Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-08-18
Laatst bijgewerkt 2026-08-20
State In force
Source BWB
artikelen 1926
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Code Beschrijving huisvestingssysteem Nummer systeembeschrijving Emissiefactor per dierplaats Emissiefactor per dierplaats Emissiefactor per dierplaats
Code Beschrijving huisvestingssysteem Nummer systeembeschrijving ammoniak (kg NH3/jaar) geur (ouE/sec) fijnstof (g PM10/jaar)
HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE HOOFDCATEGORIE A: RUNDVEE
HA1 Diercategorie melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief kalveren jonger dan 14 dagen)
HA1.1 Grupstal met drijfmest OW 1993.09.V1 5,7 81
HA1.2 Ligboxenstal met hellende vloer en giergoot OW 1993.03.V1, OW 1993.04.V1, OW 1993.05.V1, OW 1993.06.V1, OW 1994.08.V1 10,2 148
HA1.3 Ligboxenstal met hellende vloer en spoelsysteem OW 1994.03.V1 9,2 148
HA1.4 Ligboxenstal met hellende vloer en giergoot met spoelsysteem of roostervloer met spoelsysteem OW 2001.28.V1 10,2 148
HA1.5 Ligboxenstal met dichte geprofileerde hellende vloer OW 2009.11.V1 11,0 148
HA1.6 Ligboxenstal met dichte hellende vloer met rubber toplaag OW 2009.22.V1 11,0 148
HA1.7 Ligboxenstal met sleufvloer OW 2010.14.V1, OW 2010.24.V1 11,8 148
HA1.8 Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag en afdichtflappen in roosterspleten waarvoor voor 12 april 2017 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2010.30.V1 6,0 148
HA1.9 Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag OW 2010.31.V1 7 148
HA1.10 Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2010.32.V1 11,8 148
HA1.11 Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2010.33.V1 12,2 148
HA1.12 Ligboxenstal met roostervloer met cassettes in de roosterspleten OW 2010.34.V1 7 148
HA1.13 Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtflappen OW 2010.35.V1 7 148
HA1.14 Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtkleppen waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2010.36.V1 10,3 148
HA1.15 Ligboxenstal met V-vormige vloer met gietasfalt in combinatie met een gierafvoerbuis en met mestschuif waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2012.01.V1 11,7 148
HA1.16 Mechanisch geventileerde stal met een chemisch luchtwassysteem waarvoor voor 20 juli 2018 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2012.02.V1 5,1 148
HA1.17 Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in combinatie met een gierafvoerbuis OW 2012.04.V1 8 148
HA1.18 Ligboxenstal met roostervloer met hellende groeven of hellend gelegd met afdichtkleppen in roosterspleten OW 2012.05.V1 11 148
HA1.19 Ligboxenstal met geprofileerde hellende vloer met perforaties waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2012.08.V1 10,1 148
HA1.20 Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven en regelmatige mestafstorten met afdichtingen OW 2013.01.V1 7 148
HA1.21 Ligboxenstal met sleufvloer met in doorsteken, wachtruimte en doorlopen een roostervloer met bolle rubber toplaag en afdichtflappen in roosterspleten OW 2013.03.V1 11 148
HA1.22 Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven met urineafvoergat of met regelmatige mestafstorten met afdichtkleppen OW 2013.04.V1 6 148
HA1.23 Ligboxenstal met geprofileerde vloer met hellende sleuven, aaneengesloten of met regelmatige mestafstorten met afdichtflappen OW 2013.05.V1 7 148
HA1.24 Ligboxenstal met vloer met geprofileerde rubber matten met hellend profiel en regelmatige mestafstorten met afdichtflappen waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2013.06.V1 10,3 148
HA1.25 Ligboxenstal met hellende vloer met geprofileerde rubber matten en centrale giergoot OW 2013.07.V1 8 148
HA1.26 Ligboxenstal met roostervloer met hellende groeven of hellend gelegd met afdichtkleppen in roosterspleten en vernevelsysteem OW 2014.02.V1 8 148
HA1.27 Ligboxenstal met roostervloer met rubber matten en composietnokken met hellend profiel en cassettes in roosterspleten OW 2015.05.V1 6 148
HA1.28 Ligboxenstal met geprofileerde hellende vloer met holtes voor gieropvang en -afvoer aan zijkant waarvoor voor 1 januari 2019 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2015.06.V1 9,9 148
HA1.29 Ligboxenstal met roostervloer met bolle rubber toplaag OW 2017.06.V1 8 148
HA1.30 Ligboxenstal met sleufvloer met geprofileerde rubber tegels waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2018.02.V1 8,1 148
HA1.31 Ligboxenstal met vlakke betonnen vloerplaten met sleuven, voorzien van profiel met 1% hellende groeven richting een centrale giergoot met giergaten en mestverwijdering waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2018.03.V1 9,1 148
HA1.32 Ligboxenstal met geprofileerde rubber oplegsleufvloer met hellende sleuven met gierafvoergaatjes waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2018.06.V1 7,1 148
HA1.33 Ligboxenstal met dichte geprofileerde vloer met rubbermatten en composietnokken met hellend profiel waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2018.07.V1 9,0 148
HA1.34 Ligboxenstal met vlakke vloer voorzien van rubberen sleufvloer, met vlakke langssleuven en geprofileerd rubber (hellende V-vorm), met groeven en nopjes tussen de langssleuven met vingermestschuif OW 2019.01.V2 8 148
HA1.35 Ligboxenstal met urineopvangstation OW 2021.05.V2 6 148
HA1.36 Ligboxenstal met een indrukbare drainerende loopvloer voorzien van een mestschuif, waarbij de urine en mest direct worden gescheiden en apart worden opgeslagen, waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 2 oktober 2024 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 2 oktober 2024 OW 2021.06.V1 6,4 148
HA1.37 Ligboxenstal voorzien van geprofileerde rubberen oplegmatten met ruitprofiel onder 2% afschot naar een centrale giergoot en frequente mestverwijdering met vaste mestschuif, waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 2 oktober 2024 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 2 oktober 2024 OW 2021.07.V1 8,9 148
HA1.38 Natuurlijk geventileerde ligboxenstal met een roostervloer voorzien van inlays met urineafvoergaatjes in de roosterspleten, frequent bevochtigen en schoonzuigen van de vloer door een mestverzamelrobot en een mechanische kelderluchtafzuiging met een chemisch luchtwassysteem (95% emissiereductie) OW 2021.08.V2 3 - 148
HA1.39 Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in een helling van 3,5% in combinatie met een gierafvoerbuis, waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of waarvoor tussen 1 januari 2024 en 9 maart 2026 een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is verleend, of, als een vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor 9 maart 2026 OW 2022.01.V1 6,2 - 148
HA1.100 Overige huisvestingssystemen 13 148
HA2 Diercategorie vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, diercategorie fokstieren jonger dan 2 jaar
HA2.100 Overige huisvestingssystemen 4,4 38
HA3 Diercategorie vleeskalveren jonger dan 1 jaar
HA3.1 Stal met hellende roostervloer in combinatie met hellende schijnvloer onder roostervloer waarvoor voor 6 mei 2020 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2012.09.V1 2,5 35,6 33
HA3.2 Stal met volledige roostervloer voorzien van een bolle rubber toplaag en afdichtkleppen in de roosterspleten waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2018.04.V1 1,9 31,2 22
HA3.100 Overige huisvestingssystemen 3,5 35,6 33
HA4 Diercategorie zoogkoeien van 2 jaar en ouder (inclusief ongespeende kalveren)
HA4.100 Overige huisvestingssystemen 4,1 86
HA5 Diercategorie overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar
HA5.100 Overige huisvestingssystemen 5,3 35,6 170
HA6 Diercategorie overig rundvee van 2 jaar en ouder
HA6.100 Overige huisvestingssystemen 6,2 170
HOOFDCATEGORIE B: SCHAPEN HOOFDCATEGORIE B: SCHAPEN
HB1 Diercategorie schapen van 1 jaar en ouder (inclusief lammeren)
HB1.100 Overige huisvestingssystemen (beweiden) 0,7 7,8
HOOFDCATEGORIE C: GEITEN HOOFDCATEGORIE C: GEITEN
HC1 Diercategorie geiten van 1 jaar en ouder
HC1.100 Overige huisvestingssystemen 1,9 18,8 19
HC2 Diercategorie geiten vanaf 61 dagen tot 1 jaar
HC2.100 Overige huisvestingssystemen 0,8 11,3 10
HC3 Diercategorie geiten tot 61 dagen
HC3.100 Overige huisvestingssystemen 0,2 5,7 10
HOOFDCATEGORIE D: VARKENS HOOFDCATEGORIE D: VARKENS
HD1 Diercategorie gespeende biggen minder dan 25 kg
HD1.1 Vlakke gecoate keldervloer met mestschuif OW 1993.01.V1 0,20 5,4 56
HD1.2 Gedeeltelijk rooster met spoelgotensysteem OW 1994.09.V1, OW 1997.01.V1 0,24 7,8 74
HD1.3 Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof
HD1.3.1 Volledig rooster OW 1996.05.V1 0,18 7,8 56
HD1.3.2 Gedeeltelijk rooster OW 1996.05.V1 0,25 7,8 74
HD1.4 Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster OW 1996.06.V1 0,23 5,4 74
HD1.5 Ondiepe mestkelders met water- en mestkanaal
HD1.5.1 Oppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,13 m2 per dierplaats OW 1996.01.V1 0,26 5,4 74
HD1.5.2 Oppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,19 m2 per dierplaats OW 2001.14.V1 0,33 7,8 74
HD1.6 Schuine putwand
HD1.6.1 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,07 m2 per dierplaats, ongeacht groepsgrootte OW 2001.13.V1 0,17 5,4 74
HD1.6.2 Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen tot 30 dieren OW 2004.06.V1 0,21 5,4 74
HD1.6.3 Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen vanaf 30 dieren zonder spoelgoten OW 2010.04.V1 0,18 5,4 74
HD1.6.4 Emitterende mestoppervlakte 0,07–0,10 m2 per dierplaats in groepen vanaf 30 dieren met spoelgoten OW 1999.05.V1, OW 1999.06.V1 0,18 7,8 74
HD1.7 Gedeeltelijk rooster met verkleinde mestoppervlakte OW 2001.16.V1 0,39 7,8 74
HD1.8 Mestopvang in water met mestafvoersysteem OW 2006.07.V1 0,15 5,4 56
HD1.9 Volledig rooster met water- en mestkanaal OW 2010.05.V1 0,20 5,4 56
HD1.10 Koeldeksysteem (150% koeloppervlakte) OW 2010.12.V1 0,17 5,4 56
HD1.11 Hok met conditionering van de ligvloertemperatuur, mestkelders met water- en mestkanaal, voerbak en watervoorziening boven het waterkanaal, mestkanaal met metalen driekant roostervloer met mestspleet, beide kanalen voorzien van een pan met watervulsysteem, dagelijkse mestafvoer uit het mestkanaal en een emitterend mestoppervlakte van ten hoogste 0,062 m2per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum OW 2019.02.V1 0,21 5,4 56
HD1.100 Overige huisvestingssystemen 0,69 7,8 74
HD2 Diercategorie kraamzeugen (inclusief biggen tot spenen)
HD2.1 Spoelgotensysteem, spoelen met dunne mest OW 1993.12.V1, OW 1999.02.V1 3,3 27,9 160
HD2.2 Kunststof schijnvloer met schuif onder rooster OW 1994.02.V1 3,7 27,9 160
HD2.3 Vlakke gecoate keldervloer met mestschuif OW 1994.06.V1 4,0 27,9 160
HD2.4 Hellende gecoate keldervloer met giergoot en mestschuif OW 1994.07.V1 3,1 27,9 160
HD2.5 Ondiepe mestkelders met mest- en waterkanaal OW 1995.08.V1 4,0 27,9 160
HD2.6 Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof OW 1996.04.V1 3,1 27,9 160
HD2.7 Mestkanaal en hellende (schijn)vloer onder roostervloer OW 2001.17.V1 5,0 27,9 160
HD2.8 Schuiven in mestgoot 0W 2001.18.V1 2,5 27,9 160
HD2.9 Waterkanaal met afgescheiden mestkanaal of mestbak OW 2004.07.V1 2,9 27,9 160
HD2.10 Mestpan OW 2006.08.V1 2,9 27,9 160
HD2.11 Mestgoot met mestafvoersysteem OW 2010.06.V1 3,2 27,9 160
HD2.12 Mestpan met water- en mestkanaal OW 2010.07.V1 2,9 27,9 160
HD2.13 Mestpan met water- en mestkanaal en koelsysteem OW 2018.01.V1 1,3 27,9 160
HD2.14 Koeldeksysteem (150% koeloppervlakte) OW 2010.15.V1 2,4 27,9 160
HD2.100 Overige huisvestingssystemen 8,3 27,9 160
HD3 Diercategorie guste en dragende zeugen
HD3.1 Smalle ondiepe mestkanalen met metalen driekantrooster en rioleringssysteem (individuele huisvesting) OW 1995.02.V1 2,4 18,7 175
HD3.2 Mestgoot met combinatierooster en frequente mestafvoer (individuele huisvesting) OW 1995.05.V1 1,8 18,7 175
HD3.3 Spoelgotensysteem met dunne mest
HD3.3.1 Individuele huisvesting OW 1995.07.V1 2,5 18,7 175
HD3.3.2 Groepshuisvesting OW 1998.01.V1, OW 1999.03.V1 2,5 18,7 175
HD3.4 Mestopvang in en spoelen met aangezuurde vloeistof
HD3.4.1 Individuele huisvesting OW 1996.03.V1 1,8 18,7 175
HD3.4.2 Groepshuisvesting OW 1998.02.V1 1,8 18,7 175
HD3.5 Schuiven in mestgoot (individuele huisvesting) OW 2001.19.V1 2,2 18,7 175
HD3.6 Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster OW 2008.11.V1 2,2 18,7 175
HD3.7 Koeldeksysteem
HD3.7.1 115% koeloppervlakte (individuele huisvesting) OW 2010.16.V1 2,2 18,7 175
HD3.7.2 135% koeloppervlakte (groepshuisvesting) OW 2010.17.V1 2,2 18,7 175
HD3.8 Groepshuisvesting zonder strobed met voerligboxen of voerstations en schuine putwanden in mestkanaal
HD3.8.1 Met metalen driekantrooster OW 2010.08.V1 2,3 18,7 175
HD3.8.2 Met anders dan metalen driekantrooster OW 2006.09.V1 2,5 18,7 175
HD3.9 Rondloopstal met voerstation en strobed OW 2010.09.V1 2,6 18,7 175
HD3.10 Hok met kelders met water- en mestkanaal, vloervoedering, mestkanaal met metalen driekant roostervloer met mestspleet, mest- en watergoot met schuine puntwanden, koelsysteem en watervul- en spoelsysteem in mestgoot, dagelijkse mestafvoer en een emitterend mestoppervlakte van ten hoogste 0,3 m2 per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2024 OW 2019.03.V1 1,5 18,7 175
HD3.100 Overige huisvestingssystemen (groepshuisvesting) 4,2 18,7 175
HD3.101 Overige huisvestingssystemen (individuele huisvesting) 4,2 18,7 175
HD4 Diercategorie dekberen van 7 maanden en ouder
HD4.100 Overige huisvestingssystemen 5,5 18,7 180
HD5 Diercategorie vleesvarkens van 25 kg en meer, diercategorie opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden diercategorie opfokzeugen van 25 kg en meer
HD5.1 Scharrelvleesvarkens in beddenstal OW 2001.30.V1 1,9 23,0 153
HD5.2 Gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsluiter OW 2001.23.V1 4,5 23,0 153
HD5.3 Mestopvang in en spoelen met ammoniakarme vloeistof (inclusief aanzuren) OW 1993.10.V1, OW 1993.11.V1, OW 1995.03.V1, OW 2001.24.V1 1,6 17,9 153
HD5.4 Metalen driekantrooster met mestopvang in met formaldehyde behandelde mestvloeistof OW 1995.01.V1 1,0 17,9 153
HD5.5 Metalen driekantrooster met mestopvang in water OW 1995.06.V1 1,3 17,9 153
HD5.6 Spoelgotensysteem met metalen driekantrooster OW 1998.03.V1 1,2 23,0 153
HD5.7 Spoelgotensysteem met rooster OW 1998.04.V1, OW 1999.04.V1 1,7 23,0 153
HD5.8 Water- en mestkanaal OW 2001.03.v1 1,7 23,0 153
HD5.9 Mestkanaal met schuine putwand (en waterkanaal)
HD5.9.1 Met metalen driekantrooster op mestkanaal
HD5.9.1.1 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats met spoelgoten OW 1997.04.V1 1,0 23,0 153
HD5.9.1.2 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats zonder spoelgoten OW 2004.03.V1 1,0 17,9 153
HD5.9.1.3 Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats met spoelgoten OW 1997.04.V1 1,4 23.0 153
HD5.9.1.4 Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats zonder spoelgoten OW 2004.04.V1 1,4 17,9 153
HD5.9.2 Met anders dan metalen driekantrooster op mestkanaal
HD5.9.2.1 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,18 m2 per dierplaats OW 2004.05.V1 1,5 17,9 153
HD5.9.2.2 Emitterende mestoppervlakte 0,18–0,27 m2 per dierplaats OW 2010.10.V1 1,9 23,0 153
HD5.10 Koeldeksysteem (200% koeloppervlakte)
HD5.10.1 Met metalen driekantrooster
HD5.10.1.1 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,5 m2 per dierplaats OW 2004.08.V1 1,2 17,9 153
HD5.10.1.2 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,8 m2 per dierplaats OW 2010.19.V1 1,5 17,9 153
HD5.10.2 Met anders dan metalen driekantrooster
HD5.10.2.1 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,6 m2 per dierplaats OW 2010.20.V1 1,6 17,9 153
HD5.10.2.2 Emitterende mestoppervlakte 0,6–0,8 m2 per dierplaats OW 2001.01.V1 2,4 23,0 153
HD5.11 Koeldeksysteem (170% koeloppervlakte) met metalen driekantrooster
HD5.11.1 Emitterende mestoppervlakte mestkanaal groter dan 0,5 m2, maar ten hoogste 0,67 m2 per dierplaats OW 2001.25.V1 1,7 23 153
HD5.11.2 Emitterende mestoppervlakte mestkanaal ten hoogste 0,5 m2 per dierplaats OW 2019.05.V1 1,4 17,9 153
HD5.12 Bollevloerhok met betonnen morsrooster en metalen driekantrooster
HD5.12.1 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,22 m2 per dierplaats OW 2001.27.V1 1,4 17,9 153
HD5.12.2 Emitterende mestoppervlakte ten hoogste 0,33 m2 per dierplaats OW 2001.27.V1 2,0 23,0 153
HD5.13 Mestband in mestkanaal met metalen driekantrooster OW 2008.11.V1 1,1 17,9 153
HD5.14 Hok met mestkelders met water- en mestkanaal, voerbak en watervoorziening boven het waterkanaal, mestkanaal met metalen driekant roostervloer, mestgoot met schuine putwanden, koelsysteem en watervul- en spoelsysteem, dagelijkse mestafvoer en een emitterende mestoppervlakte van ten hoogste 0,08 m2 per dierplaats waarvoor voor 1 januari 2024 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor 1 januari 2024 OW 2019.04.V1 0,77 17,9 153
HD5.100 Overige huisvestingssystemen 3,0 23,0 153
HOOFDCATEGORIE E: KIPPEN HOOFDCATEGORIE E: KIPPEN
HE1 Diercategorie opfokhennen en -hanen van legkippen jonger dan 18 weken
HE1.1 Kooihuisvesting
HE1.1.1 Batterij met mestband OW 1993.07.V1 0,020 0,18 2
HE1.1.2 Batterij met mestbandbeluchting
HE1.1.2.1 Beluchting 0,2 m3/uur per dierplaats OW 1993.08.V1 0,020 0,18 2
HE1.1.2.2 Beluchting 0,4 m3/uur per dierplaats OW 1997.03.V1 0,006 0,18 2
HE1.1.3 Batterij met mestbandbeluchting en bovenliggende droogtunnel OW 1999.01.V1 0,010 0,18 2
HE1.1.4 Batterij met mestschuiven en centrale mestband OW 1995.04.V1 0,011 0,18 2
HE1.1.5 Batterij met open mestopslag OW 2001.04.V1 0,045 0,18 2
HE1.1.6 Batterij met mest- en luchtkanaal OW 2001.05.V1 0,208 0,18 2
HE1.1.7 Koloniehuisvesting met mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats OW 2009.10.V1 0,016 0,18 8
HE1.2 Grondhuisvesting
HE1.2.1 Strooiselvloer (eventueel met roostervloer) OW 2001.06.V1 0,170 0,18 30
HE1.2.2 Warmteheaters en ventilatoren OW 2009.14.V1 0,088 0,18 30
HE1.2.3 Verhoogde roostervloer met daarboven oplierbare en/of opklapbare roosters OW 2015.03.V1 0,110 0,18 30
HE1.2.4 Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag OW 2011.13.V1 0,088 0,18 30
HE1.3 Volièrehuisvesting
HE1.3.1 Ten minste 50% rooster met mestband OW 2005.02.V1 0,050 0,18 23
HE1.3.2 65–70% rooster en mestbandbeluchting 0,3 m3/uur per dierplaats OW 2005.03.V1 0,030 0,18 23
HE1.3.3 45–55% rooster en mestbandbeluchting
HE1.3.3.1 Beluchting 0,1 m3/uur per dierplaats OW 2006.10.V1 0,030 0,18 23
HE1.3.3.2 Beluchting 0,3 m3/uur per dierplaats OW 2006.10.V1 0,023 0,18 23
HE1.3.4 30–35% rooster en mestbandbeluchting 0,4 m3/uur per dierplaats OW 2006.11.V1 0,014 0,18 23
HE1.3.5 55-60% rooster en mestbandbeluchting 0,4 m3/uur per dierplaats OW 2006.12.V1 0,020 0,18 23
HE1.100 Overige huisvestingssystemen (niet-batterijhuisvesting) 0,170 0,18 30
HE1.101 Overige huisvestingssystemen (batterijhuisvesting) 0,045 0,18 30
HE2 Diercategorie legkippen van 18 weken en ouder, diercategorie ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder
HE2.1 Kooihuisvesting
HE2.1.1 Verrijkte kooien met mestbandbeluchting OW 2005.11.V1 0,030 0,35 23
HE2.1.2 Koloniehuisvesting met mestbandbeluchting OW 2009.10.V1 0,030 0,35 23
HE2.2 Grondhuisvesting
HE2.2.1 Circa 1/3 strooiselvloer en circa 2/3 roostervloer OW 2001.09.V1 0,402 0,34 84
HE2.2.2 Met beluchting onder gedeeltelijk verhoogde roostervloer OW 2010.21.V1 0,110 0,34 84
HE2.2.3 Met mestbeluchting via buizen onder beun OW 2001.10.V1 0,125 0,34 84
HE2.2.4 Met enkele buis onder beun aan beide zijden van legnest OW 2011.09.V1 0,150 0,34 84
HE2.2.5 Met mestbeluchting via verticale ventilatiekokers OW 2011.10.V1 0,150 0,34 84
HE2.2.6 Twee verdiepingen met mestbanden onder roosters OW 2004.11.V1 0,068 0,34 84
HE2.2.7 Met frequente mest- en strooiselverwijdering OW 2004.12.V1 0,106 0,34 84
HE2.3 Volièrehuisvesting
HE2.3.1 Ten minste 50% rooster met mestband OW 2004.09.V1 0,090 0,34 65
HE2.3.2 45–55% roosters en mestbandbeluchting
HE2.3.2.1 Beluchting ten minste 0,2 m3/uur per dierplaats OW 2004.10.V1 0,055 0,34 65
HE2.3.2.2 Beluchting ten minste 0,5 m3/uur per dierplaats OW 2004.10.V1 0,042 0,34 65
HE2.3.3 30–35% roosters en mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats OW 2005.04.V1 0,025 0,34 65
HE2.3.4 55–60% roosters en mestbandbeluchting 0,7 m3/uur per dierplaats OW 2005.05.V1 0,037 0,34 65
HE2.100 Overige huisvestingssystemen 0,315 0,34 84
HE3 Diercategorie ouderdieren van vleeskuikens in opfok jonger dan 19 weken
HE3.1 Mixluchtventilatie OW 2005.10.V1 0,114 0,18 23
HE3.2 Warmteheaters en ventilatoren OW 2009.14.V1 0,129 0,18 23
HE3.3 Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag OW 2011.13.V1 0,129 0,18 23
HE3.4 Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar OW 2010.13.V1 0,077 0,18 23
HE3.5 Buizenverwarming waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, die rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en die is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid OW 2017.01.V1 0,044 0,18 23
HE3.100 Overige huisvestingssystemen 0,250 0,18 23
HE4 Diercategorie ouderdieren van vleeskuikens van 19 weken en ouder
HE4.1 Groepskooi met mestband en geforceerde mestdroging OW 1995.09.V1, OW 1996.07.V1, OW 2009.23.V1 0,080 0,93 8
HE4.2 Volièrehuisvesting
HE4.2.1 Met geforceerde mestdroging OW 2010.22.V1 0,170 0,93 43
HE4.2.2 Met geforceerde mest- en strooiseldroging OW 2010.23.V1 0,130 0,93 43
HE4.3 Perfosysteem op gedeeltelijk verhoogde roostervloer OW 1998.05.V1 0,230 0,93 43
HE4.4 Grondhuisvesting met mestbeluchting
HE4.4.1 Van bovenaf OW 2004.13.V1 0,250 0,93 43
HE4.4.2 Met verticale slangen in mest OW 2004.14.V1 0,435 0,93 43
HE4.4.3 Via buizen onder beun OW 2010.03.V1 0,435 0,93 43
HE4.4.4 Via verticale ventilatiekokers OW 2010.37.V1 0,435 0,93 43
HE4.5 Grondhuisvesting met mestbanden onder de roosters OW 2007.10.V1 0,245 0,93 43
HE4.100 Overige huisvestingssystemen 0,580 0,93 43
HE5 Diercategorie vleeskuikens
HE5.1 Zwevende vloer met strooiseldroging OW 1993.02.V1, OW 1994.05.V1, OW 1996.02.V1, OW 1996.09.V1 0,004 0,33 22
HE5.2 Geperforeerde vloer met strooiseldroging OW 1994.04.V1, OW 1996.08.V1 0,012 0,33 22
HE5.3 Etagesysteem met volledige roostervloer en mestbandbeluchting OW 1997.02.V1 0,004 0,33 22
HE5.4 Grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling OW 2001.11.V1 0,038 0,33 22
HE5.5 Mixluchtventilatie OW 2005.10.V1 0,031 0,33 22
HE5.6 Etagesysteem met mestband en strooiseldroging OW 2006.13.V1 0,017 0,33 22
HE5.7 Warmteheaters en ventilatoren OW 2009.14.V1 0,035 0,33 22
HE5.8 Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar OW 2010.13.V1 0,021 0,33 22
HE5.9 Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmteheaters OW 2011.13.V1 0,035 0,33 22
HE5.10 Buizenverwarming OW 2017.01.V1
HE5.10.1 Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid 0,012 0,33 22
HE5.10.2 Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HE5.10.1 0,021 0,33 22
HE5.100 Overige huisvestingssystemen 0,068 0,33 22
HOOFDCATEGORIE F: PARELHOENDERS HOOFDCATEGORIE F: PARELHOENDERS
HF1 Diercategorie vleesparelhoenders
HF1.1 Zwevende vloer met strooiseldroging OW 1993.02.V1, OW 1994.05.V1, OW 1996.02.V1 OW 1996.09.V1 0,004 0,33 22
HF1.2 Geperforeerde vloer met strooiseldroging OW 1994.04.V1, OW 1996.08.V1 0,012 0,33 22
HF1.3 Etagesysteem met volledige roostervloer en mestbandbeluchting OW 1997.02.V1 0,004 0,33 22
HF1.4 Grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling OW 2001.11.V1 0,038 0,33 22
HF1.5 Mixluchtventilatie OW 2005.10.V1 0,031 0,33 22
HF1.6 Etagesysteem met mestband en strooiseldroging OW 2006.13.V1 0,017 0,33 22
HF1.7 Warmteheaters en ventilatoren OW 2009.14.V1 0,035 0,33 22
HF1.8 Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met een warmtewisselaar OW 2010.13.V1 0,021 0,33 22
HF1.9 Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag OW 2011.13.V1 0,035 0,33 22
HF1.10 Buizenverwarming OW 2017.01.V1
HF1.10.1 Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid 0,012 0,33 22
HF1.10.2 Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HF1.10.1 0,021 0,33 22
HF1.100 Overige huisvestingssystemen 0,068 0,33 22
HOOFDCATEGORIE G: KALKOENEN HOOFDCATEGORIE G: KALKOENEN
HG1 Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen jonger dan 6 weken
HG1.1 Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren OW 2009.14.V1 0,08 0,29 23
HG1.2 Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag OW 2011.13.V1 0,08 0,29 23
HG1.3 Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar OW 2010.13.V1 0,05 0,29 23
HG1.4 Buizenverwarming OW 2017.01.V1
HG1.4.1 Huisvestingssysteem waarvoor voor 1 december 2022 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of, als deze vergunning niet nodig was, dat rechtmatig in gebruik is genomen voor die datum en dat is toegepast in een dierenverblijf dat nadien niet is vervangen of uitgebreid 0,03 0,29 23
HG1.4.2 Huisvestingssysteem dat niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in rij HG1.4.1 0,05 0,29 23
HG1.100 Overige huisvestingssystemen 0,15 0,29 23
HG2 Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen van 6 weken en ouder en jonger dan 30 weken
HG2.1 Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren OW 2009.14.V1 0,24 1,55 163
HG2.2 Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag OW 2011.13.V1 0,24 1,55 163
HG2.3 Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar OW 2010.13.V1 0,15 1,55 163
HG2.100 Overige huisvestingssystemen 0,47 1,55 163
HG3 Diercategorie ouderdieren van vleeskalkoenen van 30 weken en ouder
HG3.100 Overige huisvestingssystemen 0,59 1,55 207
HG4 Diercategorie vleeskalkoenen
HG4.1 Gedeeltelijk verhoogde strooiselvloer OW 2001.12.V1 0,36 1,55 86
HG4.2 Mechanisch geventileerde stal met frequente strooiselverwijdering OW 2005.07.V1 0,26 1,55 86
HG4.3 Verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren OW 2009.14.V1 0,35 1,55 86
HG4.4 Warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag OW 2011.13.V1 0,35 1,55 86
HG4.5 Luchtmengsysteem voor droging strooisellaag met warmtewisselaar OW 2010.13.V1 0,21 1,55 86
HG4.100 Overige huisvestingssystemen 0,68 1,55 86
HOOFDCATEGORIE H: EENDEN HOOFDCATEGORIE H: EENDEN
HH1 Diercategorie ouderdieren van vleeseenden
HH1.100 Overige huisvestingssystemen 0,320 0,49 182
HH2 Diercategorie vleeseenden
HH2.1 Binnen mesten
HH2.1.100 Overige huisvestingssystemen 0,210 0,49 84
HH2.2 Buiten mesten (per afgeleverd dier) 0,019 0,49
HOOFDCATEGORIE I: STRUISVOGELS HOOFDCATEGORIE I: STRUISVOGELS
HI1 Diercategorie struisvogels jonger dan 4 maanden
HI1.100 Overige huisvestingssystemen 0,3
HI2 Diercategorie struisvogels van 4 maanden en ouder en jonger dan 12 maanden
HI2.100 Overige huisvestingssystemen 1,8
HI3 Diercategorie struisvogels van 12 maanden en ouder
HI3.100 Overige huisvestingssystemen 2,5
HOOFDCATEGORIE K: KONIJNEN HOOFDCATEGORIE K: KONIJNEN
HK1 Diercategorie voedster
HK1.1 Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine OW 2005.08.V1 0,77
HK1.2 Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine in een ‘deeppit’-systeem OW 2024.01.V1 0,5
HK1.100 Overige huisvestingssystemen 1,20 -
HK2 Diercategorie vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd
HK2.1 Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine OW 2005.09.V1 0,12
HK2.2 Mechanisch geventileerde stal met gescheiden afvoer van mest en urine in een ‘deeppit’-systeem OW 2024.01.V1 0,12
HK2.100 Overige huisvestingssystemen 0,20
HOOFDCATEGORIE L: PAARDEN HOOFDCATEGORIE L: PAARDEN
HL1 Diercategorie paarden van 3 jaar en ouder
HL1.100 Overige huisvestingssystemen 5,0
HL2 Diercategorie paarden jonger dan 3 jaar
HL2.100 Overige huisvestingssystemen 2,1
HL3 Diercategorie pony's van 3 jaar en ouder
HL3.100 Overige huisvestingssystemen 3,1
HL4 Diercategorie pony's jonger dan 3 jaar
HL4.100 Overige huisvestingssystemen 1,3

Bijlage VII. bij artikel 4.14, eerste lid, van deze regeling (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot milieubelastende activiteiten)

Inhoudsopgave

Onderdeel Code Categorie Code Categorie Omschrijving (onderwerp)
F A Perslucht
F B Stoom
F C Aandrijvingen
F D Productkoeling
F E Grootkeukenapparatuur
F F Ovens
F G Terreinverlichting
F H Zwembad
F I Serverruimte
F J Roltrap
F K Zonnepanelen
P A Natlakspuitcabines
P B Drogen
P C Procesbaden
P D Procesapparatuur
P E Proceswarmte
P F Proceskoeling
P G Veehouderijen
P H Datacentrum

Onderdeel 1 Faciliteiten:

Categorie: Perslucht

Onderwerp Perslucht
Nummer maatregel FA1
Toe te passen maatregel Vergroot de persluchtbuffer. Door het aansluiten van een (extra) buffervat op het bestaande persluchtnet kan meer perslucht opgeslagen worden, waardoor het aantal starts en stops van de compressor wordt beperkt.
Huidige situatie Er is een persluchtcompressor met aan/uit-schakelaar aanwezig zonder buffervat of met een te klein buffervat. Hierdoor draait de persluchtinstallatie minimaal 15 minuten per bedrijfsuur in nullast. Bij vergroting van de buffer is het uitgangspunt om maximaal 5 minuten aaneengesloten in nullast te draaien.
Economische randvoorwaarden Zelfstandig moment: bij meer dan 4.100 bedrijfsuren van het persluchtnet per jaar. Natuurlijk moment: bij meer dan 3.400 bedrijfsuren van het persluchtnet per jaar.
Technische randvoorwaarden Er is voldoende ruimte nabij de persluchtcompressor om een persluchtbuffervat te plaatsen. De persluchtvraag is gemiddeld gezien variabel gedurende een bedrijfsuur. De persluchtcompressor heeft een vermogen van minimaal 10 kW.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Controleer regelmatig op persluchtlekkages en verhelp deze.
Onderwerp Perslucht
--- ---
Nummer maatregel FA2
Toe te passen maatregel Plaats een afsluiter met tijdschakelaar om verlies van perslucht buiten bedrijfstijden te beperken. Door het toepassen van een afsluiter met tijdschakelaar op het persluchtnet of delen daarvan kunnen apparaten en machines worden losgekoppeld van de perslucht. Zo hoeft de compressor niet onnodig perslucht te comprimeren buiten bedrijfstijden.
Huidige situatie Er is een centraal persluchtnet aanwezig dat geheel of deels onder druk staat buiten gebruikstijden.
Economische randvoorwaarden Niet van toepassing
Technische randvoorwaarden De op het persluchtnet aangesloten apparaten en machines zijn geschikt om zonder persluchtdruk buiten bedrijf stil te staan.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Controleer regelmatig op persluchtlekkages en verhelp deze. Controleer regelmatig de instelling van de tijden dat het persluchtnet buiten bedrijf is en zorg dat deze bij veranderende bedrijfstijden (zoals bij zomer- en wintertijd) worden bijgewerkt.
Onderwerp Perslucht
--- ---
Nummer maatregel FA3
Toe te passen maatregel Pas een flow-drukregelaar toe in het persluchtnet. Door integratie van een flow-drukregelaar (regelklep direct na het buffervat) in een persluchtnet kunnen schommelingen in de persluchtvraag worden uitgebalanceerd. Om de schommelingen op te vangen is de persdruk vaak hoger ingesteld dan nodig. Door toepassing van een flow-drukregelaar kan de persdruk in het buffervat worden verlaagd. De verlaging in persdruk zorgt voor een besparing op het energiegebruik van de compressor. Daarbij zal door lagere druk het persluchtgebruik per gebruiker afnemen en lekt er minder perslucht weg. Door minder persluchtgebruik of -lekkage zal de compressor ook energie besparen.
Huidige situatie Er is een persluchtnet met een centrale toerengeregelde persluchtcompressor(en) en buffervat aanwezig, waarbij een flow-drukregelaar ontbreekt.
Economische randvoorwaarden Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 3.700 bedrijfsuren van het persluchtnet per jaar.
Technische randvoorwaarden Het vermogen van de compressor is ten hoogste 45 kW en het persluchtgebruik is maximaal 7 m3/min. In het persluchtnet vinden hoge drukvallen plaats door grote persluchtafname.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Verlaag de persluchtdruk na plaatsing van de schakelaar en controleer regelmatig de ingestelde waarde.
Onderwerp Perslucht
--- ---
Nummer maatregel FA4
Toe te passen maatregel Plaats een luchtkanaal zodat de persluchtcompressor (koude) buitenlucht aanzuigt. Plaats een luchtkanaal voor het aanzuigen van buitenlucht of van binnenlucht uit een onverwarmde ruimte. Als de persluchtcompressor koudere lucht aanzuigt kan er energiezuiniger perslucht worden gemaakt.
Huidige situatie Er is een centraal persluchtnet aanwezig met een persluchtcompressor van ten minste 7,5 kW die warme lucht aanzuigt vanuit de ruimte waarin deze is opgesteld.
Economische randvoorwaarden Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 3.000 bedrijfsuren van de persluchtcompressor per jaar.
Technische randvoorwaarden De compressor staat binnen 5 m van een buitenmuur.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Niet van toepassing
Onderwerp Perslucht
--- ---
Nummer maatregel FA5
Toe te passen maatregel Gebruik zuinige persluchtgereedschappen. Door gebruik te maken van nieuwe en energiezuinige perslucht aangedreven gereedschappen, zoals blaaspistolen, wordt er minder perslucht gebruikt en energie bespaard.
Huidige situatie Er wordt gebruik gemaakt van 'conventionele' persluchtgereedschappen, zoals blaaspistolen, met een nominaal gebruik van meer dan 120 l/min.
Economische randvoorwaarden Zelfstandig moment: bij gereedschappen die meer dan 1.800 uur per jaar worden gebruikt.
Technische randvoorwaarden De persluchtcompressoren hoeven niet te worden aangepast door het verminderde gebruik van perslucht.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Onderhoud de perslucht aangedreven gereedschappen zodat er geen onnodige perslucht verloren gaat en houd ze schoon. Controleer regelmatig op persluchtlekkages aan gereedschap, koppelingen en leidingen en verhelp deze.
Onderwerp Perslucht
--- ---
Nummer maatregel FA6
Toe te passen maatregel Gebruik elektrisch handgereedschap als vervanging voor pneumatisch aangedreven gereedschap. Door waar mogelijk elektrisch handgereedschap toe te passen en perslucht aangedreven gereedschap alleen te gebruiken wanneer er geen elektrisch alternatief is, kan het persluchtgebruik worden beperkt. Het opwekken van perslucht voor het aandrijven van gereedschap is minder efficiënt dan het gebruiken van elektrisch aangedreven gereedschap.
Huidige situatie Persluchtaangedreven handgereedschap wordt gebruikt voor toepassingen waar een elektrisch alternatief voor kan worden gebruikt.
Economische randvoorwaarden Zelfstandig moment: bij gebruik van het gereedschap van meer dan 6 u/wk.
Technische randvoorwaarden Er is een geschikt elektrisch alternatief beschikbaar dat voldoet aan de specifieke eisen van de werkzaamheden zoals voldoende koppel en een handzaam gewicht en formaat. De gereedschappen worden niet in een ATEX omgeving gebruikt.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Niet van toepassing
Onderwerp Perslucht
--- ---
Nummer maatregel FA7
Toe te passen maatregel Gebruik een blower voor het schoonblazen in plaats van perslucht. Voor werkzaamheden zoals schoonblazen van vloeren en machines waarbij met perslucht wordt geblazen kan een decentrale blower worden gebruikt. Dit is energiezuiniger dan blazen met perslucht.
Huidige situatie Blazen gebeurt met perslucht van ten minste 6 bar.
Economische randvoorwaarden Zelfstandig moment: bij gebruik van perslucht voor schoonblazen van meer dan 6 u/wk.
Technische randvoorwaarden Het proces moet toestaan dat er met een lagere druk en groter luchtvolume schoongeblazen wordt. De blower is binnen 10 m van de toepassing te plaatsen.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Niet van toepassing
Onderwerp Perslucht
--- ---
Nummer maatregel FA8
Toe te passen maatregel Vervang de regelklepbediening op basis van perslucht door elektrische aandrijvingen. Door het op perslucht aangedreven besturend element (actuator) van de regelklep te vervangen door een servo- of stappenmotor, kan energie worden bespaard. Bij een perslucht aangedreven actuator moet het gehele jaar lucht op druk worden gehouden. Daarom is een elektrische aandrijving efficiënter.
Huidige situatie Er is een regelklep met een door perslucht aangedreven actuator (besturend element) aanwezig die is aangesloten op het centrale persluchtnet. De actuator kan separaat worden vervangen.
Economische randvoorwaarden Natuurlijk moment: bij processen die het hele jaar continu in bedrijf zijn.
Technische randvoorwaarden Er is een elektrische voedingskast beschikbaar binnen 10 m. De regelklep bevindt zich niet in een ATEX-omgeving.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Nee
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Niet van toepassing

Categorie: Stoom

Onderwerp Stoom
Nummer maatregel FB1
Toe te passen maatregel Verlaag de stoomdruk van het centrale stoomnet. Een verlaging van de stoomdruk zorgt voor lagere (stoom)temperaturen en voor een lagere schoorsteentemperatuur. Daardoor verliest de ketel minder warmte en wordt het warmteverlies door de schoorsteen kleiner. Bovendien neemt het verlies in het (stoom)distributienet en het flashverlies in condenspotten af. De mate van verlaging van de stoomdruk wordt bepaald door de stoomafnemer die om de hoogste stoomdruk vraagt om te kunnen blijven opereren.
Huidige situatie Er is een stoomketel aanwezig die is gekoppeld aan een centraal stoomnet en de druk op het stoomnet is hoger dan voor de aangesloten apparaten vereist is.
Economische randvoorwaarden Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: het stoomnet is meer dan 2.300 uur per jaar op druk.
Technische randvoorwaarden Voor de verlaging van het stoomdruksetpoint zijn geen verdere veranderingen aan het systeem nodig. De stoomafnemers kunnen functioneren met de verlaagde stoomdruk. De huidige leidingen en appendages dienen geschikt te zijn voor een verhoging van de stromingssnelheden van de stoom. De stoomdruk bedraagt minimaal 4 bar. De stoomdruk kan met ten minste 10% worden verlaagd.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Controleer regelmatig de stoomdruk in het stoomnet.
Onderwerp Stoom
--- ---
Nummer maatregel FB2
Toe te passen maatregel Gebruik een economiser om warmte uit de rookgassen van de stoomketel nuttig in te zetten. Door het uitkoelen van rookgas met een economiser kan de restwarmte uit de rookgassen worden benut om het ketelvoedingwater voor te verwarmen.
Huidige situatie Er is een stoomketel aanwezig en de warmte uit de rookgassen wordt niet benut.
Economische randvoorwaarden Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 2.100 vollasturen van de stoomketel per jaar.
Technische randvoorwaarden De klep voor het ketelvoedingswater moet modulerend zijn om een constante flow in de economiser te garanderen.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Verricht regelmatig metingen aan de in- en uitgaande temperaturen om vast te stellen of de economiser goed werkt.
Onderwerp Stoom
--- ---
Nummer maatregel FB3
Toe te passen maatregel Gebruik een rookgascondensor om warmte uit de rookgassen van de stoomketel nuttig in te zetten. Door het condenseren van rookgas met een RVS-condensor kan de restwarmte uit de rookgassen nuttig worden ingezet. Toepassing van de maatregel vereist dat de brander van de stoomketel opnieuw wordt afgesteld.
Huidige situatie Er is een stoomketel met economiser aanwezig en de rookgassen verlaten de schoorsteen (na de economiser) met een temperatuur van 130 °C of hoger.
Economische randvoorwaarden Niet van toepassing
Technische randvoorwaarden Er is redelijk koud suppletiewater aanwezig (10 - 20°C). Het suppletiewaterdebiet is relatief hoog (meer dan 80% van de massastroom stoom), of er is warmtevraag aanwezig zoals water voor centrale verwarming of schoonmaakwater.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Onderhoud de warmtewisselaar volgens de leveranciersvoorschriften.
Onderwerp Stoom
--- ---
Nummer maatregel FB4
Toe te passen maatregel Vervang stoom als middel voor ruimteverwarming. Door stoom als middel voor ruimteverwarming te vervangen voor een efficiënter alternatief wordt energie bespaard. Mogelijke alternatieven zijn een indirect gestookte heater, een direct gestookte hoogrendement (HR)-heater of donkere stralers.
Huidige situatie De ruimteverwarming gebeurt met een met stoom gevoede luchtverhitter.
Economische randvoorwaarden Niet van toepassing
Technische randvoorwaarden Er is een aansluitpunt voor gas aanwezig binnen een afstand van 50 m van de te verwarmen ruimte. De huidige constructie en de elektriciteitsaansluiting kunnen worden hergebruikt (één-op-één vervanging van de huidige heaters). Er zweeft geen brandbaar stof (zoals houtstof of andere organische stoffen) in de ruimte. De rookgasafvoer kan direct door het dak gerealiseerd worden.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Niet van toepassing
Onderwerp Stoom
--- ---
Nummer maatregel FB5
Toe te passen maatregel Isoleer ongeïsoleerde warme delen van de stoomketel. Door het aanbrengen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van ten minste 1,0 m2K/W bij ongeïsoleerde mangaten, ketel-achterfronten en voedingswaterregelkleppen van stoomketels, kan warmteverlies worden voorkomen.
Huidige situatie Bepaalde delen van de stoomketel, zoals mangaten, het ketel-achterfront en de voedingswaterregelklep zijn niet of onvoldoende geïsoleerd.
Economische randvoorwaarden Niet van toepassing
Technische randvoorwaarden Niet van toepassing
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Voer jaarlijks een (visuele) controle uit naar de staat van de isolatie.
Onderwerp Stoom
--- ---
Nummer maatregel FB6
Toe te passen maatregel Isoleer stoomleidingen en appendages. Door het aanbrengen van isolatiemateriaal met een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W rondom stoomleidingen en appendages wordt warmteverlies tegengegaan.
Huidige situatie De stoomleidingen zijn niet of onvoldoende geïsoleeerd.
Economische randvoorwaarden Niet van toepassing
Technische randvoorwaarden Niet van toepassing
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Voer jaarlijks een (visuele) controle uit naar de staat van de isolatie.
Onderwerp Stoom
--- ---
Nummer maatregel FB7
Toe te passen maatregel Pas een omgekeerde osmose (RO)-installatie toe om de ketelwaterkwaliteit te verbeteren. Met een omgekeerde osmose-installatie kan de waterkwaliteit voor een gasgestookte stoomketel worden verbeterd. Hierdoor is er minder toevoeging van nieuw water nodig en wordt er ook minder water ververst (spui). Dit verlaagt het watergebruik en daardoor hoeft er minder water te worden opgewarmd in de stoomketel.
Huidige situatie Er is een stoomketel zonder waterbehandeling of met enkel een eenvoudige ontharder zoals een harskolom aanwezig. De waterverversing (spui) is ten minste 10%.
Economische randvoorwaarden Niet van toepassing
Technische randvoorwaarden Er is voldoende opstelruimte in het ketelhuis voor een omgekeerde osmose-installatie.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Controleer jaarlijks op lekkages en voer zo nodig onderhoud uit aan de reverse osmose-installatie.
Onderwerp Stoom
--- ---
Nummer maatregel FB8
Toe te passen maatregel Plaats een warmtewisselaar bij de uitgang van een heetwaterproces om het suppletiewater voor te verwarmen met warmte uit te lozen water. Door het plaatsen van een warmtewisselaar bij de uitgang van een heetwaterproces kan het suppletiewater van de stoomketel worden voorverwarmd met warmte uit te lozen afvalwater. Voorbeelden van dergelijke warmteterugwinning zijn een kratten- of gereedschapwasser.
Huidige situatie Er is een heetwaterproces aanwezig (bijvoorbeeld een kratten- of gereedschapwasser) waarbij het warme afvalwater wordt geloosd op het vuilwaterriool zonder dat daar warmte uit is teruggewonnen.
Economische randvoorwaarden Zowel natuurlijk als zelfstandig moment: bij meer dan 1.500 bedrijfsuren van het heetwaterproces per jaar.
Technische randvoorwaarden Het heetwaterproces verbruikt ten minste 500 m3 water per jaar.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Inspecteer en reinig elke twee jaar de warmtewisselaar.

Categorie: Aandrijvingen

Onderwerp Aandrijvingen
Nummer maatregel FC1
Toe te passen maatregel Pas een frequentieregeling toe op machines. Met de toepassing van een frequentieregelaar op de elektromotor welke een machine of machinedeel aandrijft kan de motor optimaal worden ingezet in de bedrijfsvoering. De aandrijving door de elektromotor kan middels de frequentieregelaar optimaal worden ingeregeld, waarbij de snelheid van de elektromotor zodanig wordt gekozen dat de aandrijving zijn functie goed kan vervullen met een zo laag mogelijk opgenomen vermogen. Deze maatregel beslaat directe en indirecte aandrijvingen, zoals via as, snaar, riem, ketting en dergelijke.
Huidige situatie Er is een machine aanwezig met een aandrijving via elektromotor met een elektrisch vermogen van ten minste 8 kW. De efficiëntieklasse van de elektromotor is ten minste IE2.
Economische randvoorwaarden Zelfstandig moment: bij meer dan 1.300 draaiuren per jaar. Natuurlijk moment: bij meer dan 800 draaiuren per jaar.
Technische randvoorwaarden Er is voldoende ruimte in de regelkast om de frequentieregelaar te kunnen plaatsen, óf de motor is goed toegankelijk, waardoor de frequentieregelaar nabij de elektromotor kan worden geplaatst. De functionaliteit van de machine moet een variabel of verlaagd toerental toestaan.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Niet van toepassing
Onderwerp Aandrijvingen
--- ---
Nummer maatregel FC2
Toe te passen maatregel Pas een frequentieregeling op pompen toe. Door het toepassen van een frequentieregelaar op de pomp kan de pomp optimaal worden ingeregeld. Daarbij wordt het werkpunt van de pomp zodanig gekozen dat de pomp zijn functie goed kan vervullen met een zo laag mogelijk opgenomen vermogen. Bij veel toepassingen kan een eenvoudige debiet- of drukregeling worden ingesteld, waarbij de pomp altijd naar het optimale werkpunt wordt geregeld.
Huidige situatie Er is een variabele flow of een overcapaciteit welke wordt gesmoord met een regel- of smoorklep. Er is een pomp van ten minste 4 kW aanwezig, die wordt aangedreven door een elektromotor van efficiencyklasse IE2 of hoger.
Economische randvoorwaarden Zelfstandig moment: bij meer dan 4.100 draaiuren per jaar. Natuurlijk moment: bij meer dan 3.000 draaiuren per jaar.
Technische randvoorwaarden Er is voldoende ruimte in de regelkast om de frequentieregelaar te kunnen plaatsen, óf de frequentieregelaar kan nabij de elektromotor worden geplaatst.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Niet van toepassing
Onderwerp Aandrijvingen
--- ---
Nummer maatregel FC3
Toe te passen maatregel Pas een frequentieregeling toe op compressoren van onder andere de koel-, vries- en persluchtinstallaties. Door het toepassen van de frequentieregelaar wordt het toerental van de compressor optimaal ingeregeld, zodanig dat de compressor de gewenste druk en debiet kan leveren met een zo laag mogelijk opgenomen vermogen. Daarnaast kan bij veel toepassingen een eenvoudige druk- of temperatuurregeling worden ingesteld, waarbij de compressor altijd naar het optimale werkpunt wordt geregeld. Bij een installatie waarin meerdere compressoren parallel opereren moet alleen de compressor met het grootste regelvermogen van een frequentieregelaar worden voorzien.
Huidige situatie Er is een compressor zonder frequentieregeling aanwezig, aangedreven door een elektromotor met een elektrisch vermogen van ten minste 8 kW. De efficiëntieklasse van de elektromotor is ten minste IE2.
Economische randvoorwaarden Zelfstandig moment: bij meer dan 1.300 draaiuren per jaar. Natuurlijk moment: bij meer dan 1.000 draaiuren per jaar.
Technische randvoorwaarden Er is voldoende ruimte in de regelkast om de frequentieregelaar te kunnen plaatsen, óf de frequentieregelaar kan nabij de elektromotor worden geplaatst.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Ja
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Niet van toepassing
Onderwerp Aandrijvingen
--- ---
Nummer maatregel FC4
Toe te passen maatregel Vervang elektromotoren met efficiëntieklasse IE2 of lager door een motor met efficiëntieklasse IE4 of hoger. Elektromotoren met een hogere efficiëntieklasse, zoals IE4 gebruiken minder elektriciteit dan elektromotoren met een lagere efficiëntieklasse. Door het vervangen van elektromotoren met efficiëntieklasse IE2 of lager door elektromotoren met efficïëntieklasse IE4 of hoger wordt energie bespaard.
Huidige situatie Er zijn elektromotoren aanwezig met efficiëntieklasse IE2 of lager. Deze motoren zijn herkenbaar doordat er geen IE-klasse, klasse IE1 of IE2 op het typeplaatje van de motor staat.
Economische randvoorwaarden Natuurlijk moment: bij meer dan 1.000 draaiuren per jaar.
Technische randvoorwaarden Het vermogen van de motoren is ten minste 0,75 kW.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Nee
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Test en controleer regelmatig de lagers en de weerstand van de wikkelingen volgens leveranciersvoorschriften.
Onderwerp Aandrijvingen
--- ---
Nummer maatregel FC5
Toe te passen maatregel Vervang IE3-elektromotoren door efficiëntieklasse IE4 of hoger. Elektromotoren met een hogere efficiëntieklasse, zoals IE4 gebruiken minder elektriciteit dan elektromotoren met een lagere efficiëntieklasse. Door het vervangen van IE3-elektromotoren door IE4-elektromotoren of hoger wordt energie bespaard.
Huidige situatie Er zijn elektromotoren aanwezig met efficiëntieklasse IE3. Deze motoren zijn herkenbaar doordat er IE3 op het typeplaatje van de motor staat.
Economische randvoorwaarden Natuurlijk moment: bij meer dan 1.900 draaiuren per jaar.
Technische randvoorwaarden Het vermogen van de motoren is meer dan 0,75 kW.
Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) Nee
Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud Test en controleer regelmatig de lagers en de weerstand van de wikkelingen volgens leveranciersvoorschriften.

Categorie: Productkoeling

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)