Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-08-18
Laatst bijgewerkt 2026-08-20
State In force
Source BWB
artikelen 1926
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De waarden voor de luchtdemping αlu,j(fk) in tertsband j = 1, 2 en 3 van de ke octaafband zijn ontleend aan ISO-norm 9613-1 voor 10°C en 80% relatieve vochtigheid. Deze waarden zijn (in dB per km) opgenomen in tabel 4.5.

Als onder het geluidpad bodemtypen liggen met verschillende bodemhardheid worden voor mee- en tegenwindsituaties verschillende procedures toegepast.

In paragraaf 4.4.2 is omschreven hoe de bodemdemping met behulp van het gegevensbestand moet worden bepaald. In deze paragraaf wordt beschreven hoe de bodemdemping moet worden bepaald als er verschillende bodemvlakken door het geluidpad worden doorsneden, welke invloed de turbulentie heeft op de bodemdemping en hoe de bodemdemping moet worden bepaald als er in het geluidpad afschermende obstakels zijn.

De bodemdemping is afhankelijk van:

In deze paragraaf geven we alleen de eerste twee parameters expliciet aan als argumenten van Dbodem:

met ck(ν) de coëfficiënten van het polynoom.

Als onder het geluidpad bodemtypen liggen met verschillende bodemhardheid worden voor mee- en tegenwindsituaties verschillende procedures toegepast.

4.6.2. Geometrische demping

In tabel 4.6 zijn de grenswaarden van de bodemdemping gegeven voor de verschillende bodemhardheden, de 27 meteorologische klassen en de 9 octaafbanden.

Als onder het geluidpad verschillende bodemtypen liggen met verschillende bodemhardheid, wordt de bovengrens Dbodem,max berekend volgens de formule:

met:

D bodem,max(v) bovengrens voor bodemtype v voor een bepaald profiel.

Afschermende of reflecterende objecten

Bij de bepaling van de bodemdemping is ook de hoogte van bron- en rekenpunt van belang. Als het geluidpad één scherm snijdt dan wordt de hoogte van één van beide vervangen door een effectieve hoogte, afhankelijk van welk punt het dichtst bij het scherm staat. Als meer dan een scherm doorsneden wordt, worden de effectieve hoogtes van zowel het bron- als rekenpunt gebruikt. Eerst worden de schermen daarvoor in twee groepen verdeeld; schermen die dichter bij de bron staan dan bij het rekenpunt en schermen die dichter bij het rekenpunt staan dan bij de bron. De effectieve hoogte voor de bron wordt bepaald op basis van het meest effectieve scherm uit de eerste groep, de effectieve hoogte voor het rekenpunt wordt bepaald op basis van het meest effectieve scherm uit de tweede groep (zie formule 4.53 in paragraaf 4.6.5). Als geen schermen in een groep vallen, wordt voor de effectieve hoogte de werkelijke hoogte van de bron of het rekenpunt genomen.

4.6.5. Afscherming

In situaties waarin het verticale vlak door het bron- en rekenpunt een object snijdt (bijvoorbeeld een geluidscherm), wordt de invloed van dit object in formule 4.2 in rekening worden gebracht door de term Dscherm. In andere situaties is deze term gelijk aan nul.

Bijlage XVIIIe. bij de artikelen 6.13, derde lid, en 8.30, tweede en derde lid, van deze regeling (geuremissiefactoren zuiveringtechnische werken)

Onderdeel Percentage aanvoer via vrij verval riool Percentage aanvoer via vrij verval riool Percentage aanvoer via vrij verval riool Percentage aanvoer via vrij verval riool Eenheid
Onderdeel 0–25% 26–50% 51–75% 76–100% 76–100%
Ontvangwerk (put, vijzels etc.) 65 46,5 28 9,5 ou/s per m2
Roostergoedverwijdering 65 46,5 28 9,5 ou/s per m2
Roostergoedcontainers 65 46,5 28 9,5 ou/s per m2
Zandvanger:
– oppervlakte 7,5 7 6 5,5 ou/s per m2
– overstort 135 48 17 6 ou/s per m2
Zandwasser 135 48 17 6 ou/s per m2
Verdeelwerk 135 48 17 6 ou/s per m2
Voorbezinktank:
– oppervlakte 8,5 7,5 7 6 ou/s per m2
– overstort 18,5 16,5 15 13,5 ou/s per m2
Anaërobe tank 5,5 5 4,6 4,2 ou/s per m2
Selector:
– belucht 6 5,5 5 4,5 ou/s per m2
– onbelucht 5,5 5 4,6 4,2 ou/s per m2
Voordenitrificatietank 2,2 1,9 1,7 1,6 ou/s per m2
Onderdeel Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.)
--- --- --- --- --- ---
Onderdeel <0,05 0,05–0,10 0,11–0,20 0,21–0,30 >0,30
Beluchtingstank
– aërobe zone:
* bellenbeluchting 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
* puntbeluchting
met omkapping 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
* borstelbeluchting
met omkapping 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
* puntbeluchting
zonder omkapping 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
– anoxische zone:
* bellenbeluchting 0,18 0,32 0,6 0,95 1,5
* borstelbeluchting 0,18 0,32 0,6 0,95 1,5
* puntbeluchting 0,18 0,32 0,6 0,95 1,5
Retourslibgemaal 0,6 1,1 2,0 3,2 5
Nabezinktank
– invoerzone 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
– oppervlakte 0,16 0,28 0,5 0,85 1,3
Na-nitrificatie 0,16 0,16 0,16 0,16 0,16
Na-denitrificatie 0,16 0,16 0,16 0,16 0,16

1 Voor de overstort van de nabezinktank wordt de emissie van geur niet apart berekend.

Onderdeel Slibkwaliteit Slibkwaliteit Slibkwaliteit Slibkwaliteit Eenheid
Onderdeel vers aëroob anaëroob gemengd
Voorindikker 8 3,95 8 ou/s per m2
Naindikker 3,05 ou/s per m2
Uitgegist slibbuffer 3,05 ou/s per m2
Slibindiklagune 4,05 1,75 4,35 ou/s per m2
Filterpers
Zeefbandpers 4,05 1,75 4,35 ou/s per m2
Centrifuge
Afvoer en opslag 4,05 1,75 4,35 ou/s per m2
Fosfaatbezinktank 3,95 ou/s per m2
Strippertank 3,95 ou/s per m2
Slibindikker 3,95 ou/s per m2
Flocculatietank 3,95 ou/s per m2

Bijlage XVIIIf. bij de artikelen 7.77 en 9.27 van deze regeling (bepalingen over het verbinden van voorschriften aan omgevingsvergunningen over het voorkomen van overschrijding standaardwaarden)

1. Bepalen van de kwaliteit van de poriënwaterconcentraties

Er wordt alleen rekening gehouden met straalkromming voor de zogenaamde meewindprofielen (n = 4 t/m 7, 12 t/m 18, 22 t/m 27 in tabel 4.1). Voor de andere profielen geldt Δϕs = 0 en Δϕr = 0. Ook voor de geluidpaden 2 en 3 (de horizontale omwegen) in figuur 4.9 wordt straalkromming buiten beschouwing gelaten. In de overige gevallen zijn deze correcties te bepalen uit de maximale hoogte van de geluidstraal zmax,n.

Afschermende of reflecterende objecten

waarin:

met:

f k octaafbandmiddenfrequentie (f6 = 500 Hz);

1.2. Zware metalen

Δx de horizontale afstand (langs het geluidpad) van bron- of rekenpunt naar het scherm afhankelijk of Δϕs dan wel Δϕr moet worden bepaald;

b n parameter van het geluidsnelheidsprofiel (zie tabel 4.1).

1.3. Toetsing van de poriënwaterconcentratie aan de standaardwaarde

De correcties zijn vervolgens te bepalen volgens de onderstaande formule (t = s of r, zie ook formule 4.9):

De demping door het scherm wordt per geluidpad (p=1,2,3) berekend volgens de formule:

Opmerking: ϕs en ϕr zijn beide een functie van zowel de frequentie, het meteorologisch profiel als het geluidpad.

In bovenstaande formule worden de volgende functies toegepast:

1.2. Zware metalen

2.1. Eisen aan de modellen

Γ p is gedefinieerd als:

waarbij wordt verstaan onder:

r s afstand van bron naar top van scherm (zie figuur 4.10);

r r afstand van rekenpunt naar top van scherm.

De factor Hp brengt de eindige afmetingen van het scherm in rekening volgens de formule:

4.6.3. Luchtdemping

waarbij wordt verstaan onder:

ρ = 1 – αabs

2.3. Toetsing

α abs de frequentieafhankelijke absorptiecoëfficiënt van de zijvlakken van de wal (0 ≤ αabs ≤ 1). Voor een harde wal geldt αabs = 0, voor een zachte wal geldt αabs = 1, bij speciale gevallen kan hiervan worden afgeweken).

3. Het door de stortplaats beïnvloede gebied

4.6.7. Spiegelreflecties

De totale schermwerking Dscherm wordt berekend uit de schermwerkingen Dscherm,p van de drie geluidpaden, volgens de formule:

4.6.6. Niet-lineaire demping

Een schermdemping groter dan 20 dB is over het algemeen moeilijk te realiseren. Als de berekende schermdemping voor een octaafband groter is dan 20 dB moet men er alert op zijn dat door omloopgeluid (bijvoorbeeld door een diffuse reflectie aan een bijliggend object) of door de aanwezigheid van turbulente wervels in de atmosfeer de effectieve werking van het scherm deels kan worden tenietgedaan. Daarom wordt de schermdemping begrensd op 20 dB, tenzij nader onderzoek aantoont dat hogere reducties kunnen worden bereikt.

Als een aantal schermen aan elkaar vastzit, dan spreken we van een meervoudig scherm. Alleen concave meervoudige schermen worden in beschouwing genomen. Een voorbeeld van een concaaf meervoudig scherm is weergegeven in figuur 4.11.

De schermwerking wordt als volgt berekend:

De procedure is ook van toepassing op een gesloten meervoudig scherm, waarbij beginpunt en eindpunt van het scherm samenvallen. Een voorbeeld hiervan is een gebouw.

In situaties met meer dan een scherm tussen bron- en rekenpunt worden maximaal twee schermen in rekening gebracht. Eerst worden de schermen in twee groepen verdeeld: een groep met schermen die zich dichter bij de bron bevinden en een groep met schermen die zich dichter bij het rekenpunt bevinden. Van beide groepen wordt het scherm geselecteerd met het grootste verschil van de diffractiehoeken (ϕs,0ϕr,0) voor de verticale omweg. De schermwerkingen van de twee geselecteerde schermen worden, inclusief de bijdragen van de horizontale omwegen, bij elkaar opgeteld. Deze som geeft de totale schermwerking.

4.6.7. Spiegelreflecties

Bij de bepaling van de bodemdemping wordt, als het geluidpad een scherm snijdt, de hoogte van het bronpunt of van het rekenpunt (afhankelijk van het feit of het bronpunt of het rekenpunt dichter bij het scherm ligt) vervangen door een effectieve hoogte:

waarbij wordt verstaan onder:

ϕ s , ϕ r diffractiehoeken voor geluidpad 1.

met

Bijlage XVIIIg. bij artikel 7.77 van deze regeling (maximaal toelaatbare flux)

Stof Maximaal toelaatbare flux (in g/ha/j)
I Metalen I Metalen
Antimoon 0,39
Arseen 4,35
Barium 63
Cadmium 0,12
Chroom 15
Kobalt 3
Koper 5,4
Kwik 0,045
Lood 12,75
Molybdeen 1,5
Nikkel 5,25
Zink 21
II Anorganische verbindingen II Anorganische verbindingen
Cyaniden-vrij 0,15
Cyaniden-complex (pH<5)1 0,75
Cyaniden-complex (pH >5)2 0,75
Bromide 3
Chloride 300
Fluoride 140
III Aromatische verbindingen III Aromatische verbindingen
Benzeen 0,4
Ethylbenzeen 8
Tolueen 14
Xylenen 0,4
Styreen (vinylbenzeen) 12
Fenol 0,4
Cresolen (som) 0,4
Catechol(o-dihydroxybenzeen) 0,4
Resorcinol(m-dihydroxybenzeen) 0,4
Hydrochinon(p-dihydroxybenzeen) 0,4
IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)
Naftaleen 0,02
Antraceen 0,0014
Fenantreen 0,006
Fluorantheen 0,006
Benzo(a)antraceen 0,0002
Chryseen 0,006
Benzo(a)pyreen 0,001
Benzo(ghi)peryleen 0,0006
Benzo(k)fluorantheen 0,0008
Indeno(1,2,3-cd)pyreen 0,0008
V Gechloreerde koolwaterstoffen V Gechloreerde koolwaterstoffen
Vinylchloride 0,02
Dichloormethaan 0,02
1,1-dichloorethaan 14
1,2-dichloorethaan 14
1,1-dichlooretheen 0,02
1,2-dichlooretheen (cis en trans) 0,02
dichloorpropanen 1,6
trichloormethaan (chloroform) 12
1,1,1-trichloorethaan 0,02
1,1,2-trichloorethaan 0,02
trichlooretheen (Tri) 48
tetrachloormethaan (Tetra) 0,02
tetrachlooretheen (Per) 0,02
monochloorbenzeen 14
dichloorbenzenen 6
trichloorbenzenen 0,02
tetrachloorbenzenen 0,02
pentachloorbenzeen 0,006
hexachloorbenzeen 0,00018
monochloorfenolen (som) 0,6
dichloorfenolen 0,4
trichloorfenolen 0,06
tetrachloorfenolen 0,02
pentachloorfenol 0,08
polychloorbifenylen (som)3 0,02
VI Bestrijdingsmiddelen VI Bestrijdingsmiddelen
DDT/DDE/DDD4 0,000008
Aldrin 0,000018
Dieldrin 0,0002
Endrin 0,00008
HCH-verbindingen5 0,1
α-HCH 0,066
ß-HCH 0,016
γ-HCH 0,018
atrazine 0,038
carbaryl 0,004
carbofuran 0,018
chloordaan 0,00004
endosulfan 0,0004
heptachloor 0,00001
heptachloor-epoxide 0,00001
Maneb 0,0001
MCPA 0,02
organotinverbindingen 0,0001 – 0,038
VII Overige verontreinigingen VII Overige verontreinigingen
cyclohexanon 1
Ftalaten (som)6 1
minerale olie7 100
pyridine 1
tetrahydrofuran 1
tetrahydrothiofeen 1

1 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.

2 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.

3 Onder polychloorbifenylen (som) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 138, 153, 180. Onder de som valt PCB 118 niet.

4 Onder DDT/DDD/DDE wordt verstaan: de som van DDT, DDD en DDE.

5 Onder HCH-verbindingen wordt verstaan: som van α-HCH, ß-HCH, γ-HCH en δ-HCH

6 Onder de ftalaten wordt de som van alle ftalaten verstaan.

7 De definitie van minerale olie wordt beschreven in de Staatscourant 39, 2000. Als er sprake is van verontreiniging van mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan wordt naast het alkaangehalte ook het gehalte van aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald.

Bijlage XIX. bij artikel 8.2 van deze regeling (dosis-effectrelaties voor actieplannen geluid)

1. Reeks schadelijke effecten

Er is sprake van afscherming als de lijn van het bronpunt van het kogelgeluid (bepaald in de niet afgeschermde situatie) naar het rekenpunt het scherm snijdt, anders is er sprake van een onafgeschermde situatie en wordt de systematiek gehanteerd, die hiervoor beschreven is. Een uitzondering hierop is de situatie die in nevenstaande figuur is afgebeeld waarbij het rekenpunt in gebied I ligt en het mondingsgeluid wordt afgeschermd. Eén verticale rand van het scherm ligt echter in het Mach-gebied (gebied II). Ook in deze situatie wordt een kogelgeluidbijdrage berekend. Hierbij wordt er maar één (horizontaal) geluidpad beschouwd en wel langs de verticale rand van het scherm dat in het kogelgeluidgebied ligt. Deze bijdrage wordt echter alleen meegenomen als de bovenrand van het scherm ten minste 1 m boven de mond van het wapen uitsteekt.

2. Berekening van schadelijke effecten

Voor het bepalen van de geluidbelasting (zie formule 3.1 t/m 3.7 in hoofdstuk 3) worden eerst de verschillende bijdragen van het afgeschermde kogelgeluid – langs maximaal drie verschillende paden – energetisch gesommeerd.

4.6.6. Niet-lineaire demping

Alleen voor de berekening van de geluidbelasting door kogelgeluid wordt een dempingsterm in rekening gebracht, die voortkomt uit de niet-lineaire overdracht van kogelgeluid. Deze term is alleen van toepassing voor rekenpunten in gebied II. Hiervoor geldt de formule:

met

4.6.6. Niet-lineaire demping

k = -v1 / c10

Voor rekenpunten in gebied III wordt deze term alleen over de afstand R1 in rekening gebracht.

waarin LEb het bronniveau (per octaafband) van de originele bron in de richting van het reflectiepunt is en Drefl de reflectiedemping. De reflectiedemping voor spiegelreflecties wordt bepaald volgens de formule:

Spiegelreflecties aan objecten worden in rekening gebracht door gebruik te maken van spiegelbronnen. Hierbij moet aan een aantal eisen worden voldaan (zie paragraaf 4.5.4):

2.1. Ischemische hartziekten (IHD)

Op het geluidpad tussen bron- en rekenpunt worden alleen enkelvoudige reflecties in de berekening meegenomen.

Het bronniveau van een spiegelbron LEb* is lager dan het bronniveau van de originele bron; L*Eb wordt bepaald uit bronniveau LEb van de originele bron volgens de formule:

waarin LEb het bronniveau (per octaafband) van de originele bron in de richting van het reflectiepunt is en Drefl de reflectiedemping. De reflectiedemping voor spiegelreflecties wordt bepaald volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

4.6.7. Spiegelreflecties

ε ver de ‘verticale’ reflectie-effectiviteit (0 ≤ εver ≤ 1),

3.1. Bepaling voor Ischemische hartziekten (IHD)

De reflectiviteit ρ wordt bepaald door de absorberende eigenschappen van het materiaal waaruit het reflecterende vlak bestaat. In het algemeen is ρ een functie van de frequentie. Voor een hard vlak geldt ρ = 1.

De horizontale effectiviteit εhor en de verticale effectiviteit εver representeren de invloed van de eindige breedte respectievelijk hoogte van het vlak.

De ‘horizontale’ reflectie-effectiviteit wordt bepaald volgens de formule

waarbij wordt verstaan onder:

4.6.8. Diffuse reflectie

r b horizontale afstand van de bron tot het reflectiepunt;

λ = c 10 /fk golflengte die overeenkomt met de octaafbandmiddenfrequentie fk;

Bijlage XIXa. bij de artikelen 8.10, onder c, 8.16, onder b, 12.50, onder c, en 12.53, onder b, van deze regeling (softwaremodellen luchtkwaliteit)

De horizontale afstand rb van de bron tot het reflectiepunt wordt hierbij kleiner verondersteld dan de afstand van het rekenpunt tot het reflectiepunt; als dit niet zo is dan wordt voor rb de afstand van het rekenpunt tot het reflectiepunt gebruikt.

Toepassingsbereik SRM1, SRM2 en SRM3:

De ‘verticale’ reflectie-effectiviteit wordt bepaald volgens de formule

waarin Dscherm de schermwerking is van het reflecterende vlak voor de overdracht van de spiegelbron naar het rekenpunt (zie figuur 4.14). De schermwerking is afhankelijk van de geometrie, de frequentie, de meteorologische klasse en het bodemtype. Bij de berekening van Dscherm wordt alleen het geluidpad via de top van het scherm meegerekend; het scherm wordt in horizontale richting dus oneindig lang verondersteld. Er wordt geen tophoekcorrectie toegepast.

Voor de berekening van de geluidoverdracht langs een gereflecteerde straal moet dezelfde procedure worden gevolgd als voor de directe geluidoverdracht, waarbij het verloop van bodemruwheid en bodemhardheid bepaald wordt langs het gereflecteerde geluidpad.

Bijlage XX. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder a, 8.18, eerste lid, onder a, 12.52, eerste lid, onder a, en 12.55, eerste lid, onder a, van deze regeling (grootschalige concentratiegegevens, meteorologische gegevens en ruwheidskaart)

Grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen

Bijlage XXI. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder b, en 12.52, eerste lid, onder b, van deze regeling (emissiefactoren voertuigen luchtkwaliteit)

5.2. Rekenmodel

Uit de positie van het gespiegelde rekenpunt kan het bronpunt op de kogelbaan van het gereflecteerde kogelgeluid worden bepaald. Als het gespiegelde rekenpunt in gebied III ligt wordt de reflectiebijdrage verwaarloosd.

Voor de bepaling van de transitieafstand (zie formule 4.26) wordt voor xt bij de berekening van de reflectiebijdrage dat deel van de kogelbaan genomen waarop bronpunten liggen waarvan het geluid kan reflecteren in het scherm (zie figuur 4.16). Alleen het gedeelte van het scherm dat in gebied II ligt wordt hierbij verdisconteerd.

Net als bij spiegelreflecties wordt door een reflectiedemping Drefl rekening gehouden met het feit dat een virtuele bron zwakker is dan de echte bron. Het bronniveau LEb* van een virtuele bron (per octaafband) wordt bepaald met formule 4.55. De reflectiedemping D**refl voor diffuse reflecties wordt hierin bepaald volgens de formule:

Diffuse reflecties treden op aan een bosrand; als er minder dan drie bomenrijen aanwezig zijn wordt de diffuse reflectie niet meegerekend. Een diffuse reflectie treedt op als er ‘zicht’ is op de bosrand vanuit zowel de positie van de bron als de positie van het rekenpunt; optische spiegeling is hierbij irrelevant. De bijdrage van diffuse reflecties is alleen relevant als het rechtstreekse geluidpad van bron naar rekenpunt wordt afgeschermd. Als deze afscherming voor de 250 Hz octaafband meer dan 8 dB bedraagt (berekend voor profiel 14 mbv formule 4.51) en aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldaan wordt, moet diffuus geluid in rekening worden gebracht.

Een bosrand wordt gemodelleerd met één rij van equidistante cilinders (zie figuur 4.17). De afstand tussen de cilinders deff bedraagt de helft van de gemiddelde afstand tussen naburige bomen van de eerste drie bomenrijen van de bosrand. Deze gemiddelde afstand wordt benaderd door

4.6.8. Diffuse reflectie

4.6.6. Niet-lineaire demping

Bijlage XXII

[Vervallen]

Bijlage XXIII. bij de artikelen 8.13, 12.27 en 12.56 van deze regeling (zeezoutcorrectie)

4.6.8. Diffuse reflectie

B. Aftrek van kalenderjaargemiddelde concentratie PM10

Bijlage XXIV

[Vervallen]

Bijlage XXV

[Vervallen]

Bijlage XXVI

[Vervallen]

Bijlage XXVII

[Vervallen]

Bijlage XXII

[Vervallen]

Bijlage XVIIId. bij de artikelen 6.9, tweede lid, en 8.26, tweede lid, van deze regeling (rekenmethode geluid civiele buitenschietbanen)

Bijlage XXX. bij de artikelen 4.14b en 9.7 van deze regeling (kosteneffectiviteit)

6. Methode voor de berekening van LEs,periode bij een geluidbelasting kleiner dan 50 dB(A)

De volgende gegevens over de gebruikte software moeten worden vermeld:

5.1. Schietbaan

Over het gebruik van de schietbaan moeten de volgende gegevens worden vermeld:

5.2. Rekenmodel

In het akoestisch rapport moet worden aangetoond dat de situatie valt binnen het toepassingsbereik van deze bijlage.

De volgende gegevens over de gebruikte software moeten worden vermeld:

In het rapport moet worden vermeld welke keuzes er zijn gemaakt over de modellering en waarom deze keuzes zijn gemaakt. Wanneer in de modellering wordt afgeweken van deze rekenmethode, moet dit gemotiveerd worden aangegeven.

Als de brongegevens niet in het gegevensbestand zijn opgenomen maar uit emissiemetingen zijn verkregen, moeten deze metingen zijn uitgevoerd zoals beschreven in de Toelichting op toepassing van methoden voor meten en rekenen aan schietgeluid. De beschrijving van de emissiemetingen moet als bijlage aan het rapport worden toegevoegd. Ook kan worden volstaan met een verwijzing naar een bestaande rapportage.

Als de brongegevens niet direct uit metingen zijn bepaald, moet de reden hiervan worden opgegeven en moet worden vermeld hoe deze brongegevens zijn verkregen. Dit moet ook gebeuren als gebruik gemaakt is van de categorie-indeling voor wapen-munitiecombinaties van hand- en vuistvuurwapens. De procedure hiervoor staat beschreven in het eerder genoemde TNO-rapport.

In de hoofdtekst van het akoestisch rapport moet een globale beschrijving van de invoergegevens voor het rekenmodel worden gegeven. Een gedetailleerde beschrijving van de invoergegevens en een grafische weergave van de geometrische invoergegevens wordt als bijlage in het rapport opgenomen.

Bovenstaande formule kan ook worden geschreven als

Voor elk rekenpunt moet voor de drie beoordelingsperioden de geluidbelasting worden gegeven (Bs,dag, Bs,avond en Bs,nacht) samen met de daaruit afgeleide dag-avond-nachtwaarde (Bs,dan) van de geluidbelasting. In de bijlage van het rapport moet de geluidbelasting per bron worden gegeven voor elk rekenpunt en voor elke beoordelingsperiode.

C(b,m) is hierbij dan de correctie om een deelbijdrage van schietgeluid om te rekenen naar een even hinderlijk niveau van wegverkeersgeluid. Gemakkelijk is in te zien dat C(b,m) = Pimp + Plf(b,m) voor kperiode = 1, en C(b,m) = 0 voor kperiode = 0.

Hieronder wordt de methode voor de berekening van de deelbijdrage aan de geluidbelasting (LEs,periode, zie formule 3.1) gegeven die kan worden toegepast bij de berekening van geluidniveaus kleiner dan 50 dB. De impulstoeslag (Pimp=12 dB) en de toeslag voor extra laagfrequente componenten in het geluid (Plf(b,m)) worden dan bij de berekening van de geluidbelasting, alleen meegenomen voor zover het geluid waarneembaar is op het immissiepunt. De deelbijdrage LEs,periode(b,m) (zie formule 3.1) wordt dan bepaald als de energetische som van twee termen, die gewogen zijn met de kans dat een schot (van bron b voor meteorologische situatie m) respectievelijk wel en niet gehoord wordt:

k periode is hierbij de kans dat het schietgeluid in de dag-, avond of nachtperiode hoorbaar is. Deze kans hangt onder andere af van het geluidniveau van het schietgeluid, de omgeving waarin men zich bevindt en de aard van de activiteiten waar men mee bezig is.

6. Methode voor de berekening van LEs,periode bij een geluidbelasting kleiner dan 50 dB(A)

met

4.6.8. Diffuse reflectie

De kans kperiode wordt bepaald volgens de formule:

waarin voor een periode de z-waarde wordt bepaald volgens de formule:

zie voor de berekening van ΔL' hoofdstuk 3. De coëfficiënten a1 t/m a4 zijn hierbij afhankelijk van de periode en zijn weergegeven in tabel 6.1.

Formule (6.4) beschrijft de gestandaardiseerde cumulatieve normaalverdeling. In standaard statistiekboeken zijn tabellen opgenomen die voor willekeurige waarden van z de uitkomst van deze integraal geven.

In deze bijlage worden zoveel mogelijk dezelfde symbolen gebruikt zoals die ook in bijlage XVIIIc zijn gedefinieerd om een onderlinge vergelijking tussen de twee rekenmethoden beter mogelijk te maken.

Het uitgangspunt voor deze eenvoudige rekenmethode is de onderstaande relatie:

Berekening annuïteit

Voor bovenstaand toepassingsgebied kan, naast de rekenmethode voor schietgeluid uit bijlage XVIIIc, ook een eenvoudige berekeningsmethode worden toegepast om de geluidbelasting te bepalen. Hierbij wordt het overdrachtsmodel (methode II.8) uit bijlage IVh gebruikt, maar dan wel met enkele aanpassingen. Deze eenvoudige berekeningsmethode wordt in deze bijlage beschreven. In andere gevallen wordt de rekenmethode uit bijlage XVIIIc toegepast.

Vervolgens wordt van dit meteogemiddelde niveau de A-gewogen (LAE(b) ) en C-gewogen waarde (LCE(b) ) bepaald. Beide zijn nodig om de toeslag voor laagfrequente componenten in schietgeluid Plf te kunnen bepalen. Samen met de impulstoeslag Pimp kan dan de meteogemiddelde deelbijdrage aan de geluidbelasting (LEs(b)) worden berekend volgens de formule:

In deze bijlage worden zoveel mogelijk dezelfde symbolen gebruikt zoals die ook in bijlage XVIIIc zijn gedefinieerd om een onderlinge vergelijking tussen de twee rekenmethoden beter mogelijk te maken.

Het uitgangspunt voor deze eenvoudige rekenmethode is de onderstaande relatie:

Per rekenpunt wordt per bron (index b) en per octaafband (fk) de geluidimmissie (LE) volgens deze relatie bepaald. In tegenstelling tot de rekensystematiek in bijlage XVIIIc wordt het immissieniveau niet voor 27 meteorologische klassen berekend, maar voor één meewindsituatie zoals dat in de bijlage IVh is gedefinieerd. De dempingstermen (D) zijn beschreven in methode II.8 in bijlage IVh. Hierbij worden echter de demping door vegetatie Dveg, door terrein Dterrein of Dhuis niet toegepast. Het bronniveau (LEb) wordt bepaald volgens de Toelichting op toepassen van methoden voor meten en rekenen aan schietgeluid.

Op dit berekende immissieniveau (geldig voor een meewindsituatie) wordt een procedurele meteocorrectieterm toegepast (paragraaf 8.1 van module C - methode II van [2]) om per bron een meteogemiddeld immissieniveau te bepalen.

Vervolgens wordt van dit meteogemiddelde niveau de A-gewogen (LAE(b) ) en C-gewogen waarde (LCE(b) ) bepaald. Beide zijn nodig om de toeslag voor laagfrequente componenten in schietgeluid Plf te kunnen bepalen. Samen met de impulstoeslag Pimp kan dan de meteogemiddelde deelbijdrage aan de geluidbelasting (LEs(b)) worden berekend volgens de formule:

De impulstoeslag Pimp en de toeslag voor laagfrequente componenten in schietgeluid Plf zijn gedefinieerd in [3].

Bijlage XXXI. bij artikel 9.36 van deze regeling (bemonsteren en analyseren bij het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib)

Verzameling brongegevens

De totale geluidbelasting voor een bepaalde beoordelingsperiode wordt bepaald volgens de formule:

Als op de schietbaan op minder dan 30 dagen of avonden wordt geschoten, dient op respectievelijk de Bs,dag en Bs,avond een correctie te worden toegepast. Deze correctie staat in bijlage XVIIIc beschreven.

De dag-avond-nachtwaarde Bs,dan wordt bepaald door de geluidbelastingswaarden van de beoordelingsperioden bij elkaar op te tellen, waarbij rekening wordt gehouden met de duur van de verschillende perioden. Hierbij is ervan uitgegaan dat er in de nachtperiode niet wordt geschoten.

Als alleen in de dagperiode wordt geschoten geldt: Bs,dan = Bs,dag – 3 dB.

N cil aantal cilinders in het segment.

Bronniveaus van wapen-munitiecombinaties kunnen worden betrokken uit de Toelichting op toepassen van methoden voor meten en rekenen aan schietgeluid. Dit kan het bronniveau zijn van een wapencategorie of van een specifieke wapen-munitiecombinatie waaraan eerder metingen zijn verricht. Als nieuwe metingen moeten worden uitgevoerd om het bronniveau te bepalen of als een bronniveau moet worden ingeschat, dient dit te gebeuren conform de methodes die hiervoor zijn beschreven in de Toelichting op toepassen van methoden voor meten en rekenen aan schietgeluid.

Rapportage

waarbij wordt verstaan onder:

Veelal wordt in rekenprogramma’s de richtingsafhankelijkheid van de bronsterkte in sectoren ondergebracht, waarbij binnen een bepaalde sectorhoek de bronsterkte gelijk is. Als de sectorhoeken te groot zijn gekozen en er grote verschillen bestaan tussen de bronniveaus in deze sectorhoeken kunnen onnauwkeurigheden ontstaan. De A-gewogen bronniveaus mogen in aangrenzende sectoren daarom niet meer dan 1 dB schelen. De niveaus in de verschillende emissierichtingen (midden van de sector) kunnen uit de beschikbare brongegevens door lineaire interpolatie worden verkregen.

waarin c1 = 25 m/s, r1 = 25 m en α1 = 10 constanten zijn, en r0 en δϕ parameters die in figuur 4.18b aangegeven zijn; de index n van het segment is hier voor het gemak weggelaten. De parameter δϕ is de hoek tussen de lijnen van de centrale cilinder van het segment naar de bron en naar het rekenpunt.

Bij het invoeren van afschermende/reflecterende objecten wordt met het volgende rekening gehouden:

Voor het bepalen van de kwaliteit van het poriënwater zijn gegevens nodig over de totaalconcentratie in het sediment, de verdelingscoëfficiënt tussen vaste stof en water, en de concentratie in het poriënwater. Voor organische parameters en zware metalen is de aanpak verschillend. Er kan praktijkonderzoek worden gedaan in het gebied van herkomst of, onder voorwaarden, gebruik worden gemaakt van literatuurgegevens.

De eisen aan de rapportage van de berekeningsresultaten van deze eenvoudige methode is gelijk aan de eisen zoals in bijlage XVIIIc zijn beschreven.

Bijlage XVIIIe. bij de artikelen 6.13, derde lid, en 8.30, tweede en derde lid, van deze regeling (geuremissiefactoren zuiveringtechnische werken)

Onderdeel Percentage aanvoer via vrij verval riool Percentage aanvoer via vrij verval riool Percentage aanvoer via vrij verval riool Percentage aanvoer via vrij verval riool Eenheid
Onderdeel 0–25% 26–50% 51–75% 76–100% 76–100%
Ontvangwerk (put, vijzels etc.) 65 46,5 28 9,5 ou/s per m2
Roostergoedverwijdering 65 46,5 28 9,5 ou/s per m2
Roostergoedcontainers 65 46,5 28 9,5 ou/s per m2
Zandvanger:
– oppervlakte 7,5 7 6 5,5 ou/s per m2
– overstort 135 48 17 6 ou/s per m2
Zandwasser 135 48 17 6 ou/s per m2
Verdeelwerk 135 48 17 6 ou/s per m2
Voorbezinktank:
– oppervlakte 8,5 7,5 7 6 ou/s per m2
– overstort 18,5 16,5 15 13,5 ou/s per m2
Anaërobe tank 5,5 5 4,6 4,2 ou/s per m2
Selector:
– belucht 6 5,5 5 4,5 ou/s per m2
– onbelucht 5,5 5 4,6 4,2 ou/s per m2
Voordenitrificatietank 2,2 1,9 1,7 1,6 ou/s per m2
Onderdeel Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.)
--- --- --- --- --- ---
Onderdeel <0,05 0,05–0,10 0,11–0,20 0,21–0,30 >0,30
Beluchtingstank
– aërobe zone:
* bellenbeluchting 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
* puntbeluchting
met omkapping 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
* borstelbeluchting
met omkapping 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
* puntbeluchting
zonder omkapping 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
– anoxische zone:
* bellenbeluchting 0,18 0,32 0,6 0,95 1,5
* borstelbeluchting 0,18 0,32 0,6 0,95 1,5
* puntbeluchting 0,18 0,32 0,6 0,95 1,5
Retourslibgemaal 0,6 1,1 2,0 3,2 5
Nabezinktank
– invoerzone 0,2 0,35 0,65 1,05 1,65
– oppervlakte 0,16 0,28 0,5 0,85 1,3
Na-nitrificatie 0,16 0,16 0,16 0,16 0,16
Na-denitrificatie 0,16 0,16 0,16 0,16 0,16

1 Voor de overstort van de nabezinktank wordt de emissie van geur niet apart berekend.

Onderdeel Slibkwaliteit Slibkwaliteit Slibkwaliteit Slibkwaliteit Eenheid
Onderdeel vers aëroob anaëroob gemengd
Voorindikker 8 3,95 8 ou/s per m2
Naindikker 3,05 ou/s per m2
Uitgegist slibbuffer 3,05 ou/s per m2
Slibindiklagune 4,05 1,75 4,35 ou/s per m2
Filterpers
Zeefbandpers 4,05 1,75 4,35 ou/s per m2
Centrifuge
Afvoer en opslag 4,05 1,75 4,35 ou/s per m2
Fosfaatbezinktank 3,95 ou/s per m2
Strippertank 3,95 ou/s per m2
Slibindikker 3,95 ou/s per m2
Flocculatietank 3,95 ou/s per m2

Bijlage XVIIIf. bij de artikelen 7.77 en 9.27 van deze regeling (bepalingen over het verbinden van voorschriften aan omgevingsvergunningen over het voorkomen van overschrijding standaardwaarden)

Als het uitvoeren van veldmetingen van het sediment en poriënwater om welke reden dan ook niet opportuun is, kunnen, na goedkeuring van het bevoegd gezag, poriënwaterconcentraties voor organische parameters ook worden berekend met behulp van literatuurwaarden voor de schijnbare verdelingscoëfficiënten, vermoedelijke totaalconcentraties in het sediment en de daarin voorkomende organische koolstofgehalten. Daarbij worden de in de berekening te gebruiken totaalconcentraties aan parameters in het sediment wel gebaseerd op recente representatieve waterbodemonderzoeken.

Voor het bepalen van de kwaliteit van het poriënwater zijn gegevens nodig over de totaalconcentratie in het sediment, de verdelingscoëfficiënt tussen vaste stof en water, en de concentratie in het poriënwater. Voor organische parameters en zware metalen is de aanpak verschillend. Er kan praktijkonderzoek worden gedaan in het gebied van herkomst of, onder voorwaarden, gebruik worden gemaakt van literatuurgegevens.

Op dezelfde manier als bij organische parameters kunnen totaalgehalten van zware metalen in slibmonsters uit het herkomstgebied worden gemeten en poriënwaterconcentraties worden bepaald. Analyses worden uitgevoerd volgens NEN 5720.

Uit het herkomstgebied worden de totaalconcentraties in het sediment (mg/kg sediment) van een breed pakket aan parameters geanalyseerd volgens NEN 5720. Hierbij wordt ook het organisch koolstofgehalte gemeten. Onder de aanname dat alle verontreinigende stoffen aan het organisch koolstof gebonden zijn, moet per monster de concentratie van de parameters worden uitgedrukt in ‘mg/kg organisch koolstof’.

Door centrifugeren van het sediment wordt het poriënwater verkregen. Het poriënwater wordt geanalyseerd. Als de bepalingsgrens van de meetmethode hoger ligt dan de standaardwaarde grondwater, dan geldt de bepalingsgrens als standaardwaarde grondwater. Een overschrijding van de bepalingsgrens verplicht dan tot het doorlopen van paragraaf 2. De keuze van de stoffen waarvan de concentratie in het poriënwater wordt gemeten wordt gebaseerd op de metingen van de totaalconcentraties van de parameters in het slib en literatuurgegevens die een indicatie geven over de mobiliteit van de aanwezige parameters.

Als het uitvoeren van veldmetingen van het sediment en poriënwater om welke reden dan ook niet opportuun is, kunnen, na goedkeuring van het bevoegd gezag, poriënwaterconcentraties voor organische parameters ook worden berekend met behulp van literatuurwaarden voor de schijnbare verdelingscoëfficiënten, vermoedelijke totaalconcentraties in het sediment en de daarin voorkomende organische koolstofgehalten. Daarbij worden de in de berekening te gebruiken totaalconcentraties aan parameters in het sediment wel gebaseerd op recente representatieve waterbodemonderzoeken.

De kwaliteit van het poriënwater wordt vergeleken met de standaardwaarden voor het grondwater zoals opgenomen in bijlage XVIIIa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Op dezelfde manier als bij organische parameters kunnen totaalgehalten van zware metalen in slibmonsters uit het herkomstgebied worden gemeten en poriënwaterconcentraties worden bepaald. Analyses worden uitgevoerd volgens NEN 5720.

Als het uitvoeren van veldmetingen van het poriënwater voor zware metalen om welke reden dan ook niet opportuun wordt geacht, kunnen, na goedkeuring van het bevoegd gezag, poriënwaterconcentraties worden berekend op basis van de sedimentconcentraties die in recent waterbodemonderzoek zijn vastgesteld op de wijze zoals hiervoor is vermeld. Bij de uit te voeren speciatieberekeningen en berekeningen van de totaalconcentraties van de opgeloste fractie wordt rekening gehouden met de te verwachten wijziging van de slibcondities. Voor een aantal parameters (bijv. DOC-gehalte, SEM/AVS etc.) moeten aannames worden gedaan die sterk bepalend zijn voor de uitkomsten van de berekeningen.

Formule (6.4) beschrijft de gestandaardiseerde cumulatieve normaalverdeling. In standaard statistiekboeken zijn tabellen opgenomen die voor willekeurige waarden van z de uitkomst van deze integraal geven.

In de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangegeven hoe de poriënwaterconcentraties zijn verkregen. Als gebruik is gemaakt van veldmetingen, wordt aangegeven waar en hoe de veldmetingen zijn verricht en in hoeverre de verkregen waarden representatief zijn voor de in de stortplaats te bergen specie.

De kwaliteit van het poriënwater wordt vergeleken met de standaardwaarden voor het grondwater zoals opgenomen in bijlage XVIIIa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Als de standaardwaarden voor het grondwater niet overschreden worden, wordt geconcludeerd dat de stortplaats de grondwaterkwaliteit niet nadelig zal beïnvloeden.

Als de standaardwaarden voor het grondwater overschreden worden, wordt voor deze parameters de berekening voortgezet zoals in paragraaf 2 is beschreven.

Voor het beschrijven van het consolidatiegedrag van de specie in de stortplaats worden de modellen FSCONBAG of DELCON gebruikt of een ander gelijkwaardig model.

De modellering van het optredend stoftransport wordt gebaseerd op ten minste de volgende gegevens:

De uit de stortplaats tredende flux voor een verontreinigende stof wordt berekend in gram per hectare per jaar met in de praktijk gangbare numerieke modellen. Deze modellen moeten geschikt zijn om zowel het (lokale) geohydrologisch systeem, het consolidatiegedrag van de specie als het optredend stoftransport te beschrijven. Hiertoe kunnen ook afzonderlijke modellen gekoppeld worden.

De modellering van het lokale geohydrologisch systeem wordt gebaseerd op ten minste de volgende gegevens:

Aan de hand van geohydrologisch veldonderzoek (uitgevoerd door een terzake kundig bedrijf) worden de in het model gebruikte gegevens gecontroleerd en wordt het geohydrologisch model gekalibreerd.

Voor het beschrijven van het consolidatiegedrag van de specie in de stortplaats worden de modellen FSCONBAG of DELCON gebruikt of een ander gelijkwaardig model.

De modellering van het optredend stoftransport wordt gebaseerd op ten minste de volgende gegevens:

De in deze bijlage beschreven methode kan worden toegepast voor de berekening van de geluidbelasting van civiele buitenschietbanen voor de volgende situaties:

De berekening van de uit de stortplaats tredende verontreiniging (fluxberekening) sluit aan op de wijze waarop de poriënwaterconcentraties zijn berekend in paragraaf 1. Als in paragraaf 1 veldwaarden voor de schijnbare verdelingscoëfficiënt zijn gebruikt, worden deze ook gebruikt voor de verdere beoordeling van de beïnvloeding van het grondwater.

De in paragraaf 1 berekende poriënwaterconcentraties worden in het model ingevoerd waardoor de flux uit de stortplaats voor meerdere tijdstappen (bijvoorbeeld 100, 1000 en 10.000 jaar) moet worden berekend in gram per hectare per jaar. Volstaan kan worden met het berekenen van de flux voor die stoffen die in het (poriën)water voorkomen boven de standaardwaarden. Als dit voor een groot aantal stoffen geldt, kan een selectie worden gemaakt op grond van de concentraties (ook in relatie tot de normering) en de mobiliteit van de stoffen. Gedacht moet worden aan een selectie van zes tot tien gidsstoffen. Als gidsstoffen moeten die stoffen worden aangewezen waarvan de grootste normoverschrijdingen worden verwacht.

In deze bijlage worden zoveel mogelijk dezelfde symbolen gebruikt zoals die ook in bijlage XVIIIc zijn gedefinieerd om een onderlinge vergelijking tussen de twee rekenmethoden beter mogelijk te maken.

De per tijdstap berekende fluxen worden getoetst aan de in bijlage XVIIIg bij deze regeling opgenomen waarden voor de `toelaatbare flux'. Als de toelaatbare flux niet wordt overschreden, kan de toetsing worden beëindigd. Als de toelaatbare flux wordt overschreden, wordt de toetsing voor deze stoffen voortgezet zoals beschreven in paragraaf 3.

Het toelaatbaar beïnvloede gebied komt overeen met de grootte van de nuttige inhoud van de stortplaats (volumecriterium). Met de nuttige inhoud van de stortplaats wordt het depotvolume (in kubieke meters) bedoeld dat beschikbaar is voor het bergen van baggerspecie (ontwerpcapaciteit).

Als het beïnvloede gebied na 10.000 jaar (berekening) kleiner is dan het toelaatbaar beïnvloede gebied, dan zijn de effecten van de stortplaats op het grondwater toelaatbaar. Als dit het geval is, wordt aangegeven of dit het gevolg is van locatiespecifieke omstandigheden (artikel 7.77, eerste lid, onder a, onder 5°, van deze regeling).

Met het numerieke model zoals beschreven in paragraaf 2 wordt de beïnvloeding van het grondwater en de bodem door de stortplaats gekwantificeerd (in kubieke meters). Hierbij wordt het bodemvolume bedoeld in kubieke meters dat ligt binnen de contour van de standaardwaarde na 10.000 jaar. Het gaat hier om de parameters die de toelaatbare flux overschrijden. Uitgangspunt bij deze berekening is dat het grondwater in de uitgangssituatie geen verontreinigingen bevat.

Daarnaast wordt aangegeven wat de vracht aan verontreinigingen is in het poriënwater (artikel 7.77, eerste lid, onder a, onder 3°, van deze regeling).

Per te toetsen parameter wordt het door de stortplaats beïnvloede gebied (in kubieke meters) binnen de contour van de standaardwaarde na 10.000 jaar getoetst aan het toelaatbaar beïnvloede gebied.

Het toelaatbaar beïnvloede gebied komt overeen met de grootte van de nuttige inhoud van de stortplaats (volumecriterium). Met de nuttige inhoud van de stortplaats wordt het depotvolume (in kubieke meters) bedoeld dat beschikbaar is voor het bergen van baggerspecie (ontwerpcapaciteit).

Als het beïnvloede gebied na 10.000 jaar (berekening) kleiner is dan het toelaatbaar beïnvloede gebied, dan zijn de effecten van de stortplaats op het grondwater toelaatbaar. Als dit het geval is, wordt aangegeven of dit het gevolg is van locatiespecifieke omstandigheden (artikel 7.77, eerste lid, onder a, onder 5°, van deze regeling).

Als er wel overschrijding van het toelaatbaar beïnvloede gebied plaatsvindt, wordt aangegeven of direct buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied natuurlijke en effectieve geohydrologische isolatie optreedt (artikel 7.77, eerste lid, onder a, onder 4°, van deze regeling).

Daarnaast wordt aangegeven wat de vracht aan verontreinigingen is in het poriënwater (artikel 7.77, eerste lid, onder a, onder 3°, van deze regeling).

Als alleen in de dagperiode wordt geschoten geldt: Bs,dan = Bs,dag – 3 dB.

Als uit de berekening blijkt dat de berekende effecten niet toelaatbaar zijn, worden maatregelen genomen die de effecten op het grondwater tegengaan (artikel 8.62c, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving). De maatregelen worden in het numerieke model gebracht waarna de fluxberekeningen (paragraaf 2) en de berekening van het beïnvloede gebied (paragraaf 3) worden herhaald, zodat de effectiviteit van de maatregelen inzichtelijk wordt gemaakt.

Het gaat hierbij om de isolerende werking van de organische stofrijke minerale lagen en de werking van een geohydrologisch isolatiesysteem op de betreffende locatie.

Een geohydrologisch isolatiesysteem kan een onderdeel vormen van een samenhangend geheel van isolerende maatregelen dat in het ontwerp van een stortplaats is opgenomen. Daarnaast is het een maatregel die altijd moet kunnen worden aangelegd als vangnet. Gekoppeld aan deze laatste functie is het logisch om het ontwerp van het controlesysteem (artikel 8.62g, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving) te koppelen aan het ontwerp van het geohydrologisch isolatiesysteem.

De werking van het geohydrologisch isolatiesysteem wordt in de omgevingsvergunning inzichtelijk gemaakt. Daarbij wordt aangegeven:

De schadelijke effecten worden berekend door middel van een van de volgende formules, zoals nader gespecificeerd in de paragrafen 2.1 tot en met 2.3:

Uit het herkomstgebied worden de totaalconcentraties in het sediment (mg/kg sediment) van een breed pakket aan parameters geanalyseerd volgens NEN 5720. Hierbij wordt ook het organisch koolstofgehalte gemeten. Onder de aanname dat alle verontreinigende stoffen aan het organisch koolstof gebonden zijn, moet per monster de concentratie van de parameters worden uitgedrukt in ‘mg/kg organisch koolstof’.

Voor de berekening van het relatieve risico (RR) wat het schadelijke effect van ischemische hartziekten (IHD) betreft, wordt voor het gebied waarbinnen de incidentie bekend is (i) de volgende dosis/effectrelatie gebruikt:

Voor de bepaling van schadelijke effecten wordt het volgende in aanmerking genomen:

De eisen aan de rapportage van de berekeningsresultaten van deze eenvoudige methode is gelijk aan de eisen zoals in bijlage XVIIIc zijn beschreven.

1. Reeks schadelijke effecten

2.1. Ischemische hartziekten (IHD)

Voor de berekening van het relatieve risico (RR) wat het schadelijke effect van ischemische hartziekten (IHD) betreft, wordt voor het gebied waarbinnen de incidentie bekend is (i) de volgende dosis/effectrelatie gebruikt:

voor wegverkeerslawaai.

De kwaliteit van het poriënwater wordt vergeleken met de standaardwaarden voor het grondwater zoals opgenomen in bijlage XVIIIa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Voor de berekening van het absolute risico op hoge mate van hinder ARHA wordt de volgende dosis/effectrelatie gebruikt:

voor wegverkeerslawaai;

voor spoorweglawaai;

voor vliegtuiglawaai.

Op dezelfde manier als bij organische parameters kunnen totaalgehalten van zware metalen in slibmonsters uit het herkomstgebied worden gemeten en poriënwaterconcentraties worden bepaald. Analyses worden uitgevoerd volgens NEN 5720.

Voor de berekening van het absolute risico op hoge mate van slaapverstoring ARHSD wordt de volgende dosis/effectrelatie gebruikt:

voor wegverkeerslawaai;

voor spoorweglawaai;

2.3. Toetsing

Wat IHD in geval van lawaai van wegverkeer betreft, is het totale aantal N gevallen per gebied waarbinnen de incidentie bekend is (i):

De blootstelling van de bevolking wordt voor elke geluidbronsoort en elk schadelijk effect afzonderlijk bepaald. Wanneer dezelfde personen tegelijkertijd aan verschillende geluidbronsoorten worden blootgesteld, mogen de schadelijke effecten – in het algemeen – niet worden gecumuleerd. Die effecten kunnen evenwel met elkaar worden vergeleken, om het relatieve belang van elke geluidbronsoort te kunnen bepalen.

De in paragraaf 1 berekende poriënwaterconcentraties worden in het model ingevoerd waardoor de flux uit de stortplaats voor meerdere tijdstappen (bijvoorbeeld 100, 1000 en 10.000 jaar) moet worden berekend in gram per hectare per jaar. Volstaan kan worden met het berekenen van de flux voor die stoffen die in het (poriën)water voorkomen boven de standaardwaarden. Als dit voor een groot aantal stoffen geldt, kan een selectie worden gemaakt op grond van de concentraties (ook in relatie tot de normering) en de mobiliteit van de stoffen. Gedacht moet worden aan een selectie van zes tot tien gidsstoffen. Als gidsstoffen moeten die stoffen worden aangewezen waarvan de grootste normoverschrijdingen worden verwacht.

Wat IHD in geval van lawaai van wegverkeer betreft, wordt het aandeel van de gevallen van specifieke schadelijke effecten in de bevolking die wordt blootgesteld aan een RR dat volgens de berekening wordt veroorzaakt door omgevingslawaai, voor het gebied waarbinnen de incidentie bekend is (i) afgeleid door:

waarbij

Wat IHD in geval van lawaai van wegverkeer betreft, is het totale aantal N gevallen per gebied waarbinnen de incidentie bekend is (i):

waarbij

Voor het beschrijven van het consolidatiegedrag van de specie in de stortplaats worden de modellen FSCONBAG of DELCON gebruikt of een ander gelijkwaardig model.

Wat hoge mate van hinder (HA) en hoge mate van slaapverstoring (HSD) in geval van lawaai van wegverkeer, treinverkeer en vliegtuigen betreft, is het totale aantal N personen die schadelijk effect x ondergaan (aantal toe te schrijven gevallen) vanwege geluidbronsoort y:

2.2. Berekening

Toepassingsbereik SRM3 = Toepassingsbereik van Standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3.

1 Deze softwaremodellen zijn ook aangewezen voor het bepalen van de gevolgen voor de luchtkwaliteit in situaties die buiten het toepassingsbereik vallen van SRM1, SRM2 en SRM3.

Als er wel overschrijding van het toelaatbaar beïnvloede gebied plaatsvindt, wordt aangegeven of direct buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied natuurlijke en effectieve geohydrologische isolatie optreedt (artikel 7.77, eerste lid, onder a, onder 4°, van deze regeling).

Toepassingsbereik SRM1 = Toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1, zoals weergegeven in de artikelen 8.10, aanhef en onder a, en 12.50, aanhef en onder a, van deze regeling en beschreven in Standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1.

Toepassingsbereik SRM2 = Toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2, zoals weergegeven in de artikelen 8.10, aanhef en onder b, en 12.50, aanhef en onder b, van deze regeling en beschreven in Standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2.

3.1. Berekenen

Stad doorstromend. Stadsverkeer met een geringe mate van congestie, een gemiddelde snelheid tussen de 30 en 45 km/u, gemiddeld ongeveer 1,5 stop per afgelegde kilometer.

3.2. Toetsing

Snelweg. Snelheden staan voor de geldende maximumsnelheid voor het beschouwde wegvak. Onderscheid naar wegvakken met strenge handhaving (MSH) en zonder strenge handhaving (ZSH). File is in dit geval gedefinieerd als een intensiteit-capaciteitverhouding van 0,8 of meer.

Stad stagnerend. Stadsverkeer met een grote mate van congestie, een gemiddelde snelheid kleiner dan 15 km/u, gemiddeld ongeveer 10 stops per afgelegde kilometer.

Stad normaal. Typisch stadsverkeer met een redelijke mate van congestie, een gemiddelde snelheid tussen de 15 en 30 km/u, gemiddeld ongeveer 2 stops per afgelegde kilometer.

Stad doorstromend. Stadsverkeer met een geringe mate van congestie, een gemiddelde snelheid tussen de 30 en 45 km/u, gemiddeld ongeveer 1,5 stop per afgelegde kilometer.

2. Analyse van de bodemmonsters

Snelweg. Snelheden staan voor de geldende maximumsnelheid voor het beschouwde wegvak. Onderscheid naar wegvakken met strenge handhaving (MSH) en zonder strenge handhaving (ZSH). File is in dit geval gedefinieerd als een intensiteit-capaciteitverhouding van 0,8 of meer.

Als uit de berekening blijkt dat de berekende effecten niet toelaatbaar zijn, worden maatregelen genomen die de effecten op het grondwater tegengaan (artikel 8.62c, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving). De maatregelen worden in het numerieke model gebracht waarna de fluxberekeningen (paragraaf 2) en de berekening van het beïnvloede gebied (paragraaf 3) worden herhaald, zodat de effectiviteit van de maatregelen inzichtelijk wordt gemaakt.

B. Emissiefactoren voor snelwegen

Een geohydrologisch isolatiesysteem kan een onderdeel vormen van een samenhangend geheel van isolerende maatregelen dat in het ontwerp van een stortplaats is opgenomen. Daarnaast is het een maatregel die altijd moet kunnen worden aangelegd als vangnet. Gekoppeld aan deze laatste functie is het logisch om het ontwerp van het controlesysteem (artikel 8.62g, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving) te koppelen aan het ontwerp van het geohydrologisch isolatiesysteem.

De werking van het geohydrologisch isolatiesysteem wordt in de omgevingsvergunning inzichtelijk gemaakt. Daarbij wordt aangegeven:

voor vliegtuiglawaai.

B. Aftrek van kalenderjaargemiddelde concentratie PM10

voor wegverkeerslawaai;

Voor de bepaling van schadelijke effecten wordt het volgende in aanmerking genomen:

2. Berekening van schadelijke effecten

De schadelijke effecten worden berekend door middel van een van de volgende formules, zoals nader gespecificeerd in de paragrafen 2.1 tot en met 2.3:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

homogeen perceel: perceel bouwland of grasland waar zowel het gehalte aan organische stof als het gehalte aan lutum tussen de bodemmonsters niet meer verschilt dan 5%-punten;

3.1. Bepaling voor Ischemische hartziekten (IHD)

De monsters worden verzameld met een gutsboor. De gutsboor heeft een diameter van 22 mm en is volledig met grond gevuld.

1. Bemonstering van de bodem

In deze bijlage wordt verstaan onder:

homogeen perceel: perceel bouwland of grasland waar zowel het gehalte aan organische stof als het gehalte aan lutum tussen de bodemmonsters niet meer verschilt dan 5%-punten;

3.2. Bepaling voor hoge mate van hinder (HA) en hoge mate van slaapverstoring (HSD)

De monsters worden verzameld met een gutsboor. De gutsboor heeft een diameter van 22 mm en is volledig met grond gevuld.

De monsters worden verzameld in schone opvangvaten of opvangzakken die zijn vervaardigd uit of bekleed met polyethyleen.

Een inzendmonster bestaat uit 40 steken met de gutsboor. Deze worden systematisch genomen door in zig-zag gangen over het perceel te gaan, zodanig dat elk gedeelte van de te bemonsteren oppervlakte een gelijke kans heeft om in het inzendmonster te worden opgenomen. De kanten van het perceel en grove onregelmatigheden in het perceel (slootwallen, diepe greppels, melkplaatsen) worden niet bemonsterd. Op de monsterneming is NEN 5742 van toepassing.

Op het bepalen van het organische-stofgehalte is NEN 5754 van toepassing.

Toepassingsbereik SRM1, SRM2 en SRM3:

Op de monsterontsluiting voor de analyse op cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink en arseen is NEN 6961 van toepassing en op de monsteranalyse hiervan is NEN 6965 van toepassing.

Op de monsterontsluiting en op de monsteranalyse op kwik is NEN-ISO 16772 van toepassing.

Op het bepalen van het droge-stofgehalte is NEN-EN 15934 van toepassing.

Op het bepalen van het organische-stofgehalte is NEN 5754 van toepassing.

Op het bepalen van het lutumgehalte is NEN 5753 van toepassing.

1.2 De omgevingsregeling

3.4. Het opstellen van het plan van aanpak

Inhoud

1 Inleiding

1.1 Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen

1.2 De omgevingsregeling

1.3 Leeswijzer

2 De beoordeling op hoofdlijnen

4. Uitvoering

2.2 De beoordeling van een dijktraject op hoofdlijnen

A. Emissiefactoren voor niet-snelwegen

2.2.2. Uitvoering

2.2.3. Rapportage

Inleiding

3.1 De voorbereidingsfase

3.2 Het opstellen van het verhaal van de kering

3.3 Het selecteren van de relevante faalmechanismen

3.4 Het opstellen van het plan van aanpak

4 Uitvoering

A. Emissiefactoren voor niet-snelwegen

4.2 De analyse van de relevante faalmechanismen

4.3 Het inrichten van een werkatelier

4.4 Selectie dominante faalpaden en aanpak nadere analyse

A. Aftrek van aantal overschrijdingen per kalenderjaar van de 24-uurgemiddelde concentratie PM10

4.6 De bepaling van de overstromings- of faalkans

4.7 Het opstellen van het veiligheidsoordeel

5 Rapportage

5.1 De beoordelingsrapportage

5.2 De informatie in de beoordelingsrapportage

4.5. De analyse van de dominante faalpaden

5.2.2. De duiding van het resultaat

2. Analyse van de bodemmonsters

5.3 Logboek

1. Bemonstering van de bodem

6.1 Inleiding

6.2 Relevante aspecten: kwaliteitsdimensies

6.3 Kennis en instrumenten

1.2. De Omgevingsregeling

7.1 Voorlopig oordeel

4.6. De bepaling van de overstromings- of faalkans

7.3 Versterkingsprojecten

7.4 Recent opgeleverde projecten

7.5 Waterkeringen in het buitenland

Addenda

Begrippenlijst

Afkortingen

Schematische weergave beoordelingsproces

De metingen, berekeningen en modellen die worden ingezet om de overstromings- of faalkans te bepalen zijn voor elk dijktraject anders. Dit is afhankelijk van de lokale situatie (belasting, type keringen en de samenstelling en opbouw van de ondergrond) die bepaalt welke faalmechanismen bijdragen aan de overstromingskans en welke modellen toepasbaar zijn.

1.1. Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen

Met het in werking treden van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de omgevingswaarden van dijktrajecten en de ‘andere parameters voor de signalering over de veiligheid van een dijktraject’ (hierna: signaleringsparameters), opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving1Besluit kwaliteit leefomgeving (wetten.nl)., van kracht. Deze komen overheen met de waarden die in 2017 in de Waterwet zijn vastgelegd voor de ondergrens en signaleringswaarde van de dijktrajecten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)