Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)
Artikel 4.31. (vergunningvrije gevallen bestendig beheer, onderhoud en gebruik en ter uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting waarvoor Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om de vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, bij dat besluit, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen geldt niet als:
- a. de Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is op grond van artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit;
- b. het gaat om dieren en planten van de soorten aangewezen in bijlage VIIc; en
- c. het gaat om handelingen in het kader van:
- 1°. bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;
- 3°. bestendig gebruik; of
- 4°. de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.
Afdeling 4.4b. Openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra
§ 4.8.1. Administratie en merktekens beschermde diersoorten
Artikel 4.32. (administratieve verplichtingen voor fokken van dieren, kweken van planten en sommige cites-soorten)
Dit artikel is van toepassing op degene die een levend gefokt dier, een levende gekweekte plant of een uit het wild afkomstig levend dier onder zich heeft, en de daar bijbehorende administratie als bedoeld in artikel 11.103 van het Besluit activiteiten leefomgeving bijhoudt als het dier of de plant behoort tot:
- a. de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
- b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan;
- c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van:
- 1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien; en
- 2°. de soorten, genoemd in bijlage X bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
- d. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening als voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de cites-uitvoeringsverordening is afgegeven; of
- e. een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening.
De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens:
- a. de wetenschappelijke soortnaam van het dier of de plant en het aantal dieren of planten van die soort;
- b. de datum en de plaats van verkrijging van het dier of de plant;
- c. de naam, het adres en het land van de leverancier van wie het dier of de plant is verkregen;
- d. het land van herkomst van het dier of de plant, als dit afwijkt van het land, bedoeld onder c;
- e. het nummer van het bij de verkrijging van het dier of de plant behorende cites-document;
- f. de datum en de plaats van vervreemding van het dier of de plant;
- g. de naam, het adres en het land van de afnemer van het dier of de plant;
- h. het nummer van het bij de vervreemding van het dier of de plant behorende cites-document;
- i. de datum van de geboorte en het aantal nakomelingen van een dier;
- j. gegevens over de soort en de code van de merktekens;
- k. de datum van de aanbrenging van merktekens aan het dier of de plant; en
- l. de datum en de plaats van sterfte van het dier of de plant, voor zover van toepassing.
De administratie, bedoeld in het eerste lid:
- a. is op naam gesteld, volledig en voorzien van een logische indeling en opeenvolgende nummering;
- b. wordt gevoerd op een zodanige wijze dat controle daarvan direct mogelijk is en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, daaruit duidelijk blijken; en
- c. wordt bewaard met alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren of planten als bedoeld in het eerste lid.
De gegevens, bedoeld in het tweede lid, en de documenten, bedoeld in het derde lid, worden bewaard gedurende ten minste drie jaar na de datum van de laatste in de administratie aangebrachte wijziging of aanvulling.
Artikel 4.33. (pootringen gefokte vogels)
De gesloten pootring, bedoeld in artikel 11.104, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor gefokte vogels:
- a. is een individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat zij, nadat zij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt;
- b. heeft een diameter die niet groter is dan de in bijlage VIId voor de betrokken soort vastgestelde diameter;
- c. voldoet aan de volgende eisen:
- 1°. een ring met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; of
- 2°. een ring met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; en
- d. is voorzien van een kleurlaag die voor elk jaar waarin de ring mag worden aangebracht verschillend is.
In afwijking van het eerste lid:
- a. kan de gesloten pootring een diameter hebben die groter is dan de in de bijlage VIId vastgestelde maximale diameter, als de aanvrager aannemelijk kan maken dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.35, noodzakelijk is; of
- b. kunnen gesloten pootringen voor papegaaiachtigen en roofvogels zijn vervaardigd van roestvrij staal.
Een aanvrager van een aanvraag als bedoeld in artikel 4.35:
- a. brengt een gesloten pootring als bedoeld in het eerste lid alleen aan op in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels van de soort waarvoor hij de gesloten pootring heeft aangevraagd; en
- b. verschaft een gesloten pootring als bedoeld in het eerste lid niet aan derden.
Artikel 4.34. (aangewezen organisaties en verplichtingen administratie pootringen gefokte vogels)
Als organisaties als bedoeld in artikel 11.104, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn belast met de afgifte van gesloten pootringen worden aangewezen:
- a. Kleindier Liefhebbers Nederland, gevestigd te Utrecht;
- b. Nederlandse Bond voor Vogelliefhebbers, gevestigd te Bergen op Zoom;
- c. Parkieten Sociëteit, gevestigd te Arnhem;
- d. Vereniging Aviornis International Nederland, gevestigd te Wijchen; en
- e. Vereniging Belangenbehartiging Europese Cultuurvogel, gevestigd te Eindhoven.
De organisaties, bedoeld in het eerste lid, houden een administratie bij met gebruikmaking van een door de Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar gesteld automatiseringssysteem.
De administratie wordt bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar en bevat per soort de volgende gegevens:
- a. de soorten vogels waarvoor gesloten pootringen zijn aangevraagd;
- b. als het gaat om gefokte vogels:
- 1°. het aantal verstrekte gesloten pootringen;
- 2°. de ringmaat; en
- 3°. de bijbehorende unieke nummers als bedoeld in artikel 4.35, tweede lid, onder b, en derde lid;
- c. als het gaat om gefokte vogels behorende tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij de cites-basisverordening:
- 1°. de gegevens onder b, onder 1° en 2°; en
- 2°. het aantal ouderparen;
- d. de datum van toekenning van de gesloten pootringen; en
- e. de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de personen aan wie de gesloten pootringen zijn verstrekt.
De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verschaffen de minister op verzoek, op een door de minister te bepalen wijze, alle informatie over de afgifte van gesloten pootringen.
Artikel 4.35. (aanvraag en afgifte pootringen gefokte vogels)
Gesloten pootringen worden aangevraagd met gebruikmaking van een door een van de organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, ter beschikking gesteld aanvraagformulier dat volledig ingevuld en ondertekend wordt teruggestuurd.
De organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, verstrekken alleen gesloten pootringen:
- a. waarvoor door de leverancier een schriftelijke garantie is afgegeven dat de ringen voldoen aan de specificaties, bedoeld in artikel 4.33; en
- b. die ten minste zijn voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de gesloten pootring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer bestaande uit de bondscode, een kweeknummer en een volgnummer.
In afwijking van het tweede lid, onder b, zijn de gesloten pootringen, afgegeven door Kleindier Liefhebbers Nederland, voorzien van een uniek nummer bestaande uit de bondscode en een volgnummer.
De organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, geven geen gesloten pootring af als:
- a. niet aannemelijk is dat de aanvrager vogels, waarvoor hij een gesloten pootring aanvraagt, fokt; of
- b. het redelijke vermoeden bestaat dat de aanvrager handelt of zal handelen in strijd met artikel 4.33, derde lid.
§ 4.7.4. Flora- en fauna-activiteiten: erkende maatregel specifieke zorgplicht
Artikel 4.36. (fytosanitair certificaat)
Als plantensoorten waarvoor een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 3.70, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bij de Minister voor Natuur en Stikstof kan worden aangevraagd, worden aangewezen:
- a. Apocynaceae: Pachypodium spp;
- b. Cactaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;
- c. Droseraceae: Dionaea muscipula;
- d. Euphorbiaceae: de succulente soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;
- e. Liliaceae: de soorten Aloe, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;
- f. Nepenthaceae: de soorten Nepenthes, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;
- g. Orchidaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, de hybriden van de soorten Paphiopedilum; en
- h. Sarraceniaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening.
Artikel 4.37. (aangewezen soorten voor uitzondering op het verbod te handelen in strijd met invasieve-exoten-basisverordening)
Als diersoorten als bedoeld in artikel 11.108, tweede lid, aanhef, van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de invasieve-exoten-basisverordening worden aangewezen:
- a. de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis);
- b. de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectus Limosus);
- c. de Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes virilis);
- d. de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus);
- e. de Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus Clarkia); en
- f. de Marmerkreeft (Procambarus fallax forma virginalis).
Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.108, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de beheersmaatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld:
- a. degene die de in artikel 11.108, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedoelde handelingen verricht, draagt er zorg voor dat:
- 1°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden;
- 2°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd;
- 3°. het beheren van afval, het onderhoud en schoonmaken van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd; en
- 4°. wordt voorkomen dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen; en
- b. degene die de in artikel 11.108, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde handelingen verricht maakt te allen tijde aannemelijk dat hij voldoet aan de in artikel 11.108, eerste en tweede lid, van dat besluit bedoelde regels.
Als passende maatregel als bedoeld in het tweede lid, onder a, onder 1° en 2°, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de dieren en hun natuurlijke leefomgeving, waarbij de dieren die overleven zich vervolgens niet kunnen voortplanten en zich niet kunnen verspreiden.
§ 4.8.3. Aanwijzing douanekantoren
Artikel 4.38. (aanwijzing douanekantoren)
Als douanekantoren als bedoeld in artikel 11.94 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern, bijlage I bij het verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D bij de cites-basisverordening binnen of buiten het grondgebied van Nederland worden gebracht, worden aangewezen:
- a. voor het binnen Nederland brengen van levende dieren:
- 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;
- 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol; en
- 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;
- b. voor het buiten Nederland brengen van levende dieren:
- 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;
- 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol;
- 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;
- 4°. Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte); en
- 5°. Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam;
- c. voor dode dieren, dode of levende planten en producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten: alle douanekantoren.
Als veterinaire voorschriften gelden voor dieren of producten, nesten of eieren van dieren die behoren tot de soorten, bedoeld in het eerste lid, worden deze dieren of producten, nesten of eieren daarvan binnengebracht op plaatsen die daarvoor als inspectiepost aan de grens zijn erkend op grond van de verordening officiële controles.
Hoofdstuk 5. Algemene regels over activiteiten en bouwwerken geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving
Afdeling 5.1. Duurzaamheid
§ 4.7.2. Flora- en fauna-activiteiten: aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn
Artikel 5.1. (toepassingsbereik)
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op technische bouwsystemen als bedoeld in paragraaf 4.7.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.2. (energieprestatie technisch bouwsysteem)
De waarde van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem, bedoeld in de artikelen 4.248, eerste lid, en 5.21, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt bepaald op basis van de in bijlage VIII opgenomen rekenmethodiek.
Artikel 5.3. (verslaglegging energieprestatie)
Het verslag van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem, bedoeld in
artikel 4.249 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bevat de volgende gegevens en bescheiden:
- a. de berekende waarde voor de energieprestatie als bedoeld in artikel 5.2;
- b. de naam en het adres van degene die opdracht geeft tot het laten vaststellen van de energieprestatie;
- c. het adres van het gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt;
- d. een aanduiding van het soort gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt: woning of overig;
- e. de naam en het registratienummer van degene die het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd en het verslag heeft opgesteld of, als diegene geen registratienummer heeft, de naam en het adres;
- f. een beschrijving van het soort technisch bouwsysteem;
- g. een beschrijving van het type en serienummer van het technische bouwsysteem of componenten daarvan, of, bij het ontbreken van dergelijke gegevens, een nauwkeurige beschrijving van de locatie waar het technisch bouwsysteem zich in het gebouw bevindt;
- h. een beschrijving van de verrichte werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem;
- i. de datum van de werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem; en
- j. de ondertekening door diegene die het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd.
Artikel 5.4. (ruimteverwarmingssysteem)
Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ruimteverwarmingssysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:
- a. heeft een warmtecapaciteit die niet groter is dan nodig is om te voorzien in de warmtevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt. De temperatuur in het warmtedistributie- en afgiftedeel van het systeem is daarbij afgesteld op de laagst mogelijke temperatuur waarbij het ruimteverwarmingssysteem kan voldoen aan de benodigde warmtecapaciteit van het gebouw;
- b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van de componenten van het systeem;
- c. is afgesteld op een energetisch optimale stooklijn met behoud van comfort, is hydraulisch in balans en is ingeregeld om optimaal te presteren bij gemiddelde gebruiksomstandigheden; en
- d. is voorzien van een ruimtethermostaat die voldoet aan de eisen voor een kamerthermostaat of andere centrale temperatuurregeling van klasse II of hoger als bedoeld in de Mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2014, C 207/02).
Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat onderdeel vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd of als de kosten voor het aanbrengen van de ruimtethermostaat en de thermostatische radiatorkranen meer dan 20% bedragen van de kosten van het technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming.
Artikel 5.5. (ruimtekoelingssysteem)
Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ruimtekoelingssysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:
- a. heeft een koudecapaciteit niet groter dan nodig om te voorzien in de koudevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt, waarbij de temperatuur in het koudedistributie- en afgiftedeel van het systeem is afgesteld op de hoogst mogelijke temperatuur waarmee het ruimtekoelingssysteem kan voldoen aan de benodigde koudecapaciteit van het gebouw;
- b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
- c. is afgesteld op de energetisch optimale condensor- en verdampertemperaturen met behoud van comfort, is hydraulisch in balans als het gaat om hydraulische systemen of heeft geoptimaliseerde luchtstromen als het gaat om lucht-distributiesystemen, en is ingeregeld op optimaal presteren bij typische gebruiksomstandigheden;
- d. heeft een ruimtethermostaat als het gaat om een centraal aangestuurd systeem; en
- e. heeft een door de gebruiker in te stellen thermostaat als het gaat om individueel geregelde units.
Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat onderdeel vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt.
Artikel 5.6. (ventilatiesysteem)
Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ventilatiesysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:
- a. sluit aan bij de ventilatiebehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt;
- b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
- c. heeft een ventilatiedebiet dat is geoptimaliseerd voor laag energieverbruik met behoud van comfort en luchtkwaliteit; en
- d. is voorzien van passende regelapparatuur waarmee het ventilatievolume in drie of meerdere standen of traploos aan te passen is aan de ventilatiebehoefte.
Artikel 5.7. (warm tapwatersysteem)
Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar warmtapwatersysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:
- a. sluit aan bij de warmtapwaterbehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt;
- b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;
- c. heeft een warmtapwatertemperatuur, gemeten bij de warmteopwekker, die is geoptimaliseerd voor een zo laag mogelijk energieverbruik zonder risico’s voor legionella; en
- d. is voorzien van regelapparatuur waarmee de watertemperatuur bij de warmteopwekker op toegankelijke wijze kan worden ingesteld.
Artikel 5.8. (ingebouwde verlichting)
Adequaat gedimensioneerde, geïnstalleerde, ingeregelde en instelbare ingebouwde verlichting als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:
- a. heeft een hoeveelheid en type armaturen die voldoende zijn, maar niet meer dan nodig, voor de typische verlichtingsbehoefte van de ruimte waarin de verlichting ingebouwd wordt;
- b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; en
- c. is instelbaar door aan-uit schakelaars of aanwezigheidsdetectie.
Artikel 5.9. (gebouwautomatiserings- en controlesysteem)
Adequaat gedimensioneerde, geïnstalleerde, ingeregelde en instelbare ingebouwde verlichting als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is voor oplevering getest en ingesteld op energetisch optimale prestatie onder typische gebruiksomstandigheden.
§ 5.1.2. Energielabels
Artikel 5.10. (toepassingsbereik)
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op energielabels als bedoeld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.11. (vaststellen energielabel voor woningen en woongebouwen)
De energieprestatie van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt opgenomen en geregistreerd door een energieadviseur werkzaam voor een NL-EPBD-certificaathouder volgens BRL 9500-W.
Het bij de bepaling van de energieprestatie gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501.
Na registratie van de energieprestatie door de energieadviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, wordt het energielabel voor die woonfunctie, dat woongebouw of die logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw vastgesteld en afgegeven door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Het primair fossiel energiegebruik van de woonfunctie, het woongebouw of die logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt met behulp van de als bijlage IX opgenomen tabel omgezet in een letter of lettercombinatie. Bij de berekening van het primair fossiel energiegebruik van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt, als energiemaatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, gerekend met forfaitaire waarden voor deze maatregelen.
Voor een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, waarvoor de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend na 29 mei 2026, kan op het energielabel naast de letter of lettercombinatie, bedoeld in het vierde lid, de aanduiding A0 worden toegevoegd, als:
- a. de energiebehoefte een waarde heeft van ten hoogste de in tabel 4.148A van het Besluit bouwwerken leefomgevingaangegeven waarde;
- b. het primair fossiel energiegebruik een waarde heeft van ten hoogste de waarde opgenomen in de in bijlage IXa opgenomen tabel;
- c. het aandeel hernieuwbare energie een waarde heeft van ten minste de in tabel 4.148A van het Besluit bouwwerken leefomgeving aangegeven waarde; en
- d. ter plaatse geen koolstofemissies uit fossiele brandstoffen wordt veroorzaakt.
Artikel 5.12. (vaststellen energielabel voor utiliteitsgebouwen)
De energieprestatie van een gebruiksfunctie of gebouw, niet zijnde een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, wordt opgenomen en geregistreerd door een energieadviseur werkzaam voor een NL-EPBD-certificaathouder volgens BRL 9500-U.
Het bij de bepaling van de energieprestatie gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501.
Na registratie van de energieprestatie door de energieadviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, wordt het energielabel voor dat utiliteitsgebouw vastgesteld en afgegeven door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Het primair fossiel energiegebruik van het utiliteitsgebouw wordt met behulp van de als bijlage X opgenomen tabel omgezet in een letter of lettercombinatie. Bij de berekening van het primair fossiel energiegebruik van het utiliteitsgebouw wordt, als energiemaatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, gerekend met kwaliteitsverklaringen voor deze maatregelen.
Voor een utiliteitsgebouw waarvoor de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend na 29 mei 2026, kan op het energielabel naast de letter of lettercombinatie, bedoeld in het vierde lid, de aanduiding A0 worden toegevoegd, als:
- a. de energiebehoefte een waarde heeft van ten hoogste de in tabel 4.148A van het Besluit bouwwerken leefomgeving aangegeven waarde;
- b. het primair fossiel energiegebruik een waarde heeft van ten hoogste de waarde opgenomen in de in bijlage Xa opgenomen tabel;
- c. het aandeel hernieuwbare energie een waarde heeft van ten minste de in tabel 4.148A van het Besluit bouwwerken leefomgeving aangegeven waarde; en
- d. ter plaatse geen koolstofemissies uit fossiele brandstoffen wordt veroorzaakt.
Artikel 5.13. (gegevens energielabel)
Het energielabel, bedoeld in artikel 5.11, derde lid, en artikel 5.12, derde lid, wordt vastgesteld op basis van in ieder geval:
- a. gegevens over de algemene gebouwkenmerken, waaronder gebruiksfunctie, bouwjaar, gebruiksoppervlakte in m2 en, in het geval van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, woningtype;
- b. gegevens over de aanwezige isolatie, waaronder beglazing, isolatie van de gevel, isolatie van het dak en isolatie van de vloer;
- c. gegevens over de aanwezige installaties, waaronder verwarmingstoestel, tapwatertoestel, koelsysteem, ventilatiesysteem, zonneboiler, zonnepanelen en, in het geval van een utiliteitsgebouw, verlichting; en
- d. gegevens over de berekende indicatoren van de energieprestatie, waaronder de energielabelklasse, het primair fossiel energiegebruik, het aandeel hernieuwbare energie, in het geval van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw de oververhitting in de zomer en de warmtebehoefte en, in het geval van een utiliteitsgebouw, de energiebehoefte.
Artikel 5.14. (registratie energielabel)
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kan registreren:
- a. gegevens over voor welke gebouwen de energieprestatie is geregistreerd, waaronder adresgegevens, identificerend objectnummer van het pand of verblijfsobject als bedoeld in artikel 19 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen en de opleverstatus van het gebouw;
- b. kenmerken van de registratie van de energieprestatie bedoeld in artikel 5.11, eerste en tweede lid, en artikel 5.12, eerste en tweede lid, waaronder de aanduiding van het soort opname van de energieprestatie, de opnamedatum van de energieprestatie en gegevens over de energieadviseur, de NL-EPBD-certificaathouder en de geattesteerde software;
- c. de registratiedatum van de energieprestatie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het unieke registratienummer van het energielabel; en
- d. de gegevens, bedoeld in artikel 5.13, op basis waarvan het energielabel is vastgesteld.
De minister beheert de registratie.
De registratie heeft tot doel het toezicht op de naleving en handhaving van de voorschriften op het gebied van energielabels te kunnen waarborgen en de verstrekking van de gegevens aan de instellingen en organisaties, bedoeld in het vijfde lid, mogelijk te maken voor zover de gegevens noodzakelijk zijn in verband met hun werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid.
De minister is verwerkingsverantwoordelijke voor de registratie.
De minister kan het energielabel en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, verstrekken aan:
- a. certificatie-instellingen, voor zover het energielabel en die gegevens noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van hun taak zoals omschreven in BRL 9500-W en BRL 9500-U;
- b. het centraal bureau voor de statistiek, voor zover het energielabel en die gegevens noodzakelijk zijn voor het van overheidswege uitvoeren van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap; en
- c. andere onderzoeksinstellingen en -organisaties, voor zover het energielabel en die gegevens gebruikt worden voor wetenschappelijke, statistische of historische doeleinden en de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig geschaad wordt.
De minister verstrekt het energielabel, de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de uitvoerfile van het rekenprogramma, bedoeld in paragraaf 4.3.6 van BRL 9500-W en paragraaf 4.2.6 van BRL 9500-U, aan de eigenaar van het gebouw of gedeelte daarvan waarvoor het energielabel is afgegeven.
De minister verstrekt het energielabel en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan:
- a. de persoon die in de basisregistratie personen op het woonadres van het gebouw of gedeelte daarvan waarvoor het energielabel is afgegeven, staat ingeschreven; en
- b. de energieadviseur, bedoeld in de artikelen 5.11, eerste lid, en 5.12, eerste lid, voor het gebouw of gedeelte daarvan waarvan hij de energieprestatie heeft geregistreerd.
De gegevens in de registratie worden ten hoogste vijftien jaar bewaard, gerekend vanaf de opnamedatum van de energieprestatie voor een energielabel.
Artikel 5.15. (zichtbaar ophangen energielabel)
Bij de toepassing van artikel 6.30, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt ten minste een weergave van de numerieke energieprestatie-indicator van het primair fossiel energiegebruik in kWh/(m2.jaar) en de in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van dat energiegebruik opgehangen.
Artikel 5.16. (document voor vergunningaanvraag)
Onder energielabel wordt niet verstaan het document dat is opgesteld op basis van de energieprestatie en is geregistreerd in het kader van een vergunningaanvraag als bedoeld in BRL 9500-W.
§ 5.1.2. Energielabels
§ 5.1.3.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.17. (toepassingsbereik)
Vervallen
§ 5.1.3.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.18. (keuring airconditioningsystemen)
Vervallen
Artikel 5.18a. (keuring gecombineerde verwarmings- en airconditioningsystemen)
Vervallen
§ 5.1.3.3. Eisen vakbekwaamheid keuring airconditioningsystemen
Artikel 5.19. (exameninstelling airconditioningsysteemdeskundige)
Vervallen
Artikel 5.20. (examenreglement airconditioningsysteemdeskundige)
Vervallen
Artikel 5.21. (examen airconditioningsysteemdeskundige)
Vervallen
Artikel 5.22. (herexamen airconditioningsysteemdeskundige)
Vervallen
Artikel 5.23. (diploma airconditioningsysteemdeskundige)
Vervallen
Artikel 5.24. (registratie diploma airconditioningsysteemdeskundige)
Vervallen
Artikel 5.25. (bijscholingsexamen airconditioningsystemen)
Vervallen
§ 5.1.3.2. Keuring van airconditioningsystemen
Artikel 5.27. (keuringsverslag en afmelding)
Vervallen
§ 5.1.1. Technische bouwsystemen
Artikel 5.28. (toepassingsbereik)
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het treffen van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.29. (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
De maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage XIV.
In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de maatregelen in bijlage XIVa, als sprake is van:
- a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
- b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.
Artikel 5.30. (rekenmethodiek terugverdientijd maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik)
De terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV opgenomen rekenmethodiek.
In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van:
- a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
- b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.
Bij het berekenen van de hoeveelheid aardgasequivalent, bedoeld in de artikelen 3.84 en 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bijlage XV, worden de volgende waarden gehanteerd:
- a. 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm3 aardgasequivalent;
- b. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm3 aardgasequivalent;
- c. 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm3 aardgasequivalent;
- d. 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm3 aardgasequivalent;
- e. 1 m3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X m3 aardgasequivalent, waarbij X wordt berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/m3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/m3;
- f. 1 GJ warmte komt overeen met 31,6 Nm3 aardgasequivalent;
- g. 1 liter diesel komt overeen met 1,13 Nm3 aardgasequivalent; en
- h. 1 liter benzine komt overeen met 1,04 Nm3 aardgasequivalent.
Als een brandstof wordt gebruikt die niet is opgenomen in het tweede lid, wordt de hoeveelheid aardgasequivalent per eenheid bepaald door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm3.
De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels.
§ 5.1.5. Bijna energieneutrale nieuwbouw
Artikel 5.31. (toepassingsbereik)
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op bijna energieneutrale nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.149 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.31a. (certificering opname energieprestatie nieuwbouw)
De energiebehoefte, de waarde voor primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie van nieuwbouw, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald door een bedrijf dat is gecertificeerd volgens BRL 9500-W, subdeelgebied detailopname, of BRL 9500-U, subdeelgebied detailopname.
Artikel 5.31b. (rekenprogramma opname energieprestatie nieuwbouw)
De energiebehoefte, de waarde voor primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie van nieuwbouw, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald aan de hand van een rekenprogramma dat is geattesteerd volgens BRL 9501.
Artikel 5.31c. oververhitting
De berekening van de gewogen overschrijdingsuren, bedoeld in artikel 4.149b, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voldoet aan de in bijlage XVI opgenomen eisen.
Artikel 5.32. (toepassingsbereik)
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het bepalen van de belasting van het milieu door de in een gebouw toe te passen materialen, bedoeld in artikel 4.158 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Afdeling 5.2. Nadere regels over de toepassing van normen
§ 5.1.4. Maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen
Artikel 5.33. (toepassingsbereik)
Deze afdeling is van toepassing op in het Besluit bouwwerken leefomgeving genoemde normen.
§ 5.1.3. Airconditioningsystemen en verwarmingssystemen
Artikel 5.34. (NEN 2057)
Bij de toepassing van NEN 2057 geldt dat onderdeel 6.1 wordt gelezen als: Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak.
Artikel 5.35. (NEN 2535)
Bij de toepassing van NEN 2535 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.36. (NEN 2575)
Bij de toepassing van NEN 2575 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Waar in de artikelen 3.119 en 4.213 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 2575 geldt het volgende:
- a. het in onderdeel 4, tabel 1, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van toonsignalen van 65 dB geldt alleen voor verkeersruimten; voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6 dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt;
- b. het in onderdeel 4, tabel 2, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van gesproken berichten van 60 dB geldt alleen voor verkeersruimten; voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6 dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt;
- c. onderdeel 12.4.2 Specificatie Luidsprekers is niet van toepassing;
- d. onderdeel 17 Bekabeling is niet van toepassing.
Het tweede lid is niet van toepassing op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie met doormelding als bedoeld in de artikelen 3.115 en 4.208 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie zonder doormelding die na 1 november 2008 is opgeleverd of gewijzigd.
Artikel 5.37. (NEN 8062)
Waar in artikel 3.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is bepaald dat de brandveiligheid van een afvoervoorziening voor rookgas wordt bepaald volgens NEN 8062 geldt bij de toepassing van onderdeel 4 van die norm dat materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rookgas is samengesteld onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064, voor zover in dat materiaal een temperatuur kan optreden van meer dan 363 K. In afwijking van ‘onbrandbaar’ volgens NEN 6064 mogen ook materialen die voldoen aan de brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1 zijn toegepast.
Bij de toepassing van onderdeel 5 van NEN 8062 geldt dat de luchtdichtheid van een voorziening voor de afvoer van rookgas kleiner is dan 25 m3/m2/h.
Als bij het bouwen de voorziening is gerealiseerd met toepassing van NEN 6062 en de bestaande voorziening aan dat normblad voldoet, is voldaan aan het eerste en het tweede lid.
Artikel 5.38
[Vervallen]
§ 5.1.3. Airconditioningsystemen en verwarmingssystemen
Artikel 5.39. (NEN 1006)
Bij toepassing van NEN 1006 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van gezondheid bevatten over een voorziening voor drinkwater of warmwater.
Artikel 5.40. (NEN 1010)
Bij toepassing van NEN 1010 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van veiligheid bevatten over een voorziening voor elektriciteit.
Artikel 5.41. (NEN 1087)
Waar in artikel 4.122 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 1087, wordt bedoeld de hoofdstukken 5 en 8 van die norm.
Waar in artikel 4.137, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 1087, wordt bedoeld de onderdelen 5.1 en 5.3 van die norm.
Artikel 5.42. (NEN 2057)
Bij de toepassing van NEN 2057 geldt dat in vergelijking (1) in hoofdstuk 4 van NEN 2057
‘A e,i = A d,i x C b,i x C u,i x CLTA’ wordt gelezen als: A e,i = A d,i x C b,i x C u,i.
Artikel 5.43. (NEN 2535 en NEN 2575)
Bij de toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 is het in die normen bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.44. (NEN 2757)
Waar in de artikelen 4.136, 4.138 en 4.141 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 2757, wordt bedoeld:
- a. NEN 2757-1 voor verbrandingsinstallaties met een belasting kleiner dan of gelijk aan 130 kW op bovenwaarde; en
- b. NEN 2757-2 voor verbrandingsinstallaties met een belasting groter dan 130 kW op bovenwaarde.
Artikel 5.45. (NEN 5077)
Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van de tabellen 3, 5, 6 en 7 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.
Artikel 5.46. (NEN 7120)
Bij de toepassing van NEN 7120 gelden voor de in onderdeel 5.3.2 opgenomen formule de waarden, aangegeven in tabel 5.46, voor de correctiefactor CEPC;mn;U/W:
| Gebruiksfunctie | Gebruiksfunctie | C EPC;mn;U/W |
|---|---|---|
| 1 | Woonfunctie | |
| a. woonwagen | 0,99 | |
| b. andere woonfunctie | 1,10 | |
| 2 | Bijeenkomstfunctie | 0,73 |
| 3 | Celfunctie | 0,98 |
| 4 | Gezondheidszorgfunctie | |
| a. met bedgebied | 1,17 | |
| b. andere gezondheidszorgfunctie | 0,98 | |
| 6 | Kantoorfunctie | 1,05 |
| 7 | Logiesfunctie | |
| a. logiesfunctie in logiesgebouw | 0,90 | |
| b. logiesfunctie niet in logiesgebouw | 0,88 | |
| 8 | Onderwijsfunctie | 1,44 |
| 9 | Sportfunctie | 0,86 |
| 10 | Winkelfunctie | 0,85 |
Artikel 5.47. (NEN-EN 1838)
Waar in het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN-EN 1838, wordt bedoeld onderdeel 5.4.5 van die norm.
Artikel 5.48. (NEN-EN 1990)
Bij de toepassing van NEN-EN 1990 wordt tabel NB. 1- 2.1 gelezen als:
| Ontwerplevensduur | Ontwerplevensduur | Toepassing |
|---|---|---|
| Klasse | Jaren | Toepassing |
| 1A | 5 | Tijdelijke bouwwerken, anders dan een woonfunctie: waarbij de termijn, genoemd in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, niet langer is dan 5 jaar, of die vergunningvrij zijn voor de activiteit bouwen. Bouwwerken in gevolgklasse CC2 of CC3: binnen deze klasse moeten de in rekening te brengen belastingen zijn gebaseerd op een referentieperiode van 15 jaar. Voor CC1 is dit 5 jaar. |
| 1B | 15 | Tijdelijke bouwwerken, anders dan bouwwerken die vallen in klasse 1A. |
| 2 | 15 | Constructies en bouwwerken voor landbouw en tuinbouw en soortgelijke toepassingen, alleen voor productiedoeleinden, waarbij het aantal personen dat in het gebouw aanwezig is, beperkt is. Industriebouwwerken, al dan niet tijdelijk, met 1 of 2 bouwlagen. |
| 3 | 50 | Bouwwerken anders dan bedoeld onder 1A, 1B en 2. |
Artikel 5.49
[Vervallen]
Artikel 5.50. (NTA 8800)
Bij het bepalen van het aandeel hernieuwbare energie, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgens NTA 8800 mag restwarmte en -koude als bedoeld in NTA 8800 worden meegerekend.
Afdeling 5.3. Veiligheid
§ 5.1.4. Maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen
Artikel 5.51. (toepassingsbereik)
Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties als bedoeld in artikel 6.45 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van dat besluit.
§ 5.1.4. Maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen
Artikel 5.52. (concentratie (bijna-)ongevallen)
De concentratie koolmonoxide, bedoeld in artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bedraagt 20 ppm.
Artikel 5.53. (beeldmerk)
Het beeldmerk, bedoeld in artikel 6.47, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is het beeldmerk, opgenomen in bijlage XVIII.
Certificaathouders voeren het beeldmerk op alle uitingen die betrekking hebben op de werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties en bij het zich legitimeren bij klanten.
Het is verboden het beeldmerk te voeren wanneer niet wordt beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
§ 5.3.3. Veiligheid directe omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 5.54. (risicomatrix)
De risicomatrix, bedoeld in artikel 7.5a van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is de risicomatrix, opgenomen in bijlage XVIIIa.
Artikel 5.55. (veiligheidscoördinator directe omgeving en bouw- en sloopveiligheidsplan)
De noodzaak tot het aanstellen van een veiligheidscoördinator directe omgeving en het opstellen van een bouw- en sloopveiligheidsplan, bedoeld in artikel 7.5a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is aanwezig als het invullen van de risicomatrix, bedoeld in artikel 5.54, resulteert in opgeteld twaalf of meer punten.
Afdeling 5.2. Nadere regels over de toepassing van normen
§ 5.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.56. (toepassingsbereik)
Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen en bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
§ 5.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.57. (bepalen: gezamenlijk geluid bij afwijkende spectra)
Als het gezamenlijke geluid bedoeld in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leegomgeving wordt bepaald op grond van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.103a of 5.23a, aanhef en onder a, van het Besluit bouwwerken leefomgeving en voor het bepalen van de karakteristieke geluidwering gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van NEN 5077 om afwijkende spectra te gebruiken, is artikel 3.26, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.58. (berekenen: overgangsrecht gezamenlijk geluid)
Op het berekenen van het gezamenlijke geluid voor een verblijfsgebied, bedoeld in artikel 4.103c, tweede lid, aanhef, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de artikelen 3.26 en 3.27 van toepassing.
§ 5.3.2. Certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in verband met koolmonoxide
Artikel 5.59. (berekenen: geluidsniveau installatie voor warmte- of koudeopwekking)
Het geluidsniveau van een installatie voor warmte- of koudeopwekking, bedoeld in de artikelen 4.107, tweede lid, en 4.108, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt bepaald berekend volgens bijlage XVII.
Op het berekenen van het geluidsniveau is artikel 6.6, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 5.1.7. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle
Artikel 5.60. (bepalen: dagwaarden geluid bouw- en sloopwerkzaamheden)
De dagwaarden, bedoeld in de artikelen 7.17, tweede lid, en 7.39, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald volgens bijlage IVh.
Op het bepalen van de dagwaarden zijn de artikelen 6.5 en 6.6, tweede, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Meet- en rekenregels decentraal gereguleerde activiteiten
Afdeling 5.4. Geluid en gezondheid
Artikel 6.1. (toepassingsbereik)
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van de gevolgen van activiteiten bij het vaststellen of wordt voldaan aan de regels in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening, als daarin op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de wet regels zijn opgenomen over die activiteiten.
Artikel 6.2. (normadressaat)
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 6.3. (maatwerk- of vergunningvoorschriften)
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verbonden, over artikel 6.14, vierde en vijfde lid.
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 6.14, vierde en vijfde lid, tenzij anders is bepaald.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan worden verbonden.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.9, 8.10, 8.11 en 8.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 6.2. Meet- en rekenregels activiteiten waarover in omgevingsplannen regels zijn gesteld
§ 5.2.2. Bestaande bouw
Artikel 6.4. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door een activiteit, anders dan het wonen, met uitzondering van het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen en doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen:
- a. op een geluidgevoelig gebouw;
- b. in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw; en
- c. op een locatie die dichter bij de activiteit is gelegen dan de gevel, locatie of begrenzing als bedoeld in artikel 5.69 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 6.5. (bepalen: waar het geluid wordt bepaald)
Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is en dat ligt:
- a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de gevel, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag;
- b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de locatie waar een gevel mag komen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag die gebouwd mag worden;
- c. als het gaat om een woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; en
- d. als het gaat om een woonschip: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip op 1 m boven het maaiveld.
In het eerste lid wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip.
Artikel 6.6. (bepalen: geluid door activiteiten, anders dan specifieke activiteiten, op een geluidgevoelig gebouw of op een andere locatie)
Het geluid door een activiteit wordt bepaald volgens bijlage IVh als sprake is van:
- a. een activiteit waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.65, eerste lid, onder a, tweede, derde of vierde lid, 5.66, eerste lid, of 5.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat; of
- b. een activiteit waarvoor een omgevingsplan een waarde bevat gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een industrieterrein.
De bedrijfsduurcorrectie, bedoeld in bijlage IVh, wordt niet toegepast voor muziek.
In afwijking van het eerste lid wordt het geluid door een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking bepaald volgens bijlage XVIIIb.
Bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.
Bij het bepalen van het geluid worden het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidniveau LAmax afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbij gelegen even getal.
Artikel 6.7. (bepalen: geluid door activiteiten, anders dan specifieke activiteiten, in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen)
Op het bepalen van het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen zijn NEN 5077 en NEN-EN-ISO 12354-3 van toepassing.
Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.
Artikel 6.8. (berekenen: geluid door een windturbine of windpark)
Het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.74, eerste of tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, wordt berekend volgens bijlage IVi.
Bij het berekenen worden de waarden in dB Lden en dB Lnight afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.
Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.
Artikel 6.8a. (tijdelijke regeling berekenen: geluid door een windturbine of windpark)
Artikel 6.8, eerste lid, is ook van toepassing op het berekenen van het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.75a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat.
Artikel 6.9. (berekenen: geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen)
Het geluid door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen civiele of militaire schietbaan of militair springterrein, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.76, tweede of derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, wordt berekend volgens bijlage XVIIIc.
In afwijking van het eerste lid kan het geluid door het exploiteren van een civiele schietbaan, als het gaat om een kleiduivenschietbaan of een schermenbaan voor het toepassingsgebied, bedoeld in bijlage XVIIId, ook volgens die bijlage worden berekend.
Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.
§ 5.3.1. Algemene bepalingen
Artikel 6.10. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de trillingen door een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw.
Artikel 6.11. (bepalen: trillingen door activiteiten)
Op het bepalen van de trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw waarvoor een omgevingsplan waarden als bedoeld in artikel 5.87, 5.87a, 5.88 of 5.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, is paragraaf 6.2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B, van toepassing.
De waarden worden afgerond op twee decimalen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)