Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2023-12-13
State In force
Source BWB
artikelen 627
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. kapitaalinbreng;
  • b. winsten, dividenden, kapitaalwinsten en ander rendement, opbrengsten uit de verkoop van de gehele investering of een deel daarvan, of opbrengsten uit de gedeeltelijke of gehele liquidatie van de onder deze overeenkomst vallende investering;
  • c. uitkeringen van rente en royalty's, vergoedingen voor beheer, technische steun alsook andere vormen van vergoedingen;
  • d. betalingen in het kader van een contract gesloten door de investeerder van de andere Partij, of door een onder deze overeenkomst vallende investering, met inbegrip van betalingen op grond van een leenovereenkomst;
  • e. inkomsten en andere bezoldigingen van uit het buitenland aangeworven personeel dat werkzaam is in verband met een onder deze overeenkomst vallende investering;
  • f. betalingen op grond van de artikelen 17.18 en 17.19; en
  • g. betalingen die voortvloeien uit de toepassing van afdeling D.
2.

Een Partij mag haar investeerders niet verplichten tot overmaking van de inkomsten, verdiensten, winsten of andere bedragen die zijn verkregen uit of zijn toe te schrijven aan onder deze overeenkomst vallende investeringen op het grondgebied van de andere Partij, noch haar investeerders die zulks verzuimen, bestraffen.

Artikel 17.21. Subrogatie

Indien een Partij of een door die Partij aangewezen instantie een betaling doet aan een investeerder uit die Partij in het kader van een garantie, een verzekeringscontract of een andere vorm van schadevergoeding die zij met betrekking tot een onder deze overeenkomst vallende investering is aangegaan, erkent de andere Partij op wier grondgebied de onder deze overeenkomst vallende investering is gedaan, de subrogatie of overdracht van alle rechten die de investeerder, zonder die subrogatie, uit hoofde van dit hoofdstuk zou hebben gehad met betrekking tot de onder deze overeenkomst vallende investering, en oefent de investeerder die rechten niet uit voor zover het de subrogatie betreft.

Artikel 17.22. Beëindiging
1.

Indien deze overeenkomst op grond van artikel 41.13 wordt beëindigd, blijven deze afdeling en afdeling D vanaf de datum van beëindiging nog vijf jaar van kracht wat betreft investeringen die vóór de datum van beëindiging zijn gedaan.

2.

De in lid 1 bedoelde periode wordt eenmaal met vijf jaar verlengd, mits er geen andere investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Partijen van kracht is.

3.

Dit artikel is niet van toepassing wanneer de voorlopige toepassing van deze overeenkomst wordt beëindigd en deze overeenkomst niet in werking treedt.

Artikel 17.23. Verhouding tot andere overeenkomsten
1.

Zodra deze overeenkomst in werking treedt, zijn de in bijlage 17-F genoemde tussen de lidstaten en Chili gesloten overeenkomsten, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen, niet langer van kracht; zij komen te vervallen en worden door dit deel van deze overeenkomst vervangen.

2.

In geval van voorlopige toepassing van de afdelingen C en D van dit hoofdstuk overeenkomstig artikel 41.5, lid 2, wordt de toepassing van de in bijlage 17-F vermelde overeenkomsten, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen, geschorst vanaf de datum met ingang waarvan de Partijen de afdelingen C en D van dit hoofdstuk voorlopig toepassen overeenkomstig artikel 41.5. Indien de voorlopige toepassing van die afdelingen wordt beëindigd en deze overeenkomst niet in werking treedt, wordt de schorsing beëindigd en worden de in bijlage 17-F vermelde overeenkomsten weer van kracht.

3.

Niettegenstaande de leden 1 en 2 kan op grond van een in bijlage 17-F genoemde overeenkomst overeenkomstig de in die overeenkomst neergelegde voorschriften en procedures een vordering worden ingesteld op voorwaarde dat:

  • a. de vordering voortvloeit uit een vermeende schending van die overeenkomst die plaatsvond vóór de datum van schorsing van de overeenkomst op grond van lid 2 of, wanneer die overeenkomst niet wordt geschorst op grond van lid 2, vóór de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; en
  • b. niet meer dan drie jaar zijn verstreken vanaf de datum van schorsing van de overeenkomst op grond van lid 2 of, wanneer die overeenkomst niet wordt geschorst op grond van lid 2, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst tot de datum van instelling van de vordering.
4.

Niettegenstaande de leden 1 en 2 kan, wanneer de voorlopige toepassing van de afdelingen C en D van dit hoofdstuk wordt beëindigd en deze overeenkomst niet in werking treedt, op grond van deze overeenkomst overeenkomstig de in deze overeenkomst neergelegde voorschriften en procedures een vordering worden ingesteld op voorwaarde dat:

  • a. de vordering voortvloeit uit een vermeende inbreuk op deze overeenkomst die plaatsvond tijdens de voorlopige toepassing van de afdelingen C en D van dit hoofdstuk; en
  • b. niet meer dan drie jaar zijn verstreken sinds de datum van beëindiging van de voorlopige toepassing tot de datum van instelling van de vordering.
5.

De definitie van „inwerkingtreding van deze overeenkomst” in artikel 41.5 geldt niet voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 17.24. Verantwoord ondernemerschap
1.

Onverminderd hoofdstuk 33 moedigt elke partij onder deze overeenkomst vallende investeringen aan om in hun interne beleid internationaal erkende beginselen en richtsnoeren inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen of verantwoord ondernemerschap op te nemen, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten.

2.

De Partijen herbevestigen hoe belangrijk het is dat investeerders een zorgvuldigheidsprocedure volgen om de risico’s en effecten van hun investeringen op sociaal en milieugebied te identificeren, te voorkomen, te beperken en er verantwoording over af te leggen.

AFDELING D. BESLECHTING VAN INVESTERINGSGESCHILLEN EN STELSEL VAN INVESTERINGSGERECHTEN

ONDERAFDELING 1. TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 17.25. Toepassingsgebied en definities
1.

Deze afdeling is van toepassing op geschillen tussen een eiser van een Partij en de andere Partij, die voortvloeien uit een vermeende schending uit hoofde van artikel 17.9, lid 2, van artikel 17.11, lid 2, of van afdeling C, waarbij wordt gesteld dat die verlies of schade voor de eiser of zijn plaatselijk gevestigde onderneming meebrengt.

2.

Deze afdeling is ook van toepassing op tegenvorderingen overeenkomstig artikel 17.31.

3.

Over vorderingen met betrekking tot de herstructurering van de schulden van een Partij wordt beslist overeenkomstig bijlage 17-G.

4.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. „eiser”: een investeerder uit een Partij die partij is bij een investeringsgeschil met de andere Partij en die op grond van deze afdeling een vordering wenst in te dienen of heeft ingediend, hetzij:
  • i. namens zichzelf; of
  • ii. namens een plaatselijk gevestigde onderneming waarvan hij eigenaar is of waarover hij zeggenschap uitoefent; de plaatselijk gevestigde onderneming wordt behandeld als onderdaan van een andere verdragsluitende staat voor de toepassing van artikel 25, lid 2, punt b), van het Icsid-Verdrag;
  • b. „partijen bij het geschil”: de eiser en de verweerder;
  • c. „Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden”: de bepalingen betreffende de opening van aanvullende mogelijkheden voor het verlenen van administratieve diensten bij geschillen door het secretariaat van het Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen;
  • d. „Icsid-verdrag”: het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen staten en onderdanen van andere staten, gedaan te Washington op 18 maart 1965;
  • e. „plaatselijk gevestigde onderneming”: een rechtspersoon die gevestigd is op het grondgebied van een Partij en die eigendom is dan wel onder zeggenschap staat van een investeerder uit de andere Partij;46)Een rechtspersoon is: a) „eigendom” van een personen uit de andere Partij indien meer dan 50 % van het aandelenkapitaal in handen is van een persoon uit die Partij; b) voorwerp van zeggenschap door een persoon indien die persoon bevoegd is een meerderheid van de bestuurders ervan te benoemen of de handelingen van de rechtspersoon anderszins juridisch te sturen.
  • f. „Verdrag van New York”: het Verdrag van de Verenigde Naties over de erkenning en uitvoering van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, gedaan te New York op 10 juni 1958;
  • g. „niet bij het geschil betrokken Partij”: Chili, wanneer de verweerder de EU-Partij is, of de EU-Partij, wanneer de verweerder Chili is;
  • h. „procedure”: tenzij anders bepaald, een procedure voor het Gerecht of de Beroepsinstantie uit hoofde van deze afdeling;
  • i. „verweerder”: Chili, wanneer de eiser een investeerder uit de EU-Partij is, of de Europese Unie of de betrokken lidstaat zoals bepaald op grond van artikel 17.28, wanneer de eiser een investeerder uit Chili is;
  • j. „financiering door derden”: financiering verstrekt door een persoon die geen partij is bij het geschil, aan een partij bij het geschil, met het oog op de financiering van alle of een deel van de kosten van de procedure, hetzij tegen een vergoeding die afhangt van de uitkomst van het geschil, hetzij bij wijze van donatie of verstrekking van financiële steun47)Voor alle duidelijkheid: dergelijke financiering kan direct of indirect worden verstrekt aan een partij bij het geschil, haar gelieerde partij of haar vertegenwoordiger.;
  • k. Uncitral-arbitragevoorschriften: de arbitragevoorschriften van de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht (Uncitral); en
  • l. „Uncitral-transparantievoorschriften”: de voorschriften van Uncitral over transparantie van op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten.

ONDERAFDELING 2. ALTERNATIEVE GESCHILLENBESLECHTING EN OVERLEG

Artikel 17.26. Bemiddeling
1.

De partijen bij het geschil kunnen te allen tijde overeenkomen een beroep op bemiddeling te doen.

2.

Beroep op bemiddeling is vrijwillig en laat de rechtspositie van de partijen bij het geschil onverlet.

3.

De bemiddelingsprocedures worden beheerst door de regels van bijlage 17-H en, indien beschikbaar, de door het subcomité vastgestelde regels inzake bemiddeling48)Alle in bijlage 17-H vermelde termijnen kunnen met wederzijdse instemming van de partijen bij het geschil worden gewijzigd.. Het subcomité stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat de regels inzake bemiddeling uiterlijk op de eerste dag van de voorlopige toepassing of de inwerkingtreding van deze overeenkomst, naargelang het geval, maar in ieder geval uiterlijk twee jaar na die datum worden vastgesteld.

4.

Het subcomité stelt op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van zes personen van onbesproken gedrag met bewezen competentie op het gebied van recht, handel, industrie of financiën, op wie een beroep kan worden gedaan om een onafhankelijk oordeel te geven en die bereid en in staat zijn om als bemiddelaar op te treden.

5.

De bemiddelaar wordt benoemd met instemming van de partijen bij het geschil. De partijen bij het geschil kunnen de voorzitter van het Gerecht gezamenlijk verzoeken een bemiddelaar aan te wijzen uit de op grond van dit artikel opgestelde lijst of, bij ontstentenis van een dergelijke lijst, uit personen die door een van de Partijen zijn voorgedragen. Bemiddelaars voldoen mutatis mutandis aan bijlage 17-I.

6.

Indien de partijen bij het geschil overeenkomen een beroep te doen op bemiddeling, worden de in de artikelen 17.27, lid 5, 17.27, lid 8, 17.54, lid 10, en 17.55, lid 5, vastgestelde termijnen geschorst vanaf de datum waarop werd overeengekomen de partijen een beroep te doen op bemiddeling, tot de datum waarop een van de partijen bij het geschil besluit de bemiddeling te beëindigen, bij wege van een schriftelijke kennisgeving aan de bemiddelaar en de andere partij bij het geschil. Op verzoek van beide partijen bij het geschil schorst het Gerecht of de Beroepsinstantie de behandeling van de zaak.

Artikel 17.27. Overleg en minnelijke schikking
1.

Geschillen kunnen en worden voor zover mogelijk in der minne geschikt door middel van onderhandelingen, goede diensten of bemiddeling en, indien mogelijk, vóór de indiening van een verzoek om overleg op grond van dit artikel. Een dergelijke schikking kan te allen tijde worden overeengekomen, ook nadat de procedure op grond van onderverdeling 5 is ingeleid.

2.

Binnen 15 dagen nadat de onderling overeengekomen oplossing tussen de partijen bij het geschil is overeengekomen, wordt de niet bij het geschil betrokken Partij op grond van lid 1 in kennis gesteld van die onderling overeengekomen oplossing. Elke partij bij het geschil eerbiedigt de overeenkomstig dit artikel of artikel 17.26 bereikte onderling overeengekomen oplossing en leeft die na. Het subcomité houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van die onderling overeengekomen oplossing en de Partij bij de onderling overeengekomen oplossing brengt regelmatig verslag uit aan het subcomité over de tenuitvoerlegging van die oplossing.

3.

Indien een geschil niet kan worden beslecht zoals bepaald in lid 1 van dit artikel, dient een eiser uit een Partij die beweert dat de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen zijn geschonden en die een vordering wenst in te dienen, een verzoek om overleg in bij de andere Partij.

4.

Het verzoek bevat de volgende informatie:

  • a. de naam en het adres van de eiser en, indien het verzoek wordt ingediend namens een plaatselijk gevestigde onderneming, de naam, het adres en de plaats van oprichting van de plaatselijk gevestigde onderneming;
  • b. een omschrijving van de investering en van de eigendom ervan en de zeggenschap erover;
  • c. de bepalingen van artikel 17.25, lid 1, die zouden zijn geschonden;
  • d. de wettelijke en de feitelijke basis van de vordering, met inbegrip van de maatregel die de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen zou schenden;
  • e. de gevraagde maatregel(en) en het geraamde bedrag van de gevorderde schadevergoeding; en
  • f. informatie over de uiteindelijke begunstigde en de bedrijfsstructuur van de eiser en bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de eiser een investeerder uit de andere Partij is en eigenaar is van of zeggenschap heeft over de investering en, indien hij optreedt namens een plaatselijk gevestigde onderneming, dat hij eigenaar is van of zeggenschap heeft over die plaatselijk gevestigde onderneming.
5.

Tenzij de partijen bij het geschil een langere periode overeenkomen, begint het overleg binnen 60 dagen na de datum van indiening van het verzoek om overleg.

6.

Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, wordt het overleg gehouden:

  • a. in Santiago, indien het overleg betrekking heeft op een vermeende inbreuk door Chili;
  • b. in Brussel, indien het overleg betrekking heeft op een vermeende inbreuk door de Europese Unie; of
  • c. in de hoofdstad van de betrokken lidstaat, indien het overleg uitsluitend betrekking heeft op een vermeende inbreuk door die lidstaat.
7.

Indien de partijen bij het geschil zulks overeenkomen, kan overleg worden gepleegd door middel van een videoconferentie of op een andere passende wijze.

8.

Het verzoek om overleg wordt ingediend:

  • a. binnen drie jaar na de datum waarop de eiser of, indien de eiser optreedt namens de plaatselijk gevestigde onderneming, de datum waarop de plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis heeft verkregen of had moeten verwerven van de maatregel die onverenigbaar zou zijn met de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen en van het verlies of de schade die daardoor zou zijn geleden; of
  • b. binnen twee jaar na de datum waarop de eiser of, indien de eiser namens de plaatselijk gevestigde onderneming optreedt, de datum waarop de plaatselijk gevestigde onderneming haar vorderingen of procedures voor een binnenlandse rechterlijke instantie uit hoofde van het recht van een Partij staakt, en in ieder geval uiterlijk vijf jaar na de datum waarop de eiser of, indien de eiser optreedt namens de plaatselijk gevestigde onderneming, de datum waarop de plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis heeft verkregen of had moeten verwerven van de maatregel die onverenigbaar zou zijn met de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen en van het verlies of de schade die daardoor zou zijn geleden.
9.

Indien de eiser binnen 18 maanden na de indiening van het verzoek om overleg geen vordering op grond van artikel 17.30 heeft ingediend, wordt hij geacht zijn verzoek om overleg en, indien van toepassing, zijn mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder op grond van artikel 17.28 te hebben ingetrokken, en kan hij uit hoofde van deze afdeling geen vordering met betrekking tot dezelfde gestelde schending indienen. De bij het overleg betrokken partijen bij het geschil kunnen overeenkomen die termijn te verlengen.

10.

Een aanhoudende inbreuk mag niet leiden tot verlenging of onderbreking van de in lid 8 vermelde termijnen.

11.

Indien het verzoek om overleg betrekking heeft op een vermeende schending van deze overeenkomst door de EU-Partij, wordt het aan de Europese Unie toegezonden. Indien een vermeende inbreuk op deze overeenkomst door een lidstaat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 17.28, wordt het verzoek om overleg ook aan de betrokken lidstaat toegezonden.

ONDERAFDELING 3. INSTELLING VAN VORDERING EN VOORWAARDEN VOORAF

Artikel 17.28. Verzoek om bepaling van de verweerder
1.

Indien het geschil niet binnen 90 dagen na de indiening van het verzoek om overleg kan worden beslecht, het verzoek betrekking heeft op een vermeende schending van deze overeenkomst door de EU-Partij en de eiser voornemens is een procedure aanhangig te maken op grond van artikel 17.30, stuurt de eiser aan de Europese Unie een mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder.

2.

In de mededeling wordt aangegeven met betrekking tot welke maatregelen de eiser een procedure aanhangig wil maken. Indien een maatregel van een lidstaat van de Europese Unie wordt aangegeven, wordt de mededeling ook aan de betrokken lidstaat toegezonden.

3.

De EU-Partij deelt de eiser, nadat zij tot een bepaling is gekomen, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 60 dagen na de datum van ontvangst van de in lid 1 genoemde mededeling mee of de Europese Unie dan wel een lidstaat van de Europese Unie als verweerder optreedt49)Voor alle duidelijkheid: de EU-Partij verricht een dergelijke bepaling enkel op basis van de toepassing van Verordening (EU) nr. 912/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor het regelen van de financiële verantwoordelijkheid in verband met scheidsgerechten voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten die zijn ingesteld bij internationale overeenkomsten waarbij de Europese Unie partij is (PB EU L 257 van 28.8.2014, blz. 121)..

4.

Indien de eiser niet binnen 60 dagen na indiening van de in lid 3 genoemde mededeling in kennis is gesteld van de bepaling, is de verweerder:

  • a. de lidstaat, indien in de in lid 1 bedoelde mededeling uitsluitend maatregelen van een lidstaat worden vermeld; of
  • b. de Europese Unie, indien de maatregel of maatregelen die zijn vermeld in de in lid 1 bedoelde mededeling, maatregelen van de Europese Unie omvatten.
5.

Indien de eiser een vordering indient op grond van artikel 17.30, doet hij dat op basis van de meegedeelde bepaling als bedoeld in lid 3 van dit artikel en, indien die bepaling niet aan de eiser is meegedeeld, op basis van lid 4 van dit artikel.

6.

Indien de Europese Unie of een lidstaat als verweerder optreedt naar aanleiding van een vaststelling op grond van lid 3, mag de Europese Unie noch de betrokken lidstaat vaststellen dat een vordering niet-ontvankelijk is, dat het Gerecht niet bevoegd is of anderszins dat de vordering ongegrond of een uitspraak ongeldig is, op grond dat de verweerder eigenlijk de Europese Unie en niet de lidstaat zou moeten zijn, of omgekeerd.

7.

Het Gerecht en de Beroepsinstantie zijn gebonden door de op grond van lid 3 gedane bepaling of, indien die bepaling niet binnen 60 dagen aan de eiser is medegedeeld, door de vaststelling op basis van lid 4.

8.

Niets in deze overeenkomst of in de toepasselijke regels inzake geschillenbeslechting vormt een beletsel voor de uitwisseling van alle informatie over een geschil tussen de Unie en de betrokken lidstaat.

Artikel 17.29. Vereisten voor de instelling van een vordering
1.

Alvorens een vordering in te dienen, moet de eiser:

  • a. elke aanhangige vordering of procedure bij een nationaal of internationaal gerecht uit hoofde van het nationale of internationale recht intrekken met betrekking tot maatregelen die een inbreuk zouden vormen op de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen;
  • b. schriftelijk afzien van het instellen van vorderingen of aanhangig maken van procedures voor een nationaal of internationaal gerecht uit hoofde van het interne of internationale recht met betrekking tot maatregelen waarvan wordt gesteld dat zij een inbreuk vormen op de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen;
  • c. verklaren dat hij een uitspraak op grond van deze afdeling niet zal uitvoeren alvorens die definitief is geworden op grond van artikel 17.56, en dat hij niet bij een internationale of interne rechter tegen een op grond van deze afdeling gedane uitspraak in beroep zal gaan, noch zal verzoeken om toetsing, vernietiging, nietigverklaring of herziening daarvan, en evenmin zal trachten een andere soortgelijke procedure aanhangig te maken.
2.

Het Gerecht wijst een vordering van een eiser die bij het Gerecht of bij een andere interne of internationale rechterlijke instantie een andere vordering heeft ingediend, af met betrekking tot dezelfde maatregel als die waarvan wordt gesteld dat zij onverenigbaar is met de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen, tenzij de eiser die aanhangige vordering intrekt. Dit lid is niet van toepassing indien de eiser een vordering instelt bij een binnenlandse rechterlijke instantie met als doel een voorlopige voorziening of vaststelling te verkrijgen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel omvat de eiser de investeerder en, indien de investeerder namens de plaatselijk gevestigde onderneming handelde, de plaatselijk gevestigde onderneming. Voor de toepassing van lid 1, punt a), en lid 2, omvat de eiser ook:

  • a. indien een investeerder de vordering instelt namens zichzelf, alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een eigendomsbelang hebben in, of onder zeggenschap staan van, de investeerder en aanvoeren hetzelfde verlies of dezelfde schade50)Voor alle duidelijkheid: onder hetzelfde verlies of dezelfde schade wordt verstaan verlies of schade die voortvloeit uit dezelfde maatregel en die de persoon in dezelfde hoedanigheid als de eiser tracht te verhalen (als de eiser bijvoorbeeld een vordering instelt als aandeelhouder, zou deze bepaling betrekking hebben op een verbonden persoon die ook als aandeelhouder verhaal wil halen). te hebben geleden als de investeerder; of
  • b. indien een investeerder de vordering namens een plaatselijk gevestigde onderneming instelt, alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een eigendomsbelang hebben in, of onder zeggenschap staan van, de plaatselijk gevestigde onderneming en aanvoeren hetzelfde verlies of dezelfde schade51)Voor alle duidelijkheid: onder hetzelfde verlies of dezelfde schade wordt verstaan verlies of schade die voortvloeit uit dezelfde maatregel en die de persoon in dezelfde hoedanigheid als de eiser tracht te verhalen (als de eiser bijvoorbeeld een vordering instelt als aandeelhouder, zou deze bepaling betrekking hebben op een verbonden persoon die ook als aandeelhouder verhaal wil halen). te hebben geleden als de plaatselijk gevestigde onderneming.
Artikel 17.30. Instelling van een vordering
1.

Indien het geschil niet binnen zes maanden na de indiening van het verzoek om overleg kan worden beslecht en, in voorkomend geval, ten minste drie maanden zijn verstreken na de indiening van de mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder op grond van artikel 17.28, kan de eiser, mits hij voldoet aan de vereisten van dit artikel en van artikel 17.32, een vordering instellen bij het Gerecht.

2.

Een vordering kan worden ingesteld bij het Gerecht uit hoofde van een van de volgende reeksen regels inzake geschillenbeslechting:

  • a. het Icsid-Verdrag, op voorwaarde dat zowel de verweerder als de staat van de eiser partij zijn bij het Icsid-Verdrag;
  • b. de Icsid-bepalingen inzake aanvullende mogelijkheden, mits de verweerder of de staat van de eiser partij is bij het Icsid-Verdrag;
  • c. de Uncitral-arbitragevoorschriften; of
  • d. andere regels die op verzoek van de eiser door de partijen bij het geschil zijn overeengekomen.
3.

De in lid 2 bedoelde regels inzake geschillenbeslechting zijn van toepassing met inachtneming van de in deze afdeling vastgestelde regels, zoals aangevuld door de door het subcomité vastgestelde regels.

4.

Alle vorderingen die door de eiser zijn aangegeven bij de instelling van zijn vordering op grond van dit artikel moeten worden gebaseerd op informatie die is aangegeven in zijn verzoek om overleg op grond van artikel 17.27, lid 4, punten c) en d).

5.

Vorderingen die worden ingesteld namens een uit een aantal niet-geïdentificeerde eisers bestaande groep, of door een vertegenwoordiger die voornemens is de procedure te voeren in het belang van een aantal al dan niet geïdentificeerde eisers die alle namens hen te nemen besluiten met betrekking tot de procedure delegeren, zijn niet ontvankelijk.

6.

Voor alle duidelijkheid: een eiser mag geen vordering uit hoofde van deze afdeling instellen wanneer de investering is verricht door middel van bedrieglijke onjuiste voorstelling, het achterhouden van informatie, corruptie of gedragingen die misbruik van procedure opleveren.

Artikel 17.31. Tegenvorderingen
1.

De verweerder kan een tegenvordering instellen wegens niet-nakoming door een eiser van een internationale verplichting die van toepassing is op het grondgebied van beide Partijen52)Voor alle duidelijkheid: de in dit lid bedoelde verplichtingen zijn gebaseerd op juridische verbintenissen waarmee de Partijen hebben ingestemd. en die voortvloeit uit de feitelijke grondslag van de vordering53)De Gezamenlijke Raad geeft op verzoek van een Partij bindende uitleggingen op grond van artikel 17.38, lid 6, om de reikwijdte van de in dit lid bedoelde internationale verplichtingen te verduidelijken..

2.

De tegenvordering wordt uiterlijk in de contramemorie of het verweerschrift van de verweerder ingesteld, of in een later stadium van de procedure indien het Gerecht van oordeel is dat de vertraging in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was.

3.

Voor alle duidelijkheid: wanneer een eiser instemt met de procedures uit hoofde van deze afdeling als bedoeld in artikel 17.32, heeft die instemming ook betrekking op de indiening van tegenvorderingen door de verweerder.

Artikel 17.32. Instemming
1.

De verweerder stemt in met de instelling van een vordering uit hoofde van deze afdeling.

2.

De instemming uit hoofde van lid 1 en de indiening van een vordering uit hoofde van deze afdeling worden geacht te voldoen aan de voorschriften van:

  • a. artikel 25 van het Icsid-Verdrag en de Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden, wat de schriftelijke instemming van de partijen bij het geschil betreft; en
  • b. artikel II van het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, gedaan te New York op 10 juni 1958 (het „Verdrag van New York”), wat betreft een schriftelijke overeenkomst.
3.

De eiser wordt geacht zijn toestemming te geven overeenkomstig de procedures van deze afdeling op het tijdstip van instelling van een vordering op grond van artikel 17.30.

Artikel 17.33. Financiering door derden
1.

Indien een partij bij het geschil financiering van derden heeft ontvangen of ontvangt, of maatregelen heeft getroffen om financiering van derden te ontvangen, deelt de partij bij het geschil die daarvan profiteert, aan de andere partij bij het geschil en aan de formatie van het Gerecht of, indien de formatie van het Gerecht niet is ingesteld, aan de voorzitter van het Gerecht, de naam en het adres van de derde financier en, indien van toepassing, van de uiteindelijke begunstigde en bedrijfsstructuur mee.

2.

De partij bij het geschil doet de mededeling uit hoofde van lid 1 op het tijdstip van indiening van een vordering of, indien de derdenfinanciering na de indiening van een vordering wordt geregeld, onverwijld zodra de regeling is gesloten of de donatie of subsidie is gedaan. De partij bij het geschil stelt het Gerecht onmiddellijk in kennis van wijzigingen in de verstrekte informatie.

3.

Het Gerecht kan de openbaarmaking van nadere informatie over de financieringsregeling en de derde financier gelasten indien het dat in enig stadium van de procedure noodzakelijk acht.

ONDERAFDELING 4. INVESTMENT COURT SYSTEM (STELSEL VAN INVESTERINGSGERECHTEN)

Artikel 17.34. Gerecht van eerste aanleg
1.

Er wordt een Gerecht van eerste aanleg ingesteld („Gerecht”) voor de behandeling van op grond van artikel 17.30 ingediende vorderingen.

2.

Het Gemengd Comité wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst negen rechters van het Gerecht aan. Drie rechters zijn onderdanen van een lidstaat, drie rechters zijn onderdanen van Chili en drie rechters zijn onderdanen van een derde land. Bij de benoeming van de rechters wordt het Gemengd Comité aangemoedigd rekening te houden met diversiteit en een evenwichtige man-vrouwverhouding.

3.

Het Gemengd Comité kan besluiten het aantal rechters met een veelvoud van drie te verhogen of te verlagen. Aanvullende benoemingen geschieden volgens de criteria van lid 2.

4.

De rechters voldoen aan alle gestelde eisen om in het land waarvan zij onderdaan zijn een rechterlijk ambt te bekleden of staan bekend als kundige rechtsgeleerden. Zij beschikken over aantoonbare ervaring op het gebied van internationaal publiekrecht. Het is wenselijk dat zij op het gebied van internationaal investeringsrecht, internationaal handelsrecht en geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten over deskundigheid beschikken.

5.

De rechters worden benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar. Bij loting wordt de ambtstermijn van vijf rechters, namelijk twee onderdanen van een lidstaat, twee onderdanen van Chili en een onderdaan van een derde land, van de negen rechters die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden benoemd, evenwel verlengd tot acht jaar. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een rechter die wordt aangewezen ter vervanging van een rechter wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. Een rechter die bij het verstrijken van zijn of haar ambtstermijn zitting heeft in een formatie van het Gerecht kan met toestemming van de president van het Gerecht aanblijven als lid van die formatie totdat de procedures bij die formatie beëindigd zijn, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht aan te blijven als rechter van het Gerecht.

6.

Het Gerecht heeft een president en een vicepresident die, bijgestaan door een secretariaat, verantwoordelijk zijn voor organisatorische aangelegenheden. De president en de vicepresident worden door middel van loting voor een ambtstermijn van twee jaar aangewezen uit de rechters die onderdaan zijn van een derde land. Zij oefenen het ambt beurtelings uit, aangewezen door middel van loting door de medevoorzitters van het Gemengd Comité. De vicepresident vervangt de president wanneer die verhinderd is.

7.

Het Gerecht behandelt de zaken in formaties bestaande uit drie leden, van wie één onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, één onderdaan van Chili en één onderdaan van een derde land is. De formatie wordt voorgezeten door de rechter die onderdaan van een derde land is.

8.

Binnen 90 dagen na de instelling van een vordering op grond van artikel 17.30 stelt de president van het Gerecht beurtelings de samenstelling aan van de formatie van het Gerecht dat de zaak behandelt, waarbij hij erop toeziet dat de samenstelling van de formaties willekeurig en niet voorspelbaar is, en dat alle leden gelijke kansen hebben om als rechter te fungeren.

9.

Niettegenstaande lid 7 van dit artikel kunnen de partijen bij het geschil overeenkomen dat een zaak wordt behandeld door één enkele rechter die onderdaan van een derde land is en door de president van het Gerecht wordt aangewezen. De verweerder neemt een dergelijk verzoek van de eiser welwillend in overweging, met name wanneer de gevorderde schadeloosstelling of -vergoeding relatief laag is. Een dergelijk verzoek moet tegelijk met de indiening van de vordering worden ingediend op grond van artikel 17.30.

10.

Het Gerecht stelt zijn eigen werkprocedures vast, na overleg met de Partijen.

11.

De rechters moeten te allen tijde en op korte termijn beschikbaar zijn en moeten zich op de hoogte houden van de activiteiten ter zake van de geschillenbeslechting in het kader van dit deel van deze overeenkomst.

12.

Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de rechters een maandelijks voorschot waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij besluit van het Gemengd Comité. De president van het Gerecht en in voorkomend geval de vicepresident ontvangen voor elke dag dat zij op grond van deze afdeling de functie van president van het Gerecht uitoefenen een dagvergoeding die gelijk is aan de dagvergoeding die op grond van artikel 17.35, lid 11, wordt vastgesteld.

13.

Het voorschot wordt door de Partijen betaald, rekening houdend met hun respectieve ontwikkelingsniveaus, en wel op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen („Icsid”). Betaalt één van de Partijen het voorschot niet, dan kan de andere Partij ervoor kiezen het voorschot zelf te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding. Het Gemengd Comité herziet het bedrag en de verdeling van die vergoedingen regelmatig en kan relevante aanpassingen aanbevelen.

14.

Tenzij het Gemengd Comité een besluit neemt op grond van lid 15 van dit artikel, worden de andere honoraria en kostenvergoedingen van de rechters die zitting hebben in een formatie van het Gerecht vastgesteld op grond van artikel 14, lid 1, van het administratief en financieel reglement van het Icsid-verdrag zoals dat geldt op de datum van indiening van het vordering en door het Gerecht overeenkomstig artikel 17.54, leden 5, 6 en 7, verdeeld over de partijen bij het geschil.

15.

Bij besluit van het Gemengd Comité kunnen het voorschot en andere honoraria en kostenvergoedingen permanent worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In dat geval fungeren de rechters voltijds en stelt het Gemengd Comité hun beloning en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. De rechters die een reguliere bezoldiging ontvangen, mogen geen beroepswerkzaamheid al dan niet tegen beloning verrichten, tenzij van deze bepaling door de president van het Gerecht bij uitzondering afwijking is toegestaan.

16.

Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor het Gerecht en verleent het passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden door het Gerecht overeenkomstig artikel 17.54, leden 5, 6 en 7, verdeeld over de partijen bij het geschil.

Artikel 17.35. Beroepsinstantie
1.

Er wordt een permanente Beroepsinstantie ingesteld die hogere beroepen tegen uitspraken van het Gerecht behandelt.

2.

Het Gemengd Comité wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst zes leden van de Beroepsinstantie aan. Twee leden zijn onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, twee zijn onderdaan van Chili en twee zijn onderdaan van derde landen. Bij de benoeming van de leden van de Beroepsinstantie wordt het Gemengd Comité aangemoedigd na te gaan of er moet worden gezorgd voor diversiteit en een eerlijke vertegenwoordiging met betrekking tot gender.

3.

Het Gemengd Comité kan besluiten het aantal leden van de Beroepsinstantie met een veelvoud van drie te verhogen. Aanvullende benoemingen geschieden overeenkomstig de criteria van lid 2.

4.

De leden van de Beroepsinstantie voldoen aan alle gestelde eisen om in het land waarvan zij onderdaan zijn de hoogste rechterlijk ambten te bekleden of staan bekend als kundige rechtsgeleerden. Zij beschikken over aantoonbare ervaring op het gebied van internationaal publiekrecht. Het is wenselijk dat zij op het gebied van internationaal investeringsrecht, internationaal handelsrecht en geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten over deskundigheid beschikken.

5.

De leden van de Beroepsinstantie worden benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar. De ambtstermijn van drie van de zes leden die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst door middel van loting worden aangewezen, bedraagt evenwel acht jaar. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een lid dat wordt aangewezen ter vervanging van een lid wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. Een lid dat bij het verstrijken van zijn of haar ambtstermijn zitting heeft in een formatie van de Beroepsinstantie kan met toestemming van de president van de Beroepsinstantie aanblijven als lid van die formatie totdat de procedures bij die formatie beëindigd zijn, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht lid te blijven van de Beroepsinstantie.

6.

De Beroepsinstantie heeft een president en een vicepresident die, bijgestaan door een secretariaat, verantwoordelijk zijn voor organisatorische aangelegenheden. De president en de vicepresident worden door middel van loting voor een ambtstermijn van twee jaar aangewezen uit de leden die onderdaan zijn van een derde land. Zij oefenen het ambt beurtelings uit, aangewezen door middel van loting door de medevoorzitters van het Gemengd Comité. De vicepresident vervangt de president wanneer die verhinderd is.

7.

De Beroepsinstantie behandelt de hogere beroepen in formaties bestaande uit drie leden, van wie één onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, één onderdaan van Chili en één onderdaan van een derde land is. De formatie wordt voorgezeten door het lid dat onderdaan van een derde land is.

8.

De president van de Beroepsinstantie stelt bij toerbeurt de formatie van de Beroepsinstantie die het hoger beroep behandelt samen, en zorgt er daarbij voor dat de formaties willekeurig en onvoorspelbaar worden samengesteld, en dat alle leden gelijke kansen hebben om als lid van een formatie te fungeren.

9.

De Beroepsinstantie stelt haar eigen werkwijzen vast, na overleg met de Partijen.

10.

De leden van de Beroepsinstantie moeten te allen tijde en op korte termijn beschikbaar zijn en moeten zich op de hoogte houden van de andere activiteiten ter zake van de geschillenbeslechting in het kader van dit deel van deze overeenkomst.

11.

Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de leden van de Beroepsinstantie een maandelijks voorschot en een dagvergoeding voor elke dag dat zij als lid fungeren; de hoogte daarvan wordt vastgesteld bij besluit van het Comité. De president van de Beroepsinstantie en in voorkomend geval de vicepresident ontvangen voor elke dag dat zij op grond van deze afdeling de functie van president van de Beroepsinstantie uitoefenen een dagvergoeding.

12.

De bezoldiging van de leden van de Beroepsinstantie wordt door de Partijen betaald, rekening houdend met hun respectieve ontwikkelingsniveaus, op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de Partijen het voorschot niet, dan kan de andere Partij ervoor kiezen het voorschot zelf te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding. Het Gemengd Comité herziet het bedrag en de verdeling van die vergoedingen regelmatig en kan relevante aanpassingen aanbevelen.

13.

Bij besluit van het Gemengd Comité kunnen het voorschot en de dagvergoeding permanent worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In dat geval fungeren de leden van de Beroepsinstantie voltijds en stelt het Gemengd Comité hun salaris en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. De leden van de Beroepsinstantie die een reguliere bezoldiging ontvangen, mogen geen beroepswerkzaamheid al dan niet tegen beloning verrichten, tenzij van dit lid door de president van de Beroepsinstantie bij uitzondering afwijking is toegestaan.

14.

Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor de Beroepsinstantie en verleent het passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden door de Beroepsinstantie overeenkomstig artikel 17.54, leden 5, 6 en 7, verdeeld over de partijen bij het geschil.

Artikel 17.36. Ethische code
1.

De rechters van het Gerecht en de leden van de Beroepsinstantie worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden. Zij zijn niet verbonden aan enige overheid54)Voor alle duidelijkheid: het feit dat een persoon van de overheid een inkomen ontvangt, in het verleden voor de overheid heeft gewerkt of familiebanden heeft met een overheidsfunctionaris, betekent op zichzelf niet dat de persoon niet in aanmerking komt.. Zij aanvaarden geen instructies van enige overheid of organisatie in aangelegenheden met betrekking tot het geschil. Zij nemen niet deel aan de behandeling van geschillen die rechtstreeks of indirect tot een belangenconflict zouden kunnen leiden. Zij voldoen aan bijlage 17-I. Daarnaast treden zij na hun aanwijzing niet op als raadsman of als door een partij aangewezen deskundige of getuige in het kader van lopende of nieuwe investeringsgeschillen uit hoofde van deze of enige andere overeenkomst of intern rechtsstelsel.

2.

Wanneer een partij bij het geschil van mening is dat een rechter van het Gerecht of een lid van de Beroepsinstantie niet aan de vereisten van lid 1 voldoet, zendt zij de president van het Gerecht of de president van de Beroepsinstantie, indien van toepassing, een bericht van wraking ten aanzien van de persoon die voorwerp is van de aanwijzing. Het bericht van wraking wordt verzonden binnen 15 dagen na de datum waarop de samenstelling van de formatie van het Gerecht of van de Beroepsinstantie is meegedeeld aan de partij bij het geschil, dan wel binnen 15 dagen na de datum waarop de partij bij het geschil kennis heeft gekregen van de relevante feiten indien die redelijkerwijs niet bekend konden zijn geweest op het tijdstip van de samenstelling van de formatie. In het bericht van wraking worden de gronden voor wraking vermeld.

3.

Indien de gewraakte rechter van het Gerecht of het gewraakte lid van de Beroepsinstantie er binnen 15 dagen na de datum van het bericht van wraking voor kiest zijn functie in de formatie niet neer te leggen, neemt de president van het Gerecht, respectievelijk de president van de Beroepsinstantie al naar gelang van het geval, na de partijen bij het geschil te hebben gehoord en na de rechter van het Gerecht of het lid van de Beroepsinstantie in de gelegenheid te hebben gesteld opmerkingen in te dienen, binnen 45 dagen na ontvangst van het bericht van wraking een besluit en stelt hij de partijen bij het geschil en de andere rechters of leden van de formatie daarvan onmiddellijk in kennis.

4.

Over de wraking van de president van het Gerecht als lid van een formatie beslist de president van de Beroepsinstantie, en omgekeerd.

5.

De Partijen kunnen op grond van een met redenen omklede aanbeveling van de president van de Beroepsinstantie55)Deze aanbeveling doet geen afbreuk aan het vermogen van het Gemengd Comité om de aandacht van de president van de Beroepsinstantie te vestigen op het gedrag van een rechter van het Gerecht of een lid van de Beroepsinstantie dat onverenigbaar kan zijn met de in lid 1 genoemde verplichtingen en onverenigbaar kan zijn met hun lid blijven van het Gerecht of de Beroepsinstantie., bij besluit van het Comité, een lid van het Gerecht of van de Beroepsinstantie van zijn mandaat ontheffen wanneer zijn of haar gedrag in strijd is met de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichtingen en onverenigbaar is met de voortzetting van het mandaat van lid van het Gerecht of van de Beroepsinstantie. Indien het vermeende gedrag in kwestie uitgaat van de president van de Beroepsinstantie, doet de president van het Gerecht de met redenen omklede aanbeveling. Artikel 17.34, lid 2, en artikel 17.35, lid 2, zijn van overeenkomstige toepassing voor het opvullen van vacatures die op grond van dit lid ontstaan.

Artikel 17.37. Multilateraal geschillenbeslechtingsmechanisme

De Partijen streven ernaar samen te werken voor de oprichting van een multilateraal investeringsgerecht en de instelling van een multilaterale beroepsmogelijkheid voor de beslechting van investeringsgeschillen. Met ingang van de inwerkingtreding tussen de partijen van een internationale overeenkomst die voorziet in een dergelijk multilateraal mechanisme dat van toepassing is op geschillen in het kader van dit deel van deze overeenkomst, zijn de relevante delen van deze afdeling niet langer van toepassing. Het Gemengd Comité kan een besluit tot precisering van eventueel noodzakelijke overgangsregelingen vaststellen.

ONDERAFDELING 5. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Artikel 17.38. Toepasselijk recht en interpretatieregels
1.

Het Gerecht bepaalt of de maatregel ten aanzien waarvan de eiser een vordering indient, onverenigbaar is met een van de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen.

2.

Bij een dergelijke vaststelling past het Gerecht deze overeenkomst en andere tussen de Partijen van toepassing zijnde regels van internationaal recht toe. Het legt deze overeenkomst uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, zoals neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht.

3.

Voor alle duidelijkheid: het Gerecht neemt, bij de vaststelling of een maatregel verenigbaar is met de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen, waar relevant het recht van een Partij in aanmerking. Daarbij volgt het Gerecht de heersende uitlegging van dat recht door de rechterlijke instanties of de autoriteiten van die Partij, en de rechterlijke instanties of de autoriteiten van die Partij zijn niet gebonden aan de uitlegging die het Gerecht aan dat recht geeft.

4.

Voor alle duidelijkheid: het Gerecht is niet bevoegd de wettigheid van een maatregel waarvan wordt gesteld dat die een schending van de in artikel 17.25, lid 1, genoemde bepalingen vormt, te toetsen aan het recht van de Partij bij het geschil.

5.

Voor alle duidelijkheid: indien een investeerder uit een Partij een vordering uit hoofde van deze afdeling indient, met inbegrip van een bewering dat een Partij artikel 17.17 heeft geschonden, rust de bewijslast voor die bewering op de investeerder, in overeenstemming met de algemene beginselen van internationaal recht die op het geschil van toepassing zijn.

6.

Wanneer er ernstige problemen rijzen met betrekking tot de uitlegging van afdeling C56)Zoals bedoeld in artikel 17.25. of D, kan de Gezamenlijke Raad besluiten tot uitlegging van deze overeenkomst vaststellen. Een dergelijke uitlegging is bindend voor het Gerecht en de Beroepsinstantie. De Gezamenlijke Raad kan beslissen dat een uitlegging met ingang van een specifieke datum een bindend karakter heeft.

Artikel 17.39. Interpretatie van de bijlagen
1.

Na een verzoek om overleg op grond van artikel 17.27, lid 3, kan de verweerder het subcomité schriftelijk verzoeken vast te stellen of en, zo ja, in hoeverre de maatregel waarop het verzoek om overleg betrekking heeft, binnen het toepassingsgebied van een niet-conforme maatregel als bedoeld in bijlage 17-A of 17-B valt.

2.

Het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek om overleg bij het subcomité ingediend. Op verzoek aan het subcomité worden de in de artikelen 17.27, lid 5, 17.27, lid 8, 17.54, lid 10, en 17.55, lid 5, bedoelde termijnen geschorst.

3.

Het subcomité tracht te goeder trouw de gevraagde vaststelling te doen. Een dergelijke vaststelling wordt onverwijld aan de partijen bij het geschil meegedeeld.

4.

Indien het subcomité binnen drie maanden na het verzoek geen vaststelling heeft gedaan, is de schorsing van die termijnen niet langer van toepassing.

Artikel 17.40. Overige vorderingen

Indien vorderingen worden ingesteld op grond van deze afdeling, hoofdstuk 38 of een andere internationale overeenkomst met betrekking tot dezelfde vermeende schending van de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde bepalingen, en er mogelijk sprake is van overlappende schadevergoeding, of indien de vorderingen op grond van de andere internationale overeenkomst aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de beslechting van de op grond van deze afdeling ingestelde vordering, houdt het Gerecht waar relevant, na de partijen bij het geschil te hebben gehoord, in zijn beslissing, beschikking of uitspraak rekening met procedures op grond van hoofdstuk 38 of de andere internationale overeenkomst. Daartoe kan het Gerecht ook de behandeling van de zaak schorsen. Bij de toepassing van dit artikel eerbiedigt het Gerecht artikel 17.54, lid 10.

Artikel 17.41. Anti-ontwijking

Voor alle duidelijkheid: het Gerecht verklaart zich onbevoegd indien het geschil is ontstaan of redelijkerwijs te voorzien was op het tijdstip waarop de eiser de eigendom van of zeggenschap over de investering waarop het geschil betrekking heeft, verwierf of een bedrijfsreorganisatie doorvoerde, op voorwaarde dat het Gerecht op basis van de feiten van de zaak vaststelt dat de eiser de eigendom van of zeggenschap over de investering heeft verworven of de bedrijfsreorganisatie heeft doorgevoerd met als hoofddoel de vordering krachtens deze afdeling in te leiden. De mogelijkheid om zich in dergelijke omstandigheden onbevoegd te verklaren laat eventuele andere voor het Gerecht opgeworpen excepties ten aanzien van de bevoegdheid onverlet.

Artikel 17.42. Kennelijk oneigenlijke vorderingen
1.

De verweerder kan, uiterlijk 30 dagen na de instelling van de formatie van het Gerecht op grond van artikel 17.34, lid 7, en in elk geval vóór de eerste zitting van de formatie van het Gerecht, of uiterlijk 30 dagen nadat de verweerder op de hoogte kwam van de feiten waarop de exceptie gebaseerd is, een exceptie opwerpen dat een vordering kennelijk oneigenlijk is.

2.

De verweerder geeft de gronden voor de exceptie zo nauwkeurig mogelijk aan.

3.

Nadat het Gerecht de partijen bij het geschil in de gelegenheid heeft gesteld om hun opmerkingen over de exceptie te maken, neemt het op de eerste zitting van zijn formatie of onverwijld daarna een beslissing over of doet het voorlopig uitspraak op de exceptie, met opgave van de redenen. Wordt de exceptie na de eerste zitting van zijn formatie opgeworpen, dan neemt het Gerecht zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk 120 dagen nadat de exceptie is opgeworpen, een beslissing over de exceptie of doet het voorlopig uitspraak daarop. Bij de beslissing over de exceptie gaat het Gerecht ervan uit dat de door de eiser aangevoerde feiten waar zijn, en kan het ook rekening houden met relevante feiten die niet in geschil zijn.

4.

De beslissing of de uitspraak van het Gerecht laat het recht van een partij bij het geschil om op grond van artikel 17.43 of tijdens de procedure aan te voeren dat een vordering rechtens ongegrond is alsook de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken, onverlet.

Artikel 17.43. Rechtens ongegronde vorderingen
1.

Onverminderd de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken en onverminderd het recht van de verweerder om op een gepast tijdstip excepties op te werpen, onderzoekt het Gerecht vóór de behandeling ten principale en doet het vóór de behandeling ten principale uitspraak op elke door de verweerder opgeworpen exceptie dat ten aanzien van een uit hoofde van deze afdeling ingediende vordering, of een onderdeel daarvan, rechtens geen voor de eiser gunstige uitspraak kan worden gedaan uit hoofde van artikel 17.54, ook indien de vermeende feiten geacht worden juist te zijn. Het Gerecht kan ook andere relevante, niet in geschil zijnde feiten in aanmerking nemen.

2.

Een exceptie op grond van lid 1 van dit artikel moet zo spoedig mogelijk na de formatie van het Gerecht bij het Gerecht worden opgeworpen, en in elk geval uiterlijk op de door het Gerecht vastgestelde datum waarop de verweerder zijn contramemorie of verweerschrift moet indienen bij het Gerecht. Een exceptie op grond van lid 1, kan niet worden opgeworpen zolang de procedure uit hoofde van artikel 17.42 aanhangig is, tenzij het Gerecht, na terdege rekening te hebben gehouden met de omstandigheden van het geval, toestemming verleent een exceptie uit hoofde van dit artikel op te werpen.

3.

Na ontvangst van een exceptie op grond van lid 1 en tenzij het van oordeel is dat de exceptie kennelijk ongegrond is, schorst het Gerecht de procedure ten gronde, stelt het een tijdschema voor het onderzoek van de exceptie op dat is afgestemd op de tijdschema’s die het voor het onderzoek van eventuele andere preliminaire kwesties heeft opgesteld, en neemt het een beslissing over of doet het voorlopig uitspraak op de exceptie, met opgave van de redenen.

Artikel 17.44. Transparantie
1.

De Uncitral-transparantievoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op geschillen uit hoofde van deze afdeling, naast de volgende voorschriften.

2.

De volgende documenten worden opgenomen in de lijst van documenten als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Uncitral-transparantievoorschriften: de in artikel 17.26 van deze overeenkomst bedoelde overeenkomst om gebruik te maken van bemiddeling, het verzoek om overleg als bedoeld in artikel 17.27 van deze overeenkomst, de mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder en de bepaling van de verweerder als bedoeld in artikel 17.28 van deze overeenkomst, het bericht van wraking en de beslissing over de wraking als bedoeld in artikel 17.36 van deze overeenkomst, en het in artikel 17.53 van deze overeenkomst bedoelde verzoek om voeging.

3.

Voor alle duidelijkheid: bewijsstukken kunnen aan het publiek beschikbaar worden gesteld in overeenstemming met artikel 3, lid 3, van de Uncitral-transparantievoorschriften.

4.

Niettegenstaande artikel 2 van de Uncitral-transparantievoorschriften, maakt de EU-Partij of Chili naar gelang van het geval, tijdig en vóór de samenstelling van de formatie, het in artikel 17.27 van deze overeenkomst bedoelde verzoek om overleg, het verzoek om bepaling van de verweerder en de bepaling van de verweerder als bedoeld in artikel 17.28 van deze overeenkomst openbaar, waarbij de vertrouwelijke of beschermde informatie wordt weggelaten57)Voor alle duidelijkheid: vertrouwelijke of beschermde informatie is informatie zoals gedefinieerd in en vastgesteld op grond van artikel 7 van de Uncitral-transparantievoorschriften.. Dergelijke documenten kunnen openbaar worden gemaakt door middel van mededeling aan het in de Uncitral-transparantievoorschriften bedoelde register.

5.

Elke partij bij het geschil die voornemens is tijdens een hoorzitting gebruik te maken van als vertrouwelijk of beschermd aangemerkte informatie, stelt het Gerecht daarvan in kennis.

6.

Een partij bij het geschil die beweert dat bepaalde informatie vertrouwelijke of beschermde informatie is, wijst die duidelijk als zodanig aan wanneer die aan het Gerecht wordt voorgelegd.

7.

Voor alle duidelijkheid: niets in deze afdeling verplicht de verweerder om informatie die krachtens zijn recht openbaar moet worden gemaakt, aan het publiek te onthouden.

Artikel 17.45. Voorlopige maatregelen

Het Gerecht kan voorlopige beschermingsmaatregelen gelasten met het doel de rechten van een partij bij het geschil te beschermen of de volledige uitoefening van zijn eigen bevoegdheid te verzekeren, met inbegrip van een bevel tot bescherming van bewijsmateriaal dat zich in het bezit of in de macht van een partij bij het geschil bevindt of tot bescherming van zijn eigen bevoegdheid. Het Gerecht gelast de inbeslagneming van vermogensbestanddelen niet, en belet niet de toepassing van de behandeling waarvan wordt gesteld dat zij een schending vormt.

Artikel 17.46. Afstand van instantie

Wanneer de eiser, na de instelling van een vordering krachtens deze afdeling, gedurende 180 opeenvolgende dagen na die indiening, of gedurende een door de partijen bij het geschil overeengekomen periode geen procedurele maatregelen heeft genomen, wordt hij geacht zijn vordering te hebben ingetrokken en afstand van instantie te hebben gedaan. Op verzoek van de verweerder en na kennisgeving aan de partijen bij het geschil neemt het Gerecht middels een beschikking akte van de afstand van instantie en beslist het over de kosten. Nadat een dergelijke beschikking is gegeven, is het Gerecht niet langer bevoegd. De eiser kan vervolgens geen vordering betreffende dezelfde aangelegenheid instellen.

Artikel 17.47. Zekerheidstelling voor kosten
1.

Voor alle duidelijkheid: het Gerecht kan, op verzoek van de verweerder, de eiser gelasten zekerheid te stellen voor alle of een deel van de kosten, indien er gerede gronden zijn om aan te nemen dat het risico bestaat dat de eiser niet in staat is aan een mogelijke verwijzing in de kosten te voldoen.

2.

Indien er binnen een termijn van 30 dagen nadat het Gerecht zulks heeft gelast, of binnen een andere door het Gerecht vastgestelde termijn, geen volledige zekerheid voor de kosten wordt gesteld, stelt het Gerecht de partijen bij het geschil daarvan in kennis en kan het de schorsing of de beëindiging van de procedure gelasten.

3.

Het Gerecht houdt rekening met alle bewijzen die zijn verstrekt met betrekking tot de in lid 1 bedoelde omstandigheden, met inbegrip van het bestaan van financiering door derden.

Artikel 17.48. De niet bij het geschil betrokken Partij
1.

De verweerder verstrekt uiterlijk 30 dagen na ontvangst ervan of onmiddellijk nadat een geschil betreffende vertrouwelijke of beschermde informatie is opgelost, aan de niet bij het geschil betrokken Partij:

  • a. het verzoek om overleg als bedoeld in artikel 17.27, het bericht waarin om een bepaling als bedoeld in artikel 17.28 wordt verzocht, de in artikel 17.30 bedoelde vordering en alle andere documenten die bij die documenten zijn gevoegd;
  • b. op verzoek van de niet bij het geschil betrokken Partij:
  • i. de procedurestukken, dossierstukken, verzoekschriften en andere door een partij bij het geschil bij het Gerecht ingediende stukken;
  • ii. door een derde bij het Gerecht ingediende schriftelijke opmerkingen;
  • iii. de processen-verbaal of verslagen van de zittingen van het Gerecht, indien beschikbaar; en
  • iv. de beschikkingen, uitspraken en beslissingen van het Gerecht; en
  • c. op verzoek en voor rekening van de niet bij het geschil betrokken Partij, alle of een deel van de aan het Gerecht overgelegde bewijsstukken.
2.

De niet bij het geschil betrokken Partij heeft het recht om een uit hoofde van deze afdeling gehouden zitting bij te wonen.

3.

Het Gerecht aanvaardt of kan, na overleg met de partijen bij het geschil, verzoeken om schriftelijke of mondelinge opmerkingen over kwesties in verband met de interpretatie van deze overeenkomst, van de niet bij het geschil betrokken Partij. Het Gerecht ziet erop toe dat de partijen bij het geschil een redelijke gelegenheid wordt geboden om hun opmerkingen in te dienen over opmerkingen van de niet bij het geschil betrokken Partij.

Artikel 17.49. Interventie door derden
1.

Het Gerecht staat eenieder die een rechtstreeks en actueel belang in de specifieke omstandigheden van het geschil kan aantonen („de interveniënt”), toe als derde partij te interveniëren. De interventie beperkt zich ertoe de rechtspositie van een van de partijen bij het geschil geheel of gedeeltelijk te ondersteunen.

2.

Een verzoek tot interventie moet worden ingediend binnen 90 dagen na de bekendmaking van de indiening van de vordering op grond van artikel 17.30. Het Gerecht doet binnen 90 dagen na de indiening ervan uitspraak over het verzoek, na de partijen bij het geschil in de gelegenheid te hebben gesteld hun opmerkingen in te dienen.

3.

Indien het verzoek tot interventie wordt ingewilligd, ontvangt de interveniënt een afschrift van elke procesbeschikking die aan de partijen bij het geschil is betekend, behalve, in voorkomend geval, vertrouwelijke of beschermde informatie. De interveniënt kan een memorie in interventie indienen binnen een termijn die het Gerecht na de mededeling van de beschikkingen in de procedure vaststelt. De partijen bij het geschil hebben de gelegenheid om op de memorie in interventie te antwoorden. De interveniënt mag de in het kader van deze afdeling gehouden hoorzittingen bijwonen en kan een mondelinge verklaring afleggen.

4.

In geval van hoger beroep is de interveniënt gerechtigd te interveniëren voor de Beroepsinstantie. Lid 3 is van overeenkomstige toepassing.

5.

Het bij dit artikel verleende recht om in te grijpen doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het Gerecht om stellingnamen als amicus curiae van derden toe te laten die een aanzienlijk belang bij de procedure hebben, overeenkomstig artikel 4 van de Uncitral-transparantievoorschriften.

6.

Voor alle duidelijkheid: het feit dat een persoon schuldeiser van de eiser is, wordt op zich niet voldoende geacht om aan te tonen dat die persoon een rechtstreeks en actueel belang heeft in de specifieke omstandigheden van het geschil.

Artikel 17.50. Deskundigenrapporten

Onverminderd de benoeming van deskundigen van andere aard wanneer de in artikel 17.30, lid 2, bedoelde toepasselijke regels zulks toestaan, kan het Gerecht, op verzoek van een partij bij het geschil of op eigen initiatief na overleg met de partijen bij het geschil, een of meer deskundigen aanwijzen om hem schriftelijk verslag uit te brengen over een feitelijke aangelegenheid, zoals milieu-, gezondheids- of veiligheidskwesties, of andere kwesties die door een partij bij het geschil in de procedure aan de orde worden gesteld.

Artikel 17.51. Schadevergoeding en andere vormen van schadevergoeding

Het Gerecht mag niet bij wijze van geldig verweer of soortgelijke vordering aanvaarden dat de eiser of de plaatselijk gevestigde onderneming met betrekking tot de volledige of een deel van de schadeloosstelling die in een op grond van deze afdeling aanhangig gemaakt geschil wordt gevorderd, op grond van een verzekerings- of borgstellingsovereenkomst een schadeloosstelling of andere vorm van schadevergoeding heeft of zal ontvangen.

Artikel 17.52. Rol van de Partijen
1.

Een Partij mag geen internationale vordering instellen met betrekking tot een op grond van artikel 17.30 ingediende vordering, tenzij de andere Partij de in het geschil gedane uitspraak niet heeft geëerbiedigd of niet is nagekomen. Dat sluit niet uit dat in verband met een algemeen toepasselijke maatregel een beroep kan worden gedaan op geschillenbeslechting krachtens hoofdstuk 38, ook indien wordt gesteld dat die maatregel deze overeenkomst heeft geschonden met betrekking tot een specifieke investering ten aanzien waarvan een geschil is geïnitieerd op grond van artikel 17.30. Dit lid laat artikel 17.48 onverlet.

2.

Lid 1 vormt geen beletsel voor informele uitwisselingen die uitsluitend tot doel hebben de beslechting van het geschil te vergemakkelijken.

Artikel 17.53. Voeging
1.

Wanneer in twee of meer uit hoofde van deze afdeling afzonderlijk ingestelde vorderingen dezelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die vorderingen uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, kan de verweerder bij de president van het Gerecht een verzoek om voeging van die vorderingen of bepaalde onderdelen daarvan indienen. Het verzoek om voeging vermeldt:

  • a. de naam en het adres van de partijen bij het geschil die de vorderingen hebben ingesteld in het kader waarvan om voeging wordt verzocht;
  • b. het verzoek of onderdelen daarvan waarvoor om voeging wordt verzocht; en
  • c. de gronden voor het verzoek om voeging.
2.

De verweerder doet het verzoek ook toekomen aan elke eiser die een vordering heeft ingesteld waarvoor de verweerder om voeging verzoekt.

3.

Wanneer alle partijen bij het geschil die de vorderingen hebben ingesteld waarvoor om voeging wordt verzocht, overeenstemming bereiken over de voeging van de vorderingen, dienen zij een gezamenlijk verzoek bij de president van het Gerecht in op grond van lid 1. Tenzij de president van het Gerecht vaststelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, vormt de president van het Gerecht binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek een nieuwe formatie (de „formatie die uitspraak doet over de voeging”) van het Gerecht op grond van artikel 17.34, die bevoegd is voor sommige of alle vorderingen, geheel of gedeeltelijk, waarop dat verzoek betrekking heeft.

4.

Wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde partijen bij het geschil niet binnen 30 dagen nadat de laatste eiser het in lid 1 bedoelde verzoek om voeging heeft ontvangen, overeenstemming over de voeging bereiken, stelt de president van het Gerecht op grond van artikel 17.34 een formatie samen die uitspraak over de voeging doet. De formatie die over de voeging uitspraak doet, neemt de bevoegdheid ten aanzien van sommige of alle vorderingen geheel of gedeeltelijk over indien zij, na de standpunten van de partijen bij het geschil in overweging te hebben genomen, ervan overtuigd is dat de op grond van artikel 17.30 ingediende vorderingen beide betrekking hebben op een rechtsvraag of feitelijke vraag die voortvloeit uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden, en dat de voeging het beste het belang zou dienen van een eerlijke en efficiënte afwikkeling van de vorderingen, met inbegrip van het belang van consistente uitspraken.

5.

Indien de eisers niet binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om gevoegde behandeling door de laatste eiser overeenstemming hebben bereikt over de geschillenbeslechtingsregels die zijn vastgesteld in de lijst in artikel 17.30, lid 2, wordt de voeging van de vorderingen voorgelegd aan de voegingsformatie die uitspraak doet uit hoofde van de Uncitral-arbitragevoorschriften, met inachtneming van de regels van deze afdeling.

6.

De op grond van artikel 17.34 samengestelde formaties van het Gerecht zijn niet langer bevoegd uitspraak te doen over vorderingen, of onderdelen daarvan, ten aanzien waarvan de formatie die uitspraak over de voeging doet bevoegd is, en de procedure bij die formaties wordt geschorst. De uitspraak van de formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, over de onderdelen van de vorderingen ten aanzien waarvan zij zich bevoegd heeft verklaard, is voor de formaties die bevoegd zijn ten aanzien van de overige onderdelen van die vorderingen bindend vanaf de datum waarop de uitspraak op grond van artikel 17.56 definitief wordt.

7.

Een eiser wiens vordering voorwerp van voeging is, kan zijn vordering, of het te voegen onderdeel ervan, intrekken uit de geschillenbeslechtingsprocedure uit hoofde van dit artikel en in dat geval kan die vordering of het onderdeel daarvan niet opnieuw worden ingediend op grond van artikel 17.30.

8.

Op verzoek van de verweerder kan de formatie van het Gerecht die uitspraak doet over de voeging, op dezelfde grondslag en met hetzelfde gevolg als bedoeld in de leden 3 tot en met 6, bepalen of zij zich bevoegd verklaart om kennis te nemen van een onder lid 1 vallende vordering, of een onderdeel daarvan, die wordt ingesteld na de inleiding van de voegingsprocedure.

9.

Op verzoek van een van de eisers kan de formatie van het Gerecht die uitspraak doet over de voeging, maatregelen nemen om het vertrouwelijke karakter van vertrouwelijke of beschermde informatie van die eiser ten opzichte van andere eisers te waarborgen. Die maatregelen kunnen onder meer inhouden dat bewerkte versies van documenten die vertrouwelijke of beschermde informatie bevatten, worden overgelegd aan de andere eisers, of dat de zitting gedeeltelijk achter gesloten deuren plaatsvindt.

Artikel 17.54. Voorlopige uitspraak
1.

Indien het Gerecht tot de conclusie komt dat de verweerder een van de in artikel 17.25, lid 1, bedoelde, door de eiser aangevoerde bepalingen heeft geschonden, kan het Gerecht uitsluitend, op verzoek van de eiser en na de partijen bij het geschil te hebben gehoord, afzonderlijk dan wel in combinatie:

  • a. een financiële schadevergoeding, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, toekennen; en
  • b. de teruggave van eigendom gelasten; in dat geval wordt in de uitspraak bepaald dat de verweerder over de mogelijkheid beschikt om in plaats daarvan een financiële schadevergoeding te betalen, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, zoals bepaald overeenkomstig artikel 17.19.

Wanneer de vordering is ingesteld namens een plaatselijk gevestigde onderneming, wordt in een uitspraak uit hoofde van dit lid bepaald dat:

  • a. een eventuele financiële schadevergoeding met rente wordt betaald aan de plaatselijk gevestigde onderneming;
  • b. een eventuele teruggave van eigendom geschiedt aan de plaatselijk gevestigde onderneming.

Voor alle duidelijkheid: het Gerecht kan geen andere dan de in het eerste punt vermelde vormen van genoegdoening toekennen, noch de intrekking, beëindiging of wijziging van de betrokken maatregel of maatregelen gelasten.

2.

De financiële schadevergoeding mag niet meer bedragen dan het verlies dat de eiser of, in voorkomend geval, de plaatselijk gevestigde onderneming heeft geleden door de schending van de bepalingen ter zake als bedoeld in artikel 17.25, lid 1, verminderd met de eventueel reeds door de betrokken Partij betaalde schadevergoeding of compensatie. Het Gerecht stelt die geldelijke schadevergoeding vast op basis van de opmerkingen van de partijen bij het geschil en gaat, indien van toepassing, na of er sprake is van medeschuld, van opzet of nalatigheid, dan wel niet-beperking van de schade.

3.

Voor alle duidelijkheid: een investeerder uit een Partij die een vordering indient op grond van artikel 17.30 kan alleen de schade verhalen die hij heeft geleden als investeerder uit een Partij.

4.

Het Gerecht kan geen punitieve schadevergoeding toekennen.

5.

Het Gerecht verwijst de in het ongelijk gestelde partij bij het geschil in de kosten van de procedure. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Gerecht, indien het zulks in de omstandigheden van het geval passend acht, de kosten over de partijen bij het geschil verdelen.

6.

Het Gerecht verdeelt ook andere redelijke kosten, met inbegrip van de redelijke kosten van vertegenwoordiging en bijstand in rechte, die de in het ongelijk gestelde partij bij het geschil moet dragen wanneer het een vordering afwijst en uitspraak doet op grond van artikel 17.42 of 17.43. In andere omstandigheden bepaalt het Gerecht de verdeling van andere redelijke kosten, met inbegrip van de redelijke kosten van vertegenwoordiging en bijstand in rechte tussen de partijen bij het geschil, rekening houdend met de uitkomst van de procedure en andere relevante omstandigheden, zoals het gedrag van de partijen bij het geschil.

7.

Wordt de vordering slechts op bepaalde onderdelen toegewezen, dan vindt de verwijzing in de kosten plaats naar evenredigheid van het aantal of de omvang van de onderdelen waarop de vordering is toegewezen.

8.

De Beroepsinstantie beslist over de vaststelling en verdeling van de kosten overeenkomstig dit artikel.

9.

Uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst stelt het Gemengd Comité aanvullende voorschriften inzake honoraria vast teneinde een maximum te bepalen van de kosten in verband met vertegenwoordiging in rechte en rechtsbijstand die moeten worden gedragen door bepaalde categorieën in het ongelijk gestelde partijen bij een geschil, rekening houdend met hun financiële middelen.

10.

Het Gerecht geeft een voorlopige uitspraak binnen 24 maanden na de datum waarop de vordering is ingesteld. Indien die termijn niet in acht kan worden genomen, stelt het Gerecht een besluit in die zin vast, waarin de partijen bij het geschil de redenen voor die vertraging worden meegedeeld en een vermoedelijke datum voor de uitspraak van de voorlopige uitspraak wordt vermeld.

Artikel 17.55. Beroepsprocedure
1.

Elke partij bij het geschil kan binnen 90 dagen na de datum van een voorlopige uitspraak hoger beroep daartegen instellen bij de Beroepsinstantie. De gronden voor hoger beroep zijn:

  • a. dat het Gerecht het toepasselijke recht onjuist heeft uitgelegd of toegepast;
  • b. dat het Gerecht de feiten, met inbegrip van, indien relevant, het recht van een Partij, kennelijk onjuist heeft beoordeeld; of
  • c. de in artikel 52 van het Icsid-Verdrag genoemde gronden, voor zover zij niet onder punt a) of b) van dit lid vallen.
2.

De Beroepsinstantie wijst het hoger beroep af wanneer zij het ongegrond acht. Zij kan het hoger beroep ook versneld afwijzen wanneer duidelijk is dat het kennelijk ongegrond is.

3.

Als de Beroepsinstantie het hoger beroep gegrond acht, worden bij haar beslissing de juridische bevindingen en conclusies in de voorlopige uitspraak geheel of ten dele gewijzigd of vernietigd. In haar beslissing preciseert zij hoe zij de desbetreffende bevindingen en conclusies van het Gerecht heeft gewijzigd of vernietigd.

4.

Wanneer de door het Gerecht vastgestelde feiten zulks toelaten, past de Beroepsinstantie haar eigen juridische bevindingen en conclusies op die feiten toe en neemt zij haar uiteindelijke beslissing. Als dat niet mogelijk is, verwijst zij de zaak terug naar het Gerecht.

5.

In de regel duurt de procedure in hoger beroep niet langer dan 180 dagen vanaf de datum van formele kennisgeving van de beslissing van een partij bij het geschil om hoger beroep in te stellen tot de datum van bekendmaking van de beslissing van de Beroepsinstantie. Als de Beroepsinstantie van oordeel is dat zij haar beslissing niet binnen die termijn van 180 dagen kan nemen, deelt zij de partijen bij het geschil schriftelijk de redenen voor de vertraging mee en verstrekt zij een raming van de termijn waarbinnen zij haar beslissing zal nemen. De procedure mag in geen geval langer duren dan 270 dagen.

6.

Een partij bij het geschil die hoger beroep instelt, stelt zekerheid voor de kosten van het hoger beroep.

7.

De artikelen 17.33, 17.44, 17.45, 17.46, 17.48 en, indien relevant, andere bepalingen van deze afdeling, zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepsprocedure.

Artikel 17.56. Definitieve uitspraak
1.

Een voorlopige uitspraak op grond van deze afdeling wordt definitief indien geen van de partijen bij het geschil tegen de voorlopige uitspraak hoger beroep heeft ingesteld op grond van artikel 17.55.

2.

Wanneer tegen een voorlopige uitspraak hoger beroep is ingesteld en de Beroepsinstantie dat hoger beroep heeft afgewezen op grond van artikel 17.55, wordt de voorlopige uitspraak definitief op de datum waarop het hoger beroep door de Beroepsinstantie is afgewezen.

3.

Wanneer tegen een voorlopige uitspraak hoger beroep is ingesteld en de Beroepsinstantie haar uiteindelijke beslissing heeft genomen, wordt de voorlopige uitspraak zoals gewijzigd of vernietigd door de Beroepsinstantie definitief op de datum waarop de Beroepsinstantie haar uiteindelijke beslissing heeft genomen.

4.

Wanneer tegen een voorlopige uitspraak hoger beroep is ingesteld en de Beroepsinstantie de juridische bevindingen en conclusies in de voorlopige uitspraak heeft gewijzigd of vernietigd en de zaak naar het Gerecht heeft terugverwezen, herziet het Gerecht, na waar passend de partijen bij het geschil te hebben gehoord, zijn voorlopige uitspraak om rekening te houden met de bevindingen en conclusies van de Beroepsinstantie. Het Gerecht is gebonden aan de bevindingen van de Beroepsinstantie. Het Gerecht tracht zijn herziene uitspraak te geven binnen 90 dagen na ontvangst van de beslissing van de Beroepsinstantie. De herziene voorlopige uitspraak wordt 90 dagen na de datum van die uitspraak definitief.

5.

De definitieve uitspraak omvat elke definitieve beslissing van de Beroepsinstantie op grond van artikel 17.55.

Artikel 17.57. Tenuitvoerlegging van uitspraken
1.

Een uitspraak op grond van deze afdeling is slechts afdwingbaar als zij definitief is geworden op grond van artikel 17.56. Een op grond van deze afdeling gedane definitieve uitspraak is bindend voor de partijen bij het geschil en is niet vatbaar voor hoger beroep, toetsing, vernietiging, nietigverklaring of enig ander rechtsmiddel58)Voor alle duidelijkheid: dit belet een partij bij het geschil niet het Gerecht te verzoeken een uitspraak te herzien of uit te leggen overeenkomstig de toepasselijke regels inzake geschillenbeslechting, voor zover die regels die mogelijkheid bieden..

2.

Elke Partij erkent een op grond van deze overeenkomst gegeven uitspraak als bindend en legt de geldelijke verplichting op haar grondgebied ten uitvoer alsof het een definitief vonnis van een binnenlandse rechterlijke instantie in die Partij was.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)