Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)
| Stof | Maximaal toelaatbare flux (in g/ha/j) |
|---|---|
| I Metalen | I Metalen |
| Antimoon | 0,39 |
| Arseen | 4,35 |
| Barium | 63 |
| Cadmium | 0,12 |
| Chroom | 15 |
| Kobalt | 3 |
| Koper | 5,4 |
| Kwik | 0,045 |
| Lood | 12,75 |
| Molybdeen | 1,5 |
| Nikkel | 5,25 |
| Zink | 21 |
| II Anorganische verbindingen | II Anorganische verbindingen |
| Cyaniden-vrij | 0,15 |
| Cyaniden-complex (pH<5)1 | 0,75 |
| Cyaniden-complex (pH >5)2 | 0,75 |
| Bromide | 3 |
| Chloride | 300 |
| Fluoride | 140 |
| III Aromatische verbindingen | III Aromatische verbindingen |
| Benzeen | 0,4 |
| Ethylbenzeen | 8 |
| Tolueen | 14 |
| Xylenen | 0,4 |
| Styreen (vinylbenzeen) | 12 |
| Fenol | 0,4 |
| Cresolen (som) | 0,4 |
| Catechol(o-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| Resorcinol(m-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| Hydrochinon(p-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) | IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) |
| Naftaleen | 0,02 |
| Antraceen | 0,0014 |
| Fenantreen | 0,006 |
| Fluorantheen | 0,006 |
| Benzo(a)antraceen | 0,0002 |
| Chryseen | 0,006 |
| Benzo(a)pyreen | 0,001 |
| Benzo(ghi)peryleen | 0,0006 |
| Benzo(k)fluorantheen | 0,0008 |
| Indeno(1,2,3-cd)pyreen | 0,0008 |
| V Gechloreerde koolwaterstoffen | V Gechloreerde koolwaterstoffen |
| Vinylchloride | 0,02 |
| Dichloormethaan | 0,02 |
| 1,1-dichloorethaan | 14 |
| 1,2-dichloorethaan | 14 |
| 1,1-dichlooretheen | 0,02 |
| 1,2-dichlooretheen (cis en trans) | 0,02 |
| dichloorpropanen | 1,6 |
| trichloormethaan (chloroform) | 12 |
| 1,1,1-trichloorethaan | 0,02 |
| 1,1,2-trichloorethaan | 0,02 |
| trichlooretheen (Tri) | 48 |
| tetrachloormethaan (Tetra) | 0,02 |
| tetrachlooretheen (Per) | 0,02 |
| monochloorbenzeen | 14 |
| dichloorbenzenen | 6 |
| trichloorbenzenen | 0,02 |
| tetrachloorbenzenen | 0,02 |
| pentachloorbenzeen | 0,006 |
| hexachloorbenzeen | 0,00018 |
| monochloorfenolen (som) | 0,6 |
| dichloorfenolen | 0,4 |
| trichloorfenolen | 0,06 |
| tetrachloorfenolen | 0,02 |
| pentachloorfenol | 0,08 |
| polychloorbifenylen (som)3 | 0,02 |
| VI Bestrijdingsmiddelen | VI Bestrijdingsmiddelen |
| DDT/DDE/DDD4 | 0,000008 |
| Aldrin | 0,000018 |
| Dieldrin | 0,0002 |
| Endrin | 0,00008 |
| HCH-verbindingen5 | 0,1 |
| α-HCH | 0,066 |
| ß-HCH | 0,016 |
| γ-HCH | 0,018 |
| atrazine | 0,038 |
| carbaryl | 0,004 |
| carbofuran | 0,018 |
| chloordaan | 0,00004 |
| endosulfan | 0,0004 |
| heptachloor | 0,00001 |
| heptachloor-epoxide | 0,00001 |
| Maneb | 0,0001 |
| MCPA | 0,02 |
| organotinverbindingen | 0,0001 – 0,038 |
| VII Overige verontreinigingen | VII Overige verontreinigingen |
| cyclohexanon | 1 |
| Ftalaten (som)6 | 1 |
| minerale olie7 | 100 |
| pyridine | 1 |
| tetrahydrofuran | 1 |
| tetrahydrothiofeen | 1 |
1 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.
2 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.
3 Onder polychloorbifenylen (som) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 138, 153, 180. Onder de som valt PCB 118 niet.
4 Onder DDT/DDD/DDE wordt verstaan: de som van DDT, DDD en DDE.
5 Onder HCH-verbindingen wordt verstaan: som van α-HCH, ß-HCH, γ-HCH en δ-HCH
6 Onder de ftalaten wordt de som van alle ftalaten verstaan.
7 De definitie van minerale olie wordt beschreven in de Staatscourant 39, 2000. Als er sprake is van verontreiniging van mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan wordt naast het alkaangehalte ook het gehalte van aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald.
Bijlage XIX. bij artikel 8.2 van deze regeling (dosis-effectrelaties voor actieplannen geluid)
1. Reeks schadelijke effecten
4.6.7. Spiegelreflecties
4.6.8. Diffuse reflectie
ε hor de ‘horizontale’ reflectie-effectiviteit (0 ≤ εhor ≤ 1),
ρ de reflectiviteit (0 ≤ ρ ≤ 1).
2.3. Hoge mate van slaapverstoring (HSD)
W 1, W2 horizontale afstand van reflectiepunt tot rand reflecterend vlak loodrecht op lijn van bron naar reflectiepunt (zie figuur 4.15);
4.6.8. Diffuse reflectie
3.1. Bepaling voor Ischemische hartziekten (IHD)
De afstanden W1 en W2 worden gegeven door de formules W1 = L1 cosα en W2 = L2 cosα, waarin L1 en L2 de afstanden zijn van het reflectiepunt tot de beide randen van het vlak, en α de reflectiehoek is (zie figuur 4.15).
5. Beschrijving invoergegevens
Schermwerking langs dit gereflecteerde geluidpad wordt berekend voor die schermen die door dit pad worden doorsneden. Voor schermen tussen bron en reflecterend object wordt voor de schermwerking uitgegaan van bron en gespiegeld rekenpunt. Voor schermen tussen rekenpunt en reflecterend object wordt voor de schermwerking uitgegaan van de gespiegelde bron en het rekenpunt.
De richting van het geluidpad, aangegeven door hoek θ(b) in formule 3.2 en 3.3, verandert na een reflectie. Voor de berekening van de deelbijdrage tot de geluidbelasting wordt in de genoemde formules echter van de richting van het langste deel van het geluidpad uitgegaan (voor de vaststelling van de hoekafhankelijke bronsterkte wordt natuurlijk uitgegaan van het eerste deel van het geluidpad vanaf de bron).
Bijlage XIXa. bij de artikelen 8.10, onder c, 8.16, onder b, 12.50, onder c, en 12.53, onder b, van deze regeling (softwaremodellen luchtkwaliteit)
Toepassingsbereik SRM1, SRM2 en SRM3:
Bijlage XX. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder a, 8.18, eerste lid, onder a, 12.52, eerste lid, onder a, en 12.55, eerste lid, onder a, van deze regeling (grootschalige concentratiegegevens, meteorologische gegevens en ruwheidskaart)
Grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen
Bijlage XXI. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder b, en 12.52, eerste lid, onder b, van deze regeling (emissiefactoren voertuigen luchtkwaliteit)
5.1. Schietbaan
waarbij wordt verstaan onder:
ε ver ‘verticale’ reflectie-effectiviteit (0 ≤ εver ≤ 1),
ρ reflectiviteit per cilinder (0 ≤ ρ ≤ 1),
N cil aantal cilinders in het segment.
De verticale reflectie-effectiviteit εver wordt op dezelfde manier berekend als voor spiegelreflecties (zie formule 4.58), waarbij voor de schermhoogte de gemiddelde hoogte van de bomen wordt gebruikt.
A. Emissiefactoren voor niet-snelwegen
5. Beschrijving invoergegevens
5.2. Rekenmodel
Bijlage XXIV
[Vervallen]
Bijlage XXV
[Vervallen]
Bijlage XXVI
[Vervallen]
Bijlage XXVII
[Vervallen]
Bijlage XXVIII
[Vervallen]
Bijlage XVIIId. bij de artikelen 6.9, tweede lid, en 8.26, tweede lid, van deze regeling (rekenmethode geluid civiele buitenschietbanen)
Bijlage XXX. bij de artikelen 4.14b en 9.7 van deze regeling (kosteneffectiviteit)
6. Methode voor de berekening van LEs,periode bij een geluidbelasting kleiner dan 50 dB(A)
Toepassingsgebied
B. Berekening totale netto jaarlijkse kosten
Bovenstaande formule kan ook worden geschreven als
C(b,m) is hierbij dan de correctie om een deelbijdrage van schietgeluid om te rekenen naar een even hinderlijk niveau van wegverkeersgeluid. Gemakkelijk is in te zien dat C(b,m) = Pimp + Plf(b,m) voor kperiode = 1, en C(b,m) = 0 voor kperiode = 0.
Toepassingsgebied
De in deze bijlage beschreven methode kan worden toegepast voor de berekening van de geluidbelasting van civiele buitenschietbanen voor de volgende situaties:
Verzameling brongegevens
Rapportage
De geluidbelasting voor de dag en de avondperiode wordt voor bron b bepaald volgens de formules:
Er wordt een extra toeslag van 3 dB toegepast voor de dagperiode en 4 dB voor de avondperiode. Voor de avondperiode is deze groter, omdat de niveaus in de avondperiode gemiddeld hoger zijn dan overdag als gevolg van onder andere temperatuursinversie. In Bs,avond is de toeslag van 5 dB voor de avondperiode al verwerkt. Nperiode is in bovenstaande formules het totaal aantal schoten dat in een periode (dag of avond) in een jaar wordt verschoten.
Bijlage XXXI. bij artikel 9.36 van deze regeling (bemonsteren en analyseren bij het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib)
Verzameling brongegevens
Uit het herkomstgebied worden de totaalconcentraties in het sediment (mg/kg sediment) van een breed pakket aan parameters geanalyseerd volgens NEN 5720. Hierbij wordt ook het organisch koolstofgehalte gemeten. Onder de aanname dat alle verontreinigende stoffen aan het organisch koolstof gebonden zijn, moet per monster de concentratie van de parameters worden uitgedrukt in ‘mg/kg organisch koolstof’.
Rapportage
Bijlage XVIIId. bij de artikelen 6.9, tweede lid, en 8.26, tweede lid, van deze regeling (rekenmethode geluid civiele buitenschietbanen)
Bijlage XXXIIa. bij de artikelen 12.2b en 12.2e van deze regeling (Procedure beoordeling primaire waterkeringen)
De schadelijke effecten worden berekend door middel van een van de volgende formules, zoals nader gespecificeerd in de paragrafen 2.1 tot en met 2.3:
voor wegverkeerslawaai;
1.2. Zware metalen
2.3. Hoge mate van slaapverstoring (HSD)
voor vliegtuiglawaai.
3.2. Bepaling voor hoge mate van hinder (HA) en hoge mate van slaapverstoring (HSD)
waarbij
Toepassingsbereik SRM3 = Toepassingsbereik van Standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3.
Buitenweg. Typisch buitenwegverkeer, een gemiddelde snelheid van ongeveer 60 km/u, gemiddeld ongeveer 0,2 stops per afgelegde kilometer.
A. Aftrek van aantal overschrijdingen per kalenderjaar van de 24-uurgemiddelde concentratie PM10
Voor de berekening van het absolute risico op hoge mate van hinder ARHA wordt de volgende dosis/effectrelatie gebruikt:
1. Reeks schadelijke effecten
voor vliegtuiglawaai.
1. Bemonstering van de bodem
niet-homogeen perceel: perceel bouwland of grasland waar zowel het gehalte aan organische stof als het gehalte aan lutum tussen de bodemmonsters meer verschilt dan 5%-punten.
2.2. Hoge mate van hinder (HA)
De monsters worden verzameld in schone opvangvaten of opvangzakken die zijn vervaardigd uit of bekleed met polyethyleen.
2. Analyse van de bodemmonsters
niet-homogeen perceel: perceel bouwland of grasland waar zowel het gehalte aan organische stof als het gehalte aan lutum tussen de bodemmonsters meer verschilt dan 5%-punten.
3. Voorbereiding
3.1. Bepaling voor Ischemische hartziekten (IHD)
1.3 Leeswijzer
3.2. Bepaling voor hoge mate van hinder (HA) en hoge mate van slaapverstoring (HSD)
2.1 Planning van de beoordeling
3.4. Het opstellen van het plan van aanpak
2.2.1. Voorbereiding
3 Voorbereiding
4. Uitvoering
4.1. De uitvoeringsfase
4.1 De uitvoeringsfase
4.2. De analyse van de relevante faalmechanismen
4.5 De analyse van de dominante faalpaden
2. Analyse van de bodemmonsters
5.2.1. Het resultaat: de overstromings- of faalkans en het veiligheidsoordeel
6 Kwaliteitsborging
4.7. Het opstellen van het veiligheidsoordeel
1.3. Leeswijzer
1. Inleiding
De overstromings- of faalkans is geen statische waarde, maar verandert in de tijd. Door klimaatverandering, bodemdaling en veroudering. Ook beleidswijzigingen, zoals de afvoerverdeling of het al dan niet treffen van noodmaatregelen in Duitsland, kunnen de overstromings- of faalkans beïnvloeden. Daarnaast leidt de ontwikkeling van nieuwe kennis over het gedrag van de kering tot andere inzichten in de overstromings- of faalkans. Tot slot kunnen ook veranderingen in het watersysteem of de kering zelf zorgen voor een aanpassing in de overstromings- of faalkans.
Door monitoring wordt bewaakt dat de primaire waterkeringen voldoen aan de omgevingswaarde. Monitoring vindt plaats door met metingen, berekeningen en modellen de overstromingskans dan wel faalkans te bepalen van een dijktraject in de actuele toestand. Artikel 2.15, vierde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van de monitoring.
Het monitoren van de omgevingswaarde is daarmee een continu proces dat zowel bestaat uit het rekenkundig bepalen van de overstromings- of faalkans als het bepalen van de impact van veranderingen op de berekende overstromings- of faalkans en indien nodig aanpassen van de rekenkundig bepaalde kans.
2. De beoordeling op hoofdlijnen
Bijlage XXXIIB Randvoorwaarden beoordeling primaire waterkeringen
2. De beoordeling op hoofdlijnen
2.1. Planning van de beoordeling
Bijlage XXXIIB Randvoorwaarden beoordeling primaire waterkeringen
Deze bijlage beschrijft de randvoorwaarden voor het bepalen van de overstromings- of faalkans van een dijktraject.
2.2.3. Rapportage
Deze bijlage bevat naast de regels voor het uitvoeren van de beoordeling een toelichting bij deze regels. Toelichtende teksten zijn cursief weergegeven en hebben geen normatieve betekenis. Ook hoofdstuk 1 van deze bijlage heeft geen normatieve betekenis.
2.1. Planning van de beoordeling
De overige bepalingen staan in hoofdstuk 7.
6.1. Inleiding
5.2.3. Een overzicht van de te treffen voorzieningen
2. De beoordeling op hoofdlijnen
Gedurende de beoordelingsperiode wordt de planning door de keringbeheerder bijgesteld als nieuwe ontwikkelingen of inzichten daartoe aanleiding geven.
1.1. Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen
De kwaliteitsborging van de beoordeling wordt geborgd door de toepassing van kwaliteitsindicatoren (hoofdstuk 6 Kwaliteitsborging).
2.2.1. Voorbereiding
2.2.3. Rapportage
De beoordelingsrapportage is onderdeel van het verslag over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkeringen die de keringbeheerder ten minste eens per twaalf jaar opstelt.
2.2.3. Rapportage
De keringbeheerder stelt de beoordelingsrapportage op met hierin het veiligheidsoordeel van het dijktraject en de duiding van de resultaten van de uitgevoerde analyses. In hoofdstuk 5 worden de onderdelen van de beoordelingsrapportage beschreven.
De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving, waar de primaire waterkeringen deel van uitmaken. Omgevingswaarden leggen de gewenste kwaliteit die de overheid wil bereiken voor de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan vast. Voor de primaire waterkeringen is de omgevingswaarde vastgelegd in de vorm van een overstromingskans of faalkans. Een overstromingskans betreft de kans per jaar dat een overstroming optreedt in een dijktraject. De faalkans wordt gebruikt in die gevallen dat het falen van een dijktraject niet direct leidt tot een overstroming, maar tot een verhoging van de belasting op de achterliggende keringen.
1.2. De Omgevingsregeling
3.2. Het opstellen van het verhaal van de kering
3.2. Het opstellen van het verhaal van de kering
Bijlage XXXIIb. bij artikel 12.2c van deze regeling (randvoorwaarden beoordeling primaire waterkeringen)
De keringbeheerder stelt het veiligheidsoordeel op. De bepaalde overstromings- of faalkans van het dijktraject vormt de basis voor het veiligheidsoordeel.
De keringbeheerder bepaalt op welke manier de dominante faalpaden worden geanalyseerd. In de beoordelingsrapportage geeft de keringbeheerder aan op welke wijze invulling is gegeven aan de aanbeveling uit het werkatelier. Als een aanbeveling gedeeltelijk of niet is overgenomen, motiveert de keringbeheerder deze keuze.
5. Rapportage
4.6. De bepaling van de overstromings- of faalkans
De beoordelingsrapportage bevat het veiligheidsoordeel van het dijktraject en de duiding van de resultaten van de beoordeling. In de beoordelingsrapportage wordt aangetoond dat de kwaliteit van de resultaten is geborgd.
Bij dijktrajecten waarbij een aanvullende omgevingswaarde van toepassing is, bevat de beoordelingsrapportage ook:
4.1. De uitvoeringsfase
Als onderdeel van de actieve zorgplicht moet de keringbeheerder de benodigde maatregelen treffen voor het veilig en doelmatig beheer van het watersysteem in het licht van de omgevingswaarde. In de beoordelingsrapportage wordt beschreven op welke manier het veiligheidsoordeel doorwerkt in de benodigde maatregelen binnen de zorgplicht.
4.4. Selectie dominante faalpaden en aanpak nadere analyse
Het logboek dient vanaf de start van het beoordelingsproces te worden bijgehouden. De ILT kan het logboek te allen tijde raadplegen bij het toezicht op de beoordeling. Het logboek is ook input voor het werkatelier.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met de beoordeling van dijktrajecten die in de vorige beoordelingsronde (hierna LBO1) een voorlopig oordeel hebben gekregen en met nieuwe kennis die tijdens de beoordelingsperiode beschikbaar komt. Ook zijn bepalingen opgenomen over de beoordeling van (onderdelen van) dijktrajecten die juist zijn versterkt of op korte termijn worden versterkt en van waterkeringen in het buitenland.
7.1. Voorlopig oordeel
Voor de onderbouwing kan de keringbeheerder specialistisch advies vragen, bijvoorbeeld bij het Expertise Netwerk Waterveiligheid (ENW).
7. Overige bepalingen
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: ministerie) ondersteunt de keringbeheerder bij deze afweging door, in de vorm van een releasekalender, duidelijk te communiceren over de ontwikkeling van kennis en instrumenten.
7.3. Versterkingsprojecten
Bij de beoordeling van dijktrajecten worden versterkingsmaatregelen die op de peildatum op het Deltaprogramma staan als uitgevoerd beschouwd. De bijdrage aan de overstromings- of faalkans van het onderdeel van het dijktraject dat wordt versterkt, wordt verwaarloosbaar gesteld.
7.3. Versterkingsprojecten
De verplichting om de omgevingswaarden van de primaire waterkeringen te monitoren en ten minste eenmaal per twaalf jaar een beoordeling uit te voeren, geldt ook voor dijktrajecten waarvan onderdelen recent zijn versterkt.
7.5. Waterkeringen in het buitenland
Waterkeringen buiten Nederland vallen buiten de bepalingen van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving.
6. Kwaliteitsborging
¹ Definities uitgewerkt in bijlage XXXIIB (Randvoorwaarden beoordeling).
6.2. Relevante aspecten: kwaliteitsdimensies
3.8. Meerpeilstatistiek
2.4 Menselijk ingrijpen
6.1. Inleiding
3.1 Afvoerverdeling Rijntakken
3.5 Grenzen van het winterbed
6.3. Kennis en instrumenten
3.8 Meerpeilstatistiek
7.2. Omgaan met nieuwe kennis
3.10 Diefdijk
4.2 Lijst van initiële mechanismen
1.1. Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen
7.5. Waterkeringen in het buitenland
1. Inleiding
5.1 Toepassing Basisinstrumentarium
1.2. De Omgevingsregeling
Met het in werking treden van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de omgevingswaarden van dijktrajecten en de ‘andere parameters voor de signalering over de veiligheid van een dijktraject’ (hierna: signaleringsparameters), opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, van kracht. Deze komen overheen met de waarden die in 2017 in de Waterwet zijn vastgelegd voor de ondergrens en signaleringswaarde van de dijktrajecten.
1.1. Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen
De metingen, berekeningen en modellen die worden ingezet om de overstromings- of faalkans te bepalen zijn voor elk dijktraject anders. Dit is afhankelijk van de lokale situatie (belasting, type keringen en de samenstelling en opbouw van de ondergrond) die bepaalt welke faalmechanismen bijdragen aan de overstromingskans en welke modellen toepasbaar zijn.
1.4. Leeswijzer
Deze bijlage beschrijft de te volgen procedure in de beoordeling van een dijktraject en bevat de eisen die worden gesteld aan de rapportage.
Het Basisinstrumentarium bevat generieke instrumenten voor de beoordeling van primaire waterkeringen. De eisen die worden gesteld aan de ontwikkeling van instrumenten uit het Basisinstrumentarium en aan andere instrumenten die hiervan geen deel uitmaken zijn opgenomen in paragraaf 6.3 van bijlage XXXIIA (Procedure beoordeling).
1.4. Leeswijzer
Een lijst van gehanteerde begrippen is opgenomen in het addendum van
5. Onderbouwing overstromings- of faalkans
1.4. Leeswijzer
De overstromings- of faalkans wordt bepaald bij hoogwatersituaties die ontstaan door stormen dan wel hoge rivierafvoeren. Bijzondere situaties, bijvoorbeeld ijsdammen, tsunami’s en aardbevingen, worden alleen beschouwd als de keringbeheerder aanleiding heeft te veronderstellen dat deze bijdragen aan de overstromings- of faalkans.
2.3. Peildatum
Bij de bepaling van overstromings- of faalkansen gaat het om reële inschattingen en onderbouwde overstromings- of faalkansen. Onzekerheden worden daarbij expliciet meegenomen.
3. Randvoorwaarden watersysteem
Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat:
Bij de bepaling van de overstromings- of faalkansen wordt alleen rekening gehouden met gepland menselijk ingrijpen.
De keringbeheerder van een primaire waterkering stelt elke twaalf jaar een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkeringen (artikel 11.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Onderdeel van dit verslag zijn de resultaten van de monitoring, inclusief de beoordelingsrapportage. Als blijkt dat niet wordt voldaan of zal worden voldaan aan de omgevingswaarde, wordt in het verslag ook een omschrijving opgenomen van de maatregelen die op een daarbij aangegeven termijn nodig worden geacht.
Bijlage XXXIII. bij artikel 12.71b, onder a en b, van deze regeling (meet- en rekenmethode geluidbelasting)
2.4. Menselijk ingrijpen
1.3. Het Basisinstrumentarium
3.3. Inzet van bergings- of afvoermaatregelen
3.2. Systeemwerking
Als een primaire waterkering overloopt, achterloops raakt of doorbreekt, zal een deel van het rivierwater het gebied achter de dijk inlopen. De rivierafvoer neemt daardoor af, waardoor de belastingen in het benedenstrooms gelegen gebied lager worden. Er is dan sprake van positieve (gunstige) systeemwerking. Negatieve systeemwerking bestaat ook, bijvoorbeeld als de belastingen op de Maas toenemen door een dijkdoorbraak van de Heerewaardense Afsluitdijk langs de Waal.
In het Basisinstrumentarium staat de methode beschreven voor de beoordeling van dijktrajecten waarvoor, naast de ‘maximaal toelaatbare overstromingskans per jaar’, ook de ‘maximaal toelaatbare overstromingskans per keer dat de afvoer- of bergingscapaciteit van een watersysteem wordt vergroot’ als omgevingswaarde is vastgelegd (artikel 2.0c, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Voor de begrenzing van het winterbed wordt uitgegaan van de fysische begrenzing van het winterbed van de rivieren, ook als deze afwijkt van de begrenzing die in de legger waterstaatswerken staat.
3.4. Bodemligging watersysteem
3.6. Vegetatie
3.10. Diefdijk
De bepaling van de faalkans per jaar van stormvloedkeringen heeft betrekking op de gesloten toestand.
3.12. Klimaat
Een nieuw klimaatscenario wordt in 2023 verwacht. Zolang dit nog niet beschikbaar is, wordt uitgegaan van de KNMI 2006 scenario’s. Nieuwe klimaatscenario’s zijn van belang voor het ontwerp van versterkingen en hebben weinig invloed op de overstromingskans op 31 december 2034.
Dit hoofdstuk bevat randvoorwaarden voor de analyse van faalmechanismen voor de bepaling van overstromings- of faalkansen. In dit hoofdstuk is een lijst van initiële en indirecte mechanismen opgenomen. Ter ondersteuning van de analyse van faalmechanismen zijn in het Basisinstrumentarium handleidingen voor de overstromingskansanalyse voor de verschillende faalmechanismen opgenomen.
4.3. Langs- en overgangsconstructies
4.6. Vakindeling
Wanneer de kans op optreden van het indirecte mechanisme verwaarloosbaar is, hoeft hiermee geen rekening te worden gehouden bij de analyse van relevante faalmechanismen.
Voor de analyse van faalmechanismen wordt de werkelijkheid benaderd met een schematisering. Het schematiseringsproces is afhankelijk van de analysemethode (bijvoorbeeld analytisch, eindige elementmethode), de te gebruiken rekenmodellen (die de fysica beschrijven)en de te ondersteunen beslissing.
3.10. Diefdijk
4. Analyse faalmechanismen
Het lengte-effect wordt bepaald door de ruimtelijke variabiliteit binnen de beschouwde strekking van het dijktraject in samenhang met de keuzes die tijdens het schematiseren zijn gemaakt. De wijze waarop het lengte-effect door de keringbeheerder wordt bepaald, is afhankelijk van het faalmechanisme en staat beschreven in de handleidingen in het Basisinstrumentarium.
De bepaling van de faalkans per jaar van stormvloedkeringen heeft betrekking op de gesloten toestand.
Elk oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebied kent een eigen wijze van vertaling van de basisstochasten naar de hydraulische belasting op de waterkering. De manier waarop deze vertaling plaatsvindt, heet het belastingmodel. De statistiek van de basisstochasten en de bijbehorende statistische onzekerheid, de correlatiemodellen en modelonzekerheden worden daarvoor via een probabilistisch model gecombineerd met: (i) een windmodel, (ii) een hydrodynamische waterbewegings- en (iii) golfmodel om de basisstochasten te vertalen in een hydraulische belasting nabij de waterkering.
5.1. Toepassing Basisinstrumentarium
3.12. Klimaat
4.3. Langs- en overgangsconstructies
Bij de analyse van relevante faalpaden kan met de instrumenten uit het Basisinstrumentarium niet voor alle initiële mechanismen een faalkans worden berekend. De handleiding Overstromingskansanalyse uit het Basisinstrumentarium bevat een beschrijving van een methode voor de bepaling van de afstand tot de omgevingswaarde en signaleringsparameter en hoe deze te vertalen is naar een kans die in de verdere analyse kan worden meegenomen.
4.6. Vakindeling
Voor tweewielers (categorie 4) wordt alleen aandrijfgeluid aangemerkt voor de bron:
∆L W,temp is een correctieterm voor een gemiddelde temperatuur τ die verschilt van de referentietemperatuur τref = 20 °C.
2.3.3. Aanvullende effecten
De luchttemperatuur heeft invloed op de rolgeluidsemissie; het niveau van het rolgeluidsvermogen neemt af wanneer de luchttemperatuur toeneemt. Dit effect wordt in de wegdekcorrectie ingevoerd. Wegdekcorrecties worden gewoonlijk op een luchttemperatuur van τref = 20 °C beoordeeld. Bij een verschillende jaarlijkse gemiddelde luchttemperatuur °C, wordt het wegdekgeluid gecorrigeerd door:
De correctieterm is positief (dat wil zeggen lawaai neemt toe) voor temperaturen lager dan 20 °C en negatief (dat wil zeggen lawaai neemt af) voor hogere temperaturen. De coëfficiënt K is afhankelijk van het wegdek en de kenmerken van de band en vertoont in het algemeen enige afhankelijkheid van frequentie. Een algemene coëfficiënt Km=1 = 0,08 dB/°C voor lichte voertuigen (categorie 1) en Km=2 = Km=3 = 0,04 dB/°C voor zware voertuigen (categorieën 2 en 3) wordt voor alle wegdekken toegepast. De correctiecoëfficiënt wordt in dezelfde mate op alle octaafbanden van 63 tot en met 8.000 Hz toegepast.
2.2.4. Aandrijfgeluid
2.2. Wegverkeerslawaai
2.2.5. Effect van de versnelling en vertraging van voertuigen
Opgemerkt wordt dat op een afstand |x| ≥ 100 m, ∆LWR,acc,m,k =∆LWP,acc,m,k=0.
β m het effect van de snelheid op de vermindering van het rolgeluid voor categorie m (1, 2 of 3) is, en voor alle frequenties gelijk is.
2.2.2. Referentieomstandigheden
2.3.2. Geluidsvermogensemissie
Het aantal voertuigen per type wordt vastgesteld op elk van de baanvakken voor elk van de tijdsperioden die in de berekening van geluidsbelasting worden gebruikt. Het wordt uitgedrukt als een gemiddeld aantal voertuigen per uur, dat wordt verkregen door het totaal aantal voertuigen in een bepaalde periode te delen door de duur van deze periode in uren (bijvoorbeeld 24 voertuigen in vier uur betekent 6 voertuigen per uur). Alle voertuigtypen die op elk baanvak rijden, worden gebruikt.
De bestaande railtypen kunnen verschillen, omdat verscheidene elementen bijdragen aan hun akoestische eigenschappen en deze karakteriseren. De railtypen die in deze methode worden gebruikt, staan vermeld in onderstaande tabel 2.3.b. Sommige elementen hebben een grote invloed op de akoestische eigenschappen, terwijl andere slechts een bijkomend effect hebben. In het algemeen zijn de meest relevante elementen die de emissie van het spoorweglawaai beïnvloeden: ruwheid van de railkop, stijfheid van de onderlegplaatjes, spoorbed, voegen en boogstraal. Als alternatief kunnen de algemene eigenschappen van het spoor worden gedefinieerd en in dit geval zijn de ruwheid van de railkop en de mate van afstandsdemping volgens ISO 3095 de meest essentiële akoestische parameters, plus de boogstraal.
2.3.2. Geluidsvermogensemissie
2.5.3. Geometrische overwegingen
Als wordt uitgegaan van een constante stroom van Q voertuigen per uur, met een gemiddelde snelheid v, dan is er gemiddeld op elk tijdstip een equivalent aantal Q/v voertuigen per lengte-eenheid van het baanvak. De geluidsemissie van de voertuigstroom uitgedrukt in richtingsafhankelijke geluidsvermogen per meter LW',eq,lijn uitgedrukt in dB/m (re. 10-12 W) wordt geïntegreerd door:
In het algemeen wordt gericht geluidsvermogen uit elke specifieke bron verkregen als:
2.2.6. Effect van het type wegdek
2.5.5. Berekeningsproces
Hoewel tractiegeluid in het algemeen eigen is aan elke kenmerkende bedrijfsconditie, waaronder constante snelheid, vertragen, versnellen en stationair draaien, zijn de enige twee gemodelleerde condities constante snelheid (dat geldt ook wanneer de trein vertraagt of versnelt) en stationair draaien. De gemodelleerde bronsterkte komt alleen overeen met maximale belasting en dit leidt tot de hoeveelheden LW,0,const,i = LW,0,idling,i. Bovendien stemt LW,0,idling,i overeen met de bijdrage van alle fysieke bronnen van een bepaald voertuig die toe te schrijven is aan een bepaalde hoogte, zoals beschreven in 2.3.1.
2.3.4. Emissies
waarbij
f m de nominale middenfrequentie is van de frequentieband in kwestie, in Hz, c de snelheid van het geluid in de lucht is, gelijk aan 340 m/s, en cf wordt bepaald door:
Voor een pad (Si, R) in homogene omstandigheden zonder diffractie:
Bepaling van het aan lawaai blootgestelde gebied
De term −3(1 − Ḡm) houdt rekening met het feit dat wanneer de bron en het waarneempunt ver van elkaar liggen, het eerste reflectievlak zich niet langer op het platform maar op natuurlijke grond bevindt.
Indien Gpath ≠ 0
2.5.6. Berekening van geluidsvoortplanting voor weg-, spoor-, industriebronnen
Bepaling van de geluidsbelasting waaraan woningen en bewoners worden blootgesteld
Voor een pad (Si,R) in gunstige omstandigheden zonder diffractie:
Bepaling van het aantal inwoners van een gebouw
Toewijzing van geluidsbeoordelingspunten aan woningen en bewoners
Als de rechtstreekse straal niet is geblokkeerd, wordt de rand D gezocht die het grootste padverschil δ oplevert (de kleinste absolute waarde, omdat deze padverschillen negatief zijn). Diffractie wordt in aanmerking genomen als
Toewijzing van woningen en bewoners aan waarneempunten
Wanneer voor een specifieke frequentieband een berekening volgens de in deze sectie beschreven procedure wordt gemaakt, wordt Aground vastgesteld als gelijk te zijn aan 0 dB voor de berekening van de totale demping. Het grondeffect wordt rechtstreeks in de vergelijking van de algemene diffractieberekening in aanmerking genomen.
De hier voorgestelde vergelijkingen worden gebruikt om de diffractie op dunne schermen, dikke schermen, gebouwen, bermen (natuurlijke of kunstmatige) en door de randen van dijken, ingravingen en viaducten te verwerken.
Wanneer verscheidene diffractie-obstakels op een voortplantingspad worden aangetroffen, worden ze behandeld als een meervoudige diffractie door toepassing van de procedure die in de volgende sectie over de berekening van het padverschil wordt beschreven.
De hier gepresenteerde procedures worden voor de berekening van dempingen in zowel homogene als gunstige omstandigheden gebruikt. Bij de berekening van het padverschil en voor de berekening van de grondeffecten voor en na diffractie wordt rekening gehouden met straalbuiging.
Figuur 2.5.c illustreert de algemene methode voor berekening van de demping door diffractie. Deze methode is gebaseerd op het opsplitsen van het voortplantingspad in twee delen: het pad van de ‘bronkant’, gelegen tussen de bron en het diffractiepunt, en het pad van ‘waarneemkant’, gelegen tussen het diffractiepunt en het waarneempunt.
3. Meetmethoden
1: Bronkant
Bijlage XXXIV. bij de artikelen 13.2, 13.3, 13.5, tweede en derde lid, 13.8, tweede lid, en 13.9, eerste lid, van deze regeling (kostenverhaal met tijdvak)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)