFDSTUK 13. SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

Artikel 13.1. Doelstellingen

Dit hoofdstuk heeft tot doel:

  • a. de gezondheid van mensen, dieren en planten op het grondgebied van de Partijen te beschermen en tegelijkertijd het handelsverkeer tussen de Partijen in dieren en dierlijke producten, planten en plantaardige producten en andere producten die onder sanitaire en fytosanitaire maatregelen („SPS-maatregelen”) vallen, te bevorderen, door:
  • i. de transparantie, communicatie en samenwerking tussen de Partijen op het gebied van SPS-maatregelen te verbeteren;
  • ii. mechanismen en procedures voor handelsbevordering in te voeren; en
  • iii. verdere uitvoering aan de beginselen van de SPS-Overeenkomst te geven;
  • b. samen te werken in multilaterale fora en op het gebied van de wetenschap betreffende voedselveiligheid, diergezondheid en gewasbescherming;
  • c. samen te werken op het gebied van andere sanitaire of fytosanitaire aangelegenheden of in andere fora.
Artikel 13.2. Multilaterale verplichtingen

De Partijen bevestigen opnieuw hun rechten en plichten uit hoofde van de WTO-Overeenkomst en met name de SPS-Overeenkomst. Die rechten en verplichtingen liggen ten grondslag aan de activiteiten van de Partijen uit hoofde van dit hoofdstuk.

Artikel 13.3. Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

  • a. alle SPS-maatregelen zoals gedefinieerd in bijlage A bij de SPS-Overeenkomst, voor zover zij van invloed zijn op het handelsverkeer tussen de Partijen;
  • b. de samenwerking in multilaterale fora die zijn erkend in het kader van de SPS-Overeenkomst;
  • c. samenwerking op het gebied van de wetenschap betreffende voedselveiligheid, diergezondheid en gewasbescherming; en
  • d. samenwerking op het gebied van andere sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden in andere fora, zoals overeengekomen tussen de Partijen.
Artikel 13.4. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en bijlagen 13-A tot en met 13-H:

  • a. zijn de definities in bijlage A bij de SPS-Overeenkomst, alsook die in de Codex Alimentarius, in het kader van de Wereldorganisatie voor diergezondheid en in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, ondertekend te Rome op 17 november 1997, van toepassing; en
  • b. wordt verstaan onder „beschermd gebied” voor een bepaald gereglementeerd plaagorganisme, een officieel afgebakend geografisch gebied van een Partij waarin dat plaagorganisme ondanks gunstige omstandigheden en het voorkomen ervan in andere gedeelten van het grondgebied van die Partij niet is vastgesteld.
Artikel 13.5. Bevoegde autoriteiten
1.

De bevoegde autoriteiten van de Partijen zijn de met de uitvoering van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen belaste autoriteiten zoals opgenomen in bijlage 13-A.

2.

De Partijen stellen elkaar, overeenkomstig artikel 13.12, in kennis van alle belangrijke wijzigingen in de structuur en de organisatie van alsook de bevoegdheidsverdeling binnen hun bevoegde autoriteiten.

Artikel 13.6. Erkenning van status ten aanzien van dierziekten en besmettingen bij dieren en ten aanzien van plaagorganismen
1.

Met betrekking tot de status ten aanzien van dierziekten en besmettingen bij dieren, met inbegrip van zoönoses, geldt het volgende:

  • a. de invoerende Partij erkent, in het kader van het handelsverkeer, de diergezondheidsstatus van de uitvoerende Partij of haar regio’s, zoals die door de uitvoerende Partij overeenkomstig bijlage 13-C, alinea 1, punt a), i), worden bepaald voor de in aanhangsel 13-B-1 vermelde dierziekten;
  • b. wanneer een Partij van oordeel is dat haar grondgebied of een specifiek gebied een bijzondere status heeft ten aanzien van een specifieke, niet in aanhangsel 13-B-1 opgenomen dierziekte, kan zij verzoeken om erkenning van die status overeenkomstig de criteria van bijlage 13-C, alinea 3. De invoerende Partij kan bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeengekomen status van die Partij;
  • c. de Partijen erkennen dat de status van de grondgebieden of de gebieden, of de status in een sector of een subsector van de Partijen met betrekking tot de prevalentie of incidentie van een niet in aanhangsel 13-B-1 opgenomen dierziekte of, waar passend, van besmettingen bij dieren of het daaraan verbonden risico, zoals gedefinieerd door de in de SPS-Overeenkomst erkende internationale normalisatie-instellingen, de basis vormt voor hun onderlinge handel. De invoerende Partij kan bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeenkomstig de aanbevelingen van de normalisatie-instellingen vastgestelde status van die Partij; en
  • d. onverminderd de artikelen 13.9 en 13.15, en tenzij de invoerende Partij uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens of overleg of verificatie overeenkomstig de artikelen 13.11 en 13.14 verzoekt, neemt elke Partij zonder onnodige vertraging de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om handel mogelijk te maken op basis van de bepalingen in de punten a), b) en c) van dit lid.
2.

Met betrekking tot de status ten aanzien van plaagorganismen geldt het volgende:

  • a. de Partijen erkennen, in het kader van het handelsverkeer, de status ten aanzien van plaagorganismen met betrekking tot de in aanhangsel 13-B-2 opgenomen plaagorganismen; en
  • b. onverminderd de artikelen 13.9 en 13.15, en tenzij de invoerende Partij uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens of overleg of verificatie overeenkomstig de artikelen 13.11 en 13.14 verzoekt, neemt elke Partij zonder onnodige vertraging de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om handel mogelijk te maken op basis van de bepalingen in punt a) van dit lid.
Artikel 13.7. Erkenning van regionalisatiebesluiten ten aanzien van dierziekten en besmettingen bij dieren en van plaagorganismen
1.

De Partijen erkennen het regionalisatieprincipe en passen dat principe toe op hun onderlinge handelsverkeer.

2.

Regionalisatiebesluiten ten aanzien van in aanhangsel 13-B-1 opgenomen ziekten van land- en waterdieren en in aanhangsel 13-B-2 opgenomen plaagorganismen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage 13-C.

3.

Met betrekking tot dierziekten, en in overeenstemming met artikel 13.14, doet de uitvoerende Partij die de invoerende Partij om erkenning van een regionalisatiebesluit verzoekt, kennisgeving van haar maatregelen tot instelling van regionalisatie, met een omstandige toelichting bij en ondersteunende gegevens voor haar vaststelling en besluit.

4.

Onverminderd artikel 13.15, en tenzij de invoerende Partij binnen 15 dagen na ontvangst van het regionalisatiebesluit uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens, overleg of verificatie verzoekt overeenkomstig de artikelen 13.11 en 13.14, beschouwen de Partijen dat besluit als aanvaard.

5.

Het in lid 4 van dit artikel bedoelde overleg vindt plaats in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13.14, lid 2. De invoerende Partij beoordeelt de bijkomende gegevens binnen 15 werkdagen na ontvangst ervan. De in lid 4 van dit artikel bedoelde verificatie geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13.11 binnen 25 werkdagen na ontvangst van het verzoek daartoe.

6.

Wat plaagorganismen betreft, draagt elke Partij er zorg voor dat bij de handel in planten, plantaardige producten en andere producten rekening wordt gehouden met de door de andere Partij erkende plantgezondheidsstatus. De uitvoerende Partij die de andere Partij om erkenning van een regionalisatiebesluit verzoekt, stelt de andere Partij in kennis van haar maatregelen en besluiten, volgens de relevante internationale normen voor fytosanitaire maatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties („FAO”), waaronder nr. 4 „Requirements for the establishment of pest free areas”, nr. 8 „Determination of pest status in an area” en andere internationale normen voor fytosanitaire maatregelen die de Partijen passend achten. Onverminderd artikel 13.15, en tenzij de invoerende Partij binnen drie maanden na ontvangst van het regionalisatiebesluit uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens, overleg of verificatie verzoekt overeenkomstig de artikelen 13.11 en 13.14, beschouwen de Partijen dat besluit als aanvaard.

7.

Het in lid 4 van dit artikel bedoelde overleg vindt plaats in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13.14, lid 2. De invoerende Partij beoordeelt de bijkomende gegevens binnen drie maanden na ontvangst van dergelijke bijkomende gegevens. Elke Partij verricht de in lid 4 van dit artikel bedoelde verificatie in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13.11 binnen twaalf maanden na ontvangst van het verzoek daartoe, rekening houdende met het biologische karakter van het plaagorganisme en het gewas in kwestie.

8.

Na voltooiing van de procedures van de leden 2 tot en met 7 van dit artikel, en onverminderd artikel 13.15, neemt iedere Partij zonder onnodige vertraging de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van de in die leden vervatte bepalingen.

Artikel 13.8. Erkenning van gelijkwaardigheid
1.

De Partijen kunnen gelijkwaardigheid erkennen met betrekking tot een aparte maatregel, een geheel van maatregelen of regelingen die van toepassing zijn op een sector of subsector.

2.

Voor de erkenning van gelijkwaardigheid volgen de Partijen de overlegprocedure in lid 3. Die procedure houdt in dat de uitvoerende Partij een objectief bewijs van gelijkwaardigheid moet leveren en de invoerende Partij een objectieve evaluatie van dat bewijs moet verrichten, met het oog op een eventuele erkenning van gelijkwaardigheid door de invoerende Partij.

3.

De Partijen leiden, binnen drie maanden na ontvangst door de invoerende Partij van een verzoek van de uitvoerende Partij om erkenning van gelijkwaardigheid van een of meer maatregelen voor een of meer sectoren of subsectoren, een overlegprocedure in, die de in bijlage 13-E beschreven stappen omvat. Indien de uitvoerende Partij meerdere verzoeken indient, komen de Partijen, op verzoek van de invoerende Partij, in het in artikel 13.16 van deze overeenkomst bedoelde subcomité een tijdschema overeen waarbinnen zij de in dit lid bedoelde procedure inleiden en uitvoeren.

4.

Tenzij anders overeengekomen, voltooit de invoerende Partij de evaluatie van de gelijkwaardigheid als bedoeld in bijlage 13-E uiterlijk 180 dagen na ontvangst van het in die bijlage bedoelde bewijs van de gelijkwaardigheid van de uitvoerende Partij. Bij wijze van uitzondering kan het, in het geval van seizoenseigen gewassen, gerechtvaardigd zijn om de evaluatie van gelijkwaardigheid op een later tijdstip te verrichten, indien nodig om de verificatie van fytosanitaire maatregelen tijdens een geschikte groeifase van een gewas mogelijk te maken.

5.

De prioritaire sectoren of subsectoren van elke Partij waarvoor een overlegprocedure als bedoeld in lid 3 van dit artikel kan worden ingeleid, worden, waar passend in volgorde van prioriteit, vastgesteld in aanhangsel 13-E-1. Het in artikel 13.16 bedoelde subcomité kan aanbevelen dat de Gezamenlijke Raad die lijst wijzigt, met inbegrip van de volgorde van prioriteit.

6.

De invoerende Partij kan een erkenning van gelijkwaardigheid intrekken of schorsen op basis van een wijziging door een van de Partijen van maatregelen die van invloed zijn op de desbetreffende gelijkwaardigheid, mits de volgende procedures worden gevolgd:

  • a. de uitvoerende Partij stelt de invoerende Partij overeenkomstig artikel 13.13 in kennis van alle voorgestelde wijzigingen van een maatregel van de uitvoerende Partij waarvoor de gelijkwaardigheid is erkend en van het verwachte effect van de voorgestelde wijziging op die gelijkwaardigheid. Binnen 30 werkdagen na de ontvangst van die gegevens stelt de invoerende Partij de uitvoerende Partij ervan in kennis of de erkenning van gelijkwaardigheid op basis van de voorgestelde wijziging gehandhaafd blijft; en
  • b. de invoerende Partij stelt de uitvoerende Partij overeenkomstig artikel 13.13 in kennis van alle voorgestelde wijzigingen van een maatregel van de invoerende Partij waarvoor een erkenning van gelijkwaardigheid is vastgesteld en van het verwachte effect van de voorgestelde wijziging op die erkenning van gelijkwaardigheid. Indien de invoerende Partij de erkenning van gelijkwaardigheid niet handhaaft, kunnen de Partijen samen de voorwaarden vaststellen waaronder de in lid 3 van dit artikel bedoelde procedure opnieuw kan worden ingeleid op basis van de voorgestelde wijziging.
7.

Onverminderd artikel 13.15 trekt de invoerende Partij een erkenning van gelijkwaardigheid niet in en schorst zij die niet voordat de voorgestelde wijziging van een van beide Partijen van kracht wordt.

8.

Het besluit over de erkenning van gelijkwaardigheid dan wel de intrekking of schorsing ervan kan uitsluitend worden genomen door de invoerende Partij, in overeenstemming met haar wettelijk en bestuursrechtelijk kader, inclusief — wat planten, plantaardige producten en andere goederen betreft — de toepasselijke mededelingen in overeenstemming met internationale norm voor fytosanitaire maatregelen nr. 13 van de FAO „Guidelines for the notification of non-compliances and emergency action” en, waar passend, andere internationale normen voor fytosanitaire maatregelen. De invoerende Partij verstrekt de uitvoerende Partij een omstandige schriftelijke toelichting bij en ondersteunende gegevens voor de vaststellingen en besluiten op grond van dit artikel. In geval niet-erkenning van gelijkwaardigheid of intrekking of schorsing van een erkenning van gelijkwaardigheid, stelt de invoerende Partij de uitvoerende Partij in kennis van de voorwaarden waaronder de in lid 3 bedoelde procedure opnieuw kan worden ingeleid.

Artikel 13.9. Transparantie en voorwaarden voor het handelsverkeer
1.

De Partijen passen algemene invoervoorwaarden toe. Onverminderd de overeenkomstig artikel 13.7 genomen besluiten gelden de door de invoerende Partij gestelde invoervoorwaarden voor het grondgebied van de uitvoerende Partij. Overeenkomstig artikel 13.13 stelt de invoerende Partij de uitvoerende Partij in kennis van haar sanitaire en fytosanitaire invoervereisten. Die informatie omvat, waar passend, de modellen van eventuele officiële certificaten of attesten die de invoerende Partij verlangt.

2.

Elke Partij voldoet voor de kennisgeving van wijzigingen of voorgestelde wijzigingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden aan artikel 7 van en bijlage B bij de SPS-Overeenkomst en daaropvolgende besluiten van het Comité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de WTO. Onverminderd de bepalingen van artikel 13.15 houdt de invoerende Partij rekening met de reistijd tussen het grondgebied van de Partijen bij de vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de in lid 1 van dit artikel bedoelde gewijzigde voorwaarden.

3.

Indien de invoerende Partij de in lid 2 bedoelde kennisgevingsvereisten niet naleeft, blijft zij gedurende 30 dagen na de inwerkingtreding van de desbetreffende wijziging alle officiële certificaten of attesten aanvaarden die de vóór die wijziging geldende invoervoorwaarden waarborgen.

4.

Indien Chili onder de in lid 1 bedoelde voorwaarden markttoegang verleent aan één of meer sectoren of subsectoren van de EU-Partij, keurt Chili eventuele latere uitvoeraanvragen goed die door de lidstaten zijn ingediend op basis van een bij de Europese Commissie beschikbaar omvattend gegevensdossier, het zogeheten landenprofiel, tenzij Chili in beperkte specifieke omstandigheden en waar nodig geacht, om bijkomende gegevens verzoekt.

5.

Binnen 90 dagen na de erkenning van gelijkwaardigheid overeenkomstig artikel 13.8, neemt een Partij de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om uitvoering te geven aan die erkenning van gelijkwaardigheid, teneinde het handelsverkeer tussen de Partijen in de sectoren en subsectoren waarin de invoerende Partij alle SPS-maatregelen van de uitvoerende Partij als gelijkwaardig erkent, mogelijk te maken. Voor de dieren en dierlijke producten, planten en plantaardige producten en andere producten die onder de betrokken SPS-maatregelen vallen, kan het model voor het officiële certificaat of het officiële document dat door de invoerende Partij wordt verlangd, worden vervangen door een certificaat als bedoeld in bijlage 13-H.

6.

Voor de in lid 5 bedoelde producten in sectoren of subsectoren waarvoor één of meer, maar niet alle maatregelen als gelijkwaardig zijn erkend, zetten de Partijen het onderlinge handelsverkeer voort op basis van de naleving van de in lid 1 bedoelde voorwaarden. Op verzoek van de uitvoerende Partij is lid 7 van toepassing.

7.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk onderwerpt de invoerende Partij de invoer van producten van de andere Partij niet aan invoervergunningen.

8.

Wat betreft de algemene invoervoorwaarden die van invloed zijn op het handelsverkeer tussen de Partijen, plegen de Partijen op verzoek van de uitvoerende Partij overleg overeenkomstig artikel 13.14 om alternatieve of aanvullende invoervoorwaarden van de invoerende Partij vast te stellen. De Partijen baseren die alternatieve of aanvullende invoervoorwaarden waar passend op maatregelen van de uitvoerende Partij die door de invoerende Partij als gelijkwaardig worden erkend. Indien de Partijen alternatieve of aanvullende invoervoorwaarden overeenkomen, neemt de invoerende Partij binnen 90 dagen na de vaststelling daarvan de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen om invoer op die basis mogelijk te maken.

9.

Wat de invoer van dieren, dierlijke producten, producten van dierlijke oorsprong en dierlijke bijproducten betreft, erkent de invoerende Partij, op verzoek van de uitvoerende Partij, vergezeld van de nodige garanties, zonder voorafgaande inspectie en overeenkomstig bijlage 13-D, inrichtingen die gelegen zijn op het grondgebied van de uitvoerende Partij. Tenzij de uitvoerende Partij om bijkomende gegevens verzoekt, neemt de invoerende Partij binnen 30 werkdagen na ontvangst van het verzoek om goedkeuring de wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die nodig zijn om de invoer op die basis mogelijk te maken.

10.

De aanvankelijke lijst van inrichtingen wordt door een Partij goedgekeurd overeenkomstig bijlage 13-D.

11.

Op verzoek van een Partij verstrekt de andere Partij een omstandige toelichting bij en ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten op grond van dit artikel.

Artikel 13.10. Certificeringsprocedures
1.

In het kader van de certificeringsprocedures nemen de Partijen de in bijlage 13-H vastgestelde beginselen en criteria in acht.

2.

Een Partij geeft de in de artikel 13.9, leden 1, 5 en 6, bedoelde certificaten of officiële documenten af zoals bepaald in bijlage 13-H.

3.

Het in artikel 13.16 bedoelde subcomité kan aanbevelen dat de het Gemengd Comité of de Gezamenlijke Raad een besluit aanneemt tot vaststelling van de regels die moeten worden gevolgd bij elektronische certificering of intrekking of vervanging van certificaten.

Artikel 13.11. Verificatie
1.

Voor de effectieve uitvoering van dit hoofdstuk heeft elke Partij het recht:

  • a. overeenkomstig de richtsnoeren in bijlage 13-F een verificatie te verrichten van het allesomvattende controleprogramma van de bevoegde autoriteiten van de andere Partij of een deel daarvan. De kosten daarvan worden gedragen door de verifiërende Partij;
  • b. vanaf een door de Partijen vast te stellen datum, de andere Partij te verzoeken dat zij haar allesomvattende controleprogramma in zijn geheel of gedeeltelijk overlegt, alsook een verslag van de resultaten van de in het kader van dat programma verrichte controles; en
  • c. voor laboratoriumproeven in verband met producten van dierlijke oorsprong, de andere Partij te verzoeken deel te nemen aan het periodieke programma voor vergelijkende proeven voor specifieke proeven die door het referentielaboratorium van de verzoekende Partij worden georganiseerd. De kosten voor die deelname worden gedragen door de deelnemende Partij.
2.

Elke Partij mag de resultaten en conclusies van haar verificaties met derde landen delen en ze algemeen beschikbaar stellen.

3.

Het in artikel 13.16 bedoelde subcomité kan aanbevelen dat de Gezamenlijke Raad bijlage 13-F wijzigt, terdege rekening houdend met de relevante werkzaamheden van internationale organisaties.

4.

De resultaten van de in dit artikel bedoelde verificaties kunnen worden gebruikt ten behoeve van maatregelen van een Partij of van de Partijen zoals bedoeld in de artikelen 13.6 tot en met 13.9 en 13.12.

Artikel 13.12. Invoercontroles en inspectievergoedingen
1.

De invoercontroles door de invoerende Partij ten aanzien van zendingen van de uitvoerende Partij eerbiedigen de in bijlage 13-G bepaalde beginselen. De resultaten van die controles kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in artikel 13.11 bedoelde verificaties.

2.

De frequentie van de materiële invoercontroles die door elke Partij worden toegepast, is opgenomen in bijlage 13-G. Het in artikel 13.16 bedoelde subcomité kan de Gezamenlijke Raad aanbevelen bijlage 13-G te wijzigen.

3.

Een Partij kan binnen de grenzen van haar bevoegdheid en in overeenstemming met haar wet- en regelgeving afwijken van de in bijlage 13-G bepaalde frequentie naar aanleiding van voortgang die werd geboekt in overeenstemming met de artikelen 13.8 en 13.9, of naar aanleiding van de verificaties, het overleg of andere maatregelen waarin dit hoofdstuk voorziet.

4.

De retributies voor keuringen en controles mogen de door de bevoegde autoriteit gemaakte kosten voor de uitvoering van invoercontroles niet overschrijden en zijn billijk in verhouding tot de retributies die in rekening worden gebracht voor de inspectie van soortgelijke interne producten.

5.

De invoerende Partij stelt de uitvoerende Partij in kennis van iedere wijziging van de maatregelen die relevant zijn voor de invoercontroles en de retributies voor keuringen en controles, inclusief de redenen daarvoor, en van iedere belangrijke wijziging in de administratieve procedure voor die controles.

6.

Voor de in artikel 13.9, lid 5, bedoelde producten kunnen de Partijen overeenkomen de frequentie van de materiële controles bij invoer wederzijds te verminderen.

7.

Het subcomité kan de Gezamenlijke Raad aanbevelen dat de voorwaarden voor goedkeuring van de invoercontroles van elke Partij met het oog op de aanpassing van hun frequentie of de vervanging ervan, van toepassing zijn met ingang van een bepaalde datum. Die voorwaarden worden bij besluit van de Gezamenlijke Raad opgenomen in bijlage 13-G. Met ingang van die datum kunnen de Partijen de invoercontroles voor bepaalde producten van elke Partij goedkeuren teneinde hun frequentie aan te passen of die te vervangen.

Artikel 13.13. Informatie-uitwisseling
1.

De Partijen wisselen stelselmatig informatie uit over de uitvoering van dit hoofdstuk teneinde normen te ontwikkelen, de nodige garanties te verstrekken, wederzijds vertrouwen te creëren en de doelmatigheid van de gecontroleerde programma’s aan te tonen. Waar passend kunnen in het kader van de uitwisseling van informatie ook ambtenaren worden uitgewisseld.

2.

De Partijen wisselen tevens informatie uit over andere relevante kwesties, inclusief:

  • a. belangrijke gebeurtenissen in verband met producten die onder dit hoofdstuk vallen, inclusief de uitwisseling van informatie waarin de artikelen 13.8 en 13.9 voorzien;
  • b. de resultaten van de in artikel 13.11 bedoelde verificaties;
  • c. de resultaten van de in artikel 13.12 bedoelde controles bij invoer, in het geval van geweigerde of niet-conforme zendingen van dieren en dierlijke producten;
  • d. wetenschappelijke adviezen die relevant zijn voor dit hoofdstuk en tot stand kwamen onder de verantwoordelijkheid van een Partij; en
  • e. snelle waarschuwingen die relevant zijn voor het onder dit hoofdstuk vallende handelsverkeer.
3.

Een Partij verstrekt ter evaluatie tijdig wetenschappelijke papers of gegevens aan het relevante wetenschappelijke forum om de standpunten of claims over een aangelegenheid die zich uit hoofde van dit hoofdstuk voordoet te onderbouwen. De resultaten van die evaluatie worden openbaar gemaakt aan de Partijen.

4.

Wanneer de in dit artikel bedoelde informatie door een kennisgeving aan de WTO overeenkomstig artikel 7 van en bijlage B bij de SPS-Overeenkomst of op haar officiële, algemeen toegankelijke en gratis website ter beschikking is gesteld door een Partij, wordt de in dit artikel verstrekte informatie als uitgewisseld beschouwd.

5.

Voor plaagorganismen die een bekend en onmiddellijk gevaar vormen voor een Partij wordt per post of e-mail een rechtstreekse mededeling aan die Partij gezonden. De Partijen volgen de richtsnoeren van de internationale norm voor fytosanitaire maatregelen nr. 17 van de FAO „Pest reporting”.

6.

De Partijen wisselen de in dit artikel bedoelde informatie uit per e-mail, fax of post.

Artikel 13.14. Kennisgeving en overleg
1.

Een Partij stelt de andere Partij binnen twee werkdagen in kennis van ieder ernstig of aanzienlijk gezondheidsrisico voor mens, dier of plant, met inbegrip van alle noodsituaties in verband met de voedselcontrole of situaties waarin een duidelijk gezondheidsrisico werd geconstateerd in verband met de consumptie van dierlijke of plantaardige producten, met name wat betreft:

  • a. maatregelen die relevant zijn voor de in artikel 13.7 bedoelde regionalisatiebesluiten;
  • b. de aanwezigheid of ontwikkeling van een in bijlage 13-B vermelde dierziekte of plaag;
  • c. bevindingen van epidemiologisch belang of belangrijke daaraan verbonden risico’s met betrekking tot niet in bijlage 13-B vermelde dierziekten en plaagorganismen of nieuwe dierziekten en plaagorganismen; en
  • d. aanvullende maatregelen, bovenop de basismaatregelen van de respectieve Partijen, ter bestrijding of uitroeiing van dierziekten of plaagorganismen of ter bescherming van de volksgezondheid, en eventuele wijzigingen in het preventiebeleid, waaronder het vaccinatiebeleid.
2.

Indien een Partij ernstige bezorgdheden heeft ten aanzien van een risico voor het leven of de gezondheid van mens, dier of plant, kan die Partij verzoeken om overleg met de andere Partij over de situatie. Dat overleg vindt zo spoedig mogelijk plaats en in elk geval binnen 13 werkdagen na het verzoek. Bij dat overleg tracht elke Partij alle informatie te verstrekken die nodig is om verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen en tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te komen die verenigbaar is met de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.

3.

Een Partij kan verzoeken dat het in lid 2 van dit artikel bedoelde overleg plaatsvindt in de vorm van een video- of audiovergadering. De verzoekende Partij stelt de notulen van het overleg op, waarvoor de goedkeuring van de Partijen vereist is. Voor de toepassing van die goedkeuring geldt artikel 13.13, lid 6.

Artikel 13.15. Vrijwaringsclausule
1.

Indien de uitvoerende Partij interne maatregelen treft ten aanzien van een oorzaak die waarschijnlijk een ernstig risico kan vormen voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, neemt die Partij onverminderd het bepaalde in lid 2 gelijkwaardige maatregelen om te voorkomen dat het risico op het grondgebied van de invoerende Partij optreedt.

2.

De invoerende Partij kan op grond van een ernstig risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten voorlopige maatregelen treffen die nodig zijn om de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen. Voor zendingen die onderweg zijn tussen de Partijen wanneer dergelijke voorlopige maatregelen van kracht zijn, zoekt de invoerende Partij de meest geschikte en evenredige oplossing om onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen.

3.

De Partij die de in dit artikel vermelde maatregelen neemt, stelt de andere Partij daarvan binnen een werkdag na het besluit om die maatregelen te treffen in kennis. Op verzoek van een Partij en overeenkomstig artikel 13.14, lid 2, plegen de Partijen binnen 13 werkdagen na de kennisgeving overleg over de situatie. De Partijen houden terdege rekening met alle informatie die tijdens dat overleg wordt verstrekt en trachten elke onnodige verstoring van het handelsverkeer te voorkomen, waarbij, in voorkomend geval, het resultaat van het overleg in het kader van artikel 13.14, lid 2, in aanmerking wordt genomen.

Artikel 13.16. Subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen
1.

Het Subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen (het „subcomité”) dat op grond van artikel 8.8, lid 1, is opgericht, bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen die verantwoordelijk zijn voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen.

2.

Het subcomité heeft de volgende taken:

  • a. toezien op de uitvoering en alle kwesties die op dit hoofdstuk betrekking hebben, in overweging te nemen en alle vragen bestuderen die naar aanleiding van de uitvoering ervan rijzen; en
  • b. aanbevelingen doen aan de Gezamenlijke Raad voor wijzigingen in de bijlagen op grond van artikel 8.5, lid 1, punt a), met name met het oog op de geboekte vooruitgang in het kader van de raadplegingen en procedures als vastgelegd in dit hoofdstuk.
3.

Het subcomité bereikt overeenstemming over de acties die moeten worden ondernomen bij het nastreven van de doelstellingen van dit hoofdstuk. Het subcomité stelt doelstellingen en mijlpalen vast voor die acties. Het subcomité evalueert de resultaten van die acties.

4.

Het subcomité kan aanbevelen dat de Gezamenlijke Raad of het Gemengd Comité op grond van artikel 40.3, lid 3, indien passend technische werkgroepen opricht, die bestaan uit vertegenwoordigers op deskundigenniveau van elke Partij en die de technische en wetenschappelijk kwesties die verband houden met de uitvoering van dit hoofdstuk in kaart brengen en aanpakken.

5.

Het subcomité kan gelet op het specifieke karakter van SPS-aangelegenheden aanbevelen dat de Gezamenlijke Raad of het Gemengd Comité een besluit neemt inzake het specifieke reglement van orde voor het subcomité.

Artikel 13.17. Samenwerking in multilaterale fora
1.

De Partijen bevorderen de samenwerking in multilaterale fora die relevant zijn voor SPS-aangelegenheden, met name in internationale normalisatie-instellingen die zijn erkend in het kader van de SPS-Overeenkomst.

2.

Het bij artikel 13.16 ingestelde subcomité is het relevante forum voor de uitwisseling van informatie en samenwerking inzake de in lid 1 van dit artikel bedoelde aangelegenheden.

Artikel 13.18. Samenwerking op het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en wetenschap inzake gewasbescherming
1.

De Partijen streven ernaar de wetenschappelijke samenwerking te bevorderen tussen de organen van de Partijen die verantwoordelijk zijn voor wetenschappelijke evaluatie op het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en gewasbescherming.

2.

Het subcomité kan aanbevelen dat de Gezamenlijke Raad of het Gemengd Comité op grond van artikel 40.3, lid 3, een technische werkgroep inzake wetenschappelijke samenwerking opricht zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel („de werkgroep”) die bestaat uit vertegenwoordigers op deskundigenniveau van de in lid 1 van dit artikel bedoelde wetenschappelijke organen en die door elke Partij worden aangewezen.

3.

De Gezamenlijke Raad of het Gemengd Comité die of dat de werkgroep opricht, bepaalt het mandaat, toepassingsgebied en werkprogramma van die werkgroep.

4.

De werkgroep kan informatie uitwisselen, onder meer aangaande:

  • a. wetenschappelijke en technische informatie; en
  • b. verzameling van gegevens.
5.

De werkzaamheden van de werkgroep doen geen afbreuk aan de onafhankelijkheid van de nationale of regionale agentschappen van elke Partij.

6.

Elke Partij draagt er zorg voor dat de op grond van lid 2 aangewezen vertegenwoordigers niet worden beïnvloed door belangenconflicten uit hoofde van de wetgeving van die Partij.

Artikel 13.19. Territoriale toepassing voor de EU-Partij
1.

In afwijking van artikel 41.2 is dit hoofdstuk voor de EU-Partij van toepassing op het grondgebied van de lidstaten zoals bepaald in bijlage I bij Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad17)Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB EU L 95 van 7.4.2017, blz. 1)., en wat planten, plantaardige producten en andere goederen betreft zoals bepaald in artikel 1, lid 3, van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad18)Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB EU L 317 van 23.11.2016, blz. 4)..

2.

De Partijen zijn het erover eens dat met betrekking tot het grondgebied van de Europese Unie rekening wordt gehouden met het specifieke karakter ervan en de Europese Unie als één enkele entiteit wordt beschouwd.

HOOFDSTUK 14. SAMENWERKING AAN DUURZAME VOEDSELSYSTEMEN

Artikel 14.1. Doelstelling

Dit hoofdstuk heeft tot doel een nauwe samenwerking tussen de Partijen tot stand te brengen om gezamenlijk de transitie naar duurzame voedselsystemen in te zetten. De Partijen erkennen dat de versterking van beleidsmaatregelen en de vaststelling van programma’s die bijdragen tot de ontwikkeling van duurzame, inclusieve, gezonde en veerkrachtige voedselsystemen de rol van de handel bij het nastreven van die doelstelling belangrijk zijn.

Artikel 14.2. Toepassingsgebied
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de samenwerking tussen de Partijen om de duurzaamheid van hun respectieve voedselsystemen te verbeteren.

2.

Dit hoofdstuk bevat bepalingen voor samenwerking inzake specifieke aspecten van duurzame voedselsystemen, waaronder:

  • a. de duurzaamheid van de voedselketen en de vermindering van voedselverlies en -verspilling;
  • b. de strijd tegen voedselfraude in de voedselketen;
  • c. dierenwelzijn;
  • d. de strijd tegen antimicrobiële resistentie; en
  • e. de vermindering van het gebruik van meststoffen en chemische pesticiden waarvoor uit een risicobeoordeling blijkt dat zij een onaanvaardbaar risico vormen voor de gezondheid of het milieu.
3.

Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de samenwerking van de Partijen in multilaterale fora.

4.

Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd de toepassing van andere hoofdstukken met betrekking tot voedselsystemen of tot duurzaamheid, met name de hoofdstukken 13, 16 en 33.

Artikel 14.3. Definities
1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

  • a. „voedselketen”: alle stappen van de primaire productie tot de verkoop aan de eindconsument, waaronder de productie, verwerking, vervaardiging, het vervoer, de invoer, opslag, verdeling en verkoop aan de eindconsument;
  • b. „primaire productie”: de productie, de kweek of teelt van primaire producten, met inbegrip van het oogsten, melken en de dierhouderij vóór de slacht, alsook de jacht, de visvangst en het oogsten van wilde producten; en
  • c. „duurzaam voedselsysteem”: een voedselsysteem dat voorziet in veilig, voedzaam en toereikend voedsel voor iedereen zonder dat de economische, sociale en ecologische grondslagen die vereist zijn om voedselzekerheid en voeding voor de toekomstige generaties te kunnen bieden, in het gedrang komen; een dergelijk duurzaam voedselsysteem:
  • i. is winstgevend (economische duurzaamheid);
  • ii. heeft uitgebreide voordelen voor de maatschappij (sociale duurzaamheid); en
  • iii. heeft positieve of neutrale gevolgen voor de natuurlijke omgeving, waaronder op de klimaatverandering (ecologische duurzaamheid).
Artikel 14.4. Duurzaamheid van de voedselketen en vermindering van voedselverlies en -verspilling
1.

De Partijen erkennen het onderlinge verband tussen de huidige voedselsystemen en klimaatverandering. De Partijen werken samen om de nadelige gevolgen van de voedselsystemen op het milieu en het klimaat te beperken en eveneens de veerkracht ervan te verhogen.

2.

De Partijen erkennen dat voedselverlies en -verspilling negatieve gevolgen hebben voor de sociale, economische en ecologische aspecten van voedselsystemen.

3.

De Partijen werken samen op gebieden zoals:

  • a. duurzame voedselproductie, met inbegrip van landbouw, het verbeteren van dierenwelzijn, het bevorderen van de biologische landbouw en het verminderen van het gebruik van antimicrobiële stoffen, meststoffen en chemische pesticiden waarvoor uit een risicobeoordeling blijkt dat zij een onaanvaardbaar risico vormen voor de gezondheid of het milieu;
  • b. duurzaamheid van de voedselketen, met inbegrip van voedselproductie, verwerkingsmethoden en -praktijken;
  • c. gezonde en duurzame voedingspatronen, waarbij de koolstofvoetafdruk van consumptie wordt verkleind;
  • d. de verlaging van de broeikasgasemissies van voedselsystemen, de vergroting van koolstofputten, en de omkering van het verlies aan biodiversiteit;
  • e. innovatie en technologieën die een bijdrage leveren aan de aanpassing en de veerkracht ten aanzien van de gevolgen van de klimaatverandering;
  • f. ontwikkeling van noodplannen om in tijden van crisis de voedselzekerheid te garanderen; en
  • g. vermindering van voedselverlies en -verspilling in overeenstemming met duurzameontwikkelingsdoelstelling 12, subdoelstelling 12.3, zoals gedefinieerd in de Agenda 2030.
4.

De samenwerking op grond van dit artikel kan de uitwisseling van informatie, deskundigheid en ervaring omvatten, alsook samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie.

Artikel 14.5. Strijd tegen fraude in de voedselketen
1.

De Partijen erkennen dat fraude gevolgen kan hebben voor de veiligheid van de voedselketen, de duurzaamheid van voedselsystemen in gevaar kan brengen en eerlijke handelspraktijken, het consumentenvertrouwen en de veerkracht van markten voor levensmiddelen kan ondermijnen.

2.

De Partijen werken samen om fraude in de voedselketen op te sporen en te voorkomen door:

  • a. informatie en ervaringen uit te wisselen om de opsporing en bestrijding van fraude in de voedselketen te verbeteren; en
  • b. de nodige bijstand te verlenen om bewijsmateriaal te verzamelen over praktijken die niet volgens hun regels zijn of lijken te zijn of een risico vormen voor de gezondheid van mensen, dieren of planten of het milieu of die misleidend zijn voor de consument.
Artikel 14.6. Dierenwelzijn
1.

De Partijen erkennen dat dieren wezens met gevoel zijn en dat het gebruik van dieren in voedselproductiesystemen een verantwoordelijkheid voor hun welbevinden inhoudt. De Partijen eerbiedigen de handelsvoorwaarden voor landbouwhuisdieren en dierlijke producten die erop gericht zijn het dierenwelzijn te beschermen.

2.

De Partijen streven naar een gemeenschappelijk begrip inzake de internationale normen voor dierenwelzijn van de Wereldorganisatie voor diergezondheid („WOAH”).

3.

De Partijen werken overeenkomstig hun wetgeving samen aan de ontwikkeling en uitvoering van dierenwelzijnsnormen op het bedrijf, tijdens het vervoer en bij het slachten en doden van dieren.

4.

De Partijen versterken hun samenwerking inzake onderzoek op dierenwelzijnsgebied om de wetenschappelijk onderbouwde dierenwelzijnsnormen verder te ontwikkelen.

5.

Het in artikel 14.8 bedoelde subcomité kan zich buigen over andere aangelegenheden met betrekking tot dierenwelzijn.

6.

De Partijen wisselen informatie, deskundigheid en ervaringen op het gebied van dierenwelzijn uit.

7.

De Partijen werken samen in het kader van de WOAH en kunnen samenwerken in het kader van andere internationale fora, teneinde de verdere ontwikkeling van dierenwelzijnsnormen en beste praktijken en hun uitvoering te bevorderen.

8.

Op grond van artikel 40.3, lid 3, kan de Gezamenlijke Raad of het Gemengd Comité een technische werkgroep oprichten om het in artikel 14.8 bedoelde subcomité te ondersteunen bij de uitvoering van dit artikel.

Artikel 14.7. Strijd tegen antimicrobiële resistentie
1.

De Partijen erkennen dat antimicrobiële resistentie een ernstige bedreiging voor de gezondheid van mens en dier vormt en dat het gebruik, met name het verkeerd gebruik van antimicrobiële stoffen bij dieren, een bijdrage levert aan de algemene ontwikkeling van antimicrobiële resistentie en een groot risico vormt voor de volksgezondheid. De Partijen erkennen dat de aard van de bedreiging een transnationale benadering vereist.

2.

Elke Partij bouwt het gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen als groeibevorderaars geleidelijk af.

3.

Elke Partij onderneemt in overeenstemming met de „één-gezondheid”-benadering het volgende:

  • a. neemt de bestaande en toekomstige richtsnoeren, normen, aanbevelingen en acties die zijn ontwikkeld in relevante internationale organisaties in aanmerking bij de ontwikkeling van initiatieven en nationale plannen ter bevordering van het voorzichtige en verantwoorde gebruik van antimicrobiële middelen bij de dierlijke productie en in de diergeneeskunde;
  • b. bevordert, indien de Partijen gezamenlijk daartoe beslissen, verantwoord en verstandig gebruik van antimicrobiële middelen, waaronder het beperken van het gebruik van antimicrobiële middelen in de dierlijke productie en het geleidelijk afbouwen van het gebruik van antimicrobiële middelen als groeibevorderaars in de dierlijke productie; en
  • c. ondersteunt de ontwikkeling en uitvoering van internationale actieplannen inzake de strijd tegen antimicrobiële resistentie indien de Partijen dat passend achten.
4.

Op grond van artikel 40.3, lid 3, kan de Gezamenlijke Raad of het Gemengd Comité een technische werkgroep oprichten om het in artikel 14.8 bedoelde subcomité te ondersteunen bij de uitvoering van dit artikel.

Artikel 14.8. Subcomité voor duurzame voedselsystemen
1.

Het Subcomité voor duurzame voedselsystemen (het „subcomité”) dat op grond van artikel 8.8, lid 1, is opgericht, bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen die verantwoordelijk zijn voor duurzame voedselsystemen.

2.

Het subcomité ziet toe op de uitvoering van dit hoofdstuk en bestudeert alle vragen die naar aanleiding van de uitvoering ervan rijzen.

3.

Het subcomité bereikt overeenstemming over de acties die moeten worden ondernomen bij het nastreven van de doelstellingen van dit hoofdstuk. Het subcomité stelt doelstellingen en mijlpalen voor die acties vast en houdt toezicht op de vooruitgang van de Partijen aangaande de invoering van duurzame voedselsystemen. Het subcomité evalueert tijdens elke periode de resultaten van de uitvoering van die acties.

4.

Het subcomité kan de Gezamenlijke Raad of het Gemengd Comité aanraden op grond van artikel 40.3, lid 3, technische werkgroepen op te richten die bestaan uit vertegenwoordigers op deskundigenniveau van elke Partij om technische en wetenschappelijke kwesties die met de uitvoering van dit hoofdstuk verband houden vast te stellen en aan te pakken.

5.

Het subcomité beveelt het Gemengd Comité aan regels vast te stellen teneinde potentiële belangenconflicten voor de deelnemers aan de bijeenkomsten van het subcomité en die aan alle in dit hoofdstuk vermelde technische werkgroepen te beperken. Het Gemengd Comité keurt een besluit tot vaststelling van die regels goed.

Artikel 14.9. Samenwerking in multilaterale fora
1.

De Partijen werken zo nodig samen in multilaterale fora om de mondiale transitie te bevorderen naar duurzame voedselsystemen die een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van internationaal overeengekomen doelstellingen inzake het milieu, de natuur en bescherming van het klimaat.

2.

Het subcomité is het forum om informatie uit te wisselen en samen te werken aan de onder lid 1 van dit artikel vallende aangelegenheden.

Artikel 14.10. Aanvullende bepalingen
1.

De activiteiten van het subcomité doen geen afbreuk aan de onafhankelijkheid van de nationale of regionale agentschappen van de Partijen.

2.

Niets in dit hoofdstuk doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van elke Partij om vertrouwelijke informatie te beschermen overeenkomstig het recht van elke Partij. Wanneer een Partij informatie voorlegt die uit hoofde van haar recht op grond van dit hoofdstuk als vertrouwelijk wordt beschouwd, wordt die informatie door die andere Partij vertrouwelijk behandeld, tenzij de Partij die de informatie voorlegt anders beslist.

3.

Met volledige inachtneming van het recht van elke Partij om regels vast te stellen, wordt niets in dit hoofdstuk uitgelegd als een verplichting voor een Partij om:

  • a. haar invoervereisten te wijzigen;
  • b. af te wijken van interne procedures inzake de voorbereiding en vaststelling van regelgevingsmaatregelen;
  • c. te handelen op een wijze die de tijdige vaststelling van regelgevingsmaatregelen ter verwezenlijking van de doelstellingen van overheidsbeleid zou ondermijnen of belemmeren; of
  • d. een specifiek resultaat inzake regelgeving goed te keuren.

HOOFDSTUK 15. ENERGIE EN GRONDSTOFFEN

Artikel 15.1. Doelstelling

Dit hoofdstuk heeft tot doel de dialoog en de samenwerking in de sectoren voor energie en grondstoffen tot wederzijds voordeel van de Partijen te bevorderen, duurzame en eerlijke handel en investeringen te stimuleren waarbij in die sectoren gelijke mededingingsvoorwaarden worden gegarandeerd en het concurrentievermogen van de verwante waardeketen, met inbegrip van het creëren van meerwaarde, te verhogen in overeenstemming met deze overeenkomst.

Artikel 15.2. Beginselen
1.

Elke Partij behoudt het soevereine recht om te bepalen of gebieden binnen haar grondgebied, alsook binnen haar exclusieve economische zone beschikbaar zijn voor exploratie, productie en vervoer van energiegoederen en grondstoffen.

2.

Overeenkomstig dit hoofdstuk herbevestigen de Partijen hun recht om voor hun respectieve grondgebied regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen op het gebied van energie en grondstoffen.

Artikel 15.3. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de bijlagen 15-A en 15-B wordt verstaan onder:

  • a. „vergunning”: de toestemming, licentie, concessie of een soortgelijk administratief of contractueel instrument waarmee de bevoegde autoriteit van een Partij een entiteit het recht toekent om in overeenstemming met de vereisten van de vergunning op haar grondgebied een bepaalde economische activiteit uit te oefenen;
  • b. „balancering”: alle acties en processen in alle tijdsbestekken waarmee de systeembeheerders voortdurend waarborgen dat de systeemfrequentie binnen een vooraf gedefinieerd stabiliteitsbereik blijft en dat voldoende reserves beschikbaar zijn om de vereiste kwaliteit te garanderen;
  • c. „energiegoederen”: goederen waaruit energie wordt opgewekt en die worden opgesomd per overeenkomstige GS-code in bijlage 15-A;
  • d. „koolwaterstoffen”: de goederen opgesomd per GS-code in bijlage 15-A;
  • e. „grondstoffen”: stoffen die worden gebruikt voor de vervaardiging van industriële producten; met inbegrip van ertsen, concentraten, slakken, assen en chemische producten; onbewerkte, verwerkte en geraffineerde materialen; metaalafval; schroot en schroot voor omsmelting, opgenomen in het overeenkomstige GS-hoofdstuk in bijlage 15-A;
  • f. „hernieuwbare energie”: energie geproduceerd uit zonne-energie, windenergie, waterkracht, geothermische energie, biologische energie, energie uit de oceanen of andere hernieuwbare omgevingsbronnen;
  • g. „hernieuwbare brandstoffen”: biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, met inbegrip van hernieuwbare synthetische brandstoffen en hernieuwbare waterstof;
  • h. „normen”: normen in de zin van hoofdstuk 16;
  • i. „systeembeheerder”:
  • i. voor de EU-Partij: een persoon die verantwoordelijk is voor de werking van, en voor het waarborgen van het onderhoud en de ontwikkeling van, het elektriciteitsdistributie- of transmissiesysteem in een bepaald gebied en voor het waarborgen van het vermogen van dergelijke systemen op de lange termijn; en
  • ii. voor Chili: een onafhankelijk orgaan dat verantwoordelijk is voor de coördinatie van de werking van onderling verbonden elektrische systemen, dat de doeltreffende economische prestaties en veiligheid en betrouwbaarheid van het elektrische systeem waarborgt en open toegang tot het transmissiesysteem verleent; en
  • j. „technische voorschriften”: technische voorschriften in de zin van hoofdstuk 16.
Artikel 15.4. Invoer- en uitvoermonopolies

Een Partij wijst noch invoer- of uitvoermonopolies aan, noch handhaaft zij die. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het begrip „invoer- of uitvoermonopolie” verstaan het exclusieve recht of de exclusieve verlening van een machtiging door een Partij aan een entiteit om energiegoederen of grondstoffen uit de andere Partij in te voeren of energiegoederen of grondstoffen naar de andere Partij uit te voeren19)Voor alle duidelijkheid: dit artikel laat de toepassing van de hoofdstukken 17, 18 en 29 en de lijsten in de bijlagen 17-A tot en met 17-C en 29 onverlet en het is niet van toepassing op een recht dat voortvloeit uit de verlening van een intellectueel-eigendomsrecht..

Artikel 15.5. Uitvoerprijzen20)Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat dit artikel de bepalingen van bijlage 29 onverlet laat.
1.

De Partijen stellen door middel van maatregelen, met inbegrip van licenties of eisen inzake minimumprijzen, geen hogere prijs vast voor de uitvoer van energiegoederen of grondstoffen naar de andere Partij dan de prijs die voor dergelijke goederen in rekening wordt gebracht wanneer zij bestemd zijn voor de binnenlandse markt.

2.

Niettegenstaande lid 1 van dit artikel kan Chili maatregelen invoeren of handhaven teneinde het creëren van meerwaarde te bevorderen door tegen preferentiële prijzen grondstoffen te leveren aan bedrijfstakken, zodat zij voet aan de grond kunnen krijgen in Chili, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen aan de in bijlage 15-B vastgestelde voorwaarden voldoen.

Artikel 15.6. Interne gereguleerde prijzen
1.

De Partijen erkennen het belang van concurrerende energiemarkten om een ruime keuze bij de levering van energiegoederen te bieden en het welzijn van de consument te verbeteren. De Partijen erkennen ook dat de behoefte aan regelgeving en de benaderingswijzen per markt kunnen verschillen.

2.

Ingevolge lid 1 ziet elke Partij er in overeenstemming met haar wet- en regelgeving op toe dat de levering van energiegoederen op marktbeginselen is gebaseerd.

3.

Een Partij mag de prijs die in rekening wordt gebracht voor de levering van energiegoederen alleen reguleren door een openbaredienstverplichting op te leggen.

4.

Indien een Partij een openbaredienstverplichting oplegt, ziet zij erop toe dat die verplichting duidelijk gedefinieerd, transparant en niet-discriminerend is en niet verder gaat dan nodig om de doelstellingen van de openbaredienstverplichting te verwezenlijken.

Artikel 15.7. Vergunning voor exploratie en productie van energiegoederen en grondstoffen
1.

Onverminderd hoofdstuk 20 moet een Partij, indien zij een vergunning verlangt voor de exploratie of productie van energiegoederen en grondstoffen, waarborgen dat die vergunning wordt verleend na een openbare en niet-discriminerende procedure21)Voor de duidelijkheid: in geval van strijdigheid tussen dit artikel en hoofdstukken 17 en 18 en bijlagen 17-A, 17-B en 17-C, hebben die hoofdstukken en bijlagen voorrang wat de strijdige punten betreft..

2.

De Partij publiceert onder meer het type vergunning, het betrokken gebied of het deel daarvan en de voorgestelde datum of termijn voor het verlenen van de vergunning, op zodanige wijze dat potentieel geïnteresseerde aanvragers een aanvraag kunnen indienen.

3.

Een Partij mag afwijken van lid 2 van dit artikel en van artikel 20.3 in elk van de volgende gevallen met betrekking tot koolwaterstoffen:

  • a. voor het gebied is eerder een procedure gevolgd die niet heeft geresulteerd in de verlening van een vergunning;
  • b. het gebied is permanent beschikbaar voor de exploratie of productie van energiegoederen en grondstoffen; of
  • c. een verleende vergunning is ingetrokken vóór de vervaldatum ervan.
4.

Elke Partij kan verlangen dat een entiteit waaraan een vergunning is verleend, een financiële bijdrage of een bijdrage in natura betaalt. De financiële bijdrage of de bijdrage in natura wordt vastgesteld op een wijze die het beheer en het besluitvormingsproces van die entiteit niet beïnvloedt.

5.

Elke Partij ziet erop toe dat de aanvrager, wanneer zijn aanvraag wordt afgewezen, in kennis wordt gesteld van de redenen voor de afwijzing, zodat de aanvrager indien nodig een beroeps- of toetsingsprocedure kan inleiden. De beroeps- of toetsingsprocedures worden vooraf openbaar gemaakt.

Artikel 15.8. Milieueffectbeoordeling
1.

Een Partij waarborgt dat een milieueffectbeoordeling22)Voor Chili, „milieueffectbeoordeling”: een onderzoek van de milieueffecten, zoals gedefinieerd in Wet 19.300, titel 1, artikel 2, letter i), of de opvolger daarvan, en zoals gereguleerd bij artikel 11 van dezelfde wet. wordt uitgevoerd voordat een vergunning wordt verleend voor projecten of activiteiten met betrekking tot energie of grondstoffen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de bevolking, de gezondheid van de mens, de biodiversiteit, het land, de bodem, het water, de lucht of het klimaat, of voor het cultureel erfgoed en het landschap. Die beoordeling identificeert en beoordeelt die aanzienlijke gevolgen.

2.

Elke Partij ziet erop toe dat de relevante informatie openbaar beschikbaar is als onderdeel van het proces voor de milieueffectbeoordeling, en biedt het publiek tijd en mogelijkheden om deel te nemen aan dat proces en om opmerkingen in te dienen.

3.

Elke Partij publiceert en houdt rekening met de bevindingen in de milieueffectbeoordeling voordat een vergunning wordt verleend voor het project of de activiteit.

Artikel 15.9. Toegang van derden tot energietransportinfrastructuur
1.

Elke Partij zorgt ervoor dat de exploitanten van het systeem op haar grondgebied alle entiteiten van een Partij op niet-discriminerende wijze toegang verlenen tot de energie-infrastructuur voor het transport van elektriciteit. De toegang tot de infrastructuur voor het transport van elektriciteit wordt zoveel mogelijk verleend binnen een redelijke termijn na de datum waarop de entiteit het verzoek om toegang heeft ingediend.

2.

Elke Partij ziet erop toe dat een entiteit van een Partij in overeenstemming met haar wet- en regelgeving onder redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, waaronder zonder discriminatie tussen soorten elektriciteitsbronnen, en tegen tarieven die kosten weerspiegelen, toegang krijgt tot en gebruik kan maken van de infrastructuur voor het transport van elektriciteit. Elke Partij maakt de voorwaarden voor de toegang tot en het gebruik van de infrastructuur voor het transport van elektriciteit bekend.

3.

Niettegenstaande lid 1 kan een Partij in haar wet- en regelgeving op basis van objectieve criteria specifieke afwijkingen van het recht op toegang van derden invoeren of handhaven, mits zij noodzakelijk zijn om een legitiem beleidsdoel te verwezenlijken. Dergelijke afwijkingen worden bekendgemaakt voordat zij van kracht worden.

4.

De Partijen erkennen de relevantie van de in leden 1, 2 en 3 bepaalde regels ook voor de gasinfrastructuur. Een Partij die dergelijke regels niet toepast met betrekking tot de gasinfrastructuur, streeft ernaar dat te doen, met name met betrekking tot het transport van hernieuwbare brandstoffen, en erkent tegelijkertijd de verschillen op het gebied van de ontwikkeling en de organisatie van de markt.

Artikel 15.10. Toegang tot infrastructuur voor leveranciers van elektriciteit geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen
1.

Onverminderd de artikelen 15.7, 15.9 en 15.11 zorgt elke Partij ervoor dat de leveranciers van hernieuwbare energie van de andere Partij onder redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang krijgen tot en gebruik kunnen maken van het elektriciteitsnetwerk voor de op haar grondgebied gevestigde faciliteiten voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit.

2.

Voor de toepassing van lid 1 zorgt elke Partij ervoor dat haar transmissieondernemingen en systeemexploitanten overeenkomstig haar wet- en regelgeving ten aanzien van de leveranciers van hernieuwbare elektriciteit van de andere Partij:

  • a. een verbinding tot stand brengen tussen de faciliteiten voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit en het elektriciteitsnetwerk, zonder discriminerende voorwaarden op te leggen;
  • b. het betrouwbaar gebruik van het elektriciteitsnetwerk mogelijk maken;
  • c. balanceringsdiensten verlenen; en
  • d. waarborgen dat passende net- en marktgerelateerde operationele maatregelen van kracht zijn teneinde de belemmeringen voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit tot een minimum te beperken.
3.

Lid 2 doet geen afbreuk aan het recht van elke Partij om op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria regelgeving voor haar grondgebied vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme doelstellingen van openbaar beleid zoals de noodzaak de stabiliteit van het elektriciteitssysteem te handhaven.

Artikel 15.11. Onafhankelijke instantie

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)