Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)
| Onderwerp | Ruimteventilatie |
|---|---|
| Nummer maatregel | GD1 |
| Toe te passen maatregel | Pas een klokregeling toe op het ventilatiesysteem. Door het ventilatiesysteem van een gebouw te voorzien van een klokregeling kan deze buiten bedrijfstijden uit of naar een veel lager debiet worden gezet. Er geldt hier een dubbel besparingseffect. De ventilatoren maken minder draaiuren en doordat er minder luchtverversing is, verdwijnt er ook minder verwarmde, gekoelde en/of bevochtigde lucht uit het gebouw. In de zomerperiode kan de klokregeling worden benut om juist in de nachturen met koele buitenlucht te ventileren, waardoor overdag minder koeling nodig is. |
| Huidige situatie | Er is een ventilatiesysteem aanwezig waarbij geen sturing op basis van ingestelde tijden wordt toegepast. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Maak filters, ventilatoren en luchtkanalen van het ventilatiesysteem regelmatig schoon. Controleer jaarlijks de klokinstellingen van het ventilatiesysteem en zorg dat deze nauw aansluiten bij de werkelijke gebruikstijden van het gebouw. |
| Onderwerp | Ruimteventilatie |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GD2 |
| Toe te passen maatregel | Pas warmteterugwinning toe op een ventilatiesysteem met mechanische toevoer en afvoer. Door in een ventilatiesysteem met mechanische toevoer en afvoer warmteterugwinning met een twincoilsysteem toe te passen worden warmteverliezen door ventilatie beperkt. Er zijn verschillende systemen op de markt zoals een kruisstroomwisselaar, een warmtewiel of een twincoilsysteem. Welk systeem het beste kan worden toegepast is afhankelijk het aanwezige ventilatiesysteem en de beschikbare ruimte. |
| Huidige situatie | Er is een ventilatiesysteem met mechanische toevoer en afvoer aanwezig zonder warmteterugwinning. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Het twincoilsysteem is inpasbaar in de luchtbehandelingskast of de luchtkanalen. Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Maak filters, ventilatoren en luchtkanalen van het ventilatiesysteem regelmatig schoon. |
| Onderwerp | Ruimteventilatie |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GD3 |
| Toe te passen maatregel | Vervang ventilatoren van klasse IE1 door ventilatoren van klasse IE4 of hoger. Door IE1-ventilatoren door ventilatoren van klasse IE4 of hoger te vervangen, neemt de efficiëntie van de ventilatie toe. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik. |
| Huidige situatie | Er is een ventilator met efficientieklasse IE1 of lager aanwezig. Deze motoren zijn herkenbaar doordat er geen IE-klasse of dat er klasse IE1 op het typeplaatje van de motor staat. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.700 draaiuren van de ventilator per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Het vermogen van de ventilator is ten minste 5,5 kW. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Maak ventilatoren regelmatig schoon. |
| Onderwerp | Ruimteventilatie |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GD4 |
| Toe te passen maatregel | Vervang indirect gedreven IE1-slakkenhuisventilatoren door direct gedreven ventilatoren. Door in de luchtbehandelingskast (LBK) de ventilatorsectie met indirect gedreven IE1-slakkenhuisventilatoren te vervangen door een ventilatorsectie met direct gedreven ventilatoren (plugfans) neemt de efficiëntie van de ventilatoren toe. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik. |
| Huidige situatie | Er zijn in de LBK één of meerdere indirect gedreven slakkenhuisventilatoren met IE1-motor aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 2.900 draaiuren van de ventilator per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Het vermogen van de ventilator is ten minste 5,5 kW. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Maak ventilatoren regelmatig schoon. |
| Onderwerp | Ruimteventilatie |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GD5 |
| Toe te passen maatregel | Vervang indirect gedreven IE2-slakkenhuisventilatoren door direct gedreven ventilatoren. Door in de luchtbehandelingskast (LBK) de ventilatorsectie met indirect gedreven IE2-slakkenhuisventilatoren te vervangen door een ventilatorsectie met direct gedreven ventilatoren (plugfans) wordt de efficiëntie van de ventilatoren verbeterd. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik. |
| Huidige situatie | Er zijn in de LBK één of meerdere indirect gedreven slakkenhuisventilatoren met IE2-motor aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.300 draaiuren van de ventilator per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Het vermogen van de ventilator is ten minste 5,5 kW. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Maak ventilatoren regelmatig schoon. |
| Onderwerp | Ruimteventilatie |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GD6 |
| Toe te passen maatregel | Vervang indirect gedreven IE3 slakkenhuisventilatoren door direct gedreven ventilatoren. Door in de luchtbehandelingskast (LBK) de ventilatorsectie met indirect gedreven IE3-slakkenhuisventilatoren te vervangen door een ventilatorsectie met direct gedreven ventilatoren (plugfans) wordt de efficientie van de ventilatoren verbeterd. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik. |
| Huidige situatie | Er zijn in de LBK één of meerdere indirect gedreven slakkenhuisventilatoren met IE3-motor aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.600 draaiuren van de ventilator per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Het vermogen van de ventilator is ten minste 5,5 kW. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Maak ventilatoren regelmatig schoon. |
| Onderwerp | Ruimteventilatie |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GD7 |
| Toe te passen maatregel | Vervang ventilatoren van klasse IE2 of IE3 door ventilatoren van klasse IE4 of hoger. Door IE2 of IE3-ventilatoren door ventilatoren van klasse IE4 of hoger te vervangen, neemt de efficiëntie van de ventilatie toe. IE staat voor International Efficiency en is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor. Hoe hoger het getal, hoe zuiniger de motor. Het toepassen van energiezuinigere motoren van ventilatoren bespaart op het elektriciteitsgebruik. |
| Huidige situatie | Er is een ventilator met efficientieklasse IE2 of IE3 aanwezig. Deze motoren zijn herkenbaar doordat er er klasse IE2 of IE3 op het typeplaatje van de motor staat. |
| Economische randvoorwaarden | Natuurlijk moment: bij meer dan 1.000 draaiuren van de ventilator per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Maak ventilatoren regelmatig schoon. |
Categorie: Warm tapwater
| Onderwerp | Warm tapwater |
|---|---|
| Nummer maatregel | GE1 |
| Toe te passen maatregel | Isoleer warmwaterleidingen en appendages. Met het aanbrengen van isolatie met een Rd-waarde van ten minste 0,5 m2K/W rondom de circulatieleidingen en appendages van het warme tapwater wordt warmteverlies tegengegaan. Isoleer alleen de circulatieleidingen. De uittapleidingen van het tapwater mogen vanwege de kans op legionella niet worden geïsoleerd. |
| Huidige situatie | Er zijn ongeïsoleerde circulatieleidingen en appendages voor transport van warm tapwater aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | De leidingen zijn goed bereikbaar. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer jaarlijks het isolatiemateriaal rond leidingen en appendages en herstel deze bij eventuele schade. |
| Onderwerp | Warm tapwater |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GE2 |
| Toe te passen maatregel | Gebruik waterbesparende douchekoppen. Door in douches waterbesparende douchekoppen toe te passen wordt er minder warm tapwater gebruikt. |
| Huidige situatie | De douches hebben geen waterbesparende douchekop. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij een gemiddeld gebruik van meer dan 6 douchebeurten per week. |
| Technische randvoorwaarden | Door toepassing van de waterbesparende douchekop komt het tapdebiet bij systemen zonder voorraadvat niet onder de tapdrempel van het tapwatertoestel. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer regelmatig de instellingen van het warmtapwatersysteem en voer regelmatig onderhoud uit aan kranen, kleppen en warmtapwaterinstallaties. |
| Onderwerp | Warm tapwater |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GE3 |
| Toe te passen maatregel | Vervang bij een indirect verwarmd voorraadvat de bestaande ketel door een HR-ketel. Door in een warm tapwatersysteem met een indirect verwarmd voorraadvat een hoogrendementsketel (HR) toe te passen in plaats van een verbeterd rendementsketel of conventionele ketel wordt het warm tapwater energiezuiniger opgewekt. |
| Huidige situatie | Er is een hoge tapwatervraag voor onder meer douchen en dit warm tapwater wordt opgewekt met een verbeterd rendement (VR) of conventionele ketel en opgeslagen in een buffervat. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer regelmatig de instellingen van het warmtapwatersysteem en voer regelmatig onderhoud uit aan kranen, kleppen en warmtapwaterinstallaties. |
Categorie: Binnenverlichting
| Onderwerp | Binnenverlichting |
|---|---|
| Nummer maatregel | GF1 |
| Toe te passen maatregel | Pas een regeling toe op de verlichting, zodat deze buiten gebruikstijden niet onnodig brandt. Door gebruik van een regeling wordt het onnodig branden van verlichting buiten gebruikstijden voorkomen. Er zijn diverse regelingen die hiervoor kunnen worden toegepast, zoals aanwezigheidsdetectie per ruimte, een tijdgestuurde veegschakeling, een centrale regeling met overwerktimers of een regelbord bij de ingang van het gebouw. |
| Huidige situatie | De verlichting brandt onnodig buiten gebruikstijden. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Controleer dagelijks bij het verlaten van het pand of alle verlichting die uit kan ook is uitgezet. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF2 |
| Toe te passen maatregel | Vervang TL8-buizen door LED-buizen. Door het vervangen van TL-buizen (TL8) in de armaturen door LED-buizen wordt het energiegebruik beperkt. Het wisselen van de buizen door LED-buizen met een vergelijkbare lichtopbrengst en lichtkleur is voldoende. Soms moet ook de starter worden vervangen. |
| Huidige situatie | Armaturen met TL8-buizen, met of zonder starter zijn aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 1.600 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande armaturen zijn geschikt voor toepassing van LED-buizen. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF3 |
| Toe te passen maatregel | Vervang TL5-fluorescentiebuizen door LED-buizen. Door het vervangen van TL5-buizen in de armaturen door LED-buizen wordt het energiegebruik beperkt. Het wisselen van de buizen door LED-buizen met een vergelijkbare lichtopbrengst en lichtkleur is voldoende. |
| Huidige situatie | Er zijn armaturen met TL5-buizen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 6.100 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande armaturen zijn geschikt voor de toepassing van LED-buizen. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF4 |
| Toe te passen maatregel | Vervang gloei-, halogeen- en spaarlampen door LED-lampen. Door gloei-, halogeen- en spaarlampen in de bestaande armaturen te vervangen door LED-lampen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Armaturen met gloei-, halogeen- of spaarlampen zijn aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 600 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande armaturen zijn geschikt voor LED-lampen, waardoor de lampen één-op-één vervangbaar zijn. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF5 |
| Toe te passen maatregel | Vervang gasontladingslampen door LED-lampen. Vervang gasontladingslampen in de armaturen door LED-lampen. Dit beperkt het energiegebruik. |
| Huidige situatie | Er zijn armaturen met één van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 1.000 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande armaturen zijn geschikt voor LED-lampen, waardoor de lampen één-op-één vervangbaar zijn. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF6 |
| Toe te passen maatregel | Vervang montagebalken en lichtlijnen met TL8-buizen door LED-armaturen. Door bij montagebalken en lichtlijnen de armaturen met TL8-buizen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn montagebalken of lichtlijnen met TL8-armaturen aanwezig. Dit kunnen zowel opbouwarmaturen als zwevende armaturen zijn. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.100 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF7 |
| Toe te passen maatregel | Vervang plafondspots met spaarlampen door LED-spots. Door plafondspots met spaarlampen (CFL of PL) te vervangen door spots met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn plafondspots met spaarlampen (CFL of PL) aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.300 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF8 |
| Toe te passen maatregel | Vervang wandarmaturen met spaarlampen door LED-wandarmaturen. Door wandarmaturen met spaarlampen te vervangen door LED-wandarmaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn wandarmaturen met spaarlampen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.600 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF9 |
| Toe te passen maatregel | Vervang wandarmaturen met halogeenlampen door LED-wandarmaturen. Door wandarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-wandarmaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn wandarmaturen met halogeenlampen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 1.100 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF10 |
| Toe te passen maatregel | Vervang spots met halogeenlampen door LED-spots. Door spots met halogeenlampen te vervangen door spots met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn spots met halogeenlampen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 2.400 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF11 |
| Toe te passen maatregel | Vervang railspots met halogeenlampen door LED-railspots. Door railspotarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-railspots wordt het energiegebruik beperkt. De bestaande spanningsrail/contactrail blijft bewaard. |
| Huidige situatie | Er zijn railspotarmaturen met halogeenlampen op een spannings/contactrail aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 3.200 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande spanningsrail/contactrail is geschikt voor toepassing van de LED-railspots. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF12 |
| Toe te passen maatregel | Vervang railspots met gasontladingslampen door LED-railspots. Door railspots met gasontladingslampen te vervangen door LED-railspots wordt het energiegebruik beperkt. De bestaande spanningsrail/contactrail blijft bewaard. |
| Huidige situatie | Er zijn railspots met een van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI. |
| Economische randvoorwaarden | Zelfstandig moment: bij meer dan 5.200 branduren per jaar. Natuurlijk moment: bij meer dan 2.000 branduren per jaar. |
| Technische randvoorwaarden | De bestaande spanningsrail/contactrail is geschikt voor toepassing van de LED-railspots. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF13 |
| Toe te passen maatregel | Vervang pendelarmaturen en opbouwarmaturen met gasontladingslampen door LED-armaturen. Door pendelarmaturen en opbouwarmaturen ("high bay") met gasontladingslampen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn pendelarmaturen en opbouwarmaturen met één van de volgende gasontladingslampen aanwezig: kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF14 |
| Toe te passen maatregel | Vervang ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen door LED-armaturen. Door de ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn ingebouwde plafondarmaturen met TL8-buizen, met of zonder starter aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Binnenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GF15 |
| Toe te passen maatregel | Vervang vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen door LED-armaturen. Door vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen te vervangen door vluchtwegsignaleringsarmaturen met LED-verlichting wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn vluchtwegsignaleringsarmaturen met TL-buizen of spaarlampen aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Niet van toepassing |
Categorie: Buitenverlichting
| Onderwerp | Buitenverlichting |
|---|---|
| Nummer maatregel | GG1 |
| Toe te passen maatregel | Vervang armaturen met TL8-buizen door LED-armaturen. Door ingebouwde en opgebouwde armaturen met TL8-buizen (die niet op een mast zitten) te vervangen door LED-armaturen wordt het energiegebruik verlaagd. |
| Huidige situatie | Er zijn armaturen met TL8-buizen voor buitenverlichting aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Buitenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GG2 |
| Toe te passen maatregel | Vervang wandarmaturen met halogeenlampen door LED-armaturen. Door wandarmaturen met halogeenlampen te vervangen door LED-armaturen, wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn wandarmaturen met halogeenlampen voor buitenverlichting aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Buitenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GG3 |
| Toe te passen maatregel | Vervang wandarmaturen met spaarlampen door LED-armaturen. Door wandarmaturen met spaarlampen te vervangen door LED-armaturen, wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn wandarmaturen met spaarlampen voor buitenverlichting aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
| Onderwerp | Buitenverlichting |
| --- | --- |
| Nummer maatregel | GG4 |
| Toe te passen maatregel | Vervang armaturen met gasontladingslampen door LED-armaturen. Door ingebouwde en opgebouwde armaturen (die niet op een mast zitten) met gasontladingslampen (Kwiklampenkwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI) door LED-armaturen te vervangen, wordt het energiegebruik beperkt. |
| Huidige situatie | Er zijn armaturen met gasontladingslampen (kwiklampen, SON, HPL, HQL of HPI) voor buitenverlichting aanwezig. |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Nee |
| Aspecten van doelmatig beheer en onderhoud | Reinig regelmatig de lampen, armaturen, reflectoren en sensoren van de regelingen die erbij horen. |
Categorie: Zonnepanelen
| Onderwerp | Zonnepanelen |
|---|---|
| Nummer maatregel | GH1 |
| Toe te passen maatregel | Plaats zonnepanelen op het dak. Door de plaatsing van zonnepanelen wordt duurzame elektriciteit opgewekt. Daarmee wordt bespaard op de inkoop van elektriciteit via het elektriciteitsnet. |
| Huidige situatie | Er is ten minste 2.000 m2 aan geschikt dakoppervlak beschikbaar voor het plaatsen van minimaal 300 kWp aan zonnepanelen. Er is sprake van een grootverbruikaansluiting voor elektriciteit (meer dan 3x80 A). |
| Economische randvoorwaarden | Niet van toepassing |
| Technische randvoorwaarden | Het dak heeft voldoende vrije draagkracht voor de plaatsing van zonnepanelen en bijbehorende ballast. De bestaande elektriciteitsaansluiting heeft voldoende capaciteit en er is voldoende transportcapaciteit beschikbaar op het elektriciteitsnet. Het dak hoeft de komende 10 jaar niet te worden gerenoveerd. De verzekeraar gaat akkoord met plaatsen van de zonnepanelen zonder dat dit tot een significante prijsstijging van de verzekeringspremie leidt. Bij een installatie van 300 kWp kan alle opgewekte energie direct in het gebouw worden gebruikt. Indien het gebouw een monument is, wordt de monumentale status niet door de maatregel aangetast. |
| Direct uitvoerbaar (zelfstandig moment) | Ja |
| Aspecten van doelmatig beheer en ondeoud | Maak de zonnepanelen jaarlijks schoon. Controleer regelmatig of de verwachte productie gehaald wordt of laat dit monitoren. |
Bijlage XIVa. bij artikel 5.29, tweede lid, van deze regeling (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen specifiek voor de glastuinbouwsector)
Inspectielijst
Bijlage XII. bij de artikelen 5.21, eerste lid, en 5.22, eerste lid, van deze regeling (exameneisen inspectie airconditioningsystemen)
5.2. Gebruiksoppervlakte (Ag)
3. Distributiesysteem
Onderdeel 3 : Gebouwen
Als andere energiedragers worden gebruikt dan aardgas, elektriciteit of warmte, of bij energiedragers die in het productieproces beschikbaar komen, kan voor die andere energiedragers een specifieke marginale energieprijs worden bepaald. Deze is opgebouwd uit alle gebruiksafhankelijke kosten.
Bijlage XVa. behorende bij de artikelen 4.14a, tweede lid, en 5.30, tweede lid, van deze regeling (methoden voor de bepaling van de terugverdientijd en de berekening van de emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik voor de glastuinbouwsector)
Categorie : Ruimteverwarming
2.1. Het bepalen van het CO2-reducerend effect in standaardsituaties
2. Methode voor het bepalen van het CO2-reducerend effect
Bijlage XVb. behorende bij artikel 4.14aa van deze regeling (onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
1. Inleiding
5. Analyse van het energiegebruik (inclusief eigen energieproductie) (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, onder 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
1. Inleiding
3. Energiegebruik milieubelastende activiteit (artikel 5.15b, tweede lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
5.2.1. Nadere onderbouwing van het energiegebruik
2. Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden (artikel 2.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving) en een onderbouwing van het onderzoek (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
4. Overzicht getroffen maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik (artikel 5.15b, tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
Met een energiebeheersysteem of milieubeheersysteem als bedoeld in artikel 4.14aa, tweede lid, van de Omgevingsregeling of een van de keurmerken zoals opgenomen in tabel 1 van deze bijlage kan invulling worden geven aan dit onderdeel.
5.1. Beschrijving van energie- en procesmonitoring
5.2.1. Nadere onderbouwing van het energiegebruik
5.3. Opgave van onbenutte warmtestromen
5. Analyse van het energiegebruik (inclusief eigen energieproductie) (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, onder 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
Er wordt vastgesteld waar isolatie moet worden verbeterd of aangebracht en daarbij wordt in kaart gebracht in hoeverre dat op een zelfstandig of op een natuurlijk moment kan gebeuren. Sommige maatregelen kunnen direct worden getroffen. Voor andere maatregelen kan het nodig zijn om te wachten tot een moment waarop een te isoleren procesdeel of leiding buiten bedrijf is. Denk bijvoorbeeld aan hete leidingen waarvan de isolatie moet worden hersteld.
5. Analyse van het energiegebruik (inclusief eigen energieproductie) (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, onder 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
De analyse betreft:
5.1. Beschrijving van energie- en procesmonitoring
De analyse betreft:
Bijlage XVc. bij de artikelen 4.14b en 9.7 van deze regeling (kosteneffectiviteit)
6.6. Conclusie analyse productieapparatuur en -installaties
8. Basischeck structurele energiezorg (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, onder 3, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
7. Inventarisatie kosteneffectieve maatregelen (artikel 5.15b, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
9. Overzicht van de maatregelen die nog niet zijn getroffen en het moment waarop die maatregelen alsnog worden getroffen (artikel 5.15b, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving)
Bijlage XVd. bij artikel 4.14c, tweede lid, van deze regeling (openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra)
C. Berekening totale jaarlijkse emissiereductie
Standaardwaarden
Som bijkomende en eenmalige investeringen*: 30–250% van aanschaffingsprijs
1. Geïnstalleerde vermogen in kilowatt
Deze kernprestatie-indicator meet de vermogensvraag van de geïnstalleerde informatietechnologieapparatuur in de computerruimte van het rekencentrum of datacentrum in kilowatt. Het gaat hierbij om de som van het nominaal vermogen, in kW, van het netwerk of de netwerken, de servers en de opslagapparatuur die geïnstalleerd zijn in de computerruimte van het rekencentrum of datacentrum.
De totale vloeroppervlakte van het rekencentrum of datacentrum, bedoeld in artikel 3.235, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt gemeten en openbaar gemaakt in m2. Het gaat hierbij om de som van de vloeroppervlakte die wordt ingenomen door de computerruimte(n) van het rekencentrum of datacentrum en de vloeroppervlakte die wordt ingenomen door de apparatuur die nodig is voor de goede werking van het rekencentrum of datacentrum.
2. Vloeroppervlakte in vierkante meters
3.2. Informatie over redundantie:
C. Berekening totale jaarlijkse emissiereductie
3.1. Informatie over het type datacentrum
6.2. Gemiddelde restwarmtetemperatuur in graden Celsius
6.4. Koeldagen in graaddagen
7. Temperatuurinstelpunten
6.2. Gemiddelde restwarmtetemperatuur in graden Celsius
6. Restwarmtegebruik
Bijlage XVI. bij artikel 5.31c, vierde lid, van deze regeling (berekening oververhitting)
2. Vloeroppervlakte in vierkante meters
3.1. Informatie over het type datacentrum
Het totaal energiegebruik van informatietechnologieapparatuur wordt in kWh gemonitord, gemeten en openbaar gemaakt.
Als er geen sprake is van een systeem voor niet-onderbreekbare stroomvoorziening, bijvoorbeeld wanneer er gebruik gemaakt wordt van gelijkstroom, wordt de kernprestatie-indicator op een van de volgende manieren gemeten:
10.4. Uitgaande dataverkeer in exabytes
Warmte van de (toevoer)ventilatoren
Buitenklimaat
6.1. (Her)gebruikte restwarmte in kWh
6.2. Gemiddelde restwarmtetemperatuur in graden Celsius
9. De hoeveelheid in het rekencentrum of datacentrum opgeslagen en verwerkte data
8. Gebruik van hernieuwbare energie in kilowattuur
Infiltratie en ventilatie
Bijlage XVII. bij artikel 5.59 van deze regeling (bepaling geluid installaties warmte- en koudeopwekking)
Bouwkundige eigenschappen
Zomernachtventilatie
Er mag worden gerekend met zomernachtventilatie als de voorzieningen voldoen aan voorwaarden in NTA 8800. De capaciteit van de zomernachtventilatie is conform de berekende capaciteit in NTA 8800. De locatie van de zomernachtventilatievoorzieningen is conform vergunningaanvraag/-tekeningen; de spuicapaciteit mag alleen worden toegekend aan de ruimten met een toevoercomponent g voor zomernachtventilatie; de totale capaciteit van zomernacht-ventilatie wordt oppervlaktegewogen verdeeld over de ruimten met een toevoervoorziening. De spuitijd voor zomernachtventilatie is of tussen 22:00 uur en 6:00 uur of 24 uur per dag en vindt plaats als de binnentemperatuur hoger is dan 24 °C en de buitentemperatuur hoger is dan 13 °C. Als in NTA 8800 is gerekend met een automatische regeling op temperatuur, gaat de zomernacht-ventilatie uit wanneer de buitenluchttemperatuur hoger is dan de binnenluchttemperatuur.
Zomernachtventilatie
Zonwering
Minimale temperatuur
10.4. Uitgaande dataverkeer in exabytes
Minimale temperatuur
Buitenklimaat
Bijlage XVIII. bij artikel 5.53, eerste lid, van deze regeling (beeldmerk certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties)
Bijlage XVIIIa. bij artikel 5.54 van deze regeling (risicomatrix)
2. Bedrijfstoestand waarbij wordt gemeten
Minimale temperatuur
2. Bedrijfstoestand waarbij wordt gemeten
Bijlage XVIIIb. bij de artikelen 6.6, derde lid, en 8.22, derde lid, van deze regeling (meet- en rekenmethode geluid binnenschietbanen)
2. Voorvragen risicomatrix
3. Uitgebreide risicomatrix
Interne warmtelast
2. Bedrijfstoestand waarbij wordt gemeten
Bijlage XVIIIc. bij de artikelen 6.9, eerste lid, en 8.26, eerste lid, van deze regeling (rekenmethode geluid civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen)
1. Inleiding
2. Definities en begrippen
2. Voorvragen risicomatrix
Vanwege het kortdurende karakter van het schietgeluid en mogelijke variaties in de niveaus van achtereenvolgende schoten, moeten per positie ten minste 5 schoten van elk representatief wapentype worden gemeten. Als voor de LAE waarden de standaarddeviatie van het energetisch gemiddelde (standaarddeviatie van de gemeten geluidniveaus gedeeld door √(N-1)) meer dan 1 dB bedraagt, dan moet het aantal schoten worden vergroot totdat de standaarddeviatie minder dan 1 dB bedraagt.
2.1. Schietgeluid
2.2. Akoestische grootheden
2.3. Meteorologische grootheden
2.9. Achtergronden bij de fysische modellering van schietgeluid
2.3. Meteorologische grootheden
2.4. Beoordelingsgrootheden
2.9. Achtergronden bij de fysische modellering van schietgeluid
2.5. Bodemparameters
3.2. Geluidbelasting
3.5. Salvo’s
3.3. Bepaling gemiddelde toeslag voor laagfrequente componenten
3.3. Bepaling gemiddelde toeslag voor laagfrequente componenten
3.1. Inleiding
4.1. Inleiding
4.4.2. Gegevensbestand voor bepaling bodemdemping
4.4.2. Gegevensbestand voor bepaling bodemdemping
4.5. Invoergrootheden rekenmethode
4.4. Toe te passen gegevensbestanden
4.5.1. Brongegevens
4.4.2. Gegevensbestand voor bepaling bodemdemping
4.5.4. Reflecterende objecten
4.5.5. Keuze van rekenpunten
4.5.4. Reflecterende objecten
4.5.4. Reflecterende objecten
4.5. Invoergrootheden rekenmethode
4.5.4. Reflecterende objecten
4.6.5. Afscherming
Voor de berekening van zmax,n wordt eerst voor elk meewindprofiel een hoogte zmax0,n berekend volgens de formule:
f abs fractie van het geluidpad waarvoor de bodem ‘absorberend’ of ‘zeer absorberend’ is;
max(x;y) is gelijk aan de grootste van zijn twee argumenten:
Bovenstaande formule geldt voor het neutrale profiel (profielnr. 11) en de tegenwindsituaties (profielnrs. 1 t/m 3, 8 t/m 10 en 19 t/m 21). Bij alle meewindsituaties (profielnrs. 4 t/m 7, 12 t/m 18 en 22 t/m 27) geldt formule 4.51 alleen voor de octaafbandmiddenfrequenties van 16 Hz tot 250 Hz. Boven 250 Hz geldt bij alle meewindsituaties:
De effectieve bronhoogte (van toepassing bij de bepaling van de bodemdemping) wordt bepaald op basis van het geselecteerde scherm uit de eerste groep, de effectieve hoogte van het rekenpunt wordt bepaald op basis van het geselecteerde scherm uit de tweede groep.
r 0 = 1 m
Als een object meer dan een reflectievlak heeft (zoals een scherm met enige hoeken), moet ieder vlak van het object als een mogelijk afzonderlijk reflecterend object worden beschouwd.
4.6.7. Spiegelreflecties
α hor = 4,5 een constante.
5. Beschrijving invoergegevens
5.1. Schietbaan
4.6.8. Diffuse reflectie
Een reflectie van kogelgeluid kan het rekenpunt alleen bereiken als het rekenpunt zich binnen het gebied bevindt dat door spiegeling van het kogelgeluid wordt bestreken. Dit is geïllustreerd in figuur 4.16.
5.3. Berekeningsresultaten
, waarbij n2 het gemiddeld aantal bomen per oppervlakte-eenheid is. De straal van de cilinders rcil is gelijk aan de gemiddelde straal van de bomen in de bosrand. Indicatieve waarden voor een gemiddeld bos zijn deff = 1,4 m en rcil = 0,1 m.
Net als bij spiegelreflecties wordt door een reflectiedemping Drefl rekening gehouden met het feit dat een virtuele bron zwakker is dan de echte bron. Het bronniveau LEb* van een virtuele bron (per octaafband) wordt bepaald met formule 4.55. De reflectiedemping D**refl voor diffuse reflecties wordt hierin bepaald volgens de formule:
De reflectiviteit per cilinder ρ wordt bepaald volgens de formule:
met
en
Bij de overdracht van een virtuele bron naar het rekenpunt treden de dempingen Dgeo, Dlucht, Dbodem en eventueel Dscherm op. De berekening van deze dempingen gaat op dezelfde manier als dit bij spiegelreflecties is beschreven.
Als de brongegevens niet direct uit metingen zijn bepaald, moet de reden hiervan worden opgegeven en moet worden vermeld hoe deze brongegevens zijn verkregen. Dit moet ook gebeuren als gebruik gemaakt is van de categorie-indeling voor wapen-munitiecombinaties van hand- en vuistvuurwapens. De procedure hiervoor staat beschreven in het eerder genoemde TNO-rapport.
Verzameling brongegevens
6. Methode voor de berekening van LEs,periode bij een geluidbelasting kleiner dan 50 dB(A)
Principe van de rekenmethode
Bijlage XVIIIe. bij de artikelen 6.13, derde lid, en 8.30, tweede en derde lid, van deze regeling (geuremissiefactoren zuiveringtechnische werken)
| Onderdeel | Percentage aanvoer via vrij verval riool | Percentage aanvoer via vrij verval riool | Percentage aanvoer via vrij verval riool | Percentage aanvoer via vrij verval riool | Eenheid |
|---|---|---|---|---|---|
| Onderdeel | 0–25% | 26–50% | 51–75% | 76–100% | 76–100% |
| Ontvangwerk (put, vijzels etc.) | 65 | 46,5 | 28 | 9,5 | ou/s per m2 |
| Roostergoedverwijdering | 65 | 46,5 | 28 | 9,5 | ou/s per m2 |
| Roostergoedcontainers | 65 | 46,5 | 28 | 9,5 | ou/s per m2 |
| Zandvanger: | |||||
| – oppervlakte | 7,5 | 7 | 6 | 5,5 | ou/s per m2 |
| – overstort | 135 | 48 | 17 | 6 | ou/s per m2 |
| Zandwasser | 135 | 48 | 17 | 6 | ou/s per m2 |
| Verdeelwerk | 135 | 48 | 17 | 6 | ou/s per m2 |
| Voorbezinktank: | |||||
| – oppervlakte | 8,5 | 7,5 | 7 | 6 | ou/s per m2 |
| – overstort | 18,5 | 16,5 | 15 | 13,5 | ou/s per m2 |
| Anaërobe tank | 5,5 | 5 | 4,6 | 4,2 | ou/s per m2 |
| Selector: | |||||
| – belucht | 6 | 5,5 | 5 | 4,5 | ou/s per m2 |
| – onbelucht | 5,5 | 5 | 4,6 | 4,2 | ou/s per m2 |
| Voordenitrificatietank | 2,2 | 1,9 | 1,7 | 1,6 | ou/s per m2 |
| Onderdeel | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) | Slibbelasting (kg BZV/kg d.s.d.) |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Onderdeel | <0,05 | 0,05–0,10 | 0,11–0,20 | 0,21–0,30 | >0,30 |
| Beluchtingstank | |||||
| – aërobe zone: | |||||
| * bellenbeluchting | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| * puntbeluchting | |||||
| met omkapping | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| * borstelbeluchting | |||||
| met omkapping | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| * puntbeluchting | |||||
| zonder omkapping | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| – anoxische zone: | |||||
| * bellenbeluchting | 0,18 | 0,32 | 0,6 | 0,95 | 1,5 |
| * borstelbeluchting | 0,18 | 0,32 | 0,6 | 0,95 | 1,5 |
| * puntbeluchting | 0,18 | 0,32 | 0,6 | 0,95 | 1,5 |
| Retourslibgemaal | 0,6 | 1,1 | 2,0 | 3,2 | 5 |
| Nabezinktank | |||||
| – invoerzone | 0,2 | 0,35 | 0,65 | 1,05 | 1,65 |
| – oppervlakte | 0,16 | 0,28 | 0,5 | 0,85 | 1,3 |
| Na-nitrificatie | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 |
| Na-denitrificatie | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 |
1 Voor de overstort van de nabezinktank wordt de emissie van geur niet apart berekend.
| Onderdeel | Slibkwaliteit | Slibkwaliteit | Slibkwaliteit | Slibkwaliteit | Eenheid |
|---|---|---|---|---|---|
| Onderdeel | vers | aëroob | anaëroob | gemengd | |
| Voorindikker | 8 | 3,95 | 8 | ou/s per m2 | |
| Naindikker | 3,05 | ou/s per m2 | |||
| Uitgegist slibbuffer | 3,05 | ou/s per m2 | |||
| Slibindiklagune | 4,05 | 1,75 | 4,35 | ou/s per m2 | |
| Filterpers | – | – | – | ||
| Zeefbandpers | 4,05 | 1,75 | 4,35 | ou/s per m2 | |
| Centrifuge | – | – | – | ||
| Afvoer en opslag | 4,05 | 1,75 | 4,35 | ou/s per m2 | |
| Fosfaatbezinktank | 3,95 | ou/s per m2 | |||
| Strippertank | 3,95 | ou/s per m2 | |||
| Slibindikker | 3,95 | ou/s per m2 | |||
| Flocculatietank | 3,95 | ou/s per m2 |
Bijlage XVIIIf. bij de artikelen 7.77 en 9.27 van deze regeling (bepalingen over het verbinden van voorschriften aan omgevingsvergunningen over het voorkomen van overschrijding standaardwaarden)
Afschermende of reflecterende objecten
Afschermende of reflecterende objecten
Verzameling brongegevens
2.1. Eisen aan de modellen
De brongegevens van wapens zijn over het algemeen sterk richtingsafhankelijk. Een voor-achter-verhouding van 15 dB voor lichte wapens is niet ongebruikelijk. De richtingsafhankelijkheid van de brongegevens is gedefinieerd in het vlak van de loop van het wapen. Als het wapen in de te modelleren situatie horizontaal wordt gehouden, kan deze richtingsafhankelijkheid rechtstreeks worden toegepast. Als echter met het wapen schuin naar boven wordt geschoten, dient de richtingsafhankelijkheid zoals die in het bronnenbestand staat te worden gecorrigeerd naar de richtingsafhankelijkheid in het horizontale vlak. De richtingsafhankelijkheid in het horizontale vlak is altijd gelijk of minder dan de richtingsafhankelijkheid in het vlak van het wapen. Als bijvoorbeeld in het extreme geval recht naar boven wordt geschoten, moet in alle richtingen de bronsterkte in de 90° emissierichting worden toegepast. Welke elevatiehoeken voor de verschillende typen schietbanen kunnen worden toegepast, staat beschreven in de Toelichting op toepassen van methoden voor meten en rekenen aan schietgeluid. Om de juiste emissierichting te bepalen, dient de volgende correctieformule te worden toegepast als niet horizontaal wordt geschoten:
Rapportage
1.2. Zware metalen
1.1. Organische parameters
1.3. Toetsing van de poriënwaterconcentratie aan de standaardwaarde
2.1. Eisen aan de modellen
Bijlage XVIIIg. bij artikel 7.77 van deze regeling (maximaal toelaatbare flux)
| Stof | Maximaal toelaatbare flux (in g/ha/j) |
|---|---|
| I Metalen | I Metalen |
| Antimoon | 0,39 |
| Arseen | 4,35 |
| Barium | 63 |
| Cadmium | 0,12 |
| Chroom | 15 |
| Kobalt | 3 |
| Koper | 5,4 |
| Kwik | 0,045 |
| Lood | 12,75 |
| Molybdeen | 1,5 |
| Nikkel | 5,25 |
| Zink | 21 |
| II Anorganische verbindingen | II Anorganische verbindingen |
| Cyaniden-vrij | 0,15 |
| Cyaniden-complex (pH<5)1 | 0,75 |
| Cyaniden-complex (pH >5)2 | 0,75 |
| Bromide | 3 |
| Chloride | 300 |
| Fluoride | 140 |
| III Aromatische verbindingen | III Aromatische verbindingen |
| Benzeen | 0,4 |
| Ethylbenzeen | 8 |
| Tolueen | 14 |
| Xylenen | 0,4 |
| Styreen (vinylbenzeen) | 12 |
| Fenol | 0,4 |
| Cresolen (som) | 0,4 |
| Catechol(o-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| Resorcinol(m-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| Hydrochinon(p-dihydroxybenzeen) | 0,4 |
| IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) | IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) |
| Naftaleen | 0,02 |
| Antraceen | 0,0014 |
| Fenantreen | 0,006 |
| Fluorantheen | 0,006 |
| Benzo(a)antraceen | 0,0002 |
| Chryseen | 0,006 |
| Benzo(a)pyreen | 0,001 |
| Benzo(ghi)peryleen | 0,0006 |
| Benzo(k)fluorantheen | 0,0008 |
| Indeno(1,2,3-cd)pyreen | 0,0008 |
| V Gechloreerde koolwaterstoffen | V Gechloreerde koolwaterstoffen |
| Vinylchloride | 0,02 |
| Dichloormethaan | 0,02 |
| 1,1-dichloorethaan | 14 |
| 1,2-dichloorethaan | 14 |
| 1,1-dichlooretheen | 0,02 |
| 1,2-dichlooretheen (cis en trans) | 0,02 |
| dichloorpropanen | 1,6 |
| trichloormethaan (chloroform) | 12 |
| 1,1,1-trichloorethaan | 0,02 |
| 1,1,2-trichloorethaan | 0,02 |
| trichlooretheen (Tri) | 48 |
| tetrachloormethaan (Tetra) | 0,02 |
| tetrachlooretheen (Per) | 0,02 |
| monochloorbenzeen | 14 |
| dichloorbenzenen | 6 |
| trichloorbenzenen | 0,02 |
| tetrachloorbenzenen | 0,02 |
| pentachloorbenzeen | 0,006 |
| hexachloorbenzeen | 0,00018 |
| monochloorfenolen (som) | 0,6 |
| dichloorfenolen | 0,4 |
| trichloorfenolen | 0,06 |
| tetrachloorfenolen | 0,02 |
| pentachloorfenol | 0,08 |
| polychloorbifenylen (som)3 | 0,02 |
| VI Bestrijdingsmiddelen | VI Bestrijdingsmiddelen |
| DDT/DDE/DDD4 | 0,000008 |
| Aldrin | 0,000018 |
| Dieldrin | 0,0002 |
| Endrin | 0,00008 |
| HCH-verbindingen5 | 0,1 |
| α-HCH | 0,066 |
| ß-HCH | 0,016 |
| γ-HCH | 0,018 |
| atrazine | 0,038 |
| carbaryl | 0,004 |
| carbofuran | 0,018 |
| chloordaan | 0,00004 |
| endosulfan | 0,0004 |
| heptachloor | 0,00001 |
| heptachloor-epoxide | 0,00001 |
| Maneb | 0,0001 |
| MCPA | 0,02 |
| organotinverbindingen | 0,0001 – 0,038 |
| VII Overige verontreinigingen | VII Overige verontreinigingen |
| cyclohexanon | 1 |
| Ftalaten (som)6 | 1 |
| minerale olie7 | 100 |
| pyridine | 1 |
| tetrahydrofuran | 1 |
| tetrahydrothiofeen | 1 |
1 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.
2 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.
3 Onder polychloorbifenylen (som) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 138, 153, 180. Onder de som valt PCB 118 niet.
4 Onder DDT/DDD/DDE wordt verstaan: de som van DDT, DDD en DDE.
5 Onder HCH-verbindingen wordt verstaan: som van α-HCH, ß-HCH, γ-HCH en δ-HCH
6 Onder de ftalaten wordt de som van alle ftalaten verstaan.
7 De definitie van minerale olie wordt beschreven in de Staatscourant 39, 2000. Als er sprake is van verontreiniging van mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan wordt naast het alkaangehalte ook het gehalte van aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald.
Bijlage XIX. bij artikel 8.2 van deze regeling (dosis-effectrelaties voor actieplannen geluid)
2. De uit de stortplaats tredende flux (stoftransport) van verontreinigingen
2.3. Toetsing
2.2. Berekening
2.3. Toetsing
3.2. Toetsing
Rapportage
Verzameling brongegevens
2.1. Ischemische hartziekten (IHD)
Bijlage XIX. bij artikel 8.2 van deze regeling (dosis-effectrelaties voor actieplannen geluid)
Bijlage XX. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder a, 8.18, eerste lid, onder a, 12.52, eerste lid, onder a, en 12.55, eerste lid, onder a, van deze regeling (grootschalige concentratiegegevens, meteorologische gegevens en ruwheidskaart)
Grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen
Bijlage XXI. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder b, en 12.52, eerste lid, onder b, van deze regeling (emissiefactoren voertuigen luchtkwaliteit)
2. De uit de stortplaats tredende flux (stoftransport) van verontreinigingen
3. Bepaling van schadelijke effecten
Bijlage XXII
[Vervallen]
Bijlage XX. bij de artikelen 8.12, eerste lid, onder a, 8.18, eerste lid, onder a, 12.52, eerste lid, onder a, en 12.55, eerste lid, onder a, van deze regeling (grootschalige concentratiegegevens, meteorologische gegevens en ruwheidskaart)
Grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen
2.1. Eisen aan de modellen
3.2. Toetsing
Bijlage XIXa. bij de artikelen 8.10, onder c, 8.16, onder b, 12.50, onder c, en 12.53, onder b, van deze regeling (softwaremodellen luchtkwaliteit)
Bijlage XXV
[Vervallen]
Bijlage XXIV
[Vervallen]
Bijlage XXV
[Vervallen]
Bijlage XXII
[Vervallen]
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)